Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Reactie GPV, RPF en SGP op Wet op de inlichtingendiensten

Datum nieuwsfeit: 20-01-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
GPV

Keywords: militaire,Kosovo

WET OP DE INLICHTINGEN- EN VEILIGHEIDSDIENSTEN
Bijdrage voor het Nader verslag van de fracties van GPV, RPF en SGP 20 januari 2000

25 877

Algemeen

De leden van de fracties van GPV, RPF en SGP, hierna te noemen de kleine christelijke fracties, hebben met bijzondere belangstelling kennis genomen van de inhoud van de nota naar aanleiding van het verslag en de bijbehorende nota van wijziging. Zij betreuren het dat de voortgang van dit wetgevingsproject traag verloopt, maar erkennen dat het hier gaat om een ingewikkelde materie en dat zich na het uitbrengen van het verslag complicaties hebben voorgedaan, welke de beantwoording van gestelde vragen niet vereenvoudigden. De omvangrijke nota van wijziging is door de genoemde leden over het algemeen als een verbetering van het wetsvoorstel ervaren.Zij realiseren zich daarbij dat het in deze materie moeilijk is vaak tegenstrijdige belangen op een bevredigende wijze met elkaar in harmonie te brengen. Het gaat bij de inlichtingen- en veiligheidsdiensten om een belangrijke overheidstaak, waaraan geen onnodige belemmeringen in de weg gelegd mogen worden. Tegelijk mag dit er niet toe leiden dat de wetgever zich al te gemakkelijk af maakt van grondrechten. Met name op dit punt zijn bij de leden van de kleine christelijke fracties nog vragen en reserves blijven bestaan.


2. De diensten en de coördinatie tussen de diensten

De leden van de kleine christelijke fracties hebben met instemming kennis genomen van de vervanging van het criterium belang van de staat door nationale veiligheid. Het belang van de staat als criterium voor de taakomschrijving van inlichtingen- en veiligheids-diensten zou verwarring wekken vanwege de eigen betekenis van dit begrip in artikel 68 Grondwet. Dat wil niet zeggen, dat aan de nationale veiligheid als criterium geen problemen verbonden zijn. Met name de associatie met artikel 8 EVRM kan vragen oproepen. De Raad van State heeft in haar advies daarop gewezen. De reactie van de regering in het nader rapport vinden de genoemde fracties niet in alle opzichten overtuigend.

Zo menen zij, dat er een spanning blijft bestaan tussen de noodzakelijke ruime interpretatie van het begrip en het feit dat het is ontleend aan een beperkingsgrond op het grondwettelijke recht op privacy. Weliswaar biedt de huidige jurisprudentie voldoende ruimte om het begrip nationale veiligheid ook te hanteren als criterium voor de taakomschrijving van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Maar is het principieel juist de reikwijdte van de taakomschrijving van deze belangrijke diensten afhankelijk te maken van ontwikkelingen van de jurisprudentie van het Europese Hof?

Moeite hebben deze leden ook met de uitspraak in het Nader rapport, dat de introductie van het begrip nationale veiligheid in de voorstellen tot herziening van de artikelen 12 en 13 Grondwet ook gevolgen zou moeten hebben voor de taakuitoefening van de diensten. Is het niet beter als motief voor de keuze van de nationale veiligheid als criterium te gebruiken, dat hiermee zorgvuldig wordt aangegeven waarom het gaat in het takenpakket van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, waarbij als bijkomende omstandigheid genoemd kan worden dat het ook geen problemen oplevert in relatie tot grondrechten waarop inbreuken moeten worden gemaakt?

De leden van de kleine christelijke fracties stemmen in met een inlichtingentaak voor de diensten. Zij hebben er echter behoefte aan zo duidelijk mogelijk te weten wat er op dit punt gaat veranderen als het huidige wetsvoorstel kracht van wet krijgt. Zij vragen dit ook tegen de achtergrond van het feit, dat bij de behandeling van het voorstel tot opheffing van de Inlichtingendienst Buitenland is gesteld, dat de strikt offensieve taak van de IDB in de toenmalige vorm niet meer noodzakelijk was, maar dat volstaan kon worden met intensivering van activiteiten door de andere diensten. Voor die strikt offensieve taak zou geen bijzondere wettelijke grondslag nodig zijn. Wat wordt dan bedoeld met de mededeling in de nota naar aanleiding van het verslag (blz. 29), dat het onderzoek betreffende andere landen voor zover het gaat om de strikt offensieve taak sinds de opheffing van de IDB niet meer wordt verricht?

De genoemde leden vragen voorts hoe de onderzoekstaak van de diensten als het gaat om vitale economische belangen van Nederland zich verhoudt tot de reguliere taken van andere onderzoeksinstellingen op dit gebied zoals het Centraal Planbureau. Worden hiermee werkafspraken gemaakt?


3. Gegevensverwerking door de diensten

De leden van de kleine christelijke fracties vinden het vanzelfsprekend, dat in te zetten agenten aan hoge eisen van betrouwbaarheid moeten voldoen. Zij begrijpen ook dat het moeilijk is hiervoor algemene criteria te formuleren. Maar is het niet mogelijk en nodig toch een ondergrens te stellen? Als het gaat om de politie heeft de Kamer uitgesproken dat zogenaamde criminele burgerinfiltranten niet mogen worden ingezet (Kamerstuk 25 403, nr. 33). Zij gaan ervan uit dat de regering zich daaraan ook zal houden als het gaat om agenten van de diensten.

Wat betreft het openen van brieven en andere geadresseerde zendingen komt het genoemde leden voor, dat niet erg consistent gehandeld wordt voor wat betreft het vooruitlopen op komende grondwetsherziening. De bevoegdheden van artikel 23 blijven beperkt tot brieven en andere geadresseerde zendingen. Van een elektronisch briefgeheim kan echter nog niet worden gesproken, omdat hiervoor nog wijziging van artikel 13 Grondwet nodig is. Maar dat behoeft toch geen belemmering te vormen om de werkingssfeer van artikel 23 uit te breiden tot elektronisch briefverkeer? Waar het betreft de notificatieplicht loopt de regering wel vooruit op een herziening van de Grondwet. Waarom in het ene geval wel en in het andere niet? De regering wijst er terecht op, dat het niet zo is, dat het e-mail verkeer thans geen enkele bescherming zou genieten. Wat zal er veranderen als ook dit verkeer de bescherming van artikel 23 zou gaan genieten?

De leden van de kleine christelijke fracties zijn het ermee eens, dat het voor de diensten van belang is als de wet een mogelijkheid biedt in bijzondere gevallen handelingen te verrichten die nog niet te herleiden zijn tot een wettelijk geregelde bevoegdheid. De vraag is echter of een regeling als is voorgesteld in artikel 30 voldoet aan het voorzienbaarheidsvereiste, dat in de jurisprudentie van het Europese Hof een rol speelt. Wil de regering daarop ingaan? In ieder geval is een actieve rol van het parlement onmisbaar. De genoemde leden delen het standpunt van de regering dat dit in onze staatsrechtelijke verhouding niet voorafgaande aan de besluitvorming kan. Zij menen echter dat het voorschrift, dat altijd binnen een jaar een voorstel van wet moet worden ingediend tot vreemde gevolgen kan leiden in het geval de ervaring heeft geleerd dat de handeling niet voor herhaling vatbaar is. Wat voor voorstel moet de regering dan indienen? Volgens het derde lid van artikel 30 een voorstel om de handeling toch wettelijk mogelijk te maken. Dat schept toch alleen maar verwarring? Zij herhalen daarom hun suggestie in de wet op te nemen dat een dergelijke nieuwe bevoegdheid niet opnieuw mag worden gebruikt als niet binnen een jaar een voorstel van wet is ingediend.


4. Kennisneming van door of ten behoeve van de diensten verwerkte gegevens

De leden van de kleine christelijke fracties menen, dat de regering er terecht voor heeft gekozen een regeling van de notificatieverplichting op te nemen in het wetsvoorstel. Nog daargelaten of het EVRM ertoe noopt, artikel 12 van de Grondwet verplicht ertoe, terwijl aannemelijk is dat deze verplichting zal ontstaan met betrekking tot inbreuken op het in artikel 13 gegarandeerde grondrecht. De vormgeving van de verplichting geeft echter aanleiding tot vragen.

Waarom geldt de notificatieregeling alleen voor de uitoefening van de in artikel 33a genoemde bijzondere bevoegdheden? Zal bij de uitoefening van andere bijzondere bevoegdheden niet evenzeer sprake kunnen zijn van ernstige inbreuken op grondrechten. Deze kunnen gerechtvaardigd zijn, maar de vraag of op enig moment notificatie dient plaats te vinden vergt afzonderlijke beantwoording. Welke afwegingen heeft de regering op dit punt gemaakt?

De genoemde leden vragen voorts of de beperking van de notificatieplicht tot nieuwe gevallen, hoe zeer daarvoor uit praktische overwegingen veel te zeggen is, in het licht van de Grondwet wel kan stand houden. Immers, de regering erkent dat in artikel 12 Grondwet reeds nu een ongeclausuleerde notificatieverplichting is opgenomen. Kan dit bij wet uitgewerkt worden door de effectuering ervan te beperken tot nieuwe gevallen? Eenzelfde vraag kan gesteld worden ten aanzien van de voorgenomen inwerkingtreding van de notificatieverplich-ting nadat de nodige organisatorische voorzieningen zijn getroffen en de aanhangige wijziging van artikel 12 in werking is getreden. Het feit dat de grondwetswijziging de mogelijkheid van afstel zal gaan bieden kan toch geen argument zijn om niet aan een reeds geldende grondwettelijke verplichting te voldoen.

De argumentatie van de regering om de onderzoeksverplichting van de minister te laten ingaan vijf jaar na de beëindiging van de uitoefening van een bijzondere bevoegdheid is vooral praktisch. Maar is dit voor wat betreft het binnentreden in een woning wel in overeenstemming met de strekking van artikel 12 Grondwet? De hoofdregel is toch, dat notificatie zo spoedig mogelijk plaats vindt. Betekent dit ook niet, dat als in het belang van de nationale veiligheid uitstel nodig is dit uitstel niet langer behoort te duren dan in de concrete situatie nodig is? Kan dit wel wettelijk worden gefixeerd op tenminste vijf jaren?

De genoemde leden vragen ook een motivering van het voorstel het mogelijk te maken, dat reeds bij de uitoefening van een bevoegdheid wordt vastgesteld dat de verplichting tot onderzoek vervalt. Zij vragen ook op dit punt of dit past bij de strekking van artikel 12 Grondwet. Het gaat hier immers om een uitzondering op een regel die rechtstreeks voortvloeit uit een grondrecht. Moet die uitzondering dan niet met terughoudendheid worden toegepast? Past daarbij wel dat bij voorbaat wordt vastgesteld dat het belang van de nationale veiligheid zich tegen notificatie verzet? Hoe kan voorts worden gecontroleerd, dat in de praktijk geen oneigenlijk gebruik van deze mogelijkheid wordt gemaakt?

Het is de leden van de kleine christelijke fracties niet duidelijk geworden waarop de raming van de extra benodigde personeelssterkte is gebaseerd. De invoering van de notificatieverplichting wordt als argument genoemd voor een uitbreiding bij de diensten met tenminste 15 respectievelijk 3 fte. Hoe verhoudt zich dit tot het voorstel de verplichting pas na tenminste vijf jaren te effectueren?


5. De samenwerking tussen de diensten en met andere instanties

De leden van de kleine christelijke fracties zijn nog niet overtuigd van de noodzaak en juistheid van de zeer algemene termen waarin de criteria voor samenwerking met zusterdiensten in artikel 54 zijn geformuleerd. Zij denken hierbij met name aan de clausule, dat de door zusterdiensten te behartigen belangen niet onverenigbaar mogen zijn met de belangen die de Nederlandse diensten hebben te behartigen. Kan bij voorbeeld worden volgehouden, dat het Nederlandse mensenrechtenbeleid behoort tot de door de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten te behartigen belangen? Welk onderdeel van de taakomschrijving van de diensten in de artikelen 6 en 7 biedt hiervoor de noodzakelijke aanknopingspunten?


6. Toezicht en klachtbehandeling

De leden van de kleine christelijke fracties vinden de voorgestelde wijzigingen met betrekking tot de commissie van toezicht aanmerkelijke verbeteringen van het wetsvoorstel. Wel hebben zij behoefte aan een nadere motivering waarom de regeling met betrekking tot deze commissie, die geen bindende besluiten kan nemen, naar de mening van de regering niettemin voldoet aan de eisen van artikel 13 EVRM.

De betrokkenheid van de Tweede Kamer bij de benoeming van de leden van de commissie van toezicht vinden deze leden terecht, evenals het feit dat de betrokken ministers bij de voordracht aan de kroon niet gebonden zijn aan deze voordracht. Daartoe is het naar hun mening echter geenszins nodig te bepalen dat in de voordracht van de Tweede Kamer geen rangorde tussen personen wordt aangebracht. Dat is een vorm van onnodige betutteling van de Kamer. Omdat over zon voordracht in de praktijk gestemd zal kunnen worden is het voorschrift ook niet realistisch, omdat het resultaat van de stemming toch een zekere rangorde zal aangeven.

De instelling van een commissie van toezicht mag dan een waardevolle aanvulling zijn van de mogelijkheden tot controle op de diensten, de verantwoording aan de Staten-Generaal blijft naar de mening van de leden van genoemde fracties gebrekkig. Zij wijzen nogmaals op artikel 68 Grondwet, dat uitgaat van een individueel recht tot het vragen van inlichtingen. Een lid dat geen deel uitmaakt van de commissie IVD heeft dus het recht buiten deze commissie om de regering vragen te stellen. De strekking van dit recht brengt volgens deze leden met zich mee, dat deze vragen dan ook beantwoord worden, tenzij in de concrete situatie een beroep kan worden gedaan op het belang van de staat. Deelt de regering het standpunt, dat het bestaan van de commissie IVD op zichzelf onvoldoende argument is om van een inhoudelijke beantwoording van het individuele Kamerlid af te zien? Artikel 22

De leden van de kleine christelijke fracties vragen of de beperking van de werking van het vierde lid tot woningen wel terecht is. Opent de jurisprudentie van het Europese Hof niet de mogelijkheid onder omstandigheden ook bedrijfsruimten onder de bescherming te brengen van artikel 8 EVRM?

Artikel 25a

De leden van de kleine christelijke fracties hebben moeite met de conclusies welke de regering trekt uit de geschiedenis van totstandkoming van artikel 13, tweede lid, Grondwet. De vergelijking van het opvangen van gesprekken met het oog op technische controle en herstelwerkzaamheden met het in artikel 25a bedoelde searchen gaat naar hun mening mank. Bij de grondwetsherziening van 1983 ging het niet om de mogelijke inhoud van gesprekken maar was deze inhoud een niet beoogd maar technisch onvermijdbaar gevolg van de werkzaamheden. Bij het searchen gaat het echter wel degelijk om de inhoud, die mogelijk aanknopingspunten kan bieden voor verder onderzoek. Dat het daarbij in dat stadium niet gaat om de volledige inhoud van de telecommunicatie doet minder terzake.

Artikel 37a

De leden van de kleine christelijke fracties vinden dat dit artikel wel erg ruime mogelijkheden biedt tot het verstrekken van gegevens aan personen of instanties betrokken bij de uitvoering van een publieke taak. Of politieke partijen hieronder vallen staat te bezien, gelet op hun onafhankelijke positie. Dat zij een functie vervullen die van belang is voor de publieke zaak is waar, maar dat geldt op uiteenlopende manieren voor tal van particuliere personen en organisaties.

Artikel 50

De leden van de kleine christelijke fracties vragen of de formulering van het tweede lid het recht van beroep niet tot een fictie maakt als de aanvrager zelfs niet weet of de afwijzing plaatsvond om een van de redenen onder a vermeld dan wel omdat betreffende hem geen gegevens zijn verwerkt.

G.J. Schutte

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie