Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Brief en notitie Sociale Zaken over het plan Van Elswijk

Datum nieuwsfeit: 26-01-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

26993000.001 brief min szw notitie over het plan van elswijk Gemaakt: 8-2-2000 tijd: 19:24

31

26993 Plan van Elswijk (bevordering wrekgelegenheid en tegengaan werkloosheid)

nr. 1 Brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 26 januari 2000

Mede namens mijn collega's van Economische Zaken en van Financiën bied ik u bijgaande notitie over het plan Van Elswijk aan. Deze notitie heb ik u toegezegd bij de aanbieding van het onderzoek van CREED aan de Tweede Kamer op 27 september 1999 (Soza-99-728).

Invoering van het plan Van Elswijk is ten principale niet wenselijk. De economische consequenties van dit plan zijn immers zeer ingrijpend. Aan de hand van het onderzoek van CREED waar de motie Kalsbeek-Jasperse c.s. om gevraagd heeft, gaat deze notitie in op de economische gevolgen van het plan Van Elswijk. Hoewel in de afgeronde fase van het onderzoek van CREED nog geen rekening gehouden kon worden met de verplaatsing van bedrijfsactiviteit naar het buitenland, blijken de consequenties voor het overig inkomen hoogst ingrijpend: het overig inkomen komt bij een vertaling van de door CREED gevonden resultaten naar de huidige economische situatie duurzaam 50 à 130 mld lager uit. Hieruit blijkt dat het risico van verplaatsing van bedrijfsactiviteit naar het buitenland zo groot is dat alleen hierom al afgezien zou moeten worden van invoering.

Ook het ongerichte karakter van de arbeidssubsidie in het plan Van Elswijk maakt invoering niet wenselijk. Het plan Van Elswijk gaat voorbij aan het feit dat de arbeidsmarkt bestaat uit deelmarkten die verschillend beleid vergen. Het grootste deel van de inactiviteit is in het onderste segment van de arbeidsmarkt geconcentreerd. Om deze te bestrijden is het niet noodzakelijk dat alle soorten arbeid goedkoper gemaakt worden.

Dit wezenlijke bezwaar wordt duidelijk wanneer de huidige arbeidsmarkt in ogenschouw wordt genomen. In juni 1999 stonden 180.000 vacatures open, met name in de hogere segmenten van de arbeidsmarkt. In een dergelijke situatie is het ongericht vergroten van de totale vraag naar arbeid via een zeer generieke arbeidssubsidie voor werkgevers zeker niet wenselijk.

Tevens zal een invoering van het plan Van Elswijk een zeer forse wijziging betreffen van de fiscaliteit, die ingrijpender is dan de belastingherziening 2001 die op dit moment door de Tweede Kamer behandeld wordt. Het is niet wenselijk de invoering van de belasting-herziening 2001 te belasten door dit nieuwe belastingstelsel direct ter discussie te stellen en over te gaan tot invoering van het plan Van Elswijk.

Tot slot zijn de uitvoeringstechnische en fiscale aspecten die verbonden zijn aan het plan Van Elswijk zodanig dat ook om deze redenen invoering prohibitief is.

Behalve deze hoofdpunten bevat de notitie een veelheid aan beschouwingen, waarvan er overigens geen enkele tot de conclusie leidt dat de bovengenoemde punten in de eind-beoordeling niet doorslaggevend zouden moeten zijn.

Gezien het bovenstaande zijn de betrokken bewindspersonen niet voornemens, in aanvulling op het nog lopend veldexperiment in de provincie Groningen, het plan Van Elswijk nader te onderzoeken op zijn economische merites.

De Minister van Sociale Zaken

en Werkgelegenheid,

K.G. de Vries

Notitie over het plan Van Elswijk

1. Inleiding en voorgeschiedenis

2. Analyses en onderzoek

2.1 CPB-analyse

2.2 Commentaar hoogleraren Bovenberg en Den Butter


2.3 Rondetafelbijeenkomst in de Tweede Kamer


2.4 Veldexperiment Rotterdam


2.5 Veldexperiment Groningen


2.6 CREED-onderzoek


3. Actuele ontwikkelingen


3.1 Ontwikkelingen op de arbeidsmarkt


3.2 Belastingherziening 2001


4. Fiscale en uitvoeringsaspechten van het plan Van Elswijk


4.1 Gemiddelde en marginale belastingtarieven en de belasting van winstinkomen


4.2 Uitvoering


4.3 Gedifferentieerde heffing naar sector


4.4 Europese regelgeving en het plan Van Elswijk


4.5 Stabiele grondslag voor belasting- en premieheffing


5. Economische consequenties van het plan Van Elswijk


6. Conclusies


1. Inleiding en voorgeschiedenis

In de afgelopen jaren is het «plan Van Elswijk» regelmatig genoemd als een mogelijke oplossing van de werkloosheid in Nederland. Zowel in het publieke debat als in de discussies in de Tweede Kamer is aandacht geschonken aan dit plan.

Op verzoek van de Tweede Kamer heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bij de Universiteit van Amsterdam een experimenteel economisch onderzoek aanbesteed Motie Kalsbeek-Jasperse c.s., TK 25.000 XV, nr. 23.. Op 27 september 1999 heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid dit onderzoek aan de Tweede Kamer aangeboden Soza-99-728.. Bij de aanbieding is aangekondigd dat de bewindspersonen van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Financiën en van Economische Zaken een notitie zullen opstellen waarin het plan Van Elswijk, mede in het licht van dit onderzoek, nader besproken zal worden. Deze notitie geeft aan deze toezegging invulling.

Het plan Van Elswijk is genoemd naar ir. P van Elswijk, de geestelijk vader van dit plan. In het boek De Markteconomie Sociaal Ingevuld Piet van Elswijk, De markteconomie sociaal ingevuld, Van Gorkum, Assen, 1996. In dit boek geeft dhr. Van Elswijk aan dat de discussie over dit plan al langer loopt, vanaf 1981. Zo zijn in een eerder ESB-artikel Homeostatische financiering van de sociale zekerheid (4 mei 1994) de hoofdlijnen van het plan reeds gepresenteerd. beschrijft de heer Van Elswijk voorstellen om het fiscaal stelsel en de financiering van de sociale zekerheid zo vorm te geven dat dit de werkgelegenheid bevordert en de werkloosheid tegengaat. In zijn kern bevat het plan Van Elswijk de volgende drie elementen:

De grondslag voor belasting en premies wordt verbreed.

Belasting en premies worden geheven op de toegevoegde waarde (opbrengst van de productie minus het verbruik van goederen en diensten) in plaats van een heffing op loon. Dit betekent dat de grondslag feitelijk verbreed wordt met «winst, rente en pacht»;

2. Het belasting- en premiepercentage over de toegevoegde waarde varieert per sector.

Sectoren met een hoge toegevoegde waarde per werknemer worden aangeslagen voor een lager heffingspercentage dan sectoren met een lage toegevoegde waarde per werknemer.

3. Per werknemer ontvangt de werkgever een arbeidssubsidie.

Dit vermindert de kosten voor de werkgever om iemand in dienst te nemen en te houden. Deze arbeidssubsidie geldt voor alle werknemers, ongeacht de arbeidsmarktpositie.

Het plan Van Elswijk is dus een ingrijpende wijziging van het fiscale stelsel.

Bij de behandeling van de begroting van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor het jaar 1997 op 11 en 12 december 1996 in de Tweede Kamer is het plan Van Elswijk aan de orde gekomen. Naar aanleiding hiervan is op 17 december 1996 de motie Kalsbeek-Jasperse c.s. TK 25.000 XV, nr. 23, de motie was (mede-)ondertekend door leden van de volgende partijen: PvdA, CDA, D66, GroenLinks, SGP, RPF en GPV. aangenomen waarin verzocht is om nader onderzoek naar het plan Van Elswijk, zowel via veldonderzoek als via economisch experimenteel onderzoek.

Op 3 juli 1997 heeft de voormalige Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in een notitie aan de Tweede Kamer zijn twijfels bij het plan Van Elswijk onder woorden gebracht TK 25.000 XV, nr. 63. De waarnemend griffier van de Vaste Kamercommissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft namens deze commissie bij brief op 5 juni 1997 (Soza-97-451) de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid verzocht ruim vóór het zomerreces te informeren over de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van de motie Kalsbeek-Jasperse c.s... Tevens is aangegeven dat veldexperimenten niet altijd zinvolle uitkomsten zullen opleveren Er worden vier redenen gegeven waarom veldexperimenten veelal niet meer duidelijkheid kunnen verschaffen over de omvang en richting van de uiteindelijke effecten van het plan Van Elswijk:

«Ten eerste vinden de experimenten plaats op basis van vrijwilligheid. De negatieve effecten die het plan heeft, komen op deze wijze per definitie niet boven tafel. Te verwachten is dat zich alleen bedrijven melden die denken voordeel te hebben bij de nieuwe systematiek. Er zullen zich geen bedrijven melden die naar verwachting meer premies moeten betalen dan onder het huidige systeem. De steekproef zal dan ook - alleen al om deze reden - niet representatief zijn.

Ten tweede is om bedrijven niet af te schrikken (...) de regel geïntroduceerd dat bedrijven er niet op achteruit kunnen gaan (de zogenaamde «no-pay-garantie»). Als de deelnemende bedrijven onder het plan Van Elswijk per saldo meer belasting moeten betalen dan in het huidige systeem, wordt dit extra bedrag kwijtgescholden. (...).

Ten derde is één van de belangrijkste effecten van het plan Van Elswijk waarover onzekerheid bestaat gelegen in de mogelijke invloed op de economische structuur. Omdat bij de voorgestelde experimenten maar een zeer beperkt aantal bedrijven meedoen, zullen eventuele negatieve effecten van sectorale verschuivingen buiten beeld blijven. (....)

Het is, ten vierde, moeilijk vast te stellen hoe succesvol dergelijke experimenten zijn. Een eventuele werkgelegenheidsgroei kan natuurlijk ook aan andere factoren te danken zijn, zoals verschuivende voorkeuren van consumenten, weersinvloeden, regionale ontwikkelingen et cetera. Eén van de basisvoorwaarden voor een goede experimentopzet, namelijk meetbaarheid van het resultaat is dus niet aanwezig.».

De brief van 3 juli 1997 geeft ook aan dat om tot een succesvolle en informatieve experimentopzet te komen voor een experimenteel onderzoek in ieder geval geprobeerd zou moeten worden om aan de volgende drie randvoorwaarden te voldoen:

«Er moet uitzicht zijn op onderzoeksresultaten die daadwerkelijk nieuwe informatie toevoegen, zodat de aanzienlijke onzekerheid over de effecten van het plan die nu op tal van terreinen bestaat, afneemt. Met name kan dan gewezen worden op de dynamische effecten

Alle essentiële elementen van het plan Van Elswijk moeten op realistische schaal gemodelleerd kunnen worden. Het gaat daarbij om de introductie van een arbeidssubsidie, de heffing over toegevoegde waarde, almede het gedifferentieerde karakter daarvan.

Bij de vormgeving van het experiment moet worden uitgegaan van een zo compleet mogelijke weergave van de instituties en actoren die samen de Nederlandse economie vormen voor zover die althans van belang zijn voor de effecten van het plan Van Elswijk. Dit betekent bijvoorbeeld dat er sprake moet zijn van een substantieel aantal sectoren, bedrijven die tegelijkertijd in meer dan één sector werkzaam zijn, bedrijven die door de tijd heen hun kernactiviteiten in andere sectoren vinden, et cetera. Ook moet de mogelijkheid bestaan om verschuivingen binnen sectoren te analyseren, bijvoorbeeld van winstgevende bedrijven naar minder winstgevende bedrijven.»

Op 29 oktober 1997 heeft de Vaste Kamercommissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid een rondetafelbijeenkomst georganiseerd over het plan Van Elswijk. Tijdens deze bijeenkomst hebben verschillende Tweede-Kamerleden laten blijken aarzelingen te hebben bij de kritische brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 3 juli 1997.

Als vervolg op zijn eerdere brief en mede naar aanleiding van de rondetafelconferentie heeft de voormalige Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in zijn brief van 5 november 1997 TK 25.600 XV, nr.8. aangegeven een experimenteel laboratoriumonderzoek aan te willen besteden omdat deze wens expliciet in de motie Kalsbeek-Jasperse c.s. neergelegd was.

In deze brief heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangegeven dat hij vooraf twijfel bleef houden over de vraag of experimenteel laboratoriumonderzoek meer duidelijkheid kan verschaffen over de effecten die op zouden treden indien het plan Van Elswijk werkelijk ingevoerd zou worden in Nederland. Naar zijn mening voldeed het projectvoorstel niet voldoende aan twee van de drie gestelde randvoorwaarden in de brief van 3 juli 1997. Ter begeleiding en beoordeling van het onderzoek is mede om deze reden een commissie van externe deskundigen in het leven geroepen Deze begeleidingscommissie heeft bestaan uit Prof. dr. F.A.G. den Butter (voorzitter), Prof. dr. A.L. Bovenberg, Prof. dr. E.E.C. van Damme, Prof. dr. K.P. Goudswaard en Prof. dr. S.K. Kuipers..

Zoals reeds opgemerkt bevat deze notitie een beoordeling van het plan Van Elswijk. Paragraaf 2 geeft een korte samenvatting van de stand van zaken rond verschillende analyses van en onderzoek naar het plan Van Elswijk. Vervolgens bespreekt paragraaf 3 de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en in de fiscaliteit die van belang zijn bij de beoordeling van het plan Van Elswijk. In paragraaf 4 komen fiscale (uitvoeringstechnische) aspecten aan de orde waarom invoering van het plan Van Elswijk niet wenselijk is. Paragraaf 5 gaat nader in op de economische consequenties van het plan Van Elswijk. Paragraaf 6 bevat de conclusie.

2. Analyses en onderzoek

Het plan Van Elswijk is in de afgelopen jaren op verschillende momenten nader geanalyseerd en onderzocht. Deze paragraaf geeft een overzicht van de belangrijkste analyses.

2.1 CPB-analyse

In 1995 heeft het Centraal Planbureau (CPB) in werkdocument 79 de effecten bestudeerd van een alternatieve financiering van de sociale zekerheid volgens het Plan Van Elswijk CPB, Alternatieve financiering van de sociale zekerheid: Plan van Van Elswijk, werkdocument, No. 79, Den Haag, augustus 1995.. In deze studie heeft het CPB met behulp van het zogeheten FKSEC-model de macro-economische effecten berekend van een gedeeltelijke Gekozen is voor een gedeeltelijke invoering, omdat bij volledige invoering van het voorstel van Van Elswijk de toegevoegde waardeheffing zodanig groot (f 165 mld) is dat zij ver buiten de range valt waarbinnen wordt gerekend met het FKSEC-model, p. 12. invoering van het oorspronkelijke plan. Bij de berekeningen is uitgegaan van een kostenneutrale overgang.

Volgens het CPB leidt introductie van het plan Van Elswijk ertoe dat de loonsom per werknemer in bedrijven fors daalt. Dit komt omdat de sociale lasten van de werkgevers dalen, mede vanwege de loonsubsidies. Een andere reden hiervoor in de CPB-berekeningen is dat de contractlonen gematigd worden door de verlaagde werknemerspremies. Hierdoor dalen de reële arbeidskosten waardoor de werkgelegenheid kan toenemen. De CPB-berekeningen wijzen uit dat op lange termijn (na 8 jaar) de toename van de werkgelegenheid ten opzichte van het basispad 30.000 arbeidsjaren (36.000 personen) bedraagt.

Het CPB tekent in werkdocument 79 echter gelijktijdig aan dat de bovengenoemde uitkomsten met risico zijn omgeven.

Op pagina 5 beschrijft het CPB dat aan een heffing op de toegevoegde waarde praktische en uitvoeringstechnische problemen verbonden zijn. Zo is de toegevoegde waarde gevoeliger voor conjuncturele schommelingen dan de loonsom. Daarnaast is de netto toegevoegde waarde geen gangbaar bedrijfseconomisch begrip. Tot slot kunnen ondernemers de heffing op toegevoegde waarde ontwijken. Deze heffing zal waarschijnlijk in hoge mate fraudegevoelig zijn.

Tevens is in de berekeningen aangenomen dat werknemers bij uitvoering van het voorstel van Elswijk bereid zijn de contractlonen te verlagen naar rato van de daling van de werknemerspremies (en hiermee dus genoegen nemen met koopkrachtbehoud). Wanneer aan die veronderstelling niet is voldaan, zullen de werkgelegenheidseffecten kleiner zijn (pg. 15).

Voorts moet volgens het CPB aangetekend worden dat modelberekeningen geen recht doen aan de mogelijke verschillende effecten tussen afzonderlijke bedrijven als gevolg van verschillen in arbeidsintensiteit. Wanneer dit wel was meegenomen, zouden volgens het CPB «de arbeidskosten gemiddeld genomen minder kunnen dalen waardoor de positieve effecten op de werkgelegenheid ook geringer zullen zijn» (pg 17).

Het CPB merkt hierbij op dat als gevolg van het plan Van Elswijk met name rente- en winstintensieve bedrijfstakken worden getroffen. In zoverre deze bedrijven van belang zijn voor hoogwaardige arbeidsplaatsen, innovatie en export, zullen deze aspecten - en Nederland als vestigingsplaats voor dergelijke bedrijven - door de introductie van een toegevoegdewaardeheffing in het gedrang komen. Volgens het CPB bestaat aldus het risico dat de gepresenteerde becijferingen een te optimistisch beeld geven.

Daarnaast geeft het CPB aan dat met «het voorstel in originele vorm enorme bedragen zijn gemoeid die de onzekerheden omtrent de te verwachten effecten groot maken.»

Na de verschijning van het werkdocument 79 heeft het CPB ook in de Macro-economische Verkenningen 1997 aandacht aan het plan Van Elswijk besteed CPB, MEV 1997, Den Haag, september 1996, p. 108.. Het CPB verwijst hierin voor de positieve werkgelegenheidseffecten naar het Werkdocument 79, en noemt ook drie complicaties: uitvoeringsproblemen, ontwijkingsgedrag en fraudegevoeligheid. Ook gaat het CPB in op het feit dat het vrije internationale kapitaalverkeer grenzen stelt aan het belasten van kapitaal. Een omvangrijke verschuiving van lasten is nauwelijks denkbaar zonder aantasting van vertrouwen en hogere risicopremies op de Nederlandse kapitaalkosten. Tot slot concludeert het CPB: «Vooralsnog lijken de risico's te groot om tot invoering van zo'n substantiële lastenverschuiving over te gaan».

2.2 Commentaar hoogleraren Bovenberg en Den Butter (bijlage bij brief van 3 juli 1997)

Om meer te weten te komen over de aspecten van het plan Van Elswijk die niet modelmatig in beeld kunnen worden gebracht, heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid twee deskundigen geraadpleegd die gespecialiseerd zijn op het gebied van lastenverschuivingen en arbeidsmarkt. Het betreft Prof. dr. A.L. Bovenberg (destijds OCFEB/CPB) en Prof. dr. F.A.G. den Butter (VU/WRR). Bij de brief van 3 juli 1997 zijn de opvattingen van deze deskundigen als bijlage toegevoegd TK, 25 000 XV, nr. 63.

In antwoord op de vraag zijn visie te geven over de uitvoeringsproblematiek van het plan Van Elswijk, wijst Bovenberg erop dat de differentiatie van het heffingspercentage naar bedrijfstak in strijd is met het principe van gelijke behandeling. Daarnaast is deze differentiatie volgens Bovenberg technisch moeilijk uitvoerbaar en mogelijk in strijd met de Europese richtlijnen die steunverlening verbieden.

Verder leggen Bovenberg en Den Butter sterk de nadruk op de nadelige invloed die de lastenverschuiving naar kapitaalinkomen heeft op de productiviteitsontwikkeling. Immers, doordat bedrijven voor iedere werknemer een arbeidssubsidie ontvangen, wordt arbeid in vergelijking met kapitaal aantrekkelijker. Bedrijven zullen daarom de kapitaalgoederenhoeveelheid verminderen en steeds minder innovatieve activiteiten ondernemen. Deze tendens tot een kleinere kapitaalgoederenvoorraad kan zich uiten doordat het buitenland minder in Nederland investeert dan wel dat Nederlandse ondernemingen meer in het buitenland investeren. Ook meent Bovenberg dat de heffing op toegevoegde waarde de meest winstgevende bedrijven binnen een bedrijfstak het hardst treft De belasting wordt immers niet meer geheven over «loon», maar over «loon, rente, pacht en winst».. Dit zal niet bevorderlijk zijn voor de prikkel tot innovatie en vernieuwing. Ook wordt ondernemerschap zwaarder getroffen.

De stagnatie van de productiviteitsontwikkeling die resulteert, maakt het kostenvoordeel weer ongedaan dat de verlaging van de loonkosten in het Plan Van Elswijk oplevert. De loonkosten per eenheid product, een belangrijke maatstaf voor het concurrentievermogen, zullen daarom naar verwachting niet zo sterk dalen als het plan Van Elswijk beoogt.

Daarnaast geven Bovenberg en Den Butter aan dat de zeer vergaande veranderingen en verhogingen in de belastingheffing op kapitaalinkomen haaks staan op de internationale tendens naar convergentie. Bovendien ondermijnen de hoge tarieven en de toenemende complexiteit de fiscale stabiliteit en maken het Nederlandse fiscale stelsel minder concurrerend.

Per saldo concluderen Bovenberg en Den Butter dat het niet wenselijk over te gaan tot invoering van het plan Van Elswijk.

2.3 Rondetafelbijeenkomst in de Tweede Kamer.

Tevens heeft de vastekamercommissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid op 29 oktober 1997 een rondetafelbijeenkomst georganiseerd. Tijdens deze gelegenheid heeft de heer Van Elswijk zijn plan toegelicht. Tevens heeft een aantal experts dit plan besproken. Van deze rondetafelbijeenkomst is geen verslag geschreven.

2.4 Veldexperiment Rotterdam

Begin 1996 is in Rotterdam een veldexperiment volgens het concept Van Elswijk van start gegaan («Prohef»).

Op 23 februari 1996 heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in een brief aan het College van Burgemeester en Wethouders van Rotterdam zijn grote bezwaren bij veldexperimenten beschreven Deze brief is in afschrift gestuurd aan de Voorzitter van de Tweede Kamer, soza-99-249. In deze brief is aangegeven dat het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid dit experiment dan ook niet zal steunen. Belangrijkste bezwaar bij de vormgeving van het experiment betrof de vrijwilligheid van deelname aan het experiment. Het is immers te verwachten dat enkel bedrijven die menen voordeel te hebben bij het systeem, zullen participeren aan het experiment. Dit zal leiden tot niet-representatieve uitkomsten.

In 1996 namen op basis van vrijwilligheid zeven bedrijven deel aan het experiment en in 1997 participeerden in totaal twaalf bedrijven. Het NEI heeft dit experiment geëvalueerd Nederlands Economisch Instituut, Evaluatie experiment Prohef, Rotterdam, mei 1998.. De evaluatie van het NEI gaat in op de administratieve aspecten bij de uitvoering van het plan Van Elswijk. In zijn evaluatie geeft het NEI aan dat de werkgelegenheid in 1996 toenam met 4,4% ten opzichte van 1995, en in 1997 met 5,7% ten opzichte van 1996. In het totaal zijn 28 nieuwe arbeidsplaatsen gecreëerd. Het NEI concludeert dat het experiment heeft gewerkt omdat met name bedrijven in een groeifase eerder mensen aannamen dan voorheen.

In antwoord op Tweede-Kamervragen van de leden Bos en Van Zijl heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op 28 september 1998 de conclusies van het NEI van kanttekeningen voorzien.

De werkgelegenheidseffecten zoals die het NEI rapporteert, bevatten niet alleen de mogelijke effecten van het plan Van Elswijk, maar ook verschillende sectorale, regionale en bedrijfsspecifieke invloeden. Dat de werkgelegenheidsgroei binnen het experiment meer samenhangt met specifieke factoren dan met het plan Van Elswijk, blijkt uit de constatering dat het grootste deel (namelijk 20 van de 28 nieuwe banen, ofwel 70%) van de totale groei in de werkgelegenheid is geconcentreerd bij één bedrijf. Dit betekent dat de werkgelegenheidsgroei in de andere 11 bedrijven slechts 8 banen bedroeg.

De totale toegevoegde waarde over het hele experiment is gedaald. Men zou verwachten dat bedrijven in een groeifase niet alleen meer mensen aannemen maar ook meer produceren. Het tegendeel is echter het geval.

2.5 Veldexperiment Groningen.

In 1998 is in de Provincie Groningen een veldexperiment gestart met het plan Van Elswijk. Dit Gronings experiment wordt gelijkelijk gesubsidieerd door de Noordelijke overheden (provincie en gemeenten), de Europese Unie en het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft, ondanks zijn aarzelingen bij veldexperimenten (zoals geformuleerd in de brief van 3 juli 1997), toch besloten om over te gaan tot co-subsidiëring van het veldexperiment in Groningen; het veldexperiment vormde onderdeel van de zogenaamde «Langman-afspraken» met de drie Noordelijke provincies. Tevens was de Europese Unie bereid gebleken het experiment mede te financieren.. De totale kosten bedragen 4 miljoen gulden. Het experiment loopt door tot in 2001.

Het doel van dit experiment is zicht te krijgen op de werkgelegenheidseffecten van het plan voor mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Het gaat hier om personen die langer dan één jaar werkloos zijn en bij voorkeur ouder zijn dan 40 jaar. Bedrijven dienen ontstane vacatures te melden en een sollicitatiegesprek met de voorgedragen kandidaten te voeren. In de keuze van nieuwe werknemers zijn bedrijven vrij.

De Gedeputeerde Staten van de Provincie Groningen hebben het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een eerste voortgangsrapportage gestuurd. Gedeputeerde Staten der provincie Groningen, Voortgangsrapportage 1999 experiment Nieuwe Sociale Markteconomie, nr. 99/15.347/42, IEE, Groningen, 26 oktober 1999. Hieruit blijkt dat ondertussen 18 bedrijven bereid zijn gevonden deel te nemen aan het experiment. De bedrijven (verspreid over drie gemeenten: Hoogezand-Sappemeer, Leek en Groningen) zijn afkomstig uit verschillende soorten branches. Zo nemen onder andere een apotheek, een machinefabriek en een sauna aan het experiment deel. In grootte variëren deze ondernemingen tussen de 3 en 13 volledige arbeidsplaatsen.

Van de 18 bedrijven hebben op dit moment 8 bedrijven vacatures aangemeld bij de Stichting Prohef Groningen. In het totaal betreft het 13 vacatures. De voordracht van geschikte kandidaten blijkt op dit moment nog moeilijk.

2.6 CREED-onderzoek

Op uitdrukkelijk verzoek van de Tweede Kamer heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op 5 november 1997 besloten CREED te verzoeken een economisch laboratoriumexperiment uit te voeren naar het plan Van Elswijk.

In een dergelijk experiment worden economische vraagstukken onderzocht met behulp van proefpersonen in een gecontroleerde omgeving (een laboratorium). In het laboratorium worden de proefpersonen geconfronteerd met een economische situatie waarin zij beslissingen moeten nemen die financiële consequenties voor hen hebben. Experimenteel economisch onderzoek wordt al geruime tijd toegepast bij de bestudering van het functioneren van specifieke markten op microniveau. Voorbeelden van onderzoeksvragen op dit gebied zijn: «welk veilingmechanisme genereert de meeste opbrengsten» en «op welke wijze wordt concurrentie op het spoor het best gegarandeerd».

Het CREED-onderzoek is voor Nederland het eerste experimenteel laboratoriumonderzoek naar de macro-economische effecten van stelselwijzigingen. Het betreft hiermee een vernieuwing van het economisch onderzoeksinstrumentarium.Voor het duiden van de effecten van maatregelen voor een gehele economie wordt traditioneel gebruik gemaakt van verschillende soorten economische modellen. Het CPB gebruikt macro-economische modellen als FKSEC voor het ramen van de economische ontwikkelingen voor de Nederlandse economie. Daarnaast zijn er micro-economische algemeen evenwichtsmodellen, zoals MIMIC van CPB. Deze houden in vergelijking met macromodellen beter rekening met de instituties op de verschillende markten, zoals de arbeidsmarkt of de kapitaalmarkt. Econometrische modellen worden geschat op basis van de empirie en met behulp van calibratie Ieder van de verschillende onderzoeksmethoden heeft zijn sterke en zwakke kanten. De begeleidingscommissie bij het CREED-onderzoek beschrijft op pg. 3 van haar rapportage deze voor- en nadelen. De begeleidingscommissie concludeert dat het experimenteel macro-economisch onderzoek geen vervanging is van bestaand econometrisch onderzoek, maar het eerder een complement is van deze onderzoeksmethoden. Vervolgens merkt de begeleidingscommissie op dat het belangrijk is in hoeverre de voordelen van het niet hoeven maken van gedragsveronderstellingen (als nutsmaximalisatie en rationeel gedrag) opwegen tegen de nadelen van verdere vereenvoudigingen bij de modellering van de economische werkelijkheid in een relatief eenvoudig experiment..

Het onderzoek van CREED is begeleid door een commissies bestaande uit vijf hoogleraren algemene economie. Zowel het onderzoeksrapport als het rapport van de begeleidingscommissie zijn op 27 september 1999 aan de Tweede Kamer aangeboden Soza-99-728.

De onderzoekers concluderen in hun rapportage dat het «geoorloofd lijkt te concluderen dat de economische gevolgen van het plan Van Elswijk voor de Nederlandse economie substantieel en positief kunnen zijn, waarbij een toename van de werkgelegenheid met meer dan 10% mogelijk wordt geacht» Experimenteel economisch onderzoek naar het plan Van Elswijk, eindrapport, Faculteit der Economische Wetenschappen, Universiteit van Amsterdam, Amsterdam, september 1999, pagina 10.. In haar rapportage concludeert de begeleidingscommissie evenwel: «Alles afwegend meent de begeleidingscommissie dat verdere inzichten in alternatieve financieringssystemen voor de sociale zekerheid nodig zijn alvorens de invoering van een plan als dat van Van Elswijk ter vervanging van het huidige systeem te bepleiten. In het licht van de vele voorbehouden lijkt er vooralsnog onvoldoende grond voor de conclusie die de onderzoekers trekken» Rapport van de Begeleidingscommissie bij experimenteel onderzoek door CREED naar het plan Van Elswijk, Den Haag, september 1999, pagina 16.. Hier verwijst de begeleidingscommissie naar de hiervoor geciteerde conclusie van de onderzoekers.

Bijlage 1 bij deze brief gaat nader in op het onderzoek dat door CREED is uitgevoerd en de rapportage van de begeleidingscommissie. Bijlage 2 bij deze brief beschrijft een aantal nadere opmerkingen bij het onderzoek van CREED.

3. Actuele ontwikkelingen

In de voorafgaande paragraaf zijn de verschillende analyses en onderzoeken beschreven die in de afgelopen jaren uitgevoerd zijn naar het plan Van Elswijk. Uit die paragraaf is gebleken dat op basis van de verschillende onderzoeken kanttekeningen te plaatsen zijn bij het plan Van Elswijk. Deze paragraaf bevat een beschrijving van twee actuele ontwikkelingen die een invoering van het plan van Elswijk niet opportuun maken. Dit betreft de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en de belastingherziening 2001.

3.1 Ontwikkelingen op de arbeidsmarkt.

Verlagen van de loonkosten

Het plan Van Elswijk is een instrument om arbeid goedkoper te maken, en daarmee aantrekkelijker om in het arbeidsproces in te zetten Het plan Van Elswijk gaat er van uit dat er sprake is van onvrijwillige werkloosheid. Werklozen willen graag werken, maar er zijn niet voldoende banen. Hun loonkosten zijn, mede als gevolg van de lasten en premies, hoger dan hun productiviteit. Een andere benadering van werkloosheid is dat de hoogte van de uitkeringen te hoog zijn in vergelijking met de lonen, en dat daardoor niet gewerkt wordt. In het onderzoek van CREED is werkloosheid op deze wijze gemodelleerd.. Het plan Van Elswijk maakt geen onderscheid tussen de verschillende deelmarkten op de arbeidsmarkt en is hiermee feitelijk een ongericht instrument. Arbeid wordt goedkoper voor de werkgever, ongeacht de soort arbeid. Zowel voor hoger opgeleiden als voor lager opgeleiden, zowel voor beroepsgroepen waar vacatureknelpunten bestaan als voor beroepsgroepen waar nog sprake is van grote aanbodoverschotten krijgen werkgevers een forse arbeidssubsidie. Hiermee gaat het plan Van Elswijk voorbij aan de verschillen tussen de verschillende groepen op de arbeidsmarkt.

In het onderste segment van de arbeidsmarkt is de werkloosheid en inactiviteit groter en de participatiegraad lager dan in hogere segmenten. Zeker in de huidige economische situatie is hierdoor het ongerichte karakter van het plan Van Elswijk onwenselijk.

Huidige arbeidsmarkt.

Op dit moment is in de laagste segmenten van de arbeidsmarkt sprake van een aanbodoverschot van laagopgeleiden In 1998 betrof het aanbodoverschot (saldo van de werkloze beroepsbevolking en het aantal vacatures) op het niveau van basisonderwijs en LBO/Mavo 129.000 personen. De werkloosheid voor personen met enkel basisonderwijs is 12%. De inactiviteit onder laagopgeleiden is nog groter dan deze cijfers weergeven. De bruto-participatiegraad (werkend en werkloos tezamen) voor personen met enkel basisonderwijs bedraagt slechts 39%. De non-participatie is dus 61%. Deze laatste groep werkt niet en is óók niet actief zoekend naar werk en op korte termijn beschikbaar voor de arbeidsmarkt.. Gelijktijdig is sprake van vacatureknelpunten op grote delen van de arbeidsmarkt, met name onder hoger opgeleiden. In het totaal waren er in juni 1999 180.000 openstaande vacatures (waarvan ruwweg de helft moeilijk vervulbaar). Bij de gunstige economische ontwikkeling die het CPB schetst in het CPB-report Op 21 december 1999 heeft het CPB dit laatste kwartaalbericht van 1999 gepresenteerd. De ramingen voor de BBP-groei in 1999 en 2000 zijn in beide jaren met ¾% BBP opgehoogd en opzichte van de ramingen van MEV2000., is het waarschijnlijk dat dit aantal openstaande vacatures verder op zal lopen in 1999 en 2000. In een dergelijke situatie is het niet wenselijk om de vraag naar arbeid ongericht verder te vergroten met behulp van een arbeidsmarktsubsidie voor alle werknemers. Het plan Van Elswijk zal zeker niet behulpzaam zijn bij het verminderen van de vacatureknelpunten in de hogere segmenten van de arbeidsmarkt. Integendeel.

Werkgelegenheids- en arbeidsmarktbeleid.

Sinds het begin van de jaren tachtig hebben de opeenvolgende kabinetten het beleid gericht op groei van de werkgelegenheid en het verminderen van werkloosheid.

Belangrijk onderdeel van het beleid was het verlagen van de loonkosten. Naast generiek beleid, is dit beleid altijd sterk toegespitst op de onderste segmenten van de arbeidsmarkt, waar de inactiviteit het grootste is. In de lagere segmenten van de arbeidsmarkt heeft de verlaging van de loonkosten extra aandacht gehad. Eerst via het niet toepassen van de koppeling van het Wettelijk Minimumloon. Vervolgens zijn door middel van de SPAK worden de loonkosten van personen met een inkomen tot en met 115% van het Wettelijk Minimumloon met 4080 gulden per jaar verminderd. Dit komt overeen met 10% van de loonkosten. Onderzoek van het NEI leert dat de SPAK een succesvol instrument is om de werkgelegenheid te bevorderen Bij brief van 24 november 1999 heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, mede namens de Staatssecretaris van Financiën, het NEI-rapport Werkgelegenheidseffecten van SPAK en VLW aangeboden aan de Tweede Kamer. Gelijktijdig is een notitie over het gebruik en de effectiviteit van de SPAK aangeboden.

Het NEI concludeert op basis van een enquête onder werkgevers een positief effect van de SPAK op de werkgelegenheid voor laagbetaalden van tussen 54.000 en 64.000 werknemers. Het effect van de SPAK op de totale werkgelegenheid ligt volgens het NEI tussen 46.000 en 59.000 werknemers. De uitkomsten van het NEI-rapport geven aan dat het effect van de SPAK groter is dan vooraf op basis van CPB-berekeningen verwacht werd. Op basis van deze CPB-berekening blijkt overigens reeds dat het werkgelegenheidseffect van de SPAK groter is dan dat van generieke (werkgevers)lastenverlichting..

Op dit moment is in het onderste segment van de arbeidsmarkt sprake van een hoge inactiviteit. Gelijktijdig is ook hier op deelmarkten sprake van onvervulde vacatures Uit het NEI-onderzoek naar de SPAK blijkt dat in 1999 werkgevers in 23% van de vacatures voor laag opgeleiden problemen hadden met de vervulling. Dit beeld wordt verstrekt door de grote hoeveelheden vacatures in de horeca en de detailhandel.. Gezien deze arbeidsmarktsituatie is het op dit moment wenselijk de effectiviteit en kwaliteit van het arbeidsaanbod te vergroten. Dit geldt voor hogere segmenten van de arbeidsmarkt, maar zeker ook voor de lagere segmenten. Verbeteren van de mogelijkheden om arbeid en zorg te combineren, reïntegratie van arbeidsongeschikten, verminderen van de armoedeval en een effectieve toepassing van het bestaande sanctie-instrumentarium in samenhang met de sluitende aanpak, zijn op dit moment de meest voor hand liggende instrumenten.

3.2 Belastingherziening 2001

In het fiscale beleid staat op dit moment een aantal grote veranderingen op stapel. Het vorige kabinet heeft met de nota Belastingen in de 21e eeuw, een verkenning TK 25810, nr. 2. een analyse gemaakt van de belangrijkste vereisten waaraan een belasting stelsel moet voldoen. In deze verkenning is een perspectief geboden op een fiscaal stelsel dat ook in de toekomst een bijdrage kan leveren aan een duurzame ontwikkeling van de economie, de werkgelegenheid en welvaart voor iedereen. In het Regeerakkoord zijn hierover nadere afspraken gemaakt. Op basis van deze verkenning en de Regeerakkoordafspraken heeft het kabinet op 16 september 1999 het Wetsvoorstel Inkomstenbelasting 2001 bij de Tweede Kamer ingediend TK 26727, nr. 1, 2 en 3.. De Tweede-Kamerbehandeling is op dit moment in volle gang.

Met de verlaging van de tarieven in de loon- en inkomstenbelasting en de introductie van een arbeidskorting is een bedrag van ruim f 23 miljard gemoeid. Hierbij wordt per saldo een lastenverlichting van f 5 miljard gerealiseerd. De financiering van de resterende f 18 miljard bestaat voor f 10 miljard uit grondslagverbredende maatregelen in de loon- en inkomstenbelasting en voor f 8 miljard uit verhoging van het hoge BTW-tarief en de milieubelastingen.

De belastingherziening betreft een ingrijpende herziening van het fiscale stelsel, waarbij de bevordering van de werkgelegenheid via de bestrijding van de armoedeval een zeer bepalend element betreft. Door de invoering van de arbeidskorting wordt het voor inactieven financieel aantrekkelijker gemaakt een baan te aanvaarden. Hiermee grijpt de verandering van het fiscaal stelsel aan bij een van de belangrijkste knelpunten op de arbeidsmarkt.

In de discussie over de belastingherziening 2001 in de Tweede Kamer en in de fiscale vaktijdschriften zijn geen voorstellen gedaan om het plan Van Elswijk gelijktijdig mee te nemen. Gegeven de verstrekkendheid van de wijzigingen in het fiscaal stelsel met ingang van 1 januari 2001, verdient het de voorkeur voorzichtigheid te betrachten bij verdere veranderingen in het fiscaal stelsel. Een invoering van het plan Van Elswijk zal gepaard gaan met een zeer ingrijpende wijziging van het fiscaal stelsel en de financiering van de sociale zekerheid Het CPB gaf in werkdocument 79 reeds aan dat invoering van het plan Van Elswijk in 1995 een bedrag van 165 miljard gulden zou betreffen. Dit zou betekenen dat het plan Van Elswijk velen malen ingrijpender is dan de huidige wijzigingen in het fiscaal stelsel.. Invoering van het plan Van Elswijk is niet wenselijk.

4. Fiscale en uitvoeringsaspecten van het plan Van Elswijk

Deze paragraaf beschrijft een aantal elementen waarom het om fiscale (uitvoeringstechnische) redenen niet wenselijk is het plan Van Elswijk in te voeren.

4.1 Gemiddelde en marginale belastingtarieven en de belasting van winstinkomen

Met het Wetsvoorstel Inkomstenbelasting 2001 worden marginale tarieven verlaagd door de verbreding van de belastinggrondslag. Hoewel bij het plan Van Elswijk ook de grondslag verbreed wordt, wordt hier gelijktijdig ook de noodzakelijke belastingopbrengst fors verhoogd ter financiering van de arbeidssubsidie voor alle werknemers. Deze arbeidssubsidie betreft al snel een bedrag ter grootte van 10% BBP Bij een arbeidssubsidie van 13.000 gulden per werknemer (zoals in veldexperiment in Rotterdam is gebruikt), en een werkgelegenheid ter grootte van 6,1 miljoen arbeidsjaren, zou hiermee in 1998 een bedrag van 80 miljard gulden omgegaan zijn. Dit komt overeen met 10% BBP.. Deze arbeidssubsidie moet gefinancierd worden uit de belastingen. De collectieve lastendruk zal dan ook 10% BBP hoger uitvallen op ongeveer 50% BBP. Dit heeft hogere marginale en gemiddelde tarieven tot gevolg.

In het plan Van Elswijk worden de lasten verschoven van arbeid naar de netto toegevoegde waarde. Dit impliceert dat voortaan ook premies voor de sociale zekerheid over de aan het kapitaal en ondernemerschap toevallende beloning wordt belast (winst en rente). Tevens zal de heffing ten behoeve van de arbeidssubsidie (ter grootte van 10% BBP) voor een evenredig deel neerslaan op het winst- en rente-inkomen. De facto wordt in het plan Van Elswijk de winst (de mobiele factor kapitaal) zwaarder belast dan tot nu toe. Dit is geheel tegengesteld aan de internationale trend Uit Toets op het Concurrentievermogen 2000, Op de drempel van het nieuwe Millennium (zoals op 8 november door de november 1999 door de Minister van Economische Zaken naar de Tweede Kamer verstuurd) blijkt op pg 74 en 75 dat het Vpb-tarief op dit moment iets boven het EU-gemiddelde ligt. Deze toets schetst dat in een aantal landen vergevorderde plannen bestaan om de vennootschapsbelasting te verlagen. Hiermee zet de dalende tendens door die het EU-gemiddelde al enige tijd laat zijn. De toets stelt dat bij ongewijzigd beleid de internationale positie van Nederland zal verslechteren. Het plan Van Elswijk zou een versterking van deze verslechtering betekenen. Een ander punt van aandacht bij de internationale ontwikkeling zijn de consequenties voor de internationale belastingverdragen. Indien een heffing op de toegevoegde waarde in internationale belastingverdragen niet als belasting op inkomen wordt geaccepteerd, bestaat een aanzienlijke kans op dubbele belastingheffing op buitenlandse investeringen..

De totale wig op uitgekeerde winst is hoger dan het tarief voor de Vennootschapsbelasting. Hierbij moet immers ook rekening gehouden worden met het tarief van de inkomstenbelasting. Uit de Toets op het Concurrentievermogen 2000 blijkt dat in Nederland deze totale wig op dit moment 74% bedraagt. Als gevolg van de Wet Inkomstenbelasting 2001 zal deze wig dalen tot 65% (daarbij is uitgegaan van een nominaal rendement van 4%). Invoering van het plan Van Elswijk zou tegengesteld effect hebben. De totale wig op uitgekeerde winst zou beduidend hoger uitkomen dan de huidige 74%.

4.2 Uitvoering

De huidige grondslag voor de sociale zekerheid vormt het loon (in de zin van de Coördinatiewet Sociale Verzekering). Bij het plan Van Elswijk wordt uitgegaan van netto toegevoegde waarde. Dit betreft de opbrengsten van de productie verminderd met de waarde van de verbruikte grondstoffen, halffabrikaten, ingekochte diensten en afschrijvingen op productiemiddelen en gecorrigeerd met de prijsverhogende belastingen en prijsverlagende subsidies.

Het bepalen van de grondslag en de feitelijke heffing zal aanzienlijk lastiger zijn bij het plan Van Elswijk dan bij de huidige systematiek. Looninkomen is immers veel gemakkelijker vast te stellen dan winstinkomen: het werkelijk betaalde bedrag op het moment van betaling (meestal maandelijks) dient namelijk als uitgangspunt. Bij het plan Van Elswijk zal de toerekening van afschrijvingen en subsidies per verkooptransactie zeker sterk complicerend werken voor de ondernemer (en de belastingdienst). Dit vergt in feite een geheel nieuwe administratieve opzet met alle administratieve lasten van dien voor ondernemers Het kabinet streeft naar een vermindering van de administratieve lasten. In het najaar van 1998 heeft de minister van Economische Zaken een externe commissie ingesteld onder voorzitterschap van de heer Slechte, die moet adviseren over de wijze waarop de administratieve lastendruk met (nog eens) 15% kan worden verminderd. De commissie heeft op 25 november 1999 een rapport uitgebracht getiteld Regels zonder overlast, eindrapport van de Commissie Slechte. Naar verwachting zal het kabinetsstandpunt in de loop van februari aan de TK worden aangeboden. Invoering van het plan Van Elswijk staat haaks op deze gewenste vermindering van de administratieve lasten. .

Looninkomen wordt maandelijks uitgekeerd en maakt ook maandelijkse premieheffing mogelijk. Toegevoegde waarde wordt nooit als zodanig uitbetaald en vormt daarmee geen vanzelfsprekend aangrijpingspunt voor de premieheffing. De toegevoegde waarde kan slechts na afloop van een belastingjaar worden vastgesteld. Analoog aan de vennootschapsbelasting zou een voorlopige aanslag kunnen worden opgelegd. Dit zou er wel toe leiden dat er, net als bij de Vennootschapsbelasting, aanzienlijke verschillen ontstaan tussen de afgedragen premie op basis van de voorlopige aanslag en de te betalen premies op basis van de definitieve aanslag. Dit zal leiden tot aanzienlijke verrekeningen. Aangezien het budgettaire beslag van deze heffing op toegevoegde waarde ruim twee keer zo groot is als de Vennootschapsbelasting, leidt dit tot enorm schommelende kasontvangsten. Om dit op te kunnen vangen zouden de reserves van de sociale fondsen aanzienlijk moeten toenemen.

Een ander aandachtspunt is dat het in de praktijk soms problematisch kan zijn onderscheid te maken tussen de totstandkoming van inkomen in het productieproces (de toegevoegde waarde) en het ontvangen van inkomen als vermogensbezitter (geen toegevoegde waarde voor de betrokken onderneming). Vooral bij institutionele beleggers en stichtingen kan dit tot problemen in de uitvoeringssfeer leiden.

4.3 Gedifferentieerde heffing naar sector

Essentieel onderdeel van het plan Van Elswijk is een gedifferentieerde heffing naar sector op de netto toegevoegde waarde. In zijn boek De markteconomie sociaal ingevuld wordt in hoofdstuk 5 beschreven hoe deze gedifferentieerde heffing vormgegeven kan worden. Dit onderdeel van het plan Van Elswijk zal in de praktijk een aantal belangrijke fiscale en uitvoeringstechnische bezwaren ontmoeten.

Van Elswijk beargumenteert dat in feite elk bedrijf een bedrijfsspecifiek heffingspercentage opgelegd zou moeten krijgen. Om puur praktische redenen kiest dhr. Van Elswijk voor een percentage per bedrijfstak, waarbij het mogelijk is dat voor bepaalde bedrijfstakken verschillende percentages nodig zijn voor verschillende categorieën van bedrijven Piet van Elswijk, De markteconomie sociaal ingevuld, Van Gorkum, Assen, 1996, hoofdstuk 5..

Tabel 2 geeft het heffingspercentage per sector zoals Van Elswijk deze presenteert.

Uit de tabel blijkt dat de heffingspercentage sterk verschillen tussen de sectoren. Het is voor ondernemingen zeer relevant in welke sector zij ingedeeld worden. Zo is de sector «dienstverlening» zeer breed. Dit strekt van hoogwaardige advocatuur tot de schoonmaaksector. Ook het verzekeringswezen maakt hier deel van uit. De banksector is in het voorstel Van Elswijk afgezonderd tot een aparte sector met een eigen heffingspercentage. Dit cijfervoorbeeld geeft aan dat het twijfelachtig is of een dergelijke indeling wenselijk is. De schoonmaaksector, relevant voor de bestrijding van de grote inactiviteit in het onderste segment, wordt zwaarder belast dan de banksector.

Doorgaan op het pad Van Elswijk zou betekenen dat iedere specifieke sub-sector een aparte heffing opgelegd krijgt. Hoe verder deze weg opgegaan wordt, hoe ingewikkelder en fraudegevoeliger het belastingsysteem wordt. Wordt evenwel gekozen voor een beperkt aantal sectoren, dan zal dit leiden tot grote verschillen tussen soortgelijke bedrijven (zoals tussen banken en verzekeraars).

Tabel 4.1 Heffingspercentage onder het plan Van Elswijk op basis van cijfer 1990

Sector

Heffingspercentage

Voeding


25,7%

Textiel


34,1%

Chemie


22,4%

Metaal


29,5%

Banken


21,3%

Dienstverlening


28,9%

Bron: Piet van Elswijk, De markteconomie sociaal ingevuld, p. 148.

Het feit dat bedrijven in verschillende sectoren werkzaam kunnen zijn, biedt mogelijkheden voor verdere ontduiking en ontwijking. Deze bedrijven zullen streven de toegevoegde waarde zoveel mogelijk laten neerslaan (onder meer via de interne verrekenprijzen) in die bedrijfsonderdelen die werkzaam zijn in de sectoren met de lagere tarieven.

4.4 Europese regelgeving en het plan Van Elswijk

Het is de vraag of het mogelijk is om het plan van Elswijk zodanig juridisch vorm te geven dat dit niet in tegenspraak is met Europese wetgeving. Ten eerste verbiedt de 6de BTW richtlijn de introductie van belastingen die vergelijkbaar zijn met een BTW-heffing. Ten tweede is het bovendien de vraag of verschillen in heffingspercentages tussen de bedrijfstakken niet als een onrechtmatige vorm van staatssteun voor bepaalde sectoren wordt gezien. Werkgelegenheidssteun kan momenteel door de Commissie slechts voor een beperkt aantal categorieën worden goedgekeurd. Werkgelegenheidssteun moet samenhangen met het scheppen van nieuwe banen in het midden- en kleinbedrijf, of het moet voor gebieden zijn die voor regionale steun in aanmerking komen, of voor het aanwerven van bepaalde categorieën werknemers die het bijzonder moeilijk hebben om tot de arbeidsmarkt toe te treden, of op steunmaatregelen die zijn gericht op verdeling van het werk. Het is onduidelijk of het Plan van Elswijk juridisch zodanig is vorm te geven dat het onder één van de toegestane vormen van werkgelegenheidssteun valt.

4.5 Stabiele grondslag voor belasting- en premieheffing Deze punten zijn ook ingebracht door Prof. dr. L.A. Bovenberg in zijn commentaar bij de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de Tweede Kamer van 3 juli 1997 (TK 25000 XV, nr. 63).

Voor de stabiliteit in de begrotingsvoorbereiding en -uitvoering is het wenselijk dat belastinggrondslag niet sterk varieert met de economische ontwikkelingen. De verbreding van de grondslag tot de toegevoegde waarde zal waarschijnlijk een tegenovergesteld effect hebben. De toegevoegde waarde is immers gevoeliger voor conjuncturele ontwikkelingen dan de loonsom.

Tevens kan de bredere, maar voor conjunctuur gevoelige, grondslag bovendien gevoelig worden voor ontwijkingsgedrag doordat winst onderdeel gaat uitmaken van de belastinggrondslag. Voor internationale ondernemingen wordt het aantrekkelijk opbrengsten zoveel mogelijk in het buitenland te laten neerslaan of buitenlandse kosten zoveel mogelijk ten laste van het in Nederland behaalde bedrijfsresultaat te brengen. Ook om deze redenen is invoering van het plan Van Elswijk niet wenselijk.

5. Economische consequenties van het plan Van Elswijk

Zoals in paragraaf 2 reeds is aangegeven heeft het CPB ondanks de gunstige werkgelegenheidseffecten die het plan Van Elswijk volgens de CPB-modellen genereert, de toepasbaarheid van het plan in twijfel getrokken. Het CPB wijst daarbij niet alleen op de uitvoeringsproblemen maar ook op de onzekerheden in de loonontwikkeling, het risico van kapitaalvlucht naar het buitenland en de mogelijk negatieve gevolgen voor innovatie en vernieuwing van producten en productieprocessen.

Bij andere onderzoekers klinkt deze zorg eveneens door. In feite verklaart deze ook de terughoudendheid die de voormalige Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid steeds in acht heeft genomen. Naast de uitvoeringsproblemen heeft hij in de opeenvolgende brieven over het plan Van Elswijk veel aandacht besteed aan de effecten die een eventuele invoering van het plan zou hebben op zaken als onder meer technologische ontwikkeling, grensoverschrijdende investeringen of de sectorstructuur. Deze effecten raken de concurrentiepositie en de aantrekkelijkheid van Nederland als vestigingsland. Veel van deze effecten konden tot dusverre niet of in onvoldoende mate in de modellen van het CPB in beeld worden gebracht. Verplaatsing van bedrijfsactiviteit naar het buitenland zou tot gevolg kunnen hebben dat het plan Van Elswijk de werkgelegenheid doet afnemen in plaats van toenemen. Tegen deze achtergrond vraagt de motie Kalsbeek-Jasperse c.s. om middels experimenteel onderzoek de effecten van Van Elswijk in internationaal perspectief te toetsen.

Theoretische uitkomsten CREED-onderzoek

Bepalend voor de vraag of en in hoeverre bedrijfsactiviteit naar het buitenland zal worden verplaatst, is de mate waarin de bedrijfsactiviteit na invoering van het plan Van Elswijk in het binnenland minder gaat renderen dan in het buitenland waar Van Elswijk niet ten uitvoer wordt gebracht. Uit het onderzoek van CREED, waarvan de resultaten staan samengevat in tabel 5.1, blijkt dat het winstinkomen van de bedrijven na invoering van het plan Van Elswijk in het als gunstig beschouwde evenwicht circa 30 procent lager uitkomt, en in het ongunstige evenwicht circa 75 procent lager Bij het onderzoek van CREED worden eerst theoretische evenwichten berekend voor het loonbelastingsysteem en het Van Elswijksysteem. Bij de theoretische evenwichten kent het Van Elswijksysteem een gunstig en een ongunstig evenwicht.

Vervolgens wordt door CREED het experiment uitgevoerd.. De tabel laat zien dat het winstinkomen onder het huidige stelsel, het loonbelastingsysteem, circa 176 mld gulden bedraagt. Dit bedrag is verkregen door het bedrag dat CREED hanteert te vertalen en vergelijkbaar te maken met de huidige economische situatie in Nederland. Na invoering van het plan Van Elswijk daalt het winstinkomen dan tot 126 mld gulden onder het gunstige evenwicht en tot 43 mld gulden onder het ongunstige evenwicht. Bijlage 2 van deze notitie laat zien hoe deze cijfers aan het rapport van CREED ontleend kunnen worden.

In bijlage 2 van deze notitie wordt van de door CREED gevonden prijzen gebruik gemaakt om te komen tot een waardering van de kapitaalgoederenvoorraad. Dit resulteert in een kapitaalrendement van 9,7% onder het huidige loonbelastingsysteem. Indien Nederland het plan Van Elswijk zou invoeren, blijft het kapitaalrendement in het buitenland circa 9,7%. In Nederland echter daalt het kapitaalrendement tot 6,7% onder het gunstige evenwicht en tot 3,9% onder het ongunstige evenwicht. Bedrijven die na invoering van Van Elswijk de bedrijfsactiviteit verplaatsen naar het buitenland behalen dus een rendementsstijging van 50 procent (het rendement stijgt van 6,7% naar 9,7%) onder het gunstige evenwicht. Onder het ongunstige evenwicht kan zelfs een rendementsstijging van 150 procent worden behaald door de bedrijfsactiviteit naar het buitenland te verplaatsen. Deze cijfers maken duidelijk dat het na invoering van het plan Van Elswijk bedrijfseconomisch niet verantwoord is om bedrijfsactiviteit in Nederland voort te zetten.

Door verplaatsing van bedrijfsactiviteit zal het gunstige evenwicht bovendien plaats gaan maken voor het ongunstige. Er dreigt een verslechtering die in versneld tempo groter wordt. De door CREED gevonden resultaten die in tabel 5.1 staan samengevat en die naast een stijging van de arbeidsinkomensquote ook een forse stijging van de lastendruk te zien geven, onderstrepen deze dreiging.

Experimentele uitkomsten CREED-onderzoek

Volgens de onderzoekers tenderen de resultaten van de experimenten in de richting van het gunstige evenwicht. In deze fase van het onderzoek is in de experimenten is evenwel geen rekening gehouden met de mogelijkheid van verplaatsing van bedrijfsactiviteit naar het buitenland. Het daarin gemodelleerde internationale kapitaalverkeer beperkt zich tot consumenten die tegen een uniform rentepercentage kunnen inschrijven op obligatierekeningen van binnenlandse of buitenlandse bedrijven. Volgens de begeleidingscommissie moet de `pachtvoet'van dit kapitaal dan ook worden onderscheiden van het kapitaalrendement dat in bijlage 2 van deze notitie is bepaald door het winstinkomen (zonder aftrek van de vergoeding voor het aangetrokken vreemd vermogen) te relateren aan de vervangingswaarde van de kapitaalgoederenvoorraad Zie bijlage 1 voor een samenvatting van het rapport van de begeleidingscommissie..

Tabel 5.1 Theoretische evenwichtsresultaten op basis van het CREED eindrapport1)

Effecten voor de Nederlandse economie

Loonbelasting-

Van Elswijk systeem

systeem

gunstig

ongunstig

Looninkomen (mld gld)


658


650


235

Winstinkomen (mld gld)


176


126


43

BBP, factorkosten (mld gld)


834


776


278

Werkgelegenheidsgraad (%)


62,7


73,3


40,4

Arbeidsinkomensquote (%)


78,9


83,8


84,5

Collectieve lastendruk (%BBP)


21,6


51,6


82,9

Kapitaalrendement (%)


9,7


6,7


3,9

1) Bijlage 2 laat zien hoe de cijfers van deze tabel zijn ontleend aan het CREED eindrapport. Om een zo realistisch mogelijk beeld van de effecten voor de Nederlandse economie te verkrijgen zijn de in bijlage 2 gehanteerde geldbedragen vermenigvuldigd met 100 en voorzien van de aanduiding mld guldens. Daardoor ontstaan herkenbare bedragen. Uit bijlage 2 blijkt ook dat de economische structuur van het buitenland overeenkomt met de structuur van de Nederlandse economie onder het loonbelastingsysteem, alsmede dat deze structuur in het buitenland (ook met betrekking tot de nominale bedragen) weinig verandering ondergaat indien Nederland overgaat tot invoering van het plan Van Elswijk.

Een herhaling van het experiment in een vervolgfase waarbij wel rekening wordt gehouden met de mogelijkheid van verplaatsing van bedrijfsactiviteiten naar het buitenland, kan bijdragen aan een verrijking van de wetenschap met innovatief onderzoek. Een nieuwe fase in het CREED onderzoek, waarbij nog moet blijken of het mogelijk is verplaatsing van bedrijfsactiviteiten op realistische wijze te modelleren, is echter niet nodig om nu al conclusies te trekken. De vermindering van het winstinkomen die blijkens de vertaalslag van tabel 5.1 bij invoering van het plan Van Elswijk kan oplopen tot meer dan 130 mld gulden is reeds prohibitief.

6. Conclusies.

In deze notitie is het plan Van Elswijk ten principale besproken zoals toegezegd in de brief aan de Tweede Kamer op 27 september 1999.

Uit paragraaf 2 blijkt dat verschillende analyses en onderzoeken naar het plan Van Elswijk zijn uitgevoerd. In sommige gevallen lijkt er steun te bestaan voor het plan Van Elswijk. Bij nadere analyse van het onderzoek en de onderzoeksmethode is dit veelal minder eenduidig. In andere gevallen wordt het plan Van Elswijk met meer twijfels bezien.

Los van de vraag of het plan Van Elswijk een effectief instrument zou kunnen zijn om de werkloosheid te verminderen, zijn er twee belangrijke actuele ontwikkelingen die invoering van dit plan niet wenselijk maken. Allereerst wordt de huidige arbeidsmarkt voor een groot deel gekenmerkt door spanningen. Het aantal vacatures heeft (met name in de hogere segmenten) recordhoogtes bereikt. In juni 1999 stonden 180.000 vacatures open. De werkloosheid is gedaald tot een van de laagste niveaus in de afgelopen twintig jaar. In deze situatie is het onwenselijk de vraag naar arbeid, en met name in het bovenste segment, te vergroten via een ongerichte arbeidssubsidie. Tevens zal een invoering van het plan Van Elswijk een aanmerkelijk ingrijpende wijziging betreffen van de fiscaliteit, die aanmerkelijk verder gaat dan de belastingherziening 2001 die op dit moment door de Tweede Kamer behandeld wordt. Het is niet wenselijk de invoering van de belastingherziening 2001 te belasten door het nieuwe belastingstelsel direct ter discussie te stellen en over te gaan tot invoering van het plan Van Elswijk. Paragraaf 4 van deze notitie schetst fiscale en uitvoeringstechnische aspecten die verbonden zijn aan het plan Van Elswijk. Deze zijn zodanig dat invoering prohibitief is.

Tot slot schetst paragraaf 5 de economische consequenties van het plan Van Elswijk aan de hand van het onderzoek van CREED waar de motie Kalsbeek-Jasperse c.s. om heeft gevraagd. Hoewel in de afgeronde fase van het onderzoek van CREED nog geen rekening kon worden gehouden met verplaatsing van bedrijfsactiviteit naar het buitenland, blijken de consequenties voor het overig inkomen ronduit desastreus: het overig inkomen komt bij een vertaling van de door CREED gevonden resultaten naar de huidige economische situatie duurzaam 50 à 130 mld gulden lager uit. Hieruit blijkt dat het risico van verplaatsing van bedrijfsactiviteit naar het buitenland zo groot is dat afgezien zou moeten worden van invoering.

Gezien het bovenstaande zijn de betrokken bewindspersonen niet voornemens, in aanvulling op het nog lopend veldexperiment in de provincie Groningen, het plan Van Elswijk nader te onderzoeken op zijn economische merites.

Bijlage 1 Onderzoek van CREED en het rapport van de begeleidingscommissie.

1. Inleiding.

Op verzoek van de Tweede Kamer Motie Kalsbeek-Jasperse c.s., TK 25.000 XV, nr. 23. heeft de Minister van SZW een onderzoek aanbesteed bij het onderzoekscentrum voor experimentele economie CREED van de Universiteit van Amsterdam.

De onderzoeksvraag in het door CREED uitgevoerde onderzoek luidt:

«Wat zijn de economische prestaties van het Plan Van Elswijk ten opzichte van de huidige financieringswijze van de sociale zekerheid, in een kleine economie met een relatief arbeidsintensieve `sheltered sector' een relatief kapitaalintensieve `exposed sector', waarbij het buitenland de huidige financieringswijze aanhoudt?»

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft een commissie bestaande uit externe deskundigen in het leven geroepen voor de begeleiding van dit door CREED uit te voeren onderzoek.

Op 27 september 1999 heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid dit onderzoek aan de Tweede Kamer aangeboden, evenals het rapport van de begeleidingscommissie Soza-99-728. Experimenteel economisch onderzoek naar het plan Van Elswijk, eindrapport, Faculteit der Economische Wetenschappen, Universiteit van Amsterdam, Amsterdam, september 1999. Rapport van de Begeleidingscommissie bij experimenteel onderzoek door CREED naar het plan Van Elswijk, Den Haag, september 1999..

2. Onderzoek van CREED In deze paragraaf is het rapport van de onderzoekers zoveel mogelijk gevolgd. Deel II van het onderzoeksrapport geeft een volledige beschrijving.

CREED heeft het plan Van Elswijk onderzocht met behulp van een experimenteel economisch onderzoek. Daartoe is allereerst een economisch model geformuleerd dat ten grondslag ligt van het experiment.

In dit economisch model is de opzet van de arbeidsmarkt en het ontstaan van werkloosheid gemodelleerd. Bij de opzet waarvoor CREED gekozen heeft, ontstaat werkloosheid doordat werknemers niet bereid zullen zijn om tegen iedere prijs arbeid aan te bieden op de arbeidsmarkt.

Een tweede belangrijke beslissing die genomen moest worden, betreft de productiesectoren. Door onderscheid te maken tussen een relatief arbeidsintensieve `shelterd sector' en een relatief kapitaalintensieve `exposed sector', alsmede door de specificaties van de productiefuncties is volgens CREED kwalitatief nauw aangesloten bij het MIMIC-model van het CPB.

In het onderzoek van CREED is een (kleine) binnenlandse en een (grote) buitenlandse economie gemodelleerd. In beide economieën zijn consumenten en producenten aanwezig met dezelfde eigenschappen, die eenheden kapitaal en arbeid aanbieden. De consumenten kunnen hun arbeid slechts in hun eigen land aanbieden, terwijl zij hun hoeveelheden kapitaal zowel aan producenten in het eigen land als in het andere land kunnen verkopen. Aangenomen wordt dat in het buitenland altijd het loonbelastingsysteem van kracht is, terwijl in het binnenland gekozen kan worden om het plan Van Elswijk in te voeren.

De onderzoekers hebben eerst de theoretische evenwichten berekend voor het geval dat het plan Van Elswijk in het binnenland ingevoerd wordt en het geval dat het loonbelastingsysteem gehandhaafd wordt. Bij deze doorrekening bleek dat sprake was van een `gunstig' en een `ongunstig' evenwicht in geval van invoering van het plan Van Elswijk. Bij het loonbelastingsysteem bleek sprake te zijn van een evenwicht.

Vervolgens hebben de onderzoekers het experiment uitgevoerd. In het totaal zijn zowel met het loonbelastingsysteem als het Van Elswijk systeem 3 sessies uitgevoerd, die 16 handelsperioden duurden. Aan ieder van de sessies namen 16 personen deel, gelijkelijk verdeeld over de 4 verschillende typen proefpersonen: consumenten binnenland, producenten binnenland, consumenten buitenland, producenten buitenland.

Aan het begin van elke periode kregen de consumenten de beschikking over een aantal eenheden arbeid en kapitaal, alsmede een hoeveelheid kasgeld, terwijl de producenten een bedrag aan werkkapitaal werd toebedeeld. Met behulp van hun werkkapitaal konden producenten eenheden arbeid en kapitaal komen van de consumenten, waardoor de omvang van hun productie van de kapitaal- en arbeidsintensieve goederen werd bepaald. Naast deze opbrengsten uit de verkoop van arbeid en kapitaal ontvingen de consumenten een vaste uitkering voor elke niet verkochte eenheid. Tezamen met het kasgeld bepaalden deze inkomsten de totale middelen die de consumenten ter beschikking stonden om op hun beurt goederen te kopen van de producenten.

De verdiensten uit een periode van proefpersonen in de rol van consumenten werden bepaald door hun resterende bezit aan arbeidseenheden (`vrije tijd') en hun bezit aan eenheden van goederen X en Y aan het eind van de periode, via de voor hen geldende nutsfunctie. De periodeverdiensten van proefpersonen in de rol van producenten werden bepaald door hun winsten aan het eind van de periode. Kasgeld en werkkapitaal dat niet besteed werd, alsmede niet verkochte eenheden kapitaal en niet verkochte goederen, konden niet overgeheveld worden naar de volgende periode, en leverden de betrokkenen derhalve geen verdiensten op. Alleen de verdiensten uit de periode werden bijgeschreven op de rekening van de proefpersoon.

Oordeel van de begeleidingscommissie.

Paragraaf 5 «Conclusie en eindoordeel» van het rapport van de begeleidingscommissie luidt als volgt:

«De commissie heeft met veel belangstelling het onderzoek van CREED begeleid. Er is sprake van een innovatieve methode om de effecten van institutionele wijzigingen op macro-economische grootheden met een experimenteel onderzoek te meten. Zoals de onderzoekers aangeven, is er tot nu toe internationaal nog weinig ervaring opgedaan met experimenteel onderzoek op macro-economisch terrein. Vanuit dit perspectief is het door CREED uitgevoerde onderzoek zeer interessant. De begeleidingscommissie oordeelt dat het onderzoek van CREED heeft bijgedragen aan de kennis binnen de economische wetenschap:

De ontwikkeling van experimenteel onderzoek heeft de gereedschapskist van de wetenschapper en de beleidsmedewerker uitgebreid. Dit gold reeds langere tijd voor micro-economisch onderzoek, bijvoorbeeld naar veilingmethodieken of de vormgeving van de aanbesteding van het openbaar vervoer. Met dit onderzoek van CREED is ook op macro-economisch terrein een innoverende weg ingeslagen.

Interessant was dat de berekening van het theoretische evenwicht resulteerde in twee evenwichten. De beleidsmatige consequenties hiervan zouden nader onderzocht kunnen worden.

Ook heeft het onderzoek van CREED nadrukkelijk licht geworpen op de consequenties van het moment van heffen voor het ondernemersrisico, als gevolg van het tijdsverschil tussen de aankoop van productiefactoren en de verkoop van de producten. Dit risico-element voor de producent speelt in de (meer traditionele) economische analyses een minder grote rol. Het is interessant nader te onderzoeken of dit element in de praktijk ook een belangrijke rol speelt.

De begeleidingscommissie onderschrijft de conclusie van de onderzoekers dat experimenteel onderzoek naar de macro-economische effecten van financieel-economische stelsels geen substituut is voor de traditionele onderzoeksmethoden (bijvoorbeeld econometrische modellen). De methoden kunnen complementair genoemd worden. Hierbij geldt dat op dit moment het experimentele macro-economische onderzoek nog een zo nieuw instrument is dat het niet verstandig is er een algemeen oordeel over stelselherzieningen op te baseren.

Vooralsnog zijn dus we aangewezen op de gebruikelijke econometrische technieken bij ingrijpende stelselwijzigingen. Een voorbeeld hiervan is het eerst meten van de effecten van een ander belastingstelsel voor de fundamentele factoren die de toekomstige welvaart bepalen, zoals kapitaalintensiteit, investerings- en spaarquote. De statische allocatie-effecten zijn vervolgens met een algemeen-evenwichtsmodel als MIMIC vast te stellen. Waarbij opgemerkt moet worden dat ook deze gebruikelijke econometrische modellen hun beperkingen kennen bij het doorrekenen van ingrijpende wijzigingen als het plan Van Elswijk (zie ook paragraaf 2).

Het experimentele economische onderzoek van CREED naar het plan Van Elswijk kent een aantal beperkingen. De commissie concludeert dat de gekozen onderzoeksopzet, de afspraken met de opdrachtgever en het beschikbare budget noodzaakten tot een sterk vereenvoudigd model van de economische werkelijkheid. Op belangrijke punten zijn abstracties gemaakt, waarvan de indruk bestaat dat deze van essentiële betekenis kunnen zijn voor de uitkomsten. De abstracties wijken op een aantal punten af van de meer gebruikelijke modellen, zonder dat overtuigend aangetoond is dat de gekozen abstracties en veronderstellingen plausibeler zijn dan andere mogelijke veronderstellingen:

Door de vormgeving van het gebruik van kapitaal en het ontbreken van een kapitaalmarkt, is niet sprake van een corrigerend proces bij structurele overschotten of tekorten op de lopende rekening.

Tevens is op de arbeidsmarkt geabstraheerd van een aantal belangrijke instituties in vergelijking met bijvoorbeeld MIMIC.

In overleg met de opdrachtgever is in deze fase van het onderzoek afgezien van het modelleren van dynamische effecten op groei, innovatie en ondernemerschap. Dit betreft een belangrijke abstractie van de werkelijkheid, die essentieel is voor de beoordeling van de resultaten. Op lange termijn zouden deze dynamische effecten immers wel eens belangrijker kunnen zijn dan de statische welvaartseffecten.

Bij de vormgeving van de productiefunctie is verondersteld dat sprake is van afnemende schaalopbrengsten. Dit wijkt af van de meeste nationale en internationale modellen waarin constante schaalopbrengsten gemodelleerd zijn.

De door de onderzoekers uitgevoerde gevoeligheidsanalyses illustreren dat de theoretische uitkomsten afhankelijk zijn van de gehanteerde veronderstellingen rond de vormgeving van productiefunctie en de toepassing van de koppeling tussen lonen en uitkeringen.

Bij andere veronderstellingen, zoals toepassing van de koppeling volgens de bestaande Nederlandse praktijk en een lagere vaste productiefactor (dichter bij de MIMIC-waarde van 0%, namelijk 5% in plaats 10%) komen de theoretische uitkomsten van het plan Van Elswijk aanmerkelijk minder gunstig uit. De partiële effecten van de beide uitgevoerde gevoeligheidsanalyses bedragen samen 15%, wat ruwweg overeenkomt met het werkgelegenheidsverschil tussen het loonbelastingsysteem en het systeem Van Elswijk. De beide analyses zijn evenwel niet simultaan uitgevoerd waardoor geen zekerheid bestaat over de wijze waarop beide effecten elkaar beïnvloeden (neutraal, versterken of afzwakken).

Helaas hebben de onderzoekers geen gevoeligheidsanalyses kunnen uitvoeren bij een vaste productiefactor van 0% (cf. de gebruikelijke modellering van economische modellen). De begeleidingscommissie verwacht dat bij een dergelijke waarde van de productiefactor de uitkomsten bij het loonbelastingsysteem gunstiger zouden geweest zijn dan onder het systeem Van Elswijk.

Bij de experimentele uitkomsten vraagt de commissie de aandacht voor de ontwikkeling van de pachtvoet voor kapitaal. Waar de uitkomsten in de theoretische sessies rond de 3% schommelen, variëren de uitkomsten in de experimentele sessies tussen 1,8% en 0,1%. Hoewel de pachtvoet van kapitaal voor zowel het loonbelastingsysteem als het Van Elswijksysteem lager uitkomen in de experimentele sessies, blijken in het Van Elswijksysteem de waarden systematisch aanmerkelijk onder de waarden in het loonbelastingsysteem te liggen (gemiddeld met een factor 15). Dit lijkt te impliceren dat de vormgeving van het belastingstelsel in het kleine binnenland ook de pachtvoet voor kapitaal in het zeven maal grotere buitenland ingrijpend beïnvloedt.

Het positieve effect van het plan Van Elswijk (en dan met name de lastenverschuiving) hangt volgens de onderzoekers samen met de vaste productiefactor en het zogenoemde risicogecompenseerde prijsmechanisme. Beide elementen zijn niet exclusief verbonden aan het plan Van Elswijk. Dat maakt het volgens de commissie interessant ook andere vormen van lastenverschuivingen te onderzoeken, waarbij dit risicogecompenseerde prijsmechanisme een rol zou kunnen spelen. Men kan daarbij bijvoorbeeld denken aan verlaging van de lasten op arbeid gecombineerd met hogere Vennootschapsbelasting of hogere BTW.

Bij de commissie bestaan aarzelingen of het «risicogecompenseerde prijsmechanisme» in de praktijk in even sterke mate optreedt als door de onderzoekers is gemodelleerd en beschreven. Ook is het sterk de vraag of de vrij cruciale aanname omtrent de fixed factor (10%) voor Nederland een realistische is.

Alles afwegend meent de begeleidingscommissie dat verdere inzichten in alternatieve financieringssystemen voor de sociale zekerheid nodig zijn alvorens de invoering van een plan als dat van Van Elswijk ter vervanging van het huidige systeem te bepleiten. In het licht van de vele voorbehouden lijkt er vooralsnog onvoldoende grond voor de conclusie die de onderzoekers in de paragraaf «Additionele opmerkingen» trekken. De onderzoekers constateren daar dat de economische gevolgen van het plan Van Elswijk voor de Nederlandse economie zodanig positief kunnen zijn, dat een toename van de werkgelegenheid met meer dan 10% mogelijk wordt geacht.

Een en ander neemt niet weg dat het experiment op bepaalde punten originele inzichten heeft geopenbaard. Om deze maximaal te benutten zou bij een eventueel vervolg de meest perspectiefvolle instrumenten als nader studieobject geselecteerd moeten worden, waarbij de vraag zich aan dient of deze selectie zich binnen het kader van Van Elswijk moet afspelen of ook in ruimer verband moet worden bezien.»

Bijlage 2 De uitkomsten van het experimenteel economisch onderzoek naar het plan

Van Elswijk: perspectieven voor een vervolgonderzoek?

1 Inleiding / conclusie.

In het eindrapport van CREED worden de uitkomsten van het experimenteel economisch onderzoek naar het plan Van Elswijk vergeleken met theoretische evenwichtsresultaten van het gehanteerde model. Hieronder worden deze onderzoeksresultaten samengevat en vertaald in gangbare begrippen zoals het binnenlands product tegen factorkosten en marktprijzen, de werkgelegenheidsgraad, de arbeidsinkomensquote (AIQ) en de collectieve lastendruk (CLD).

Allereerst worden de experimentele resultaten besproken. Dit leidt tot de conclusie dat de uitvoering van het experiment in deze fase van het onderzoek nog tekortkomingen vertoont. De economische werkelijkheid komt daarin onvoldoende tot leven.

Dat er mogelijkheden zijn om de gebleken tekortkomingen in een vervolgfase het hoofd te bieden, blijkt uit de bespreking van de theoretische evenwichtsresultaten. In een eventuele vervolgfase zullen echter ook dynamische aspecten meegenomen moeten worden. De theoretische resultaten van de nu afgesloten fase bieden daarvoor reeds de nodige aanknopingspunten. Volstaan wordt evenwel met de conclusie dat deze aanknopingspunten zo sterk in het nadeel van het plan Van Elswijk wijzen dat een vervolgfase niet nodig is om nu al tot een eindconclusie te komen.

2 De experimentele resultaten

Tabel 1 geeft een samenvatting van de resultaten van de zes sessies waaruit het experimenteel onderzoek van CREED heeft bestaan: drie sessies met een open economie waarin het binnen- en buitenland werken met het loonbelastingsysteem, en drie sessies waarin het Van Elswijk systeem wordt toegepast in het binnenland terwijl in het concurrerend buitenland wordt gewerkt met het loonbelastingsysteem. Per sessie worden de gemiddelden over de perioden 13 tot en met 16 gepresenteerd, zoals die zijn ontleend aan tabel 4.3 van het eindrapport van CREED. In de annex wordt dit regel voor regel toegelicht.

Uit tabel 1 blijkt dat het Van Elswijk systeem in de experimentele sessies goed scoort in termen van welvaart en werkgelegenheid. Het BBP-volume per hoofd van de bevolking dat onder het Van Elswijk systeem in het binnenland steeds hoger is dan 1, komt onder het loonbelastingsysteem alleen in sessie 3 in het binnenland boven de waarde 1 uit. De hoge werkgelegenheidsgraad onder het Van Elswijk systeem wordt onder het loonbelastingsysteem noch in het binnenland noch in het buitenland overtroffen. De enige prijs lijkt te zijn een hogere collectieve lastendruk. Maar bij al deze positieve uitkomsten voor het Van Elswijk systeem valt op dat in sessie 2 onder het Van Elswijk systeem in het buitenland een wel zeer lage werkgelegenheidsgraad van 25 procent wordt gerealiseerd. Meer algemeen vertonen de uitkomsten van de sessies aanzienlijke variatie.

Bij de interpretatie van deze verschillen moet worden bedacht dat het experiment is uitgevoerd door per sessie verschillende studenten. Gemiddeld verdienden de deelnemers (afgezien van de vergoeding voor opkomst en training) 120 gulden. Iedere deelnemer kon weten hoe zijn of haar verdiensten zouden worden bepaald. De zes studenten die per sessie arbeid en kapitaal aanbieden (drie in het binnenland en drie in het buitenland) konden uit de formule voor hun verdiensten (zie blz. 95 van het eindrapport) afleiden dat verkoop van kapitaal altijd geld oplevert. Het niet verkopen van arbeid levert via de in het spel verkregen

Tabel 1 CREED experimentele resultaten, gemiddelden over de perioden 13 t/m 16

Loonbelastingsysteem

Van Elswijk systeem

sessie


1


2


3

sessie


1


2


3

BINNENLAND

Looninkomen


4,46


6,28


7,68


7,47


4,5


7,29

Overig inkomen


1,42


2,41


2,06


3,12


4,72


1,48

Binnenlands product, factorkosten


5,88


8,69


9,74


10,59


9,22


8,77

Kostprijsverhogende belastingen

minus subsidies


0


0


0


0,87


1,01


2,55

Binnenlands product, marktprijzen


5,88


8,69


9,74


11,46


10,23


10,32

Werkgelegenheidsgraad


38,89


53,33


69,56


86,22


77,78


71,78

Arbeidsinkomensquote


75,85


72,27


78,85


70,54


48,81


83,12

BBP-volume per hoofd


0,60


0,82


1,06


1,22


1,05


1,04

Collectieve lasten (%BBP)


35,88


30,03


17,04


51,83


45,16


49,71

Collectieve uitgaven (%BBP)


55,32


30,1


19,14


52,31


45,39


60,75

Fiancieringstekort


19,44


0,07


2,1


0,48


0,23


11,04

Netto uitkering


11,83


12,46


13,61


14,91


10,34


21,18

Netto loon


13,43


15,25


19,24


19,27


12,85


22,60

Netto replacement rate


88,09


81,7


70,7


77,37


80,47


93,72

BUITENLAND

Looninkomen


38,19


33,33


47,17


42,62


21,81


29,68

Overig inkomen


11,46


13,79


5,52


11,44


14,83


8,5

Binnenlands product, factorkosten


49,65


47,12


52,69


54,06


36,64


38,18

Kostprijsverhogende belastingen

minus subsidies


0


0


0


0


0


0

Binnenlands product, marktprijzen


49,65


47,12


52,69


54,06


36,64


38,18

Werkgelegenheidsgraad


47,7


43,81


63,37


48,6


25,49


41,94

Arbeidsinkomensquote


76,92


70,73


89,52


78,84


59,53


77,74

BBP-volume per hoofd


0,72


0,66


0,89


0,72


0,39


0,62

Collectieve lasten (%BBP)


36,44


33,51


28,83


36,48


28,19


36,83

Collectieve uitgaven (%BBP)


39,27


46,79


29,8


39,17


65,99


53,16

Financieringstekort


2,83


13,28


0,97


2,69


37,80


16,33

Netto uitkering


11,84


12,46


13,61


13,08


10,30


11,10

Netto loon


13,38


12,71


16,03


14,97


14,30


11,83

Netto replacement rate


88,49


98,03


84,90


87,37


72,03


93,83

Bron: CREED eindrapport, tabel 4.3. Zie het annex voor nadere toelichting.

uitkering ook geld op. Om methodologische redenen is de uitkering per eenheid arbeid in alle sessies vastgezet op 70 frank. De formule maakt dan duidelijk dat de student in franken gemeten erop achteruit gaat indien hij of zij arbeid verkoopt voor een loon dat minder is dan tweemaal de uitkeringshoogte. Arbeid verkopen wordt pas financieel aantrekkelijk zodra de netto replacement rate minder dan 50 procent bedraagt. Maximalisatie van de verdiensten in franken betekent echter niet noodzakelijk dat ook de verdiensten in guldens worden gemaximeerd. Om de verdiensten in guldens te bepalen moeten de studenten gebruik maken van een opbrengstwaardetabel (zie blz. 119), waaruit minder eenduidig valt op te maken wanneer het loont om arbeid te verkopen.

Uit de hoogte van de replacement rate in tabel 1 zou men kunnen afleiden dat sessie 2 onder het Van Elswijk systeem wordt gekenmerkt door een of twee studenten in het buitenland die meenden rationeel te handelen door de verdiensten in franken te maximaliseren en te weigeren arbeid te verkopen voor een loon dat minder is dan tweemaal de van te voren vastgestelde uitkeringshoogte.

Dit rationeel handelen leidt in het experiment vervolgens tot een «economische» ontsporing met een financieringstekort dat in het buitenland oploopt tot ruim 35 procent BBP, met een prijs voor het internationaal verhandelbare goed die meer dan verdubbelt ten opzichte van andere sessies, en met een werkgelegenheid die in het binnenland fors toeneemt omdat men daar bereid is in het gat te springen dat de rationeel handelende student-uitkeringstrekker in het buitenland veroorzaakt. De opzet van het experiment verdient verbetering. Waar op zich rationeel wordt gehandeld, komen immers vreemde uitkomsten voor zonder dat de opzet van het experiment voorziet in corrigerende actie. De conclusie moet daarom zijn dat de thans gepresenteerde experimentele resultaten meer zeggen over de huidige stand van deze tak van wetenschapsbeoefening dan over de werking van de economie in de werkelijkheid.

3 De theoretische evenwichtsresultaten

De boven gepresenteerde experimentele resultaten betreffen de uitkomsten van de twee eerste fasen van het onderzoek van CREED. Om zicht te krijgen op de mogelijkheden om de gebleken tekortkomingen in de volgende fasen het hoofd te bieden, kan worden gekeken naar de theoretische evenwichtsresultaten. Zowel onder het loonbelastingsysteem als onder het Van Elswijk systeem resulteren twee evenwichten. Omdat de evenwichten onder het loonbelastingsysteem blijkens tabel 3.1 van het eindrapport van CREED nauwelijks van elkaar afwijken, wordt in tabel 2 alleen het eerste evenwicht gepresenteerd. Deze tabel is eveneens volgens de methode die in de annex staat beschreven, afgeleid uit tabel 3.1.

Tabel 2 laat replacement rates zien die duidelijk lager uitkomen dan in de experimentele sessies. In eventueel volgende sessies zou daarom rationeel gedrag bevorderd kunnen worden door de formule voor de verdiensten meer expliciet onder de aandacht van de deelnemende studenten te brengen.

Uit tabel 2 blijkt voorts dat onder het loonbelastingsysteem de werkgelegenheidsgraad in het binnenland dezelfde is als in het buitenland. Ook het BBP-volume per hoofd, de CLD en de AIQ zijn nagenoeg identiek.

Onder het Van Elswijk systeem resulteren twee sterk van elkaar afwijkende evenwichten. In vergelijking met het loonbelastingsysteem komt de werkgelegenheidsgraad in het binnenland in evenwicht A hoger en in evenwicht B lager uit. Voor de welvaart gemeten door het BBP-volume per hoofd geldt dezelfde uiteenlopende ontwikkeling. Een ander beeld blijkt uit de ontwikkeling van de AIQ en CLD. Deze grootheden komen in het binnenland in zowel evenwicht A als evenwicht B duidelijk hoger uit dan in het evenwicht van het loonbelastingsysteem. De AIQ ligt onder het Van Elswijk systeem in beide evenwichten circa 5 procentpunt hoger, terwijl de CLD meer dan verdubbelt in evenwicht A en bijna verviervoudigt in evenwicht B.

Tabel 2 CREED eindrapport: theoretische evenwichtsresultaten

Loonbelasting-

systeem

Van Elswijk systeem

A B

BINNENLAND

Looninkomen


6,58


6,5


2,35

Overig inkomen


1,76


1,26


0,43

Binnenlands product, factorkosten


8,34


7,76


2,78

Kostprijsverhogende belastingen

minus subsidies


0


1,24


2,71

Binnenlands product, marktprijzen


8,34


9


5,49

Werkgelegenheidsgraad


62,67


73,33


40,44

Arbeidsinkomensquote


78,9


83,76


84,53

BBP-volume per hoofd


0,91


1,02


0,55

Collectieve lasten (%BBP)


21,58


51,56


82,88

Collectieve uitgaven (%BBP)


21,58


51,56


82,88

netto uitkering


10,71


10,33


10,11

netto loon


16,94


19,71


12,92

netto replacement rate


63,22


52,41


78,25

BUITENLAND

Looninkomen


46,08


44,6


47,48

Overig inkomen


12,28


11,9


12,61

Binnenlands product, factorkosten


58,36


56,5


60,09

Kostprijsverhogende belastingen

minus subsidies


0


0


0

Binnenlands product, marktprijzen


58,36


56,5


60,09

Werkgelegenheidsgraad


62,66


63,24


67,71

Arbeidsinkomensquote


78,96


78,94


79,01

BBP-volume per hoofd


0,91


0,92


0,98

Collectieve lastendruk (%BBP)


21,64


21,13


17,14

Collectieve uitgaven (%BBP)


21,64


21,13


17,14

netto uitkering


10,74


10,31


10,13

netto loon


16,94


16,40


17,43

netto replacement rate


63,40


62,87


58,12

Bron: CREED eindrapport, tabel 3.1. Zie het annex voor nadere toelichting.

Verder valt op dat de collectieve lasten in de theoretische exercitie exact gelijk zijn aan de collectieve uitgaven. In de opzet van de experimentele sessies is de conditie van budgettaire neutraliteit echter opvallend afwezig. Daarom zou in eventueel volgende experimentele sessies een terugkoppelingsmechanisme ingebouwd moeten worden dat rationeel handelen bevordert en budgettaire neutraliteit waarborgt.

Los daarvan zullen in een eventuele vervolgfase ook dynamische aspecten meegenomen moeten worden. Volgens de begeleidingscommissie behoeft dan met name de modellering van het kapitaalgebruik aanpassing. In haar rapport merkt de commissie op dat het kapitaalgebruik in de afgesloten fase van het onderzoek zodanig is vormgegeven dat niet gesproken kan worden van een kapitaalvoet in de zin van kapitaalrendement: het gaat louter om een pachtvergoeding voor het kapitaalgebruik (zie blz. 4). De voorliggende theoretische resultaten bieden echter reeds de nodige aanknopingspunten om een beeld te schetsen van hoe deze dynamiek vorm zou kunnen krijgen. Het kapitaalrendement kan daarbij nader worden gekwantificeerd.

4 Het kapitaalrendement nader gekwantificeerd

Het `gunstige' evenwicht van het Van Elswijk systeem met een CLD en AIQ die ten opzichte van het buitenland in ongunstige zin afwijkt, roept de vraag op of en in hoeverre het voor ondernemers onder dit systeem aantrekkelijk is om productie naar het buitenland te verplaatsen. Relevant hierbij is ook het overig inkomen dat onder het `gunstige' evenwicht van het Van Elswijk systeem daalt tot 1,26 vanaf een niveau van 1,76 onder het loonbelastingsysteem. Onder het ongustige evenwicht resulteert zelfs een daling tot 0,43. Dit roept des te meer de vraag op naar de hoogte van het kapitaalrendement.

In het rapport van de begeleidingscommissie is aangegeven dat de door de onderzoekers gepresenteerde kapitaalvoet in feite een pachtvoet is op het gebruik van kapitaal. Deze pachtvoet moet worden onderscheiden van het kapitaalrendement dat naast de vergoeding voor het kapitaalgebruik ook de ondernemerswinst omvat. Een probleem bij de beantwoording van deze vraag vormt de nog betrekkelijk simpele modellering van het kapitaalgebruik in de twee eerste fasen van het onderzoek, met geen vervangingsinvesteringen en geen waardebepaling van de kapitaalgoederenvoorraad aan de hand van de prijs van de vervangingsinvesteringen

Dit probleem kan evenwel worden ondervangen indien de theoretische evenwichten mogen worden opgevat als stationaire economieën die jaar na jaar hetzelfde beeld vertonen. Een aantal aanvullende veronderstelling volstaat dan om op tentatieve wijze de omvang van de vervangingsinvesteringen en de waarde van de kapitaalgoederenvoorraad te bepalen.

Stel dat het kapitaalgebruik dat volgens de onderzoekers in het theoretische evenwicht onder het loonbelastingsysteem 30 eenheden omvat, vraagt om de inzet van 40 eenheden van het internationaal verhandelbare goed X en 20 eenheden van het in de binnenlandse sector geproduceerde goed Y. Stel verder dat elke eenheid kapitaal een levensduur heeft van 20 jaar. In dat geval resulteren in de stationaire economie van het loonbelastingsysteem vervangingsinvesteringen in het binnenland van 2 eenheden X en 1 eenheid Y. Bij een marktprijs die volgens tabel 3.1 van het eindrapport van CREED uitkomt op 0,1882 voor eenheid X en op 0,2211 voor eenheid Y, bedragen de vervangingsinvesteringen in totaal 0.6. De tegen vervangingswaarde gewaardeerde kapitaalgoederenvoorraad bedraagt dan 11,95. Tabel 3 laat dit zien.

Onder het `gunstige' evenwicht van het van Elswijk systeem met een kapitaalgebruik van 28 komen de vervangingsinvesteringen uit op 1,87 eenheid X en 0,93 eenheid Y. Bij een prijs volgens tabel 3.1 van 0,1807 resp. 0,2165 kan dan het totaal van de vervangingsinvesteringen worden becijferd op 0,54 en de waarde van de kapitaalgoederenvoorraad op 10,79.

Het netto overig inkomen resulteert door de afschrijvingen die gelijk zijn aan de vervangingsinvesteringen in mindering te brengen op het bruto overig inkomen van tabel 2. Het kapitaalrendement wordt verkregen door het netto overig inkomen uit te drukken als percentage van de kapitaalgoederenvoorraad. Dit resulteert in een kapitaalrendement van 9,71 procent onder het loonbelastingsysteem en van 6,67 procent onder het `gunstige' evenwicht van het Van Elswijk systeem. In het `ongunstige' evenwicht daalt het rendement zelfs tot 3,9 procent. In de cijfers die tabel 3 voor het buitenland laat zien, blijft het rendement circa 9,7 procent.

De theoretische evenwichtsresultaten kunnen dergelijk grote rendementsverschillen te zien geven omdat verplaatsing van productie naar het buitenland in deze fase van het onderzoek niet is toegestaan. Dit beeld verandert indien de mogelijkheid van verplaatsing van bedrijfsactiviteit wel in de beschouwing wordt betrokken.

Tabel 3 Kapitaalgebruik en kapitaalrendement

Loonbelasting-

systeem

Van Elswijk systeem

A B

BINNENLAND

Bruto overig inkomen


1,76


1,26


0,43

Vervangingsinvesteringen


0,6


0,54


0,24

Netto overig inkomen


1,16


0,72


0,19

Kapitaalgoederenvoorraad

(vervangingswaarde)


11,95


10,79


4,88

Kapitaalrendement


9,71


6,67


3,9

BUITENLAND

Bruto overig inkomen


12,28


11,9


12,61

Vervangingsinvesteringen


4,18


4,05


4,37

Netto overig inkomen


8,1


7,85


8,24

Kapitaalgoederenvoorraad

(vervangingswaarde)


83.65


81,08


87,37

Kapitaalrendement


9,68


9,68


9,43

Bron: Bewerking op basis van CREED eindrapport, tabel 3.1.

De rendementcijfers laten immers zien dat het voor ondernemers onder het Van Elswijk systeem zeer aantrekkelijk wordt om productie te verplaatsen naar het buitenland en daardoor het rendement te vergroten tot circa 9,7 procent. Onder het `gunstige' evenwicht van het Van Elswijk systeem kan aldus een bijna 50 procent hoger rendement worden behaald (van 6,7 naar 9,7 procent). Onder het `ongunstige' evenwicht zorgt productieverplaatsing zelfs voor een bijna 150 procent hoger rendement, namelijk van 3,9 naar 9,4 procent.

Tabel 3 laat ook zien dat naarmate meer productie naar het buitenland wordt verplaatst zodat meer wordt opgeschoven in de richting van evenwicht B, verplaatsing van productie steeds aantrekkelijker kan worden. Er dreigt met andere woorden een verslechtering die in versneld tempo groter kan worden.

Hiertegenover moet worden opgemerkt dat de in tabel 3 gepresenteerde cijfers duiden op een mogelijkheid die in een eventuele vervolgfase nader onderzocht zou kunnen worden. Zoals aangegeven zijn in de twee eerste fasen van het experimenteel economisch onderzoek de dynamische aspecten nog niet gemodelleerd. Een modellering van het kapitaalgebruik langs de boven aangegeven lijnen lijkt in een vervolgfase evenwel onontbeerlijk om tegemoet te kunnen komen aan het uitdrukkelijk verzoek om de effecten van het plan Van Elswijk in een internationaal perspectief te toetsen. De mate waarin het onder Van Elswijk voor ondernemers aantrekkelijk wordt om productie naar het buitenland te verplaatsen vormt dan een belangrijk aandachtspunt.

Nu een op dit aandachtspunt toegespitste interpretatie van de uitkomsten van de twee eerste fasen van het door CREED beoogde onderzoek reeds laat zien dat onder het Van Elswijk systeem verplaatsing van productie niet alleen in het `ongunstige' evenwicht maar ook in het `gunstige' evenwicht aantrekkelijk kan worden, rijst de vraag of het nog zin heeft om in een vervolgfase deze tentatieve uitkomsten nader te toetsen.

5 Overige aandachtspunten

Bij een eventueel vervolgonderzoek verdienen in aanvulling op het bovenstaande ook de onderstaande vier punten aandacht. Deze punten die betrekking hebben op de dynamiek, de internationale kapitaalmarkt, de economische kringloop en de categoriale inkomensverdeling, sluiten deels ook aan bij het rapport van de begeleidingscommissie.

1.

In een stationaire economie kan worden verondersteld dat de afdracht van de kostprijsverhogende belastingen samenvalt met de ontvangst van de kostprijsverlagende subsidies. Of de kostprijsverhogende belastingen betrekking hebben op de verkopen in het afgelopen jaar en de subsidies op het gebruik van arbeid bij vooruitbetaling worden gedaan, is in een stationaire economie weinig meer dan een semantische kwestie. Voor het bedrijf gaat het om de cashflow jaar in jaar uit.

De suggestie in het rapport dat de verschuiving in het moment van belastingheffing een belangrijke rol lijkt te spelen verdient dan ook nuancering. In het experiment worden twee elkaar opvolgende fasen onderscheiden. In de eerste fase schakelt een bedrijf arbeid en kapitaal in, waarbij onder het loonbelastingsysteem loonbelasting moet worden betaald en onder het Van Elswijk systeem de ingeschakelde arbeid wordt gesubsidieerd. In de tweede fase wordt de productie naar de markt gebracht. Onder het Van Elswijk systeem moet dan achteraf een deel van de opbrengst als kostprijsverhogende belasting worden afgedragen.

De suggestie dat verschuivingen in het moment van belastingheffing een belangrijke rol spelen, kan op twee manieren worden genuanceerd. Op de eerste plaats moeten de onderscheiden fasen worden verwisseld voor bedrijven die op bestelling produceren. Het had voor de hand gelegen dat het model ook op dit punt aan een gevoeligheidsanalyse was onderworpen. De tweede nuance vloeit voort uit de stationaire economie en de omstandigheid dat onder het loonbelastingsysteem jaarlijks 1,8 aan loonbelasting wordt afgedragen, terwijl de afdrachten onder het `gunstige' evenwicht van het Van Elswijk systeem per saldo beperkt blijven tot 1,24. De hogere netto loonvoet van 0,1971 onder dit laatste systeem tegen 0,1694 onder het loonbelastingsysteem zorgt intussen wel voor een fors lager overig inkomen.

Een beter zicht op de dynamiek resulteert door de beide in het experiment onderscheiden fasen te verwisselen

2.

De onderzoekers leggen nadruk op de internationale kapitaalmarkt die in het gehanteerde model is opgenomen en waarop al het beschikbare kapitaal wordt verhandeld. Op deze markt komt een kapitaalvoet tot stand die in binnen- en buitenland hetzelfde is. Maar dit rendement, de pachtvoet volgens de begeleidingscommissie, moet goed worden onderscheiden van het kapitaalrendement dat voortvloeit uit ondernemersactiviteit. Beslissingen of productie al dan niet wordt verplaatst naar het buitenland worden door ondernemers genomen en veel minder door consumenten die inschrijven op een obligatielening van een onderneming hier of in het buitenland.

Ook een expliciet onderscheid tussen pachtvoet en kapitaalrendement is een eis die aan vervolgonderzoek gesteld zou moeten worden

3.

De onderzoekers besteden weinig aandacht aan de opvallende discrepanties in de netto winst, alsmede aan de grote uitslagen in het saldo van de lopende rekening. Nadere analyse is hier niet alleen van belang voor een beoordeling van de winstgevendheid van ondernemersactiviteit, maar ook om ervoor te zorgen dat de economische kringloop rondloopt met een sluitende confrontatie van middelen en bestedingen. In de theoretische evenwichtsresultaten, maar vooral ook in de uitkomsten van het experiment is de economische kringloop niet gesloten. Dat is een manco in een macro-economische analyse.

Het experiment zou moeten uitmonden in sluitende confrontaties van middelen en bestedingen.

4.

Om meer recht te doen aan de economische kringloop zouden twee typen consumenten kunnen worden onderscheiden: consumenten die alleen de factor arbeid aanbieden en consumenten die alleen kapitaal bezitten. De laatste consumenten zouden dan tevens de rol van producent kunnen spelen: door arbeid in te kopen kunnen zij met hun kapitaal hetzij goed X hetzij goed Y produceren. De winst die deze consument/producenten overhouden (na aftrek van de vervangingsinvesteringen), kunnen zij in aankoop van consumptiegoederen omzetten.

Deze verdeling van arbeid en kapitaal kan helpen bij het aanbrengen van dynamiek in het model. Het wordt dan immers mogelijk meer recht te doen aan de mobiliteit van ondernemerskapitaal. De consument die alleen kapitaal bezit mag dan zijn productie activiteit uitvoeren in het land van zijn keuze.

De verdeling van arbeid en kapitaal en van productie en consumptie over de aan het experiment deelnemende personen verdient heroverweging.

Annex

Toelichting bij de afleiding van de tabellen 1 en 2 uit de tabellen 4.3 en 3.1 van het eindrapport van CREED

Ter toelichting kunnen de tabellen 1 en 2 als volgt regel voor regel worden afgeleid uit de tabellen 4.3 en 3.1 van het eindrapport van CREED. Om de systematiek inzichtelijk te presenteren wordt de toelichting beperkt tot de afleiding van tabel 2 uit tabel 3.1. Daarenboven wordt de afleiding beperkt tot alleen het binnenland. Voor het buitenland en de andere tabel geldt dezelfde systematiek.

Het bruto binnenlands product tegen marktprijzen is per definitie gelijk aan het bruto binnenlands product tegen factorkosten vermeerderd met de kostprijsverlagende belastingen minus subsidies. Het bruto binnenlands product tegen factorkosten bestaat uit het looninkomen en overig inkomen. In tabel 2 is het looninkomen onder het loonbelastingsysteem verkregen door optelling van de netto loonsom van 4,78 (die gelijk is aan het product van de netto loonvoet van 0,1695 en de werkgelegenheid van 28,2) en de over de netto loonsom te betalen loonbelasting van 1,8. Dat geeft samen 6,58. Het overig inkomen bestaat uit de beloning van kapitaal van 0,92 en de netto winst van 0,84: opgeteld 1,76. Zowel de kostprijsverhogende belastingen als de kostprijsverlagende subsidies zijn onder het loonbelastingsysteem gelijk aan 0.

In het `gunstige' evenwicht van het Van Elswijk systeem is het looninkomen gelijk aan de netto loonsom van 6,5. Onder Van Elswijk wordt immers geen belasting geheven over het looninkomen. Het overig inkomen is ook hier gelijk aan de beloning van kapitaal van 0,83 en de netto winst van 0,43: samen 1,26. De kostprijsverhogende belastingen zijn gelijk aan 4,64. De kostprijsverlagende subsidies van 3,4 moeten daarop in mindering worden gebracht. Het saldo bedraagt dan 1,24.

Aldus resulteert een BBP tegen marktprijzen dat onder het loonbelastingsysteem uitkomt op 8,34 en op 9 onder het `gunstige' evenwicht van het Van Elswijk systeem.

De werkgelegenheidsgraad van 62,67 resp. 73,33 volgt door de werkgelegenheid van 28,2 onder het loonbelastingsysteem en van 33 onder het `gunstige' evenwicht van Van Elswijk uit te drukken in het totaal van het aantal verhandelbare arbeidseenheden van 45. Dit aantal volgt uit het product van het aantal aanbieders van arbeid (3 consumenten volgens tabel 2.2) en het aantal eenheden per aanbieder (15 volgens tabel 2.4). Het aantal verhandelbare arbeidseenheden wordt ook gebruikt voor de bepaling van het BBP-volume per hoofd. Het BBP-volume, dat is het productievolume van X en Y, bedraagt 41,1 onder het loonbelastingsysteem en 45,7 onder het `gunstige' evenwicht van Van Elswijk.

De arbeidsinkomensquote wordt verkregen door het looninkomen uit te drukken in het totale factorinkomen. Zo resulteert een AIQ van 78,9 (6,58 als percentage van 8,34) en 83,76 (6,5 als percentage van 7,76).

Het BBP tegen marktprijzen wordt gehanteerd bij de berekening van de collectieve lasten- en uitgavenquote. Onder het loonbelastingsysteem resulteert een CLD van 21,58 (1,8 als percentage van 8,34). Onder het `gunstige'evenwicht van Van Elswijk komt de CLD uit op 51,56 (4,64 als percentage van 9). De collectieve uitgavenquote komt in tabel 2 overeen met de CLD. In tabel 1 bestaan de collectieve uitgaven uit de optelling van premies, subsidies en financieringstekort.

Het netto loon volgt rechtstreeks uit de tabellen 3.1 en 4.3. Het netto loon is verkregen door de som van premies en financieringstekort te delen door het niet tewerkgestelde arbeidsaanbod. De netto replacement rate geeft de verhouding tussen de netto uitkering en het netto loon.

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie