Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Verslag ECOFIN-Raad 31-01-2000

Datum nieuwsfeit: 31-01-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten

2241. Raad - ECOFIN

Press Release: Brussels (31-01-2000) - Press: 19 - Nr: 5565/00
_________________________________________________________________

5565/00 (Presse 19)

(OR. en)

PERSMEDEDELING

Onderwerp :

2241e zitting van de Raad


- ECOFIN -

Brussel, 31 januari 2000

Voorzitter :

de heer Joaquim PINA MOURA

Minister van Financiën en Economische Zaken van de Portugese Republiek

De ministers van de Euro-11 en de ECB delen het standpunt dat de eurozone momenteel gekenmerkt wordt door een zeer krachtige groei die in toenemende mate zijn oorsprong heeft in de binnenlandse vraag. Als gevolg daarvan zou een appreciatie van de euro op een solide basis van groei en interne prijsstabiliteit tot de mogelijkheden behoren. Een sterke economie gaat hand in hand met een sterke munt.

De fiscale consolidatie zal worden voortgezet. De ministers zijn een gemeenschappelijke verbintenis tot versterking van het proces van structurele hervorming aangegaan, teneinde een hoog niet-inflatoir groeipeil in de eurozone te bewerkstelligen.


* * *

WERKPROGRAMMA VAN HET VOORZITTERSCHAP EN DE COMMISSIE - OPEN DEBAT

De zitting van de Raad begon met het gebruikelijke open debat - via de TV doorgezonden aan de pers en het publiek - over het werkprogramma van het voorzitterschap in de sector economische en financiële vraagstukken tijdens de eerste helft van 2000.

De heer PINA MOURA, voorzitter, leidde het debat in met de verklaring dat de werkzaamheden van het Portugese voorzitterschap vooral betrekking zullen hebben op de volgende onderwerpen:


- de EMU, het economisch beleid en de werkgelegenheid


- financiële diensten


- het belastingbeleid


- financieel beheer: bescherming van de financiële belangen van de EU en fraudepreventie.

Hij verzocht zijn collega's om tijdens het debat meer bepaald aandacht te hebben voor de volgende punten:


- rol van ECOFIN bij de voorbereiding van de Top van Lissabon


- belastingpakket


- coördinatie van het economisch beleid.

Op zijn beurt wees Commissielid SOLBES op de noodzaak om vaart te zetten achter de structurele hervormingen teneinde de capaciteit van de EU voor groei en het scheppen van banen nieuw leven in te blazen; de inspanningen moeten geconcentreerd worden op een beperkt aantal essentiële hervormingen, zoals


- de noodzaak van meer geïntegreerde en efficiënte financiële markten


- de ontwikkeling van risicokapitaal, en


- de verbetering van de kwaliteit en de continuïteit van de overheidsfinanciën.

In hun betogen tijdens het debat steunden de ministers ten volle het ambitieuze werkprogramma van het voorzitterschap en betuigden zij hun volledige steun aan de uitvoering daarvan.

UITVOERING VAN HET STABILITEITS- EN GROEIPACT

Onder dit punt besprak de Raad de geactualiseerde stabiliteitsprogramma's van Finland, Nederland en Ierland, alsook de geactualiseerde convergentieprogramma's van Zweden en Griekenland. Voor elk programma hechtte de Raad zijn goedkeuring aan een advies dat hierna wordt weergegeven:


- Geactualiseerd stabiliteitsprogramma van Finland, 1999-2003

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad van 7 juli 1997 over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid ( 1), en met name op artikel 5, lid 3,

Gelet op de aanbeveling van de Commissie,

Na raadpleging van het Economisch en Financieel Comité,

BRENGT HET VOLGENDE ADVIES UIT:

Op 31 januari 2000 heeft de Raad het geactualiseerde stabiliteitsprogramma van Finland voor de periode 1999-2003 besproken. De Raad neemt er met voldoening nota van dat de begroting van de Finse overheid in 1998 een overschot is gaan vertonen, dat - na een vermoedelijke toename tot iets meer dan 3 procent van het BBP in 1999 - in de periode 2000-2003 naar verwachting verder zal oplopen tot ruim 4 procent van het BBP, terwijl de schuldquote van de totale overheid wellicht zal blijven dalen. De Raad is tevens van mening dat het programma strookt met de globale richtsnoeren voor het economisch beleid.

De Raad is ingenomen met de uitvoering van het programma van 1998 ( 2), omdat de prognoses voor de verbetering van het begrotingssaldo en de vermindering van de overheidsschuld werden overtroffen.

Het macro-economische scenario dat in het geactualiseerde stabiliteitsprogramma wordt uitgetekend lijkt realistisch voor 1999 en 2000, maar draagt het risico in zich dat de economie oververhit raakt en de prijsstabiliteit in het gedrang komt indien de loonmatiging niet wordt volgehouden. Het is bijgevolg van belang dat de loonmatiging wordt voortgezet.

De Raad is verheugd over de begrotingsstrategie van het geactualiseerde stabiliteitsprogramma, die voortbouwt op de strategie van het vorige programma en waarmee wordt beoogd begrotingsoverschotten van meer dan 4 procent van het BBP te bewerkstelligen door de overheidsuitgaven als percentage van het BBP te verminderen; tegelijkertijd zal de belastingdruk worden verlaagd.

De Raad neemt er met voldoening nota van dat de schuldvermindering de verwachtingen in het geactualiseerde programma zou kunnen overtreffen, doordat de privatiseringsmaatregelen - waarvan de opbrengsten worden gebruikt om de schuld terug te schroeven - verder gaan dan in het programma wordt aangenomen.

Finland voldeed al in 1999 aan de eisen van het stabiliteits- en groeipact. Dit zal ook in de door het geactualiseerde programma bestreken periode het geval zijn, aangezien het streefcijfer van een begrotingsoverschot van 4,7 procent van het BBP in 2003 duidelijk een voldoende veiligheidsmarge biedt om te voorkomen dat bij normale conjunctuurschommelingen de drempel van een tekort van 3 procent van het BBP wordt overschreden. De Raad is voorts van mening dat de voortgezette begrotingsconsolidatie waarin het geactualiseerde programma voorziet, gerechtvaardigd is gezien de toekomstige gevolgen van de vergrijzing van de bevolking.

De Raad is verheugd over het feit dat in het geactualiseerde programma het vraagstuk van de structurele hervormingen aan de orde komt. Een hervorming van het belastingstelsel en de arbeidsmarkt is dringend noodzakelijk ter verlichting van de zware druk die momenteel van het geheel van belastingen en sociale premies op de factor arbeid uitgaat. Wat de overheidsuitgaven betreft, is het aangewezen zowel de voorwaarden voor het genieten van uitkeringen als de structuur van het pensioenstelsel aan een nader onderzoek te onderwerpen. De in het programma aangekondigde vermindering van de overheidsuitgaven en
-ontvangsten in verhouding tot het BBP is op zich reeds bevorderlijk voor een verhoging van de werkgelegenheid, een streven dat de regering als haar voornaamste economische doelstelling aanmerkt. Verdere structurele hervormingen van de marktdiensten en de arbeidsmarkt zouden eveneens de schepping van werkgelegenheid in de hand werken. De Raad beveelt aan deze hervormingen energiek en consequent door te voeren.


- Geactualiseerd stabiliteitsprogramma van Nederland, 1999-2002

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad van 7 juli 1997 over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid ( 3), en met name op artikel 5, lid 3,

Gelet op de aanbeveling van de Commissie,

Na raadpleging van het Economisch en Financieel Comité,

BRENGT HET VOLGENDE ADVIES UIT:

Op 31 januari 2000 heeft de Raad het geactualiseerde stabiliteitsprogramma van 1999 van Nederland voor de periode 1999-2002 besproken. De Raad neemt er met voldoening nota van dat het tekort van de totale overheid voor 1998 en het geraamde tekort voor 1999 lager zijn dan in het oorspronkelijke stabiliteitsprogramma van 1998 was voorzien; voor 1999 wordt zelfs een klein overschot op de begroting verwacht in plaats van een tekort van 1,3% van het BBP. De schuldquote van de totale overheid was eveneens lager dan zowel in 1998 als in 1999 was voorzien. Ook de economische groei in 1999 overtrof de prognose van het oorspronkelijke programma. De Raad is van mening dat het geactualiseerde programma strookt met de globale richtsnoeren van het economisch beleid.

In de geactualiseerde versie van het programma van 1999 wordt de benadering van het oorspronkelijke stabiliteitsprogramma van 1998 gehandhaafd in die zin dat er drie macro-economische scenario's worden vastgesteld als basis voor de begrotingsvooruitzichten tot 2002; de geactualiseerde tekst is gebaseerd op de feitelijke verwachtingen voor 2000 en gebruikt het voorzichtige scenario als basisveronderstelling voor het begrotingsbeleid van 2001 en 2002. Volgens dit scenario zou de jaarlijkse groei in 2001-2002 2,0% bedragen en zou het tekort van de totale overheid in 2002 1,1% van het BBP belopen. Er wordt ook rekening gehouden met de belastinghervorming die in 2001 ten uitvoer zal worden gelegd en waarvan de kosten voor de begroting worden geraamd op circa 0,6% van het BBP.

Evenals in zijn advies inzake het oorspronkelijke programma ( 4) erkent de Raad dat om redenen van voorzichtigheid werd gekozen voor een behoedzaam macro-economisch scenario als basis voor het begrotingsbeleid van de regering. De Raad merkt echter op dat de gemiddelde BBP-groei waarop de begrotingsvooruitzichten van het voorzichtige scenario zijn gebaseerd, door de recente economische ontwikkelingen onwaarschijnlijk zijn geworden. Bovendien wijzen de recente economische vooruitzichten inzake de BBP-groei van Nederland, waaronder de vooruitzichten van de Commissie van najaar 1999, op een aanzienlijk krachtiger groei van het reële BBP in 2001 dan in het behoedzame scenario was aangenomen.

De Raad is van mening dat de Nederlandse methode van voorzichtige groeiverwachtingen, gekoppeld aan een gericht en gecontroleerd uitgavenbeleid, een belangrijke factor is geweest bij het bereiken van de tot dusver positieve resultaten. Door deze methode wordt het echter ook moeilijker te beoordelen of het middellangetermijnresultaat van het tekort verenigbaar is met de eisen van het stabiliteits- en groeipact. Op basis van de thans beschikbare informatie meent de Raad dat de macro-economische hypothesen van het gematigd optimistische en het optimistische scenario plausibeler zijn en derhalve een relevanter kader vormen voor de beoordeling van de in het geactualiseerde stabiliteitsprogramma vervatte projecties inzake de overheidsfinanciën dan het voorzichtige scenario. De onderliggende begrotingssituatie van de totale overheid levert in 2002 een ruimschoots toereikende veiligheidsmarge om te voorkomen dat het tekort onder normale omstandigheden boven de drempel van 3% van het BBP uitkomt, en aldus aan de vereisten van het stabiliteits- en groeipact te voldoen.

De Raad neemt er nota van dat belastingverlagingen in afgelopen jaren hebben bijgedragen tot loonmatiging en verbetering van de werkgelegenheid; in dit verband juicht de Raad de belastinghervorming toe die in 2001 zal worden toegepast en die bedoeld is om de belastingdruk op inkomen uit arbeid te verlichten. Gezien het reeds in 1999 bereikte overschot, de huidige krachtige economische groei en mogelijke inflatiedruk, beveelt de Raad de Nederlandse autoriteiten aan om de verwachte begrotingssituatie in 2000 en de daaropvolgende jaren te verbeteren, tenzij zich een aanzienlijke vertraging van de activiteit zou voordoen. Een dergelijke verbetering van de begrotingssituatie zou volledig stroken met de aanbevelingen van de globale richtsnoeren voor het economisch beleid. De Raad is ingenomen met het voornemen van de Nederlandse regering om in de toekomst spoedig na de presentatie van haar jaarbegroting actualiseringen van haar stabiliteitsprogramma in te dienen waarin de meest recente economische verwachtingen zijn opgenomen.


- Geactualiseerd stabiliteitsprogramma van Ierland, 2000-2002

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad van 7 juli 1997 ( 5) over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid, en met name op artikel 5, lid 3,

Gelet op de aanbeveling van de Commissie,

Na raadpleging van het Economisch en Financieel Comité,

BRENGT HET VOLGENDE ADVIES UIT:

Op 31 januari 2000 heeft de Raad het geactualiseerde stabiliteitsprogramma van Ierland voor de periode 2000-2002 besproken ( 6).

De Raad neemt met genoegen kennis van de resultaten van de uitvoering van het programma in 1999. De Ierse economie vertoont een snelle expansie: de reële groei van het BBP bedroeg 8,4% en de werkgelegenheid is toegenomen met ongeveer 4,75%. Dankzij deze zeer gunstige economische resultaten werden de prognoses inzake verbetering van de begrotingssituatie aanzienlijk overschreden. De Raad stelt met genoegen vast dat de algemene begroting in 1999 met een groot overschot sloot en dat de verhouding tussen de overheidsschuld en het BBP nog verder is afgenomen.

In 1999 voldeed Ierland reeds aan zijn verplichtingen in het kader van het stabiliteits- en groeipact. Dit zal ook het geval zijn in de periode 2000-2002. De Raad merkt op dat het geraamde algemene begrotingsoverschot, zelfs met inachtneming van de aanzienlijke voorfinanciering van de overheidspensioenen, in elk jaar voldoende groot is om een veiligheidsmarge te bieden tegen overschrijding van de referentiewaarde van 3% van het BBP van het Verdrag in geval van normale conjunctuurschommelingen. Ook stelt hij vast dat de verhouding tussen de overheidsschuld en het BBP in de programmaperiode steeds verder daalt.

De Raad acht het macro-economische scenario dat in het geactualiseerde stabiliteitsprogramma wordt voorgesteld, geloofwaardig. De economie bevindt zich thans echter in een gevorderd stadium van de cyclus, en de beschikbare binnenlandse beleidsinstrumenten moeten worden ingezet om de inflatiedruk te beperken. In dit verband herinnert de Raad aan de aanbevelingen uit de globale richtsnoeren voor het economisch beleid 1999 en dringt hij erop aan dat de begrotingspolitiek wordt gebruikt om de economische stabiliteit te verzekeren. Gelet op de mate van oververhitting van de economie acht de Raad dit aangewezen bij de uitvoering van de begroting voor 2000 en de planning daarna, maar hij accepteert ook de doelstellingen voor de aanbodzijde van de begrotingsstrategie op middellange termijn.

Het doet de Raad genoegen dat in het geactualiseerde programma wordt ingegaan op structurele hervormingen. Zo werd het nationale ontwikkelingsplan 2000-2006 gepubliceerd naar aanleiding van het verzoek van de Raad om een meer gedetailleerd programma dat gericht is op de behoeften aan materieel en menselijk kapitaal van de nog steeds snel groeiende economie, waarbij rekening is gehouden met een verwachte vermindering van de overdrachten uit de Structuurfondsen.


- Geactualiseerd Convergentieprogramma van Zweden, 1999-2002

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad van 7 juli 1997 over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid ( 7), en met name op artikel 9, lid 3,

Gelet op de aanbeveling van de Commissie,

Na raadpleging van het Economisch en Financieel Comité,

BRENGT HET VOLGENDE ADVIES UIT :

Op 31 januari 2000 heeft de Raad het geactualiseerde convergentieprogramma van Zweden voor de periode 1999-2002 besproken. De Raad neemt er met voldoening nota van dat het geactualiseerde programma begrotingsoverschotten voorziet voor de gehele programmaperiode tot 2002, zodat de overheid dichter bij haar middellangetermijndoelstelling van een begrotingsoverschot van 2% van het BBP zal komen. De Raad is ingenomen met deze doelstelling en de nadruk die in het programma wordt gelegd op macro-economische stabiliteit. Voorts stelt hij met tevredenheid vast dat verwacht wordt dat de schuldquote in de programmaperiode zal worden teruggedrongen tot 52% van het BBP in 2002.

De verbetering van de overheidsfinanciën in Zweden is indrukwekkend: van een tekort van ongeveer 12% van het BBP in 1993 naar een overschot van ruim 2% van het BBP in 1998. Dit budgettair consolidatieproces heeft, samen met de omslag van een hoog naar een laag inflatiepercentage, de basis gelegd voor een solide economische groei, waarvan de vruchten zullen worden geplukt in de periode van het programma. De voorzichtige veronderstellingen over de economische groei, vooral aan het einde van de periode, vergroten de kans dat de streefcijfers voor de openbare financiën zullen worden gehaald. De in het geactualiseerde programma begrote overschotten bieden een veiligheidsmarge die groot genoeg is om te voorkomen dat in normale omstandigheden de referentiewaarde van 3% van het BBP wordt overschreden. Derhalve is de Raad van oordeel dat Zweden nog steeds voldoet aan de eisen van het stabiliteits- en groeipact.

De inflatie is laag sedert 1996 en Zweden voldoet nog steeds ruimschoots aan het convergentiecriterium. De productie resultaat ligt volgens velen al jaren onder of dicht bij het potentiële cijfer, maar hierin zal verandering komen en dus zijn volgehouden inspanningen nodig om de inflatie onder controle te houden. Voortzetting van de loonmatiging is van het grootste belang, wellicht vooral voor Zweden, en de loononderhandelingen voor 2001 zullen wellicht niet gemakkelijk verlopen tegen de achtergrond van de recente hoge economische groei. In dit verband merkt de Raad op dat het expansieve begrotingsbeleid voor 1999 en 2000 niet gepast schijnt te zijn in de huidige groeiomstandigheden.

Het verloop van de lange rentevoeten in de laatste jaren is duidelijk het resultaat van de gunstige ontwikkeling van de economische basisvoorwaarden, welke naar verwachting zal aanhouden. De spread van de Zweedse lange rentevoeten ten opzichte van de eurotarieven is in 1999 vrij stabiel gebleven, en Zweden voldoet dus aan het rentecriterium. Wat de wisselkoers betreft is de kroon in de laatste jaren minder aan fluctuaties onderhevig geweest, maar de Raad herhaalt dat Zweden moet aantonen dat het lang genoeg een passende pariteit tussen de kroon en de euro kan aanhouden zonder ernstige spanningen. Daarom verwacht hij, zoals reeds werd opgemerkt in zijn advies over het convergentieprogramma van 1998 ( 8), dat Zweden te zijner tijd zal besluiten tot het WKM2 toe te treden.

Om een houdbare economische groei te bereiken, worden structurele maatregelen uitgevoerd ter versterking van de aanbodzijde van de economie. De Raad stelt met voldoening vast dat de strategie van het geactualiseerde programma in dit opzicht in overeenstemming is met de globale richtsnoeren voor het economisch beleid, voornamelijk wat betreft de inspanningen om de zeer hoge belastingdruk te verlichten. Daartoe zijn de sociale zekerheid en de belastingen kritisch onderzocht en zijn maatregelen genomen om de welvaartsstaat te hervormen. De Raad neemt met genoegen kennis van deze inspanningen en moedigt Zweden aan deze initiatieven vastbesloten voort te zetten.


- Geactualiseerd convergentieprogramma van Griekenland, 1999-2002

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad van 7 juli 1997 over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid ( 9), en met name op artikel 9, lid 3,

Gelet op de aanbeveling van de Commissie,

Na raadpleging van het Economisch en Financieel Comité,

BRENGT HET VOLGENDE ADVIES UIT :

Op 31 januari 2000 heeft de Raad het geactualiseerde convergentieprogramma 1999 van Griekenland voor de periode 1999-2002 besproken. De Raad merkt op dat ook dit programma als hoofddoel heeft te voldoen aan de convergentiecriteria om Griekenland in staat te stellen vanaf januari 2001 aan de Monetaire Unie deel te nemen. Het budgettaire en het structurele beleid die in dit programma zijn beschreven, zijn in overeenstemming met de globale richtsnoeren voor het economisch beleid 1999.

De Raad stelt met voldoening vast dat er de afgelopen jaren een aanmerkelijke verbetering op het gebied van overheidsfinanciën heeft plaatsgevonden. De ontwikkelingen in het laatste jaar wijzen erop dat het begrotingsstreefcijfer van het convergentieprogramma 1998 is gehaald: het algemene begrotingstekort wordt geraamd op 1,5 % van het BBP eind 1999, hetgeen 0,6 % van het BBP minder is dan de raming in het programma 1998, en de schuldquote werd met 1,2 procentpunt verlaagd tot 104,2 % van het BBP.

Het geactualiseerde programma is gebaseerd op macro-economische prognoses die wijzen op een krachtige, door de investeringen geleide groei en prijsstabiliteit op middellange termijn. De bijwerking 1999, die uitgaat van de tot dusver verwezenlijkte begrotingsconsolidatie en goede groeivooruitzichten, voorspelt dat het begrotingssaldo in 2002 zal omslaan in een overschot van 0,2 % van het BBP. De schuldquote zal naar verwachting dalen tot 98 % van het BBP in 2002. De Raad is van oordeel dat de achterliggende begrotingssituatie van de totale overheid in de loop van het programma een voldoende grote veiligheidsmarge biedt om overschrijding van de drempel van 3 % van het BBP in normale omstandigheden te voorkomen. In dit opzicht voldoet het geactualiseerde convergentieprogramma aan de eisen van het stabiliteits- en groeipact.

In het laatste jaar zijn belangrijke vorderingen gemaakt op het gebied van de inflatie: het nationale indexcijfer van de consumptieprijzen lag in 1998 slechts iets hoger dan de prognose van het programma 1998, en voor 1999 wordt geen afwijking van de geraamde gemiddelde stijging van 2,5 % verwacht. Het desinflatieproces wordt momenteel echter afgeremd door de stijging van de aardolieprijzen.

De Raad is van oordeel dat binnen het hoge groeikader van het convergentieprogramma bijzondere inspanningen door Griekenland moeten worden geleverd om de desinflatie een blijvend karakter te geven; dit is vooral nodig in verband met de convergentie van de monetaire voorwaarden in Griekenland met die in de eurozone en de mogelijke implicaties van een dergelijke ontwikkeling voor de vraag en de prijzen. In dit verband doet het de Raad genoegen dat de drachme op 17 januari 2000 werd gerevalueerd, hetgeen bevorderlijk zal zijn voor het desinflatieproces in Griekenland. De Raad dringt er bij de Griekse regering op aan een krachtigere anti-inflatoire koers te volgen met gebruikmaking van alle beschikbare instrumenten, waaronder de begrotingspolitiek en het inkomensbeleid. De loonakkoorden in 2000 zowel in de openbare als in de particuliere sector, en de medewerking van alle sociale partners zijn essentieel voor een lage inflatie. Wat de begrotingspolitiek betreft beschouwt de Raad de streefcijfers in het programma als een minimum, en de Griekse overheid wordt verzocht alles in het werk te stellen om nog betere resultaten te behalen. Bovendien is de Raad van oordeel dat de Griekse overheid bereid moet zijn om een restrictievere begrotingspolitiek te voeren vanaf 2001 als de inflatoire druk mocht toenemen.

De Raad erkent dat de jongste jaren aanzienlijke vorderingen zijn gemaakt bij de structurele hervormingen, met name wat betreft de werking van de openbare sector. Hij dringt er bij de Griekse overheid op aan op deze weg voort te gaan en daartoe het tempo van de hervormingen op te voeren, teneinde de concurrentievoorwaarden en de werking van de arbeids-, goederen- en kapitaalmarkt te verbeteren. Dergelijke hervormingen zijn nodig om de productiemogelijkheden van de economie te stimuleren en de inflatoire druk te verminderen.

GROEP OP HOOG NIVEAU BELASTINGBELEID - CONCLUSIES VAN DE RAAD

Ingevolge de conclusies van de Europese Raad van 10/11 december 1999 heeft de Raad besloten een groep op hoog niveau inzake belastingen op te richten om de opdracht van de Europese Raad te vervullen (punten 34-38 van de conclusies). De groep moet in februari 2000 voor de eerste maal bijeenkomen.

Het politieke belang dat aan de groep wordt toegekend, moet blijken uit het feit dat elke lidstaat en de Commissie een vertegenwoordiger op hoog niveau aanwijzen. De Raad neemt er nota van dat de groep voorgezeten zal worden door de heer Manuel BAGANHA, staatssecretaris van financiën van Portugal.

UITGIFTE VAN EUROMUNTEN - CONCLUSIES VAN DE RAAD

Uitgifte van euromunten voor verzamelaars

Om ervoor te zorgen dat euromunten voor verzamelaars snel kunnen worden onderscheiden van voor circulatie bestemde euromunten:


·
moet de nominale waarde van munten voor verzamelaars verschillen van die van de voor circulatie bestemde munten (d.w.z. euromunten voor verzamelaars mogen niet dezelfde nominale waarde hebben als de acht denominaties: 1, 2, 5, 10, 20, 50 eurocent en 1 en 2 euro);

·
mogen op munten voor verzamelaars geen afbeeldingen voorkomen die lijken op de gemeenschappelijke zijden van de voor circulatie bestemde euromunten. Bovendien moeten de ontwerpen, voor zover mogelijk, tenminste enigszins afwijken van die van de nationale zijden van de voor circulatie bestemde munten;
·
moeten euromunten voor verzamelaars qua kleur, diameter en dikte in twee opzichten significant verschillen van de voor circulatie bestemde munten;

·
mogen munten voor verzamelaars niet getand zijn of de "Spanish flower"-vorm hebben;

·
moet de identiteit van de lidstaat van uitgifte duidelijk en gemakkelijk herkenbaar zijn.

Voorts:


·
mogen euromunten voor verzamelaars tegen of boven de nominale waarde worden verkocht;

·
moet voor de omvang van de uitgifte van verzamelaarsmunten voor meerdere uitgiftes tegelijk om goedkeuring worden verzocht, in plaats van voor elke uitgifte apart;

·
lijkt er, wat betreft de denominaties van de verzamelaarsmunten die met de lage denominaties van de eurobiljetten kunnen samenvallen, geen reëel gevaar van verwisseling te bestaan. De lidstaten moeten echter bereid zijn eventuele verzoeken van de ECB in dezen in overweging te nemen;

·
moeten, terwijl euromunten voor verzamelaars in de lidstaat van uitgifte de status van wettig betaalmiddel zullen hebben, de bevoegde autoriteiten (de NCB's, de Munten of andere instellingen) tijdelijke regelingen instellen op grond waarvan eigenaars van voor verzamelaars bestemde euromunten die in andere aan de eurozone deelnemende lidstaten zijn uitgegeven, tegen betaling van de transactiekosten de nominale waarde van die munten kunnen ontvangen.

De gedetailleerde technische specificaties van euromunten

In overeenstemming met en in aansluiting op de technische specificaties die zijn vastgelegd in Verordening (EG) nr. 975/98 van de Raad van 3 mei 1998 hebben de directeuren van de Munten van de lidstaten overeenstemming bereikt over gedetailleerde specificaties inzake de technische metingen en toleranties die als grondslag voor de huidige productie van muntstukken in acht moeten worden genomen.

De Raad is verheugd over dit akkoord. In samenspraak met de desbetreffende bedrijfstak moet men ernaar blijven streven om de specificaties gaandeweg aan te scherpen door voort te bouwen op de bij de productie opgedane ervaringen.

Ook de organisatie van testcentra voor euromunten waar fabrikanten van apparatuur voor de validatie van muntstukken testen kunnen uitvoeren aan de hand van geslagen euromunten, werd met instemming begroet.

Voorts is er nota genomen van het verzoek van de verkoopautomatenindustrie om de mogelijkheid te krijgen om haar apparatuur met geslagen euromunten in haar eigen gebouwen uit te testen, en is de directeuren van de Munten verzocht zich daarop te beraden.

ZONDER DEBAT GOEDGEKEURDE PUNTEN

(Besluiten ten aanzien waarvan verklaringen voor de Raadsnotulen beschikbaar zijn voor het publiek, zijn aangegeven met een asterisk; de tekst van de verklaringen is verkrijgbaar bij de Persdienst.)

JUSTITIE EN BINNENLANDSE ZAKEN

Vervaardiging van en handel in vuurwapens

De Raad nam een besluit aan waarbij de Commissie wordt gemachtigd om namens de Europese Unie deel te nemen aan de onderhandelingen over het ontwerp-protocol tot bestrijding van de illegale vervaardiging en handel in vuurwapens, met inbegrip van delen en onderdelen, en munitie, houdende aanvulling van het ontwerp-verdrag van de Verenigde Naties ter bestrijding van transnationale georganiseerde criminaliteit.

De Raad stelde ook een gemeenschappelijk standpunt vast over dit ontwerp-protocol, waarvan de tekst in de bijlage staat.

BUITENLANDSE HANDEL

Internationale Juteraad

De Raad bereikte overeenstemming over het standpunt dat de Gemeenschap moet innemen op de volgende vergaderingen van de voorbereidende commissie (IJC) op 6-9 februari 2000 te Dhaka, Bangladesh, met dien verstande dat de Gemeenschap voorstander is van voortzetting van de internationale samenwerking in de sector jute na het verstrijken van de huidige overeenkomst op 10 april 2000.

MILIEU

Bewaking van de CO2-uitstoot door personenauto's - Bijeenroeping van het Bemiddelingscomité

Aangezien de Raad niet akkoord ging met alle door het Europees Parlement aangenomen amendementen op het gemeenschappelijk standpunt inzake het voorstel voor een beschikking tot instelling van een systeem ter bewaking van de gemiddelde specifieke uitstoot van CO2 door nieuwe personenauto's, wordt het Bemiddelingscomité bijeengeroepen overeenkomstig de bepalingen van de medebeslissingsprocedure van het Verdrag (artikel 251).

Verordening betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen - Bijeenroeping van het Bemiddelingscomité

De Raad kon niet alle door het Europees Parlement aangenomen amendementen op het gemeenschappelijk standpunt goedkeuren en besloot derhalve het Bemiddelingscomité bijeen te roepen, overeenkomstig de bepalingen van de medebeslissingsprocedure van het Verdrag (artikel 251).

ARBEID EN SOCIALE ZAKEN

Organisatie van de arbeidstijd - Bijeenroeping van het Bemiddelingscomité

De Raad kon niet akkoord gaan met alle door het Europees Parlement aangenomen amendementen op het gemeenschappelijk standpunt inzake het voorstel voor een richtlijn betreffende de organisatie van de arbeidstijd om de van Richtlijn 93/104/EG uitgesloten sectoren en activiteiten te bestrijken. Het Bemiddelingscomité wordt derhalve bijeengeroepen, overeenkomstig de bepalingen van de medebeslissingsprocedure van het Verdrag (artikel 251).

INTERNE MARKT

Technische harmonisatie van de voertuigen, onderdelen van voertuigen en uitrustingsstukken - "Parallelle overeenkomst" *

De Raad nam het besluit aan betreffende de sluiting, door de Gemeenschap, van de overeenkomst betreffende de vaststelling van mondiale technische reglementen voor wielvoertuigen, uitrustingsstukken en onderdelen die kunnen worden aangebracht en/of gebruikt op wielvoertuigen.

De overeenkomst - waarover is onderhandeld in het kader van de economische commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN-ECE) - staat algemeen bekend als de "parallelle overeenkomst", aangezien deze overeenkomst tegelijk zal worden toegepast met een (ondertussen herziene) VN-ECE-overeenkomst van 1958, die reeds voorziet in internationale technische harmonisatie van wielvoertuigen. Het voornaamste doel van de "parallelle overeenkomst" is om sommige landen zoals de Verenigde Staten, die geen partij zijn bij de eerdere overeenkomst, maar die belangrijke afzetmarkten en/of producenten van voertuigen zijn, te laten deelnemen aan de internationale harmonsatie-inspanningen op dit gebied.

Met de nieuwe overeenkomst wordt beoogd een wereldomvattend proces in te stellen, waarbij de overeenkomstsluitende partijen uit alle delen van de wereld gezamenlijk mondiale technische reglementen kunnen ontwikkelen met betrekking tot de veiligheid, milieubescherming, energie-efficientie en diefstalbeveiliging van wielvoertuigen, uitrustingsstukken en onderdelen die kunnen worden aangebracht en/of gebruikt op wielvoertuigen. Dankzij de harmonisatie van bestaande, en de opstelling van nieuwe technische voorschriften zouden de technische belemmeringen voor de internationale handel ook aanzienlijk afnemen.

Tarief- en statistieknomenclatuur *

De Raad nam met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, waarbij de Italiaanse delegatie zich onthield, een wijziging aan in Verordening nr. 2658/87 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het Gemeenschappelijk douanetarief; deze wijziging heeft tot doel de gecombineerde nomenclatuur te vereenvoudigen en de eigen behoeften van de Gemeenschap in deze sector in aanmerking te nemen.

LANDBOUW

De Raad nam een wijziging aan in Beschikking 95/514/EG betreffende de gelijkstelling van in derde landen verrichte veldkeuringen van gewassen voor de teelt van zaaizaad en de gelijkstelling van in derde landen voortgebracht zaaizaad.

De wijziging strekt ertoe de gelijkstelling van in derde landen voortgebracht bietenzaad, zaaizaad van groenvoedergewassen, zaaigranen, zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen aan de in de Gemeenschap geproduceerde zaden tot 31 januari 2000 te verlengen.

BENOEMINGEN

Comité van de Regio's

De Raad nam de besluiten aan tot aanstelling van


- de heer Stanislaw TILLICH, ter vervanging van de heer Günter Meyer, mevrouw Muriel Mary BARKER, ter vervanging van mevrouw Pam Warhurst en mevrouw Simone BEISSEL, ter vervanging van mevrouw Anne Brasseur, als leden van het Comité van de Regio's voor de verdere duur van hun ambtstermijn, d.w.z. tot en met 25 januari 2002;

- de heer Ronald-Mike NEUMEYER, ter vervanging van de heer Klaus Wedemeier, en de heer Jésus GAMALLO ALLER, ter vervanging van de heer Juan Rodriguez Yuste, als plaatsvervangende leden van het Comité van de Regio's voor de verdere duur van hun ambtstermijn, d.w.z. tot 25 januari 2002.

* * *

OP 1 FEBRUARI 2000 VIA DE SCHRIFTELIJKE PROCEDURE AANGENOMEN BESLUIT

Federale Republiek Joegoslavië - steun aan de democratische krachten

De Raad nam op 1 februari 2000 via de schriftelijke procedure een besluit aan houdende uitvoering van Gemeenschappelijk Standpunt 1999/691/GBVB van de Raad inzake steun aan de democratische krachten in de Federale Republiek Joegoslavië (FRJ).

In zijn conclusies van 24 januari 2000 riep de Raad in het kader van zijn steun aan de democratische krachten in de FRJ, op tot uitbreiding van het initiatief "energie voor democratie". Overeenkomstig deze conclusies mogen krachtens dit besluit aardolie en aardolieproducten worden geleverd, verkocht en uitgevoerd ten behoeve van de Servische gemeenten Sombor, Subotica, Kragujevac, Kraljevo en Novi Sad.

BIJLAGE

GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT 2000/.../JBZ

van

inzake het voorgestelde protocol tot bestrijding van de illegale vervaardiging van

en handel in vuurwapens, met inbegrip van delen en onderdelen, en munitie,

houdende aanvulling van het ontwerp-verdrag van de Verenigde Naties

ter bestrijding van transnationale georganiseerde criminaliteit

"DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, inzonderheid op artikel 34, lid 2, onder a),

Gezien het initiatief van de Portugese Republiek,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Internationale samenwerking in strafzaken met het oog op de preventie en bestrijding van alle ernstige vormen van criminaliteit, met inbegrip van de illegale wapenhandel, als bepaald in artikel 29 van het Verdrag, is van het allerhoogste belang.
(2) Er zijn regelingen getroffen voor de opstelling van en de onderhandelingen over een protocol tot bestrijding van de illegale vervaardiging van en handel in vuurwapens, met inbegrip van delen en onderdelen, en munitie, houdende aanvulling van het ontwerp-verdrag van de Verenigde Naties ter bestrijding van transnationale georganiseerde criminaliteit. (3) De Algemene Vergadering van de Verenigde Naties heeft besloten dat de definitieve tekst van het ontwerp-verdrag en de bijbehorende protocollen haar met het oog op een spoedige aanneming voorgelegd dient te worden voordat er in Palermo een conferentie ter ondertekening op hoog niveau plaatsvindt. (4) Een aantal in de Unie en in andere fora aangenomen internationale instrumenten voorziet reeds in de aanneming van maatregelen ter bestrijding van de illegale vervaardiging van en handel in vernietigingsmiddelen.
(5) Op 17 december 1998 is een gemeenschappelijk optreden inzake de bijdrage van de Europese Unie aan de bestrijding van de destabiliserende accumulatie en verspreiding van handvuurwapens en lichte wapens ( 10) aangenomen.
(6) Het is wenselijk zo volledig mogelijk mee te werken aan de onderhandelingen over het voorgestelde protocol en onverenigbaarheid tussen het voorgestelde protocol en in de Unie vastgestelde instrumenten te voorkomen.
(7) De Raad heeft in zijn conclusies van 5 oktober 1998 het voorzitterschap verzocht om, op grond van het Verdrag betreffende de Europese Unie, een of meer gemeenschappelijke standpunten voor te stellen in verband met het ontwerp-verdrag van de Verenigde Naties en de bijbehorende protocollen.
(8) Er is rekening gehouden met het gemeenschappelijk standpunt dat de Raad op 29 maart 1999 heeft vastgesteld inzake het voorgestelde verdrag van de Verenigde Naties ter bestrijding van de georganiseerde criminaliteit ( 11),

HEEFT HET VOLGENDE GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT AANGENOMEN:

Artikel 1

Tijdens de onderhandelingen over het ontwerp-protocol van de Verenigde Naties tot bestrijding van de illegale vervaardiging van en handel in vuurwapens, met inbegrip van delen en onderdelen, en munitie, steunen de lidstaten van de Europese Unie de definitie van vuurwapen die gebaseerd is op het concept van een dodelijk wapen met loop waarmee door explosieve voortstuwing een kogel, een patroon of een projectiel wordt uitgestoten, dat daartoe ontworpen is dan wel gemakkelijk tot zo'n wapen kan worden omgebouwd, met uitzondering van antieke vuurwapens en replica's daarvan. De definitie van antieke vuurwapens wordt in dit verband door het nationale recht geregeld, maar sluit na 1870 vervaardigde vuurwapens uit.

Artikel 2

Met het oog op de toepassing van het ontwerp-protocol worden explosieve wapens zoals bommen, granaten, raketten of projectielen niet als vuurwapens beschouwd. In de tekst dient evenwel te worden voorzien in de strafbaarstelling van de illegale vervaardiging van en handel in dergelijke wapens.

Artikel 3


1. De lidstaten zijn het erover eens dat met de verdere behandeling van kwesties die verband houden met de illegale vervaardiging van en handel in explosieven door criminelen en het gebruik daarvan voor criminele doeleinden, moet worden gewacht op het resultaat van de studie van de ad hoc deskundigengroep die is genoemd in Resolutie E/1999/30 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, alsmede op een mogelijk internationaal instrument inzake de illegale vervaardiging van en handel in explosieven van het ad hoc-Comité van de Verenigde Naties dat is belast met de opstelling van een verdrag ter bestrijding van de transnationale georganiseerde criminaliteit.


2. De lidstaten steunen het werk van het ad hoc-Comité van de Verenigde Naties en trachten ervoor te zorgen dat de werkzaamheden van het Comité zo spoedig mogelijk worden afgerond.

Artikel 4

Indien noodzakelijk beijvert de Raad zich om met betrekking tot het voorgestelde protocol nog andere gemeenschappelijke standpunten vast te stellen."


________________________

Footnotes:

( 1)
PB L 209 van 2.8.1997.

( 2)
Het eerste stabiliteitsprogramma van Finland (1998-2002) was voorwerp van een advies van de Raad van 12 oktober 1998 (PB C 372 van
2.12.1998).

( 3)
PB L 209 van 2.8.1997.

( 4)
PB C 3 van 6.1.1999.

( 5)
PB L 209 van 2.8.1997.

( 6)
Het stabiliteitsprogramma van Ierland 1999-2001 was voorwerp van een advies van de Raad van 18 januari 1999 (PB C 42 van 17.2.1999).

( 7)
PB L 209 van 2.8.1997.

( 8)
Advies van de Raad van 8 februari 1999 over het convergentieprogramma van Zweden voor 1998-2001 (PB C 68 van 11.3.1999).

( 9)
PB L 209 van 2.8.1997.

( 10)
PB L 9 van 15.1.1999, blz. 1.

( 11)
PB L 87 van 31.3.1999, blz. 1.

_________________________________________________________________

nl/ecofin/05565.NL0.html Top of page

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie