Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Brief Sociale Zaken onderzoek Wet arbeid mijnbouw Noordzee

Datum nieuwsfeit: 26-01-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

szw00000.130 brief min szw inzake evaluatie-onderzoek wet arbeid mijn bouw noordzee
Gemaakt: 28-1-2000 tijd: 9:29

3

De Voorzitter van de Tweede Kamer

der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 26 jan. 2000

Onderwerp

Evaluatie-onderzoek Wet arbeid mijnbouw Noordzee

Ter kennisneming zend ik u hierbij, mede namens de Ministers van Economische Zaken en van Justitie, het onderzoeksrapport inzake het evaluatie-onderzoek van de Wet arbeid mijnbouw Noordzee. Het betreft een aan de Tweede Kamer bij de totstandkoming van de wet toegezegde evaluatie naar de aanvaarding en doorwerking van de betreffende wettelijke regels in de praktijk van de Nederlandse offshore olie- en gaswinning (vgl. Kamerstukken II, 1991-1992, 22 178, nr. 6, par. 7).

Het onderzoek werd uitgevoerd door het IVA Tilburg (Instituut voor sociaal-weten-

schappelijk beleidsonderzoek en advies), in samenwerking met het Schoordijk instituut (vakgroep Sociaal Recht van de Faculteit der Rechtswetenschappen), verbonden aan de Katholieke Universiteit Brabant.

Het onderzoek werd technisch begeleid door een commissie, waarin naast de betrokken departementen, ook de branche-organisaties in de Nederlandse offshore vertegenwoordigd waren, alsmede het Staatstoezicht op de Mijnen en de arbeidsvoorzieningsorganisatie. Voorts hadden representanten van de betrokken vakbonden zitting in deze begeleidings-commissie.

De begeleidingscommissie heeft naar aanleiding van de onderzoeksbevindingen een aantal aanbevelingen geformuleerd ten behoeve van een betere naleving en doeltreffender werking van de regels van de Wet arbeid mijnbouw Noordzee. Voorts beveelt de commissie aan een onderzoek te laten verrichten naar oneerlijke concurrentie in de Nederlandse offshore, al dan niet voorafgegaan door een gericht onderzoek naar vermeend ontwijken van sociale verzekerings- en fiscale verplichtingen door offshorewerkgevers. Te uwer kennisneming zijn bedoelde aanbevelingen van de begeleidingscommissie eveneens hierbij gevoegd.

Met betrekking tot de onderzoeksbevindingen merk ik het volgende op. Het onderzoek biedt inzicht in de mate waarin de regels van de Wet arbeid mijnbouw Noordzee in de praktijk van de Nederlandse offshore worden nageleefd. Helaas moet daarbij worden geconstateerd, dat het onderzoek plaatsvond in een periode dat de bedrijvigheid in de olie- en gaswinning in de Nederlandse offshore aanmerkelijk was verminderd ten opzichte van de voorafgaande periode. Voorts vormde het internationale karakter van de bedrijvigheid een factor die het onderzoek bemoeilijkte. Een en ander heeft onmiskenbaar zijn neerslag gehad op de onderzoeksresultaten in die zin, dat weliswaar een beeld is verkregen van de situatie in de offshore, maar dat niet zeker is of dat beeld een zuivere weergave van de werkelijkheid is. Voorzichtigheid is dan ook geboden met de uit het onderzoek te trekken conclusies, aangezien het niet uitgesloten kan worden, dat het onderzoeksrapport een rooskleuriger beeld geeft dan de werkelijke situatie.

In het onderzoek is in zijn algemeenheid geconstateerd, dat de Wet arbeid mijnbouw Noordzee in de offshoresector redelijk bekend is en over het algemeen goed lijkt te worden nageleefd. Voor zover er sprake is van niet-naleving van de wettelijke regels komt dit naar verhouding vaker voor bij buitenlandse dan bij Nederlandse offshore-ondernemingen. Daarbij blijkt het dan vooral te gaan om (sub)contractors en detacheringsbedrijven en meestal niet om mijnbouwondernemingen. Voorts blijkt de wet minder goed te worden nageleefd ten aanzien van werknemers op de tijdelijke boorplatforms.

Geconstateerde knelpunten in de arbeidsverhouding van met name buitenlandse werknemers hebben meestal betrekking op de niet-naleving door de werkgever van bepaalde wettelijke verplichtingen ingevolge de Wet arbeid mijnbouw Noordzee, t.w.: doorbetaling van 70% loon bij ziekte, verzekering tegen ziektekosten en betaling van tenminste het wettelijk minimum loon en de minimum vakantietoeslag.

Onverlet hetgeen hiervoor in zijn algemeenheid is opgemerkt over het gebrek aan naleving van de wet door buitenlandse ondernemingen is in het onderzoek geconstateerd, dat offshorewerknemers veelal een schriftelijke arbeidsovereenkomst hebben. Voor een ruime meerderheid van de offshorewerknemers is daarin gekozen voor toepassing van het Nederlandse recht. Buitenlandse ondernemingen, zonder vestiging in Nederland, blijken echter veelal te kiezen voor vreemd recht, alsook voor een bevoegde rechter in een ander land. Van belang hierbij is, dat ingevolge de Wet arbeid mijnbouw Noordzee in die gevallen de dwingende regels van het Nederlandse arbeidsovereenkomstenrecht op de betreffende arbeidsverhouding van toepassing zijn. Ook de rechter te Alkmaar is altijd bevoegd om kennis te nemen van eventuele geschillen met betrekking tot de arbeidsovereenkomst van de offshorewerknemer. Voorts is de Regionaal Directeur van de
Arbeidsvoorzienings-organisatie krachtens de wet bevoegd om ontslagen in de Nederlandse offshore preventief te toetsen. Het onderzoek laat in dit verband echter zien, dat in de onderzoeksperiode op genoemde instanties slechts in beperkte mate een beroep werd gedaan.

Een andere belangrijke constatering uit het onderzoek tenslotte is, dat slechts een kleine minderheid van de offshorewerknemers werkzaam is onder een CAO. Er bestaan in de offshoresector (nog) geen specifieke CAO's voor offshorewerknemers. Wel zijn er enkele CAO's w.o. de Metaal-CAO, die specifieke bepalingen bevatten voor offshorewerknemers.

In het buitenland gevestigde offshorewerkgevers hebben veelal geen CAO, hetgeen wellicht een verklaring is voor de geconstateerde mindere arbeidsvoorwaarden van de betreffende werknemers.

Over de naar aanleiding van het onderzoek te nemen beleidsmaatregelen heb ik mij nog geen oordeel gevormd. Ik acht het van belang eerst het oordeel van de centrale werknemers- en werkgeversorganisaties te vernemen over de aanbevelingen van de begeleidings-commissie. Ik heb de aanbevelingen hiertoe inmiddels aan de Stichting van de Arbeid gezonden met het verzoek om een reactie hierop. Na ontvangst van de gevraagde reactie zal ik mij, samen met mijn medebetrokken ambtgenoten, een oordeel vormen over de noodzaak en wenselijkheid van de aanbevolen maatregelen.

De Minister van Sociale Zaken

en Werkgelegenheid,

(mr. K.G. de Vries)

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie