Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Bijdrage GPV en RPF aan debat Wet inkomstenbelasting 2001

Datum nieuwsfeit: 25-01-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
GPV

Keywords: militaire,Kosovo

WET INKOMSTENBELASTING 2001
INVOERINGSWET WET INKOMSTENBELASTING 2001
Bijdrage van G.J. Schutte - GPV (mede namens RPF) 25 januari 2000

26 727

26 728

MdV! Het zal u niet zijn ontgaan, dat het zaterdag j.l. een belangrijke dag was voor de beide fracties namens welke ik het woord mag voeren. De leden van het GPV en de RPF gaven toen immers het groene licht voor een proces dat zal resulteren in de vorming van een politieke unie met uiteindelijk ook één fractie in dit Huis. Het treft goed, dat het eerste plenaire debat na dit besluit gaat over een belangrijke en veel omvattende zaak als de invoering van een nieuwe wet op de inkomstenbelasting. Ik kan u verzekeren dat het onze beide fracties weinig moeite kostte overeenstemming te bereiken over een gezamenlijke bijdrage aan de behandeling ervan. En dat gemak kan niet alleen verklaard worden uit de enorme tijdsinvestering welke de behandeling van deze zaak vergt.

Een nieuw begin wil overigens niet zeggen, dat de beide partijen afstand willen nemen van het verleden. Beider wortels liggen in een traditie van de christelijke politiek, die inmiddels al twee eeuwen terug gaat. En wat belangrijker is: beider fundament is gelegen in het Woord van God, dat teruggaat tot het begin van de wereldgeschiedenis en ook voor vandaag nog perspectief en houvast biedt.

Bij de voorbereiding van dit debat heb ik dan ook nog eens gelezen wat vroegere geestverwanten schreven over christelijke beginselen van belastingpolitiek. Ik moet toegeven, het was niet allemaal meer voor vandaag hanteerbaar. Maar op sommige punten kom ik in het vervolg van mijn bijdrage graag terug. Eén ding trof mij echter zo, dat ik het graag als een rode draad voor mijn betoog wil gebruiken.

Een schrijver vestigde de aandacht op een woord van koning Salomo in het bijbelboek Spreuken. Met excuses aan collega Van der Vlies moet ik erbij zeggen, dat hij daarvoor niet koos voor de weergave in de Statenvertaling maar voor de Canisiusvertaling. Dat kon 50 jaar geleden blijkbaar ook al in gereformeerde kring. In die vertaling werd Spreuken 29 vers 4 als volgt weergegeven: Door rechtvaardigheid houdt een koning het land in stand; wie veel belastingen heft put het uit. Elders uit de bijbel weten we dat koning Salomo zich zelf niet altijd aan die wijsheid gehouden heeft. De weigering van zijn opvolger om de belastingen te verlagen werd de directe aanleiding voor een scheuring in zijn rijk.

Misschien denken de bewindslieden nu, dat zij op dit punt wijzer zijn dan Salomo nu zij voorstellen de lasten met zon zes miljard te verlagen. Maar ik hecht eraan beide elementen uit de tekst tot zn recht te laten komen. Pas op voor een te hoge belastingdruk, dat is schadelijk voor het land. Maar ook: Wees rechtvaardig, want daardoor houd je het land in stand. En dan kom ik weer terecht bij die beginselen voor een rechtvaardige belastingheffing. Maar voordat ik daar verder op doorga moet ik, evenals andere woordvoerders, iets zeggen over de wijze waarop deze ingrijpende belastingherziening tot stand komt.

Vervreemding

De bewindslieden hebben nogal nonchalant gereageerd op de brede kritiek vanuit de samenleving en de Kamer op de korte termijnen welke beschikbaar waren om kennis te nemen van de stukken en daarop te reageren. Men wist toch de hoofdzaken al lang uit de Verkenning en het regeerakkoord, was het antwoord aan critici. Zon opmerking lijkt veel op die van een verzekeraar die zegt dat je de polisvoorwaarden niet zo nauwkeurig behoeft te bestuderen omdat er toch goede folders zijn. Belastingplichtigen, adviseurs en wetenschappers hebben niet zo veel aan een mooi gepresenteerd globaal plan; om te weten wat dat plan in de praktijk betekent moeten ze kennis kunnen nemen van wetsteksten met toelichting. Dat was voor velen niet eenvoudig na de indiening van de wetsvoorstellen, het was nog moeilijker na het verschijnen van de omvangrijke notas van wijziging.

Als mensen aanvoelen dat het om hun belangen kan gaan maar dat ze onvoldoende kansen krijgen zich daarvan te vergewissen en voor hun belangen op te komen, leidt dat tot frustraties richting overheid en tot een proces van vervreemding tussen overheid en burgers. Dat moet politici bewindslieden èn Kamerleden een zorg zijn!

Daarnaast is hierbij de kwaliteit van de wetgeving in het geding. Ik heb groot respect voor de prestaties van al die ambtenaren die met elkaar gezorgd hebben voor een paar duizend paginas wetstekst, toelichting en beantwoording. Maar als ook hun werk onder grote tijdsdruk moet gebeuren worden er fouten gemaakt. Illustratief daarvoor is de eerste nota van wijziging op het wetsvoorstel. Daarin worden 156 artikelen gewijzigd, voor het merendeel redactioneel of technisch.

Ik trek hieruit twee conclusies. Dit is eens maar nooit weer zó. En bij het nog aangekondigde wetsvoorstel inzake het ondernemingspakket moet het dus anders. De vaste commissie heeft al een grens gesteld om het voorstel nog in behandeling te kunnen nemen. Het is dus aan de regering een verantwoorde behandeling mogelijk te maken.

Er is niet alleen voldoende tijd nodig voor de behandeling van de wetsvoorstellen, maar ook voor de invoering van de nieuwe wetgeving. Als de Kamer stemt over de wetsvoorstellen moet vaststaan dat de invoering tijdig en goed kan plaatsvinden. Van de Vereniging van Hoofdambtenaren van het Ministerie van Financiën weten we, dat zich hierbij allerlei risicos kunnen voordoen. Kunnen de bewindslieden garanderen, dat, mede gezien de bestaande krappe arbeidsmarkt, tijdig over voldoende extra capaciteit zal worden beschikt? En wat gebeurt er als onverhoopt toch problemen zullen rijzen, bij voorbeeld op het gebied van de automatisering?

Lastenverlichting

MdV! Over de noodzaak van een nieuwe wet op de inkomstenbelasting kan ik kort zijn. Van alle genoemde argumenten vind ik het belangrijkst, dat de huidige wet het te gemakkelijk maakt zich door middel van constructies, ontwijkgedrag of fraude aan zijn belastingverplichtingen te onttrekken. Het is in strijd met het uitgangspunt van rechtvaardige belastingheffing als belasting betalen in hoofdzaak een zaak wordt voor mensen die zich niet aan hun verplichtingen kunnen of willen onttrekken. De keuze voor een analytisch stelsel, vormgegeven in afzonderlijke boxen, lijkt tegen die achtergrond een goede, al valt op de rechtvaardigheid van de invulling ervan nog wel wat af te dingen. Maar daarover straks meer.

Een ingrijpende belastingherziening zal nooit alleen voordelen hebben. Er zullen ook niet beoogde effecten optreden waaraan niet voorbijgegaan mag worden. Een behoorlijke portie smeergeld kan dan veel vergoeden. In die zin komt de belastingherziening op een goed moment. Er is ruimte voor een belastingverlaging. Maar is het benutten van die ruimte voor dit doel ook verantwoord?

Het grote bedrag aan lastenverlichting en de nadruk die bij de invulling is gelegd op verlaging van de lasten op arbeid zullen hun invloed hebben op de arbeidsmarkt. Maar zijn de huidige problemen op de arbeidsmarkt wel het meest gediend met een tamelijk ongerichte verlaging van de lasten op arbeid? In belangrijke sectoren is sprake van spanning op de arbeidsmarkt. Het aantal onvervulde vacatures stijgt snel. We moeten het dus hebben van een vergroting van het arbeidsaanbod. Maar wie zullen zich door de voorgestelde maatregelen laten overhalen om zich beschikbaar te stellen voor de arbeidsmarkt?

We hopen natuurlijk vooral de langdurig werklozen. Maar hun aantal daalt al fors. En de vele arbeidsongeschikt verklaarden. Het is een smet op onze samenleving, dat in een tijd van grote welvaart en spanningen op de arbeidsmarkt meer dan 900.000 mensen geen werk hebben en krijgen, omdat zij arbeidsongeschikt verklaard zijn. Dit wetsvoorstel geeft deze categorie geen betere plaats op de arbeidsmarkt.

De regering heeft vooral het oog op een derde categorie, de gehuwde vrouwen. De tijd dat zij geen beroepsarbeid buitenshuis meer verrichtten is grotendeels voorbij. Maar het gaat in veel gevallen om werk in deeltijd. In Nederland bedraagt het aantal banen per huishouden gemiddeld 1,2. In veel andere landen speelt werken in deeltijd een kleinere rol en ligt het aantal banen per huishouding daardoor hoger. Moet Nederland die ogenschijnlijke achterstand maar zo snel mogelijk inlopen? Of zou het zo kunnen zijn, dat dankzij het grote aandeel van deeltijdbanen in Nederland ouders nog ruimte hebben voor de opvoeding en verzorging van hun kinderen, voor vrijwilligerswerk en sociaal contact?

Laat het duidelijk zijn: wij willen niet voorschrijven hoeveel tijd mannen en vrouwen moeten besteden aan hun gezin en evenmin wat een ideaal aantal uren werk buitenshuis is. Maar we menen wel, dat de overheid verkeerd bezig is als het door haar beleid steeds moeilijker wordt niet dagelijks samen de deur achter je te sluiten.

Bezien vanuit de doelstelling de arbeidsparticipatie te vergroten en te verbreden moeten we van dit wetsvoorstel dan ook niet te hoge en evenmin alleen positieve verwachtingen hebben.

Een zelfstandig argument voor belastingverlaging in samenhang met een stelselherziening zou gelegen kunnen zijn in de hoogte van onze collectieve lasten. In een open economie als de onze moeten we oppassen ons niet met onze lastendruk uit de markt te prijzen. Maar is dat gevaar echt reëel? We zitten nu iets boven het Europese gemiddelde, maar onze economie lijdt er niet echt onder. Na de belastingherziening komen we onder het gemiddelde. Geen sterk argument dus om te kiezen voor belastingverlaging.

Ik zou de regering dan ook willen vragen meer in het algemeen aan te geven waarom naar haar mening een lastenverlichting in het kader van de stelselherziening niet alleen plezierig is om de herziening soepel te laten verlopen maar ook inhoudelijk een goede keuze is. Te hoge belastingen putten het land uit, maar een belastingverlaging is niet goed alleen omdat burgers daardoor meer te besteden over houden.

MdV! Al snel na de indiening van het wetsvoorstel bleek, dat de regering niet iedereen even gunstig gezind was. Met name de middeninkomens kwamen er bekaaid af. Geen nood, een reparatie was snel toegezegd. Menigeen maakte zich zorgen wie die toezegging weer zou moeten betalen. Maar de regering had nog een potje achter de hand in de vorm van het Algemeen Werkloosheidsfonds.

Nu was het bestaan van dat potje onze fracties ook al opgevallen. We stelden er op 6 december j.l. schriftelijke vragen over aan de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, die antwoordde dat de vaststelling van de WW-premie niet separaat maar in het totale budgettaire- en lastenbeeld wordt bezien. Nu weten we dus wat daar toen al mee bedoeld werd. Het AWF-fonds is in de ogen van de regering gewoon een spaarpot, waaruit een greep wordt gedaan als dat zo uitkomt, onder het motto Zolang de voorraad strekt. Dat opent perspectieven, bij voorbeeld als tegen de verkiezingen weer eens een inkomensplaatje positief moet worden bijgesteld. Maar het opent ook perspectieven voor de Kamer. Want wat de regering mag, mag de Kamer ook. De spaarpot van het AWF als dekkingsmiddel voor amendementen.

Ik zit echter nog wel met enkele vragen. Is dekking uit een werkloosheidsfonds wel een gezonde structurele dekking, waaraan de minister zo gehecht is? De tijden kunnen maar zo weer veranderen. Zijn ambtsvoorganger Ruding had het dan over verjubelen. En is het de bedoeling de advisering door het LISV over de gewenste hoogte van de premie af te schaffen, nu de regering de sociale fondsen voor een breder beleid inzet? Buurmeijer en zijn mensen zitten niet om nodeloos werk verlegen.

Draagkrachtbeginsel

MdV! Door rechtvaardigheid houdt een koning het land in stand. In zn algemeenheid zal ieder dit onderschrijven. Maar wat is rechtvaardig? Daarvan zijn allerlei omschrijvingen te geven. Maar één daarvan is bij het heffen van belastingen wel erg fundamenteel. Belastingen behoren naar draagkracht te worden geheven. Niet elke belasting afzonderlijk behoeft aan die eis te voldoen, het belastingstelsel als geheel wel. En daarbinnen vervult de inkomstenbelasting een cruciale rol.

In een onlangs verschenen bundel opstellen over ethische aspecten van belastingheffing komt de ethicus prof. Den Hartogh tot de conclusie, dat in het wetsvoorstel dat we nu bespreken het reeds dode draagkrachtbeginsel definitief ten grave wordt gedragen. Mensen met gelijke draagkracht worden verschillend behandeld. En hij waarschuwt dat we zodoende terechtkunnen komen in een poenaal stelsel, waarin de overheid nog wel een moreel recht kan claimen om belasting te heffen en betaling af te dwingen. Maar tegenover dit recht van de overheid staat volgens Den Hartogh dan niet langer een corresponderende morele plicht voor iedere burger. En dan kunnen in de 21e eeuw alleen nog krokodillentranen worden gestort over de verminderde belastingmoraal.

De ontkoppeling welke deze ethicus aanbrengt tussen het recht belasting te heffen en de plicht belasting te betalen staat mijns inziens op gespannen voet met Jezus woord de keizer te geven wat des keizers is. Maar dat neemt niet weg dat als zijn constatering over het ten grave dragen van het draagkrachtbeginsel juist zou zijn het wetsvoorstel een zeer kritische bejegening zou verdienen. In ben voorshands niet aan de conclusie van Den Hartogh toe, maar gerust ben ik er ook niet op. Als we alleen kijken naar de tarieven in box I lijkt er niet veel mis te zijn. Een tarief oplopend van 32 naar 52% houdt redelijk rekening met verschillen in draagkracht. Maar hoe zit dat in box III? Betekent de keuze voor een forfaitaire vermogens-rendementsheffing niet dat de draagkracht hier ondergeschikt is gemaakt aan de eenvoud? Het willen voorkomen van belastingontduiking kan hiervoor een argument zijn, maar dat betekent toch niet dat verschillen in draagkracht er helemaal niet meer toe doen.

Tot nu toe kennen we in de inkomstenbelasting een rentevrijstelling voor kinderen tot de helft van het bedrag voor de ouders. Daarmee wordt tot uitdrukking gebracht dat ouders er goed aan doen te sparen voor de toekomst van hun kinderen. Ik vind het een verlies als deze mogelijkheid zou vervallen. Daarom heb ik in amendement 15 voorgesteld dit systeem in box III weer op te nemen. Met een gelijke argumentatie hebben de collegas Bos en De Vries op stuk 28 een lager bedrag per kind voorgesteld. Minder consistent dan mijn amendement, maar in ieder geval wel met de principiële erkenning dat met de aanwezigheid van kinderen rekening gehouden moet worden.

Met draagkracht heeft ook te maken of de heffing plaatsvindt over daadwerkelijk genoten inkomsten, ook in box I. Is het dan niet redelijk rekening te houden met werkelijk gemaakte beroepskosten? Ik kan mij voorstellen, dat de regering hiermee zeer terughoudend wil zijn, gelet op de strekking van het wetsvoorstel om de grondslag te verbreden en interpretatievragen te voorkomen. Daarom heb ik mijn amendement 12 beperkt tot aantoonbaar gemaakte kosten van incidentele aard. Te denken valt aan juridische kosten in het kader van een arbeidsconflict en eventuele andere kosten die nauw samenhangen met de dienstbetrekking, voor zover deze kosten een bepaald drempelbedrag overschrijden. Als gevolg van de nota van wijziging is dit amendement feitelijk vervallen, maar dat neemt niet weg dat ik de strekking ervan aan de regering blijf voorhouden.

Maar ook binnen box I wordt aan het draagkrachtbeginsel geweld aangedaan door systematisch geen rekening te houden met de aanwezigheid van kinderen. Bij de schriftelijke voorbereiding is hiervoor van veel kanten aandacht gevraagd. Maar de bezwaren van de regering tegen het op enigerlei wijze rekening houden met de aanwezigheid van kinderen kwamen in essentie neer op een andere politieke keuze. Zo staat op blz. 387 van de nota naar aanleiding van het verslag, dat een vorm van zorgkostenforfait haaks staat op het bevorderen van de arbeidsparticipatie en de individualisering.

Kennelijk is het toekennen van een bescheiden korting aan belastingplichtigen met kinderen al anti-emancipatoir. Daarvoor moet het draagkrachtbeginsel dus maar wijken. Gelukkig gaat deze redenering zelfs een aantal fracties dat de fiscaliteit graag gebruikt om emancipatiedoelstellingen te bevorderen te ver, getuige de vele amendementen uit allerlei kring die op dit punt zijn ingediend. Elk van die amendementen is mij in meerdere of mindere mate sympathiek. Zelf heb ik mijn naam gegeven aan een amendement van de leden Bos en Giskes voor een inkomensafhankelijke kinderkorting. Principieel zit ook hierin de erkenning, dat de aanwezigheid van kinderen de draagkracht beïnvloedt. Dat daarbij een grens gelegd wordt bij tweemaal modaal vind ik verantwoord, omdat boven die inkomensgrens een kinderkorting relatief gezien weinig betekent. Ik zie dit amendement voorts als een nuttig instrument voor de toekomst als een reguliere kapstok voor maatregelen waarbij iets extra moet worden gedaan voor gezinnen met kinderen. Nu kan vaak alleen de toevlucht genomen worden tot ad hoc oplossingen zoals kinderkopjes, welke de regelingen erg gecompliceerd maken. Je zou kunnen zeggen, dat op deze manier de systeemfout die indertijd gemaakt is bij de integratie van kinderbijslag en kinderaftrek ongedaan gemaakt wordt. Het instrument van de kinderkorting moet daarom ook gezien worden als een aanvulling op de kinderbijslag.

Ik kwam tot deze uitwijding over de positie van kinderen naar aanleiding van het verwijt van Den Hartogh over het ten grave dragen van het draagkrachtbeginsel. Ik nodig de regering uit aan te tonen dat dit beginsel bij hen nog voluit leeft en in het wetsvoorstel tot zijn recht komt. Maar om dit geloofwaardig te kunnen doen zullen zij wel positief moeten reageren op enkele amendementen.

Niet-fiscale doeleinden

De discussie over individualisering en draagkracht raakt in feite de principiële vraag of en zo ja in hoeverre de fiscaliteit gebruikt mag worden voor niet-fiscale doeleinden. De vraag als zodanig is al oud, maar keert toch regelmatig terug. Bij de bestudering van werken van mijn politieke voorvaderen kwam ik in dit verband een interessante uitspraak van onverdachte zijde tegen. Het is er één van Colijn, niet echt een vrijbuiter op dit terrein. Als voorzitter van de Antirevolutionaire Partij hield hij in 1920 zijn jaarlijkse deputatenrede. Daarin zei hij onder meer het volgende:

De consument toont, tengevolge vooral van de grotere ruimte aan geld neiging tot groter verbruik en wel op het terrein van het niet volstrekt noodzakelijke. Die neiging moet worden ingetoomd, en het is de belastingwetgeving die ten deze een werkzame invloed kan uitoefenen door een belangrijke heffing op de weelde en op alle niet nodige vertering. Een heffing als deze moet drastisch zijn wil ze uitwerking hebben. Haar doel moet niet zijn om geld in de schatkist te brengen, maar om, in een bepaalde richting, krachtige economische invloed uit te oefenen.

Het zijn voor de staatssecretaris woorden naar zijn hart. Maar ze vormen geen vrijbrief de fiscaliteit voor alle mogelijke doeleinden in te zetten. Het moet wel gaan om een zaak van publieke betekenis, waarbij sprake is van een duidelijke overheidstaak. Dus bij voorbeeld niet om de keuzen van ouders te sturen in een door de overheid gewenste richting. Maar wel om te stimuleren dat mensen zich goed en voortdurend scholen. Daar is de hele samenleving bij gebaat, ook als het gaat om een specialistische opleiding, die wat duur uitvalt. Ik vind het daarom niet juist, dat het wetsvoorstel een maximering bevat van de aftrek van uitgaven voor scholing. Bij amendement 16 stel ik voor die maximering te laten vervallen.

Een andere vorm van fiscale stimulering betreft de oudedagsvoorziening. De AOW is een basisvoorziening, maar het is goed en nodig dat mensen zelf zorg dragen voor het meerdere. Daarbij doet zich de vraag voor of het redelijk is, dat de belastingwetgever onderscheid maakt tussen belastingplichtigen die hun pensioen via collectieve voorzieningen in de tweede pijler kunnen opbouwen en ondernemers en andere belastingplichtigen die aangewezen zijn op het lijfrenteregiem in de derde pijler.

Weliswaar zijn door de tweede nota van wijziging enkele pijnpunten verdwenen, maar er is nog altijd sprake van een verschillende normering. Daarmee houd ik moeite. De pensioenopbouw wordt fiscaal ondersteund, opdat belastingplichtigen hun verantwoordelijkheid nemen met het oog op hun oude dag. Daarbij moet het niet uitmaken of je zelf een groentezaak drijft dan wel als werknemer in die zaak werkt. Toch wordt dat onderscheid wel gemaakt. Een alleenverdiener met een inkomen van 70 à 80.000 gulden is beter af onder pijler twee dan onder pijler drie. Hoe is dat te verdedigen?

Tijdens het wetgevingsoverleg is niet volledig duidelijk geworden of er bij het lijfrenteregime sprake kan zijn van een eindtoets. Kan de regering bevestigen dat er met betrekking tot de premieaftrek in het geheel geen eindtoets meer geldt?

De regering wijst op de budgettaire gevolgen. Maar hoe zeker zijn die? De opbrengst van de voorgestelde maatregelen is onzeker. De inschatting van het aantal mensen dat een pensioengat zal dichten is van een hoog natte-vingergehalte. Ik vraag de regering dan ook nog eens goed te bezien of het voorstel op dit punt uit een oogpunt van rechtvaardigheid te verdedigen is.

De meest geliefde maar tegelijk omstreden fiscale faciliteit betreft de aftrek van hypotheekrente voor de eigen woning. De strekking van deze faciliteit heeft onze instemming. Ze heeft in sterke mate bijgedragen aan het eigen woningbezit voor brede lagen van de bevolking. Maar het moment kan aanbreken waarop zij aan haar eigen succes bezwijkt. De schaduwzijden worden steeds duidelijker zichtbaar. De budgettaire gevolgen voor de schatkist stijgen fors. De huidige regeling vormt een van de oorzaken van de verdubbeling van de huizenprijzen in de afgelopen acht jaar, waardoor een koopwoning steeds minder toegankelijk wordt voor starters op de woningmarkt en voor de doorsnee alleenverdiener. Voor woningen geldt zodoende de twijfelachtige eer dat ze het enige goed met marktwaarde vormen waarvoor tweeverdienersprijzen gelden. Het recente rapport van de Nederlandsche Bank komt tot de conclusie dat de gevoeligheid van de Nederlandse economie voor eventuele schokken die via de financiële positie van huishoudens doorwerken de afgelopen jaren substantieel zijn toegenomen.

Onder die omstandigheden vind ik de verkrampte houding van de regering op dit punt niet verantwoord. Uiteraard heeft de Nederlandsche Bank gelijk als zij erop wijst dat aanpassingen in de fiscale behandeling van hypotheken altijd geleidelijk geschieden. Maar dat is wat anders dan bij regeerakkoord het probleem te negeren. Voor een volgend kabinet zal het alleen maar moeilijker worden tot evenwichtige aanpassingen te komen.

Bij de tweede nota van wijziging heeft de regering toch een kleine beperking aangebracht door de duur van de hypotheekrente-aftrek te stellen op maximaal dertig jaar. Hiermee wordt een van de meest opvallende uitwassen van het stelsel heel voorzichtig beperkt. Maar de omvang van de jaarlijkse aftrek blijft gelijk. Dat roept vragen op, omdat in tegenstelling tot de hypotheekrenteaftrek het huurwaardeforfait wel aan een maximum gebonden is.

Ik vond het eigenlijk wel een logische suggestie van de heer Bos tijdens het algemeen overleg deze maximering dan ook maar te laten vervallen

Eenvoud

MdV! Een van de belangrijkste motieven om te komen tot een nieuw belastingstelsel is vergroting van de eenvoud en doorzichtigheid van het stelsel, mede om te voorkomen dat mensen zich aan hun burgerschapsplicht om naar vermogen bij te dragen aan de belastingen onttrekken. Dat heeft ook alles te maken met het eerste deel van het motto van mijn bijdrage, de rechtvaardigheid van het beleid. Als het gezegde waarheid wordt, dat belasting betalen voor de dommen is, is het met onze rechtsstaat slecht gesteld.

Nu realiseer ik mij dat eenvoud en rechtvaardigheid niet altijd samengaan. Maar het wetsvoorstel bevat mijns inziens nog voorbeelden van onnodige ingewikkeldheid, welke uitnodigen tot manipuleren. Ik denk aan de regeling inzake het privé-gebruik van de auto van de zaak. Ontmoediging van het autogebruik is een goede zaak, welke ook door middel van de fiscaliteit gestimuleerd kan worden. Maar als de fiscale bijtelling zoals in het regeringsvoorstel wordt verdeeld over vier schijven lokt dat misbruik uit, waarvan de bestrijding veel controle zal vergen en tot allerlei procedures aanleiding zal geven. Dat moet de wetgever niet doen als het enigszins anders kan. Daarom stel ik in amendement 25 voor

één grens voor de fiscale bijtelling aan te houden, te weten 1000 verreden kilometers. De belastingdienst behoeft dan alleen te controleren als de belastingplichtige aangeeft minder dan 1000 privé-kilometers te hebben gereden. Door het tarief te stellen op 21% werkt het amendement budgettair neutraal uit.

Ook met betrekking tot de heffingskorting is een vereenvoudiging mogelijk, waardoor de uitvoeringslast wordt beperkt. Ongeveer twee miljoen mensen hebben nu geen belastbaar inkomen, maar zullen als het wetsvoorstel wet wordt wel een aanslag krijgen. Dit voorstel is een uitvloeisel van het streven naar individualisering en economische zelfstandigheid. Op deze manier is het een kostbaar beginsel. Binnen een huishouden wordt geld rond gepompt, doordat de verdienende partner belasting betaalt die de niet-verdienende partner door middel van een heffingskorting ontvangt. Als beide partners dat leuk vinden mag het van mij. Maar waarom moet deze omslachtige methode worden voorgeschreven? Waarom het niet mogelijk gemaakt de heffingskorting te verrekenen als beide partners er gezamenlijk om vragen? Zitten de frustraties over de huidige overheveling van de basisaftrek zo diep dat de regering zelfs niet over een vereenvoudiging op vrijwillige basis wil denken? Mijn amendement 47 biedt hier een handreiking.

Een andere mogelijkheid tot vereenvoudiging doet zich voor bij de partnerregeling in artikel 1.2. Partners zijn volgens deze regeling niet alleen twee mensen die getrouwd zijn of gekozen hebben voor een geregistreerd partnerschap maar ook ieder duo dat er op enig moment voor kiest voor de belastingen als partners te worden behandeld. Relaties à la carte dus. Terwijl de wetgever nu juist een keuzemogelijkheid naast het huwelijk heeft geboden, waarbij ook sprake is van wederzijdse zorgplicht. Ik zie niet in waarom de belastingwetgever nog verder moet gaan door in feite het partnerschap te maken tot een jaarlijkse keuzemogelijkheid voor ieder. Amendement 10 sluit aan bij wat ons burgerlijk recht aan mogelijkheden biedt. Dat schept duidelijkheid.

Vermogensrendementsheffing

Er is al veel gezegd en geschreven over de vermogensrendementsheffing. Volgens de regering is het een inkomstenbelasting, die ook in het buitenland als zodanig zal worden getaxeerd. In eigen land is lang niet ieder het hiermee eens. De praktijk zal moeten uitwijzen wie gelijk heeft, maar ik vind het moeilijk te accepteren te moeten afgaan op de inschatting van de regering, zonder dat deze is gebaseerd op een toetsing bij onze belangrijkste verdragspartners. Is het Nederland dat in zn eentje een doorbraak weet te bereiken? Of zal de wereld om ons heen ons te zijner tijd weer in het internationale gareel brengen? Nu kunnen we niet meer vragen dan de verzekering van de regering, dat zij er vast van overtuigd is dat de vermogensrendementsheffing in internationale verhoudingen overeind zal blijven. In ieder geval is het amendement dat voorziet in een evaluatie op dit punt niet overbodig.

Ondernemingen

MdV! Het belastingstelsel moet stimulansen bieden aan ondernemers om zich voluit in te zetten voor hun onderneming. Niet alleen fysiek, maar ook door middel van de inbreng van eigen vermogen. Kijkend naar de voorstellen zoals deze er nu liggen is het voor ondernemers echter aantrekkelijker het vermogen onder te brengen bij de buurman dan te investeren in het eigen bedrijf. Dat zal dan ook ongetwijfeld het advies zijn dat de ondernemer van zijn belastingadviseur krijgt.

Deelt de staatssecretaris mijn mening, dat het verschil in belastingdruk tussen de boxen I en II en box III het voor zelfstandigen en directeuren-groot aandeelhouders aantrekkelijk maakt om de voorstellen van de belastingadviseur op dit terrein op te volgen? Voorziet hij problemen als gevolg van het verschil in tariefstelling tussen de boxen?

Wat de meesleep- en meetrekregeling betreft is de uiteindelijke optie waarvoor de regering kiest lange tijd onduidelijk gebleven. Hoewel we de regering steunen in haar (aangekondigde) voorstel om af te stappen van het fictief ondernemingsvermogen is wat ons betreft de keuze voor onderbrenging van de regeling in box I een next best oplossing. Alles afwegende hadden we liever gezien dat de regeling onder box II zou vallen, zoals dat was opgenomen in het oorspronkelijke wetsvoorstel. Tevens pleiten we ervoor de kring van mensen die vallen onder de regeling te beperken tot partners. Ook voor de parallel samenhangende voorstellen in box I moet een beperking gelden tot partners en minderjarige kinderen. Ik vind het wenselijk, dat iedereen die buitenshuis woont de reële mogelijkheid krijgt te investeren in het familiebedrijf, zonder daar fiscaal zwaar over te worden afgerekend.

Ondanks het aankondigde wijzigingsvoorstel wordt het minder aantrekkelijk geld of ander vermogen onder te brengen in een familiebedrijf. Ik betreur dat, omdat ik vind dat het familiebedrijf in onze economie nog altijd een belangrijke plaats inneemt en wat mij betreft ook moet behouden. Welk financieel belang bestaat er nog om te kiezen voor investeren in een familiebedrijf in plaats van in een bedrijf dat op de beurs genoteerd staat? Hoe taxeert de regering de mogelijke gevolgen van een steeds zwaarder extern gefinancierd familiebedrijf?

Zoals gezegd is eenvoud een van de doelstellingen van het wetsvoorstel. Daarom ook is gekozen voor een systeem van gesloten boxen. Ik stem daarmee in. Maar dat wil niet zeggen dat daaraan ongeacht de gevolgen aan vastgehouden moet worden. De rechtvaardigheid kan ertoe nopen de structuur op een onderdeel te doorbreken. Dat geldt in het bijzonder voor die AB-houder die vanwege grote verliezen gedwongen is de BV te beëindigen. De weg van de verliesverrekening binnen de box kan dan afgesloten zijn. Dit in tegenstelling tot de zelfstandige, die wel de mogelijkheid heeft tot verliesverrekening. Het is dan niet meer dan billijk om in deze tamelijk uitzonderlijke situatie de AB-houder door middel van een tax-credit een verrekening toe te staan met al dan niet toekomstige belastbare inkomsten uit box I. Hiervoor dient amendement 24.

Een gedwongen beëindiging van de onderneming na het overlijden van de ondernemer mag ook niet lijden tot een onacceptabele lastenverzwaring voor de nabestaanden. Daarom heb ik sympathie voor het amendement Reitsma/Van der Vlies, die het bijzonder tarief van 20% voor dit geval wil handhaven. Indien dit voorstel onverhoopt niet kan rekenen op een Kamermeerderheid vind ik dat in ieder geval moet worden voorkomen dat als gevolg van het overlijden van de ondernemer de achtergebleven echtgenoot door hoge fiscale claims in een schrijnende situatie terechtkomt. Voorkomen moet worden dat in geval van gedwongen verhuizing, omdat een woning wordt bewoond die tot het ondernemingsvermogen behoort, progressief wordt afgerekend. Dat wil ik bereiken met mijn amendement 11, dat erin voorziet dat de woning in zon geval tegen 60% van de economische waarde wordt afgerekend. Een zaak van sociale rechtvaardigheid.

Tenslotte MdV! Een ambtsvoorganger van de staatssecretaris heeft bij de brede herwaardering harde toezeggingen gedaan over eerbiedigende werking ten aanzien van kapitaalverzekeringen van vóór die tijd. Zulke toezeggingen vervallen niet als de regering kiest voor een stelselwijziging maar behoren te worden nagekomen door ze in de wijziging te verwerken. De rode draad van mijn betoog was ontleend aan het woord van Salomo: Door rechtvaardigheid houdt een koning het land in stand. Nakomen van gedane beloften is ook een zaak van rechtvaardigheid.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie