Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Brief BUZA inzake verdrag R'dam gevaarlijke chemicalien

Datum nieuwsfeit: 24-01-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal


27002000.001 brief min buza verdrag van rotterdam inz voorafgaande geï nformeerde toestemming tav gevaarlijke chemicalien
Gemaakt: 8-2-2000 tijd: 13:45


3


27002 (R1648) Verdrag van Rotterdam inzake de procedure met betrekking tot voorafgaande geïnformeerde toestemming ten aanzien van gevaarlijke chemicaliën en pesticiden in de internationale handel; Rotterdam, 10 september 1998

Nr. 1 Brief van de minister van Buitenlandse Zaken

Aan de Voorzitters van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 24 januari 2000

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, eerste en tweede lid, en artikel 5, eerste en tweede lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, heb ik de eer U hierbij ter stilzwijgende goedkeuring over te leggen het op 10 september 1998 te Rotterdam tot stand gekomen verdrag van Rotterdam inzake de procedure met betrekking tot voorafgaande geïnformeerde toestemming ten aanzien van gevaarlijke chemicaliën en pesticiden in de internationale handel (Trb. 1999, 30 en 202).1)

Een toelichtende nota bij dit verdrag treft U eveneens hierbij aan.

De goedkeuring wordt voor het gehele Koninkrijk gevraagd.

Aan de Gouverneurs van de Nederlandse Antillen en van Aruba is verzocht hogergenoemde stukken op 4 februari 2000 over te leggen aan de Staten van de Nederlandse Antillen en de Staten van Aruba.

De Gevolmachtigde Ministers van de Nederlandse Antillen en van Aruba zijn van deze overlegging in kennis gesteld.

DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

J.J. van Aarsten


1) Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie

Ter griffie van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal ontvangen op 4

februari 2000. De wens dat het verdrag aan de uitdrukkelijke goedkeuring van de Staten-

Generaal wordt onderworpen kan door of namens een van de Kamers of door ten minste

vijftien leden van de Eerste Kamer dan wel dertig leden van de Tweede Kamer of door de

Gevolmachtigde Ministers van de Nederlandse Antillen onderscheidenlijk van Aruba te

kennen worden gegeven uiterlijk op 5 maart 2000.

TOELICHTENDE NOTA


1. Algemeen

Op 11 september 1998 is te Rotterdam tijdens een diplomatieke conferentie onder auspiciën van de Verenigde Naties (VN) tot stand gekomen het Verdrag van Rotterdam inzake de procedure met betrekking tot voorafgaande geïnformeerde toestemming ten aanzien van bepaalde gevaarlijke chemicaliën en pesticiden in de internationale handel (hierna te noemen: het Verdrag). Het Verdrag is door 65 landen, waaronder het Koninkrijk der Nederlanden en zowel alle lidstaten van de Europese Unie als de Europese Gemeenschap zelf, ondertekend.


2. Achtergronden

De groei van de productie, de handel en het gebruik van chemische stoffen voor verschillende doeleinden vanaf de zestiger jaren heeft geleid tot toenemende zorg over schadelijke effecten voor gezondheid en milieu. De geïndustrialiseerde landen van het noordelijk halfrond hebben noodgedwongen de nodige wetgeving en infrastructuur opgebouwd. Daar deze in ontwikkelingslanden, waarheen steeds meer chemicaliën werden geëxporteerd, nagenoeg geheel ontbraken, werd het vastleggen van internationale afspraken over de handel in gevaarlijke stoffen noodzakelijk. Door het Milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP) en de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO) zijn in de tachtiger jaren procedures vastgesteld om ontwikkelingslanden te informeren over de risico's van gevaarlijke stoffen. Dit gebeurde in Nederland via de Wet milieugevaarlijke stoffen, die als eerste een "voorafgaande geïnformeerde toestemming (PIC)" procedure bevatte, bij de UNEP via de "London Guidelines for the Exchange of Informa-tion on Chemicals in International Trade" (1989) en bij de FAO via de "Code of Conduct on the Use and Distribution of Pestici-des". Deze regelingen zijn door de Europese Gemeenschap overgenomen in bindende regelgeving. Het betreft hier Verordening (EEG) nr. 2455/92 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23 juli 1992 betreffende de in- en uitvoer van bepaalde gevaarlijke chemische stoffen (PbEG L 251), verder te noemen de verordening. Deze verordening kwam overigens in de plaats van Verordening nr. 1734/88 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van
16 juni 1988 betreffende de invoer uit en de invoer in de Gemeenschap van bepaalde gevaarlijke chemische stoffen (PbEG L 55).

De UNEP- en FAO-regelingen bevatten vrijwillige procedures, die als nuttig zijn ervaren. De internationale gemeenschap besloot echter tijdens de VN-Conferentie over Milieu en Ontwikkeling (UNCED) in 1992 in Rio de Janeiro, Brazilië, dat er een bindende mondiale regeling moest komen. In de 18e Beheersraad van UNEP (mei 1995) is het besluit genomen om een "International negotiating committee" (INC) in te stellen om een dergelijk verdrag, in samenwerking tussen UNEP en FAO, voor te bereiden.

Onderhandelingsronden hebben respectievelijk in maart 1996, september
1996, mei 1997, oktober 1997 en maart 1998 plaatsgevonden.

Er namen circa 100 landen aan het overleg deel, alsmede verder betrokken internationale organisaties (onder meer de Wereldgezondheidsorganisatie, de Internationale Arbeidsorganisatie, de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, en de Europese Gemeenschap) en non-gouvernementele organisaties (milieu-organisaties en de internationale chemische industrie).

De voorbereiding van de verdragstekst is afgesloten tijdens eerdergenoemde diplomatieke conferentie, die op 10 en 11 september
1998 te Rotterdam plaatsvond. De door het INC in maart 1998 overeengekomen tekst is daar zonder wijzigingen goedgekeurd. Op voorstel van onder anderen de Executive Director van UNEP, dr. Töpfer, kreeg het Verdrag de naam "Rotterdam Convention", mede vanwege de prominente rol van Nederland op internationaal milieuterrein.


3. Goedkeuring door de Europese Gemeenschap en de lidstaten

Het feit dat zowel de EG als haar lidstaten ondertekend hebben, komt voort uit het feit dat het in casu om een gemengde bevoegdheid van de EG en de lidstaten gaat. De consequentie hiervan is, dat met betrekking tot de bekrachtiging van het Verdrag een gecoördineerd optreden van de EG en de lidstaten gewenst is. Dit betekent overigens niet dat het deponeren van de akte van bekrachtiging door het Koninkrijk bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties wat Nederland betreft zal moeten wachten op het deponeren van een akte door de EG en de overige lidstaten.


4. Implementatie

De EG-verordening zal moeten worden aangepast ten einde deze in overeenstemming te doen zijn met het Verdrag. Een daartoe strekkend voorstel van de Commissie van de Europese Gemeenschap wordt op korte termijn verwacht. Vervolgens zal worden bezien op welke punten het Besluit in- en uitvoer milieugevaarlijke stoffen, waarmee de handhaving in Nederland van de verordening wordt verzekerd, aangepast zal moeten worden.

De implementatie zal geschieden meteen nadat de aanpassing van de EG-regelgeving in het Publicatieblad zal zijn verschenen. Uiteraard zullen eventuele organisatorische of uitvoeringstechnische wijzigingen reeds in een zo vroeg mogelijk stadium worden gerealiseerd.


5. Koninkrijkspositie

De regeringen van de Nederlandse Antillen en van Aruba beraden zich nog over de wenselijkheid van medegelding. Ten einde mogelijk te maken dat, wanneer de regeringen van de Nederlandse Antillen en van Aruba tot medegelding zouden besluiten, deze direct tot stand kan worden gebracht, wordt de goedkeuring voor het gehele Koninkrijk gevraagd.

Overigens hebben de regeringen van de Nederlandse Antillen en van Aruba inmiddels beide een nationale autoriteit aangewezen.


6. Inhoud van het Verdrag


6.1. Algemene doelstelling

Het Verdrag bevat regels voor de internationale handel in milieugevaarlijke stoffen, in het bijzonder de uitwisseling van informatie tussen exporterende en importerende landen en een zogenoemde "prior informed consent"-procedure (PIC). Deze procedure houdt in dat een stof die in het land van uitvoer niet of streng beperkt mogen worden gebruikt, slechts mag worden uitgevoerd als het land van invoer daarmee instemt, na eerst nadere gegevens te hebben ontvangen. Het Verdrag van Rotterdam vormt de eerste fase van een wereldwijde aanpak van "chemical management".


6.2. Reikwijdte van het Verdrag

Het Verdrag geldt voor chemische stoffen die verboden of streng beperkt zijn ter bescherming van mens of milieu en zeer gevaarlijke bestrijdingsmiddelen-formuleringen die bij normaal gebruik ernstige problemen veroorzaken in ontwikkelingslanden. Niet onder het Verdrag vallen de navolgende stoffen: narcotica, radioactieve stoffen, afvalstoffen, chemische wapens, geneesmiddelen, en voeding(smiddelen).


6.3. De belangrijkste onderdelen van het Verdrag


6.3.1. De PIC-procedure (artikelen 5 tot en met 11)

Een belangrijk onderdeel vormt het zogenoemde vereiste van "prior informed consent" (PIC) oftewel "voor-afgaande geïnformeerde toestemming". Dit houdt in dat de uitvoer van verboden of aan strenge beperkingen onderworpen stoffen (zoals DDT en PCB's) pas mag plaatsvinden als het importerende land zijn toestemming heeft gegeven op basis van vooraf verstrekte informatie. Het doel van deze regeling is dat het importerende land de kans krijgt een afweging te maken tussen de risico's en het nut van een stof.

Een land dat een stof verbiedt of streng beperkt, meldt dit aan het verdragssecretariaat met overlegging van de in bijlage I bedoelde informatie over de chemische eigenschappen van de stof en de onderbouwing van het verbod of strenge beperking (artikel 5, eerste lid). Zodra het secretariaat twee kennisgevingen afkomstig uit verschillende FAO-regio's van een chemische stof heeft ontvangen, wordt de stof aangemeld bij het Comité voor toezicht voor chemische stoffen (artikel 5, vijfde lid). Het Comité beoordeelt of het verbod of de strenge beperking van de stof voldoet aan de in bijlage II vermelde criteria voor een PIC stof en doet een aanbeveling aan de Conferentie van Partijen om de stof op de lijst van Bijlage III te plaatsen, de lijst van PIC-stoffen.

Ook bestrijdingsmiddelen die weliswaar niet verboden of streng beperkt zijn, maar in ontwikkelingslanden ernstige problemen veroorzaken, kunnen door deze landen worden gemeld voor opname op de PIC-lijst. Omdat informatie over de problemen in de praktijk met gevaarlijke stoffen in ontwikkelingslanden vaak slecht gedocumenteerd is, is kennisgeving door één land voldoende. Hierbij moet de informatie bedoeld in deel 1 van bijlage IV worden overgelegd die een duidelijke omschrijving moet bevatten van de feiten in verband met het probleem alsmede de schadelijke effecten en de wijze waarop het bestrijdingsmiddel is toegepast. Hierbij kan ook gebruik worden gemaakt van rapporten die door derden, bijvoorbeeld milieuorganisaties, zijn opgesteld (artikel 6, eerste lid). De overige informatie die benodigd is om te beoordelen of de stof aan de in deel
3 van bijlage IV bedoelde criteria voldoet, wordt vervolgens verzameld door het secretariaat (artikel 6, derde lid) omdat de mogelijkheden hiertoe van ontwikkelingslanden vaak beperkt zijn.

Voor elke stof die het Comité aanbeveelt voor opname op de PIC-lijst wordt tevens een basisdocument opgesteld die de in bijlage I respectievelijk bijlage IV vermelde informatie bevat (artikel 7, eerste lid). Na goedkeuring door de Conferentie van Partijen (artikel
7, derde lid) wordt het basisdocument aan alle verdragspartijen toegezonden.

In artikel 10 zijn de verplichtingen opgenomen voor de importerende landen. Voor de stoffen op de PIC-lijst waarvoor het basisdocument is verzonden, moet men aangeven of de stof al dan niet mag worden ingevoerd (artikel 10, eerste lid en artikel 10, vierde lid, sub a). Tevens kan een voorlopige beslissing gegeven worden welke inhoudt dat nadere informatie wordt gevraagd aan het secretariaat of aan het land dat de stof heeft aangemeld voor de PIC-procedure. Ook kan verzocht worden om hulp bij de beoordeling van de stof (artikel 10, vierde lid sub b). Artikel 11 bevat de verplichtingen van de exporterende landen. De belangrijkste verplichting is dat het exporterende land ervoor zorgdraagt dat de beslissing van de importerende landen wordt nageleefd door de exporteurs. Ook als het importerende land door omstandigheden geen antwoord heeft gegeven, mag de stof gedurende een jaar niet naar dat land worden uitgevoerd.

Artikel 9 bevat de procedure om stoffen van de PIC-lijst af te halen.


6.3.2. De export kennisgeving (artikel 12)

Het land van uitvoer moet jaarlijks van de uitvoer van bepaalde gevaarlijke chemische stoffen een kennisgeving doen aan het land van invoer. Deze kennisgevingsplicht geldt voor stoffen die in het land van uitvoer verboden of in gebruik streng beperkt zijn.


6.3.3. De etikettering (artikel 13)

De etiketteringsvoorschriften die in het land van uitvoer gelden, moeten ook worden toegepast bij de uitvoer van dergelijke stoffen naar derde landen. Dit geldt zowel voor PIC-stoffen als voor alle overige stoffen die in het land van uitvoer als gevaarlijk worden beschouwd. Voorts dient een veiligheids-informatieblad te worden verstrekt voor stoffen die beroepsmatig worden gebruikt. De informatie moet, voorzover dat te verwezenlijken is, worden gegeven in de taal of talen van het invoerende land.


6.3.4. De opbouw van een technische infrastructuur (artikel 16)

Op verzoek van ontwikkelingslanden wordt wetenschappelijke, technische, economische en wettelijke informatie verschaft over de onder het Verdrag vallende stoffen en wordt de opbouw van deskundigheid voor het veilig en verantwoord omgaan met chemische stoffen in het kader van een duurzame ontwikkeling bevorderd.


6.4. Overige onderdelen van het Verdrag


6.4.1. Organisatorische maatregelen

Het Verdrag voorziet in drie institutionele maatregelen: een of meer Nationale Autoriteiten (artikel 4), een Conferentie van Partijen (artikel 18) en een Secretariaat (artikel 19).

De Nationale Autoriteiten dienen om de uitvoering van het Verdrag te vergemakkelijken. De Conferentie van Partijen neemt procedureregels aan voor haarzelf en voor elk door haar opgericht ondergeschikt orgaan, alsmede financiële regels voor het vaststellen van de financiële deelneming van de partijen. Daarnaast toetst ze de feitelijke toepassing van het Verdrag. Het Secretariaat heeft het mandaat gekregen kennisgevingen te ontvangen en te verifiëren, informatie in te winnen en te verstrekken, assistentie te verlenen aan Partijen en diensten te verlenen op het vlak van de organisatie.


6.4.2. Besluitvorming en geschillenbeslechting

Gekozen is voor de gebruikelijke regeling bij multilaterale verdragen, zowel wat de besluitvorming betreft, met nadruk op het bereiken van consensus, als de procedure voor de beslechting van geschillen omtrent de uitlegging of de toepassing van het Verdrag. Over de keuze van de methode van geschillenbeslechting die het Verdrag biedt, zal in EG-verband worden beslist.


6.4.3. Wijziging van het Verdrag

Ingevolge de wijzigingsregeling, vervat in artikel 21, kunnen wijzigingen van het Verdrag voor een Partij niet in werking treden zonder dat zij door die Partij zijn aanvaard. Tot het aldus binden van het Koninkrijk zal ingevolge artikel 91 van de Grondwet niet kunnen worden overgegaan dan nadat de wijzigingen parlementair zijn goedgekeurd.


6.4.4. Aanneming en wijziging van bijlagen

Artikel 22 geeft regels voor het wijzigen van bijlagen en het aannemen van nieuwe bijlagen. Daar de bijlagen alleen betrekking kunnen hebben op aangelegenheden van procedurele, wetenschappelijk-technische en administratieve aard kunnen zij worden beschouwd als zijnde van uitvoerende aard. Wijziging van bijlagen behoeft op grond van artikel
7, onderdeel f, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen dus niet de goedkeuring van de Staten-Generaal, tenzij deze zich thans terzake het recht van goedkeuring voorbehouden.

Voornemens tot het opstellen van nieuwe bijlagen zullen ingevolge artikel 8 van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen aan de Staten-Generaal worden voorgelegd.


6.4.5. Stemprocedure

Artikel 23 bepaalt dat elke Partij bij het Verdrag één stem heeft en dat organisaties voor regionale economische integratie, zoals de EG, stemmen met een aantal stemmen dat gelijk is aan het aantal lidstaten dat Partij is bij het Verdrag. Indien de lidstaten zelf hun stemrecht uitoefenen, kan de EG dit niet doen en omgekeerd.


6.5. Verhouding tussen de EG-verordening en het Verdrag

De inhoud van het Verdrag is in hoofdzaak gebaseerd op de inhoud van bestaande EG-regelgeving (zie paragraaf 2). De EG heeft reeds in 1992 de PIC-procedure voorgeschreven, voorzover het de handel binnen het grondgebied van de Europese Unie, en later ook de Europese Economische Ruimte betreft. Ook waren al een export-kennisgeving en een etiketteringsverplichting opgenomen. De export-kennisgeving zal nu echter jaarlijks verzorgd moeten worden. Verder zijn op detailpunten enige aanpassingen van de verordening noodzakelijk ten aanzien van de eerste drie in paragraaf 6.3. genoemde punten. Nieuw is de assistentie bij de opbouw van een technische infrastructuur. Ofschoon de tekst weinig gedetailleerd is en als een inspanningsverplichting dient te worden beschouwd, is het het voornemen van Nederland hiervoor beleid te ontwikkelen in samenspraak met de overige lidstaten en de Commissie.


7. Resoluties

Naast het Verdrag is tijdens de diplomatieke conferentie een tweetal resoluties aanvaard. In de resolutie over interim voorzieningen wordt aangegeven dat de vrijwillige PIC-regeling zal worden aangepast aan de verdragstekst en verklaren de ondertekenaars van het Verdrag te zullen streven naar een zo spoedig mogelijke inwerkingtreding van het Verdrag en, vooruitlopend op de inwerkingtreding, de verdragsbepalingen zoveel mogelijk te zullen nakomen.

Via een resolutie betreffende het secretariaat sprak de conferentie zich uit voor een vergelijkende analyse van de aanbiedingen van Duitsland en Zwitserland (de laatste tezamen met Italië) voor de locatie en huisvesting van het secretariaat ten behoeve van behandeling van dit punt op de eerste Conferentie van Partijen. Voorbereiding van die analyses vindt plaats door UNEP en FAO in overleg met het nog bestaande INC voor dit Verdrag.

Verschillende landen, in het bijzonder de Afrikaanse, hebben hun zorg geuit over de technische en financiële steun die nodig is, zowel voor de implementatie te zijner tijd alsmede de voorbereiding. In een verklaring van de voorzitter werd gesteld dat de komende periode vóór de inwerkingtreding en vóór de eerste Conferentie van Partijen hieraan al aandacht zal moeten worden besteed, onder andere via het INC, opdat de (eerste) Conferentie van Partijen hierover kan besluiten.

De Minister van Volkshuisvesting,

Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J.P. Pronk

De Minister van Buitenlandse Zaken, a.i.

Het advies van de Raad van State van het Koninkrijk wordt niet

openbaar gemaakt, omdat het uitsluitend opmerkingen

van redactionele aard bevat (artikel 25a,

vierde lid, onderdeel b, van de Wet op de

Raad van State)

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie