Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Fractievoorzitter Braks: Kabinet luistert niet naar kritiek

Datum nieuwsfeit: 27-01-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
CDA

: Eerste Kamer : Nieuws uit de Senaat

Nieuws uit de Senaat Nieuws uit de Senaat
CDA-Eerste Kamerleden CDA-Eerste Kamerleden

Nieuws uit de Senaat

Fractievoorzitter Braks na Algemene Politieke Beschouwingen Senaat

Kabinet luistert niet naar kritiek

CDA-fractievoorzitter Gerrit Braks kijkt met gemengde gevoelens terug op de medio november in de senaat gehouden Algemene Politieke Beschouwingen. Braks drukte met een aantal van zijn hoofdthemas zoals het achterstallig onderhoud aan de samenleving, de rol van de overheid en de medisch-ethische wetgeving van het kabinet, een belangrijk stempel op het debat. Over de beantwoording van minister-president Kok is hij echter niet te spreken. Ik heb de minister-president gevraagd open te staan voor kritiek uit Kamers en samenleving, maar zijn wijze van beantwoording heeft mij gesterkt in de idee dat hij dit kennelijk niet op kan brengen. De antwoorden op de vragen van alle fracties waren sterk procedureel en ontwijkend van karakter. Het is allemaal een tikkeltje arrogant.

Gerrit Braks is sinds juni dit jaar voorzitter van de CDA-Eerste Kamerfractie. Het waren dus zijn allereerste Algemene Beschouwingen als fractievoorzitter. Als voorzitter van de grootste oppositiepartij beet hij de spits af. Braks haalde het CDA-motto Investeren in de kwaliteit van de samenleving nog eens aan. Hij constateerde veel achterstallig onderhoud aan de samenleving. Als voorbeelden noemde hij onder meer de lange wachtlijsten in de zorg, de onveiligheid op straat en de achteruitgang van het onderwijs op alle niveaus. Braks: Dit zijn stuk voor stuk zaken die de burger direct raken, maar het kabinet geeft niet thuis. Het kabinet heeft met de mond wel gekozen voor investeren in de kwaliteit van de samenleving maar feitelijk domineert nog steeds het oude motto werk, werk, en nog eens werk. Dat is goed voor de marktsector maar biedt geen oplossingen voor genoemde publieke opdrachten bij gebrek aan middelen en werkers. In de plannen van het kabinet ontbreekt het ten enenmale aan een aanpak van het gebrek aan sociale cohesie. Iedereen moet in Nederland mee kunnen doen maar de praktijk leert anders.
De CDA-fractievoorzitter besteedde vanuit de christen-democratische optiek veel aandacht aan de rol van de overheid, met name tegen de achtergrond van privatiseringstendensen. Braks: Voor ons staat vast dat een betrouwbare en krachtige overheid nodig blijft. De overheid heeft de opdracht de publieke gerechtigheid te dienen. Geloofwaardigheid en gezag van de overheid zijn dan ook essentieel. Het CDA vindt ook dat de overheid waarden en normen moet stellen en handhaven als het gaat om zaken van leven en dood. Braks laakte de nieuwe euthanasiewet van paars: De beschermwaardigheid van het leven is de norm voor zowel het naar het einde neigende leven als voor ongeboren of pasgeboren leven. Neemt een overheid die strafbaarheid van euthanasie heeft voorzien zich nog wel serieus als de toetsing door het OM tussen haken wordt gezet en wordt vervangen door een eindoordeel van de toetsingscommissies. Een betrouwbare en krachtige overheid dient te garanderen dat een recht op leven niet kan verworden tot een gunst.
Braks is sceptisch over allerlei privatiseringstendenzen. Doel van privatisering moet zijn de efficiency te dienen. Geen privatisering als doel-in-zichzelf dus. En van bedrijven met een monopoliepositie zoals NS kun je natuurlijk geen marktwerking verwachten.

De CDA-senator had forse kritiek op het kabinet omdat het na de Nacht van Wiegel het wetsvoorstel tot verandering van de Grondwet inzake het correctief referendum gewoon weer indient. Dat is toch verbijsterend. Heeft de regering er wel rekening mee gehouden dat de politieke samenstelling in dit huis ingrijpend is gewijzigd na de Statenverkiezingen of gebeurt dit al als ik let op de lange tijd die wordt genomen voor de beantwoording van een enkele aanvullende vraag over het herindelingsvoorstel Twente? Braks verweet het kabinet verder niet erg productief te zijn als het gaat om wetgeving. Onze Kamer kampt al weken met een bijna lege agenda voor plenaire zittingen. Dat is toch een teken aan de wand? En als er dan wetsvoorstellen worden ingediend wordt het parlement nauwelijks tijd gegund die zorgvuldig te behandelen zoals nu weer blijkt bij de aanpak van het Belastingplan. Dit komt de kwaliteit van de wetgeving waarop toch nogal wat kritiek wordt geuit niet ten goede. Braks vindt dat paars niet luistert naar de Kamers en de samenleving. Een belastinghervorming is een cultuurschok, de impact is geweldig. Die kun je niet zomaar even door de Kamers jagen. De Eerste Kamer in de gewijzigde samenstelling zal zeker niet zonder slag of stoot akkoord gaan met rammelende belastingwetgeving.
De gang van zaken rond het Belastingplan is volgens hem illustratief voor de wijze waarop het kabinet omgaat met kritiek. Men is arrogant bezig. Men luistert niet. Daarom heb ik Kok ook op de man af de vraag gesteld of hij wel open staat voor kritiek. Ook daarop reageerde hij ontwijkend, zoals hij overigens de hele Kamer ontwijkend antwoordde. Ook de paarse fracties. Deze hebben ook in senaat kritiek maar uiteindelijk steunen ze het beleid wel. Het regeerakkoord is heilig. Zon strakke binding aan het regeerakkoord brengt de democratie om zeep.


Algemene Beschouwingen Eerste Kamer door ir. G.J.M. Braks


1. Deze zomer had ik behoefte aan wat contant geld en ging naar de bank om me via de PIN-automaat op maat te laten bedienen. Ik wachtte op gepaste afstand op mijn beurt en zag dat een vitale wat oudere man druk doende was het moderne tuig te bedienen. Met enige spanning bespeelde hij het toetsenbord, wachtte even en streek zijn geldbundeltje op. Hij keerde zich om en keek me recht in mijn gezicht, herkende me en zei tevreden: Wat leven we toch in een mooie tijd, meneer Braks. Er was geen gelegenheid voor een verder gesprek, maar de man liet me niet meer los. Was hij gefascineerd door de techniek, die het mogelijk maakt zomaar geld uit de muur te halen of wilde hij tevredenheid tonen vanwege het feit dat er ook daadwerkelijk geld beschikbaar is om uit de muur te komen, ook voor eenvoudige mensen als hij. En wat voor achtergrond zou de man hebben om zo tevreden te zijn? Ik denk dat hij in zijn leven nog veel onzekerheid en armoede gekend heeft.


2. Maar als ik afga op wat ik elders in de samenleving en in de publiciteit opvang, zijn de gevoelens momenteel niet overal zo tevredenstellend. Bij veel mensen - ook al staan ze zelf aan de goede kant - leeft de vraag hoe het toch komt dat bij een reeds jaren durende als maar meevallende economische groei, de kwaliteit van:

de gezondheidszorg met zijn veel te lange wachtlijsten en wachttijden

de verpleeg- en verzorgingstehuizen met een groot tekort aan capaciteit

de opvang van lichamelijk en verstandelijk gehandicapten

de thuiszorg (gebudgetteerd op 18 minuten per adres)

het onderwijs op alle niveaus

de veiligheid op straat

zo ontstellend zijn achteruitgegaan, terwijl het aantal mensen met (voor zichzelf onoplosbare) schulden in een jaar tijd is verdubbeld. Hoe ervaart de MP deze ontwikkelingen? Richt paars zich niet te eenzijdig op afspraken tussen werkgevers en werknemers, gericht op werk, werk en nog eens werk? Dat motto is blijkbaar te simplistisch om daarmee de huidige problemen op te lossen. Hoe kan de PvdA daar dan zo gretig achteraan lopen? Is de MP met zijn achtergrond van nature niet al te sterk gericht op werk en inkomen, het primaire speelveld van de sociale partners? De overheid heeft daar slechts een afgeleide verantwoordelijkheid, terwijl zij toch een eerste verantwoordelijkheid heeft om te voorkomen dat de zwakkeren en afhankelijken in de knel komen. Er doen zich ontwikkelingen voor die de samenleving opnieuw in tweeën dreigen te delen: degenen die opgeleid zijn en werk en inkomen genieten en anderen die om welke reden dan ook een opleiding missen en vaak afhankelijk zijn, weinig gelegenheid hebben zichzelf verder te ontwikkelen of voor zichzelf op te komen. Maar er is meer.


3. De huidige ontwikkelingen leiden tot een sterk toegenomen consumptiedrift en daarmee voor werkgelegenheid in de marktsector en heeft tot gevolg dat er onvoldoende geld en werkers zijn voor de uitvoering van de eerder genoemde echte overheidstaken. Recentelijk liet de MP blijken zich niet makkelijk te voelen met het gedrag van mensen met kapitaal die zijns inziens te veel speculeren en als ondernemers te weinig gericht investeren. Maar ontbreekt het de Nederlandse samenleving niet veel meer aan een spannende visie, met passie van de overheid om samen het volgende millennium goed binnen te gaan? De zieners dromen, het kapitaal en de technocraten regeren! Maar de maatschappij staat niet stil. We treden nu een tijdperk binnen waarin de plaats van het individu veel meer op de voorgrond treedt. In toenemende mate hebben de mensen een eigen inkomen en hebben zelfstandig iets te kiezen. Op de markt van producten en diensten wordt dan ook terdege rekening gehouden met hun wensen. Maar dat vraagt juist extra attentie van de overheid om hen die tussen wal en schip terecht dreigen te komen, te beschermen, temeer omdat de vroeger sterk ontwikkelde onderlinge solidariteit steeds verder naar de achtergrond verdwijnt. De mensen vervreemden van elkaar. Bij het bepalen van het regeerprogramma van dit kabinet is de ethische inbreng gering geweest. De partijen hadden het te druk met hun eigen stokpaardjes en hebben dan ook tevergeefs gezocht naar een gezamenlijk motto. De arrogante bestuursstijl van paars gaat de PvdA opbreken, schrijft niemand minder dan Paul Kalma, de directeur van de Wiardi Beckman Stichting, in een vernietigend artikel in de Volkskrant van 2 oktober jl. Wil de MP hierop reageren? In de plannen voor de komende jaren ontbreekt ten enen male een aanpak voor het gebrek aan sociale cohesie in de samenleving. Iedereen moet mee kunnen doen in Nederland, maar de practijk leert anders. De inkomensverschillen zijn de laatste jaren drastisch toegenomen. Inmiddels heeft het kabinet een benadering gevonden: investeren in de kwaliteit van onze samenleving. Het werd tijd, want er is nogal wat achterstallig onderhoud ontstaan.


4. Investeren in de kwaliteit van de samenleving, is overigens een motto dat de afgelopen jaren al herhaaldelijk door het CDA is opgeworpen. Eindelijk gerechtigheid zou je zo zeggen. Men doet het wel eens voorkomen alsof onze rol uitgespeeld is. Wat ons betreft - we zijn de grootste fractie in dit huis - is dat geenszins het geval en wij putten moed uit het verleden. Een eeuw geleden bevond de christen-democratie zich - net als thans - in de oppositie. Het vrijzinnig-liberale kabinet Pierson-Goeman Borgesius en de meerderheid van de Tweede Kamer stond ook toen vaak scherp tegenover onze erflaters, maar de christen-democratie stond op de drempel van de nu aflopende eeuw op doorbreken. Inmiddels mag de twintigste eeuw met recht een eeuw genoemd worden waarin de christen-democratie nadrukkelijk een merkteken op het openbaar bestuur en de Nederlandse samenleving gezet heeft. Met uitzondering van een dozijn jaren droegen christen-democraten regeringsverantwoordelijkheid: vaak dominant. Haar gedachtengoed kleurde zelfs de Nederlandse varianten van socialisme en liberalisme. Het voor Nederland zo typerende partculiere maatschappelijke en civiele initiatief kreeg veel ruimte en bloeide op. Bij de opbouw van de sociale zekerheid hebben christen-democraten, met wisselende partners, een wezenlijke rol gespeeld, terwijl zij in Europa zeer intensief betrokken zijn geweest bij de grote projecten van Europese en Atlantische samenwerking.


5. Genoeg omgekeken. De christen-democratie wil vanuit haar eigen vaste waarden in de komende eeuw mee blijven werken aan een kwalitatief goede inrichting van de samenleving, ook in het openbaar bestuur. De samenleving en de mensen ten goede. Wij zullen daarbij staatshuishouding gezond te maken c.q. te houden. Onze fractie zal bij de Algemene Financiele Beschouwingen nader ingaan op de Miljoenennota en het Belastingplan. Nu zij al opgemerkt dat - met waardering voor het beleid van de bewindslieden op Financiën - er enkele donkere wolken te zien zijn. Met vele economen zijn wij van mening dat de indicaties voor een overspannen arbeidsmarkt en de relatief hoge inflatie zorgwekkend zijn. De overbesteding die zich aftekent wordt door het regeringsbeleid alleen maar gevoed. Weinig of geen EU-landen hebben een hogere inflatie dan wij. Dit is op den duur slecht voor onze concurrentiepositie, slecht voor de economie en slecht voor de laagst betaalden, die uiteindelijk de kosten van de inflatie moeten dragen. Maar goed dat de aan de Euro ten grondslag liggende voorwaarden ook ons dwingen tot discipline.
Voorts is onze lijn dat prioriteit gegeven moet worden aan een verdere reductie van het financieringstekort of aan de vorming van een overschot. Aldus kan de schuldquote versneld verlaagd worden, wat juist nu met gunstige economische ontwikkelingen, wenselijk is. We volgen daarmee in wezen de lijn van minister Zalm. Eventuele gerichte lastenverlichting moet dan binnen de al beschikbare begrotingsruimte gevonden worden. Dit alles om ook financieel in de kwaliteit van onze samenleving te investeren.


6. Vandaag bij de algemene politieke beschouwingen willen wij wel wat meer zeggen over de rol van de overheid. De christelijke volkspartijen in de Nederlandse parlementaire geschiedenis kenden een duidelijke visie op de overheid, haar grondslag en haar roeping. In onze opvatting valt de overheid niet samen met de samenleving. De overheid heeft de opdracht de publieke gerechtigheid te dienen. Onmisbaar als voorwaarde voor beschaving. Aan de overheid zijn dus ook grenzen gesteld. Deze liggen in de rechten van de mens en zij liggen in het recht op zelfbepaling en zelforganisatie van samenlevingsverbanden. Soevereiniteit in eigen kring en de subsidiariteit en daarmee verbonden het CDA beginsel van de gespreide verantwoordelijkheid, onderbouwen deze visie. Overheidsinterventie dient zijn legitimering dan ook te vinden in een zekere mate van sociale consensus aangaande bindende sociale waarden. Wij zien op dit punt een belangrijke rol voor een vitaal maatschappelijk middenveld, waarbinnen burgers hun bestemming als lid van de samenleving actief kunnen waarmaken. De overheid is daarbij geen regiseur. Ook kan zij niet op voorhand de hoofdrol claimen in het debat over waarden en normen. Zeker op de domeinen die nauw verbonden zijn met de menselijke ontplooiing en die onder het beslag liggen van levensbeschouwelijke waarden en van maatschappijvisies past terughoudendheid: bijvoorbeeld ten aanzien van opvoeding, onderwijs, vorming, cultuur, zorg, arbeid, e.d.. Hier is een rol van de overheid van belang, maar deze dient vooral voorwaardenscheppend te zijn. Op andere gebieden -zoals de handhaving van de in- en externe veiligheid, justitie, de inrichting van de schaarse ruimte, het verzorgen van een sociaal vangnet, e.d. - is de rol van de overheid fundamenteel.


7. In de recente brief van de Minister van Justitie over de capaciteit van de justitiële inrichtingen wordt beweerd dat zich in het gevangeniswezen overcapaciteit aftekent. Wij betwijfelen echter of er werkelijk wel sprake is van overcapaciteit. Nog steeds blijft een groot aantal ernstige misdrijven justitieel onbeantwoord, met name in de sfeer van diefstallen en inbraken, vernielingen en kleinschalige drugshandel. De verklaring daarvan is voor een belangrijk deel gelegen in een gebrek aan capaciteit van politie, openbaar ministerie en strafrechtspraak. In feite gaat het dus om een capaciteits tekort in deze schakels van de justitiële keten. Dit betekent niet dat onze fractie zich eenzijdig verlaat op het strafrecht. Voorkoming van situaties en gedragspatronen waarin criminaliteit gedijt neemt bij ons al jaren een belangrijke plaats in. Dan moet er wel adequate opvang zijn voor mensen met gedragsproblemen. De mogelijkheden voor toepassing van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen, waar men toch al kampt met te weinig capaciteit, zijn naar de mening van mensen uit de gemeentelijke practijk wel erg beperkt. Dat vraagt aandacht van het kabinet, zowel qua wetgeving als qua capaciteit.
Degenen die denken dat het vreemdelingen beleid nog op nationale wijze kan worden uitgevoerd, geven zich over aan een bedenkelijke illusie. In Tampere tekende zich weliswaar vooruitgang af, maar in verhouding tot wat echt nodig is, bepaald te weinig. Een gemeenschappelijk beleid is nog ver weg: een aantal lidstaten houdt een billijke verdeling van de opvang van asielzoekers over Europa uit nationale gemakzucht nog steeds tegen. Was de tevredenheid van de MP na de Europese Raad wel realistisch, en hoeveel tijd is aan de Raad van Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken eigenlijk gegeven om de juridisch niet bindende consensus van de staatshoofden en regeringsleiders inzake criminaliteitsbestrijding, asiel en immigratie om te zetten in bindende besluiten?


8. In een democratie is de betrokkenheid van de samenleving vooral via de volksvertegenwoordiging wezenlijk. Wetgeving en bestuur behoren zeker op hoofdlijnen met die volksvertegenwoordiging te worden ontwikkeld, maar er is meer, nl. het gezagsmotief dat in onze politieke geschiedenis altijd mede benadrukt is en eigenlijk een geconditioneerd recht van de overheid is, om zijn besluiten in de samenleving tot gelding te brengen. Maar verdampt die overheid niet voor een fors deel in de hitte van allerlei ontwikkelingen, zoals de mondialisering van de economie, de supranationale integratie, de horizontalisering van machtuitoefening, waarover onder anderen de essayist Peper schrijft, en vooral ook de relativering van het territoir als fundament van het traditionele overheidsgezag? Voor ons staat echter onverminderd vast dat de overheid nodig blijft. Daarom moet met alle kracht gewaakt worden tegen uitholling van haar opdracht, haar gezag, haar slagkracht. In het debat zullen we het regeringsbeleid blijven toetsen op heldere keuzen, helder beleid met relatieve continuïteit, dat laatste ter versterking van de betrouwbaarheid van het handelen van de overheid. De overheid dient er
b.v. voor te waken dat waar zij publieke taken uitoefent, deze afgeschermd worden van het commerciële domein. Dan zijn er andere waarden aan de orde. Hybride organisaties leveren morele mengvormen op die tot broedplaatsen worden voor niet integer gedrag. Dit werd in de voorbije periode herhaaldelijk geïllustreerd, recentelijk nog op pijnlijke wijze met de onrechtmatige commerciële activiteiten van de Provincie Zuid-Holland, terwijl ik geschrokken ben van het bericht dat particuliere milieu- adviesbureaus ten behoeve van de bedrijven, belastende gegevens voor de overheid systematisch weglaten of gunstiger beschrijven dan de werkelijkheid. Hoe denkt de regering dergelijke ontwikkelingen in de hand te krijgen?


9. Een goed funktionerende democratische rechtsstaat vereist helderheid t.a.v. gezag, verantwoordelijkheid en verantwoordingsplicht. In het proces van de terugtredende overheid doen zich allerlei contradicties voor in de beeldvorming rond de overheid. Mijnheer de voorzitter, uw voorganger in dit huis, de huidige vice voorzitter van de Raad van State, de heer Tjeenk Willink, sprak over die problematiek bij gelegenheid van het 35 jarig bestaan van de Faculteit der Sociale Wetenschappen van de Erasmus Universiteit te Rotterdam. Hij komt tot de conclusie dat de overheid aan het einde van de 20ste eeuw in een uiterst kwetsbare positie bevindt. Ter illustratie somt hij zeven actuele contradicties rond de overheid op:

die van de opvatting dat de overheid moet terugtreden en de opvatting dat uiteindelijk de overheid verantwoordelijk blijft voor risicos die burgers lopen

die van de opvatting dat de overheid bedrijfsmatig moet werken, hetgeen risico nemen impliceert, en de opvatting dat de overheid geen fouten mag maken

die van de opvatting dat juist overheidsdiensten waarmee burgers direct te maken hebben moeten worden verzelfstandigd, zo niet geprivatiseerd, en de opvatting dat de overheid garant moet staan voor kwaliteit, toegankelijkgheid, samenhang en controleerbaarheid van diensten en hun producten

die van de opvatting dat de burger toch vooral als klant moet worden beschouwd en de opvatting dat de calculerende burger het voornaamste probleem voor de overheid vormt

die van de waarneming dat ook de verhoudingen binnen de overheid horizontaliseren én de behoefte overheidsmacht in persoon te duiden, hetgeen hierarchisering suggereert

die van de opvatting dat het tekort aan informatie het belangrijkste manco in het functioneren van de overheid is én de ervaring dat de overvloed aan informatie meer het knelpunt vormt

die van de verwachtingen die worden gewekt én de mogelijkheden(qua geld, tijd en capaciteit) om aan de verwachtingen te voldoen

Onze oud collega komt tot de conclusie dat door deze inconsequente wijze van benadering de geloofwaardigheid van de overheid en dus het politieke gezicht daarvan - kabinet en parlement - verzwakt. Mediatisering en politieke nervositeit dragen aan de kwetsbaarheid van de overheid bij, zo stelt Tjeenk Willink in zijn heldere betoog. Ik neem aan dat het kabinet er ook kennis van genomen heeft en ik zou de MP willen vragen een reactie te geven, ook op de nogal kritische passages?

10. Heldere keuzen maken parlementaire controle en controle door andere externe organen pas goed mogelijk. Het kabinet wil de inhoud en reikwijdte van de ministeriële verantwoordelijkheid dan ook onverkort handhaven. Terecht! Verantwoordelijkheid wordt anders een fictie, omdat de bevoegdheden dan niet helder geregeld zijn. Tegelijkertijd constateert zij afnemend sturend vermogen in een context van toenemende afhankelijkheid; vooral van de markt, maar ook van andere overheden, semi-overheden en maatschappelijke organisaties. Bij het zoeken naar verhelderingen over de rol van de bewindspersoon en van de ambtenaar denkt men sterk hiërarchisch en blijft voor een goed deel steken in procedures, zonder dat helder wordt welke waardeoriëntaties aan de regelingen ten grondslag liggen. Zonder zon duidelijke keuze overtuigt een overheid niet. Intern vormt de ambtelijke loyaliteit en de daarmee verbonden discretie het logische complement van de ministeriële verantwoordelijkheid. Elke keer als incidenten - die in aantal zeker niet afnamen - aan het licht komen, laait de (waak-) vlam van de discussie weer op. Minister Peper schrijft riant positief over het inhoud geven aan het integriteitsbeleid, maar het betreft een veelheid aan interne regeltjes, zonder dat daaraan een eenheid van visie ten grondslag ligt. Wij dringen aan op wetgeving in formele zin.

11. Een kwalitatief goede samenleving dient ruimte te scheppen om gestalte te geven aan de zorg van mensen voor elkaar en vooral voor hen wiens bestaan in hoge mate afhankelijk is van de zorg van anderen. Werkdruk, consumptisme en individualisering lijken de onderlinge zorgplicht te doen eroderen. Is het minimale gebruik van de door Minister Melkert ingevoerde wettelijke zorgplicht daar een symptoom van of is de regeling te mager om mensen werkelijk de gelegenheid te geven om voor hun zieke familie te zorgen? Hoe beoordeelt de regering de recent gepubliceerde resultaten met betrekking tot het gebruik van de wettelijke zorgplicht? Omdat het CDA zeer veel waarde hecht aan onderlinge lotsverbondenheid en solidariteit, bepleiten wij voor verruiming van de regeling. Wij zijn ook verheugd over de verruiming van het budgettaire kader voor de zorgsector, die in de vorige kabinetsperiode ernstig geleden heeft door ontoereikende financiele middelen. Toch komt het herstel van het zorgaanbod nauwelijks tot stand, omdat niet alleen het budgettaire kader, maar vooral ook de krapte op de arbeidsmarkt een belangrijke belemmerende factor is voor een toereikend zorgaanbod. Het imago is slecht en wij vragen de regering dringend aan dit steeds nijpender wordende probleem hoge prioriteit toe te kennen. Wachtlijsten en wachttijden bij vrijwel alle onderdelen van de zorgsector, is een fenomeen waar de samenleving helaas al veel te lang mee geconfronteerd wordt.

12. Investeren in de kwaliteit van de samenleving veronderstelt een kwalitatief sterke overheid, die ook normen stelt en handhaaft als het gaat om zaken van leven en dood. De beschermwaardigheid van het leven is volgens de CDA-fractie de norm voor zowel naar het einde neigende leven als voor ongeboren of pasgeboren leven. Illustratief voor de wijze waarop paars omgaat met kwetsbaar leven is het wetsvoorstel Toetsing levensbeeindigend handelen op verzoek en hulp bij zelfdoding, dat bij de Tweede Kamer is ingediend. De levensbeeindiging van kinderen vanaf 12 jaar zonder toestemming van een van de ouders heeft terecht bij velen weerstand opgeroepen. En neemt een overheid, die strafbaarheid van euthanasie heeft voorzien, zich nog wel serieus als de toetsing door het Openbaar Ministerie tussen haken wordt gezet en wordt vervangen door een eindoordeel van toetsingscommissies? Een betrouwbare krachtige overheid dient te garanderen dat een recht op leven niet kan verworden tot een gunst. Natuurlijk moet er - bij ondraaglijk lijden in stervenssituaties - ruimte kunnen zijn voor verschillende interpretaties over wat menswaardig is, maar het beëindigen van het leven door artsen kan niet als normaal medisch handelen worden beschouwd.

13. De kwaliteit van een samenleving is naar de mening van de CDA-fractie in hoge mate gediend met mensen die hun maatschappelijke verantwoordelijkheid gezamenlijk willen waarmaken in organisaties. Het belang van de publieke omroep is dan ook gegeven met omroepverenigingen die daarvoor de ruimte hebben. Uit de aanpak van de regering blijkt dat zij echter alleen vertrouwen heeft in zichzelf en getuigt door een sterke centralisatie middels bestuurlijke constructies van een ouderwets geloof in de maakbaarheid van de samenleving. Door van omroepverenigingen te verwachten én zichzelf én de netten die zij bespelen te profileren, zijn zij gedwongen de marathon te lopen in een spagaathouding. In de Consessiewet, ernstig bekritiseerd door de Raad van State, wordt het evenwicht tussen identiteit en autonomie verder geweld aan gedaan. Het lef ontbreekt om pluriformiteit en verscheidenheid van onderop te laten blijven gedijen. Hoe is het met elkaar te rijmen dat de regering in het mediabeleid omroepverenigingen knevelt en diep ingrijpt in hun eigen verantwoordelijkheid, terwijl bij de algemene toelichting van de begroting van O,C en W (pag. 3) met positieve waardering wordt gesteld: De constanten in het cultuurbeleid - expressievrijheid, verscheidenheid, kwaliteit en terughoudendheid van overheden - hebben een enorme veelvormigheid in de cultuur mogelijk gemaakt? Wat de kunst in het algemeen betreft hebben wij eenzelfde zorg. Voor het op zichzelf goede streven om een breder publiek in aanraking te brengen met kunst, valt de regering terug op marktdenken, waarbij de aandacht wordt verschoven van de aanbodzijde naar de vraagzijde. Vergaande regulering en subsidies met quotas voor jongeren en minderheden moeten de cultuur democratiseren. De strafkortingen voor wie niet aan de quota voldoet, vormen een navrant bewijs van onvermogen. Niet de kunst moet naar de jongeren en allochtonen gebracht worden, maar -omgekeerd
- er moet bewerkstelligd worden dat deze groepen door de kunst worden aangetrokken. Om Ruud Lubbers te citeren (State of the Union op 2 september jl. bij het thearterfestival): Vraag de muze niet om ondernemer te zijn, vraag de ondernemer cultureel te zijn. Hoe oordeelt de regering over deze opvattingen?

14. Onderwijs is meer dan kennisoverdracht en het aanleren van vaardigheden. Het is ook essentieel voor persoonlijke vorming en ontplooiing; het is een cultureel bindmiddel en een instrument om de samenleving tot eenheid te brengen. Daarom dient onderwijs, ook als geen nadruk ligt op levensbeschouwing, in de eerste plaats georganiseerd te worden in nauwe betrokkenheid van ouders en hun verantwoordelijkheden. De verantwoordelijkheid voor het onderwijskundige proces behoort te liggen bij de instellingen. Het adagium: wie betaalt, bepaalt gaat hier dus niet helemaal op. Tot de taak van de overheid behoort in ieder geval te zorgen voor voldoende financiele middelen, voor de toegankelijkheid en voor een adequate infrastructuur, waarbij het niet alleen gaat om gebouwen, maar ook om voldoende gemotiveerd personeel en het betaalbaar en tijdig beschikbaar zijn van lesmateriaal. De slogan betreffende onderwijs in de begroting 2000: sterke instellingen en een verantwoordelijke overheid spreekt ons wel aan, maar zou in het licht van het voorgaande omgekeerd moeten worden: verantwoordelijke instellingen(voor het onderwijskundige proces) en een sterke overheid(die uiteraard publieke verantwoording vraagt af te leggen van het onderwijskundig proces). Dat geldt voor alle niveaus van onderwijs. Sprekend over de kwaliteit van het onderwijs, blijft het problematisch dat steeds meer kinderen de basisschool verlaten zonder dat ze kunnen lezen en schrijven. Het aantal analfabeten in Nederland loopt in de honderden duizenden. Dat is een grote zorg. In het grote steden beleid heeft de regering terecht ruimte gemaakt om de achterstandproblemen aan te pakken. Het gaat er om, dat het - ook buiten de grote steden - nu ook in het onderwijs opgepakt wordt, omdat eenmaal opgelopen achterstanden slechts moeizaam en in langdurige processen weg te werken zijn.

15. De nadruk die minister Hermans - zeker in vergelijking met zijn voorganger- legt op verantwoordelijkheid en autonomie, spreekt het CDA aan. Het is zeer de vraag of de middelen toereikend zijn om de geschetste doelstellingen te realiseren. Het blijft zorgelijk dat de onderwijs inspanning in ons land onder het gemiddelde van de OECD en de ons omringende landen blijft. Een kabinet dat pretendeert te investeren in de kwaliteit van de samenleving, kan bij investeringen ten gunste van kwaliteit van ons land als kennisland toch niet achterblijven? In de afgelopen jaren is de instroom in de hogescholen ruim 2 maal zo snel gegroeid als die in het universitair onderwijs, terwijl het bedrag per student sinds 1993 elk jaar daalt! Pabos moesten noodgedwongen een studentenstop doorvoeren, omdat er onvoldoende stageplaatsen in het basisonderwijs beschikbaar komen bij gebrek aan middelen voor het extra werk voor de stagebegeleiding. De hoge eigen bijdragen van de ouders, zijn voor lager betaalden en kleine zelfstandigen momenteel zodanig, dat dit niet bevorderlijk is voor het democratisch gehalte van het onderwijs? Binnenkort is de voorziene evaluatie van de WEB (wet educatie en beroepsonderwijs) aan de orde. Met deze wet heeft dit segment van voortgezet onderwijs in Nederland een compleet nieuw aanzien gekregen. Bijna de helft van de Nederlandse beroepsbevolking heeft op een of andere manier dit onderwijs, dat nauw moet aansluiten bij de behoefte op de arbeidsmarkt, gevolgd. De wetgeving voor de bve sector zou meer taakstellend en minder voorschrijvend moeten zijn, om met de nodige flexibiliteit en souplesse, aan de wensen van het veld te kunnen voldoen. Het gebrek aan personeel op de arbeidsmarkt doet zich vooral voor in sectoren waar men mensen vraagt met een laag opleidingsniveau.De bve sector is in staat velen die zelfs die opleiding nog ontberen op korte termijn zodanig te scholen dat zij bij de productie, de dienstverlening en in de zorg in te zetten zijn. Dat is niet alleen investeren in de markt, maar ook in de toekomst van mensen. Door hen nu met betrekkelijk kleine extra inspanningen op het goede pad te zetten, kan de samenleving over een paar jaar veel ellende en kosten besparen. Hier is personeel te werven. Graag een reactie van de regering?

16. De regering heeft het voornemen het wetsvoorstel tot verandering van de grondwet inzake het correctief referendum ongewijzigd opnieuw in te dienen. Dit voornemen is verbijsterend. De regering acht dit kennelijk rechtvaardig omdat maar één stem in dit huis bij tweede lezing ontbrak voor de vereiste 2/3e meerderheid. Heeft de regering er rekening mee gehouden dat de politieke samenstelling van dit huis ingrijpend gewijzigd is na de Statenverkiezingen? Of gebeurt dat al gelet op de lange tijd die genomen wordt bij de beantwoording van een enkele aanvullende vraag over het herindelingsvoorstel inzake Twente. Het kabinet is overigens erg weinig productief als het gaat om wetgeving. Onze kamer kampt al weken met een lege agenda voor de plenaire zittingen. Dat is toch een teken aan de wand. En als er wetsvoorstellen worden ingediend, wordt het parlement nauwelijks tijd gegund deze zorgvuldig te behandelen, zoals nu weer blijkt bij de aanpak van het Belastingplan. Dit komt de kwaliteit van de wetgeving, waar toch al veel kritiek op is, niet ten goede.

17. De CDA-fractie heeft haar standpunt bij de behandeling van het wetsvoorstel en bij de stemmingen over het correctief referendum duidelijk naar voren gebracht: ons standpunt is niet veranderd. Evenmin is onze opvatting gewijzigd over de positie van de Eerste Kamer zoals uitgesproken b.g.v. de interpellatie Schuurman. Dat wil niet zeggen dat wij altijd tegen elke vorm van grondwetswijziging zijn. Komend weekend zullen we ons, onder leiding van oud college Postma, bezinnen over een aantal staatsrechtelijke problemen, waarover in de partij in mei volgend jaar formele besluitvorming zal plaats vinden.
Herkenbaarheid en doorzichtigheid van het openbaar bestuur is ons inziens gediend met bestuursbevoegdheid zo dicht mogelijk bij de burger. Wij ondersteunen daarom het decentralisatiebeleid. Er wordt vaak veel lippendienst bewezen aan de gemeentelijke autonomie, maar een fundamentele bezinning op wat deze autonomie in onze tijd betekent of zou kunnen betekenen ontbreekt. Bij de recente behandeling van het wetsvoorstel inzake opheffing van het alg. bordeelverbod, verzette de regering zich met hand en tand tegen een autonome beleidsruimte voor de gemeenten om bordelen op grond van locale overwegingen te blijven weren. Het CDA bepleit dan ook dit thema op te nemen in de constitutionele agenda-2000 om te onderzoeken of een betere grondwettelijke bescherming van autonomie mogelijk is. De gemeente is toch geen filiaal dat naar wisselende inzichten in Den Haag steeds moet worden verbouwd.

18. Het debat over de infrastructuur en de ruimtelijke ordening van Nederland dreigt voor de buitenstaander (en dat zijn verreweg de meeste Nederlanders) de vorm van een Babylonische spraakverwarring aan te nemen. Terwijl de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening nog volop in uitvoering is en nog tot het jaar 2010 doorloopt, wordt rond de wisseling van het millennium alweer het eerste deel van de Vijfde Nota verwacht. Midden in een discussie over de nieuwe stedelijke uitbreiding (vinexlocaties) moet er ineens ook gepraat worden over begrippen als stedenland-plus, corridors, en netwerken. Alhoewel er begrip kan worden opgebracht voor het feit dat het Rijk zich in een vijfde nota al weer bezint op de verdere toekomst, mag volgens onze fractie niet vergeten worden dat de gemeentes nog volop bezig zijn met het uitvoeren van de vinexafspraken tot 2010 en met andere investeringen verband houdend met de Vierde Nota. Zo is het al te snel changeren van de bij de Vierde Nota geïntroduceerde knooppuntenbeleid naar een mogelijke corridorbenadering in de Vijfde Nota niet erg bevorderlijk voor het ruimtelijk investeringsbeleid. Deze investeringen (met name in de infrastructuur) zijn meestel gebaseerd op lange termijn planning en -afspraken, en vereisen daarmee consistentie in beleid, te meer wanneer men via P.P.S.-constructies private financiers daarbij wil betrekken.

19. Interventie versus soevereiniteit wordt een van de centrale spanningen in het buitenlandse beleid in de komende jaren, juist nu we zo goed geïnformeerd zijn wat er zich in de verschillende landen in de wereld afspeelt. Een van de complicaties daarbij is, dat in de veiligheidsraad soms, zoals we bij Kosovo gezien hebben, geen mandaat te verkrijgen is, terwijl we toch vonden, dat de schendingen van mensenrechten, die soms afmetingen van genocide krijgen, gestopt moeten worden. De minister van Buitenlandse Zaken heeft in zijn toespraak tot de Algemene Vergadering van de VN, als wij het goed begrepen hebben, een pleidooi gehouden voor een nogal ruime interpretatie van het recht en de plicht van de volkerengemeenschap om te interveniëren, wanneer in een bepaald land mensenrechten geschonden worden. Daarentegen heeft hij zich in Duitsland nogal scherp afgezet tegen het toegeven aan emoties, door de media opgestuwd, om protest om te zetten in aktie. Wat denkt de MP hiervan? Ook zouden wij graag willen horen - richting bepalend - waar de regering nu echt voor staat en of onze defensie inspanningen nog wel voldoende zijn om in bondgenootschappelijk verband geloofwaardigheid te behouden? Hoe denkt de regering over een toekomstige Europese defensiepolitiek, met een eigen leger zoals de heer Solana dat bepleit?

20. Door nationaal te investeren in kennis en in versterking van de productie- en marktstructuur heeft de Nederlandse landbouw, onder de vlag van het belangrijkste landbouwpolitieke instrument voor Nederland, het GLB, een sterke concurrentiepositie opgebouwd, waardoor we konden uitgroeien tot een van de hoofdrolspelers in de internationale handel in landbouwproducten. De Minister van LNV laat voortdurend blijken daar trots op te zijn. Internationaal staat de Nederlandse landbouw dan ook nog steeds in hoog aanzien, maar onze concurrentiepositie neemt af. Dat moet de overheid een zorg zijn, maar is dat wel zo? Nationaal voelt de land- en tuinbouw, die over vrijwel de hele breedte langdurig met lage prijzen te maken heeft, zich door de overheid in de steek gelaten. Er dreigen duizenden bedrijven failliet te gaan of anderszins af te haken. De WHV leidt schipbreuk bij elke rechterlijke toetsing. Wij hebben het met vele anderen voorspelt, maar de coalitie hield - ook in dit huis - tegen beter weten in, halsstarrig vast. Een voorbeeld van slechte wetgeving. Intussen zijn de boeren op het verkeerde been gezet, met allerlei verkeerde beslissingen en heel veel onnodige kosten, en zijn er 3 jaar verloren gegaan. De regering heeft nu voor een nieuwe aanpak gekozen, waarvan wij ons in de richting goed kunnen vinden, maar waarvan het tempo nu veel te hoog is. Dat zet met name bedrijven die recentelijk veel geïnvesteerd hebben in milieu en welzijn onder druk. Wij zijn benieuwd hoe de middelen voor flankerend beleid - ook sociaal - worden ingezet? Overigens hebben wij de minister van LNV - sprekend in algemene termen - de laatste weken enkele malen met instemming beluisterd. Laat hem het vertrouwen herstellen en de landbouw in Nederland opnieuw op de kaart zetten. Inmiddels moet er natuurlijk fors geïnvesteerd worden om de landbouw duurzaam te maken en om tegemoet te komen aan de hoge eisen die de moderne consument en maatschappij aan zijn voedselpakket en aan de kwaliteit van het landelijk gebied stelt. Maar er is meer: het agrarisch natuurbeheer stagneert en de realisatie van de EHS dreigt vast te lopen bij gebrek aan geld, terwijl de ontwikkeling van groene energie in Nederland nauwelijks aandacht krijgt. Wat wil je ook, met zoveel gas onder het Waddengebied?

21. Voorzitter ik rond af. Maar ik wil dat niet doen zonder in samenvattende zin nog eens de boodschap van het betoog van de CDA-fractie te onderlijnen. Wij zien een kabinet dat zich mag koesteren in de welvaart en daaraan een zeker zelfvertrouwen ontleend. Sinds het eerste kabinet-Lubbers de bakens verzette, sinds dat kabinet bezuinigingen koppelde aan lastenverlichting en daarmee zorgde voor loonmatiging ligt ons land op koers. De concurrentiepositie is stevig, de werkgelegenheid is uitzonderlijk groot en het consumentenvertrouwen is aanzienlijk. Het was een kabinet van CDA en VVD-huize dat voor de hoofdlijnen van het beleid zorgde. Wij durven nu om herijking van het beleid te vragen. Lastenverlichting leidt in de huidige omstandigheden al snel tot oververhitting. Een krappe arbeidsmarkt die op de proef wordt gesteld kan de lonen opdrijven. Ook zullen private en publieke sector met elkaar uit de pas gaan lopen. De bedrijven kunnen loonsverhogingen wel opbrengen. Maar er zal dan nog minder ruimte zijn voor investeringen in agenten, verpleegkundigen, leraren en dergelijke. Kortom, het kabinet heeft met de mond dan wel gekozen voor investeren in de kwaliteit van de samenleving, maar feitelijk domineert nog steeds het oude motto: werk, werk en nog eens werk. Dat is op allerlei fronten te zien. Is het nu met het oog op de kwaliteit van de samenleving of met het oog op de arbeidsmarkt, dat bijstandsmoeders verplicht moeten gaan werken? Is het met het oog op de kwaliteit van de samenleving dat het kabinet kiest voor lastenverlichting en consumptie? Had u niet beter kunnen kiezen voor een overschot met het oog op de kosten van de dubbele vergrijzing die er aankomt?
Dit kabinet kent een te eenzijdig belang toe aan werk en aan marktwerking. Teveel andere belangen komen daardoor te weinig in beeld. De kwaliteit van de samenleving lijdt daaronder.

22. Ik sprak ook over ons cultuurbeleid en over de media. Ook hier mis ik visie van het kabinet. Op het terrein van verkeer en vervoer is het niet veel anders. Eindeloos gesteggel over rekeningrijden en over de Betuwelijn, maakt geen doortastende indruk. Het wekt niet het vertrouwen dat er een toekomstvisie op de mobiliteit is, terwijl eigenlijk niet langer gewacht kan worden. Automobiliteit en openbaar vervoer zijn beide uiterst problematisch aan het worden met grote risicos voor de positie van ons land in de toekomst. Op het terrein van de overheid zien we een coalitie die lichtelijk in verwarring is; gaan we door met een privatiseringsbeleid of niet, en wat is eigenlijk de leidraad? De netwerkende overheid geeft veel uit handen en gaat aarzelend het debat aan. Die aarzeling zien we ook rond de uitvoeringsorganisaties van de sociale zekerheid en rond de financiering van de zorg. Stuk voor stuk vragen deze onderwerpen om een doortastend beleid, juist vanuit een visie op de kwaliteit van de samenleving. Succes kan gemakkelijk bedrijfsblind maken. Er is daartegen een probaat middel: openstaan voor kritiek. Dat is zeker niet de sterkste kant van de paarse kabinetten geweest. Het etiket sorry-democratie wordt wellicht soms wat al te gemakkelijk opgeplakt, maar het is niet geheel toevallig ontstaan. Openstaan voor kritiek dus: kritiek als die in rechterlijke uitspraken besloten ligt, vanuit de samenleving, van jongeren en zeker ook vanuit het parlement, inclusief de Eerste Kamer. Dan wordt politiek weer aantrekkelijk en uitdagend, ook voor een nieuwe generatie, en misschien dat dan de mensen ook over vijftig jaar opnieuw zullen zeggen:wat leven we toch in een mooie tijd.

We zien met belangstelling een reactie en antwoorden van de regering tegemoet.

De markt voor prostitutie

De CDA- Eerste Kamerfractie stemde onlangs tegen een wetsvoorstel tot opheffing van het bordeelverbod. De fractie is van mening dat het erkennen van prostitutie niet vanzelfsprekend gevolgd mag worden door het legaliseren ervan. CDA-Eerste Kamerlid Ernst Hirsch Ballin: De marktwerking wordt zo wel erg ver doorgetrokken.

Onlangs besprak de Eerste Kamer het wetsvoorstel van het kabinet-Kok tot opheffing van het algemeen bordeelverbod. Onze fractie heeft tegen dit voorstel krachtig geopponeerd en zal dan ook op 26 oktober tegen stemmen. Onze fractie trok de lijn door die ook in het verleden door CDA-Kamerfracties en CDA-bewindslieden was gevolgd.

Ook wij hebben niet de illusie dat via de strafwet prostitutie kan worden uitgebannen. Er is ook bij ons begrip voor het streven om via een gemeentelijk vergunningenbeleid de overlast door bordelen te beperken en de ergste misstanden, zoals afgedwongen prostitutie, tegen te gaan. Maar dat alles mag in onze opvatting niet betekenen dat prostitutie en het exploiteren daarvan voortaan als normale arbeid en normaal ondernemerschap worden beschouwd. De marktwerking wordt zo wel erg ver doorgetrokken!

Startsubsidies
De gevolgen van het wetsvoorstel reiken heel ver. Zo zullen exploitanten van bordelen zelfs aanspraak kunnen gaan maken op subsidies voor startende ondernemers! De regering wil intussen nog wel proberen, aan prostituées vergunningen op grond van de Wet arbeid vreemdelingen te weigeren. Dat is volgens ons terecht, maar het is onzeker of dat standpunt onder de nieuwe wet lang stand zal houden. De legalisering zal ertoe leiden dat het standpunt van de regering juridisch moeilijk houdbaar is, en bovendien lieten sommige voorstanders van het wetsvoorstel nu al weten dat zij in de toekomst een andere lijn mogelijk achten. Als dat gebeurt, zullen we het dus moeten meemaken dat bordeelhouders met vergunningen van de overheid personeel uit Oost-Europa of uit de Derde Wereld laten overkomen. Iedereen moet begrijpen dat in landen met grote armoede vrouwen vaak uit pure nood ervoor kiezen om in de prostitutie te gaan werken. Van de mooie woorden over bescherming van de vrijheid van de prostituée door de nieuwe wet blijft dan weinig over.

Beroep op vrije arbeidskeuze
Een ander, voor ons bijzonder zwaarwegend bezwaar tegen het voorstel is dat de regering gemeenten wil gaan beletten om een nul-beleid inzake bordelen te voeren. Er zijn nu tal van gemeenten waar geen bordelen worden gedoogd en waar men dat op goede gronden graag zo wil houden. Volgens minister Korthals zullen zij na de inwerkingtreding van de nieuwe wetgeving dat beleid moeten opgeven. Hij deed daarbij zelfs een beroep op het grondwettelijk recht op vrije arbeidskeuze. Toen ik dat argument las, kon ik mijn ogen nauwelijks geloven. Er zijn toch allerlei regelingen die ertoe leiden dat je een bepaald beroep of bedrijf -dat op zichzelf geoorloofd is- niet overal kunt uitoefenen? Ik heb in het debat aan de minister gevraagd of hij een gemeentelijke veorordening of een bestemmingsplan zou willen laten vernietigen als daarin geen ruimte zou worden gelaten voor het vestigen van bordelen. Het antwoord was dat hij dat niet zou doen. Hij hoopte en verwachtte echter dat de rechter het standpunt van de regering zou volgen en elke gemeente zou verplichten, een of meer bordelen toe te staan.

Als het wetsvoorstel wordt aangenomen -daar ziet het wel naar uit: naast de coalitiefracties PvdA, VVD en D66 steunt trouwens ook GroenLinks het voorstel- zal het voor gemeenten helaas moeilijk worden om op dit punt een eigen lijn te volgen die inhoudt dat bordelen worden afgewezen. Met de wet in de hand zal straks worden betoogd dat een gemeente niet een bepaald soort economische activiteit taboe mag verklaren. Mij lijkt het echter de moeite waard, als een gemeente toch zou willen proberen haar eigen lijn te handhaven. Het is goed denkbaar dat de gemeenteraad een ruimtelijk beleid voorstaat waarin een bepaalde harmonie wordt verzekerd tussen de sociale verhoudingen in de gemeente, de inrichting van het gebied en het soort van activiteiten dat daarbij wordt toegestaan. De conclusie zal dan kunnen zijn dat het bestemmingsplan en de desbetreffende verordening geen ruimte moeten bieden voor bordelen.

Beter zou het zijn geweest als de regering gemeenten hierin vrij had gelaten. Wij zien niet in waarom aan het hele land een opvatting moet worden opgedrongen die bordelen en prostitutie normaliseert. Voor de CDA-fractie in de Eerste Kamer is er dus geen twijfel dat dit voorstel moet worden afgewezen.

Ernst Hirsch Ballin
Lid van de CDA-fractie in de Eerste Kamer der Staten-Generaal


Bijdrage aan het debat over het wetsvoorstel opheffing algemeen bordeelverbod op 5 oktober 1999

De CDA-fractie in de Eerste Kamer is niet gelukkig met het wetsvoorstel opheffing algemeen bordeelverbod. Zeker, het wetsvoorstel bevat een aantal positieve elementen. Het is nuttig dat gemeenten in staat zijn om via een vergunningenstelsel de aanwezigheid van bordelen te kunnen beperken en reguleren. Ook zijn wij voorstander van de uitgebreide en aangescherpte strafbaarstelling van mensenhandel en andere vormen van dwang en misbruik zoals misbruik van minderjarigen in de prostitutie. Maar de prijs daarvoor is een veel te vergaande, om niet te zeggen naïeve normalisatie van vrijwillige prostitutie. Die normalisatie gaat zover dat gemeenten de bevoegdheid wordt ontzegd om bordelen in hun gemeente geheel te verbieden. Waarom zou een gemeente waar nu geen bordelen worden gedoogd, dat niet zo mogen houden? Het antwoord van de regering op die vraag was ronduit verbijsterend: omdat de Grondwet daaraan na opheffing van het algemene bordeelverbod - in de weg staat. Wie de Grondwet kent, moet zich hier even achter de oren krabben. In de Grondwet komt wel een bepaling voor dat in elke gemeente voldoend openbaar algemeen vormend lager onderwijs (wordt) gegeven in een genoegzaam aantal scholen. Maar er staat toch nergens dat er in elke gemeente gelegenheid moet worden gegeven in een genoegzaam aantal bordelen? Nee, de redenering van de regering was een andere. Met een verbod op bordelen in een gemeente zou de prostituee onderscheidenlijk de prostituant immers het algehele recht worden ontzegd om in een bepaalde gemeente het beroep van prostituee in een prostitutiebedrijf uit te oefenen onderscheidenlijk om het beroep van ondernemer in een dergelijk bedrijf uit te oefenen(memorie van antwoord aan deze kamer). Juridisch is deze redenering al discutabel, omdat volgens artikel 19, derde lid, van de Grondwet beperkingen kunnen worden gesteld bij of krachtens de wet. Maar bovendien valt of staat zij met de erkenning van prostitutie als reguliere arbeid en van het souteneurschap als regulier ondernemerschap. In een artikel in het juridisch tijdschrift Nemesis van januari 1999 (blz. 31-32) beschrijft Roelof Haveman een geval dat zich blijkbaar in 1998 bij de Sociale Dienst in Alkmaar heeft voorgedaan. Een vrouw die in de prostitutie werkte maar daarmee was gestopt omdat het werk toch eigenlijk niets voor haar is, werd een uitkering geweigerd. De reden (ik citeer de betreffende ambtenaar van de Sociale Dienst): Ik vind dit geen steekhoudend argument om arbeid, waarmee volledig in het levensonderhoud kan worden voorzien, op te geven. Sekswerk is dus zelfs meer dan zo maar arbeid: passende arbeid. Haveman is het met deze gedachtegang absoluut niet eens. En dat ondanks het feit dat hij aan het begin van zijn artikel badinerend schrijft over de mensen die prostitutie in strijd met de menselijke waardigheid vinden en op een verbod aandringen: in Nederland, aldus Haveman, wordt dat soort mensen gelukkig nog slechts sporadisch aangetroffen.
Wanneer wij als christen-democraten op zon kwalitatief verschil wijzen en niet alles over één economische kam scheren, zijn er mensen die ons in publieke debatten met een opgeheven vinger tegemoet treden: foei, dat is moralisme in de wetgeving, en in ons land van vrijheid moet iedereen zelf uitmaken welk soort arbeid hij aanvaardt of niet. Ook (zelfs?) Haveman ziet echter dat er met prostitutie iets speciaals aan de hand is: het eigene van sekswerk betekent dat je mensen niet tot deze vorm van arbeid kunt dwingen. Dat is immers in strijd met het grondwettelijk recht op onaantastbaarheid van het lichaam (art. 11 Grondwet) en bovendien strafbaar als medeplegen van verkrachting en vrouwenhandel. (Hij bedoelde trouwens kennelijk mensenhandel; dat is al meer dan vijf jaren geleden in het Wetboek van Strafrecht veranderd.) Inderdaad, sekswerk is anders dan andere arbeid omdat, vrijwillig of niet, de grondwettelijk beschermde intimiteit tot handelswaar wordt gemaakt. Het is absoluut niet ongewoon dat de wet vormen van arbeid beperkt, simpel omdat daarbij iets wordt gevraagd te presteren waartoe men een ander niet behoort te verplichten, zelfs niet als hij dat geheel uit vrije wil aanvaardt. Als dat moralisme is, is de hele arbeidersbescherming moralistisch. Ik zou, in alle nuchterheid, willen constateren dat wetgeving altijd een ethische dimensie heeft. Zou wetgeving alleen maar sociale techniek zijn, dan waren we in het publieke debat snel uitgepraat en zouden politieke partijen enkel belangenverenigingen zijn.
Van een verplichting om dit soort bedrijvigheid overal als legaal en normaal te accepteren kan naar ons oordeel geen sprake zijn. Het opleggen hiervan, tegen gemeentelijke autoriteiten in, is een van de hoofdbezwaren tegen dit wetsvoorstel. Ook die autonomie is grondwettelijk verankerd.

Het meest fundamentele gebrek in het wetsvoorstel is naar ons oordeel dat het prostitutie als gewone arbeid wil behandelen, behoudens situaties van pressie en dwang, en het souteneurschap als gewoon ondernemerschap. Daarmee wijkt het wetsvoorstel af van die in vrijwel alle andere EU-landen. In de nadere memorie van antwoord erkent de minister van justitie dat de exploitanten van bordelen bij aanvaarding van het wetsvoorstel met succes een beroep kunnen doen op subsidieregelingen. Als deze normalisering inderdaad de strekking van het wetsvoorstel is, is dat voor ons nog afgezien van alle andere bedenkingen voldoende reden om ons tegen dit wetsvoorstel te verzetten. Wij willen de minister uitnodigen om terug te komen van zijn eerdere opvatting dat het gemeenten niet langer vrij zou staan om via hun verordenende bevoegdheid vestiging van bordelen geheel uit te sluiten. Onzes inziens zou de minister zon toezegging kunnen doen zonder de beoogde regulering in (met name) de grote steden onmogelijk te maken.

Wij bepleitten al in de schriftelijke voorbereiding van de behandeling van dit wetsvoorstel, de waarschuwing serieus te nemen die is gedaan in het WODC-rapport Georganiseerde criminaliteit in Nederland. Daar wezen de onderzoekers erop dat het effect van de legalisering ook kan zijn dat er ontwijkingstrategieën worden ontwikkeld (bijvoorbeeld escortservice), waardoor verhandelde vrouwen verder aan het oog worden onttrokken dan nu reeds het geval is. De minister vat deze rapportage van zijn eigen WODC blijkens de nadere memorie van antwoord niet op als een depreciatie van het in het wetsvoorstel beoogde regiem, maar als een aansporing aan de lokale overheden om tijdig te bezien hoe gereageerd moet worden indien zich onverhoopt ongewenste ontwikkelingen voordoen. Dit antwoord vergrootte onze twijfel of de regering zich wel voldoende voorbereidt op de gevolgen van het wetsvoorstel. Het WODC had het toch over georganiseerde criminaliteit, en waarom dan deze verwijzing naar lokale overheden? En wat de handhaving van het beleid verder betreft: is de brief van de minister van Justitie van 8 juni 1999 niet eigenlijk een vriendelijke uiteenzetting dat hij voor die handhaving bijna geen middelen heeft? Hij verwijst naar de in 1994 (!) toegekende structurele middelen van Mf 49 voor de bestrijding van georganiseerde criminaliteit. Maar de Mf 1,6 die in 1998 aan de justitiebegroting zijn toegevoegd en die de minister geruststellend noemt, zijn bestemd voor mensensmokkel, en dat is iets anders dan mensenhandel (25437, nr. 19, p. 2). Verderop gaat de minister er met zoveel woorden van uit dat de handhaving van het in de lokale driehoek afgesproken prostitutiebeleid binnen de reguliere sterkte kan worden opgevangen. Wij delen dit optimisme absoluut niet, en de aanvaarding van het amendement-Nicolaï tot opneming van artikel 151a Gemeentewet vergroot nog eens de discrepantie tussen doelstellingen en middelen. Bovendien werkt deze lokale benadering verplaatsingseffecten in de hand: de burgemeester van Arnhem heeft daartegen in duidelijke taal gewaarschuwd. Zelf heeft de minister al uitgesproken dat het op dit moment niet mogelijk is alle consequenties van het wetsvoorstel te overzien (nr 189b, nr 1). Hij overweegt te komen met een wetsvoorstel prostitutiewetgeving of openbare inrichtingen (nr 17, p. 3), maar hoe lang duurt dat nog en welke middelen zijn daarbij voorzien?

Na ruim twee maanden en herhaald aandringen heeft de minister ons in kennis gesteld van het advies van de landsadvocaat over toelating van werknemers in de prostitutie van buiten de EU. De zeven regels over het advies van de landsadvocaat in de ook verder summiere brief van 23 september kon absoluut niet gelden als een weergave van de inhoud van dat twintig pagina's dikke advies. Vandaar onze aandrang om te kunnen lezen wat de landsadvocaat er nu echt van vond. Aanvankelijk had de minister zonder meer een toelatingsverbod aangekondigd van niet-EU/EER-onderdanen waar het gaat om werk in de prostitutie. Uit het advies van de landsadvocaat blijkt dat de opheffing van het algemeen bordeelverbod de mogelijkheden voor zon standpunt verkleint. Wil de minister hierbij ook ingaan op de jurisprudentie van de rechtbank s-Gravenhage inzake vrije vestiging van Oost-Europese prostituees (NTER 1997, p. 245 e.v.)? Eenmaal om andere reden toegelaten kunnen zij moeilijk uit deze bedrijfstak worden geweerd. Waar het gaat om de Wet arbeid vreemdelingen te baseren uitsluiting van personen die in de prostitutie willen werken, is het volgens de landsadvocaat niet goed te voorspellen of dit bij de rechter stand zal houden.

Mijnheer de voorzitter,
Ik begon de bijdrage van onze fractie aan dit debat met een opmerking over het gemengde karakter van dit wetsvoorstel. Enerzijds zijn er bepalingen die bescherming bieden tegen exploitanten van prostitutie, anderzijds wordt de deur opengezet voor een normalisatie van prostitutie die tot allerlei problemen zal leiden. Wij willen de minister bij deze stand van zaken uitdrukkelijk de vraag voorleggen of het niet beter is dit wetsvoorstel alsnog terzijde te leggen en te werken aan een algemeen wet inzake seksbedrijven, waarin ook de mogelijkheid vervat is dat gemeenten deze bedrijven bij verordening geheel verbieden. De nu ingeslagen weg is naar ons oorddeel veel te onzeker, en leidt tot riskante nevengevolgen. Het wetsvoorstel dat nu voorligt, is in onze ogen geen wijze wetgeving.

Prof. Mr. E. Hirsch Ballin


Gerrit Braks voorzitter CDA-Eerste Kamerfractie

Den Haag, 8 juni 1999

De Eerste Kamerfractie van het CDA heeft Gerrit Braks tot haar voorzitter gekozen. Braks is lid van de Eerste Kamer sinds 1991; hij was eerder onder meer minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.

Het fractiebestuur bestaat verder uit:

Hannie van Leeuwen, vice voorzitter

Yvonne Timmerman-Buck, secretaris

Joeke Baarda, penningmeester

Jos Werner, lid

Voor meer informatie: Hannie van Leeuwen, telefoon 070 - 3129200 (knt) en 079 - 3211803 (pr)

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie