Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Tweede Kamer: vragen en antwoorden defensienota 2000

Datum nieuwsfeit: 31-01-2000
Vindplaats van dit bericht
Vindplaats 2
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal


26900000.005 lijst vr.+antw. defensienota 2000
Gemaakt: 1-2-2000 tijd: 14:13


- 336 -


26 900 Defensienota 2000

nr. 5 Lijst van vragen en antwoorden

Vastgesteld 31 januari 2000

De vaste Commissie voor Defensie*) heeft de navolgende vragen over de Defensienota 2000 (26 900, nr. 2).

De regering heeft deze vragen beantwoord bij brief van 28 januari
2000.

De vragen en antwoorden zijn hieronder afgedrukt.

De voorzitter van de commissie,

Valk

De griffier voor dit verslag

Jonker


1.

Waaruit is gebleken dat het gezamenlijk optreden van de krijgsmachtdelen aan belang wint? Kan één vredesoperatie worden genoemd waar sprake is geweest van `joint optreden' van de Nederlandse marine met land_ en luchtmacht op operationeel niveau? (blz. 6)


87.

Is het niet buiten de werkelijkheid om het joint_optreden van de VS en het VK als voorbeeld te nemen voor Nederland? Het is toch onwaarschijnlijk, zo niet ondenkbaar dat Nederland in geografische zin (verantwoor-delijkheid voor gebied) en bevelstechnisch een zodanige rol vervult dat er sprake is van een Nederland joint optreden? (blz.
51)


88.

Beseft de regering dat als over `joint optreden' gesproken wordt dat Nederland slechts toeleverancier is van modules en bij vredesoperaties niet de operationele leiding heeft, maar deze overdraagt aan de betreffende organisatie (Navo, VN enz)? (blz. 51)

Het «joint» optreden betreft het gezamenlijk en interoperabel optreden door de verschillende krijgsmachtdelen. Daarbij moet inderdaad niet in de eerste plaats worden gedacht aan nationaal expeditionair optreden van de gezamenlijke Nederlandse krijgs-machtdelen. Ons land draagt modules bij aan internationale operaties die doorgaans een «joint» karakter hebben. Alle krijgsmachtdelen hebben bijvoorbeeld deelgenomen aan de operaties «Allied Harbour» en «Allied Force» op de Balkan. De door de Navo of de Weu/EU geleide operaties gebruiken het concept van de «Combined Joint Task Forces».

Het gezamenlijk deelnemen aan dezelfde, internationaal geleide operatie dwingt - ook al uit doelmatigheidsoverwegingen - tot een gezamenlijke logistieke inspanning en centrale coördinatie. «Joint» optreden moet aan technische voorwaarden voldoen (bijvoorbeeld een goede communicatie tussen verschillende radio's) en aan tactisch-operationele vereisten (het hanteren van gelijke procedures voor besluitvorming en commandovoering). De voorbereidingen van de krijgsmacht op «jointness» brengt daarom niet alleen de aanschaf van gestandaardiseerd of interoperabel materieel met zich mee, maar ook het beoefenen door de staven in individuele militairen van «interservice»-procedures op tactisch en operationeel niveau. Het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten zijn zeer ver gevorderd met de ontwikkeling van «joint» optreden. Het is daarom van groot belang gebruik te maken van de door deze landen opgedane ervaringen.


2.

Op wat voor wijze is het reservepersoneel ingelicht over c.q. betrokken geweest bij de presentatie van de nieuwe defensienota? (blz.
16)

De Koninklijke landmacht heeft een brochure over de Defensienota aan al het Natres-personeel en alle actieve en afroep-reservisten gezonden. Voorts heeft het reservepersoneel kennis kunnen nemen van de Defensienota door middel van de vernieuwde internet_website van het ministerie van Defensie (www.mindef.nl).


3.

De dreiging van een massale aanval op de Noord_Duitse laagvlakte is verdwenen. Wat is dan nog een dwingende reden om Nederlandse troepen in Seedorf gelegerd te houden. Andere troepen die onderdeel uitmaken van het Duits Nederlandse legercorps zijn ook gewoon in Nederland gelegerd. Zijn er mogelijk praktische, personele en financiële voordelen te voorzien die een heroverweging van de legering in Seedorf wenselijk maken? (blz. 22)


325.

Bestaat gezien de veranderde internationale situatie nog de noodzaak om permanent landmachteenheden in Duitsland te legeren? Welke financiële voor_ en nadelen zouden gemoeid zijn met een eventuele verplaatsing van deze eenheden naar Nederland? (blz. 184)

De stationering van Nederlandse troepen in Duitsland stoelt niet langer primair op een dreigingsscenario, maar is veeleer de uitdrukking van de bondgenootschappelijke verbondenheid van twee buurlanden die ook op politiek en economisch terrein zeer nauwe betrekkingen onderhouden. Het bilaterale verdrag over de Budel-Seedorf-overeenkomst, dat de juridische basis vormt voor de nauwe wederzijdse militaire betrekkingen, is nog onlangs herzien en door Duitsland al geratificeerd. Het terugtrekken van de Nederlandse eenheden zou strijdig zijn met de bedoeling van dit verdrag.

Op termijn zou het terugtrekken van eenheden uit Duitsland een financiële besparing kunnen opleveren door het wegvallen van de buitenlandtoelagen en van het onderhoud van de faciliteiten voor Nederlands personeel in Seedorf. Op korte termijn echter zouden grote investeringen nodig zijn om de eenheden in Nederland onder te brengen. Daarvoor zou een locatie voor een nieuwe legerplaats moeten worden gevonden met de omvang van de legerplaats Oirschot; deze zou moeten beschikken over voldoende oefenmogelijkheden in de directe omgeving van de kazernes. Dat roept gezien de ermee gemoeide kosten en de ruimtelijke gevolgen ervan grote bezwaren op.

De regering is van mening dat, gelet op de internationaal-politieke consequenties en de genoemde knelpunten, terugtrekking van de Nederlandse eenheden uit Duitsland niet wenselijk is.


4.

Wordt de luchtverdediging afgestemd op de gewijzigde nucleaire dreigingen? Zo ja, op welke wijze? (blz. 23)

De luchtverdediging is afgestemd op de dreiging van aanvallen door de lucht op de eigen en bondgenootschappelijke eenheden. Tijdens de Koude Oorlog moest rekening worden gehouden met grootscheepse aanvallen op eenheden en vitale objecten op het Navo-grondgebied. In de huidige veiligheidssituatie wordt vooral rekening gehouden met aanvallen op in het kader van crisisbeheersingsoperaties uitgezonden eenheden. Tevens leveren de grondgebonden luchtverdedigingssystemen een bijdrage aan de «Navo Extended Integrated Air Defence System» (EIADS) tegen kruisvluchtwapens en ballistische raketten. Vanzelfsprekend wordt de luchtverdediging afgestemd op de veranderingen in de internationale veiligheidssituatie. In dat verband is in het bijzonder de voortgaande verspreiding van nucleaire, biologische en chemische wapens en hun overbrengingsmiddelen van belang. Om die reden is besloten het Patriot-luchtverdedigingssysteem te moderniseren en te voorzien van Patriot Advanced Capability-3 (Pac-3) raketten en de technische haalbaarheid van een TMD-capaciteit aan boord van LCF-fregatten te onderzoeken.


5.

Welke landen zouden bezig zijn met de aanmaak van chemisch en biologische wapens? (blz. 23)

Het gaat om landen zoals Irak, Iran, Libië, Noord_Korea en Syrie. De aanmaak van chemische en biologische wapens, waarvan in de Defensienota wordt gesproken, behelst het ontwikkelen van processen voor de productie van dergelijke strijdmiddelen, het opzetten van een aangepaste productie_infrastructuur, het aanleggen van een voorraad grondstoffen (voorlopers), of het aanhouden van munitie die geschikt is om met strijdmiddelen te vullen. Het gaat hierbij zowel om landen die het CW en/of het BW_verdrag hebben ondertekend als om landen die dat nog niet hebben gedaan.


6.

Bestaan concrete aanwijzingen dat terroristische groeperingen die actief zijn in Europa de beschikking hebben over chemische en biologische wapens? (blz. 23)

Daarvoor bestaan geen concrete aanwijzingen.


7.

Wat is de actuele stand van zaken in de verhouding tussen de Navo en Rusland? Dit in het licht van de oorlog in Tsjetsjenië en de verkiezing van de Doema. Is er sprake van een terugval naar de tijd van de Koude Oorlog wat betreft houding en retoriek ten opzichte van de Navo? Is er aan alle kanten nog voldoende bereidheid om vorm en inhoud te geven aan het partnerschap dat tot ruim een jaar geleden de overhand had? (blz. 24)

De verhouding tussen Rusland en de Navo kent nog steeds een zekere spanning als gevolg van de Russische kritiek op het Navo-optreden tegen het voormalige Joegoslavië. Rusland blijft deelnemen aan overleg in het kader van de bestaande structuren (Permanente Gemeenschappelijke Raad, PGR, en de Euro_Atlantische Partnerschapsraad). In de PGR is op Russische aandrang het overleg op dit moment tot Kosovo beperkt. Bovendien werken de Navo en Rusland militair-operationeel samen in de Balkan. Rusland levert belangrijke contingenten voor de door de Navo geleide vredesoperaties in zowel Bosnië als Kosovo.

In het communiqué van de ministeriële vergadering van de Navo op 15 december 1999 wordt opgemerkt, dat het bondgenootschap groot belang blijft hechten aan overleg en praktische samenwerking met Rusland, op basis van het raamwerk van de Stichtingsakte. Het communiqué stelde ook vast dat de praktische samenwerking tussen de Navo en de Russische troepen in Sfor en Kfor goed verloopt. Tegelijkertijd wordt evenwel onderstreept dat de verdere ontwikkeling van de samenwerking afhangt van het respect van Rusland voor internationale normen en verplichtingen.

Ook de Navo geeft zich derhalve rekenschap van de spanning tussen het strategische belang van de samenwerking met Rusland en de kritiek op het Russische militaire optreden in Tsjetsjenië. In die kritiek heeft de Navo zich bewust zekere beperkingen opgelegd, om geen voedsel te geven aan de in Rusland populaire opvatting dat het bondgenootschap erop uit zou zijn de Russische invloed zoveel mogelijk aan te tasten. Anderzijds geldt ook voor de Navo, als organisatie van landen die ernstige kritiek hebben op het Russische optreden in Tsjetsjenië, dat er geen sprake kan zijn van «business as usual».

Het gaat evenwel te ver om te spreken van een terugval naar de tijd van de Koude Oorlog. Ook aan Russische kant wordt, alle retoriek ten spijt, belang gehecht aan de relaties met de Navo, getuige ook de uitnodiging aan Secretaris-generaal Robertson voor een bezoek aan Moskou. De communicatielijnen zijn opengehouden, maar worden _ op Russisch initiatief _ aanzienlijk minder intensief benut dan voorheen.


8.

Kan nader worden aangegeven hoe binnen de Russische veiligheidsdoctrine meer nadruk wordt gelegd op het eigen kernwapenarsenaal? Wat betekent dit voor het al dan niet behouden van kernwapens aan Westerse kant? (blz. 24)

De Russische Militaire Doctrine van 1993 stelt dat het kernwapen uitsluitend dient ter afschrikking van nucleaire oorlogen. Volgens het Nationale Veiligheidsconcept van 1997 dient Ruslands kernmacht eveneens grotere conventionele oorlogen af te schrikken. De recente herziening van het Nationale Veiligheidsconcept en de Ontwerp Militaire Doctrine van 1999 voegen hieraan toe dat Rusland bereid is kernwapens in te zetten in iedere, met het oog op de nationale veiligheid, «kritieke» situatie.

Het voorkomen van oorlog, onder meer door afschrikking, blijft een wezenlijk bestanddeel van de verdedigingsstrategie van de Navo. Het nucleaire vermogen van de Navo levert aan deze strategie een belangrijke bijdrage. De afschrikking van de Navo heeft echter een algemeen karakter en is in de huidige veiligheidssituatie niet tegen een specifieke dreiging gericht. Er is dan ook geen direct verband tussen de (grotere) rol van kernwapens in de Russische veiligheidsdoctrine en de afschrikkingsstrategie van de Navo. De grote hoeveelheid tactische kernwapens van Rusland en de toenemende afhankelijkheid van dit kernwapenarsenaal is echter wel reden tot zorg.

Zie ook het antwoord op vraag 21.


9.

In hoeverre vindt een modernisering van de Russische tactische nucleaire wapens plaats? Heeft de Navo initiatieven ontplooid met de Russische regering te spreken over een reductie van het grote aantal tactische nucleaire wapens? (blz. 24)

Over een eventuele modernisering van de Russische tactische nucleaire wapens is de regering niets bekend.

Nederland hecht eraan dat in de PGR de dialoog over nucleaire aangelegenheden die in 1998 voorzichtig van start is gegaan, wordt hervat. Daarbij dient te worden aangetekend, dat besprekingen over vermindering van de aantallen kernwapens allereerst een zaak van de kernwapenstaten zelf zijn. Maar dat sluit de betrokkenheid van het bondgenootschap niet uit. Vandaar dat Nederland in het raamwerk van de zogenaamde paragraaf-32 discussie inzake opties voor vertrouwenwekkende maatregelen, verificatie, non-proliferatie, wapenbeheersing en ontwapening, voorstellen heeft gedaan om deze betrokkenheid te vergroten.


10.

Welke maatregelen heeft de internationale gemeenschap ondernomen of gaat zij ondernemen om te voorkomen dat `de broze situatie in Macedonië' escaleert? (blz. 24)

De Macedonische regering ziet integratie in Europese structuren, in het bijzonder de EU en de Navo, als de belangrijkste pijler van het buitenlands beleid. De internationale gemeenschap erkent het belang van een stabiel en welvarend Macedonië voor de stabiliteit in de regio en ondersteunt het land bij deze integratie.

Mede als gevolg van het conflict in Kosovo stagneerde het economische en maatschappelijke hervormingsbeleid lange tijd.

De regeringscoalitie, waarin slavische Macedoniërs en etnisch Albanese Macedoniërs samenwerken, heeft eind 1999 aangekondigd haast te maken met het doorvoeren van belangrijke economische en maatschappelijke hervormingen, waaronder de herstructuring van grote staatsbedrijven en de oplossing van de problemen rond Albaneestalig hoger onderwijs.

De internationale donorgemeenschap van Wereldbank, IMF en EU en van bilaterale donoren, waaronder Nederland, zijn hierbij op verzoek van de Macedonische autoriteiten nauw betrokken. Dit geldt eveneens voor de Hoge Commissaris inzake de Nationale Minderheden en de Raad van Europa.

Macedonië neemt deel aan de regionale initiatieven op de Balkan. Macedonië is actief co-voorzitter van de Economische Tafel van het Stabiliteitspact, die van 11 tot en met 17 februari 2000 in Skopje bijeen zal komen. Macedonië heeft een groot aantal regionale projectvoorstellen ingediend in het kader van het Stabiliteitspact.

Macedonië komt als eerste land in de regio in aanmerking voor een Stabilisatie- en Associatieakkoord met de EU. Naar verwachting zal het onderhandelingsmandaat in januari 2000 worden goedkeurd, waarna de onderhandelingen zullen beginnen. Met dit akkoord krijgt Macedonië onder meer vergaande handelspreferenties alsmede uitzicht op EU_lidmaatschap. Binnen tien jaar na de ondertekening is associatie tussen de EU en Macedonië voorzien.

Er bestaat grote waardering voor de inspanningen van Macedonië vanwege het conflict in Kosovo. Macedonie behoort tot de landen die willen toetreden tot de Navo. In het kader van het Partnerschap voor Vrede (PvV) ontvangt het land ondersteuning voor de modernisering van de krijgsmacht. De samenwerking met de Navo wordt mede behartigd door het PvV-kantoor in Tirana en de Macedonische vertegenwoordigers bij de Navo in Brussel en Bergen. Macedonië is ook opgenomen in het Zuid-Oost Europa Initiatief van de Navo.

In overeenstemming met het PvV-programma wordt ook bilateraal samengewerkt met Macedonië. Nederland verleent ondersteuning en advies voor onder meer veiligheid, explosievenopruiming en militaire geneeskunde en voor gezamenlijke deelname aan oefeningen in PvV-kader.


11.

Hoe beoordeelt de regering de politieke situatie in Rusland na de verkiezingen in de Doema? (blz. 24)

De parlementsverkiezingen in de Russische Federatie, die op
19 december 1999 plaatsvonden, zijn sterk beïnvloed door de media die in de aanloop naar de verkiezingen op zeer ongenuanceerde wijze over kandidaten hebben bericht. Hierdoor ontbrak het aan een goede voorlichting van relatief onervaren kiezers. Ook de OVSE heeft op dat aspect kritiek uitgeoefend. De omstandigheid dat Rusland met uitzondering van de communistische partij geen politieke partijen in westerse zin met een eigen politiek programma kent, heeft zonder twijfel ertoe bijgedragen dat het gelegenheidsblok Medved/Edinstvo zonder een partijpolitiek programma, doch slechts ter ondersteuning van premier Poetin en diens beleid ten aanzien van Tsjetsjenie, vanuit het niets ongeveer 25% van de stemmen wist te verwerven.

De politieke situatie in Rusland is echter door het verkiezingsresultaat, dat te lezen is als een steunbetuiging aan de zittende regering onder leiding van premier en inmiddels waarnemend president Poetin, niet wezenlijk veranderd. De regering Poetin heeft, althans voorlopig, van de Russische bevolking min of meer een blanco volmacht gekregen voor het optreden in de Noordelijke Kaukasus. Zolang die situatie voortduurt, zullen kritische geluiden van buitenaf ook van geringe invloed zijn op het handelen van het Kremlin. Dit laatste geldt a fortiori nu de premier in aanloop naar vervroegde presidentsverkiezingen op 26 maart 2000 het presidentschap sinds 31 december 1999 waarneemt.


12.

Volgens de regering staat de vervanging van het nucleaire arsenaal op een laag pitje. Hoe verhoudt deze opvatting zich met de ingebruikname van strategische nucleaire raketten de TOPOL M_2 of SS_27 en de bouw van nieuwe nucleaire onderzeeërs van de Boreia_klasse, die uitgerust zullen worden met nieuwe ballistische raketten (D_31 SLBM)? (blz. 24)

De afgelopen twee jaar zijn twintig in silo's gestationeerde SS-27's (Topol-M) operationeel in dienst gesteld. Rusland streeft ernaar het productietempo de komende jaren op te voeren tot enkele tientallen (30-50) per jaar. Gebrek aan financiële middelen maakt dit echter onwaarschijnlijk. De ontwikkeling van de mobiele versie van de SS-27, die de SS-25 vervangt, is vertraagd.

De bouw van de eerste eenheid van de Borey-klasse (inmiddels: Dolgorukiy-klasse) SSBN's ligt stil vanwege gebrek aan financiële middelen.


13.

Hoe kan Nederland invulling geven aan haar medeverantwoordelijkheid voor het zoeken van oplossingen voor conflicten in Afrika en in het voorkomen van conflicten daar? Of beperkt de verantwoordelijkheid zich binnen Navo en EU vooral tot Europa en haar periferie? (blz. 25)

De Afrikaanse capaciteit voor vredeshandhaving kan op verschillende manieren versterkt worden. In 2000 zal worden bezien of een uitbreiding van het aantal opleidingsplaatsen voor Afrikaanse militairen mogelijk is. Voorts neemt Nederland momenteel deel aan een door Frankrijk georganiseerde multinationale militaire oefening («Gabon 2000").

Het versterken van regionale organisaties is een andere mogelijkheid. De hervorming van het secretariaat van de Organisatie van Afrikaanse Eenheid zal in 2000 door Nederland medegefinancierd worden. Overige inspanningen richten zich op SADC en wellicht Ecowas.

Bezien zal worden hoe expertise op veiligheidsgebied aan Afrikaanse partners kan worden aangeboden. Het betreft hier vooral veiligheidsanalyse en planning, conflictpreventie, vredesopbouw en handhaving, capaciteitsopbouw bij lokale partners (bijvoorbeeld politie) en beleidsontwikkeling.

In 2000 zal Nederland bijdragen aan het vredesproces in Sierra Leone (via het Wereldbank Trust Fund). Nederland zal ook financieel bijdragen aan het «Joint Military Committee» voor de vredesoperatie in de Democratische Republiek Congo. Nederland zal bijdragen aan het VN Trust Fund voor de demarcatie van grenzen in Ethiopië en Eritrea. Via de Organisatie voor Afrikaanse Eenheid zal Nederland meebetalen voor waarnemers voorts ondersteunt Nederland met name in Afrika, soms vredesoperaties die buiten het VN-kader vallen en waaraan geen Nederlandse militairen deelnemen. De financiering van dergelijke operaties levert overigens vaak problemen op.

De verantwoordelijkheid een bijdrage te leveren aan de oplossing van colflicten is dus niet beperkt tot de periferie van Europa.


14.

Hoe kan de stroom van vooral kleine wapens naar spanningsgebieden in Afrika worden ingedamd en zo mogelijk gestopt? (blz. 25)

Het vraagstuk van «kleine wapens» zal ook in 2000 prominent op de agenda staan. In Afrika zal worden meebetaald aan projecten voor de inzameling, registratie en vernietiging van kleine wapens. Nederland zet zich in voor de voorkoming van de uitvoer van (kleine) wapens naar spanningsgebieden. Dit kwam onder meer aan de orde tijdens het kleine-wapensdebat dat Nederland in september 1999 in de Veiligheidsraad organiseerde. De Presidentiële Verklaring na afloop van het debat roept landen onder meer op nationale en regionale moratoria op de uitvoer van wapens naar spanningsgebieden in acht te nemen. In juni 1999 nam de EU op Nederlands initiatief een verklaring aan, waarin de uitvoer van (kleine) wapens naar het Grote Meren Gebied nog eens expliciet werd veroordeeld. Op grond van de EU Gedragscode inzake wapenexporten zijn de lidstaten overigens al gehouden aan een verbod op de wapenuitvoer naar spanningsgebieden. Met landen buiten de EU wordt de dialoog hierover voortgezet.


15.

Hoe kunnen conflictpreventie en (niet_militaire) conflictbeheersing hoger op de internationale agenda komen? Welke inspanningen verricht Nederland hiervoor? Vereist dit versterking van internationale organen als OVSE en VN? Zijn daarvoor extra gelden vereist? Wat doet Nederland in het eigen beleid om vorm te geven aan het integrale karakter van conflictpreventie, stabilisatie en wederopbouw? Zijn daarvoor interdepartementale structuren met enig gezag? (blz. 26)

Het wegvallen van de ideologische Oost-West-tegenstelling, een relativering van de soevereiniteit van staten in geval van ernstige mensenrechtenschendingen, en een beter inzicht in de dynamiek en oorzaken van conflicten maken in beginsel een effectiever optreden van de internationale gemeenschap bij dreigende of uitgebroken conflicten mogelijk. De regering zet zich in voor versterking van internationale instellingen die bijdragen aan het voorkomen van conflicten. In dit verband kunnen, naast versterking van de institutionele capaciteit van de OAE, worden genoemd de ondersteuning van de Hoge Commissaris inzake Nationale Minderheden van de OVSE, de voorgenomen oprichting van een Internationaal Strafhof en de oprichting van de «Organization for the Prohibition of Chemical Weapons», waarvoor de regering zich heeft ingespannen. Als lid van de Veiligheidsraad heeft Nederland bijgedragen aan bemiddeling of tussenkomst door de VN in conflicten, zoals in de kwestie Oost-Timor. Voorts is Nederland een belangrijke donor van het VN- «Trust Fund for Preventive Diplomacy», waaruit diplomatieke VN-activiteiten ter voorkoming van conflicten worden gefinancierd. Er is nu geen aanleiding om de Nederlandse bijdragen aan de VN of de OVSE voor preventieve activiteiten te verhogen. In Europees verband neemt Nederland deel aan de discussie over een gecoördineerde inzet van niet-militaire instrumenten voor crisisbeheersing, waartoe de Europese Raad van Keulen heeft besloten. De regering zet zich in voor een geïntegreerde, coherente aanpak van conflicten, waarbij de verschillende instrumenten (humanitaire hulp, ontwikkelingssamenwerking, diplomatieke en politieke druk, militaire middelen, wederopbouw) geïntegreerd worden ingezet. In het Interdepar-tementaal Overleg Vredesoperaties zijn Buitenlandse Zaken, Ontwikkelingssamenwerking en Defensie vertegenwoordigd.


16.

Hoe staat de regering tegenover Amerikaanse plannen voor een «Theater Missile Defense» voor Zuidoost Azië en dat met name ten aanzien van Taiwan? (blz. 27)

De regering beschouwt dit als een zaak voor de direct betrokken landen, maar hoopt op terughoudendheid om het gevaar van een wapenwedloop in deze regio zoveel mogelijk te voorkomen.


17.

Wat houdt de assistentie van Defensie bij internationale criminaliteit precies in? Waar liggen de grenzen tussen politie en Defensie? Wordt daar in de verschillende landen van de Navo op dezelfde wijze over gedacht? Is er in sommige landen geen verschuiving te bespeuren in de benadering van bijvoorbeeld terrorisme: van politie naar militaire middelen? (blz. 27)


111.

Aan welke grenzen is het uitoefenen van civiele taken door de krijgsmacht gebonden? (blz. 60)

Zoals in de Defensienota is uiteengezet doet zich de betrokkenheid van de krijgsmacht bij de civiele politietaken zowel in het kader van vredesmissies als in Nederland voor. Wat vredesmissies betreft wordt steeds duidelijker dat na het eerste, militaire ingrijpen een fase volgt waarin het civiele bestuur, inclusief rechtspraak en politie, in het betrokken conflictgebied moet worden gereorganiseerd of zelfs opnieuw moet worden opgebouwd.

De assistentie van Defensie in de strijd tegen de internationale criminaliteit betreft onder meer de inzet van de Koninklijke marine voor de kustwacht Nederland en voor de kustwacht Nederlandse Antillen en Aruba en de activiteiten van de Koninklijke marechaussee bij de bestrijding van mensensmokkel en mensenhandel, drugsdelicten en wapen- en vermogensdelicten. Daarnaast heeft de marechaussee een taak door het verlenen van bijstand aan de politie in het kader van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde. Deze taken worden uitgevoerd binnen het kader van de Politiewet 1993.

Ook van andere onderdelen van de krijgsmacht kan bijstand worden gevraagd voor de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde. Voorbeelden zijn de inzet van F16-fotoverkenningsvliegtuigen, explosieven-opruimings-diensten en duikers van de Koninklijke marine en de Koninklijke landmacht. Bij de bestrijding van terrorisme kan de minister van Justitie op basis van de Politiewet 1993 een beroep doen op de Bijzondere Bijstandseenheden van Defensie.

Bijstand wordt verleend in die gevallen waar het civiele potentieel moet worden afgelost of aangevuld of indien bijzondere defensie-expertise nodig is die civiel niet voorhanden is. De uitvoering van de bijstand vindt plaats onder verantwoordelijkheid van het bevoegd civiel gezag. De vangnetfunctie van Defensie is een wezenlijk onderdeel van de totale verantwoordelijkheid van de overheid voor de handhaving van openbare orde en veiligheid, die primair aan de civiele diensten is opgedragen.

De taakverdeling tussen Defensie en de politie is tot dusver niet aan de orde geweest in de Navo. Over het algemeen staan de bondgenoten terughoudend tegenover een structurele inzet van de krijgsmacht bij binnenlandse ordehandhaving. Van een verschuiving van politie naar militaire middelen bij de bestrijding van terrorisme kan dan ook niet worden gesproken.


18.

Op welke manier zal de defensiesteun aan de landen van Midden_ en Oost_Europa de komende jaren worden vergroot? (blz. 28)

Defensie heeft sinds het begin van de jaren negentig contacten opgebouwd met vele Midden- en Oost-Europese (MOE-) landen. Niet alleen het aantal MOE-landen waarmee wordt samengewerkt is toegenomen, van zes in 1994 naar veertien nu, ook het aantal jaarlijkse activiteiten is sterk toegenomen, van ongeveer 115 in 1994 tot ongeveer 400 in het jaar 2000.

Voor samenwerking met de nieuwe Navo-leden Tsjechië, Hongarije en Polen blijft het accent liggen op de bijzondere plaats die deze landen voorlopig binnen het bondgenootschap innemen. De samenwerking met de drie landen is vooral gericht op de ondersteuning aan de uitvoering van Navo-taken. Dit gebeurt door onder meer operationele cursussen, bijvoorbeeld op het gebied van grond-luchtsamenwerking en cursussen voor operationele stafofficieren open te stellen en te ontwikkelen, door de ontwikkeling van een onderofficierskorps te onder-steunen en door gezamenlijke oefeningen.

Met de Baltische staten worden geen bilaterale programma´s ontwikkeld; wel ondersteunt Nederland multilaterale projecten: het Baltisch Bataljon voor Vredesoperaties (nu gedeeltelijk ingezet in Bosnië), het Baltische Defensie College in Tartu en het Baltische Mijnenveeg-Flotille. De komende jaren wordt deze steun onverminderd voortgezet en wordt bilaterale steun geleverd met overtollig materieel, zoals transportmiddelen, legeringsmateriaal en computers.

Met Macedonië en Albanië wordt in de nu op de Balkan uitgevoerde Navo-operaties samengewerkt op operationeel gebied. De bilaterale defensiesamenwerking met beide landen is vooral gericht op hun behoefte aan hulp bij de opbouw van hun strijdkrachten in de vorm van assistentie bij opleidingen en materieelschenkingen, onder meer op medisch en transportgebied.

Met de Russische Federatie en Oekraïne wordt overlegd over het jaarlijkse bilaterale programma en over concrete hulpprojecten op medisch gebied.

De jaarlijkse bilaterale programma's voor Slovenië, Roemenië, Slowakije en Bulgarije worden aangepast en verbeterd. De samenwerking wordt daarbij zoveel als mogelijk gericht op het bereiken van interoperabiliteit met de Navo.

De voor de intensivering van de samenwerking met MOE-landen benodigde financiële middelen komen beschikbaar uit de aanpassing van het defensie-attachébestand.


19.

Kan worden aangegeven op welke wijze het bestand van defensieattachés zal worden verkleind? (blz. 28)


20.

Wat houdt de verkleining van het bestand van defensieattachés precies in? Wat is de achtergrond van die verkleining en hoe krijgt die vorm? (blz. 28)

Om goed op veranderingen in de veiligheidssituatie te kunnen inspelen zal het militaire-attachébestand elke twee jaar worden geëvalueerd. In
1999 is een evaluatie begonnen die op korte termijn wordt afgerond. Hierbij is uitgegaan van de huidige situatie waarin Defensie in vierentwintig landen een militaire attaché heeft -en in eenendertig landen een attaché mede heeft aangemeld.

Verder zijn voor de plaatsing van de attachés aspecten bezien als de geostrategische positie, de ontwikkelingen op veiligheidsgebied, de internationale rol van en de defensiesamenwerking met landen en de afzetmogelijk-heden voor producten van de Nederlandse defensie_industrie. Tevens zijn aspecten als continuï-teit en wederkerigheid in ogenschouw genomen.

Bij het bepalen van de omvang van een defensie_afdeling van een ambassade is uitgegaan van een zo effectief en efficiënt mogelijk functioneren binnen de post. Dit kan onder meer worden bereikt door integratie met de politieke afdeling en door functies, taken en verantwoordelijkheden binnen de defensie_afdeling zo goed mogelijk te combineren.

De evaluatie zal onder meer leiden tot omzetting van de militaire attachéposten in Denemarken en Suriname in een mede_aanmelding vanuit een ander land. Na de uitvoering van de conclusies van de evaluatie zal Defensie in 23 landen met een residerende militaire attaché worden vertegenwoordigd en van daaruit in 33 landen mede_aangemeld zijn. Het totaal van de genoemde maatregelen zal uiteindelijk leiden tot een reductie van twintig procent.---

Enige flexibiliteit ten aanzien van het attachébestand is vereist, omdat er bijvoorbeeld door Nederlandse deelname aan internationale militaire operaties een tijdelijke behoefte kan ontstaan aan een nieuwe (mede-)aanmelding van een militair attaché. Bij een dergelijke tijdelijke behoefte kan onder meer gebruik worden gemaakt van de expertise en capaciteit van een zittende attaché, dan wel een gewezen of een inmiddels opgeleide, maar nog niet geplaatste attaché. Voorbeelden hiervan zijn de aanmelding van een attaché in Thailand ten tijde van de operatie in Cambodja en de huidige mede-aanmelding in Cyprus van onze attaché te Italië.


21.

Welke militaire rol ziet de regering voor de tactische kernwapens op Europees grondgebied (blz. 30)

Ondanks het verminderde belang van kernwapens blijft afschrikking een wezenlijk bestanddeel van de verdedigings-strategie van de Navo. De door de Verenigde Staten in Europa geplaatste tactische kernwapens leveren een belangrijke bijdrage aan deze strategie, zoals vorig jaar nog eens is onderstreept in het nieuwe Strategische Concept van de Navo. Zij geven uitdrukking aan de strategische eenheid van het bondgenootschap en zijn van groot belang voor de solidariteit van het bondgenootschap. De internationale veiligheidssituatie geeft geen aanleiding tot een wezenlijke verandering van het beleid. Daarbij speelt ook een rol dat de Navo er niet aan voorbij kan gaan dat Rusland nog altijd over meer dan 10.000 tactische kernwapens beschikt en door de ineenstorting van zijn conventio-nele strijdmacht meer dan voorheen van dit ar-se-naal afhankelijk is.


22.

Hoe wil de regering bevorderen dat het Nederlands parlement beter ingelicht kan worden over de (eventuele) aanwezigheid van kernwapens op Nederlands grondgebied? (blz. 30)

Het voorlichtingsbeleid inzake de aanwezigheid van kernwapens op het grondgebied van Europese bondgenoten berust op bondgenootschappelijke afspraken. Enige wijziging van dit beleid kan dan ook slechts tot stand komen in goed overleg tussen de betrokken bondgenoten. Dat geldt ook voor de, al dan niet vertrouwelijke, informatieverlening aan parlementen.

Op grond van paragraaf 32 van het communiqué van de Top van Washington beziet de Navo de mogelijkheden op het terrein van vertrouwenwekkende maatregelen, verificatie, non-proliferatie en wapenbeheersing en ontwapening. In het kader daarvan zal ook worden bezien of over nucleaire aangelegenheden in algemene zin meer openheid kan worden betracht. Nederland zal aan de discussie daarover een actieve bijdrage leveren. Op de uitkomst van deze discussie kan echter niet worden vooruitgelopen.


23.

Kan worden aangegeven wat de tot op heden bereikte resultaten zijn m.b.t. de motie Koenders/Hoekema over nucleaire wapenbeheersing en nucleaire strategie? Welke inspanningen acht de regering voorts gewenst op dit gebied? (blz. 30)

Tijdens de ministeriële Noord-Atlantische Raad van december 1999 is afgesproken hoe de Navo zich de komende twaalf maanden zal bezinnen op opties voor vertrouwenwekkende maastregelen, verificatie, non-proliferatie, wapenbeheersing en ontwapening met betrekking tot massavernietigingswapens. Voor de Nederlandse uitgangspunten op dit vlak moge ik u verwijzen naar het verslag van de Noord-Atlantische Raad van afgelopen december (Kamerstuk 26 348 nr. 2).


24.

De regering geeft de voorkeur aan de Navo voor zwaardere crisisbeheersingsoperaties in en nabij Europa. In hoeverre wordt deze opvatting gedeeld door andere EU_lidstaten, zoals Frankrijk? (blz. 30)

Wanneer zich een crisis voordoet zullen zowel de Navo als de EU bezien of in welke mate zij willen optreden. Frankrijk verzet zich er tegen formeel vast te leggen dat de Navo een «right of first refusal» zal bezitten. In de praktijk is dit ook niet nodig, aangezien naar de mening van de regering in het afwegingsproces de conclusie zal zijn dat hoe zwaarder en/of gevaarlijker een operatie zal zijn, des te belangrijker de samenwerking met de Navo, en dus met de Verenigde Staten zal blijken te zijn. In dit verband is tevens van belang dat in Helsinki is vastgelegd dat de EU bereid is leiding te geven aan het uitvoeren van crisisbeheersingsoperaties, wanneer de Navo niet optreedt.


25.

Op welke wijze en wanneer wordt met de Duitse regering bezien hoe de inzetmogelijkheden van het gemeenschappelijke legerkorps kunnen worden verbeterd? (blz. 30)


26.

Het Duits_Nederlandse legerkops is een voorbeeld voor verdere Europese samenwerking. Kan aangegeven worden op welke wijze het proces van verdergaande opbouw in dit kader plaats zal vinden.? Immers er bestaat een discrepantie tussen de Nederlandse eenheden die wel inzetbaar zijn voor vredesoperaties en de Duitse eenheden (ook vanuit oogpunt dienstplicht) die dit niet zijn. (blz. 30)


27.

Waaraan wordt gedacht als bezien gaat worden hoe de inzetmogelijkheden van het Duits Nederlandse legercorps kunnen worden verbeterd? Blijft inzet voor vredesmissies niet moeilijk vanwege het voortbestaan van de dienstplicht in Duitsland en vanwege het deels mobilisabel zijn van de troepen? (blz. 30)


95.

De staf van het Duits_Nederlandse legerkorps is ook beschikbaar voor crisisbeheersingstaken. Dergelijke mobiele en flexibele staven zijn schaars. Betekent dit dat de regering verwacht dat de internationale gemeenschap (VN of Navo) de leiding van een multinationale operatie overlaat aan een staf uit twee landen? Hoe realistisch is dat? (blz.
54)


265.

Is er bij het Duits_Nederlandse legerkorps sprake van een taalbarrière? Zo ja, hoe wordt daarmee omgegaan? (blz. 131)


267.

Ingeval de legerkorpsstaf als zelfstandige module bij een vredesoperatie wordt ingezet, wie geeft dan de dagelijkse leiding aan het GE/NL legerkorps? (blz. 131)


268.

Welke rol zou de staf van het GE/NL legerkorps kunnen spelen bij de vormgeving van de Europese defensiecapaciteit? (blz. 131)


269.

De legerkorpsstaf kan in de toekomst een rol spelen bij het vormgeven aan de Europese defensie_inspanning. Gaarne nadere toelichting. (blz.
131)


270.

Op welke gebieden loopt staf van het GE/NL legerkorps voor op de staven van vergelijkbare bi_ of multinationale staven? Geldt die voorsprong ook voor andere delen van het Duits_Nederlandse legerkorps? (blz. 131)

De verbetering van de inzetmogelijkheden van het Duits-Nederlandse legerkorps is in verschillende bilaterale besprekingen al aan de orde gesteld. Zij vormt binnenkort eveneens onderwerp van gesprek tussen de ministers van Defensie van beide landen. Het gaat daarbij vooral om de vraag hoe het legerkorpshoofdkwartier verder geschikt kan worden gemaakt voor deelneming aan crisisbeheersingsoperaties. Dit hoofdkwartier, dat, evenals eerder al de Nederlandse eenheden van het korps, in 1997 is aangewezen als een «Force answerable to WEU» (Faweu), is hiervoor in beginsel nu al inzetbaar en heeft daartoe een intensief training- en oefenprogramma doorlopen. De Duitse eenheden in het legerkorps zijn grotendeels mobilisabel. Voor optreden in niet-artikel 5 operaties kunnen eenheden uit de zogenaamde «Krisenreaktionskräfte» aan het korps worden toegevoegd.

Met name wordt gedacht aan het verhogen van de gereedheid en het versterken van de multinationaliteit van het hoofdkwartier. Door het beter in staat te stellen elementen van andere hoofdkwartieren en landen op te nemen, kan snel een multinationaal hoofdkwartier worden gevormd voor de operationele leiding van een crisisbeheersingsoperatie waaraan verschillende landen deelnemen. Aan dergelijke, snel inzetbare hoofdkwartieren bestaat binnen de Navo een tekort. Aangezien het Duits-Nederlandse hoofdkwartier ook kan worden ingezet voor door de Weu of de EU geleide crisisbeheersingsoperaties, vormt het tevens een belangrijke bijdrage aan de Europese defensiecapaciteit.

Vergeleken met andere bi- en multinationale legerkorps-hoofdkwartieren heeft het Duits-Nederlandse legerkorps-hoofdkwartier het voordeel dat het beschikt over een volledig geïntegreerde, binationale staf die met Navo-procedures werkt en het Engels als voertaal heeft. Ook wordt al geoefend op de inzet in het kader van crisisbeheersings-operaties. Omdat het hoofdkwartier over een luchtmachtcel beschikt, biedt het bovendien de mogelijkheid tot «joint» optreden. Van het hoofdkwartier maken voorts nauwelijks dienstplichtigen en reservecomponenten deel uit. Bij crisisbeheersingsoperaties zal overigens steeds slechts een deel van het legerkorps-hoofdkwartier - tussen de veertig en zestig procent - worden uitgezonden, waardoor het achterblijvende deel de dagelijkse leiding van het legerkorps voor de beperkte duur van de uitzending kan blijven verzorgen. Uitgangspunt hierbij is dat de legerkorpscommandant wordt belast met de leiding van de crisisbeheersingsoperatie en de plaatsvervangend commandant met de dagelijkse leiding.


28.

Aan welke soorten Navo_middelen moet gedacht worden in geval van Europese vredesoperaties zonder betrokkenheid van de VS? (blz. 30)


30.

Welke Navo_middelen zijn essentieel voor EU_geleide operaties, waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen de gradaties in het geweldsspectrum van de Petersbergtaken? (blz. 31)

Voor omvangrijke operaties zal de Europese Unie een beroep moeten doen op de Navo voor gemeenschappelijke middelen. Dat zijn middelen die door de Navo-landen gemeenschappelijk gefinancierd en beheerd worden. De belangrijkste zijn hoofdkwartieren voor de commandovoering, staven voor operationele planning, de Awacs-vloot, logistieke middelen en verbindingsmiddelen.

Europa is in staat betrekkelijk kleinschalige operaties met louter Europese middelen uit te voeren: de strijdkrachten van de lidstaten en ondersteunende eenheden, hoofdkwartieren en middelen voor bijvoorbeeld «command and control», inlichtingenvergaring en transport. In het kader van het «Defence Capabilities Initiative» en de «Weu Audit» is vastgesteld dat vooral de Europese middelen moeten worden uitgebreid en verbeterd. Wat hoofdkwartieren betreft beschikken op dit moment alleen Groot-Brittannië en Frankrijk over nationale hoofdkwartieren die in staat zijn leiding te geven aan «combined» (d.w.z. multinationale) en «joint» (met eenheden uit verschillende krijgsmachtdelen) operaties.


29.

Wat voor militaire staf binnen de EU staat de regering voor ogen? (blz. 31)

De regering denkt aan een staf die in grote lijnen overeenkomt met de planningcel en het situatiecentrum waarover de Weu nu beschikt. Een eerste Frans-Britse schets voorziet in een staf van 60 à 90 man. Dit stemt in grote lijnen overeen met de Nederlandse gedachten.


30.

Welke Navo_middelen zijn essentieel voor EU_geleide operaties, waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen de gradaties in het geweldsspectrum van de Petersbergtaken? (blz. 31)

Zie het antwoord op vraag 28.


31.

Welke is de omvang van de Europese behoefte aan zee_ en luchttransportmiddelen? In hoeverre kan Nederland op dit moment in die behoefte voorzien? (blz. 31)


309.

Is de beschikbare capaciteit aan luchttransport ook voldoende als gekeken wordt naar de Europese defensiecapaciteit (zie ook de WEU_audit)? (blz.159)


341.

Welk bedrag in de begroting is gereserveerd voor een specifieke bijdrage om de Europese veiligheid te versterken? Indien geen reserveringen zijn opgenomen welke projecten komen hiervoor in aanmerking dan wel zijn hiervoor aanvullende financiële middelen vereist? (blz.194)

De door de Europese Raad van Helsinki geformuleerde «headline goal» beperkt zich tot grondstrijdkrachten. Zowel in de Weu_Audit als in het «Defence Capabilities Initiative» (DCI) is de behoefte aan meer strategische transportcapaciteit genoteerd. Dat betreft zowel schepen als vliegtuigen. Die behoefte is nog niet gekwantificeerd. In de «European Air Group» wordt overleg gevoerd over een luchttransportcommando. In een eerste fase wordt bezien hoe de inzet van bestaande middelen beter kan worden gecoördineerd. Vervolgens wordt bezien of voor de behoefte aan een grotere transportcapaciteit gezamenlijke verwerving mogelijk is.

Voor de regering liggen de versterking van de Europese en de bondgenootschappelijke veiligheid in elkaars verlengde. Dat komt tot uitdrukking in het DCI, dat in belangrijke mate is gericht op Europese tekortkomingen. Zodra in het kader van DCI projecten zijn geselecteerd zal moeten worden bezien of er ruimte in de plannen kan worden gevonden.


32.

Wat is de actuele stand van zaken met betrekking tot de ontwikkeling van een Europees veiligheids_ en defensiebeleid? In hoeverre spelen de ontwikkelingen zich nog binnen de Navo af en in welke mate daarbuiten? Wat is het standpunt van de Nederlandse regering t.a.v. de vormgeving van een Europese militaire capaciteit? Wat is de te verwachten Nederlandse bijdrage aan zo'n Europese militaire capaciteit? (blz. 31)

Voor de actuele stand van zaken zij verwezen naar de resultaten van de Europese Raad van Helsinki van 10 en 11 december 1999 en het debat dat daarover met de Kamer is gevoerd. Het Portugese EU-voorzitterschap is nog maar net begonnen en heeft nog geen ontwerp-voortgangsrapport opgeleverd. Het standpunt van de regering is weergegeven in de notitie over het gemeenschappelijk Europees veiligheids- en defensiebeleid van
29 oktober 1999 (Kamerstuk 24 128, nr.4), de brief van de minister van Buitenlandse Zaken van 7 december 1999 (Kamerstuk 26 348, nr.2) en de debatten die over dit onderwerp zijn gevoerd. Over de Nederlandse bijdrage aan een Europese militaire capaciteit is nog niet besloten.

Volledigheidshalve diene dat het bij de vormgeving van een Europese militaire capaciteit niet gaat om de opzet van een Europees leger.


33.

Onder welke voorwaarden en in welke institutionele setting ondersteunt de regering een Europees «Defense Capabilities Initiative»? (blz. 31)

Het «Defence Capabilities Initiative» (DCI) van de Navo is bedoeld om tekortkomingen in de militaire middelen van de bondgenoten op te sporen en vervolgens bij te dragen tot oplossingen. Vaak gaat het om Europese tekortkomingen, zoals ook bleek in het conflict om Kosovo. De vorming van een gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid en de zogenoemde hoofddoelstelling («headline goal») die daartoe door de Europese Raad van Helsinki is geformuleerd, zijn voor de Europese landen belangrijke stimulansen om ernst te maken met de aanpak van die tekortkomingen. Dit onderstreept het belang van de Europese dimensie van het DCI en de noodzaak Europese tekortkomingen op te lossen door krachtenbundeling. Ook poolvorming van bestaande Europese middelen biedt mogelijkheden. Naar de mening van de regering kan de versterking van het Europese militaire vermogen geheel of vrijwel geheel via het DCI gestalte krijgen en bestaat er geen behoefte aan een afzonderlijk Europees DCI. Er zijn geen voorstellen voor een Europese pendant van het DCI. Voor Europese zwaartepunten in het DCI bepleit Nederland intensivering van Europees overleg in het kader van het Navo-planningsproces.


34.

Hoe staat de regering tegenover convergentiecriteria die betrekking hebben op de `input' (defensie_uitgaven, investeringen als percentage, e.d.)? Zijn `input' criteria niet per definitie nadelig voor landen die hard gewerkt hebben aan een betere output door grotere efficiëntie flexibiliteit en het aanpakken van traditionele structuren? (blz. 31)

Nederland heeft het idee om criteria vast te stellen op het vlak van de defensie-inspanningen waaraan de EU-lidstaten zouden moeten voldoen verwelkomd. Van Nederlandse zijde is daarbij aangetekend dat men zich niet alleen zal moeten richten op de «input» (zoals het defensiebudget als percentage van het BNP), maar juist meer op de geleverde «output», d.w.z. op het te bereiken niveau van paraatheid, flexibiliteit, mobiliteit, voortzettingsvermogen en interoperabiliteit voor de uitvoering van crisisbeheersingsoperaties. Voorzover het gaat om de «input» zou niet alleen moeten worden gekeken naar het percentage van het BNP dat wordt besteed aan defensie, maar ook naar zaken als de investeringsquote en de mate waarin de voorziene investeringen passen binnen het raamwerk van het «Defence Capabilities Initiative».


35.

Welke investeringen zijn nodig voor eventuele «grootschalige» EU_geleide operaties, d.w.z. operaties in het hoge geweldsspectrum? (blz. 31)

Als Europa een volwaardige bijdrage wil kunnen leveren aan grootschalige crisisbeheersingsoperaties, dan dienen tal van tekortkomingen in de militaire capaciteiten van de Europese landen aangepakt te worden. In het afgelopen jaar zijn in de Weu-audit, in het kader van DCI en in de nasleep van het Kosovo-conflict deze tekortkomingen duidelijk aan het licht gekomen. De vraag of een dergelijke grootschalige operatie door de Navo wordt uitgevoerd of door de EU geleid wordt, met gebruikmaking van Navo-middelen, is in eerste instantie een politieke vraag en wordt niet bepaald door investeringen.


36.

Waarom wordt het CJTF niet genoemd als een belangrijk instrument in het rapport over de versterking van de gemeenschappelijke Europese politiek inzake veiligheid en defensie dat bij de recente Europese top in Helsinki werd goedgekeurd? (blz.31)

Het CJTF-concept is mede bedoeld om Europese operaties met gebruik van Navo-middelen mogelijk te maken. Over de toepassing van het CJTF-concept en de daaraan verbonden middelen zijn al afspraken gemaakt tussen de Navo en de Weu. In het voorzitterschapsdocument dat op de Europese Raad van Keulen voorlag was al sprake van regelingen «op basis van de besluiten van Berlijn van 1996 en de besluiten van de NAVO-top van Washington van april 1999". Een hernieuwde verwijzing naar het CJTF-concept zou daarom niets nieuws hebben toegevoegd.


37.

Welke zijn de gevolgen voor de Defensienota van de afspraken die zijn gemaakt tijdens de Europese Raad te Helsinki? (blz. 32)

In de Defensienota wordt veel aandacht besteed aan de verhoging van de paraatheid van vooral de landstrijdkrachten en aan andere kwaliteiten, zoals de mobiliteit, de flexibiliteit, het voortzettingsvermogen en de internationale inpasbaarheid (interoperabiliteit). Dit zijn de algemene aspecten die zowel in het DCI als in het kader van de versterking van het Europese defensievermogen aan de orde zijn. Uitgaande van het aantal van vierentwintig bataljons gevechtstroepen en ondersteunende eenheden dat de krijgsmacht na uitvoering van de Defensienota beschikbaar zal hebben voor uitzendingen, zal Nederland in staat zijn een passende bijdrage te leveren aan de in Helsinki genoemde hoofddoelstelling. Voor andere aspecten, zoals bevelvoering, inlichtingenvergaring en strategisch transport en mogelijk voor zee- en luchtstrijdkrachten, moeten nog collectieve
capaciteitsdoelstellingen en nationale doelen worden ontwikkeld. Dan kan worden bezien in hoeverre Nederland al aan de doelstellingen voldoet en waar aanpassingen in de plannen en extra inspanningen gewenst zijn.


38.

Hoe gaat de regering samenwerking bij en samenvoeging van opleidingen en onderhoudsdiensten stimuleren? Aan welke opleidingen en onderhoudsdiensten wordt hier gedacht? (blz. 32)

De hier bedoelde opleidingen en onderhoudsdiensten worden beschouwd als integraal onderdeel van materieelprojecten. Wat betreft multinationale materieelprojecten zal er naar worden gestreefd ook de daarmee verbonden opleidings- en onderhoudsinspanning te rationaliseren in multinationaal verband. Het gaat hierbij om de opleiding van bemanningen en van onderhoudspersoneel. Bij de onderhoudsinspanning dient vooral te worden gedacht aan het hoger-echelons onderhoud. Dit kan in bi- of multinationale programma´s, maar ook door een verdere uitbreiding van de diensten van organisaties als het «NATO Maintenance and Supply Agency» (Namsa).


39.

Hoe sterk is naar de mening van de regering de morele verplichting tot actie uit het Genocide verdrag? Welke factoren gelden bij de bepaling of een land in de positie verkeert om een einde te maken aan een massaslachting: alleen militaire of ook geografische, politieke, financiële en andere factoren? Geldt deze morele verplichting ook voor organisaties, zoals de Navo? Welke ethische verantwoordelijkheid hebben respectievelijk Nederland, de Navo en de Europese Unie voor de massaslachting in Ruanda (blz. 34)

Artikel 1 van het uit 18 stammende Genocideverdrag luidt: "The Contracting Parties confirm that genocide ..... is a crime under international law which they undertake to prevent and to punish". Hoe genocide in een concrete situatie moet worden voorkomen of tegengegaan geeft het verdrag echter niet aan. Het reikt daarvoor geen implementatiemechanisme aan. Het verdrag beperkt zich (in artikel 8) tot de stelling dat elk land een beroep op de competente organen van de Verenigde Naties kan doen om de nodige maatregelen te nemen. Toen in april 1994 in Rwanda gewelddadigheden uitbraken, was het voor de buitenwereld niet meteen duidelijk dat een grootscheepse genocide in gang werd gezet. Zoals bekend heeft de internationale gemeenschap toen weinig daadkrachtig gereageerd. Het kleine contingent blauwhelmen (Unamir) werd zelfs uit Rwanda teruggetrokken. Later zou Kofi Annan, die destijds hoofd van de afdeling vredesoperaties van het VN-secretariaat was, de stelling poneren dat met de inzet van één brigade een aanzienlijk deel van de slachtingen had kunnen worden tegengehouden. De slechte ervaringen van de vredesoperatie in Somalië, die toen nog vers in het geheugen lagen, waren mede debet aan de internationale passiviteit.


40.

Is de regering van mening dat criteria voor toetsing van humanitaire interventie ondergebracht dienen te worden in het VN_Handvest of heeft een andere vorm van codificatie de voorkeur? (blz. 34)


41.

Kan nader worden aangegeven in welke situaties ingrijpen op eigen gezag door een groep landen als gerechtvaardigd moet worden beschouwd? (blz. 34)


42.

Hoe kan worden voorkomen dat een land met territoriale ambities zijn interventie in een buurlanden rechtvaardigt met valse argumenten? (blz. 34)


43.

Is het denkbaar dat in de Verenigde Naties nadere criteria zullen worden ontwikkeld voor humanitaire interventie? (blz. 34)


44.

Als het om «humanitaire interventie» gaat wordt uitgebreid ingegaan op criteria voor ingrijpen en inbedding in de internationale rechtsorde. Gelden dezelfde criteria en dezelfde inbedding voor het operaties die bedoeld worden met het begrip «crisisbeheersing» in het Navo strategisch concept? Het gaat om niet_artikel 5 operaties, die dus buiten de strikte verdediging van het grondgebied vallen? Geldt hiervoor ook dat voorkomen moet worden «dat een land» (in dit geval een bondgenootschap) «met territoriale ambities zijn interventie in een buurland rechtvaardigt met valse humanitaire argumenten»? Of is «crisisbeheersing» een bijzondere vorm van het verdedigen van het grondgebied? (blz. 34)

Bij crisisbeheersingsoperaties gaat het niet om de verdediging van het eigen grondgebied, maar om handhaving of herstel van vrede en veiligheid op het grondgebied van een ander land. Dergelijke operaties worden gewoonlijk uitgevoerd met instemming van de regering van het desbetreffende land. Bij humanitaire interventie ontbreekt dergelijke instemming. Het is daarom wenselijk criteria overeen te komen waaraan dergelijke interventie zou moeten voldoen. De regering zal hier nader op ingaan in de nota die zij hierover heeft aangekondigd.


45.

Betekent de opmerking over het in 1995 vastgelegde Toetsingskader dat daaraan nu geen politiek zwaarwegende betekenis meer kan worden gehecht? (blz. 35)

Het Toetsingskader uit 1995 is nog onverminderd van kracht. Het heeft het karakter van een checklist van punten die in de besluitvorming aandacht verdienen, maar die niet als absolute voorwaarden zijn bedoeld. In de Defensienota wordt aangegeven dat uiteindelijk niet individuele elementen, maar een algehele afweging de besluitvorming bepaalt. Argumenten als de handhaving van de internationale rechtsorde en het tegengaan van massale schendingen van de mensenrechten kunnen voor deelname aan een operatie pleiten, terwijl de daaraan verbonden risico's in een andere richting wijzen. De afweging zal daarom van geval tot geval moeten worden gemaakt.


46.

In welke landen en/of regio's ziet de regering in de komende jaren crises ontstaan die om een vredesmacht zullen vragen? (blz. 35)


47.

Aan welke crises wordt gedacht, die een vredesmacht behoeven? Het gaat dan om humanitaire interventies? (blz. 35)

Zoals ook gesteld in het rapport van de Adviesraad Internationale Vraagstukken ligt om Europa «een gordel van instabiliteit»: van de Maghreb via het Midden-Oosten tot de Kaukasus. Een groot aantal Afrikaanse landen werd de afgelopen jaren getroffen door (interne) gewapende conflicten, conflicten die deels voortduren. Alvorens er sprake kan zijn van de inzet van een vredesmacht dienen er diverse voorwaarden die ook in het Toetsingskader aan de orden kwamen, te worden vervuld. De mate waarin de komende jaren sprake zal zijn van de inzet van militaire eenheden in het kader van
crisisbeheersingsoperaties vredesmachten valt daarom ook niet op voorhand te voorspellen. Ook het karakter van de operaties (vredeshandhavend of -afdwingend) zal afhangen van de omstandigheden.


48.

Is het reëel gezien de grote en langdurige bijdrage van de land_ en luchtmacht op de Balkan dat er ook nog eenheden beschikbaar worden gesteld aan bijv. de VN en Shirbirg? Is dit feitelijk niet een papieren bijdrage die in de huidige situatie niet kan worden geëffectueerd? Kan een overzicht worden gegeven welke eenheden van de Nederland krijgsmacht aan UNSAS resp. Shirbrig zijn toegewezen en welk deel hiervan tegelijkertijd is gecommitteerd voor vredesoperaties dan wel recuperatie, opleiding oefening of andere noodzakelijke taken? (blz. 36)


211.

Welk gedeelte van de middelen van de Koninklijke marine is aangeboden aan de Unsas? (blz. 113)

Zowel voor Unsas als Shirbrig geldt dat aanmelding van eenheden en middelen niet automatisch verplicht tot inzet. De aangemelde eenheden blijven deel uitmaken van de Navo-structuur, en laat bestaande militaire verplichtingen onverlet. Bovendien kunnen de eenheden eveneens worden ingezet voor crisisbeheersingsoperaties van de OVSE, Weu of Navo. De aanmelding voor Unsas en Shirbrig is dan ook vooral bedoeld om de operationele planning van de Verenigde Naties te vergemakkelijken, en is dus geen «beschikbaarstelling».

Voor elke nieuw verzoek tot Nederlandse deelneming, ook in het kader van Unsas en Shirbrig, wordt het gebruike-lijke besluitvormingsproces gevolgd, langs de lijnen van het Toetsingskader. Daarin speelt de beschikbaarheid van eenheden een grote rol. De huidige bijdragen aan de vredesoperaties op de Balkan hebben tot gevolg dat sommige van de aangemelde eenheden tijdelijk niet beschikbaar zijn. De voorgenomen concentratie van de Nederlandse inspanning op Sfor heeft hierop op termijn overigens een gunstig effect.

Voor Unsas zijn de volgende Nederlandse eenheden aangemeld:

Nederlandse Unsas bijdrage

Bijzonderheden

KM


- 2 fregatten


- 1 bataljon mariniers1)2)


- 2 mijnenbestrijdingsvaartuigen


- 1 maritiem patrouille vliegtuig


- 1 amphibisch transportschip


- met, indien nodig één bevoorradingsschip


- Sfor/Kfor reserve


- 100 dagen/jaar t.b.v. Balkan, 3 maanden/jaar t.b.v. MIF-ops

KL


- 1 (luchtmobiel) infanteriebataljon (evt met pantservoertuigen)/gemech-aniseerd bataljon1)2)


- 1 brigadehoofdkwartier1)


- 1 geniecompagnie1)


- 1 verkenningseskadron


- ingezet in Sfor


- ingezet in Kfor als onderdeel van het

geniehulpbataljon

KLu


- 1 KDC-10, 1 C-130


- transporthelikoptercapaciteit om een bataljon in 3 slagen te verplaatsen en te ondersteunen1)


- 1 F-60 medevac


- 1 squadron F-16


- 1 Triad-eenheid


- 1 Shorad-eenheid

(gaat over naar de KL)

KMar


- 1 eenheid van max. 50 personen voor politietaken


- ingezet in UNIPTF


1) Tevens aangemeld voor Shirbrig


2) Aangeboden aan Shirbrig is één van beide


49.

Voor beschikbaarstelling van Nederlandse eenheden in het kader van Shirbrig gelden de normale besluitvormingsprocedures. Wat betekent dit voor de snelheid waarmee de secretaris_generaal van de VN over deze eenheden kan beschikken? Is het niet zo dat commitment aan Shirbrig inhoudt dat eenheden snel geleverd worden tenzij er zwaarwegende redenen zijn om het niet te doen? (blz. 36)

De desbetreffende eenheden zijn voor Shirbrig aangemeld met een bijbehorende militaire reactietijd. Samenwerking in de Shirbrig laat de nationale politieke besluitvorming ongemoeid.

Van belang is evenwel dat, nadat de politieke besluitvorming in de Shirbrig-landen is afgerond, de brigade snel kan worden ingezet, omdat er een voorbereide operationele en logistieke structuur is, en daarom geen uitvoerige «force-generation conferences» nodig zijn.


50.

Welk beleid voert de regering ten aanzien van conflictpreventie? In welk beleidsdocument is dit verwoord? (blz. 36)

Bij conflictpreventie kan een onderscheid worden gemaakt tussen structurele conflictpreventie en operationele conflictpreventie. Structurele conflictpreventie beoogt het bevorderen van levensvatbare democratieen met een gezonde economische basis, waarin een evenwicht bestaat tussen overheid en het maatschappelijk middenveld, waarin ruimte is voor minderheden en waar de mensenrechten worden gerespecteerd. Ook in een post-conflictsituatie moet daaraan aandacht worden geschonken om te voorkomen dat het conflict opnieuw oplaait. Nederland richt zich op de verbetering van structuren om een goed functionerend bestuur en duurzame vrede te bewerkstelligen in de landen die op grond van het nieuwe landenbeleid voor ontwikkelingssamenwerking in aanmerking komen voor bilaterale steun op het gebied van mensenrechten, vredesopbouw en goed bestuur. Daarbuiten gaat de aandacht uit naar een beperkt aantal (post-)conflictlanden waar activiteiten op het terrein van vredesopbouw en mensenrechten worden ontplooid via het non-gouvernementele kanaal.

Operationele conflictpreventie is gericht op het voorkomen, indammen of verminderen van geweld. Het omvat preventieve diplomatie, vertrouwenwekkende maatregelen, «factfinding» door intergouvernementele instellingen, economische sancties en inzet van militaire middelen. Nederland draagt bij aan het formuleren en het uitvoeren van deze maatregelen in internationaal kader zoals de VN, de OVSE en de EU.

Richtinggevend voor het Nederlandse beleid voor conflictpreventie zijn twee rapporten van de Secretaris-Generaal van de VN, "An Agenda for Peace" (uit 1992) en "Report on the causes of conflict and the promotion of durable peace and sustainable development in Africa" (uit
1998).

Het Nederlandse algemene beleid voor conflictpreventie is verwoord in de memories van toelichting bij de begroting van Buitenlandse Zaken/Ontwikkelingssamenwerking.


51.

Acht de regering het verantwoord dat een bataljon dat bij een vredesoperatie wordt ingezet is samengesteld uit 52 verschillende eenheden? Op welke wijze wordt een dergelijk bataljon voor uitzending getest of het zijn taken in het operatiegebied kan uitvoeren? (blz. 36 e.v.)

Een uit te zenden eenheid wordt altijd zo organiek mogelijk samengesteld. De gevechtseenheden komen bij voorkeur uit een brigade en zijn goed op elkaar ingespeeld. Zij worden versterkt met bijvoorbeeld logistieke modules van verzorgende eenheden. Ook worden eenheden aangevuld met individuele specialisten voor functies die alleen tijdens uitzending nodig zijn, zoals bijvoorbeeld Cimic-personeel en tolken. Er wordt een zorgvuldig opwerkprogramma uitgevoerd dat wordt afgesloten met een eindoefening waarin de aangeleerde taken worden getest. Door invoering van het accentmodel zal het aantal eenheden waaruit een in te zetten eenheid wordt samengesteld aanzienlijk verminderen. Op die manier kan maatwerk worden geleverd.


52.

Gold de groeiende internationale bereidheid om grondtroepen in te zetten ook voor de Nederlandse regering? (blz. 37)

Voor het antwoord op deze vraag zij verwezen naar de evaluatie van de operatie in en om Kosovo.


53.

Veranderingen in conflicten of in de houding van betrokken partijen in conflicten kunnen de internationale gemeenschap noodzaken de aard van de aanwezigheid te wijzigen. Denkt de regering al afdoende antwoorden te hebben op zulke wijzigingen? In Bosnië was UNPROFOR niet voorbereid en ingericht op de schending van de afspraken. Later werd als mogelijk antwoordt daarop het concept van Rapid Reaction Force ontwikkeld. Ter bescherming van waarnemers in Kosovo was er de Extraction Force. Zijn dit de antwoorden op mogelijke wijzigingen van omstandigheden in vredesmissies? Of zijn nog andere concepten in ontwikkeling of gewenst? (blz. 37)

Uit de ervaringen met vredesoperaties is gebleken dat interveniërende partijen altijd geconfronteerd kunnen worden met plotselinge overgangen van geweldsintensiteit op alle niveaus van militair optreden. Daarom is escalatiedominantie bij elk optreden noodzakelijk. Zo kunnen de eigen troepen effectief worden beschermd. Bovendien kan escalatiedominantie zodanig afschrikkend werken, dat de uitvoering van de opdracht beter kan worden verzekerd. Een vredesmacht moet in staat zijn militair overwicht te behouden over de strijdende partijen. Dat is een les van Unprofor in Bosnië.

Bij de mandatering, planning, bewapening en uitvoering van vredesoperaties wordt terdege rekening gehouden met de kans dat robuuster optreden nodig zou kunnen worden. Concepten als de «Rapid Reaction Force» en de «Extraction Force» zijn daar voorbeelden van. Daarnaast kennen troepenmachten als Sfor en Kfor escalatiedominantie in de vorm van reserves op diverse niveaus. Zo zijn er tactische, operationele en strategische reserves. Tactische en operationele reserves zijn vooral aanwezig in het operatiegebied, strategische reserves kunnen daar op zeer korte termijn naartoe worden gebracht. Nederland draagt met een mariniersbataljon, een mortiercompagnie en een transportpeloton bij aan de strategische reserve van Sfor en Kfor.

Voor vredesoperaties hoog in het geweldsspectrum in en nabij Europa geeft de regering de voorkeur aan samenwerking in Navo-verband. De Navo is een ervaren en beproefde organisatie, waarin de krijgsmachten goed op elkaar zijn ingespeeld. Daarnaast beschikt de Navo over voldoende planningscapaciteit en militaire middelen om in conflicten snel op niet-voorziene veranderingen in te springen. De omstandigheid dat een vredesoperatie in Navo-verband wordt uitgevoerd, houdt daarom op zichzelf al een aanzienlijke mate van escalatiedominantie in.


54.

Wordt overwogen om ter verbetering van Cimic_activiteiten gezamenlijke oefenprogramma's op te zetten voor militairen, civiele autoriteiten en NGO's? (blz. 38)

De VN verzorgt opleidingen voor Cimic-personeel, waaraan ook Nederland deelneemt. Verder vindt al op kleine schaal samenwerking plaats tussen militairen en civiele autoriteiten en organisaties, waarbij vooral wordt deelgenomen aan wederzijdse symposia en conferenties. In de toekomst zullen op beperkte schaal Cimic-oplei-dingen worden verzorgd die toegankelijk zijn voor zowel militair als civiel personeel.


55.

In welke gevallen worden fondsen voor Cimic ter beschikking gesteld door Ontwikkelingssamenwerking? (blz. 38)

Wanneer Nederlandse militairen in het kader van een vredesoperatie in een bepaald gebied zijn gestationeerd, kunnen vanuit Ontwikkelingssamenwerking fondsen ter beschikking worden gesteld voor kleinschalige wederopbouw-activiteiten. Belangrijke overwegingen bij de toekenning van middelen voor dergelijke activiteiten zijn:


- de behoefte aan wederopbouwactiviteiten;


- de mate waarin wederopbouwactiviteiten kunnen bijdragen aan het vredesproces;


- de bijdrage die de uitvoering van wederopbouwprojecten kan leveren aan de relatie tussen de betrokken militairen en de lokale bevolking.

Bepalend voor de toekenning van geld voor deze kleine wederopbouwprojecten zijn voorts de betrokkenheid van de lokale bevolking en autoriteiten bij de identificatie en uitvoering van projecten, een evenwichtige verdeling van fondsen over de betrokken bevolkingsgroepen, de duurzaamheid van de projecten, en een goede coördinatie met andere organisaties die soortgelijke projecten uitvoeren.


56.

Zijn de `kleine projecten' die Nederlandse eenheden van Sfor in Bosnië uitvoer(d)en al eens geëvalueerd? Zo nee, komt er nog een evaluatie? Zo ja, kan die ter kennis gebracht worden van de Kamer? (blz. 38)

Het ligt in het voornemen om vanuit het ministerie van Buitenlandse Zaken de wederopbouw-projecten die onder toezicht en met assistentie van Nederlandse Sfor-eenheden in Bosnië worden uitgevoerd systematisch te evalueren. Zo'n evaluatie is nog niet eerder uitgevoerd. Indien gewenst, kunnen de uitkomsten van deze evaluatie aan de Kamer ter kennis worden gebracht.


57.

Kan een overzicht worden gegeven van de aanvullende kosten die Ontwikkelingssamenwerking sinds 1996 voor de inzet van delen van de krijgsmacht voor de humanitaire hulpverlening heeft betaald? In hoeverre vallen deze kosten buiten de ODA_norm? (blz. 39)

Ontwikkelingssamenwerking heeft in 1996, 1997, en 1998 in totaal f.
10,4 miljoen uitgegeven voor de inzet van delen van de krijgsmacht voor humanitaire hulpverlening. Slechts f. 50.000 betreft non-ODA. De Defensie-inzet waarvoor deze kosten werden gemaakt betreft onder andere de hulpoperatie na de orkaan Mitch in 1998, de aardbeving in Afghanistan in 1998 en de wereldwijde inzet gedurende 1996, 1997 en
1998 van vliegtuigen. De kosten voor 1999 - waaronder de projectkosten van het geniehulpbataljon in Kosovo - die in 2000 dienen te worden verrekend, worden geraamd op totaal f. 6 miljoen.


58.

Hoe functioneert de MCDU? Is het functioneren van dit VN_orgaan een van de redenen dat landen hulp ter beschikking stellen buiten de MCDU om? Heeft Nederland de laatste jaren hulp verleend buiten de MCDU om? Zo ja, waarom? (blz. 39)

De «Military and civil defence unit» (MCDU) van de VN fungeert als intermediair tussen de lidstaten en de Volkerenorganisatie inzake de behoefte aan en de beschikbaarheid voor noodhulp. De rol van de MCDU beperkt zich tot het doorgeleiden van de aanvragen van hulpbehoevende landen of organisaties naar de lidstaten en tot het actueel houden van de status van de lopende hulpaanvragen. Ook informeert de MCDU de lidstaten over reeds geleverde middelen, opdat duplicatie van inspanningen wordt voorkomen. In sommige gevallen is de MCDU in mindere mate, of zelfs geheel nietbetrokken bij de inzet van militaire middelen voor humanitaire bijstand. Het betreft dan hulpaanvragen die niet via de VN worden geleid en dus bilateraal worden gedaan. Nederland heeft de laatste jaren meerdere malen hulp verleend buiten de MCDU om. Het betrof hier bijstand aan de Nederlandse Antillen na een orkaanramp, het vervoer van hulpgoederen t.b.v. NGO´s en de uitvoering van kleinschalige en eenmalige humanitaire inspanningen buiten rampenscenario´s om, waarvoor geen andere landen waren benaderd. De beslissing om de hulp bilateraal te verlenen houdt echter geen verband met het functioneren van de MCDU.


59.

Hoe kan de MCDU versterkt worden zodat coördinatieproblemen als bij de hulpverlening na de orkaan «Mitch» voorkomen kunnen worden? (blz. 39)

Het «Office for the coordination humanitarian affairs» (OCHA) van de VN, waaronder de MCDU ressorteert, zet bij rampen ook andere coördinatie instrumenten in, zoals «Undac-teams» (UN Disaster Assessment and Coordinationteams). Deze teams worden samengesteld uit oproepbare experts uit de lidstaten die ter plekke zorg dragen voor verkenning, identificatie van de ergste noden en coördinatie van de hulpinspanningen. OCHA combineert de inspanningen van de lidstaten door de gelijktijdige inzet van beide instrumenten, waarbij de Undac de MCDU vanuit het rampterrein aanstuurt. Nederland kan de rol van de MCDU versterken door participatie aan het Undac-systeem door te voeren. Zodoende kunnen verzoeken om hulp en bijstand worden afgestemd op het aanbod van militaire en civiele capaciteit die in Nederland voorhanden is. Problemen zoals bij de hulpverlening na de orkaan Mitch, worden hiermee mogelijk voorkomen. Coördinatieproblemen zijn, zeker wanneer overeen-gekomen procedures niet altijd worden gevolgd, echter nimmer uit te sluiten. Momenteel wordt onder leiding van het ministerie van Binnenlandse Zaken interdepartementaal overleg gevoerd in de werkgroep «internationale bijstandsverlening». De werkgroep onderzoekt de noodzaak van en de mogelijkheden voor de oprichting van een parate bijstandseenheid, waarbij ook het optimaliseren van de nationale en internationale coördinatie bij rampenhulp een streven is.


60.

Hoeveel tijd is nodig om van losse componenten (zoals bataljons) een samenhangend geheel te maken (zoals een brigade)? (blz. 40)

Dat hangt van de situatie af en kan variëren van een halve maand tot zes maanden. Hierbij is ook van invloed of de eenheid bestaat uit organieke eenheden of dat er een samengestelde eenheid wordt geformeerd.


61.

Wat wordt bedoeld met de passage dat Nederland zich geen zeer gespecialiseerde eenheden kan veroorloven? Welke conclusies moeten hieruit worden getrokken? Kunnen hiervan per krijgsmachtdeel een aantal praktische voorbeelden worden gegeven? (blz. 41)

Militaire eenheden zijn in beginsel bedoeld voor de uitvoering van gevechtstaken in het hoge deel van het geweldsspectrum. Met enige aanpassing en aanvullende opleiding zijn eenheden met dit vermogen eveneens in staat taken in het lagere deel van het geweldsspectrum uit te voeren. Het is niet gewenst «lichte» eenheden op te richten die alleen in staat zijn in het lage geweldsspectrum op te treden, omdat tijdens een operatie zo'n eenheid zelf in staat moet zijn over te gaan op een hoger geweldsniveau (de zogenaamde escalatiedominantie). Alleen dan kan een eenheid zelfstandig het hoofd blijven bieden aan oplopende spanningen. Als voorbeelden van de brede inzetbaarheid kunnen worden genoemd: een multi-purpose fregat dat een embargo-operatie uitvoert, de artillerie-afdeling in de Kfor-operatie, KDC-10 vliegtuigen die naast goederen- en personenvervoer ook «air-to-air-refueling»-taken hebben en marechaussee-opsporingsambtenaren die tevens kunnen optreden in ME_verband.


62.

Als er van uit wordt gegaan dat, los van hun organieke taak, alle eenheden vredesoperaties moeten kunnen uitvoeren, welke consequentie heeft die dan voor de opleiding van deze eenheden? (blz. 41)

Alle eenheden worden opgeleid en getraind voor hun organieke gevechts-, gevechtsondersteunende of logistieke taken. Daarnaast worden eenheden voorbereid op de uitvoering van vredesoperaties. Eenheden die worden uitgezonden, krijgen een speciaal op die missie gerichte aanvullende opleiding. Afhankelijk van het soort missie kan dit tijdelijk ten koste gaan van het trainings- en opleidingsniveau voor de genoemde organieke taken.


63.

In hoeverre wordt er bij het bepalen van de juiste omvang van de krijgsmacht rekening mee gehouden dat er zich ook onverwachte internationale ontwikkelingen kunnen voordoen? (blz. 41)

De, ook door de Navo onderschreven, analyse van de internationale veiligheidssituatie wijst uit dat er de komende jaren geen dreiging bestaat van een grootschalige aanval tegen het Navo-grondgebied. Mocht zich in de toekomst wel zo'n dreiging ontwikkelen, dan gaat dat gepaard met ingrijpende en tijdrovende voorbereidingen die internationaal niet onopgemerkt zullen blijven. Dit laat onverlet dat zich nog wel degelijk grote gewapende conflicten voordoen, zoals de operatie tegen Irak na de invasie in Koeweit. Die vergen snel beschikbare eenheden die overal ter wereld, in verschillende internationale verbanden inzetbaar zijn. Daarop zijn de plannen die in de Defensienota 2000 zijn gepresenteerd mede gericht.


64.

«Van Nederland mag worden verwacht dat het z'n aandeel draagt in de gezamenlijke lasten en niet parasiteert op andermans inspanningen.» Wordt met het aandeel van Nederland een evenredig aandeel bedoeld of wordt ook rekening gehouden met andere factoren, zoals draagkracht en risico? Hoe wordt de omvang van het Nederlandse aandeel bepaald? Bij welk inspanningsniveau is er sprake van het parasiteren op andermans inspanningen? (blz. 41)

Zoals in de Defensienota werd opgemerkt, zijn er geen rekenkundige formules voor de juiste omvang van de krijgsmacht. Voor een internationale vergelijking van defensieinspanningen is de hoogte van de defensieuitgaven als percentage van het BNP een veel gebruikte maatstaf. Maar er zijn meer criteria voor het bepalen van een redelijk aandeel, zoals de omvang van de strijdkrachten of de omvang en de aard van de bijdragen aan vredesoperaties. De reacties van de bondgenoten op de Defensienota 2000 geven eerder blijk van waardering voor de Nederlandse defensie-plannen dan van de vrees dat ons land zal parasiteren op andersmans inspanningen.


65.

Kan preciezer ingegaan worden op het begrip `belangen' als reden voor optreden? Zijn er belangen aan te geven die een optreden rechtvaardigen buiten het Navo_verdragsgebied en zonder dat er sprake is van een humanitaire interventie? Denken alle Navo_landen hierover hetzelfde of zijn er verschillen van mening over wanneer wel en wanneer niet buiten het verdragsgebied mag worden opgetreden? (blz.
42)

In de schets van de internationale veiligheidssituatie wordt aangegeven dat door internationale ontwikkelingen de belangen van Nederland kunnen worden geschaad. Voorbeelden daarvan zijn massale vluchtelingenstromen richting Europa en terroristische acties, maar ook verstoring van economische belangen, zoals de aanvoer van energie en de bedreiging van de belangen van Nederlandse onderdanen in het buitenland, zodat bijvoorbeeld evacuatie noodzakelijk is. Het gaat bovendien in de meeste gevallen niet om louter Nederlandse belangen, maar om belangen van alle bondgenoten. Het zal duidelijk zijn dat de in het geding zijnde belangen ernstig bedreigd moeten zijn om het laatste redmiddel van militair optreden te rechtvaardigen.

De factoren voor de afweging of een optreden buiten Navo-verdragsgebied gerechtvaardigd is, kunnen slechts in een concreet geval beoordeeld worden.


66.

Wordt het ambitieniveau bepaald aan de hand van de aanwezige militaire capaciteiten of bepaalt het ambitieniveau de te leveren militaire inspanning en de daarbij behorende capaciteit? (blz. 42)

Er bestaat een wisselwerking tussen beide. Gekozen is voor een ambitieniveau dat recht doet aan de omvang en het vermogen van Nederland, waarbij uiteraard tevens rekening is gehouden met de thans aanwezige capaciteiten.


67.

De voorgestelde personele uitbreiding heeft onder meer tot doel de uitzenddruk bij het huidige personeel te verlagen. Wanneer men in het jaar 2000 er niet in slaagt de extra aantallen personeel te werven ligt het dan niet voor de hand dat het ambitieniveau dan wordt verlaagd? (blz. 42)

De uitzenddruk voor het personeel van de krijgsmacht overschrijdt vooral bij bepaalde specialistische categorieën soms de norm van 1 :
3. Het streven is erop gericht door de in de Defensienota uiteengezette maatregelen op termijn voor iedereen de druk te verminderen. Voorts zal in de werving extra aandacht worden besteed aan bedoelde specialistische categorieën. De regering vertrouwt er tegen deze achtergrond op dat de doelstelling voor de werving in 2000 wordt gehaald.


68.

Bij deelname van de Klu aan vredesoperaties wordt uitgegaan van deelname van één squadron per vredesoperatie of 3 squadrons per vredeafdwingende operatie p.42). Er van uitgaande dat de luchtoorlog tegen Servië een vredesafdwingende operatie is geweest heeft de luchtmacht deze capaciteit niet geleverd. Is de Klu wel in staat om het ambitieniveau van 3 squadrons voor een vredeafdwingende operatie in de toekomst te kunnen leveren, ervan uitgaande dat er slechts 5 squadrons overblijven? Zo ja, op welke wijze en voor welke duur? (blz.
42)

Ook als de Koninklijke luchtmacht over vijf squadrons beschikt, kan de ambitie om gelijktijdig drie squadrons te leveren voor een vredeafdwingende operatie worden verwezenlijkt. Zoals uit het antwoord op vraag 69 blijkt, is de bijdrage aan «Allied Force» groter geweest dan één organiek squadron.

Het uitgangspunt is dat bij een vredeafdwingende operatie een eenmalige bijdrage wordt geleverd, bijvoorbeeld van drie F-16 squadrons, die niet behoeven te worden afgelost. De duur van een vredeafdwingende operatie is in beginsel beperkt; het streven zal er op gericht zijn het conflict op zo korte mogelijke termijn te beëindigen. Bij uitzending van een F-16 squadron is ondersteuning vanaf de thuisbasis onontbeerlijk.


69.

Kan een overzicht worden gegeven van datgene dat meer is ingezet dan een organieke squadronsterkte tijdens de operaties vanuit Amendola? (blz. 42)

Zoals ook tijdens «Allied Force» is gebleken, moeten F-16 squadrons tijdens operaties in staat zijn de tegenstander 24 uur per dag onder druk te zetten. De hiervoor benodigde capaciteit is niet organiek aanwezig in de reguliere squadrons. Een F-16 squadron beschikt over achttien vliegtuigen. In aanvulling op het uitgezonden squadron werden tijdens operatie «Allied Force» twee extra F_16's voor luchtverkenning uitgezonden. Voor regulier en bijzonder hoger onderhoud (onder meer inspecties na 200 vlieguren in verband met de veeleisende operationele inzet)en voor tussentijdse modificatieprogramma's (inbouw van de laserdoelaan-stralingssystemen) zijn frequent vliegtuigen tussen Italië en Nederland gewisseld. Deze hierbij betrokken vliegtuigen werden veelal door het ondersteunende squadron op de thuisbasis geleverd. Daardoor was een aanzienlijk groter aantal vliegtuigen bij de operatie betrokken dan de organieke achttien van het uitgezonden squadron. De organieke personeelssterkte van een volledig gevuld F-16 squadron bedraagt 172 personen. Tijdens «Allied Force» liep de personeelssterkte van het luchtmacht detachement in Italië op tot 338 man. De aanvulling bestond uit stafpersoneel (25), bewakingspersoneel (60 personen), technisch personeel (45 personen) en overig ondersteunend personeel (36 personen). Door deze aanvullingen kon in shifts worden gewerkt waardoor 24-uurs operaties mogelijk waren. Het uitgezonden personeel was niet alleen afkomstig van het squadron dat was uitgezonden. De aanvulling geschiedde vanuit het personeelsbestand van het tweede squadron op de thuisbasis en vanuit het personeels-bestand van de vliegbasis.


70.

Is de introductie van de mogelijkheid deel te nemen aan een vredeafdwingende operatie met een brigade of equivalent daarvan niet een verhoging van het ambitieniveau ten opzichte van Hoofdlijnennotitie en regeerakkoord? Een brigade is meer dan de verzameling van een aantal bataljons en veronderstelt ook de inzet van brigadeondersteunende eenheden. Waarom nu ineens de mogelijke inzet van een brigade? Wat betekent dit voor het voortzettingsvermogen na een half jaar? (blz. 42)

Er is geen sprake van een verhoging van het ambitieniveau. In het Regeerakkoord, de Hoofdlijnennotitie, maar ook al in de Prioriteitennota is sprake van het kunnen uitzenden van een brigade (of een equivalent daarvan) voor vredeafdwingende operaties. Hierbij wordt ook rekening gehouden met benodigde ondersteunende eenheden. In beginsel wordt een brigade ineen vredeafdwingende operatie niet afgelost. Als een Nederlandse brigade op maximale sterkte is uitgezonden, is er immers onvoldoende aflossingscapaciteit beschikbaar.


71.

Op basis van welke criteria wordt beslist of eenheden voor een vredesafdwingende operatie worden ingezet of in het kader van een vredesoperatie elders worden ontplooid? (blz. 43)

Bij de afweging of eenheden voor een vredeafdwingende operatie onttrokken moeten worden aan een vredesoperatie elders, hanteert de regering onder meer de aandachtspunten uit het Toetsingskader voor de uitzending van militaire eenheden (1995).


72.

Het ambitieniveau is geen dode letter. De huidige inspanningen op de Balkan onderstrepen dit. De regering wil dan ook het ambitieniveau uit de prioriteitennota handhaven. Is hier sprake van een contradictio in terminis? Indien het ambitieniveau geen dode letter is zou het toch aan de huidige omstandigheden moeten worden aangepast. In werkelijkheid is de Nederlandse inzet vaak hoger dan het ambitieniveau uit de prioriteitennota 1993. Alleen in Bosnië zitten wij immers al negen jaar. (blz. 45)

Het ambitieniveau zou een dode letter zijn als de krijgsmacht niet in staat is die doelstelling te halen. Dat is de krijgsmacht wel. Zoals elders in de Defensienota 2000 is uiteengezet beschikt de krijgsmacht over een groot aantal eenheden die kunnen worden uitgezonden; dit verschaft de regering een zekere keuzemogelijkheid en maakt inzet voor langere tijd mogelijk. Het in de Prioriteitennota geformuleerde ambitieniveau is dan ook geen absolute norm die voortdurend aan de werkelijke situatie moet worden aangepast.


73.

Op bladzijde 45 wordt geconstateerd dat er grenzen zijn aan het budget. Daardoor konden sommige voornemens niet volledig in plannen worden omgezet. Een gulden geeft je immers maar een keer uit. Het gaat er dus vooral om welke keuzes je maakt. Er is vastgesteld dat in de komende tijd het komen tot een Europese Defensie identiteit wellicht een van de belangrijkste ontwikkelingen is voor de krijgsmacht. Is het in dat licht niet werkwaardig dat dan de keuze juist niet valt op het inrichten van een Combind joint task forces, commmandofaciliteiten op het tweede amfibische schip. Juist op het moment dat Nederland zegt dat het Duits-Nederlandse leger gehandhaafd dient te worden maar dan wel omgevormd dient te worden opdat het ingezet zou kunnen worden als kernstaf van een combined joint task force. (blz. 45)

De mogelijke inzet van de staf van het Duits-Nederlandse legerkorps als staf van een (Europees) «Rapid Reaction Corps» past volledig in de ontwikkeling naar een Europese defensie- identiteit. Dat geldt ook voor de wens om op het tweede amfibische transportschip van de Koninklijke marine te kunnen beschikken over commandofaciliteiten voor het leiden van een grote internationale operatie met verschillende krijgsmacht-delen («combined» en «joint»). De financiële ruimte voor dergelijke voorzieningen kan ontstaan als de voorgenomen doelmatigheidsmaatregelen meer opbrengen dan nu geraamd, of als de financiering in internationaal verband kan worden overeengekomen.


74.

Waarom wordt in de prioriteitstelling geen voorrang gegeven aan de vervanging van Bölkow en Alouette_helikopters, terwijl deze helikopters passen in het nieuwe concept van het zich meer richten op gewondenvervoer door de lucht? (blz. 46)

De Defensienota geeft nu juist wel prioriteit aan de vervanging van de Bölkow- en Alouette-helikopters. Vanwege financiële beperkingen is het precieze aantal te verwerven helikopters nog niet vastgesteld.


75.

Waarom wordt prioriteit gegeven aan aantal extra functies voor de Koninklijke Marechaussee ten behoeve van vredesoperaties (blz. 46)


76.

Waarom wordt de personele uitbreiding van de Kmar die als gewenst en noodzakelijk wordt gezien, afhankelijk gesteld van meer opbrengsten bij doelmatigheid. Is hier het personeel niet het kind van de rekening? Het betreft toch hoofdzakelijk taken die worden uitgevoerd ten behoeve van andere ministeries? Waarom wordt aan deze ministeries niet eenvoudigweg de rekening gepresenteerd voor de personele uitbreiding? (blz. 46)


312.

Waarom wordt niet overwogen om de deelname van Kmar personeel aan vredesoperaties (internationale politietaak) voorlopig te stoppen om andere knelpunten op te lossen? (blz. 166)


315.

In verband met vredesoperaties is het streven de Koninklijke Marechaussee uit te breiden met honderd militairen. De financiën hiervoor zouden beschikbaar moeten komen uit onder meer hogere doelmatigheidsopbrengsten, zou de regering dit kunnen toelichten? (blz. 169)

Gezien het belang van crisisbeheersingsoperaties in het algemeen en civiele politiemissies in het bijzonder acht de regering het gewenst een aantal van ongeveer honderd functies toe te voegen aan de Koninklijke marechaussee met het oog op de bijdragen van dit krijgsmachtdeel aan dergelijke operaties.

Gelet op dit belang en op het feit dat het bij uitstek een kerntaak betreft van de Koninklijke marechaussee, wordt niet overwogen de inzet van marechaussees voor vredesoperaties en civiele politiemissies (tijdelijk) te stoppen. Zoals in hoofdstuk 9 van de Defensienota uiteengezet is, is een structurele spanning onstaan tussen taken en middelen, waardoor vaak een afweging moet worden gemaakt tussen uitzending voor vredesoperaties en uitvoering van nationale taken. De gewenste uitbreiding heeft tot doel deze spanning te verminderen. De uitbreiding is afhankelijk gesteld van opbrengsten van doelmatigheid, omdat deze ruimte in het huidige Defensiebudget vooralsnog niet kon worden gevonden. Vergroting van de omvang van de Koninklijke marechaussee ten behoeve van internationale politiemissies zal binnen het defensiebudget moeten worden geaccommodeerd of uit een verhoging van de defensiebegroting. Zie ook de antwoorden op de vragen 311, 313 en 316.


77.

Waarom worden 150 functies extra paraat gesteld ten behoeve van de RPV_eenheden? Waarom heeft dit zo'n hoge prioriteit terwijl andere personele knelpunten niet worden opgelost? (blz. 49)


78.

Wat is tot nu toe de behoefte geweest aan RPV eenheden bij vredesoperaties? Welke landen hebben deze geleverd? Hoe staat het met de voortzettingscapaciteit er van uitgaande dat men minimaal 3 jaar aan een operatie deelneemt. Is de regering bereidt deze uitbreiding te heroverwegen ten behoeve van de oplossing van andere personele knelpunten? (blz. 49)

Van de genoemde 150 functies zijn er ongeveer dertig bestemd voor de RPV-batterij, de overige zijn bedoeld voor het paraatstellen van mobilisabele delen van de mortieropsporings-batterij en de EOV-compagnie. De RPV voorziet vooral in de behoefte van de Nederlandse divisie aan capaciteit voor doelopsporing en het verzamelen van gevechtsinlichtingen. Daarnaast is de RPV gericht op de internationale behoefte aan meer van deze geavanceerde middelen voor vredesoperaties. Bij de oprichting van Ifor, Sfor, de «Extraction Force» en Kfor is steeds een behoefte gesteld aan RPV-eenheden. Bij vredesoperaties is er voortdurend informatie nodig over de activiteiten van de strijdende partijen. Niet alleen de Verenigde Staten, maar ook Engeland en Frankrijk hebben hun RPV's ingezet in Bosnië, en meer recent in Kosovo. De behoefte bij Kfor is door Duitsland ingevuld. Nederland is al geruime tijd bezig met het invoeren van een eigen RPV, de Sperwer.

De volledige paraatstelling houdt verband met genoemde behoefte bij aan RPV's bij vredesoperaties en de daardoor veroorzaakte uitzenddruk. Het voortzettingsvermogen moet dus worden aangepast door invoering van de driedeling (voorbereiden, uitzenden, recupereren); volledige paraatstelling van de RPV-batterij komt hieraan tegemoet. Uitgaande van de huidige norm voor uitzending is het voortzettingsvermogen daardoor voor langere tijd verzekerd. De RPV-batterij kan, zodra deze operationeel gereed is (medio 2001), worden ingezet voor vredesoperaties.


79.

In hoeverre zijn de negen eenheden van bataljonsgrootte voor speciale taken inzetbaar als (gepantserde) infanterie? Zijn deze eenheden bruikbaar als roulatie eenheden voor bijvoorbeeld pantserinfanterie of mariniers? (blz. 49)

Deze bataljons (genie, luchtdoelartillerie, veldartillerie, verbindingen) zijn volledig inzetbaar voor vredesoperaties, maar in beginsel niet geschikt voor de uitvoering van infanterietaken. De uitvoering van infanteriegevechtstaken blijft voorbehouden aan de pantserinfanterie, de luchtmobiele infanterie, de commando's en de mariniers. Na implementatie van de Defensienota beschikt de Nederlandse krijgsmacht over zes gemechaniseerde en zes lichtere infanteriebataljons. Alleen deze 12 eenheden zijn geschikt om hun infanterietaken ook te blijven uitvoeren na escalatie naar een hoger geweldsniveau. Slechts in zeer specifieke omstandigheden, waarbij het onwaarschijnlijk is dat het conflict escaleert, worden de hier bedoelde bataljons ingezet voor lichte infanterietaken. Gebruik van pantservoertuigen wordt daarbij niet voorzien.


80.

Op basis van welke gegevens en informatie zijn de grenzen van de wervingsmogelijkheden bepaald? (blz. 49)

De huidige inzichten inzake de grenzen van de wervingsmogelijkheden ten behoeve van de landstrijdkrachten berusten op de ervaringen van de afgelopen drie jaar, toekomstige maatschappelijke ontwikkelingen en voorgenomen verbeteringen in de personeelsvoorziening.

De personeelsvoorziening vergt, gelet op de krapte op de arbeidsmarkt, sinds 1997 grote inspanningen . Bekend zijn de belangstelling voor BBT-banen in die periode, de sinds 1997 behaalde aanstellingsresultaten en het bijtekengedrag van BBT-personeel. Verder wordt bij een beschouwing van de kansen op de arbeidsmarkt in de komende periode rekening gehouden met demografische ontwikkelingen. De arbeidsmarktmonitor Defensie is een hulpmiddel voor de besluitvorming over de wijze waarop op de arbeidsmarkt kan worden opgetreden en hoe kan worden ingespeeld op knelpunten of tekorten binnen die markt.

In de Defensienota worden maatregelen aangekondigd die niet alleen zullen moeten leiden tot een verbetering van de huidige personeelsvoorziening maar ook tot een betere positie van Defensie op een gespannen arbeidsmarkt.

De voor de Koninklijke landmacht geplande uitbreiding aan infanteriecapaciteit leidt in samenhang met de veronderstelde gemiddelde verblijfsduur van BBT-ers van vijf jaar tot een extra druk op het te behalen wervingsresultaat; maar de gestelde doelen blijven haalbaar.

Bovenstaande inzichten en maatregelen tezamen geven een reëel beeld van de mogelijkheden van werving en personeels-voorziening. Vanuit die optiek is het op dit moment, gegeven de krapte op de arbeidsmarkt, niet verstandig hogere aanvullende behoeften te stellen dan in de Defensienota is gebeurd. In die zin zijn de grenzen van de wervingsmogelijkheden bereikt.


81.

Waarom worden 1 of 2 marinierbataljons niet ter beschikking gesteld aan het Duits_Nederlandse legerkorps nu zij doorgaans toch alleen maar infanterietaken uitvoeren? (double hatted toewijzing) (blz. 50)

De taakstelling van het Korps mariniers, vooral gericht op de inzet in de «UK/NL Amphibious Force», is anders dan die van het Duits-Nederlandse legerkorps. De uitrusting, de specifieke vaardigheden en de daarop toegesneden organisatie van het Korps mariniers verhinderen structurele onderbrenging in het legerkorps. Wel kunnen eenheden van het Korps flexibel worden ingepast in grotere organisatieverbanden en kunnen zij bijvoorbeeld bij vredesoperaties in bepaalde scenario's onder (multinationale) legerkorpsstaven functioneren, zoals ook geldt voor de staf van het- Duits-Nederlandse legerkorps.


82.

Op welke termijn zal personeel van mortiereenheden worden opgeleid voor artillerie en omgekeerd? (blz. 50)

Op ad hoc basis gebeurt dit al, zoals bij Sfor waar artilleristen zijn ingezet als mortierpersoneel bij een pantserinfanteriebataljon. Vergelijkbare vormen van meervoudige inzetbaarheid worden verder uitgewerkt. Vanwege de relatie met ondermeer ontwikkelingen op opleidingsgebied is hiervoor nog geen termijn aan te geven.


83.

Is er bij de norm voor uitzendingen, afgezien van vrijwillige uitzending, sprake van een absoluut maximum? (blz. 50)


84.

Hoe verhoudt de beschikbaarheid van drie vergelijkbare eenheden zich met het streven naar de bestaande norm voor uitzendingen als maximum? (blz. 51)

De uitzendnorm dat personeel maximaal eens per anderhalf jaar voor zes maanden wordt uitgezonden, wordt in beginsel door alle krijgsmachtdelen gehanteerd. Zoals beschreven in de notitie «Personeelszorg rond vredesoperaties» (Kamerstuk 26 933, nr. 1) moet in een gering aantal gevallen deze norm worden overschreden, waarbij overigens in de meeste gevallen een beroep kan worden gedaan op vrijwilligers. Het gaat vooral om personeel in categorieën waar tekorten zijn. Met de in de Defensienota aangekondigde maatregelen kan naar verwachting - op termijn - een overschrijding van de norm worden voorkomen.

De beschikbaarheid van drie vergelijkbare eenheden is het noodzakelijke minimum om de uitzendnorm te kunnen handhaven. Immers van deze drie vergelijkbare eenheden is er één uitgezonden, één bereidt zich voor op uitzending en één bevindt zich in de recuperatiefase. Zoals in de Defensienota beschreven zal de uitbreiding van het aantal parate functies leiden tot een uitbreiding van het beschikbare aantal bataljons(equivalenten), waardoor de uitzendnorm gaandeweg de betekenis van een maximum krijgt en het personeel dus in de praktijk minder vaak dan eens per anderhalf jaar wordt uitgezonden.


85.

De Koninklijke luchtmacht zal de inzet van de
luchtverkenningscapaciteit van de jachtvliegtuigen flexibeler en doelmatiger maken. Gaarne een toelichting hierop in het kader van de inkrimping. (blz. 51)


294.

De verkenningscapaciteit van het 306 squadron is gespecialiseerd in fotoverkenning. Wat zijn de operationele consequenties van het verdelen van deze capaciteit over meerdere squadrons? (blz. 154)

Nu is de luchtverkenningscapaciteit geconcentreerd bij het 306 squadron. Vanwege de continue behoefte aan luchtverkennings-capaciteit tijdens crisisbeheersingsoperaties worden delen van 306 squadron als niet-organieke eenheid aan uitgezonden squadrons toegevoegd. Hierdoor is naast ondersteuning vanaf de thuisbasis van het uitgezonden squadron tevens continue ondersteuning nodig vanaf de thuisbasis van het 306 squadron. Dit was in de afgelopen zes jaar vrijwel voortdurend het geval. Dat heeft geleid tot een continue belasting van het 306 squadron en het ondersteunend personeel van vliegbasis Volkel. Hierdoor is de in driedeling voorziene recuperatieperiode voor vliegbasis Volkel nooit goed uit de verf gekomen. Door de luchtverkenningstaak over de drie F-16-bases te verdelen, zal elk squadron met een hoge gereedheidsstatus over een organieke luchtverkenningscapaciteit gaan beschikken. Dit geeft voordelen op het gebied van training en voorbereiding op en ondersteuning van operaties. Dan volstaat ondersteuning vanaf één thuisbasis. Met de verdeling van de luchtverkenningstaak is de flexibele inzet geoptimaliseerd waarmee, ondanks de opheffing van het luchtverkenningssquadron, een volwaardige verkenningscapaciteit wordt behouden.

Zie ook het antwoord op vraag 293.


86.

Waarom is, gezien het grote belang dat wordt gehecht aan een versterkte samenwerking tussen de krijgsmachtonderdelen, niet besloten de operationele bevoegdheden van de Chef defensiestaf uit te breiden, ook buiten het gebied van crisisbeheersings_, vredes_ en humanitaire operaties? (blz. 51)


115.

Is overwogen de centrale planningsfunctie los te koppelen van de Chef defensiestaf en onder te brengen bij een aparte planningsfunctionaris? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat zijn de overwegingen geweest om hiertoe niet over te gaan? (blz. 67)

In het kader van het Veranderingsproces Defensie zijn de verantwoordelijkheden van de Chef defensiestaf en de bevelhebbers scherper afgebakend. In hoofdstuk 3 van de Defensienota is de besturing van de defensie-organisatie uitvoerig behandeld. De Chef defensiestaf is eerstverantwoordelijke voor de planning, voorbereiding en het toezicht op de uitvoering van crisisbeheersings-, vredes-, en humanitaire operaties. De bevelhebbers zijn verantwoordelijk voor het gereedstellen en het instandhouden van eenheden. Ook de nazorg is een verantwoordelijkheid van bevelhebbers. Bij operaties die niet vallen onder crisisbeheersings-, vredes-, of humanitaire operaties zal deze scheiding in verantwoor-delijkheden eveneens worden gevolgd.

In het kader van de Strategische Toekomst Discussie Defensie is het voorstel gedaan de centrale planningsfunctie niet langer te laten vervullen door de Chef Defensiestaf. Dit voorstel is niet overgenomen. De CDS is de hoogste militaire adviseur van de bewindslieden als het gaat om het formeren, in stand houden en inzetten van de krijgsmacht. In deze verantwoordelijkheid heeft hij de leiding over het Integrale Defensie Planningsproces, waarin een zorgvuldige afweging wordt gemaakt over de inzet middelen en de te stellen prioriteiten. Omdat de CDS ook verantwoordelijk is voor de operationele inzet van eenheden bij crisisbeheersingsoperaties is hij in staat de hierbij opgedane ervaringen bij dit proces te betrekken. Het is juist deze koppeling van verantwoordelijkheden die het mogelijk maakt op een afgewogen wijze de krijgsmacht in te richten voor haar taken.


87.

Is het niet buiten de werkelijkheid om het joint_optreden van de VS en het VK als voorbeeld te nemen voor Nederland? Het is toch onwaarschijnlijk, zo niet ondenkbaar dat Nederland in geografische zin (verantwoordelijkheid voor gebied) en bevelstechnisch een zodanige rol vervult dat er sprake is van een Nederland joint optreden? (blz. 51)


88.

Beseft de regering dat als over `joint optreden' gesproken wordt dat Nederland slechts toeleverancier is van modules en bij vredesoperaties niet de operationele leiding heeft, maar deze overdraagt aan de betreffende organisatie (Navo, VN enz)? (blz. 51)

Zie het antwoord op vraag 1


89.

Welke concrete gevolgen verbinden de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk aan de noodzaak de krijgsmachtdelen voor te bereiden op gezamenlijk optreden? (blz. 51)

Het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten zijn de grondleggers van het «joint» optreden; het Amerikaanse «air-land battle» concept uit de jaren tachtig is hiervan een belangrijk voorbeeld. De «jointness» heeft zich in beide landen verder ontwikkeld door de opstelling van «joint» publicaties (bijvoorbeeld op het gebied van doctrine, opleiding en training), uitwisseling van personeel tussen de krijgsmachtdelen, interservice verwerving van materieel, gezamenlijk optreden van eenheden, centra en hoofdkwartieren. Voorbeelden hiervan in het Verenigd Koninkrijk zijn de oprichting van het «Joint Doctrine and Concept Centre», het «Joint Nuclear Biological and Chemical Defence Regiment», het «Joint Helicopter Command» en het «Permanent Joint Headquarters (PJHQ)».


90.

Er van uitgaande dat inzet tegelijkertijd van KL en Klu luchtverdedigingseenheden in hetzelfde gebied onder Nederlands commando vooral een theoretische optie is, is het dan geen geldverspilling om alle eenheden te gaan concentreren in de Peel? (blz. 52)

Voor een effectieve luchtverdediging is een gelaagde verdediging noodzakelijk bestaande uit een combinatie van luchtafweersystemen.De desbetreffende eenheden moeten uiteraard effectief kunnen samenwerken. Concentratie op de Peel is niet alleen doelmatiger (het gecombineerde functiebestand is aanzienlijk kleiner), maar bevordert ook de gezamenlijke trainingsmogelijkheden en kennisuitwisseling. Dit draagt bij tot een grotere operationele effectiviteit van de luchtverdediging.


91.

Wanneer zal het «Joint air defence centre» worden opgericht? (blz. 52)

Het «Joint Air Defence Centre» komt geleidelijk tot stand. De precieze organisatie moet nog nader worden vastgesteld. Het streven is erop gericht de basisstructuur van het JADC in 2004 op te richten.


92.

De verschuiving in het concept van gewondenvervoer van `via de grond' naar `via de lucht' wordt mogelijk gemaakt door de aanschaf van nieuwe lichte helikopters. Betekent dit dat de te vervangen vervoerscapaciteit over de grond ingekrompen kan worden? Zeker gezien het deels mobilisabel zijn van dat bestand? (blz. 52)

Zowel bij de evacuatie van zieken en gewonden naar Nederland, als bij het transport in het operatiegebied zal evacuatie over de grond voor een deel worden vervangen door luchttransport. Er zal echter altijd behoefte aan grondgebonden transport blijven bestaan, vooral omdat luchttransport niet onder alle omstandigheden kan worden verzekerd. Bovendien dekt het aantal van zestien lichte helikopters de behoefte aan gewondenafvoer tijdens de bondgenootschappelijke verdediging niet geheel af. Daarom zal ook in het reservebestand grondgebonden ambulancecapaciteit moeten blijven bestaan. De precieze omvang van de grondgebonden component is nog onderwerp van de studie over het nieuwe medische zorgconcept.


93.

Kan een overzicht worden gegeven van de overeenkomsten met verschillende landen over het gebruik van transportvliegtuigen? (blz.
53)

De Koninklijke luchtmacht heeft overeenkomsten over het gebruik van transportvliegtuigen gesloten met Duitsland, België, het Verenigd Koninkrijk en Noorwegen.


94.

Met een tweede ATS wordt vooral de transportcapaciteit over zee vergroot. Hoe verhoudt zich dat tot de mogelijkheden transportcapaciteit in te huren op de civiele markt? Welke meerwaarde buiten zijn transportfunctie heeft een tweede ATS, gezien het feit dat het eerste ATS al voorziet in landingsfaciliteiten, medische faciliteiten, e.d.? (blz. 53)


222.

In hoeverre is de behoefte onderbouwing van een tweede ATS kunstmatig? Het transport van militair materieel kan toch met een civiel schip plaatsvinden zoals tot nu toe gebruikelijk is geweest? Voor het afmeren aan een kade heeft men toch geen ATS nodig? Er van uitgaande dat inzet van grondtroepen primair toch in Europa zal plaatsvinden ligt vervoer per spoor toch meer voor de hand? Is een afweging gemaakt van het inhuren van deze capaciteit en het aanschaffen en in bedrijf houden van een tweede ATS? (blz. 119)

De behoefte aan strategische zee- en amfibische transportcapaciteit is een reeds lang in de Navo bestaande behoefte en is opnieuw vastgesteld in het kader van het recente «Defence Capabilities Initiative». Voor de invulling ervan levert een militair amfibisch transportschip belangrijke voordelen: de onmiddellijke en gegarandeerde beschikbaarheid, en de operationele inzetbaarheid onder alle omstandigheden, ongeacht de aanwezige infrastructuur op de gewenste debarkatieplaats; de lading kan over het strand, door de lucht of in een haven geladen en gelost worden.

Zie ook het antwoord op vraag 227.

De beschikbaarheid van civiel transport kan niet met dezelfde zekerheid worden gegarandeerd. Militair materieel kan weliswaar per civiel schip worden vervoerd, maar is dan niet meer onder alle omstandigheden gewaarborgd; daarbij gaat het bijvoorbeeld om transport naar of in gebieden waar het risico van schade ten gevolge van oorlogshandelingen door strijdende partijen voor de civiele rederij onaanvaardbaar wordt geacht. Vervoer per spoor van troepen en militair materieel behoeft per definitie toestemming van alle landen wier grondgebied wordt gebruikt. Vooral landen in de directe omgeving vanhet conflictgebied blijven doorgaans zo lang mogelijk afzijdig en ongebonden.

Mede omdat er behoefte is aan militaire strategische zee- en amfibische transportcapaciteit (die per definitie niet kan worden ingehuurd) is geen vergelijking gemaakt tussen kosten van inhuur van civiele zee- en spoortransportcapaciteit en het aanschaffen en in bedrijf houden van een tweede ATS.


95.

De staf van het Duits_Nederlandse legerkorps is ook beschikbaar voor crisisbeheersingstaken. Dergelijke mobiele en flexibele staven zijn schaars. Betekent dit dat de regering verwacht dat de internationale gemeenschap (VN of Navo) de leiding van een multinationale operatie overlaat aan een staf uit twee landen? Hoe realistisch is dat? (blz.
54)

Zie het antwoord op vraag 25.


96.

Op welke termijn en in welke mate is een verkleining van de verbindingseenheden te verwachten? (blz. 55)

In de periode 2001 - 2004 zal de Koninklijke landmacht de reorganisatie en decentralisatie van het operationele verbindingssysteem uitvoeren. De omvang van het nieuwe personeelsbestand is nog onderwerp van studie.


97.

Wat bedraagt het financiële voordeel als zou worden overgegaan tot opheffing van alle reserve_eenheden? (blz. 56)

Als alle reserve-eenheden zouden worden opgeheven, zullen de exploitatiekosten bij het Nationaal commando afnemen, omdat er geen materieel in mobilisatiecomplexen hoeft te worden aangehouden. Verder zal er een beperkt financieel voordeel zijn in de investeringen. Hierbij dient te worden bedacht dat reeds nu voor vele categorieën materieel geen reserves worden aangehouden. Ook is van belang dat reservematerieel veelvuldig wordt gebruikt voor opleidingen en wordt ingezet als logistieke verwisselvoorraad.

Naar schatting bedraagt de jaarlijkse financiële besparing in de periode van de Defensienota f. 55 à 60 miljoen. Ongeveer f. 18 miljoen hiervan betreft investeringen.


98.

Heeft de omstandigheid dat mobilisabele eenheden in toenemende mate bestaan uit voormalige BBT_ers gevolgen voor de paraatheid en effectiviteit van deze eenheden? (blz. 56)

Ja, BBT-personeel heeft, in tegenstelling tot de voormalige dienstplichtigen, vrijwillig en dus gemotiveerd gekozen voor een arbeidscontract voor een langere periode bij de Koninklijke landmacht. In deze periode hebben de meeste BBT'ers een gedegen opleiding genoten, veelal meer operationele functies doorlopen en zijn zij herhaaldelijk uitgezonden. Instroming van dit hoogwaardige beroepspersoneel na afloop van de contractperiode bij reserve-eenheden zal dan ook tot verhoging van de kwaliteit en effectiviteit van deze eenheden leiden.


99.

Waarom wordt het reservebestand verkleind, terwijl het verhoudingsgewijs kosteneffectief militair vermogen vertegenwoordigt? (blz. 56)

De opheffing van drie mobilisabele tankbataljons is verantwoord in het licht van de verminderde dreiging tegen het Navo-verdragsgebied. Deze halvering van het tankbestand betekent een forse vermindering van de slagkracht van de landmacht. De Nederlandse divisie beschikt na deze reorganisatie nog over drie gemechaniseerde brigades met elk een aanzienlijke reservecomponent, internationaal wordt dit als ondergrens onderkend. De wens om tijdens een crisis Nederlandse grondstrijdkrachten snel en flexibel over een grote afstand in te zetten vereist echter sneller inzetbare, en dus volledig parate eenheden. Hoewel een reservebestand kosteneffectief militair vermogen vertegenwoordigt, zijn complete reserve-eenheden niet dan na een zwaarwegend politiek besluit en een langere voorbereidingstijd inzetbaar. Daarom is er in de Defensienota consequent een keuze gemaakt voor een vergroting van het parate bestand van de landmacht, waarbij ook enkele reserve-eenheden paraat worden. Versterking van de parate component mag echter niet nog meer ten koste gaan van de totale gevechtskracht van de Koninklijke landmacht. De reserve-eenheden vertegenwoordigen een kosten-effectief militair vermogen voor taken die geen directe inzetbaarheid vereisen.


100.

In hoeverre worden de beschikbare mobilisabele eenheden en de reservisten daadwerkelijk ingezet? Waarbij worden ze ingezet? (blz.
56)


101.

In hoeverre is het de bedoeling dat reservepersoneel beschikbaar moet zijn voor vredesoperaties? Welke afspraken worden daarover met het bedrijfsleven gemaakt? (blz. 56)


259.

Het streven is erop gericht de mogelijkheden voor inzet van reservepersoneel, juist ook ten behoeve van vredesoperaties, uit te breiden. Kan er worden aangegeven hoe men hier invulling aan zou willen geven? (blz. 128)

Op vrijwillige basis kunnen individuele reservisten deelnemen aan vredesoperaties. Hierbij wordt vooral gekeken naar specifieke deskundigheid, zoals op medisch gebied of voor civiel militaire samenwerking, die immers binnen de parate militaire organisatie (nog) onvoldoende aanwezig is. Voorts biedt de Defensienota ruimte om ook reservisten voor meer algemene functies in te zetten bij vredesoperaties. Hierbij wordt gedacht aan knelpuntfuncties, zoals bergingstank-chauffeurs en schaarse technisch-ondersteunende en logistieke functies. Inzet van reservisten op dit soort functies betekent vermindering van de uitzenddruk van schaars militair beroepspersoneel. Tenslotte kan worden gedacht aan inzet van reservisten in Nederland ter vervanging van uitgezonden beroepspersoneel en aan inzet van reservepersoneel van de marine voor de zeeverkeersorganisatie. Defensie onderzoekt hoe over de inzet van reservisten afspraken kunnen worden gemaakt met werkgevers.

Een aparte categorie reservisten is het Korps Nationale Reserve. De Natres-eenheden zijn regionaal ingedeeld en hebben een taak bij de algemene ondersteuning van reguliere eenheden bij rampenbestrijding in de eigen regio. Voorbeelden uit het recente verleden zijn de hulpverlening bij dijkdoorbraken en de bestrijding van varkenspest.

Naast individuele reservisten kunnen bij vredesoperaties in beginsel ook reserve-eenheden worden ingezet; in de regel zal dit echter niet het geval zijn (zie ook het antwoord op de vragen 166 en 263). Van het materieel van deze reserve-eenheden wordt wel intensief gebruik gemaakt bij vredesoperaties. Zo worden eenheden van de luchtmobiele brigade, en in voorkomend geval van het Korps mariniers, uitgerust met pantservoertuigen uit het reservebestand.


102.

Uit welke indicaties blijkt dat bij het bedrijfsleven een toenemende belangstelling voor afspraken over de voorwaarden waaronder reservepersoneel tijdelijk actief kan dienen zonder de civiele loopbaan te schaden? (blz. 56)

De toegenomen belangstelling blijkt duidelijk uit de vele formele en informele contacten met het bedrijfsleven. In 1999 is een haalbaarheidsonderzoek gedaan over de mogelijkheden van reservisten bij vredesoperaties in te zetten ten behoeve van Cimic; daarvoor blijkt bij het bedrijfsleven zeker belangstelling te bestaan. Voorts hebben de voorzitter van het VNO-NCW samen met de Staatssecretaris van Defensie het Platform Defensie-Bedrijfsleven in het leven geroepen(zie ook het antwoord op de vragen 100 en 101). Een bijzondere vorm van afspraken tussen Defensie en niet-militair instellingen is de overeenkomst met een aantal ziekenhuizen voor inzet van specialistisch medisch personeel uit deze ziekenhuizen tijdens vredesoperaties.


103.

Kan een overzicht gegeven worden welke TMD_systemen er op dit moment in diverse landen ontwikkeld worden? Welke zijn geschikt voor op land en welke voor op zee? Wat is het bereik van de vernieuwde Patriotsystemen, de voorgenomen maritieme TMD_capaciteit en die van andere systemen in ontwikkeling? (blz. 58)

De TMD-systemen die momenteel worden ontwikkeld, zijn in het volgende schema weergegeven.

Land

TMD systeem

Land/Zee/Lucht

Interceptie/Bereik (hoogte in km)

US

Thaad

Land

exo atmospheric/200

US

Pac 3

Land

endo atmospheric/>15

US+DUI+IT

Meads

Land

endo atmospheric/>15

US

Navy Theatre Wide (SM3/Aegis-kruiser)

Zee

exo atmospheric/>300

US

Navy Area Defence

(SM2 block IV/Aegis-kruiser)

Zee

endo atmospheric/>50

US

Air Borne Laser

Lucht

boost phase/>140

US+ISRAEL

Arrow

Land

exo atmospheric/90

NL+DUI

SM 2 block IV/Apar/ Smart-L (t.b.v. LCF)

Zee

endo atmospheric/>50

FR(+IT)

Sam/PT (Aster)

Land

endo atmospheric


104.

Is een TMD_capaciteit met een bepaald bereik niet beperkt inzetbaar ter verdediging van troepen? Zou een aanval met een ballistische raket op eenheden in bijvoorbeeld Pristina bestreden kunnen worden met TMD_capaciteit op een fregat ergens in internationale wateren? (blz.
58)

De Patriot en de door Nederland onderzochte maritieme TMD-capaciteit zijn zogeheten «lower tier» systemen die tactische ballistische raketten in de laatste fase van hun baan onderscheppen. Dergelijke systemen beschermen eenheden of objecten in hun directe omgeving. Maritieme TMD-systemen kunnen objecten en eenheden op zee beschermen, maar ook eenheden en objecten in de kuststrook. Patriots kunnen eenheden of objecten op land beschermen. In een operatieterrein dat niet bij een verbinding met zee ligt, zoals Pristina, zijn «lower tier» maritieme systemen niet geschikt. Een in de nabijheid van de kust gelegen, doorgaans kwetsbare «port of debarcation» kan wel met een maritieme «lower tier» TMD-capaciteit worden beschermd.

In de Verenigde Staten wordt momenteel hard gewerkt aan de ontwikkeling van zogenoemde «upper tier» systemen die tactische ballistische raketten eerder in hun vluchtbaan onderscheppen. Deze systemen hebben de capaciteit grotere gebieden, tot duizenden kilometers doorsnede, te verdediging. Het is noodzakelijk een verdediging tegen ballistische raketten op te bouwen uit beide soorten systemen: dan is sprake van een gelaagde verdediging. Vooralsnog zijn alleen «lower tier» systemen operationeel.


105.

Is invoering van TMD_systemen alleen denkbaar in Navo_verband of acht de regering het mogelijk dat Nederland in samenwerking met alleen Duitsland en de Verenigde staten overgaat tot aanschaf van dergelijke systemen? (blz. 58)

De onlangs met de Verenigde Staten en Duitsland opgerichte «Extended Air Defence Task Force» is onder meer belast met gezamenlijke planning voor de inzet van TMD-systemen.

In Navo-verband wordt momenteel de ontwikkeling bestudeerd van een actieve verdediging tegen ballistische en kruisraketten en tegen bemande en onbemande vliegtuigen. Een haalbaarheidstudie begint in
2001, waarbij het uitgangspunt is dat de Navo vanaf 2010 moet kunnen beschikken over een gelaagde capaciteit. Hierbij wordt maximaal gebruik gemaakt van bestaande en in ontwikkeling zijnde systemen, waaronder raket- en radarsystemen. Te denken valt aan Patriot Pac-3, Standard missile, Aster, Apar/Smart-L, Meads en Thaad. Naast Nederland, Duitsland en de Verenigde Staten krijgt nu ook Griekenland de beschikking over een Patriot-capaciteit en hebben Frankrijk en Italië het Aster systeem in ontwikkeling. Ook Turkije toont belangstelling voor het verwerven van een TMD-capaciteit. Daarboven ontwikkelen de Verenigde Staten, Duitsland en Italië ter vervanging van Hawk, het Meads-systeem.


106.

Welke bondgenoten, behalve de VS en Duitsland, investeren in TMD_systemen? (blz. 58)

Naast de ontwikkelingen in de Navo waaraan bijna alle landen actief deelnemen investeren naast Verenigde Saten, Duitsland en Nederland ook Frankrijk, Griekenland en Italië in TMD-systemen. Zie verder de antwoorden op de vragen vraag 103 en 105.


107.

Wanneer is de invoering van een verbeterd passief verdedigingsconcept gepland? (blz. 58)

Het verbeterde passieve-verdedigingsconcept is een samenstel van maatregelen die reeds zijn genomen of gefaseerd worden uitgevoerd.Deze fasering is onder meer afhankelijk van het verwerven van het benodigde materiaal. Hierbij kan worden gedacht aan de binnenkort beschikbaar komende nieuwe NBC-kleding, de al begonnen vervanging van commandovoerings-containers door NBC-gefilterde containers en de invoering van radiologische meters die in staat zijn zogeheten «low level radiation» te meten. Een andere factor die de fasering beïnvloedt, is de toepassing van technologie op het gebied van detectie en identificatie van biologische (strijd)middelen. In dit kader wordt in samenwerking met TNO binnenkort een onderzoeksprogramma begonnen. Op dit terrein wordt ook internationaal nauw samengewerkt.


108.

Wat is de oorzaak van het sterk teruggelopen inzicht in en het besef van de biologische en chemische dreiging bij de operationele commandanten (blz. 59)

De verdediging tegen massavernietigingswapens heeft in de krijgsmacht altijd een prominente plaats ingenomen. In de periode van de Koude Oorlog beschikte het Warschaupact immers over een enorm arsenaal van vooral chemische (maar ook biologische) wapens en moest rekening worden gehouden met de- bij deze wapens behorende inzetdoctrines. Na het beëindigen van de Koude Oorlog bestond aanvankelijk de opvatting dat door een kleinere kans op een grootschalig conflict er ook een geringe kans bestond op een conflict met N-, B- of C-wapens. In de veranderde veiligheidssituatie kunnen commandanten echter met andere soorten dreiging worden geconfronteerd. Hierbij moet naast inzet met behulp van ballistische_en kruis-raketten ook worden gedacht aan heimelijke inzet tegen eenheden te velde. Ook kunnen eenheden worden geconfronteerd met opzettelijke of onopzettelijke chemische (of andere) verontrei-nigingen. Naast ander materiaal op het gebied van bijvoorbeeld detectie en bescherming heeft dit ook gevolgen voor de oplei-ding en bewustmaking van het personeel, in het bijzonder de operatio-nele commandanten.


109.

Welke aanvullende maatregelen zijn er op biologisch gebied nodig? In hoeverre is er sprake van een afdoende bescherming van de burgerbevolking bij een aanval met biologische wapens? (blz. 59)

Op biologisch gebied betreffen de maatregelen vooral de(«stand-off») detectie en identificatie. Het ontbreken van snelle en relatief eenvoudige systemen daarvoor maakt dat veel Westerse landen een hoge prioriteit toekennen aan onderzoeks- en ontwikkelingsprogramma's op dit gebied. Om deze tekortkomingen zo snel mogelijk op te heffen, wordt intensief samengewerkt met wetenschappelijke instituten, zoals TNO, en worden internationale ontwikkelingen nauw gevolgd (zie ook het antwoord op vraag 107).

Naast detectie en identificatie worden ook verbeteringen voorzien op het gebied van fysieke en medische bescherming en van therapeutische behandeling na blootstelling. Voor dergelijke projecten zijn in de krijgsmachtdeelplannen fondsen gereserveerd.

Doordat effectieve detectiemiddelen (nog) niet beschikbaar zijn, is bescherming tegen een feitelijke inzet van biologische wapens moeilijk te verwezenlijken. Beschermingsmaatregelen zullen op dit moment in veel gevallen pas kunnen worden genomen nadat de eerste ziektegevallen zijn geconstateerd en de aard van de ziekte is geanalyseerd. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties speelt een coördinerende rol bij het nemen van maatregelen in reactie op een dergelijke dreiging. Het ministerie van Defensie draagt hier vanzelfsprekend aan bij.


110.

In hoeverre is Defensie voor haar ICT afhankelijk van civiele capaciteiten (e_mail, mobiele telefonie, e.d.)? Is dat een probleem? Zo ja, hoe wordt daarin voorzien? (blz. 59)

Defensie maakt bij de toepassing van ICT steeds een afweging inzake de strategisch-militaire noodzaak om over eigen en specifieke apparatuur en verbindingen (capaciteiten) te beschikken of gebruik te maken van civiele middelen. Bij gevolg beschikt Defensie nu over eigen (militaire) ICT-capaciteiten om de operationele taakstelling uit te voeren. De afhankelijkheid van civiele capaciteiten betreft vooral de vredesbedrijfs-voering (voor zover deze niet tevens gebruik kan maken van de militaire ICT-capaciteit). Ook wordt soms tijdelijk een beroep gedaan op civiele capaciteit in afwachting van een militaire oplossing. Een voorbeeld hiervan is de huur van civiele satellietcapaciteit ten behoeve van vredesoperaties.


111.

Aan welke grenzen is het uitoefenen van civiele taken door de krijgsmacht gebonden? (blz. 60)

Zie het antwoord op vraag 17.


112.

Bij het Nationaal commando wordt een volledige bestuurslaag geschrapt. Wat zijn hiervan de nadelige consequenties in brede zin? (blz. 64)

Bij het Natco wordt de garnizoenslaag uit de organisatie geschrapt: de drie Regionale militaire commando's met hun zestien garnizoenen worden omgevormd tot vijf nieuwe militaire regio's. Door wijziging van bedrijfsprocessen kan een aanzienlijke doelmatigheid worden bereikt. Een consequentie is wel dat de maatregel personele overtolligheid veroorzaakt en dat het personeel opnieuw voor een langere periode met een reorganisatie wordt geconfronteerd.


113.

Bestaan binnen de krijgsmacht criteria voor het bepalen van de verhouding tussen staven en operationele eenheden? (blz. 64)


114.

Gesteld wordt dat het takenpakket de beste wijze is om de omvang van de staven te bepalen. Gekeken is of er een vergelijking getrokken kan worden met die in andere landen. Dit blijkt teveel uiteen te lopen. Kan aangegeven worden in hoeverre er toch met de internationalisering van het defensieapparaat rekening gehouden is dan wel wordt? Zo niet, op welke wijze wordt nagegaan in de toekomst of de omvang van staven, bij veranderende omstandigheden, om aanpassing vraagt? (blz. 65)

De maatregelen uit de Defensienota zijn erop gericht het gereedstellen, het instandhouden en het inzetten van eenheden op het aangegeven ambitieniveau verder te optimaliseren. Als beginsel geldt dat de staven in aantal en omvang zo klein mogelijk worden gehouden, ten gunste van de beschikbaarheid van operationele capaciteit. De uit te voeren taak, de inrichting van de bedrijfsvoering en de wijze van operationeel optreden, doorgaans in internationaal verband, zijn veelal bepalend voor de keuze van het aantal stafniveaus en de samenstelling hiervan.

Om het functioneren van Defensie te verbeteren worden de verschillende stafniveaus steeds meer voor hun kerntaken ingericht. Beleid en uitvoering worden zoveel mogelijk van elkaar gescheiden. «Sturen op hoofdlijnen» krijgt steeds meer inhoud en wordt gecombineerd met decentralisatie van bevoegdheden naar uitvoerende niveaus. Bij gevolg worden de (staf)activiteiten op de verschillende niveaus beter afgebakend en onderling beter op elkaar afgestemd. Doublures worden beperkt, waardoor ook de doelmatigheid toeneemt.

Deze aanpassingen worden uitgevoerd in een periode waarin de diversiteit en complexiteit van het takenpakket van Defensie sterk is toegenomen. Deze strategische verandering heeft de afgelopen tien jaar al geleid tot ingrijpende aanpassingen van de organisatiestructuur van de krijgsmacht. Ook in de toekomst zal Defensie slagvaardig moeten kunnen reageren op nog onbekende veranderingen in haar omgeving.


115.

Is overwogen de centrale planningsfunctie los te koppelen van de Chef defensiestaf en onder te brengen bij een aparte planningsfunctionaris? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat zijn de overwegingen geweest om hiertoe niet over te gaan? (blz. 67)

Zie het antwoord op vraag 86.


116.

Op welke manier is de rol van de Chef defensiestaf bij de aansturing van crisisbeheersings_, vredes_ en humanitaire operaties versterkt? Hoe is daarbij de verhouding met de bevelhebbers geregeld? (blz. 67)

De Chef Defensiestaf is, rekening houdend met de grenzen die de internationale bevelsstructuur stelt, verantwoordelijk voor de militaire planning, voorbereiding, aansturing en evaluatie van crisisbeheersings-, vredes- en humanitaire operaties. De bevelhebbers zijn verantwoordelijk voor gereedstelling, instandhouding en nazorg. Op alle belangrijke momenten in de besluitvorming, zowel voor als tijdens een operatie, overlegt de CDS overleg met de bevelhebbers op grond van hun specifieke verantwoordelijkheid en kennis. Om zijn rol bij de aansturing te versterken, is de Defensiestaf met enkele functionarissen uitgebreid. Ook is de mandateringsregeling voor enkele kleine missies aan een krijgsmachtdeel ingetrokken en is de versterkte rol van de Chef Defensiestaf in de interne procedures vastgelegd.


117.

Kan meer inzicht worden gegeven in de afweging om uiteindelijk niet over te gaan tot samenvoeging van delen van de materieeldirecties van de krijgsmachtdelen? (blz. 69)


118.

Alles afwegende, wegen de voordelen van centralisatie op tegen de nadelen, bij de aansturing van grote materieelprojecten. Welke criteria zijn hierbij van belang geweest en op welke wijze is men tot deze conclusie gekomen? (blz. 70)


187.

Waarom zijn in de herstructureringsplannen geen voorstellen gedaan m.b.t. het samenvoegen van de verwervingsafdelingen van de drie krijgsmachtdelen? Wat is de harde noodzaak dat deze sectoren per krijgsmachtdeel moeten blijven bestaan? (blz. 97)

Bezien is of het samenvoegen van delen van de materieeldirecties van de krijgsmachtdelen met het Directoraat-generaal Materieel (DGM) tot financiële besparingen zou leiden. Hierbij zijn de gevolgen nagegaan van het samenvoegen van afzonderlijke functiegebieden zoals techniek, projectmanagement of contractmanagement. Zo is gekeken naar de mate van technische overlapping tussen de verschillende directies materieel, naar de samenhang tussen verschillende processen en functiegebieden en de omvang per functiegebied. Uit het onderzoek is gebleken dat het samenvoegen van separate functiegebieden per saldo niet tot financiële besparingen van enige omvang leidt. Bovendien zal de concentratie van de verwervingsafdelingen waarschijnlijk ongewenste effecten hebben voor de integrale procesvoering van bevelhebbers. Daarom is gekozen voor het verbeteren van de centrale aansturing van grote projecten, hetgeen ook past in het besturingsconcept van Defensie.

De versterking van de aansturing van de grote materieelprojecten houdt geen organisatorische centralisatie in waarbij functies van de directies materieel worden geconcentreerd. Wel is sprake van een betere centrale aansturing, wat betekent dat beter inhoud zal worden gegeven aan de toezichtfunctie en de centrale regie door het kern- departement. Die moeten de voorwaarden scheppen voor een tijdige, volledige en transparante informatievoorziening van de bewindslieden.


119.

Waardoor is de wenselijkheid van een rechtstreekse informatielijn tussen projectleiders van grote materieelprojecten en de directeur_generaal Materieel ingegeven? Waren er problemen rond niet in de hand te houden budgetten? Zijn voortdurende vertragingen hier de aanleiding voor? (blz. 70)

Door deze rechtstreekse informatielijn kan beter inhoud worden gegeven aan de toezichtfunctie en de centrale regie ten aanzien van materieelprojecten. De politieke sturingsmogelijkheden worden door de voorgestelde aanpak verbeterd, niet alleen bij de afronding van en de besluitvorming over materieel-verwervings-projecten, maar ook tussentijds. Nu worden de bewindslieden beter dan tot dusver in staat gesteld op elk gewenst moment aanwijzingen te geven voor de voortgang van afzonderlijke projecten. Genoemde informatielijn past binnen het nieuwe besturingsconcept van Defensie. Centrale regie vanuit een klein kerndepartement in combinatie met decentrale uitvoering verdient de voorkeur boven concentratie van staven en uitvoerende diensten. Centrale regie en decentrale uitvoering maakt verantwoordelijkheden helder en bevordert de doelmatigheid.

Zie ook het antwoord op de vragen 117, 118 en 187.


120.

Hoe lang duurt het doorlopen van een volledig CDV_traject? Wanneer zullen de eerste trajecten worden afgerond? Kan een tijdschema worden gegeven van wanneer welke ondersteunende diensten aan een analyse worden onderworpen? (blz. 70)

De tijd waarin een CDV-traject wordt afgerond is afhankelijk van de aard van de dienstverlening en de complexiteit van het traject. Zo maakt het een groot verschil of het één bepaalde dienstverlening betreft of een pakket van verschillende soorten dienstverlening. Competitieve dienstverlening heeft primair tot doel het bereiken van een doelmatiger inrichting van de eigen organisatieonderdelen danwel eigen dienstverlening. Daarnaast kan het doorlopen van een CDV_traject leiden tot uitbesteding van bepaalde diensten of privatisering van een volledig dienstverlenend onderdeel. Momenteel wordt, in interdeparte-mentaal verband, instrumentarium voor de uitvoering van CDV_trajecten ontwikkeld.

Het is op dit moment nog niet mogelijk om aan te geven wanneer trajecten worden afgerond of wanneer welke analyses plaatsvinden. Een planning wordt pas gemaakt zodra de instrumentatie van het CDV is ontwikkeld. De eerste besparingen staan voor 2001 ingeboekt.


121.

Waarom wordt bij het onderzoek naar de competitieve dienstverlening niet de Hydrografische Dienst betrokken? Het feit dat dit een wettelijk taak is verhinderd toch niet dan wordt gekeken naar uitbesteding of privatisering? Is de regering alsnog bereid deze dienst in het onderzoek te betrekken? (blz. 70)

In de Defensienota zijn de onderdelen genoemd die op het eerste gezicht als kansrijk worden aangemerkt om het CDV_traject met succes te doorlopen. De hydrografische dienst is hierbij niet opgenomen, omdat deze taak wettelijk als overheidstaak is aangemerkt. Dat wil echter niet zeggen dat de middelen die nodig zijn om deze taak uit te voeren in beginsel niet voor uitbesteding in aanmerking zouden komen.Zo wordt in het traject van de competitieve dienstverlening bij het vervangen van hydrografische vaartuigen onderzocht of de opnametaak doelmatiger is uit te voeren door derden.

Zie ook de antwoorden op de vragen 252 en 253.


122.

Hoe is gekomen tot de geplande besparingen door de CDV_benadering van f 40 miljoen in 2001, f 65 miljoen in 2002 en f 100 miljoen per jaar vanaf 2003? (blz. 71)

Voor het bepalen van de besparingen van de CDV-benadering is globaal de omzet bepaald van de organisatie-onderdelen die in een CDV-traject worden betrokken. Op grond van internationale ervaringen met vergelijkbare benaderingen en op grond van de reeds uitgevoerde doelmatigheidsoperaties zijn de vermoedelijke besparingen bepaald op
10% van de omzet. Omdat de CDV-benadering verder praktische uitwerking behoeft, zijn voor 2001 en 2002 de besparingen lager geraamd.


123.

Waar wordt in de Defensienota aandacht besteed aan de rol van de Inspecteur Generaal (IGK)? (blz. 72)

Naar aanleiding van het rapport van dr. J.A. Van Kemenade d.d. 28 september 1998 zijn maatregelen genomen om de rol van de IGK te versterken. Zie hiervoor de brieven aan de Tweede Kamer d.d. 5 oktober
1998 en 30 maart 1999 (Kamerstuk 26 237 nrs. 1 en 3). In de Defensienota 2000 wordt de rol van de IGK derhalve niet meer afzonderlijk behandeld.


124.

Hoort bij een moderne organisatie ook niet een meer onafhankelijke rol van de Inspecteur Generaal(IGK)? (blz. 72)

De Inspecteur-generaal (IGK) rapporteert rechtstreeks aan de minister van Defensie en heeft dus binnen de krijgsmacht een volstrekt onafhankelijke positie. Zijn rapportages worden aangeboden aan de Tweede Kamer. Als de minister daar aanleiding toe ziet, biedt hij zijn reactie op de rapportages afzonderlijk aan.


125.

Hoeveel van de 5200 overtollige personen zullen worden ontslagen? Gaat het gaat nog steeds om 500 personen? (blz. 72)


131.

Bij het tijdschema van tien jaar, om te komen tot de verhouding 60% BBTérs, moet wel rekening gehouden worden met
«frictie_overtolligheid». Welke maatregelen worden hiertoe ondernomen?. (blz. 78)


132.

De gewenste verjonging van het personeelsbeleid zal leiden tot overtolligheid. De komende tien jaar gemiddeld vijfhonderd functies. De inzet is gedwongen ontslagen te voorkomen. Kan aangegeven worden wat in brede zin de consequenties zijn als de inzet niet gehaald wordt? (blz. 78)

Naar schatting zullen de in de Defensienota gepresenteerde plannen in de periode 2000 - 2009 leiden tot een overtolligheid van 5200 personen, wat overeenkomt met gemiddeld ongeveer 500 overtolligen per jaar. Onder overtolligen worden in dit verband verstaan de Defensiemedewerkers waaraan, gezien de in de Defensienota geschetste ontwikkeling van de krijgsmacht, bij Defensie minder behoefte bestaat en die niet op grond van hun leeftijd in aanmerking komen voor instroom in een van de diensteinderegelingen.

Het beleid is erop gericht voor al deze mensen elders werk te vinden en zo gedwongen ontslagen te voorkomen. Hiertoe zal onder meer een actief outplacementbeleid worden gevoerd, waarin een goede samenwerking met andere werkgevers, zowel binnen als buiten de overheid, centraal staat. Deze samenwerking is overigens niet alleen van belang voor het onderbrengen van de overtollige medewerkers, maar is ook essentieel bij de invulling van het streven naar werkzekerheid voor BBT'ers.

Om het elders onderbrengen van de overtollige medewerkers te stimuleren is in de financiële reeksen die ten grondslag liggen aan de Defensienota een reservering voor outplacementkosten opgenomen van ruim f.100 miljoen, ongeveer f. 20.000 per overtollige Defensie-medewerker.

Met deze inspanningen moet het, gezien de ervaringen in de afgelopen jaren, mogelijk zijn gedwongen ontslagen tot een minimum te beperken. Overigens zullen de instrumenten van het huidige Sociaal beleidskader Defensie (SBK) in die gevallen van kracht blijven.


126.

Waarom is het, gegeven de keuze om de beleidsdoelstellingen binnen tien jaar te verwezenlijken, noodzakelijk om tegenstrijdige maatregelen te nemen? Heeft dat juist geen remmende werking? (blz. 73)


133.

Hoe lang denkt de regering dat de overgangsperiode met de tegenstelling tussen verjonging en verhoging van de ontslagleeftijd in beslag zal nemen? (blz. 78)


141.

Wat is de verhouding tussen het verhogen van de gemiddelde ontslagleeftijd en het streven naar verjonging van de krijgsmacht? (blz. 79)

Er is onmiskenbaar sprake van een tegengestelde werking van enerzijds de maatregelen gericht op verjonging en flexibilisering van de krijgsmacht en anderzijds de maatregelen gericht op vergroting van de arbeidsparticipatie van ouderen. Duidelijk is evenwel, dat beide maatregelen noodzakelijk zijn voor een goed inzetbare krijgsmacht en het streven naar een maatschappelijk aanvaardbaar werkgeverschap dat onderdeel uitmaakt van het algemene regeringsbeleid. De keuze om een en ander vervolgens binnen een termijn van tien jaar tot stand te bengen en niet te kiezen voor een «natuurlijk ingroeiproces» van ruim twintig jaar is ingegeven door de behoefte vooral duidelijkheid te bieden aan het zittende en het nieuw instromende personeel. De afgelopen jaren hebben geleerd dat langdurige reorganisatieprocessen kunnen leiden tot schijnzekerheden in plaats van helderheid. Noch de organisatie, noch het personeel is hierbij gebaat.

Met de verjonging, die leidt tot in een wijziging van de BOT-BBT-verhouding van nu 60:40 naar 40:60, wordt onmiddellijk een begin gemaakt; deze wordt verwezenlijkt in de gehele periode van de Defensienota (2000 - 2009). De invoering van de verhoogde ontslagleeftijden voor de BOT-populatie zal pas beginnen in 2003 en vervolgens in een periode van zes jaar worden voltooid (2003 t/m
2008). Het gaat derhalve om een samenloop van beide operaties gedurende een periode van zes jaar. Het vrijwillig nadienen van BOT-militairen zal in de periode tot de introductie van de ophoging van de ontslagleeftijden, uiteraard voorzover dat niet leidt tot overtolligheid elders, worden gestimuleerd.

Overigens is na de hiervoor geschetste overgang geen sprake meer van een tegengestelde werking van de verjonging van de populatie en de verhoging van de ontslagleeftijden. Na 2008 is de aangekondigde verhoging van de ontslagleeftijd voltooid.


127.

In hoeverre maakt Defensie gebruik van de mogelijkheden BBT_ers te scholen om na het beëindigen van de militaire loopbaan als burgermedewerker (technisch, secretarieel, ICT, e.d.) verbonden te blijven aan de krijgsmacht? (blz. 74)

Momenteel is er een vacaturestop voor burgerpersoneel bij Defensie, maar een BBT-er kan, als er geen herplaatsers beschikbaar zijn, intern solliciteren op een burgerfunctie. In de toekomst wordt - in het kader van het bieden van werkzekerheid - de «burgerbaan» bij Defensie onder de aandacht gebracht van de BBT-er die de organisatie moet verlaten. Bij voldoende belangstelling en als kan worden voldaan aan de bij de vacature gestelde eisen zal Defensie ernaar streven om bij de vulling van vacatures van burgerfuncties de voorkeur te geven aan ex-BBT-ers.


128.

Voor welk deel van de aspirant_officieren aan de KMA en het KIM zal zijn/haar loopbaan bij de krijgsmacht niet met een aanstelling voor bepaalde tijd beginnen? (blz.76)

Alle aspirant-officieren met een VWO- HBO- of WO-vooropleiding die aan KMA of KIM een opleiding volgen, kunnen vervolgens worden aangesteld voor onbepaalde tijd.

De (aspirant-)officieren aangesteld voor bepaalde tijd volgen een korte, éénjarige, op de eerste functie(s) gerichte militaire opleiding. Het vereiste vooropleidingsniveau voor deze opleiding is Havo. Omdat de BBT-officiersopleiding vooral wat betreft de algemene en specialistisch militaire opleiding vrijwel identiek is aan de meerjarige opleiding wordt deze onder auspiciën van de KMA of het KIM verzorgd.


129.

Geldt de voorgestelde verhouding tussen BOT_ers en BTT_ers voor alle onderdelen van de krijgsmacht? Zo ja, is dit gezien de benodigde ervaring en deskundigheid op sommige onderdelen wenselijk? (blz. 77)

De voorgestelde verhouding tussen BOT en BBT personeel van 40:60 geldt voor elk van de krijgsmachtdelen. Wel bestaat er de ruimte om bínnen de krijgsmachtdelen - op onderdeelsniveau - te differentiëren.


130.

Hoe ziet de regering het personeelsbestand BBT_ers na 10 jaar, als er geen gunstig verloop van de werving is en de gemiddelde contractduur lager dan zeven jaar ligt? (blz. 78)

In de Defensienota zijn de beleidsvoornemens opgenomen voor een andere opbouw van het personeelsbestand. Bij deze verandering gaat het naast de wijziging in de verhouding BOT-BBT en een gemiddelde contractduur van uiteindelijk zeven jaar ook om aanpassingen van het functiebestand, de gevolgen van de frictie-overtolligheid, enzovoort. De voortgang van de uitvoering van de maatregelen zal nauwkeurig worden gevolgd. Het vertrouwen bestaat dat de voorgenomen maaregelen, gegeven de ontwikkelingen binnen en buiten de Defensie en de wijze waarop de beleidsdoelstellingen zijn geconcretiseerd, in de beschikbare tijd kunnen worden uitgevoerd. Nu kan nog niet worden aangegeven welke aanvullende maatregelen nodig zouden zijn als de beleidsdoelstellingen niet of niet binnen de gestelde tijd worden gehaald.


131.

Bij het tijdschema van tien jaar, om te komen tot de verhouding 60% BBTérs, moet wel rekening gehouden worden met
«frictie_overtolligheid». Welke maatregelen worden hiertoe ondernomen?. (blz. 78)


132.

De gewenste verjonging van het personeelsbeleid zal leiden tot overtolligheid. De komende tien jaar gemiddeld vijfhonderd functies. De inzet is gedwongen ontslagen te voorkomen. Kan aangegeven worden wat in brede zin de consequenties zijn als de inzet niet gehaald wordt? (blz. 78)

Zie het antwoord op vraag 125.


133.

Hoe lang denkt de regering dat de overgangsperiode met de tegenstelling tussen verjonging en verhoging van de ontslagleeftijd in beslag zal nemen? (blz. 78)

Zie het antwoord op vraag 126.


134.

Waarvoor is voor een ontslagleeftijd gekozen van 58 jaar en niet bijv. voor 56 of 57 jaar? (blz. 78)


135.

Heeft er enig onderzoek plaatsgevonden wat de verhoging van de ontslagleeftijd van 55 jaar naar 58 jaar voor gevolgen heeft voor de inzetbaarheid van de krijgsmacht? (blz. 78)

Al meer dan twintig jaar wordt gediscussieerd over een ontslagleeftijd die recht doet aan de militaire bedrijfsvoering. In 1977 besloot de ministerraad tot een herbezinning op het voor militairen geldende ontslagstelsel. De resultaten van het sedertdien door Defensie uitgevoerde onderzoek zijn in 1982 door de toenmalige staatssecretaris Van Houwelingen aan de Kamer bericht tezamen met het beleidsvoornemen om uiteindelijk te komen tot een gelijke ontslagleeftijd van 58 jaar voor het personeel van alle krijgsmachtdelen. In 1984 rapporteerde de toenmalige staatssecretaris Hoekzema de Kamer dat alle krijgsmachtdelen vrijwillig nadienen zouden stimuleren tot maximaal drie jaar na de geldende algemene ontslagleeftijd en dat bij de Koninklijke marine de ontslagleeftijden zouden worden verhoogd tot 55 jaar voor vlag- en hoofdofficieren en tot 52 jaar voor subalterne officieren. In 1990 werd besloten de integrale verhoging van de ontslagleeftijden naar 58 jaar vanwege de toen voorgenomen herstructurering en verkleining van de krijgsmacht voorshands niet te effectueren. Gegeven de opeenvolgende reducties is ook nadien niet tot effectuering overgegaan.

De vanaf 2003 te introduceren ontslagleeftijd van 58 jaar geldt weliswaar reeds sedert 1982 als beleidsuitgangspunt, maar is in de huidige voorstellen de gemiddelde leeftijd. De feitelijke ontslagleeftijd kan lager, dan wel hoger zijn. Voor het marinepersoneel geldt daarenboven een afzonderlijk overgangsregime waarbij de gemiddelde ontslagleeftijd voor het zittend personeel niet
58 jaar is, maar gemiddeld drie jaar hoger dan de thans voor het betrokken personeel geldende ontslagleefijd die in de meeste gevallen lager is dan 55 jaar.

De gemiddelde ontslagleeftijd van 58 jaar is de afgeleide van een afweging tussen enerzijds de door het kabinet noodzakelijk en mogelijk geachte bevordering van de arbeidsparticipatie van oudere militairen en anderzijds de vanuit de bedrijfsvoering maximaal mogelijke verhoging.


136.

Op basis waarvan is geconcludeerd dat militairen op 57 jarige leeftijd nog fysiek geschikt zouden zijn om deel te nemen aan vredesoperaties en vredesafdwingende operaties? (blz. 78)

De toenemende deelname aan vredesoperaties vereist een verjonging van het personeelsbestand. Mede daarom wordt het percentage BBT-militairen verhoogd tot 60%. Dit betekent dat het aantal functies dat door «jongeren» wordt vervuld evenredig zal toenemen. De gemiddelde verhoging van de ontslagleeftijden van de BOT-militairen vindt plaats met inachtneming van de vereisten die de bedrijfsvoering stelt. Voor hen zullen functies resteren die zij gelet op hun leeftijd zonder problemen kunnen vervullen.


137.

Wat is het uitkeringspercentage wanneer men ontslag neemt op 55 jaar, resp. 56 respectievelijk 57 jaar? (blz. 78)


140.

Zitten in het nieuwe stelsel van diensteinderegelingen toch weer nieuwe starheden? Zoals het vast uitkeringsniveau van 70%? Is flexibilisering hierbij niet gewenst? Wie langer doorwerkt krijgt meer, wie eerder stopt minder? Betekent dat ook niet dat de militair een grotere eigen keuze moet hebben om te kunnen stoppen of doorwerken? Wat betekent dat voor de huidige praktijk dat de bevelhebber beslist of je nog nodig bent of niet? Wat betekent dat voor de huidige starre eis van `uitzendbaarheid'? (blz. 79)

Er is geen sprake van het nemen van ontslag in die zin dat de individuele militair daartoe het initiatief neemt. Het ontslagmoment wordt bepaald door de organisatie i.c. de bevelhebber die dat ontslagmoment veelal voor groepen van het personeel en soms voor individuen zal bepalen. Bij het bepalen van het ontslagmoment zal rekening worden gehouden met de behoefte van de organisatie, de voor de betrokken categorie te vervullen functies en de fysieke en psychische belasting die daarbij horen. Aangezien de werknemer zelf geen invloed kan uitoefenen op het tijdstip waarop hij de organisatie moet verlaten, kan er geen sprake zijn van differentiatie van het uitkeringspercentage. Het voorgestelde uitkeringspercentage van 70% is afgestemd op het hiervoor beschreven regime. Het betreft hier immers, net als in de huidige situatie, een werkgeversvoorziening en geen prepensioneringsregeling. Van de kant van de werknemer wordt voor deze voorziening geen premie geheven. Er is dan ook geen sprake van het opbouwen van «rechten», zoals bij een prepensioneringsregeling wel het geval is. Voor militairen bestaat, anders dan voor burgerpersoneel (waarvoor de FPU bestaat) geen flexibele prepensionerings-regeling.


138.

Waarom worden de uitkeringspercentages zo ingrijpend gewijzigd? Militairen kunnen zich tegen deze ingrijpende `salarisverlaging' toch niet meer verzekeren? Hoe verhoudt deze maatregel zich tot een betrouwbare overheid? (blz. 78)


139.

Kan een overzicht worden gegeven per krijgsmachtdeel en per categorie van de huidige ontslagleeftijd en daarbij het huidige uitkeringspercentage in de periode tot 65 jaar? (blz. 78)


142.

Waarom wordt het uitkeringsniveau van de ontslagleeftijd tot het zestigste levensjaar verlaagd tot 70 procent? (blz. 79)

Op grond van het Regeerakkoord moet de diensteinderegeling, die is neergelegd in de Uitkeringswet gewezen militairen (UKW), worden versoberd. Thans is sprake van een uitkeringspercentage gedurende de eerste zestig maanden van 80%, per dienstjaar uitgaand boven de dertig dienstjaren verhoogd met 0,5%-punt tot maximaal 85%. In de daarop volgende periode tot het 65e jaar bedraagt het uitkeringspercentage
73%. Het kabinet acht, mede gegeven de ontwikkelingen in zowel de sociale zekerheid als de pensioenen, een percentage van 70% zowel maatschappelijk verantwoord als acceptabel. Of en zo ja op welke wijze in de vorm van overgangsrecht aandacht dient te worden besteed aan de overgang naar 70% is onderwerp van overleg met Centrales.

Zie ook het antwoord op de vragen 143, 144 en 145.


140.

Zitten in het nieuwe stelsel van diensteinderegelingen toch weer nieuwe starheden? Zoals het vast uitkeringsniveau van 70%? Is flexibilisering hierbij niet gewenst? Wie langer doorwerkt krijgt meer, wie eerder stopt minder? Betekent dat ook niet dat de militair een grotere eigen keuze moet hebben om te kunnen stoppen of doorwerken? Wat betekent dat voor de huidige praktijk dat de bevelhebber beslist of je nog nodig bent of niet? Wat betekent dat voor de huidige starre eis van `uitzendbaarheid'? (blz. 79)

Zie het antwoord op vraag 137.


141.

Wat is de verhouding tussen het verhogen van de gemiddelde ontslagleeftijd en het streven naar verjonging van de krijgsmacht? (blz. 79)

Zie het antwoord op vraag 126.


142.

Waarom wordt het uitkeringsniveau van de ontslagleeftijd tot het zestigste levensjaar verlaagd tot 70 procent? (blz. 79)

Zie het antwoord op vraag 138.


143.

Waarom zou bij de verhoging van het leeftijdsontslag een uitzondering moeten worden gemaakt voor de marine? Is de deelname aan vredesoperaties in Bosnië, Kosovo enz. fysiek en geestelijk minder zwaar dan het verblijf gedurende 4 maanden op een fregat? (blz. 79)


144.

Op welke wijze zal aandacht worden besteed aan de bijzondere positie van het marinepersoneel inzake het diensteindestelsel? (blz. 79)


145.

Op welke wijze wordt aan het marinepersoneel afzonderlijk aandacht besteed? (blz. 79)

Voor de Koninklijke marine gelden thans lagere ontslag-leeftijden dan voor de overige krijgsmachtdelen. Voor schepelingen is de ontslagleeftijd 50 jaar. Voor subalterne officieren geldt een ontslagleeftijd van 52 jaar. Voor hoofd- en vlagofficieren is sprake van een ingroeitraject gericht op een uiteindelijk (vanaf 2008) te bereiken leeftijd van 55 jaar. De huidige ontslagleeftijd van de hoofd- en vlagofficieren is ongeveer 54 jaar.

De overgang voor al dit personeel naar 58 jaar kan door de organisatie niet worden verwerkt zonder een zeer grote overtolligheid. Daarom is ervoor gekozen de verhoging van de ontslagleeftijd bij de overige krijgsmachtdelen, te weten gemiddeld drie jaar, naar het zittende marinepersoneel door te vertalen. De gemiddelde ontslagleeftijd voor manschappen wordt derhalve 53 jaar, voor subalterne officieren 55 jaar en voor hoofd- en vlagofficieren een met het «oude» ingroeitraject oplopende reeks tot uiteindelijk 58 jaar. Voor vanaf 2003 nieuw intredend marinepersoneel geldt dezelfde ontslagleeftijd als voor de overige krijgsmachtdelen, d.w.z. een gemiddelde ontslagleeftijd van 58 jaar.


146.


60% van de militairen hebben, zoals geschetst, in de eindsituatie een tijdelijke baan. Kan de regering aangeven op welke wijze mensen zich nog «verbonden»voelen met hun werkplek cq. werkgever? (blz. 79)

Voor een professionele taakuitvoering is de betrokkenheid van het personeel onmisbaar. Uit onderzoek blijkt dat er vrijwel geen verschil is in de betrokkenheid van BBT-ers en BOT-ers bij hun werkgever. Het gevaar van een afneming van de betrokkenheid door een toeneming van het aantal BBT-ers (en daarmee dus een afgenomen verbondenheid) kan derhalve niet worden onderbouwd. Zowel BBT-ers als BOT-ers veranderen regelmatig van werkplek. Er is tussen de beide personeelscategorieën dan ook geen verschil in de mate van verbondenheid met de werkplek te verwachten.


147.

Zal een aaneengesloten periode van arbeidsmarktgerichte opleiding in de laatste fase van de aanstelling een reële mogelijkheid worden voor BBT_ers die tijdens hun aanstelling vanwege uitzendingen en oefeningen weinig tijd hebben gehad voor opleidingen? (blz. 81)

Ja, juist voor degenen die tijdens de aanstelling onvoldoende mogelijkheden hebben gehad om te studeren (door frequente oefeningen en uitzendingen) is de mogelijkheid aanwezig om in de laatste fase van de contractperiode een arbeidsmarktgerichte opleiding te volgen. Waar dat gewenst is, worden daartoe organisatorische maatregelen getroffen. Overigens blijft het streven erop gericht de arbeidsmarktgerichte opleiding zoveel mogelijk te integreren in de volledige aanstellingsperiode.


148.

Bij de samenwerking inzake externe werkzekerheid wordt vooral het bedrijfsleven genoemd. Zijn er ook plannen om met publieke sectoren, waar grote behoefte is aan personeel, eveneens intensief te gaan samenwerken? Te denken valt aan de politie, het onderwijs en de zorgsector. (blz. 81)

Ja, deze samenwerking is voorzien. Zo wordt reeds samengewerkt met de politieorganisatie met het oog op de overgang van uitstromend BBT-personeel van de marechaussee. Ook wordt bekeken of er mogelijkheden zijn om belangstellenden voor de politie die daarvoor (nog) niet geschikt zijn via een BBT-contract bij Defensie de (studie)mogelijkheid te bieden zich alsnog voor een baan bij de politie te kwalificeren. Tevens wordt bezien of er mogelijkheden zijn om gezamenlijk met andere geuniformeerde diensten een beroepsopleiding op te zetten voor geuniformeerde beroepen.

Ten aanzien van geneeskundig BBT-personeel wordt bezien hoe de doorstroom naar de zorgsector tot stand kan komen.


149.

Voor welk bedrag zal Defensie voor haar werkzekerheidsbeleid een beroep doen op het Europees structuurfonds? Wanneer zal zekerheid bestaan over het toegekende bedrag? (blz. 82)

Het beroep dat Defensie zal doen op het Europees Structuurfonds wordt vooral bepaald door de hoogte van additionele uitgaven voor «maatschappelijke scholing BBT-ers» in de nieuwe planperiode (2000-2006) van doelstelling 3 van het Europees Sociaal Fonds (Kamerstuk 26.642, nr 4). In dit kader is Defensie voornemens om, uitgaande van de prioriteit Activerend Arbeidsmarktbeleid als beschreven in het Enig Programmeringsdocument ESF-3, een aanvraag in te dienen voor co-financiering met ESF-3 middelen.

De eerste subsidiebeschikkingen zullen waarschijnlijk niet voor 1 mei
2000 kunnen worden afgegeven. Momenteel beoordeelt de Europese Commissie het door Nederland ingediende concept-Enig Programmeringsdocument ESF-3. Na vaststelling door de Europese Commissie kan het kabinet overgaan tot het opstellen van een Nederlandse subsidieregeling ten behoeve van de uitvoeringsorganisaties.


150.

Overweegt de regering het vooropleidingsniveau voor BBT_ers los te laten ofwel te verlagen? (blz. 83)


151.

Betekent het «kritisch bezien» van het belang van een vooropleiding op het niveau van MAVO en MBO, dat overwogen wordt een aanzienlijk deel van te werven jongeren te accepteren met een lagere opleiding of met onvoldoende startkwalificaties? Om welke opleidingsniveaus gaat het dan en om hoeveel functies? (blz. 83)

Gezien de krappe arbeidsmarkt wordt een tekort aan arbeidskrachten met een Mavo- en vooral een MBO-opleiding voorzien. Ter voorkoming van onnodige concurrentie en wervingsknelpunten moet kritisch worden bezien welke vooropleidingseisen aan functies worden gesteld en of door een andere taakverdeling (verticale taakdifferentiatie) de afhankelijkheid van opleidingsegmenten in de arbeidsmarkt kan worden verminderd. Daartoe zal ook worden bezien in hoeverre personeel met lagere opleidingen voor moeilijk vervulbare functies kan worden bijgeschoold. Uiteraard worden hierbij geen concessies gedaan aan de kwaliteit van de taakuitvoering.


152.

Wat is de oorzaak van het feit dat uit recent onderzoek blijkt dat de belangstelling onder jongeren uit etnische minderheidsgroeperingen voor een baan bij de krijgsmacht groter is dan onder autochtone jongeren, terwijl de praktijk het tegenovergestelde beeld vertoont? Wat gaat de regering concreet hieraan doen, ook vanuit het oogpunt het aantal BBT_ers te verroten in de toekomst? (blz. 83)

Uit onderzoek blijkt dat de belangstelling onder de verschillende etnische groeperingen zeer divers is. Marokkaanse en Antilliaanse jongeren tonen minder belangstelling dan autochtonen en Turkse en Surinaamse jongeren tonen meer belangstelling. Dit zijn de voorlopige resultaten van het onderzoek. De eindrapportage zal binnen enkele maanden verschijnen. Dan zal ook duidelijk worden wat de achterliggende variabelen zijn die de verschillen in getoonde belangstelling verklaren. Aan de hand van deze resultaten zal Defensie belangstellenden onder jongeren afkomstig uit etnische minderheidsgroeperingen gerichter gaan benaderen.

Het is overigens niet zo dat de instroom van etnische minderheden in de krijgsmacht, zoals de vraagstelling suggereert, achterblijft bij wat op grond van de etnische samenstelling van de Nederlandse bevolking verwacht zou mogen worden. De instroom van personen uit etnische minderheden is 9.2 %, terwijl een instroom van 4% evenredig zou zijn met de bevolkingssamenstelling.


153.

Wat wordt verstaan onder «ontoereikende voorlichting»? Hoe denkt de regering in de toekomst dit te verkomen? (blz.83)

In het verleden is gebleken dat de voorlichtingscampagnes niet altijd een goed beeld gaven van de werkelijkheid van het militaire bestaan. Dit was een van de redenen van een grote uitval tijdens het proces van werving, selectie en opleiding. Meestal heeft dergelijke uitval te maken met de verwachte fysieke en psychologische inspanning. Sindsdien is getracht de voorlichting beter af te stemmen op de realiteit. Uiteraard zal er altijd een bepaald percentage aspirant-BBT-ers blijven dat afhaakt, omdat het militaire bestaan toch niet is wat men er van verwachtte. Het is echter zaak dit percentage te zo klein mogelijk te houden onder meer door een reële, open en eerlijke voorlichting.


154.

Welke maatregelen zullen worden genomen om het opkomst_ en opleidingsverloop terug te dringen? (blz. 84)


155.

Wanneer kan de Kamer de notitie met betrekking tot verbetering van de personeelsvoorziening tegemoet zien? (blz. 84)

Als eerste stap ter verbetering van de personele bezetting van de krijgsmacht is een taakgroep personele bezetting ingesteld. De taakgroep heeft een coördinerende taak en volgt de ontwikkeling en te zijner tijd de uitvoering van maatregelen die bijdragen tot een goede personeelsbezetting. Genoemd kunnen onder andere worden: verbetering van de communicatie, terugdringing van wervings-, selectie- en opleidingsverloop en de vergroting van het aantal aanstellingsverlengingen. De maatregelen hiertoe zullen gezamenlijk door de krijgsmachtdelen en de Defensieorganisatie voor Werving en Selectie (DWS) worden ontwikkeld.

Genoemde taakgroep zal reeds op korte termijn de eerste, snel uitvoerbare maatregelen ter implementatie aandragen. Te denken is daarbij onder andere aan maatregelen ter verbetering van de beeldvorming over de krijgsmacht op de arbeidsmarkt, maatregelen ter verbetering van de wijze waarop de arbeidsvoorwaarden thans worden gepresenteerd en maatregelen ter bekorting van het proces van veiligheidsonderzoeken. Vervolgens worden op de iets langere termijn ook de overige elementen van het proces van personeelsvoorziening onder de loep worden genomen. Uiteindelijk dient de taakgroep uiterlijk eind 2000 het totale pakket aan voorstellen ter implementatie te hebben voorgedragen.

Het recent opgerichte Platform Defensie - Bedrijfsleven zal worden ingeschakeld om te adviseren over de de haalbaarheid van de verschillende voorstellen van de taakgroep. De Kamer zal over de voortgang en de resultaten van het proces van verbetering van de personele bezetting separaat worden geïnformeerd.


156.

Hoe verhoudt zich het uitbesteden van de werving van bepaald personeel bij zowel de Koninklijke landmacht als bij de Koninklijke marine zich tot de Dico werving en selectieorganisatie? Denkt de regering in de toekomst de gehele werving via het Dico te kunnen laten verlopen? (blz. 84)

De Defensieorganisatie voor Werving en Selectie (DWS) van het Dico werft in opdracht van de krijgsmachtdelen personeel. DWS is ook betrokken bij de proef met de uitbesteding van wervingsactiviteiten. Deze activiteiten zijn uitbesteed aan de uitzendorganisatie Start. Start levert kandidaten aan DWS, die daar vervolgens de reguliere voorlichtings- en selectieprocedure doorlopen.

Welke vorm de samenwerking met externe partners bij de werving van militairen uiteindelijk zal krijgen en welke taken DWS hierbij krijgt, is thans nog niet te zeggen.


157.

Hoe staat het op dit moment met de feitelijke acceptatie van deeltijdwerk; ook deeltijdwerk verricht door officieren? (blz. 85)


164.

In de Defensienota staat: «dat aanvraag voor deeltijdverlof voor Vrouwelijke BOT_militairen zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen drie jaar zal worden gehonoreerd». Is het niet mogelijk om de aanvragen sneller in te willigen, vooral voor deze groep zodat verloop tegen kan worden gegaan? (blz. 87)

Het werken in deeltijd wordt steeds meer geaccepteerd als een normale situatie. Het aantal militairen dat in deeltijd werkt, blijft echter - ondanks de aanzienlijke verruiming van de regelingen voor deeltijdverlof - relatief gering; wel is er het afgelopen jaar sprake van een duidelijke toename.

Overigens heeft Defensie, evenals de andere ministeries, een actieplan opgesteld met doelstellingen op het terrein van het emancipatiebeleid (zie de brief van de staatssecretaris van Emancipatiezaken, Kamerstuk
26 206, nr.12). Een van de doelstellingen is een stijging van het aantal deeltijdbanen dat wordt vervuld door vrouwelijke militairen.

Ook door - vooral vrouwelijke - officieren wordt in deeltijd gewerkt. Op dit moment staan in beginsel alle functies open voor deeltijd. In een aantal functies is het echter uit operationele overwegingen onmogelijk in deeltijd te werken. Bij plaatsing op een functie waarop niet in deeltijd kan worden gewerkt, zal een verzoek daartoe op zijn laatst bij de de toewijzing van een volgende functie kunnen worden gehonoreerd. Aangezien functies in het algemeen voor ongeveer drie jaar worden vervuld, is een zelfde maximum wachttermijn in de regelingen opgenomen. In de praktijk is die termijn doorgaans korter. Een algemeen geldende snellere maximale inwilligings-termijn is met het oog hierop niet noodzakelijk of wenselijk.


158.

Leidt de toegenomen keuzeruimte van militairen tussen vrije tijd en geld niet tot veel onzekerheid ten aanzien van hun beschikbaarheid? (blz. 85)


160.

Hoe wordt voorkomen dat arbeidsvoorwaarden «à la carte» ten koste gaan van de cohesie binnen de groep? (blz. 85)

Bij een «à la carte»-systeem zal sprake zijn van uitruil van elementen, bijvoorbeeld tijd voor geld of andersom. De totale «waarde» van de mogelijk verschillend ingevulde «arbeidsvoor-waarden-pakketten» zal in gelijke omstandigheden gelijk blijven. Dit moet ook duidelijk blijken uit de nog te ontwerpen regelgeving, waarmee de acceptatie van individuele keuzes wordt vereenvoudigd. Een dergelijk systeem, dat zorgvuldig moet worden opgebouwd en waar naast de belangen van de individuele militair ook een voldoende beschikbaarheid ten behoeve van een goede operationele taakuitoefening een uitgangspunt vormt, zal dan ook geen nadelige gevolgen hoeven te hebben voor de cohesie binnen de groep of voor de operationele inzetbaarheid.


159.

Hoe denkt de regering te kunnen realiseren dat militairen in de praktijk mogelijk wordt gemaakt hun wensen ten uitvoer te brengen zonder dat carrière mogelijkheden geschonden worden? (blz. 85)

Carrièremogelijkheden zijn mede afhankelijk van vervulde en toekomstige functies. Ook al laten een aantal functies ogenschijnlijk uit operationele overwegingen weinig ruimte voor verwerkelijking van keuzemogelijkheden tussen tijd en geld, toch zal er binnen de organisatie een beleid moeten worden gevoerd gericht op het effectueren van keuzes zonder dat dit invloed heeft op de loopbaan.


160.

Hoe wordt voorkomen dat arbeidsvoorwaarden «à la carte» ten koste gaan van de cohesie binnen de groep? (blz. 85)

Zie het antwoord op vraag 158.


161.

Hoelang denkt de regering nodig te hebben om het stelsel van bijzondere tegemoetkomingen voor militairen onder gevaarlijke omstandigheden aan te passen zodat gepaste tegemoetkomingen kunnen worden uitgekeerd? (blz. 86)


162.

Wanneer kan de Kamer de notitie m.b.t. aanpassing van de tegemoetkoming buitengewone en gevaarlijke omstandigheden tegemoet zien? (blz. 86)


163.

Welke aanpassingen vinden in het stelsel van gevarentoelagen plaats? (blz. 86)

De aanpassing van het stelsel van gevarentoelagen komt aan de orde bij de arbeidsvoorwaardenonderhandelingen 2000. Het doel is met de centrales van overheidspersoneel consensus te bereiken over een toetsing van het stelsel aan de huidige taakuitvoering en de zich daarbij voordoende buitengewone risico's die een toelage rechtvaardigen. Over de resultaten van deze onderhandelingen zal de Kamer worden geïnformeerd.


164.

In de Defensienota staat: «dat aanvraag voor deeltijdverlof voor Vrouwelijke BOT_militairen zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen drie jaar zal worden gehonoreerd». Is het niet mogelijk om de aanvragen sneller in te willigen, vooral voor deze groep zodat verloop tegen kan worden gegaan? (blz. 87)

Zie het antwoord op vraag 157.


165.

Wanneer zal het proefproject van inpandige kinderopvang op vliegbasis Twente van start gaan? Hoe lang gaat het proefproject duren? (blz. 87)

Momenteel zijn de voorbereidingen voor de inpandige kinderopvang op de vliegbasis Twente gaande. Vanaf 1 september 2000 zullen kinderen kunnen worden opgevangen. Het project duurt in beginsel vijf jaar. Overigens zullen de resultaten van dit project niet worden afgewacht om de inpandige kinderopvang verder te ontwikkelen. In de nabije toekomst zal bij verschillende onderdelen van de krijgsmacht worden onderzocht of met soortgelijke projecten kan worden begonnen.


166.

Wat is de reden dat complete reserve_eenheden op het gebied van logistiek, bevoorrading, medische ondersteuning, genie, niet worden aangemerkt als voortzettingscapaciteit t.b.v. vredesoperaties? (blz.
89)


263.

Reserve eenheden kunnen niet alleen in het kader van de collectieve verdediging worden ingezet maar ook als er sprake is van een ernstige schending van Nederlandse belangen. Aan welke situaties wordt dan gedacht? Op basis van welke wetgeving worden reservisten dan ingezet? (blz. 129)

Op grond van de Wet voor het reservepersoneel kunnen reservisten in werkelijke dienst worden geroepen. Maatwerk is mogelijk, met andere woorden: er kunnen individuele reservisten maar ook complete reserve_eenheden worden opgeroepen. Van belang hierbij is de sinds
1996 van toepassing zijnde "Coördinatiewet uitzonderingstoestanden". De belangrijkste term in deze wet is het begrip "buitengewone omstandigheden". Het van toepassing verklaren van "buitengewone omstandigheden" is een zaak van regering en parlement. In de Memorie van toelichting bij genoemde wet worden als voorbeeld van buitengewone omstandigheden onder meer aangehaald: een crisis met oplopende internationale spanning die in internationaal verband tot maatregelen leidt, grootschalige rampen die onvoldoende met normale wettelijke bevoegdheden kunnen worden bestreden, en het verlenen van noodhulp bij plotseling optredende calamiteiten.

Aangezien buitengewone omstandigheden slechts in zeer specifieke situaties zullen worden afgekondigd, heeft het aanwijzen van complete reserve-eenheden als voortzettings-capaciteit voor vredesoperaties daarom niet de voorkeur.


167.

Hoe verhoudt zich de zinsnede dat defensie de komende jaren zal investeren in de zorg van het personeel (blz. 89) met de financiële herschikkingtabel op bladzijde190 (kosten versus opbrengst nieuw personeelsbeleid) (blz. 89)

Zoals uit de tabel op blz. 190 blijkt, wordt in de periode 2000 - 2009 in totaal ruim f. 1,7 miljard geïnvesteerd in nieuw personeelsbeleid. De investeringen in de zorg voor het personeel en zijn of haar naasten als bedoeld op bladzijde 89 van de Defensienota zijn hierin begrepen. Tegenover deze investeringen staan ook besparingen op de personele lasten ter grootte van f. 1,2 miljard. Deze besparingen zijn vooral het gevolg van de verjonging van het personeelsbestand en de verhoging van de ontslagleeftijd van het BOT-personeel. Daarmee wordt zowel een verschuiving binnen als een verhoging van de uitgaven t.b.v. het personele functiegebied gerealiseerd.


168.

Wat zijn de bevoegdheden van een case manager (blz. 90)

Bij het casemanagement gaat het om het regelen, coördineren en begeleiden van activiteiten om daarmee een «hulpvrager die in of door de dienst in problemen is geraakt» bij te kunnen staan. Hierbij bewaakt de casemanager voortdurend de voortgang van alle te ontplooien activiteiten (geneeskundig, sociaal, rechtspositioneel, enz.). De casemanager treedt dus niet zelf op als hulpverlener. De casemanager is zo in de organisatie geplaatst dat hij of zij - indien nodig - geconstateerde knelpunten rechtstreeks onder de aandacht van de directeur Personeel van het desbetreffende krijgsmachtdeel kan brengen. Voor veteranen wordt de het casemanagement gecoördineerd door het veteraneninstituut.


169.

Wordt bij de mogelijkheid militair_geneeskundige eenheden structureel te belasten met de geneeskundige zorg voor vluchtelingen geduid op vluchtelingen in Nederland of elders? (blz. 90)

Hiermee wordt bedoeld de geneeskundige zorg voor vluchtelingen in het gebied van verantwoordelijkheid van de Nederlandse eenheid in het inzetgebied.


170.

Welke instrumenten zal Defensie gebruiken om de inzetbaarheid van het medisch reservepersoneel op peil te houden? (blz. 90)

Instrumenten om het bestand medisch reservepersoneel op peil te houden dienen nog ontwikkeld te worden. Daartoe is in de Koninklijke landmacht een werkgroep begonnen die nog dit jaar met voorstellen komt. Als voorbeeld voor zo'n instrument kan de wijze, waarop door middel van overeenkomsten met ziekenhuizen in specialisti-sche capaciteit wordt voorzien, dienen.

Als interimmaatregel zal medio dit jaar een speciale reservistendag worden gehouden om, zowel medisch specialisten uit het huidige reservistenbestand als specialisten waarvan de reserve-verplichting op grond van hun leeftijd vervallen is, te enthousiasmeren voor verlenging (vernieuwing) van hun reserveverplichting. Daarnaast is deze reservistendag bestemd voor medische studenten met belangstelling voor een aanstelling als reservist.


171.

Hoe verhoudt zich de zinsnede dat de Hoogste medische autoriteit de adviseur wordt van CDS en SG met het huidige takenpakket van de SG? (blz. 91)

In geval van uitzendingen adviseert de hoogste medische autoriteit de CDS over de inzet van medische eenheden. De advisering over het geneeskundig beleid als onderdeel van het personeelsbeleid geschiedt via de Directeur-generaal Personeel en de Secretaris-generaal.


172.

Hoe hoog is het ziekteverzuim bij Defensie? (blz. 92)

Ziekteverzuim Defensie 1998 exclusief zwangerschapsverlof

MILITAIR PERSONEEL

BURGER PERSONEEL

MAN

VROUW

TOTAAL

MAN

VROUW

TOTAAL

Koninklijke Marine


2,06


3,64


2,22


5,65


7,47


5,88

Koninklijke Landmacht


6,60


12,40


6,98


7,70


10,20


8,08

Koninklijke Luchtmacht


4,10


6,80


4,30


5,40


7,20


5,70

Koninklijke Marechaussee1)


4,00


7,80

Centrale Organisatie 2)


-


-


-


5,40


8,10


6,10

DICO 2)


-


-


-


6,60


14,40


8,00


1) alleen totaalcijfers beschikbaar


2) ziekte militair personeel wordt geregistreerd bij het krijgsmachtdeel


173.

Wanneer zal een defensiebreed raamwerk voor
arbeidsomstandighedenbeleid tot stand zijn gebracht? (blz. 92)

Het streven is erop gericht het Raamwerk Arbobeleid Defensie voor de zomer 2000 te voltooien.


174.

Wanneer en in welke plaatsen in Nederland gaan de vervolgprojecten «de uitdaging» van start? (blz. 93)

Het volgende deelproject is op 17 januari jl. bij de Koninklijke marine in Den Helder begonnen. Een groep van bijna twintig jongeren zal, naast de gebruikelijke fysieke trainingen en de lessen sociale vaardigheden, een opleiding servicemonteur of een opleiding automatiserings- en computertechniek volgen. Begin april zal een volgend deelproject starten bij de Koninklijke luchtmacht in Woensdrecht. Daarin staat een opleiding voor hef- en containertruckchauffeur centraal. Over de invulling en vormgeving van de projecten daarna wordt momenteel met de gemeente Amsterdam overlegd.


175.

Rechts_extremistische en racistische uitingen geven niet alleen een negatieve indruk , maar belemmeren ook de integratie van allochtonen in de krijgsmacht. Hoe staat het met dergelijke uitingen? Zijn er, naast de naar buiten gekomen incidenten op Cyprus, het laatste jaar elders uitingen van rechts_extremisme of racisme waargenomen binnen de krijgsmacht, hier of bij uitgezonden eenheden? Zo ja, wat is daarmee gedaan? (blz. 93)

In geval van rechts-extremistisch gedrag of racisme wordt aangifte gedaan bij het openbaar ministerie (OM), zodat het OM kan bezien in hoeverre dit gedrag tot vervolging moet leiden. Gezien de ernst van deze gedragingen wordt in voorkomende gevallen tevens bezien of rechtspositionele maatregelen moeten worden genomen.

Rechts-extremistische of racistische uitingen worden niet afzonderlijk geregistreerd. Bij het OM loopt nog een aantal strafrechtelijke onderzoeken naar rechts-extremistisch gedrag. Vast staat inmiddels dat zich - naast het incident op Cyprus vorig jaar - nog twee incidenten hebben voorgedaan waarbij militairen zich mogelijk racistisch of rechts-extremistisch hebben uitgelaten.


176.

Wat houdt de belangrijke rol van geestelijke verzorgers met betrekking tot het regelmatig bespreken van de gedragscode in? (blz. 93)

De geestelijke verzorging schenkt - vanuit de expertise die deze door haar ervaring met moraalpedagogische vragen heeft - de nodige aandacht aan ethische vorming binnen de krijgsmacht. Het kan daarbij zowel gaan om bijdragen aan het reguliere ethiek-onderwijs, als om aparte bijeenkomsten op de verschillende vormingscentra. Het vormingswerk is een vorm van pastoraal groepswerk, gericht op het zodanig functioneren van personen in groepen dat het geestelijk welzijn en het in groepen goed functioneren erdoor wordt bevorderd. De gedragscode wordt in genoemde verbanden bediscussieerd. Naast de aandacht voor morele dilemma´s en gedragscodes komen daarbij overigens ook andere onderwerpen aan de orde.


177.

Welke consequenties voor het beleid trekt de regering uit de door de Kamer aangenomen motie over kindsoldaten? (blz. 94)

Bij de onderhandelingen over het facultatieve aanvullende protocol bij het VN Verdrag inzake de Rechten van het Kind was de inzet van de regering vooral gericht op het totstandkomen van een protocol dat een zo breed mogelijk draagvlak heeft en daardoor effectief kan zijn. De Kamer is bij brief van 27 januari j.l. geïnformeerd over de uitkomst van de onderhandelingen.


178.

Is het mogelijk om een overzicht te geven van die 1000 functies die nog door de Prioriteitennota gereduceerd moeten worden waarin aangegeven wordt om hoeveel personen het per krijgsmachtonderdeel gaat en welke functies het behelst? (blz. 94)

De ongeveer 1000 nog te reduceren BOT-functies betreffen het verschil tussen de begrotingssterkte 2000 en de gewenste sterkte per 2003 (exclusief de reeds verwerkte maatregelen uit de Hoofdlijnennotitie), zoals die in de ontwerp begroting 2000 zijn weergegeven. Dit verschil is als volgt verdeeld over de beleidsterreinen:

KM

KL

KLu

KMar

CO

DICO

TOTAAL

begrotingssterkte 2000


8128


10927


7767


3297


608


1008


31735

gewenste sterkte 2003


8038


10373


7508


3220


602


1003


30744

verschil


-90


-554


-259


-77


-6


-5


-991

Het gaat hierbij om functies van uiteenlopend niveau, verspreid door de gehele organisatie.


179.

Verwacht de regering de reductie van 700 functies bij de Koninklijke landmacht en de Koninklijke marine als gevolg van herstructureringen en reorganisatie ook in 2002 volledig te kunnen verwezenlijken? (blz.
94)

In totaal wordt bij de uitvoering van de plannen uit de Defensienota gerekend met een overtolligheid van ongeveer 5200 personeelsleden. Hiervan vloeien er ongeveer 3500 voort uit de verhoging van de ontslagleeftijd. Van de resterende 1700 zijn er 1000 het gevolg van de implementatie van de Prioriteitennota; deze moeten uiterlijk in 2002 zijn gerealiseerd. De overige 700 zijn een direct gevolg van de in de Defensienota verwoorde operationele keuzes alsmede de invoering van een nieuwe personeelsstructuur. Voor de implementatie hiervan is de totale periode tot 2009 uitgetrokken.


180.

De verhoging van de FLO_leeftijd leidt tot een frictieovertolligheid van 3500 personen. Betekent dit dat personeel ouder dan 50 jaar a.g.v. de verhoging FLO_leeftijd straks met ontslag wordt bedreigd? Hoe groot acht de regering de kans dat dit personeel op de arbeidsmarkt aan de slag komt? (blz. 95)


181.

Indien geen personeel van 50 jaar of ouder wordt ontslagen als gevolg van frictieovertolligheid betekent dit dan dat jong personeel wordt ontslagen om ouder personeel in dienst te houden? (blz. 95)

Het verhogen van de ontslagleeftijd voor militairen leidt ertoe dat BOT-ers gemiddeld drie jaar later zullen uitstromen. De implementatie hiervan betekent dat in de periode 2003 - 2008 de uitstroom van BOT-ers met in totaal ongeveer 3500 afneemt. Omdat de opbouw van het personeelsbestand in balans moet blijven èn het proces van verjonging moet doorgaan, is elders in het personeelsbestand een extra uitstroom van BOT-ers nodig. Hierbij zal het zwaartepunt liggen op leeftijdscategorieën waarin in het licht van de voor de toekomst gewenste opbouw een relatieve oververtegenwoordiging zichtbaar is.


182.

Kan een overzicht (kosten_batenanalyse) worden gegeven van de kosten van het SBK voor 3500 overtolligen en het handhaven van de huidige FLO_leeftijd (met nadienen op vrijwillige basis) tot het moment dat het functiebestand en personeelsbestand met elkaar in overeenstemming is (2010)? (blz. 95)

In de Defensienota is voorzien dat de huidige diensteinde-regelingen voor militair personeel worden aangepast. Onderdeel hiervan is de stapsgewijze verhoging vanaf 2003 van de UKW-leeftijd met 3 jaar. De (gesaldeerde) opbrengsten van deze aanpassing in de periode 2000 -
2009 zijn geraamd op ongeveer f. 360 miljoen. Verhoging van de UKW-leeftijd leidt ook tot een overtolligheid van 3500 personeelsleden. Voor outplacement en sociaal beleid is een bedrag gereserveerd van f. 150 miljoen. Per saldo wordt in de Defensienota derhalve rekening gehouden met een besparing in de periode 2000 - 2009 van f 210 miljoen (een en ander exclusief de financiële UKW-taakstelling uit het Regeerakkoord).

Als wordt besloten de verhoging van de UKW-leeftijd uit te stellen tot
2010, leidt dit - bij overigens ongewijzigd beleid - per saldo tot een kostenpost van in totaal ongeveer f. 340 miljoen (eveneens exclusief de taakstelling uit het Regeerakkoord). Omdat de overtolligheid in dit geval (in de periode 2000 - 2009) zou worden voorkómen, zijn hier geen kosten mee gemoeid.

De meerkosten van de variant waarin de verhoging van de UKW-leeftijd wordt uitgesteld tot 2010 bedragen ten opzichte van de in de Defensienota gepresenteerde optie 2003 voor de periode 2000 - 2009 derhalve f. 550 miljoen.


183.

Wat zijn de kosten (infrastructuur, studie enz.) die gepaard gaan met de wijziging van BOT functies in BBT functies bij marine en luchtmacht? Dient er voor elke BBT_er in de toekomst zoals nu het geval is ook huisvesting bij het onderdeel aanwezig te zijn? (blz. 95)


185.

Wat zijn de gevolgen voor de opleidingssector van een toename van
10.000 BBT_ers in 2010? (blz. 95)


186.

Kan een overzicht (kosten_batenanalyse) worden gegeven van de beslissing om 10.000 BOT functies om te zetten in BBT functies? Kan in dit overzicht ingegaan worden op de kosten van huisvesting, opleidingsssector, employability, pensioen etc.? (blz. 95)

De belangrijkste baten van de nieuwe personeelsstructuur zijn uiteraard de flexibilisering en verjonging van het militaire personeelsbestand, wat de inzetbaarheid van de krijgsmacht ten goede komt. Naast deze baten voor de bedrijfsvoering zijn er ook financiële effecten.

Bij de wijziging van de personeelsstructuur is uitgegaan van een gelijkblijvend aantal militairen, maar in een andere BOT/BBT-verhouding. Daarbij is ervan uitgegaan, dat de tijd dat BBT-ers in de organisatie verblijven (initiële aanstellingen plus contractverlengingen) zal stijgen, waardoor jaarlijks niet méér militairen hoeven te worden geworven dan thans het geval is.

De aanpassing van de personeelsstructuur leidt zo tot een besparing op de actieve personeelslasten. BBT-ers zijn gemiddeld jonger en lager in salarisanciënniteit dan BOT-ers. Daarnaast zal het vervangen van BOT-ers door BBT-ers waarschijnlijk ook leiden tot een herverdeling van arbeid over de verschillene functieniveaus, waardoor het gemiddelde rangsniveau feitelijk daalt. In totaal betreft het een besparing die oploopt tot ongeveer f. 160 miljoen structureel.

Naast de besparingen op de actieve loonkosten is er ook sprake van een besparing op de post-actieve lasten. Deze tekenen zich evenwel pas af op een langere termijn. De besparingen zullen vanaf ongeveer 2015 gaan oplopen tot ongeveer f. 130 miljoen structureel in 2030.

Als gevolg van de gekozen aanpak en de gelijkblijvende wervingsaantallen zal het aantal op te leiden militairen niet substantieel toenemen. Wat betreft huisvestingskosten bestaat de verwachting dat door de langere verblijfsduur BBT-ers relatief meer in een eigen huishouding zullen voorzien en niet meer legeringsruimte nodig zal zijn.

Tegenover de baten staan vooral de kosten voor «employability». In de Defensienota is hierin voorzien door een oplopende reeks die uitmondt in een budget van f. 100 miljoen structureel, wat overeenkomt met ongeveer f. 3000 per BBT-er per jaar.


184.

Op welke wijze is in de plannen rekening gehouden met het feit dat de toekomstige BBT'er marktconform zal moeten worden betaald? Is rekening gehouden met een substantiële salarisverhoging? Zo ja, waar blijkt dat uit? (blz. 95)

Er is geen aanleiding te veronderstellen dat de arbeids-voorwaarden voor BBT'ers - in algemene zin - ontoereikend zijn. Deze gelden in beginsel ook voor de toekomstige BBT'ers. Wel kan van belang zijn dat voorgesteld is de zogenoemde jeugd-salarissen te beëindigen. Dat leidt tot een betere salaris-positie voor jonge militairen. Omdat sprake is van een verlenging van de gemiddelde contractduur, worden voorts de mogelijkheden uitgebreid om de BBT'er het perspectief van een mini_carrière te bieden. Deze voornemens komen overigens nog aan de orde in het overleg met Centrales.


185.

Wat zijn de gevolgen voor de opleidingssector van een toename van
10.000 BBT_ers in 2010? (blz. 95)


186.

Kan een overzicht (kosten_batenanalyse) worden gegeven van de beslissing om 10.000 BOT functies om te zetten in BBT functies? Kan in dit overzicht ingegaan worden op de kosten van huisvesting, opleidingsssector, employability, pensioen etc.? (blz. 95)

Zie het antwoord op vraag 183.


187.

Waarom zijn in de herstructureringsplannen geen voorstellen gedaan m.b.t. het samenvoegen van de verwervingsafdelingen van de drie krijgsmachtdelen? Wat is de harde noodzaak dat deze sectoren per krijgsmachtdeel moeten blijven bestaan? (blz. 97)

Zie het antwoord op vraag 117.


188.

Hoe kan een betrouwbare beoordeling van levensduurkosten worden gemaakt als het de aanschaf van (relatief) nieuw materieel betreft? (blz. 98)

Bij het beoordelen van levensduurkosten van materieel wordt gebruik gemaakt van kostenmodellen, leveranciersinformatie en ervaringsgegevens. Op grond hiervan wordt een schatting gemaakt van de investeringskosten, de exploitatie-kosten en de afstotingskosten. Hierdoor wordt inzicht verkregen in de totale levensduurkosten. De beoordeling van de levensduurkosten wordt meegenomen in het Defensiematerieelkeuzeproces.


189.

Op welke manier denkt de regering oneigenlijk gebruik van artikel 296 van het EU_Verdrag terug te dringen? Verwacht de regering dat een «Witboek» voor de Europese defensie_industrie zou kunnen leiden tot een betere samenwerking en eerlijkere concurrentie? (blz. 103)

Oneigenlijk gebruik van artikel 296 kan alleen in Europees verband worden tegengegaan en vergt de harmonisering van de wijze waarop de EU-lidstaten het artikel toepassen. Dat zou een eerlijkere concurrentie op de Europese defensiemarkt bevorderen. Nederland is er voorstander van dat de gronden waarop de lidstaten een beroep op dit artikel kunnen doen nauwkeurig worden vastgelegd. Regelgeving op dit terrein moet voor alle lidstaten gelijktijdig gelden en voor alle gelijktijdig ingaan. Nederland heeft initiatieven van de Europese Commissie met deze strekking gesteund. Onlangs kon daarover in de tweede pijler van de EU echter geen overeenstemming worden bereikt. Lidstaten geven de voorkeur aan ruime marges bij de interpretatie van het veiligheidsbegrip in artikel 296. Om dezelfde reden zal een wetgevingsinitiatief van de Commissie in de vorm van een witboek vooralsnog vermoedelijk niet op voldoende steun rekenen. De Commissie heeft reeds gesteld voort te zullen gaan met het formuleren van voorstellen in de eerste pijler die relevant zijn voor het functioneren van de Europese defensie-industrie. Hiertoe is onder meer eind 1997 een actieplan opgesteld. Een onderdeel daarvan heeft betrekking op de aanbestedingsregels voor de defensiesector. De Commissie voert overleg over de aanpassing van de lijst van artikelen waarop artikel 296 van toepassing is. Voorts overweegt zij aparte Europese aanbestedingsregels voor deze artikelen op te stellen. Nederland zal de voorstellen van de Commissie zorvuldig beoordelen, met inachtneming van de hierboven geformuleerde uitgangspunten en de noodzaak de balans in de toepassing van artikel 296 te handhaven.


190.

Op welke manier poogt de overheid (niet alleen Defensie) de marinebouw voor Nederland te behouden? (blz. 103)

Het streven de marinebouw voor Nederland te behouden komt tot uitdrukking in het preferentieel beleid van Defensie bij de aanbesteding van de bouw van grote, gespecialiseerde oppervlakteschepen, met inbegrip van de ontwikkeling, installatie en integratie van bepaalde sensor_, wapen_ en commandosystemen. Ook de inspanningen van de overheid om voor de KSG een strategische partner te vinden, passen in dit streven.


191.

Wat zijn de geschatte meerkosten die samenhangen met het preferentiebeleid bij met name de marinebouw ten opzichte van aanbesteding onder concurrentie? (blz. 103)

Het is niet mogelijk precieze uitspraken te doen over de kosten van het preferentiebeleid bij de marinebouw, omdat het moeilijk is de integrale kostprijs van een in Nederland aanbesteed schip te vergelijken met die van een schip dat op een buitenlandse werf wordt gebouwd. Dit komt onder meer door de beperkte beschikbaarheid van gegevens uit het buitenland en de grote verschillen in rekenmethodieken en bouwwijzen en in de ontwikkeling, installatie en integratie van sensor_ en wapensystemen. Voordat een overeenkomst wordt gesloten, wordt door middel van accountants- en marktprijsonderzoek en een offertebeoordeling door technische deskundigen wel steeds bepaald of de aangeboden prijzen redelijk zijn. Uit die gegevens, maar ook op grond van informatie uit professionele en internationale contacten en ervaringen kan overigens worden afgeleid dat de product-prijsverhouding van de in Nederland gebouwde schepen gunstiger is dan die van soortgelijke schepen die in het buitenland zijn gebouwd.


192.

Hoe is het bedrag van f 50 miljoen dat op jaarbasis bespaard zou kunnen worden bij afschaffing van de boeteclausule bepaald? (blz. 104)

In interviews in de eerste onderzoeksfase hebben buitenlandse leveranciers bevestigd dat de boeteclausule een prijsverhogend effect kan hebben. De boete bij het niet nakomen van de compensatieverplichting bedraagt 5 procent van het niet ingevulde deel ervan (Kamerstuk 24 793, nr. 1). De schatting van de kosten op jaarbasis berust op de gemiddelde opdrachtwaarde per compensatieovereenkomst, berekend op basis van de totale opdrachtwaarde van de compensatieplichtige aanschaffingen en het totaal aantal lopende overeenkomsten op 31 december 1998 (Jaarrapportage Compensatiebeleid, 23 maart 1999, EZ-99.167). Vervolgens is het gemiddeld aantal (basis)compensatieovereenkomsten op jaarbasis berekend in de periode 1995 tot 1998. Het jaarlijks gemiddelde van ongeveer f. 50 miljoen is 5 procent van het gemiddelde aantal compensatieovereenkomsten maal de gemiddelde contractwaarde.


193.

Indien de boeteclausule in compensatieovereenkomsten wordt geschrapt, hoe wordt dan het nakomen van dit soort overeenkomsten afgedwongen? (blz. 104)

Als de boeteclausule in compensatieovereenkomsen wordt geschrapt, blijft het mogelijk om met juridische middelen naleving van de compensatieovereenkomst te vorderen. Volgens de gebruikelijke tekst van deze overeenkomsten geschiedt dit door middel van arbitrage met toepassing van het Nederlandse recht.


194.

Hoeveel extra geld is er mogelijk nog nodig voor de positionering van de Nederlandse industrie bij de verwerving van opdrachten in het kader van het JSF_project? Hoeveel daarvan komt voor rekening van de overheid? Wat zijn mogelijk andere bronnen (blz. 104)

In het kader van het regeringsbeleid voor het luchtvaartcluster is de «Subsidieregeling Ontwikkelings_en Demonstratieopdrachten Joint Strike Fighter» in werking gesteld. Een subsidie van f. 180 miljoen (f. 130 miljoen ten laste van de begroting van Economische Zaken en f. 50 miljoen ten laste van de Defensie-begroting) is ter beschikking gesteld om de Nederlandse industrie en kennisinstituten te positioneren voor de mogelijke deelname aan de «Engineering, Manufacturing and Development» (EMD)-fase van de JSF. Inmiddels zijn ruim 40 project-voorstellen door de Interdepartementale Stuurgroep Luchtvaart-cluster goedgekeurd, waarmee een subsidiebedrag is gemoeid van ongeveer f. 175 miljoen. Er zijn nog een kleine twintig projectvoorstellen in behandeling. Het is duidelijk dat het resterende subsidiebedrag ontoereikend is om de resterende projectvoorstellen te honoreren.

De subsidie bedraagt in principe tweederde van de projectkosten, de overige kosten worden opgebracht door de indiener van het voorstel. Ingeval de subsidie_ontvanger geen opbrengsten zal kunnen genereren uit de eventuele vervolgfasen in het kader van het JSF-programma (zoals een kennisinstituut) bestaat de mogelijkheid om een hoger percentage te verkrijgen dan het voorziene tweederde deel.


195.

Welke concrete voorstellen bestaan voor het gezamenlijk van de plank kopen van systemen samen met andere landen? (blz. 106)

De Koninklijke landmacht heeft het voornemen een aantal trucks en trailers samen met andere landen aan te schaffen. Deze behoeften zijn in de WEAG aangemeld. Voorts zal de aanschaf van onderdelen voor de F-16 in «Multi National Fighter Programme»-verband worden voortgezet. De Koninklijke marine heeft het voornemen apparatuur voor het «Capability Upkeep Programme» van de Orion samen met andere landen aan te schaffen.


196.

Op welke manieren wil Defensie het innovatief aanbesteden stimuleren en welke proefprojecten zijn daarbij gepland? (blz. 107)

Defensie zal deelnemen aan het interdepartementale actieplan «professioneel inkopen en aanbesteden» dat onlangs de minister van Economische Zaken onlangs heeft aangeboden aan de Tweede Kamer. Innovatief aanbesteden maakt deel uit van dit actieplan. Als proefprojecten zijn aangemerkt een bodemsaneringsproject en de aanschaffing van personenvoertuigen.


197.

Wat wordt bedoeld met aanvaardbare bestemmingen voor overtollige defensiegoederen? (blz. 108)

In beginsel worden alle bestemmingen die voldoen aan de criteria van het wapenexportbeleid als aanvaardbare bestemmingen aangemerkt.


198.

Kan een nadere specificatie worden gegeven van de geplande verkoopopbrengst van f 640 miljoen van af te stoten materieel? (blz.
108)


199.

Waarop is de geraamde verkoopopbrengst van 640 miljoen gulden gebaseerd? (blz. 108)

De raming van f. 640 miljoen berust op de verkoopwaarde van roerende en onroerende zaken die als gevolg van de maatregelen in de Defensienota 2000 zullen worden afgestoten. Het betreft voornamelijk de in hoofdstuk 11, paragraaf 6 van de nota vermelde zaken.


200.

Is er bij het afstoten van technisch en operationeel niet verouderd materieel geen sprake van kapitaalvernietiging? (blz. 108)

Aan het desbetreffende materieel bestaat operationeel geen behoefte meer. Door het af te stoten wordt bespaard op de exploitatiekosten. Het materieel vertegenwoordigt in de meeste gevallen echter nog een aanzienlijke restwaarde. Door verkoop tegen een marktconforme opbrengst wordt getracht een zo groot mogelijk deel van het geïnvesteerd vermogen terug te verdienen. In het algemeen blijkt het mogelijk het overtollige materieel te verkopen tegen een redelijke prijs. Soms is kapitaal-vernietiging echter onvermijdelijk.


201.

Bij de verkoop van defensiemateriaal moet nadrukkelijker worden ingespeeld op de marktwensen. Hierbij valt te denken aan bijvoorbeeld onderhoud, opleiding en soepele betalingsregelingen. In hoeverre is hier in financiële zin rekening mee gehouden? (blz. 108)

Het in de gewenste staat van onderhoud brengen van materieel en het verzorgen van opleidingen worden in beginsel de klant tegen kostprijs in rekening gebracht. De bedragen die hiermee zijn gemoeid zijn geen verkoopopbrengsten. Betalingsregelingen kunnen aanleiding zijn de verkoopopbrengsten van het desbetreffende materieel over meer jaren te spreiden. Per saldo veranderen de opbrengsten hierdoor niet.


202.

Wat zijn de extra kosten als gevolg van het besluit om geen nieuw materieel te verwerven waarin schadelijke stoffen zijn verwerkt? Op welke wijze zijn deze kosten in de plannen verwerkt? (blz. 109)

Eventuele extra kosten voor de verwerving van materieel waarin geen schadelijke stoffen zijn verwerkt, kunnen niet in algemene zin worden gekwantificeerd; ze zijn afhankelijk van de aard en de diversiteit van de te vervangen stoffen en van de technologische inspanning die moet worden geleverd. Wel zullen extra investeringskosten gedurende de exploitatie en bij de afstoting (ten dele) worden terugverdiend omdat geen bijzondere maatregelen hoeven te worden getroffen voor het voorkómen van ongewenste milieubelasting. Als er kosten zijn, maken deze deel uit van de projectkosten.


203.

Bestaan al concrete vormen van internationale samenwerking bij onderzoek en ontwikkeling die een verlaging van het budget rechtvaardigen? (blz. 110)

Internationale samenwerking op het terrein van onderzoek en ontwikkeling is reeds gaande in de Navo, de Weu en de EU en in kleiner, bi- en multilateraal, verband. Met behulp van bestaande instrumenten, zoals Euclid en Thales, wordt deze samenwerking verder vormgegeven. Inter-nationale samenwerking bevordert complementariteit en voorkomt duplicering. Het gemeenschappelijke gebruik van kostbare infrastructurele beproevings- en evaluatiefaciliteiten is een voorbeeld van samenwerking die tot besparingen kan leiden. Ook zullen de mogelijkheden worden bezien van samenwerking in en met Occar, het nieuwe materieelagentschap in Europa. De defensiebegroting voor 2001 zal concrete bezuinigingsmaatregelen bevatten.


204.

Is bij technologie_ en ontwikkelingsprojecten goed in te schatten of werkelijk uitzicht bestaat op operationele toepassing? Kan strikte toepassing van dit criterium niet als gevolg hebben dat nog weinig echt innovatief onderzoek zal worden gefinancierd? (blz. 110)

Technologie- en materieelontwikkelingsprojecten zijn innovatieve projecten, gericht op het leveren van een concreet product, bijvoorbeeld in de vorm van een «technology demonstrator» of een prototype. Aan de hand van een (potentiële) operationele behoefte wordt de technologische haalbaarheid van een project zo goed mogelijk beoordeeld. Defensie zal alleen een financiële bijdrage overwegen als werkelijk uitzicht bestaat op operationele toepassing.


205.

Als wordt gesteld dat defensie pas een financiële bijdrage levert bij onderzoek en ontwikkeling indien er werkelijk uitzicht bestaat op een operationele toepassing, hoe verhoudt deze stellingname zich ten aanzien van de betalingen door defensie gedaan t.b.v. ontwikkeling van de Moray klasse? Is deze bijdrage inmiddels gestopt? (blz. 110)

De laatste bijdrage van Defensie, met name de Koninklijke marine, aan de RDM (f. 3,2 miljoen) dateert van 1997. Aan deze bijdrage lag vooral de economische overweging ten grondslag de ontwerpcapaciteit voor onderzeeboten in ons land in stand te houden. Deze generieke kennis is bovendien van operationeel belang met het oog op de instandhouding van de Walrus-klasse onderzeeboten en de modernisering van deze boten omstreeks 2009.


206.

Hoe is de Navo «Striking fleet Atlantic» precies samengesteld? Kan de samenstelling van de «European multinational maritime force» nader worden gespecificeerd in schepen? Wat is het Nederlandse aandeel daaraan globaal in procenten en wat die van andere landen? Is deze EMMF de Europese zeemacht die de minister noemde op de bijeenkomst van Navo_ministers van Defensie op 2 en 3 december 1999? (blz. 112)

De «Striking fleet Atlantic» bestaat uit maritieme eenheden van de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, België en Nederland. De samenstelling en de omvang van dit verband varieert afhankelijk van de opgedragen missies en taken. Voor het uitvoeren van artikel-5 operaties zijn minimaal de volgende eenheden beschikbaar:

Verenigde Staten:


_ 1 Carrier Battle Group met nucleaire onderzeeboten


_ 2 amfibische brigades met de daarbij behorende ondersteuning


_ 1 commandoplatform (geschikt voor het accommoderen van een "Combined Joint Task Force Commander" en zijn «Component commanders» met hun staven


_ vanaf land opererende maritieme patrouillevliegtuigen

Verenigd Koninkrijk:


_ 1 taakgroep (inclusief «carrier») met een nucleaire onderzeeboot, gespecialiseerd in (lange afstand) onderzee-boot-bestrijding


_ 2 bataljons met ondersteuning t.b.v. de «UK/NL Landing Force» leidend tot 1 Europese amfibische brigade


_ vanaf land opererende maritieme patrouillevliegtuigen

Nederland


_ 1 taakgroep met een dieselelektrische onderzeeboot, gespecialiseerd in escortetaken


_ 1 bataljon met ondersteuning ten behoeve van de «UK/NL Landing Force» leidend tot 1 Europese amfibische brigade


_ vanaf land opererende maritieme patrouillevliegtuigen

Duitsland


_ 1 taakgroep, gespecialiseerd in escortetaken


_ vanaf land opererende maritieme patrouillevliegtuigen

België


_ 1 fregat (onderdeel van de BE/NL taakgroep)

Omdat de samenstelling van de «Striking fleet Atlantic» modulair is, is het mogelijk om, afhankelijk van de taakstelling en dreiging, hetzij enkele eenheden toe te voegen aan de respectievelijke groepen, hetzij gehele modules (bijvoorbeeld een tweede «Carrier Battle Group») op te nemen in dit verband. Ook is het mogelijk om dit verband uit te breiden met specialistische componenten, zoals een mijnenbestrij-dingscomponent. Op deze wijze kunnen ook andere Navo-bondhenoten een bijdrage leveren.

Naast artikel-5 operaties is de «Striking Fleet Atlantic» geschikt voor niet-artikel-5 operaties. Daartoe heeft de Navo onder meer het commandoplatform van de «Striking fleet Atlantic», inclusief de commandant en zijn staf, aangewezen als «seabased Combined Joint Task Force» hoofdkwartier (CJTF HQ).

Het Europese deel van de «Striking fleet Atlantic» bestaat uit de «UK/NL Landing Force», de Britse «carrier»-taakgroep, de Duitse taakgroep en de Belgisch/Nederlandse taakgroep. Gezien de bestaande samenwerking (zowel opereren als oefenen) en interoperabiliteit zouden deze laatste elementen de kern kunnen vormen van een tijdens crisis snel te vormen Europese zeemacht als het bondgenootschappelijke geheel bij de beheersing van die crisis niet is betrokken.

Tijdens de vergadering van Navo-ministers van Defensie van 2 en 3 december jl. heeft Nederland daarom aangedrongen op de snelle ontwikkeling binnen Navo van het concept van een «European multinational maritime force» (EMMF). Dit concept gaat uit van het Navo-beginsel dat militaire capaciteiten «separable but not separate» moeten zijn. Evenals de «Striking fleet Atlantic» gaat dit concept uit van een flexibele, van de operatie afhankelijke samenstelling. Zo'n zeemacht moet onder Europese leiding desgewenst snel kunnen reageren op (dreigende) conflicten in Europa.


207.

In hoeverre is het denkbaar dat Nederlandse onderzeeboten worden ingezet bij conflicten in het Midden_Oosten en Noord_Afrika? (blz.
113)

Als Nederland in het kader van de handhaving van de internationale rechtsorde betrokken zou zijn bij conflicten in dergelijke onstabiele regio's en bereid is met militaire middelen deel te nemen aan een internationale crisisbeheersings_ of vredesoperatie, dan is ook de inzet van Nederlandse onderzeeboten zeer wel denkbaar. Een voorbeeld van dergelijke inzet is de inzet van Nederlandse onderzeeboten in de Adriatische Zee tijdens de embargo-operaties tegen Joegoslavië in de jaren 1993 _ '96 (operatie «Sharp Guard») en in 1999 tijdens de crisis rond Kosovo.


208.

In hoeverre bezit de Koninklijke Marine voldoende capaciteit op het gebied van de onderzeebootbestrijding? (blz. 113)

Met de plannen zoals neergelegd in de Defensienota wordt de capaciteit van de Koninklijke marine op het gebied van de onderzeebootbestrijding ingekrompen door de verkleining van het fregattenbestand met twee fregatten van de Kortenaer_klasse en door de afstoting van drie Orion maritieme patrouille-vliegtuigen. Met de voorziene moderniseringen is de resterende capaciteit voldoende, met uitzondering van de actieve opsporingscapaciteit dicht bij land en in ondiep water. De bestaande actieve sonarsystemen zijn namelijk ontworpen voor diep open water. Verbetering van de actieve opsporings-capaciteit wordt beoogd met het project Verbeterd Actief Onderzeeboot Bestrijdingssysteem (Atas). Dit project is om financiële redenen vertraagd tot 2009.


209.

Welke taken heeft een onderzeeboot bij vredebewarende operaties? (blz.
113)

Een onderzeeboot kan bij vredebewarende operaties ingezet worden voor het (ongezien) verzamelen van inlichtingen. Bovendien kan de onderzeeboot, als het geweldsniveau toeneemt, effectief optreden tegen eenheden van een mogelijke tegenstander. Daarom kunnen onderzeeboten alleen al door hun aanwezigheid een tegenstander weerhouden van escalatie. Ook kunnen zij effectief een zeegebied afsluiten, zodat een tegenstander zijn eenheden niet kan ontplooien. Bij escalatie bieden onderzeeboten bovendien een doeltreffende verdediging van de eigen eenheden tegen de eenheden van de tegenstander. Tenslotte zijn onderzeeboten ook inzetbaar voor speciale operaties, kustverkenning voor een amfibische landing, het in kaart brengen van (militaire) activiteiten en het leggen van mijnen.


210.

Hoe vaak is een maritieme taakgroep van de Koninklijke marine actief? (blz. 113)

Gemiddeld is het Belgisch-Nederlandse eskader, waarvan een Nederlandse taakgroep deel uitmaakt, zes tot acht maanden per jaar actief in diverse samenstellingen. De staf van het Belgisch-Nederlandse eskader is altijd paraat aan boord van het vlaggeschip. Het eskader neemt geregeld deel aan Navo_oefeningen en ontplooit activiteiten voor het oefenen en opwerken.


211.

Welk gedeelte van de middelen van de Koninklijke marine is aangeboden aan de Unsas? (blz. 113)

Zie het antwoord op vraag 48.


212.

Wat zijn de kosten verbonden aan vlagvertoon ter ondersteuning van economische missies? Dit uitgedrukt in vaardagen en additionele kosten. Kan een voorbeeld gegeven worden van een recente ondersteuning van een missie met vlagvertoon? Hoeveel vaardagen waren daarmee gemoeid en welke kosten ten opzichte van de situatie dat was afgezien van vlagvertoon? (blz. 115)

Hoewel vaardagen en havendagen ook worden gebruikt voor vlagvertoon, zijn de kosten hiervan niet afzonderlijk zichtbaar te maken, omdat vlagvertoon geïntegreerd wordt in het oefen_ en opwerkschema van de eenheden van de Koninklijke marine. Deze voeren een oefen_ en opwerkcyclus uit waarbij planmatig voorzien is in een aantal vaardagen op zee en een aantal havendagen buiten Nederland. Vlagvertoonactiviteiten worden doorgaans gecombineerd met reizen die voor andere doeleinden gepland zijn. Vaardagen zijn dus niet exclusief toe te rekenen aan vlagvertoon. Vlagvertoon in havens wordt gecombineerd met bevoorrading van de betrokken eenheden en rust voor de bemanningen, zodat ook daarbij doorgaans nauwelijks sprake is van additionele kosten die specifiek zijn toe te rekenen aan vlagvertoon.

Een voorbeeld van een recente reis met vlagvertoon is het bezoek in
1999 aan de «International Defence Exposition» (Idex) in Abu Dhabi. Dit bezoek werd gecombineerd met een operatie in het kader van de «Multinational Interception Force» (Mif) in de Golf. Er zijn daarbij geen specifiek toe te rekenen additionele kosten gemaakt voor vlagvertoon.


213.

Hoeveel fregatten en hoeveel vaardagen van fregatten zijn gemoeid met kustwachttaken en justitiële taken die ook door kleinere schepen hadden kunnen worden verricht? (blz. 117)

Geen. Kustwachttaken en justitiële taken worden niet alleen in het zicht van de kust uitgevoerd, maar ook op volle zee en onder alle weersomstandigheden. Als uitgegaan kan worden van gunstige weersomstandigheden, zet de Koninklijke marine kleinere schepen in voor de genoemde taken. Fregatten worden ingezet als de zeewaardigheid of de operationele inzet-mogelijkheden van een fregat nodig zijn. Daarbij geldt dat de inzetflexibiliteit in de Nederlandse Antillen en Aruba minder is door de aldaar geldende omstandigheden en door het kleinere aantal beschikbare eenheden. Wat betreft operationele inzetbaarheid beschikt een fregat over meer mogelijkheden door zijn snelheid, de boordhelikopter, de verbindingsmiddelen, de commandovoeringscapaciteit en de bewapening.

Zie ook het antwoord op vraag 243.


214.

Het aantal vaardagen per fregat per jaar bedraagt 110 (antwoord op vraag 47 bij Defensiebegroting 2000) Kan een verhoging van het aantal vaardagen per fregat per jaar leiden tot een behoefte aan minder fregatten dan veertien? (blz.117)

Neen. Het aantal fregatten is gebaseerd op de uit te voeren taken en activiteiten. Het aantal vaardagen is vooral gerelateerd aan het verwezenlijken en handhaven van de vereiste operationele gereedheid.


215.

Voor de acht M_fregatten is een moderniseringsprogramma van kracht. Dit wordt om financiële redenen opgeschort naar 2012. Dit is een aanzienlijke periode van uitstel. Kan de regering aangeven welke consequenties dit heeft voor zowel materieel als personeel? (blz. 117)


216.

Heeft het uitstellen van het moderniseringsprogramma van de M_fregatten gevolgen voor de operationele inzetbaarheid van deze schepen vanaf 2006 (moment dat modernisering oorspronkelijk zou beginnen)? (blz. 117)

Een moderniseringsprogramma beoogt een eenheid aan te passen aan de actuele eisen en inzichten. Daarbij gaat het in de eerste plaats om operationele aspecten, maar ook personele en materiële (materieelslogistieke) aspecten kunnen aanleiding geven tot bijstellingen aan het (scheeps)ontwerp en de (scheeps)uitrusting. Gelet op de veranderingen in taakstelling, en met name het feit dat maritieme eenheden meer dan in het verleden in staat moeten zijn om in crisisbeheersingsscenario's landoperaties te ondersteunen, is modernisering van de M_fregatten gewenst. Bij die modernisering gaat de aandacht vooral uit naar aanvullende eisen die aan de scheepssensoren en bewapening in verband met kustoperaties. Ook de snel voortschrijdende mogelijkheden die ICT bieden verdienen aandacht.

Omdat bij het ontwerp en de uitrusting van de Multipurpose_fregatten al nadrukkelijk rekening is gehouden met een flexibele inzet in verschillende scenario's, zijn deze nog op hun taak berekend en is geen sprake van onverantwoorde veiligheidsrisico's voor schip en bemanning. Deze conclusie heeft ertoe geleid dat, gegeven de beperkte financiële middelen, de M_fregatten later zullen worden gemoderniseerd. Dit laat onverlet dat de schepen zullen worden aangepast als wetgeving of exploitatieoverwegingen daartoe aanleiding geven.


217.

Is binnen afzienbare tijd niet te verwachten dat de Navo afziet van het in stand houden van standing naval forces en die vervangt door veel flexibeler maritieme concepten? (blz. 118)

Integendeel, de «Standing Naval Forces» zijn door hun paraatheid en inzet juist een essentieel onderdeel van het huidige flexibele maritieme concept van de Navo. «Standing Naval Forces» hebben aan belang gewonnen, getuige ook de oprichting van de «Standing Naval Forces Mediterranean» en de «MCM Force South». Zij zijn direct inzetbaar en demonstreren daardoor de bondgenootschappelijke gereedheid. Gedurende de Kosovo_operatie zijn drie van de vier «Standing Naval Forces» feitelijk ingezet.


218.

Leidt het langdurig deelnemen aan een crisisbeheersings_ of vredesoperatie er daadwerkelijk toe dat toegewezen schepen aan internationale verbanden moeten worden onttrokken? Zo ja, waarom wordt dan voorgenomen om twee fregatten uit de vaart te halen? (blz. 118)

Vanaf 2001 beschikt de Koninklijke marine over twaalf operationeel inzetbare fregatten; van de veertien fregatten zijn er immers steeds 1 à 2 in groot onderhoud.

De langdurige inzet van één fregat bindt totaal drie fregatten: één voor inzet en twee voor voorbereiding en afbouw. Nederland heeft op maritiem gebied drie op continubasis ingevulde verplichtingen:


* deelneming aan de «Standing Naval Force Atlantic» (Stanavforlant) van de NAVO;


* deelneming aan de «Standing Naval Force Mediterranean» (Stanavformed) van de NAVO;


* presentie in het Caribisch gebied (stationsschip).

Deze verplichtingen binden negen fregatten. Bovendien worden uit het totale bestand fregatten ingezet voor taken die niet continu worden vervuld, zoals het oefenen in eskaderverband, het fungeren als schip van de wacht en kustwachttaken. Als Nederland daarnaast nog meer dan één fregat op continubasis wil leveren, bijvoorbeeld voor de inzet in een VN_operatie, moeten ook de aan eerder genoemde internationale verbanden toegewezen schepen hieraan deelnemen.


219.

In hoeverre staat de Duitse regering positief ten aanzien van de mogelijkheid om de LCF's met een maritiem TMD uit te rusten? (blz.
118)

De Duitse houding blijkt uit de gezamenlijke studie naar het uitrusten van fregatten met een maritieme TMD_capaciteit die momenteel wordt uitgevoerd.


220.

Wat is de meerwaarde om zowel de Patriot te moderniseren als de mogelijkheid open te laten om LCF's met een theater missile defense uit te rusten? Waarom wordt niet gekozen voor of een PAC_3 systeem of voor een maritiem TMD, terwijl beide systemen het voordeel hebben zij mobiel zijn en voor de algemene verdediging kunnen worden ingezet? (blz. 118)

Zoals in de Defensienota is uiteengezet, is de regering bezorgd over de verspreiding van rakettechnologie en kennis over massavernietigingswapens. Deze ontwikkeling brengt aanzienlijke veiligheidsrisico's met zich mee. De Navo wil hieraan een tegenwicht bieden en ons land heeft besloten daaraan een reële bijdrage leveren, vooral gericht op de bescherming van uitgezonden eenheden.

Het Pac-3 systeem en de eventuele TMD-capaciteit aan boord van LCF-fregatten kunnen een completaire rol vervullen bij de verdediging tegen ballistische raketten in de laatste fase van hun vlucht («lower tier»). Ofschoon het in beide gevallen om mobiele systemen gaat, lopen de inzetmogelijkheden uiteen. De vernieuwde Patriot-systemen kunnen landinwaarts worden ingezet ter bescherming van uitgezonden militaire eenheden en objecten. Fregatten met TMD-capaciteit zijn vooral waardevol in het kader van militaire operaties of ter bescherming van objecten in kustgebieden. Voorts kunnen zij buiten de territoriale wateren gereed worden gehouden en flexibele worden ingezet.

In 1997 stemde de Kamer in met de behoefte Pac-3 voor het Patriot-systeem. Naar de mogelijkheid tot het uitrusten van de LCF'n met TMD-capaciteit wordt in samenwerking met Duitsland studie verricht. Na voltooiing hiervan zal de eventuele behoefte aan de Kamer worden voorgelegd.


221.

Zal het tweede amfibisch transportschip dezelfde omvang krijgen als het huidige ATS? (blz. 119)

De Koninklijke marine bestudeert het ontwerp van het tweede amfibisch transportschip; het ontwerp en de ervaringen met het eerste schip, Hr.Ms. Rotterdam, dienen hierbij als uitgangspunten. Of het tweede schip dezelfde afmetingen zal krijgen als Hr.Ms. Rotterdam is afhankelijk van de uitkomsten van die studie.


222.

In hoeverre is de behoefte onderbouwing van een tweede ATS kunstmatig? Het transport van militair materieel kan toch met een civiel schip plaatsvinden zoals tot nu toe gebruikelijk is geweest? Voor het afmeren aan een kade heeft men toch geen ATS nodig? Er van uitgaande dat inzet van grondtroepen primair toch in Europa zal plaatsvinden ligt vervoer per spoor toch meer voor de hand? Is een afweging gemaakt van het inhuren van deze capaciteit en het aanschaffen en in bedrijf houden van een tweede ATS? (blz. 119)

Zie het antwoord op vraag 94.


223.

Hoeveel extra personeel is benodigd om een tweede ATS operationeel te houden? Waarom is deze extra personele behoefte niet in de defensienota vermeld? Wat zijn de totale exploitatie kosten per jaar van een ATS? (blz. 119)

In de personeelsreeksen van de Defensienota is voor het tweede ATS een personele behoefte verwerkt van 146 personen. De Defensienota voorziet in gemiddelde exploitatiekosten van een ATS van ruim f. 24 miljoen per jaar.


224.

Waarom wordt als onderbouwing voor een 2e ATS het argument gebruikt dat dan door de NL/UK Amphibious Force totaal een brigade kan worden vervoerd? Uitgangspunt is toch altijd geweest dat Nederland een `fair share' leverde in deze Amphibious Force en niet de broek voor het Verenigd Koninkrijk moet ophouden? Met het huidige ATS wordt de Nederlandse bijdrage toch ruimschoots ingevuld? (blz. 119)

Eén ATS is onvoldoende voor het transport van het toegezegde mariniersbataljon met ondersteuning, zodat voor het transport van de Nederlandse inbreng in de «UK/NL Amphibious Force» nu moet worden teruggevallen op Britse capaciteit. Pas met een tweede ATS kan Nederland inderdaad een «fair share» leveren. De Britse marine brengt naast twee "Landing Platform Docks" (LPD's) ook een amfibische helikoptercarrier en vijf "Landing Ship Logistics" (LSL) in.


225.

Is het uitrusten van een 2e ATS als joint hoofdkwartier niet wat overdreven? Het is toch zeer onwaarschijnlijk dat Nederlandse land, lucht en zeestrijdkrachten gezamenlijk in één operatie worden ingezet onder Nederlands commando? (blz. 119)

De Navo heeft een groot tekort aan faciliteiten voor een «sea based» CJTF-hoofdkwartier. In Europa bestaat deze capaciteit op dit moment niet. Het uitrusten van een tweede ATS met faciliteiten voor een CJTF_hoofdkwartier zou daarom zowel in de versterking van de Europese veiligheids_ en defensie_identiteit passen, als in de versterking van de Europese inbreng in de Navo. In beide gevallen gaat het om capaciteit waar grote behoefte aan bestaat. De inzet van een dergelijk hoofdkwartier zou internationaal zijn.

Zie ook het antwoord op vraag 1.


226.

Is de flexibiliteit en inzetbaarheid van de marine niet meer gediend met het direct uitrusten van het 2e ATS met faciliteiten voor een maritiem CJTF_hoofdkwartier en om dat mogelijk te maken het beëindigen van deelname aan «standing naval forces» en de afstoting van nog eens een of twee fregatten? (blz. 119)

Het is inderdaad wenselijk het tweede ATS uit te rusten met faciliteiten voor een «sea based» CJTF_hoofdkwartier. Financiering van deze eenmalige investering door het afstoten van fregatten betekent echter verkleining van flexibiliteit en inzetbaarheid, en is dus ongewenst.


227.

Wat zijn de ervaringen met het amfibisch transportschip waarover de Koninklijke Marine momenteel beschikt? (blz. 119)

De ervaringen met Hr.Ms. Rotterdam zijn zeer gunstig. In de korte tijd dat het operationeel is, is het herhaaldelijk ingezet voor crisisbeheersings_ en vredesoperaties. Zo heeft het, nog tijdens zijn proeftochten, eenheden van de Koninklijke landmacht getransporteerd voor de «Extraction Force» tijdens de eerste OVSE_missie in Kosovo (najaar 1998). Ook tijdens de humanitaire operaties bij Albanië (voorjaar 1999) heeft het schip zijn waarde getoond. Afgezien van het vervoer vanuit Nederland van militairen en materieel van de Koninklijke landmacht, de Koninklijke marechaussee en het Korps mariniers naar het inzetgebied is het schip ter plaatse intensief gebruikt en met vele taken belast geweest. De inzetflexibiliteit was groot: zowel over het strand (met behulp van landingsvaartuigen), als door de lucht (via helikopters) als in een haven kon worden gelost en geladen. Ook heeft de Hr.Ms.Rotterdam «sea based logistics» geleverd (drinkwater, voorraden, tweede echelon medische voorziening met geëmbarkeerde Medevac_helikopters).

Ook heeft Hr.Ms. Rotterdam in grote, realistische oefeningen aangetoond grotere aantallen gewonden te kunnen opvangen en een amfibische taakgroep met haar commandofaciliteiten te kunnen ondersteunen, zoals bij de oefening «Bright Star». In algemene zin heeft Hr.Ms. Rotterdam in de afgelopen twee jaar aangetoond een substantiële bijdrage te kunnen leveren aan «combined» en «joint» operaties.


228.

Als onderdeel van de operationele eisen voor de NH_90 helicopter behoorde toch niet het ondersteunen van amfibische operaties zoals het aan land kunnen zetten van personeel van een ATS? Waarom wordt deze eis nu wel plotseling wel opgevoerd? Wordt dit gedaan om alsnog de kwantitatieve behoefte voor NH_90 te onderbouwen? (blz. 119)

De behoefte aan helikopterondersteuning van amfibische operaties is toegelicht in de brief van de staatssecretaris van Defensie aan de Vaste Commissie voor Defensie van de Tweede Kamer [M 99002378A d.d. 6 mei 1999]. Deze behoefte sluit aan op het toegenomen belang van het expeditionaire vermogen van de krijgsmacht. Het is daarom doelmatig en doeltreffend de NH90_helikopters ook op deze wijze in te zetten.


229.

De transport helikopters die ingedeeld zijn bij de Klu zijn destijds toch aangemerkt als multifunctioneel en beschikbaar voor alle krijgsmachtdelen? Waarvoor kunnen deze helikopters niet dienst doen als transport helikopter voor de marine? (blz. 119)

De Koninklijke marine moet voor haar operationele taakuitvoering kunnen beschikken over een organieke helikoptercapaciteit. De Cougar_helikopters zijn daarvoor niet continu beschikbaar wegens de primaire taakstelling voor het samenwerkingsverband tussen de Luchtmobiele brigade en de Tactische helikoptergroep. Bovendien zijn de Cougar_helikopters technisch slechts beperkt geschikt voor maritiem gebruik. Dit laat onverlet dat de Cougar onder gunstige omstandigheden wel kan opereren vanaf het ATS.


230.

Zou de Koninklijke luchtmacht alle vliegende taken voor de Koninklijke marine kunnen verrichten, net als voor de Koninklijke landmacht? Welke efficiencywinst zou hiermee bereikt worden? (blz. 120)

Ja, maar dit is niet gewenst. Er valt geen exploitatiewinst te behalen, aangezien de specifiek typegerichte exploitatiekosten onverminderd blijven bestaan; waar dat voordelen oplevert, werkt de Koninklijke marine al samen met de Koninklijke luchtmacht.

Wel zou overheveling van alle vliegende taken naar de Koninklijke luchtmacht operationele nadelen hebben. Bij de Koninklijke marine is het vliegend personeel geïntegreerd in het operationele maritieme product. Dit heeft ook voordelen door expertise_uitwisseling in opleidingen en door de interne plaatsingsmobiliteit. Zo kan een helikoptervlieger commandant van een fregat worden en wordt omgekeerd marinepersoneel afkomstig van fregatten of onderzeeboten opgeleid tot tactisch coördinator of sonaroperator op bijvoorbeeld helikopters. Het is twijfelachtig of dezelfde operationele waarde bereikt kan worden zonder deze vergaande integratie, zeker omdat sleutelfuncties toch gevuld zullen moeten worden door personeel van de Koninklijke marine.


231.

Waarom wordt het aantal maritieme patrouillevliegtuigen verminderd, terwijl de Navo er blijvend grote behoefte aan heeft? (blz. 120)

Om budgettaire redenen kon aan een vermindering van het aantal maritieme patrouillevliegtuigen niet worden ontkomen. De tien overblijvende Orions zullen een moderniseringsprogramma ondergaan dat ze beter geschikt maakt voor hun nieuwe taken.


232.

Ervan uitgaande dat drie Orions continue in de West aanwezig zijn, is in die situatie het openhouden van een volledige vliegbasis voor 7 Orions wel kosteneffectief? (blz. 120)

Ja. De tien Orion_toestellen krijgen in het modificatieproject Cup_Orion een zelfde basisconfiguratie. De vliegtuigen die gestationeerd worden in de West, blijven afhankelijk van technische en logistieke ondersteuning vanuit Nederland. Het marinevliegkamp Valkenburg blijft dus uitgerust voor het ondersteunen van tien vliegtuigen. Bovendien is het marinevliegkamp ook aangemerkt en uitgerust als «Main Operating Base» van de Navo; het wordt geregeld gebruikt door vooral Amerikaanse Orions.


233.

Waarom wordt het aantal Orions in het Caribische gebied uitgebreid van twee naar drie? Is het niet logischer dat, in het kader van de internationale samenwerking in dat gebied, andere landen een extra inspanning leveren? (blz. 120)


255.

Waarom wordt het squadron met 2 F27_M vliegtuigen in het Caribisch gebied opgeheven? (blz. 123)

De opheffing van het 336 squadron levert een bijdrage aan het oplossen van de financiële problematiek, maar is vooral ingegeven door doelmatigheidsoverwegingen. De verouderde F-27 M vliegtuigen zouden vroeg of laat toch moeten worden vervangen. Ook past de maatregel in het streven naar standaardisatie van vliegtuigtypen. Tenslotte leidt de maatregel tot een personele reductie.

De uitbreiding met één Orion in het Caribische gebied is nodig om de taken van het 336 squadron over te nemen. Gezien de Nederlandse verantwoordelijkheden in het gebied, ligt het niet voor de hand andere landen om een extra inspanning te vragen.


234.

Welke opties zijn bezien in geval Valkenburg op termijn ontruimd zou moeten worden? (blz. 120)

Defensie heeft de mogelijkheden verkend om de Orions van de Marine luchtvaartdienst elders te plaatsen. Naast handhaving van de huidige situatie zijn het Marine vliegkamp De Kooy, de verschillende vliegbases van de Koninklijke luchtmacht en het Duitse vliegkamp Nordholz bezien. Ook is een verkenning gemaakt naar het medegebruik van de civiele vliegvelden Schiphol, Rotterdam, Beek en Eelde voor militaire doeleinden. Na deze verkenningen zijn de opties De Kooy, Eindhoven, Woensdrecht en het handhaven van Valkenburg nader onderzocht.


235.

Voor hoeveel geld is de laatste 5 jaar in het vliegveld Valkenburg geïnvesteerd? (blz. 120)

Op het gebied van infrastructuur is de laatste vijf jaar voor ruim f.
40 miljoen geïnvesteerd in het vliegkamp Valkenburg. Hierbij is inbegrepen de noodzakelijke renovatie van de startbaan in 1999 voor een bedrag van ongeveer f. 11 miljoen.


236.

Wat zijn de noodzakelijke investeringen als elders een dergelijke vliegbasis zou moeten worden gebouwd? (blz. 120)

Afgezien van de verwerving van een geschikt terrein ter grootte van ongeveer 300 ha zijn de noodzakelijke investeringen voor de benodigde infrastructuur te verdelen in vijf categorieën. Dit zijn:


_ Verhardingen en objecten vlieggebied. Naast een startbaan van voldoende lengte en zwaarte betreft het onder meer taxi_ en rolbanen, een opstelplatform met voldoende opstelplaatsen voor de vliegtuigen en een proefdraaiplaats.


_ Gebouwen operationele ondersteuning. Het betreft onder meer voldoende hangaarruimte met een wasplaats voor het verwijderen van zeezout, een werkplaats, een motorenproefbank, gebouwen voor opslag en onderhoud van munitie en voor opslag van brand_ en bedrijfsstoffen (chemicaliën), een verkeerstoren, stalling gronduitrusting en brandweer, en een «mission support centre» met voldoende communicatievoorzieningen en met de vlieg_ en tactische simulatoren. Dit alles vergt speciale infrastructurele voorzieningen, onder meer in verband met de vereiste milllieuvoorzieningen en met het oog op de beveiliging.


_ Gebouwen logistieke ondersteuning. Hieronder vallen een staf_ en squadrongebouw, werkplaatsen voor motorvoertuigen en magazijnen.


_ Facilitaire gebouwen. Hieronder worden begrepen een bedrijfsrestaurant, medische voorzieningen, legerings-gebouwen en sportaccommodatie.


_ Overige infrastructuur. Hierbij gaat het onder meer om de wegen op het veld, de ondergrondse infrastructuur en hekwerk rondom het veld.

De totale kosten (exlusief grondaankoop) worden geschat op f. 300 à f.
500 miljoen.


237.

Waarom wordt nog steeds een Orion in IJsland gestationeerd? Er bestaat toch geen enkele onderzeebootdreiging meer in dat gebied? Kan deze stationering worden beëindigd? (blz. 120)


238.

Wat voor taak heeft die ene Orion die gestationeerd is op Keflafik? Is deze taak nog zinvol? Zijn er belastingtechnische redenen die de stationering van een Orion op Keflavik verklaren? (blz. 120)

De stationering van een Orion op IJsland is gebaseerd op een samenwerkingsovereenkomst met de Verenigde Staten. Deze samenwerking geeft de Nederlandse krijgsmacht toegang tot gegevens met een strategisch en tactisch belang. Daarnaast hebben de operaties vanaf IJsland belangrijke oefenwaarde.

De Orion gestationeerd op IJsland is vrijgesteld van BTW_betaling; dit is echter geen overweging voor de handhaving van de stationering aldaar.


239.

Welke Navo_landen(en hoeveel per land) beschikken over conventionele onderzeeboten? (blz. 121)

land

dieselelektrische onderzeeboten

tonnage

jaar in dienst stelling

Canada


4


2600


00-02

Denemarken


5


500


64-69

Duitsland


14


500


68-75


2


1800


03

Frankrijk


3


1000


69

Griekenland


8


1300


71-80

Italië


4


1600


88-95


4


1600


80-82


2


1800


03

Nederland


4


2800


90-94

Noorwegen


6


1200


89-92


6


500


64-66

Polen


1


3000


86


2


2400


66

Portugal


3


1000


67-69

Spanje


4


1000


73-75


4


1700


83-86

Turkije


2


2700


52


4


2400


44


6


1200


76-90


2


1400


94-95


240.

Is de belangrijkste reden om de onderzeedienst in stand te houden dat op deze wijze beter kan worden geoefend? (onderzeeboten onmisbaar oefenobject) (blz. 121)

Neen. Onderzeeboten kunnen zelfstandig en onopgemerkt opereren. Zowel op het terrein van verkenning als bij de bestrijding van bovenwaterschepen en onderzeeboten spelen zij een belangrijke rol. Zij kunnen betrekkelijk veilig opereren in gebieden waar de tegenpartij een luchtoverwicht heeft. Zijn onzichtbaarheid stelt de boot in staat te opereren in gebieden waar oppervlakteschepen kwetsbaar zijn voor een verrassingsaanval of waar de aanwezigheid van eenheden escalerend kan werken. Onderzeeboten zijn inzetbaar voor speciale operaties, kustverkenning voor een amfibische landing, het in kaart brengen van (militaire) activiteiten en het leggen van mijnen. Bovendien kunnen onderzeeboten ook drugsbestrijdingsoperaties ondersteunen. Alleen al de mogelijke aanwezigheid van een onderzeeboot heeft een afschrikkende werking en belemmert een tegenstander in zijn optreden. De onderzeeboot is gezien zijn eigenschappen een geïntegreerd onderdeel van een maritieme taakgroep. Daarnaast zijn onderzeeboten inderdaad ook een onmisbaar oefenobject om de Koninklijke marine goed voor te bereiden op deze onderwaterdreiging.


241.

Wordt binnen de marine ook overwogen om meer met simulatoren te oefenen zodat de daadwerkelijke inzet van schepen kan worden teruggebracht? (blz. 121)

De krijgsmacht maakt maximaal gebruik van simulatoren. De Koninklijke marine is in het bezit van een groot aantal moderne trainers en simulatoren. Deze opleidingsfaciliteiten worden door scholen en operationele eenheden (mariniers, schepen, onderzeeboten, vliegtuigen en helikopters) vooral gebruikt om het personeel de vereiste basisvaardigheden aan te leren en vervolgens teamtraining te laten ondergaan. Dit heeft geleid tot een reductie van vlieguren en vaardagen voor opleidings_ en trainingsdoeleinden. Verdere reductie van vaardagen door meer gebruik van simulatoren wordt niet voorzien.


242.

Het feit dat in de nota staat vermeld dat de onderzeeboten in 2009 worden gemoderniseerd betekent dit dat de operationele studie hieromtrent al is afgerond? (blz. 121)

Neen, deze studie is nog niet afgerond. Momenteel worden binnen de Koninklijke marine en bij het FEL_TNO deelstudies over deze materie uitgevoerd.


243.

Kunnen kustwachttaken in het algemeen ook door mijnenvegers verricht worden in plaats van door fregatten? (blz. 122)


254.

Als de drie kustwachtcutters in 2000 voor de Kustwacht operationeel zijn, kan dan gezien de beschikbare capaciteit, de bijdrage van het stationsschip worden beëindigd? Zo nee waarom niet? (blz. 122)

Mijnenbestrijdingseenheden of kustwachtcutters kunnen kustwachttaken vervullen en doen dit ook. Zij zijn echter te klein om alle taken van een fregat over te kunnen nemen. Fregatten beschikken door hun afmetingen over een groter logistiek uithoudingsvermogen en zijn ook onder de zwaarste weersomstandigheden zeewaardig. Ook op het gebied van operationele inzetbaarheid beschikt een fregat over meer mogelijkheden door de boordhelikopter, de verbindingsmiddelen en de commandovoeringscapaciteit (bijvoorbeeld voor de operationele leiding tijdens Sar_acties en drugsbestrijdingsoperaties) en de bewapening.

De primaire taak van het stationsschip is bijdragen aan de externe verdediging van de Nederlandse Antillen en Aruba. Deze taak kan niet worden overgenomen door de kustwachtcutters.


244.

Waarom wordt niet geprobeerd om met België tot een gezamenlijke en geïntegreerde mijnbestrijdingsdienst te komen? Kan bij samenvoeging van de beide vloten niet een groter voordeel worden behaald? (blz.
122)

De Belgische zeemacht en de Koninklijke marine zijn vergaand geïntegreerd. Op het gebied van mijnenbestrijding is sprake van: gemeenschappelijke training onder dezelfde opwerk-autoriteit («Minewarfare Operational Sea Training», MOST), gemeenschappelijke opleiding op een gezamenlijke Belgisch_Nederlandse mijnenbestrijdingsschool (Eguermin), en geïntegreerde operationele aansturing door de Admiraal Benelux (ABNL). Omdat uit nog verdergaande integratie van de Nederlandse en Belgische mijnenbestrijding geen voordeel wordt verwacht, wordt niet geprobeerd om met België tot een gezamenlijke en geïntegreerde mijnenbestrijdingsdienst te komen.


245.

Waarom is besloten slechts drie mijnenjagers buiten dienst te stellen in plaats van bijvoorbeeld vijf? Kan een onderbouwing worden gegeven waarom minimaal 12 mijnenvegers operationeel moeten zijn? (blz. 122)


249.

Kan het aantal van 12 mijnenjagers worden onderbouwd? Waarom geen 14 of 10? (blz. 122)

Om financiële ruimte te scheppen voor nieuw beleid worden in de periode 2000 tot 2002 drie mijnenjagers afgestoten. Mijnenjagers worden ook in vredestijd intensief gebruikt. Continu levert de Koninklijke marine een mijnenjager aan de «Standing MCM Force North» (bindt drie mijnenjagers) en gedurende vier maanden per jaar een mijnenjager aan de «Standing MCM Force South» (bindt één mijnenjager). Bovendien zijn er steeds twee mijnenjagers in langdurig onderhoud. De overblijvende zes mijnenjagers houden zich bezig met opwerken, varende opleidingen, «route surveillance» en nationale inzet, en voor kustwachttaken. Daarnaast zijn voor het uitvoeren van mijnenveegtaken drie mijnenjagers nodig als moederschip voor het controleren van drones. Voor de bestrijding van een eventuele mijnendreiging in de wateren waar Nederland verantwoordelijk voor is, zullen eenheden teruggetrokken moeten worden uit de genoemde verbanden.


246.

Welke landen doen mee aan het PAM project? (blz. 122)

Het Pam-project is geen internationaal samenwerkingsproject. Op systeemniveau wordt samengewerkt met de Duitse marine op het gebied van softwareontwikkeling voor het «Command en Control» systeem van de drones. Zie ook Kamerstuk 25 000 X, nr. 59 dd. 25 februari 1997, blz.
4.


247.

Voor welke scheepvaarroutes t.b.v. mijnenopsporing is Nederland direct verantwoordelijk? Wanneer en met wie zijn die afspraken gemaakt? (blz.
122)

De veiligheid van het eigen grondgebied is een nationale verantwoordelijkheid. Hieronder valt het mijnenvrij houden van de eigen territoriale wateren, binnenwateren en havens. Gezien de afhankelijkheid van Nederland van de zee is een continue, onbelemmerde toegang tot de Nederlandse havens van vitaal belang. Daarom is Nederland verantwoordelijk voor de scheepvaartroutes op het Nederlands deel van het continentale plat.

In Navo_verband is de algemene regel dat de nationale autoriteiten verantwoordelijk zijn voor het uitvoeren van
mijnenbestrijdingsoperaties in hun eigen kustwateren, zoals havens, naderingsroutes voor ankerplaatsen en kustscheep-vaartroutes. Navo_autoriteiten zijn verantwoordelijk voor de oceaangebieden en voor de algehele coördinatie van de mijnen-bestrijdingsinspanningen in de hun toegewezen gebieden. De bondgenootschappelijke afspraken daarover zijn in 1992 en in 1999 herzien.

Daarnaast kan Nederland in het kader van crisisbeheersings_ en vredesoperaties worden verzocht een bijdrage in de mijnen-bestrijding te leveren als onderdeel van deze operaties, zoals bijvoorbeeld is gebeurd in de Golf en de Rode Zee, of bij explosievenopruiming, zoals in de Adriatische Zee.


248.

Kan toegelicht worden hoe Troika_mijnenveegdrones werken? (blz. 122)

Het Nederlandse Troika_systeem bestaat uit een aangepaste mijnenjager van de Alkmaar_klasse als moederschip en een aantal mijnenveegdrones. De drones worden door middel van een "data_link" verbinding vanaf het moederschip op afstand bestuurd en bediend; ze varen onbemand op veilige afstand voor het moederschip uit. Alleen bij bijzondere manoeuvres, zoals het verlaten en binnenvaren van havens, worden de drones korte tijd bestuurd door bemanningsleden van het moederschip. Per moederschip kunnen maximaal vier drones tegelijk worden bestuurd en bediend.

In de drones is apparatuur ingebouwd die, door opwekking van magnetische velden en akoestische signalen, mijnen tot ontploffing kan brengen. De kans op ernstige schade aan een drone door zo'n ontploffing is beperkt, omdat de drones bijzonder schokbestendig zijn. Juist omdat de mijnenveegdrones onbemand zijn en op veilige afstand voor het moedersschip uit varen is op deze wijze bij een dergelijke ontploffing de veiligheid van het personeel en het moederschip optimaal gewaarborgd.


249.

Kan het aantal van 12 mijnenjagers worden onderbouwd? Waarom geen 14 of 10? (blz. 122)

Zie het antwoord op vraag 245.


250.

Waarom kunnen de hydrografische werkzaamheden niet vanaf mijnenjagers worden uitgevoerd? (blz. 122)


251.

Is het mogelijk, gezien het geringe gebruik van mijnenjagers in vredestijd, deze zodanig uit te rusten dat ook daarmee de hydrografische werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd? (blz. 122)

Mijnenbestrijdingseenheden zijn niet structureel beschikbaar voor hydrografische taken (zie het antwoord op vraag 245). Daarnaast zijn ook de technische mogelijkheden om mijnenjagers te gebruiken voor hydrografische werkzaamheden beperkt. Voor het uitvoeren van hydrografische opnemingswerkzaamheden in het Nederlands deel van het continentale plat en in de wateren rond de Nederlandse Antillen en Aruba zijn de mijnenjagers in de in deze gebieden prevalerende weersomstandigheden namelijk niet stabiel genoeg voor een doelmatig gebruik van moderne opnemingsapparatuur. Wel worden mijnenjagers ingezet voor additionele hydrografische werkzaamheden, zoals wrakkenonderzoek.


252.

Welke mogelijkheden bestaan om de hydrografische dient te privatiseren? (blz. 122)

De Nederlandse Staat levert hydrografische informatie over het Nederlandse deel van het continentale plat en over de wateren rond de Nederlands Antillen en Aruba op grond van internationale verplichtingen. Er bestaan wellicht mogelijkheden de hydrografische dienst of delen ervan te privatiseren, maar in verband met genoemde internationale verplichtingen wordt dit niet overwogen. Wel wordt in het kader van de vervanging van de hydrografische opnemingsvaartuigen onderzocht of exploitatie van deze schepen voor een deel van de opnametaak doelmatiger is uit te voeren door derden.


253.

Wordt ter vervanging van de twee hydrografische schepen de DMP procedure gevolgd? Het betreft hier toch een projectomvang van 105 miljoen gulden? Wat is stand van zaken? (blz. 122)

Ja. Voor dit project, dat is opgenomen in het MPO-2000 (Kamerstuk
25673, nr.4 dd. 15 december 1999) wordt de DMP-procedure gevolgd. De behoefte aan het instandhouden van de hydrografische capaciteit is reeds aangekondigd in de A_brief voor het Project Aanpassing Mijnenbestrijdingscapaciteit (PAM).

Het project beoogt de bouw en indienststelling van twee militaire hydrografische opnemingsvaartuigen ter vervanging van de huidige hydrografische schepen.In het kader van de competitieve dienstverlening wordt thans een uitvoerbaarheidsanalyse gedaan.


254.

Als de drie kustwachtcutters in 2000 voor de Kustwacht operationeel zijn, kan dan gezien de beschikbare capaciteit, de bijdrage van het stationsschip worden beëindigd? Zo nee waarom niet? (blz. 122)

Zie het antwoord op vraag 243.


255.

Waarom wordt het squadron met 2 F27_M vliegtuigen in het Caribisch gebied opgeheven? (blz. 123)

Zie het antwoord op vraag 233.


256.

Welke infrastructurele aanpassingen zijn in Den Helder noodzakelijk voor het 3e mariniersbataljon? Welke kosten zijn daarmee gemoeid? Is er ook een kosten_baten analyse gemaakt als het gehele Korps vanuit Doorn naar den Helder zou verhuizen? Zo nee, kan een dergelijke kosten_batenanalyse worden gemaakt? (blz. 125)

De in Nederland gestationeerde delen van het paraat te stellen derde mariniersbataljon zullen in Den Helder op de lokatie Buitenveld worden ondergebracht. Deze lokatie betreft het terrein van de voormalige Onderzeedienstkazerne en Bewapeningswerkplaatsen. Wat betreft de infrastructuur moet onder meer worden voorzien in legeringsgebouwen, een bedrijfsrestaurant, kantoren, lesruimtes, werkplaatsen, magazijnen, voertuigstalling en sportaccommodatie. Vooralsnog is hiervoor een bedrag van f. 25 miljoen gereserveerd. De uiteindelijke kosten zijn afhankelijk van onderzoek naar de precieze behoefte en de vraag of renovatie van bestaande bebouwing, dan wel nieuwbouw de voorkeur verdient.

Er is geen kosten_baten analyse gemaakt van de verplaatsing van de Groep Operationele Eenheden van het Korps mariniers vanuit Doorn naar Den Helder. Een dergelijke analyse is niet zinvol, omdat de benodigde (oefen)faciliteiten waarover in Doorn eenvoudig kan worden beschikt, in de buurt van Den Helder ontbreken. Bovendien zijn kosten voor nieuwe infrastructuur in Den Helder hoog, en is er geen ruimte beschikbaar op de huidige marineterreinen.


257.

Waarom verzorgt de Koninklijke marine en niet bijv. het Dico de opleidingen voor persoonlijk computergebruik voor de gehele krijgsmacht? (blz. 126)

In de periode 1993 _ 1995 is in het kader van de doelmatigheidsoperatie onderzoek uitgevoerd naar de wijze waarop de opleidingen voor persoonlijk computergebruik het meest doeltreffend en doelmatig kunnen worden ingericht. Op grond daarvan is besloten dat de Koninklijke marine de opleidingen voor persoonlijk computergebruik voor de gehele krijgsmacht zal verzorgen.


258.

De uitbreiding van de parate sterkte wordt onder meer mogelijk gemaakt door de voorziene invoering van de personeelssystematiek, reorganisaties en verkleining van het Nationaal commando. Kan dit nader toegelicht worden?. (blz. 128)


284.

De uitbreiding van de parate capaciteit van de Koninklijke Landmacht betreft ongeveer 1500 functies die worden gecompenseerd door reducties elders. Op welke onderdelen en in welke kwantiteit vindt de reductie plaats? (blz. 143)

De reorganisatie en verkleining van het Nationaal Commando zal ongeveer 800 functies opleveren. De overige 700 functies zijn nog niet concreet benoemd, maar zullen worden gevonden door de ruimte die ontstaat door verdere internationale samenwerking, toepassing van nieuwe technologie en grotere doelmatigheid door scherpere taakbenoeming. Bij de personele vulling zal voorrang worden gegeven aan de uit-brei-ding van de pantserinfanterie en de genie en niet aan de ondersteunende eenheden en staven.


259.

Het streven is erop gericht de mogelijkheden voor inzet van reservepersoneel, juist ook ten behoeve van vredesoperaties, uit te breiden. Kan er worden aangegeven hoe men hier invulling aan zou willen geven? (blz. 128)

Zie het antwoord op vraag 100.


260.

Kan een overzicht gegeven worden van de eenheden bij de koninklijke landmacht die wel uitzendbaar zijn, maar waar de afgelopen vier jaar geen beroep op is gedaan? (blz. 129)

Bij de Koninklijke landmacht is in de afgelopen vier jaar op alle eenheden van het legerkorps in meerdere of mindere mate een beroep gedaan voor uitvoering van vredesoperaties. Sommige eenheden zijn als complete eenheid uitgezonden. Van andere eenheden zijn delen uitgezonden voor de benodigde gevechts- en logistieke ondersteuning. Alle overige staven, logistieke bedrijven, werkplaatsen of opleidingseenheden hebben individuele militairen ter beschikking gesteld.


261.

Kan de omvang van de artillerie en van de luchtdoelverdediging beargumenteerd worden tegen de achtergrond van de afgenomen dreiging en de nieuwe taken op het gebied van vredesmissies? (blz. 129)

Zowel in de Hoofdlijnennotitie als in de Defensienota is aangegeven dat eenheden van de Koninklijke landmacht voor de uitvoering van alle in aanmerking komende defensietaken geschikt moeten zijn. Dit geldt ook voor artillerie- en luchtverdedigingseenheden. Het onderscheid tussen de bondgenootschappelijke verdediging en crisisbeheersings- en vredesoperaties is de afgelopen jaren vervaagd. Dit blijkt onder andere uit de rol die artillerie-eenheden bij recente vredesoperaties hebben gespeeld. Bijvoorbeeld bij Ifor in Bosnië en bij de samenstelling van Kfor, waarbij met acties op een hoger geweldsniveau rekening werd gehouden. Om deze taken goed te kunnen uitvoeren beschikken de brigades over een eigen artillerie-afdeling en een luchtdoelartilleriebatterij. Voor vredesafdwingende operaties beschikt de landmacht bovendien over MLRS-capaciteit van de divisie.


262.

Welke beperkte andere operaties kan de Koninklijke landmacht nog uitoefenen als tegelijkertijd een versterkte brigade wordt ingezet voor een vredesafdwingende operatie? (blz. 129)

Tijdens deelneming aan een vredeafdwinghende operaties zouden bijdragen van kleine omvang ter beschikking kunnen worden gesteld aan vredesoperaties in het lagere deel van het geweldsspectrum, humanitaire operaties en nationale militaire bijstand. Te denken valt aan operaties als de Nederlandse bijdrage op Cyprus, het uitzenden van waarnemers en het noodhulpverkenningsteam.


263.

Reserve eenheden kunnen niet alleen in het kader van de collectieve verdediging worden ingezet maar ook als er sprake is van een ernstige schending van Nederlandse belangen. Aan welke situaties wordt dan gedacht? Op basis van welke wetgeving worden reservisten dan ingezet? (blz. 129)

De inzet van reservepersoneel gebeurt op grond van de Wet op het reservepersoneel voor de krijgsmacht. Deze inzet kan verplicht zijn als er sprake is van «buitengewone omstandigheden». Daaronder valt een scala van omstandigheden die in de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden zijn vastgelegd. Als er geen uitzonderingstoestand is, is inzet van reservepersoneel op vrijwillige basis mogelijk.

Zie ook het antwoord op vraag 166.


264.

Welke personele en materiele middelen staan in geval zich een `ramp' voordoet in Nederland, onmiddellijk ter beschikking voor de rampenbestrijding? (blz. 129)

In beginsel staan alle middelen van de krijgsmacht die niet reeds elders zijn ingezet ter beschikking van rampenbestrijding. Door de herstructurering van de genie is steeds één paraat geniebataljon beschikbaar voor inzet bij calamiteiten in Nederland of daarbuiten. Ook de regionaal ingedeelde Natres-bataljons kunnen continu algemene ondersteuning voor reguliere eenheden leveren.


265.

Is er bij het Duits_Nederlandse legerkorps sprake van een taalbarrière? Zo ja, hoe wordt daarmee omgegaan? (blz. 131)

Zie het antwoord op vraag 25.


266.

Hoe is de getalsmatige verhouding tussen parate en reserve_eenheden in respectievelijk het Nederlandse en Duitse deel van het Duits_Nederlandse legerkorps? (blz. 131)

De vredes- en oorlogsorganisatie van het Duits-Nederlandse legerkorps verschillen aanzienlijk. De 1e Nederlandse en de 1e Duitse Divisie behoren tot het legerkorps, maar in vredestijd stuurt het legerkorps ook de Luchtmobiele brigade en de Duitse 7e Divisie aan.

Voor de oorlogssamen-stelling zijn de getalsmatige verhoudingen:


- Nederlandse deel: 14.400 parate en 15.200 reservefuncties;


- Duitse deel: 14.550 parate en 30.000 reservefuncties.


267.

Ingeval de legerkorpsstaf als zelfstandige module bij een vredesoperatie wordt ingezet, wie geeft dan de dagelijkse leiding aan het GE/NL legerkorps? (blz. 131)


268.

Welke rol zou de staf van het GE/NL legerkorps kunnen spelen bij de vormgeving van de Europese defensiecapaciteit? (blz. 131)


269.

De legerkorpsstaf kan in de toekomst een rol spelen bij het vormgeven aan de Europese defensie_inspanning. Gaarne nadere toelichting. (blz.
131)


270.

Op welke gebieden loopt staf van het GE/NL legerkorps voor op de staven van vergelijkbare bi_ of multinationale staven? Geldt die voorsprong ook voor andere delen van het Duits_Nederlandse legerkorps? (blz. 131)

Zie het antwoord op vraag 25.


271.

Als eenheden van het corps commandotroepen ingezet worden voor geheime operaties, wordt daar op de een of andere manier achteraf verantwoording van afgelegd, ook op politiek niveau? (blz. 132)

Ja. Om dwingende redenen kan de regering echter over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht ter handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde afwijken van de regel dat de regering de Staten-Generaal hierover vooraf inlichtingen verstrekt.


272.

Uit hoeveel bataljons verbindingsdiensten bestaat de «Command support brigade» van het GE/NL legerkorps? Hoeveel van deze bataljons zijn paraat? (blz. 132)


273.

Hoe is de `command support brigade' precies samengesteld? Om hoeveel Nederlandse militairen gaat het daarbij? (blz. 132)

De «Command Support Brigade» bestaat uit:


- een binationale staf (en stafcompagnie);


- 11 (NL) Verbindingsbataljon MND(C) (paraat);


- 41 (NL) Verbindingsbataljon (reserve);


- 106 (NL) Verbindingsbataljon (overwegend paraat);


- 108 (NL) Verbindingsbataljon (overwegend paraat);


- 41 (NL) Eskadron Koninklijke marechaussee (reserve); dit eskadron wordt overgedragen aan de Koninklijke marechaussee.

Tot het parate deel van de «Command Support Brigade» behoren ongeveer
1450 Nederlandse militairen.

Voorts behoren 110 (GE) Verbindingsbataljon, 100 (GE) Heeres Musikkorps, 800 (GE) Topografische Batterie en nog enkele kleinere Duitse reserve-eenheden tot de «Command Support Brigade».


274.

Op welke manier zal de te vormen cimic_sectie bij de divisiestaf samenwerken met civiele instanties en NGO's? (blz. 133)

In overleg met de op te richten Cimic-groep zullen contacten worden gelegd met de voor Defensie belangrijke internationale organisaties (IO's) en non-gouvernementele organisaties (NGO's). Conferenties, opleidingen, symposia, oefeningen en zo mogelijk gezamenlijke planning van een vredesoperatie spelen hierbij een belangrijke rol. Op basis van overleg en wederzijdse instemming wordt tijdens vredesoperaties zo goed mogelijk samengewerkt. Een uitgezonden eenheid zal een Cimic-centrum inrichten waar zowel civiele als militaire instanties samenwerken en hun capaciteiten kunnen afstemmen. Dit Cimic-centrum zal onder meer worden gevuld met personeel afkomstig uit de Cimic-sectie van de divisiestaf.


275.

Wat zijn de consequenties van uitbreiding van personeel en eenheden bij de KL voor de opleidingssector? (blz. 133)

De uitbreidingen bij de Koninklijke landmacht zullen leiden tot een verhoogde opleidings- en trainingsinspanning. Bij de omvorming van het Commando Opleidingen (COKL) tot een Opleidings- en Trainingscommando (OTCKL) wordt met deze extra instructiecapaciteit rekening gehouden.


276.

Als de GE/NL legerkorpsstaf en de staf van 1 Divisie 7 december kunnen worden ingezet voor vredesoperaties voor welke duur is dat en op welke wijze beschikt zij over aflossings c.q. voortzettingscapaciteit? (blz.
134)

Deze staven zullen in de regel de kern vormen van een multinationale staf met aanvullingen uit andere landen. De meest waarschijnlijke inzetduur is zes maanden tot maximaal één jaar, waarbij het Nederlandse personeel in beginsel na zes maanden zal roteren. Aflossing na zes maanden door vergelijkbare staven van andere nationaliteiten ligt overigens meer voor de hand.


277.

Neemt door het opheffen van drie mobilisabele tankbataljons de mogelijkheid om bij grote conflicten te opereren af? Zo ja, hoe wordt dit verlies aan gevechtskracht verantwoord? (blz. 138)

De landmacht draagt bij aan de bezuinigingen en financiële herschikkingen door het opheffen van drie mobilisabele tankbataljons. Dit is verantwoord in het licht van de sterk afgenomen dreiging. Had de Koninklijke landmacht in 1991 nog de beschikking over ruim 900 gevechtstanks, na de uitvoering van de Defensienota zal het tankbestand zijn afgenomen tot 180, nog 20% van het oorspronkelijke aantal. De huidige taken brengen met zich mee dat aanzienlijk meer nadruk komt te liggen op parate en snel inzetbare eenheden. De opheffing van drie reserve-tankbataljons moet in dit licht worden bezien. Wel neemt de slagkracht van de landmacht voor de collectieve verdedigingstaken er aanzienlijk door af.

Het project «Gevechtswaardeverbetering Leopard-2 fase 1» verbetert overigens wel de effectiviteit van de overblijvende gevechtstanks. Daarnaast worden de anti-tanksystemen in de komende jaren vervangen door moderne, draagbare systemen (projecten SRAT en MRAT) en zal precisiemunitie voor artillerie en mortieren worden ingevoerd.


278.

Het kanonsysteem zal tussentijds verbeterd dienen te worden, waarbij de Kamer geïnformeerd zal worden. Kan de minister aangeven aan welke termijn? (blz. 138)

De Kamer is op 12 november 1999 over het project «Gevechts-waardeverbetering Leopard-2 fase 1» geïnformeerd (Kamerstuk
26 800 X, nr.13). Inmiddels is de verwervingsvoorbereidings-fase begonnen. Instroming van de Leopard-2A6 is voorzien vanaf 2002.


279.

Hoe groot is de divisiestaf en waaruit bestaan de divisietroepen precies? Wat is de omvang van de divisietroepen? (blz. 139)

De divisiestaf bestaat in vredestijd uit 266 functionarissen. De divisietroepen worden georganiseerd in een Divisie Gevechtssteun Commando (DGC), op te richten in 2000, en een Divisie Verzorgings Commando (DVC), opgericht in 1999. Het DGC bestaat uit artillerie-eenheden, genie-eenheden, inlichtingen-opsporingseenheden en (tot de oprichting van het JADC) uit lucht-verde-digings-eenheden. Het DVC bestaat uit bevoorradings- en transporteenheden, materieeldiensteenheden, geneeskundige eenheden en een «Support Command». De gezamenlijke divisietroepen bestaan na uitvoering van de Defensienota in vredestijd uit 4.106 en in oorlogstijd uit 14.200 functionarissen.


280.

Het gebrek aan inlichtingencapaciteit ligt toch primair op het gebied van strategische inlichtingen en niet op het gebied van tactische inlichtingen? Ervan uitgaande dat Nederland de komende jaren zijn troepen voornamelijk in Bosnië heeft geconcentreerd welke bijdrage in deze operatie is dan voorzien voor een RPV eenheid? (blz. 139)

In de praktijk van vredesoperaties schuiven het strategisch en tactisch niveau vaak in elkaar. Met tactische doelopsporings-middelen ingewonnen informatie kan van strategisch belang zijn. De capaciteiten voor strategische en tactische opsporingsmiddelen zijn echter schaars, zowel in de Navo als op Europees en nationaal niveau. Met het «Defence Capabilities Initiative» tracht de Navo deze tekorten te verhelpen. Na operationele gereedstelling medio 2001 kan de RPV-eenheid ook voor deze taken worden ingezet. Zie ook het antwoord op de vragen 77 en 78.


281.

Wordt de bouw van extra legerings_ en opslagcapaciteit in Wezep voor de te vormen constructiecompagnie als het meest doelmatig beschouwd? (blz. 140)

De nieuwe constructiecompagnie maakt gebruik van bestaande en vrijkomende accommodatie op de Prinses Margrietkazerne in Wezep. Hier bevindt zich al een concentratie van parate genie-eenheden met bijbehorende specifieke oefenterreinen en oefenmogelijkheden. Op korte termijn dient voor de nieuwe constructiecompagnie te Wezep te worden voorzien in vervangende legerings- en opslagcapaciteit, omdat de huidige kwalitatief ontoereikend is. Op andere locaties ontbreken de benodigde oefenmogelijkheden of er dient voor meer faciliteiten nieuwbouw te worden gerealiseerd.


282.

Waarom bestaat er geen `paarse' opleidingsschool NBC? (blz. 141)

Er zijn al NBC-opleidingen samengevoegd. De NBC-instructeurs van de Koninklijke marine worden opgeleid bij de NBC-school van de landmacht. Ook wordt de nieuwe cursus «stralingsdeskundige», voor de andere krijgsmachtdelen, alleen op de NBC-school van de landmacht onderwezen. NBC-deelopleidingen zijn veelal opgenomen in andere militaire opleidingen, zodat ze zijn afgestemd op de wijze van opereren van het desbetreffende krijgsmachtdeel.


283.

Welke doelmatigheid (in financiële termen) wordt bereikt door het onderhoud in zijn geheel te laten uitvoeren bij het legerkorps? (blz.
142)

Het samenvoegen van de capaciteit van het Nationaal Verzorgings Commando en de onderhoudscapaciteit van het legerkorps levert een besparing op van ongeveer 320 personen. Deze reorganisatie is verder voornamelijk gericht op het vergroten van het logistieke voortzettingsvermogen voor vredesoperaties. Het onderhoudsconcept zelf wijzigt niet. De personeelsreductie wordt gebruikt voor de noodzakelijke uitbreiding van de parate capaciteit van het legerkorps.


284.

De uitbreiding van de parate capaciteit van de Koninklijke Landmacht betreft ongeveer 1500 functies die worden gecompenseerd door reducties elders. Op welke onderdelen en in welke kwantiteit vindt de reductie plaats? (blz. 143)

Zie het antwoord op vraag 258.


285.

Hebben de problemen met de inzet van Apaches in Kosovo en ervaringen met de moeilijk in te zetten luchtmobiele eenheden van het UK rond Sarajevo in 1995 nog gevolgen gehad voor het denken over luchtmobiele concepten? Zijn luchtmobiele eenheden eigenlijk wel goed inzetbaar in dit soort conflicten, anders dan infanteristen onder pantser? (blz.
143)

De problemen met de inzet van Apaches in Kosovo hadden uitsluitend betrekking op de inzet van de gevechtshelikopters vanuit Albanië. Deze problemen hadden uiteenlopende oorzaken. Later zijn de Apaches vanuit Macedonië bij de intocht van Kfor in Kosovo en bij vervolgoperaties veelvuldig en succesvol ingezet. Ook nu vervullen deze helikopters een belangrijke rol in Kosovo en Bosnië.

De doctrine over de geïntegreerde inzet van gevechtshelikopters, transporthelikopters en luchtmobiele infanterie blijft zich verder ontwikkelen. Dit is het gevolg van toenemende ervaring met het gezamenlijk optreden tijdens vredesmissies en door internationale ontwikkelingen op het gebied van de manoeuvre- oorlogvoering. De «Air Manoeuvre» doctrine wordt gekenmerkt door de flexibele, geïntegreerde inzet van helikopters en infanterie voor een grote diversiteit aan taken op alle geweldsniveaus. Binnen dit algemene kader kunnen luchtmobiele infanteristen dus zowel opereren met helikopters als met gepantserde voertuigen, zoals de Patria. Deze combinatie van (gevechts-)helikopters en luchtmobiele infanterie in één eenheid garandeert een hoge mate van operationele flexibiliteit, beweeglijkheid en als de omstandigheden dit vergen, voldoende escalatiedominantie.


286.

Zal het verdwijnen van 800 functies door de reorganisatie van het Natco gepaard gaan met gedwongen ontslagen? (blz. 145)

De Koninklijke landmacht zet zich in om gedwongen ontslagen en instroom in de wachtgeldregeling als gevolg van deze reorganisatie te voorkomen, al is dit niet op voorhand uit te sluiten. De landmacht zal om-, her-, bijscholing en outplacement-activiteiten ontplooien om de employability van het personeel te bevorderen.


287.

Waarop is de uitbreiding van 51 naar 60 stukken PRTL gebaseerd? Kan dit nader worden onderbouwd? (blz. 149)

De Prioriteitennota voorzag in een operationele capaciteit van vier batterijen van vier pelotons (van drie PRTL's) en een operationele reserve van drie PRTL's, in totaal 51 systemen. Nadere studie in 1994 en 1995 wees uit dat er een extra behoefte aan één batterij van drie pelotons was. Hierdoor kwam de totale capaciteit op zestig wapensystemen. De in de Prioriteitennota voorziene reductie van 95 naar 51 wapensystemen is daardoor nooit geëffectueerd. De Kamer is hierover geïnformeerd in december 1995, bij de beantwoording van vragen over het project "gevechtswaarde-instandhouding PRTL" (Kamerstuk 24 400 X, nr. 49).


288.

Waarom wordt aan de verwerving van Shorad middelen geen lage prioriteit gegeven gezien de voorziene inzet van deze middelen (collectieve verdediging)?. Aangezien het hier gaat om middelen t.b.v. het optreden in het divisieachtergebied van het GE/NL legerkorps, is ook overwogen deze taak te laten vervullen door Duitse eenheden? Zo nee, waarom niet? (blz. 149)

De voorziene parate Shorad-capaciteit is afgestemd op vredesoperaties en voorziet tevens in de landmachtbehoefte voor artikel-5 operaties. De inzet van deze middelen is dus niet alleen voorzien voor de collectieve verdediging. Voor vredesoperaties zal precies voldoende capaciteit beschikbaar zijn om op roulatiebasis één object te beveiligen. Voor een vredeafdwingende operatie met een eenmalige Nederlandse bijdrage houdt de Koninklijke landmacht rekening met het beveiligen van drie objecten, namelijk de manoeuvre-eenheden van de brigade, één vitaal object in het brigade-achtergebied en de Tactische helikoptergroep van de luchtmacht. Het is van groot belang dat de verwerving van deze beperkte behoefte aan Shorad-middelen zo spoedig mogelijk wordt verwezenlijkt.

De bescherming van personeel is een nationale verantwoordelijkheid en moet te allen tijde gegarandeerd kunnen worden. Nederland moet dus zelf over voldoende capaciteit beschikken.


289.

Welke personele uitbreiding is gekoppeld aan de invoering Shorad? Waar is dit vermeld in de Defensienota? (blz. 149)

De luchtverdedigingseenheden van de Koninklijke landmacht en de objectluchtverdedigingseenheden van de Koninklijke luchtmacht worden samengevoegd en gereorganiseerd. De invoering van Shorad past in het nieuwe luchtverdedigingsconcept en wordt geaccommodeerd binnen een nieuw, sterk ingekrompen functiebestand. De invoering van Shorad zal dus niet leiden tot een uitbreiding van het personeelsbestand.


290.

Hoeveel F_16's bezit Nederland nog naast de genoemde 138? Het gaat dan om te verkopen of te strippen of anderszins nog aanwezige toestellen. (blz. 153)

Nederland heeft in totaal 213 F-16's gekocht. Daarvan zijn er 32 verongelukt (waarvan één in MLU-configuratie) en worden er 36 worden uitgefaseerd. Van deze 36 zijn er 25 ontmanteld of herbestemd voor (civiele) opleidingen en musea en worden er elf voor eventuele verkoop in vliegbare staat gehouden. Verder blijven, als gevolg van het gunstige verloop van verliezen in de periode 1994-1998, nog acht bruikbare F-16's over. Deze acht vliegtuigen zijn niet bestemd voor MLU, tenzij F-16's waarvoor nu een MLU is voorzien verloren gaan.


291.

Is het indelen van 18 jachtvliegtuigen in een squadron een internationale standaard? Kunnen voorbeelden gegeven worden van bondgenoten die andere aantallen per squadron hanteren? (blz. 153)

Het indelen van achttien jachtvliegtuigen in één squadron is geen internationale standaard. Voor de Navo gaat het om het totaal aantal aangeboden jachtvliegtuigen. De wijze waarop dit aantal organisatorisch wordt verdeeld is een keuze van de landen, waarbij ervaring, bedrijfsvoeringsprincipes en het beschikbare personeel en ondersteunend materieel de keuze bepaald. De Verenigde Staten werken met vierentwintig vliegtuigen per squadron, Duitsland met zestien, Turkije met veertien en België met twaalf. Het Verenigd Koninkrijk heeft geen squadrons maar een «force» vliegtuigen van het type Harrier en Tornado. Afhankelijk van de operatie wordt een aantal vliegtuigen uit de «force» aangewezen.


292.

Welke gevolgen heeft de vermindering van het aantal F_16's voor het aantal vlieguren dat per vliegtuig per jaar wordt gemaakt? Is dat aantal haalbaar gezien de huidige logistieke organisatie (onderhoud e.d.)? (blz. 154)

De afgelopen tien jaar zijn per F-16 maximaal 190 vlieguren per jaar gemaakt. De komende jaren zal de vliegurenbehoefte, rekening houdend met de voorgenomen opheffing van het 306 squadron, ongeveer 24.000 uur per jaar bedragen, terwijl het aantal F-16's overeenkomstig de Defensienota zal afnemen tot 120 stuks. Dit betekent dat het aantal vlieguren per jaar per F-16 moet stijgen naar 200. Als tevens rekening wordt gehouden met vredesverliezen, zal het aantal F-16's in 2010 naar schatting zijn afgenomen tot 108. Daardoor moet het aantal vlieguren per F-16 nog verder toenemen tot ruim 220 uur per jaar, wat de huidige logistieke organisatie extra zal belasten.


293.

Wat zijn de financiële en materiele consequenties (de F_16 buiten beschouwing gelaten) van het opsplitsen van de
luchtverkenningcapaciteit van 306 squadron? Leidt dit niet tot een personele uitbreiding? (blz. 154)

De beschikbare fotoverkenningsystemen voor de middelbare hoogte zullen worden verdeeld over de drie squadrons met een hoge gereedheidsstatus (RF). Hiervoor zijn voldoende systemen beschikbaar. Voor de ontwikkeling van fotobeeldmateriaal zal gebruik worden gemaakt van de drie reeds aanwezige fotoprocessing eenheden. Voor het toekomstige Luchtverkenningssysteem (LVS) zijn voldoende systemen voorzien voor operaties vanaf drie locaties. Een verdeling over drie RF-squadrons en daarmee over drie vliegbases leidt dus niet tot een extra behoefte. De verdeling van de luchtverkenningstaak heeft geen financieel-materiële consequenties.

Het operationele kenniscentrum inzake de verkenningstaak wordt geconcentreerd bij het 311 squadron te Volkel. Bij de overige RF squadrons is voor de operationele taakuitvoering slechts een beperkte specialisatie nodig waarvoor geen extra mankracht benodigd is.


294.

De verkenningscapaciteit van het 306 squadron is gespecialiseerd in fotoverkenning. Wat zijn de operationele consequenties van het verdelen van deze capaciteit over meerdere squadrons? (blz. 154)

Zie het antwoord op vraag 85.


295.

Bestaat er een (dreigend) tekort aan vliegers op jachtvliegtuigen? Zo ja, welke maatregelen worden genomen om dit tekort te verminderen (blz. 154)

Bij het vliegerbestand is, afhankelijk van de arbeidsmarkt, periodiek sprake van een verhoogd niet-regulier verloop van (jacht-)vliegers. Dit zou op termijn kunnen leiden tot onaanvaardbare beperkingen bij de operationele inzet. Daarom is recent een aantal rechtspositionele maatregelen doorgevoerd waarmee het niet_reguliere verloop kan worden teruggedrongen. Het aantal (kandidaat_)vliegers in opleiding is daarnaast voldoende om de verwachte reguliere uitstroom van jachtvliegers op te vangen. Het totaal aan maatregelen moet er toe leiden dat de Koninklijke luchtmacht ook op de langere termijn over voldoende jachtvliegers kan blijven beschikken.

Door de voorgenomen opheffing van het 306 squadron komen daar-enboven ongeveer twintig jachtvliegers extra beschikbaar om in te zetten bij de overige squadrons.


296.

Wat zal het gevolg zijn als geen alternatieven voor de huidige vliegopleiding voor jachtvliegers in Tucson gevonden kan worden? (blz.
154)

De reden dat besloten is naar alternatieven te zoeken zijn puur financieel. Als omscholing in eigen beheer of in internationaal verband niet kosteneffectief blijkt, zal de omscholing te Tucson worden gecontinueerd.


297.

Waarom zou Nederland over UAV's moeten beschikken? Kan dergelijke capaciteit ook niet door andere landen worden ingezet. Wanneer zich nieuwe andere materieelbehoeften voordoen is dat niet het moment om aan taakspecialisatie te denken? (blz. 195). Betreft de opgesomde kosten van 200 miljoen gulden (investeringsoverzicht Klu) slechts de initiële investering? (blz. 155)

In het kader van de studie over de vervanging van de F-16 komen alle systemen aan de orde die in de toekomst eventueel functies kunnen vervullen die nu nog door het F-16 jachtvliegtuig worden uitgevoerd. Hierbij zal ook aandacht worden besteed aan UAV's, waarbij tevens zal worden gekeken naar internationale ontwikkelingen terzake. Op de uitkomsten hiervan kan niet worden vooruitgelopen.

Voor doelopsporing en het verzamelen van gevechtsinlichtingen op de korte afstand wordt bij de Koninklijke landmacht het Sperwer UAV-systeem ingevoerd. Binnen de Navo bestaat behoefte aan strategische verkenningssystemen die in een groot gebied, diep in het achterland van een tegenstander kunnen worden ingezet. Een surveillance-UAV zou in die behoefte kunnen voorzien. Er zijn thans ontwikkelingen op dit gebied die kunnen leiden tot een operationele behoefte. Nederland wil zijn evenredig deel in de Navo of Europese inspanningen bijdragen. Defensie heeft hiervoor een financiële voorziening opgenomen.


298.

Wordt in de toekomst een grotere rol voorzien van «Combat UAV's»? Welke gevolgen zal dit hebben voor de rol van jachtvliegtuigen? (blz.
155)

De ontwikkeling van onbemande gevechtsvliegtuigen bevindt zich nog in een vroege fase en richt zich vooralsnog vooral op de bestrijding van vijandelijke radarinstallaties voor luchtverdediging en het aanstralen van doelen voor bemande vliegtuigen. Naar verwachting zal het ontwerpen en operationaliseren van volwaardige onbemande gevechtsvliegtuigen nog geruime tijd vergen. Zolang dergelijke systemen niet in een verder gevorderd stadium van ontwikkeling zijn, is hun invloed op de de rol van het jachtvliegtuig moeilijk vast te stellen. Duidelijk is wel dat de ontwikkeling van «Combat UAV's» serieuze aandacht verdiend. Defensie laat daarom door de nationale laboratoria NLR en TNO studies uitvoeren naar de toekomstige praktische bruikbaarheid van dergelijke systemen. De resultaten van deze studies zullen worden meegenomen in de B/C_brief inzake de vervanging F_16.


299.

Wanneer zal de studiefase betreffende de opvolging van de F 16's worden afgerond? Hoe verhoudt deze studiefase zich tot de eventuele deelname van Nederland aan de `engeneering and manufacturing development'_fase van het Amerikaanse «Joint Strike Fighter»_project? Is de verwachting dat Nederland aan dit project zal deelnemen? (blz.
155)

Ik heb het voornemen u eind 2000 te informeren over de resultaten van de (voor)studiefase, met inbegrip van de keuze over het al dan niet deelnemen aan de «Engineering and Manufacturing Development»-fase. Op besluiten terzake kan nu niet worden vooruitgelopen.


300.

Waarom blijft het noodzakelijk de uitgezonden luchtmachteenheden te beschermen met Nederlandse grondgebonden luchtverdediging? Nederland zal toch nooit als enige optreden in een operatie gebied. Waarom moet Nederland deze capaciteit dan specifiek voorhanden hebben? De afgelopen tien jaar heeft toch uitgewezen dat de noodzaak voor een dergelijke parate capaciteit ontbreekt, met uitzondering van een component voor het opleiden en oefenen van reserve eenheden? (blz.
156)

Bescherming van uitgezonden luchtmachteenheden met grondgebonden luchtverdedigingeenheden kan nodig zijn als gevolg van de luchtdreiging met helikopters, vliegtuigen, ballistische raketten of kruisvluchtwapens. De bescherming van personeel is een nationale verantwoordelijkheid en moet te allen tijde verzekerd kunnen worden. Nederland moet dus zelf over voldoende capaciteit beschikken.

Bovendien is goede grondgebonden luchtverdediging schaars, zeker systemen met een groter bereik zoals Patriot, die kan worden gebruikt tegen tactische ballistische raketten, en Hawk. De Nederlandse bijdrage in een crisisbeheersingsoperatie kan dan ook bestaan uit grondgebonden luchtverdedigingeenheden ter bescherming van materieel en personeel van eigen of bondgenootschappelijke eenheden of vitale objecten (bevolkingscentra, havens, vliegbases, kerncentrales) in het crisisgebied.

De afgelopen tien jaar is wel degelijk gebleken dat grondgebonden luchtverdedigingscapaciteit met een hoge paraatheid nodig is. In de Golfoorlog in 1991 en de tweede Irak_crisis in 1998 bestond er dringend behoefte aan grondgebonden luchtverdediging, vooral tegen ballistische raketten. De Koninklijke luchtmacht werd beide keren gevraagd hieraan een bijdrage te leveren. In 1991 heeft dit verzoek geleid tot inzet van eenheden in Turkije en Israël.

Zie ook het antwoord op vraag 90.


301.

Verloopt de instroom van nieuwe AH_64D Apache gevechtshelikopters volgens schema? Is de geplande datum van 1 juli 2003 voor volledige inzetbaarheid van de THG nog steeds haalbaar? (blz. 156)

Als gevolg van leveringsproblemen met «Color Multifunctional Displays» voor de AH-64D helikopters is een vertraging ontstaan bij de instroom van deze helikopters. In de laatste halfjaarlijkse rapportages over de oprichting van de Luchtmobiele brigade is de Kamer geïnformeerd over deze problematiek. Deze vertraging zal omstreeks april 2001 zijn ingelopen.

Als gevolg van technische problemen aan de staartrotor en aan de versnellingsbakken zijn wereldwijd AH-64A helikopters aan de grond gezet, waaronder ook de twaalf tijdelijk door de Koninklijke luchtmacht geleasde AH-64A's.

Het volledig operationeel worden van de THG wordt, afgezien van de invoering van de helikopters, in belangrijke mate bepaald door de opleiding en training van de vliegtuigbemanningen en door het gezamenlijke oefenen met de Luchtmobiele brigade. Het niet beschikbaar zijn van de helikopters, van het type Chinook en Apache is vooral van invloed op dit opleidings- en trainingsprogramma en daarmee ook op het operationeel worden van de THG. Door afzonderlijke inzet van delen van de THG en Luchtmobiele brigade tijdens uitzendingen is ook een deel van de gezamenlijke oefeningen komen te vervallen. Momenteel wordt onderzocht of dit concrete gevolgen heeft voor de verschillende mijlpalen in het opwerkingsprogramma van de THG.


302.

Zijn, gezien de risico's voor de bemanning, Apache helikopters zonder het Longbow_systeem voldoende operationeel inzetbaar? (blz. 157)

Ja. De operationele effectiviteit van de helikopter wordt met de invoering van het Longbow-systeem verbeterd. Ook de risico's voor de bemanningen worden daardoor kleiner.


303.

Wat zijn de kosten om één Apache helikopter uit te rusten met het Longbow_systeem? (blz. 157)

Naar de huidige inzichten bedragen de kosten van het uitrusten van een Apache met een Longbow-systeem ongeveer f. 15,5 miljoen (inclusief reservedelen e.d.) De definitieve prijs per systeem is onder meer afhankelijk van het aantal aan te schaffen systemen.


304.

Waarom zou nu al moeten worden beslist tot aanschaf van de Long bow radar? Dit radarsysteem behoorde in 1994 toch niet tot de operationele eisen? Is het niet verstandiger, mede gezien de beperkte inzet van Apache helicopters bij de huidige operaties, om met de aanschaf te wachten tot dat ervaringsgegevens bekend zijn bij USA en VK? (blz.
157)

Het Longbow-systeem (met bijbehorende «hellfire»-raketten) vergroot het operationele vermogen van de Apache en stelt het in staat beter te opereren onder alle weersomstandigheden. Bij de aanschaf van de Apache-helikopter gold de Longbow als een aanvullend systeem. De Kamer is destijds meegedeeld dat in een later stadium zou worden bezien of alsnog een aantal van deze radars zou worden aangeschaft (Kamerstuk 22
327, nr. 32). Dat is nu aan de orde.

De Verenigde Staten opereren al gedurende enkele jaren succesvol met Apaches in Bosnië. De Vernigde Staten en het Verenigd Koninkrijk hebben hun Apaches reeds uitgerust, c.q. rusten hun Apaches uit met het Longbow-systeem. De meest ervaren gebruiker van de Longbow is de VS. Ervaringsgegevens inzake de operationele waarde van het Longbow-systeem worden al enige tijd verzameld met Amerikaanse toestellen. In het Verenigd Koninkrijk zijn de eerste Longbow Apaches afgeleverd. Uit testen voorafgaande aan de aanschaf van het Longbow-systeem en uit oefeningen na aanschaf van het Longbow-systeem is gebleken dat door het Longbow-systeem de effectiviteit en de overlevingskansen van de Apache-D aanzienlijk toenemen.


305.

Kan toegelicht worden waarom 27 Bölkow_ en 4 Alouette helikopters vervangen worden door 14 tot 16 lichte helikopters? Heeft die halvering te maken met de opbouw van de THG of met vermindering van taken? (blz. 157)

De aantallen Bölkow en Alouette helikopters zijn destijds gebaseerd op de uitvoering van taken in het kader van de bondgenootschappelijke verdediging. Voor de toekomstige behoefte aan «light utility helicopters» wordt in de eerste plaats uitgegaan van inzet ten behoeve van crisisbeheersingsoperaties en nationale taken. De halvering van het aantal helikopters heeft dus niets te maken met de opbouw van de THG. Door primair uit te gaan van inzet voor
crisisbeheersingsoperaties en door de keuze voor helikopters met een groter laadvermogen en volume dan de Bölkow en Alouette kan worden volstaan met zestien stuks; om financiële redenen zijn vooralsnog fondsen voor veertien helikopters gereserveerd.


306.

Wordt uiteindelijk de gehele Groep geleide wapens van de Koninklijke landmacht geïntegreerd in het nieuw op te richten «Joint air defence centre»? Zo nee, waarom niet? (blz. 158)

De luchtverdedigingssystemen van de Groep Geleide Wapens van de Koninklijke luchtmacht maken deel uit van de geïntegreerde luchtverdediging van de Navo en zijn vooral bestemd voor de verdediging van gebieden tegen vijandelijke vliegtuigen, kruisvluchtwapens en ballistische raketten. Deze systemen worden in bondgenootschappelijk verband ingezet en aangestuurd. Zij zijn dan wat betreft taakstelling, capaciteiten en samenstelling niet vergelijkbaar met objectluchtverdedigings-systemen van de Koninklijke landmacht. Ook kunnen de systemen worden ingezet ter bescherming van uitgezonden eenheden.

Het JADC heeft tot doel de operationele contingency_planning, opleiding, training, en doctrinevorming op het gebied van grondgebonden luchtverdediging in Nederlandse krijgsmacht te coördineren. De Groep Geleide Wapens participeert in het JADC voor de specifieke inzetoptie waarbij luchtverdedigingssystemen worden gebruikt voor de bescherming van uitgezonden eenheden. Hoewel de luchtverdedigingscommandanten van beide krijgsmacht-delen deelnemen aan het JADC blijft de Groep Geleide Wapens onder commando van de Commandant Tactische Luchtmacht. Gezien het voorgaande ligt integratie van de Groep Geleide Wapens met de luchtverdedigingseenheden van de Koninklijke landmacht niet voor de hand.


307.

Hoever is het besluitvormingsproces over de modernisering van de Patriot_raketten gevorderd? Is Nederland al gebonden aan de aanschaf van de Pac_3 raketten? (blz. 158)

Het besluitvormingsproces over de modernisering van de Patriot-raketten is nog niet afgerond. Wel heeft de Kamer in december
1997 ingestemd met de behoeftestelling voor de Pac-3 (Zie Kamerstuk 25
000 X, nr.99). Naar verwachting zal de verwervingsvoorbereidingsfase voor de aanschaf van Pac-3 raketten in 2001 kunnen worden afgerond. De Kamer wordt dan geïnformeerd overeenkomstig de procedure van het defensiematerieelkeuzeproces.


308.

Welk land heeft overtollige Patriots te koop? Waarom zouden dure, geavanceerde Patriots benodigd zijn om de taak van de Hawk over te nemen? (blz. 159)

De Hawk-systemen bereiken over enige tijd het einde van hun operationele en technische levensduur en moeten vanaf 2005 worden vervangen. Bij de vervanging van de Hawk zal nadrukkelijk worden gezocht naar systemen die geschikt zijn om de huidige en de toekomstige dreiging te kunnen pareren. Behalve aspecten als effectiviteit en betaalbaarheid, vormt bescherming tegen ballistische raketten in dit kader een bijzonder aandachtspunt. Standaardisatie op de Patriot lijkt een reële optie, mede vanwege de ruime mogelijkheden voor een flexibele inzet in een internationaal verband. Mogelijk zal in het kader van reorganisaties in Duitsland het aantal Patriot-systemen worden verkleind. Onderzocht wordt of te zijner tijd Duitse systemen kunnen worden overgenomen. In 2002 zal de behoeftestelling van de vervanging van de Hawk Pip III aan de Kamer worden aangeboden.


309.

Is de beschikbare capaciteit aan luchttransport ook voldoende als gekeken wordt naar de Europese defensiecapaciteit (zie ook de WEU_Audit)? (blz. 159)

Zie het antwoord op vraag 31.


310.

In hoeverre staat de brandweeraccommodatie bij de school in Woensdrecht ook ter beschikking voor civiele opleidingen? (blz. 161)

Naast de jaarlijkse opleidingsbehoefte van Defensie zelf heeft de brandweeraccommodatie een restcapaciteit die desgwenst kan worden gebruikt voor Navo partners, PfP-partners en voor civiele opleidingen. Deze overcapaciteit betreft echter alleen de beschikbaarheid van accommodatie en faciliteiten. De huidige capaciteit aan instructeurs wordt ten volle benut ten behoeve van Defensie-opleidingen. Verdere benutting van de brandweeraccommodatie vereist daarom een uitbreiding van het instructeursbestand. In de loop van 2000 worden de mogelijkheden van benutting van de restcapaciteit nader onderzocht.


311.

Wat is de stand van zaken bij de personele uitbreiding van de Koninklijke marechaussee? (blz. 166)


313.

Er wordt tijdelijk minder personeel ingezet in de brigades die zijn belast met mobiel toezicht vreemdelingen, grensbewaking en de militaire politiedienst. Verwacht wordt dat deze achterstanden vanaf
2000 weer worden ingelopen. Kan de regering aangeven over hoeveel personeel het gaat en wanneer de achterstand in zijn geheel is ingelopen, gezien de toename van werkzaamheden?. (blz. 166)


316.

Is de opleidingscapaciteit van de Koninklijke marechaussee voldoende om het geplande extra personeel op te leiden, zeker gezien de infrastructurele problemen? Zo nee, heeft dat gevolgen voor de personele uitbreiding (blz. 172)

Vanwege de aanzienlijke groei van het functiebestand van de Koninklijke marechaussee in de afgelopen jaren is de wervings- en opleidingsopdracht telkenmale verhoogd. Naast deze extra behoefte aan personeel werd de Koninklijke marechaussee echter ook geconfronteerd met een grotere uitstroom dan was voorzien. Zoals in het Beleidsplan Kmar 2000 is meegedeeld, bedraagt het personele tekort een kleine vierhonderd personen. Om aan deze extra personele behoefte te kunnen voldoen, zijn voor de korte en langere termijn maatregelen voorzien die een eind moeten maken aan het infrastructurele knelpunt van het Opleidingscentrum Koninklijke marechaussee. Op korte termijn zullen er, naast de reeds begonnen opleidingen, in 2000 en 2001 drie extra lichtingen van negentig personen worden geworven en opgeleid. Daartoe worden extra instructeurs aangesteld en wordt een tijdelijke infrastructuur beschikbaar gemaakt.

Op de langere termijn zal, zoals aangekondigd werd in de Defensienota, de infrastructurele capaciteit van het Opleidingscentrum worden uitgebreid. De verwachting is dat hierdoor het Opleidingscentrum in
2006 zo is ingericht dat alle opleidingen er kunnen worden verzorgd.

Zoals de Kamer op 5 oktober 1999 is meegedeeld, zijn door het stellen van prioriteiten ongeveer honderd personen op de luchthaven Schiphol geplaatst om voor de korte termijn de tekorten op te vangen. Vanwege deze maatregel en de reeds bestaande onderbezetting is de bezettingsgraad bij de brigades die belast zijn met mobiel toezicht op vreemdelingen, grensbewaking en militaire politiedienst gemiddeld 85 procent. De personele vulling zal, uitgaande van de huidige formatiesterkte van de Koninklijke marechaussee, waarschijnlijk niet eerder dan in 2002 volledig zijn gerealiseerd.


312.

Waarom wordt niet overwogen om de deelname van Kmar personeel aan vredesoperaties (internationale politietaak) voorlopig te stoppen om andere knelpunten op te lossen? (blz. 166)

Zie het antwoord op vraag 75.


313.

Er wordt tijdelijk minder personeel ingezet in de brigades die zijn belast met mobiel toezicht vreemdelingen, grensbewaking en de militaire politiedienst. Verwacht wordt dat deze achterstanden vanaf
2000 weer worden ingelopen. Kan de regering aangeven over hoeveel personeel het gaat en wanneer de achterstand in zijn geheel is ingelopen, gezien de toename van werkzaamheden?. (blz. 166)

Zie het antwoord op vraag 311.


314.

Op welke manier zal de niet_reguliere uitstroom bij de Koninklijke marechaussee worden tegengegaan? (blz. 167)

Een eerste onderzoek laat zien dat de oorzaken voor niet-reguliere uitstroom bij de Koninklijke marechaussee verband houden met onvrede met het functietoewijzingsproces, de procedures en de zorg bij uitzendingen, de kwaliteit van de direct leidinggevenden en de inhoud van het werk.

De Koninklijke marechaussee treft maatregelen om deze problemen op te lossen. Zo zal onder meer worden geïnvesteerd in scholing van leidinggevenden. Voorts zijn verbeteringen in het functietoewijzingsproces voorgesteld en wordt een stappenplan voor uitzendingen ontwikkeld.

Ook zal , met het oog op een eventuele herintreding, meer aandacht worden besteed aan personeel dat de organisatie voortijdig heeft verlaten. In alle gevallen van niet-reguliere uitstroom zal een exit-interview worden gehouden.


315.

In verband met vredesoperaties is het streven de Koninklijke Marechaussee uit te breiden met honderd militairen. De financiën hiervoor zouden beschikbaar moeten komen uit onder meer hogere doelmatigheidsopbrengsten, zou de regering dit kunnen toelichten? (blz. 169)

Zie het antwoord op vraag 75.


316.

Is de opleidingscapaciteit van de Koninklijke marechaussee voldoende om het geplande extra personeel op te leiden, zeker gezien de infrastructurele problemen? Zo nee, heeft dat gevolgen voor de personele uitbreiding (blz. 172)

Zie het antwoord op vraag 311.


317.

Welke diensten verleent het Dico momenteel aan afnemers buiten Defensie om onbenutte capaciteit in te zetten? (blz. 176)

Het betreft voornamelijk diensten op het gebied van automatisering, vervoer en medische ondersteuning. De Defensie Telematica Organisatie stelt onbenutte capaciteit op het landelijk computernetwerk beschikbaar aan andere overheidsorganen, zoals Justitie en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Op het gebied van vervoer worden de spoorwegwagons van Defensie die zijn gereserveerd voor het vervoer van zwaar materieel verhuurd aan de Nederlandse Spoorwegen ten behoeve van zwaar civiel vrachtvervoer. Als zich ernstige ongelukken vooroen, waarbij sprake is van veel slachtoffers, wordt het calamiteitenhospitaal van het Centraal Militair Hospitaal geactiveerd.


318.

Moet Defensie Werving en Selectie geen onderdeel worden van een geïntegreerde benadering van werving, selectie, scholing, loopbaanbegeleiding en outplacement? (blz. 178)

Defensie kiest voor een geïntegreerde benadering van het gehele proces van «instroom, doorstroom en uitstroom». In een totaalvisie zullen de afzonderlijke stappen in dit proces met elkaar in verband worden gebracht. Zo kan bijvoorbeeld personeelsvoorziening niet los worden gezien van het bieden van werkzekerheid aan personeel dat na een aantal jaren de organisatie dient te verlaten. In 2001 zal worden bezien welke organisatorische maatregelen moeten worden genomen de geïntegreerde benadering uit te voeren.


319.

Hoeveel chirurgische teams die zijn verbonden aan Nederlandse ziekenhuizen zijn al geformeerd? (blz. 179)

Op 5 oktober 1999 heeft Defensie met het Academisch Ziekenhuis Maastricht en met het Academisch Ziekenhuis Nijmegen overeenkomsten gesloten. De ziekenhuizen verplichten zich met het ondertekenen van een overeenkomst tot de vorming - binnen een termijn van twee jaar - van een "bovenformatief" chirurgisch team. Met de overige dertien ziekenhuizen worden onderhandelingen gevoerd over soortgelijke overeenkomsten.


320.

Kunnen voorbeelden worden gegeven in welke vorm Defensie bij het beheer van haar terreinen nauw samenwerkt met het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij? (blz. 180)

De samenwerking met het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij bij het beheer van de defensieterreinen kent verschillende vormen.

Het Informatie en Kenniscentrum-Natuurbeheer (IKC-N) stelt zijn deskundigheid ter beschikking om de natuurfunctie van de defensieterreinen te vergroten.Het gaat hierbij vooral om advisering van het Defensiepersoneel bij onderhoud, beheer en aanleg van de terreinen en door kennisoverdracht met behulp van cursussen. Ook wordt voorlichtingsmateriaal vervaardigd. De brochure «Natuur op defensieterreinen» en het diaklankbeeld «Natuur op GGW de Peel» zijn daar voorbeelden van. De afgelopen periode veel aandacht besteed aan de afstemming van het defensiebeleid inzake het beheer op het natuurbeleid van LNV. De personeelskosten van het IKC-N voor deze samenwerking worden gedragen door Defensie.

Een andere vorm van samenwerking betreft een gezamelijke inventarisatie en «monitoring» van de op de defensieterreinen aanwezige flora en fauna. De verzamelde gegevens vormen de grondslag voor de ecologische waardering van de defensietereinen en van het te voeren beheer. Zij leveren ook informatie over de gevolgen van het gebruik van de defensieterreinen voor flora en fauna. De kosten van de inventarisatie en monitoring worden gezamenlijk gedragen.

Een bijzondere vorm van samenwerking is het symposium «Defensie Natuurlijk» op 20 maart 2000, dat wordt georganiseerd samen met de directie Natuurbeheer van LNV. Het doel van dit symposium is informatieverstrekking over het samengaan van gebruik en natuur op defensieterreinen


321.

Wanneer komt het oefenterrein De Haar gereed? Welke andere oefenterreinen zullen hierdoor worden afgestoten? (blz. 180)

Het oefenterrein de Haar zal vijf jaar na het begin van de werkzaamheden zijn voltooid. Het terrein kan waarschijnlijk in 2004 in gebruik worden genomen.Vervolgens kunnen de oefen-terreinen Anloo (De Strubben en het Kniphorster bos) en het Balloërveld buiten militair gebruik worden gesteld.


322.

Kan een nadere uiteenzetting worden gegeven van de gevolgen van een eventuele sluiting van Marinevliegkamp Valkenburg? (blz. 182)

De gevolgen van een eventuele sluiting van Marinevliegkamp Valkenburg zijn onder andere:


_ de Groep Maritieme Patrouillevliegtuigen moet worden verplaatst tegen hoge kosten (f. 300-500 miljoen). Zie ook het antwoord op vraag
236;


_ een ander vliegveld moet 24 uur per dag open voor opsporings_ en reddingsdiensten (OSRD);


_ afhankelijkvan de te maken keuze moeten de geluidszones van het desbetreffende vliegveld moeten worden uitgebreid.


323.

Zijn er al concrete plannen waar de laagvliegvaardigheden in het donker voor helikopters geoefend kunnen worden? (blz. 182)

Een deel van de nachtvliegoefeningen wordt, voor zover zonering en andere regelgeving dit toelaten, in Nederland uitgevoerd. Daar dit onvoldoende mogelijkheden biedt, worden deze oefeningen ook in het buitenland gehouden, onder meer in Duitsland, Polen en Noorwegen. De instroom van Apaches in de THG en het operationeel opwerken van de complete THG vergen een grotere capaciteit voor nachtvliegoefeningen. De verdere mogelijkheden daartoe in Noorwegen, Finland en Polen en andere landen worden op dit moment bestudeerd.


324.

Welke militaire vliegvelden hebben nog geen vastgestelde geluidzones en wat is hier de oorzaak van? Wanneer zal het vaststellen van deze geluidzones zijn voltooid? (blz. 183)

Voor de vliegbases Eindhoven, Woensdrecht en De Peel is de geluidszone ingevolge de Luchtvaartwet nog niet vastgesteld. De in 1997 genomen zoneringsbesluiten voor de vliegbasis Volkel zijn geschorst bij uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State dd. 8 december 1998. Hierdoor is de werking van deze besluiten opgeschort totdat over de ingestelde beroepen zal zijn beslist. Op de mogelijke consequenties van deze uitspraak voor de geluidszonering van de vliegbases Volkel, Eindhoven, Woensdrecht en De Peel is de Kamer ingelicht bij brief van 8 november 1999 (Kamerstuk
22 548, nr. 4). Hierin is meegedeeld dat rekening wordt gehouden met een afronding van de zonerings-procedures in de periode 2001 - 2002, een en ander afhankelijk van de snelheid waarmee de verschillende stappen in de procedures doorlopen kunnen worden.


325.

Bestaat gezien de veranderde internationale situatie nog de noodzaak om permanent landmachteenheden in Duitsland te legeren? Welke financiële voor_ en nadelen zouden gemoeid zijn met een eventuele verplaatsing van deze eenheden naar Nederland? (blz. 184)

Zie het antwoord op vraag 3.


326.

Zijn aan de verplaatsing van de regiostaf vanuit Harderwijk naar Schaarsbergen kosten verbonden? Welke infrastructurele kosten moeten worden gemaakt op de nieuwe locatie. Wat is de doelmatigheidsopbrengst bij verplaatsing naar Schaarsbergen? Is bij de beslissing voor verplaatsing ook meegewogen dat hier een einde komt aan Harderwijk als garnizoensstad? Zo nee, acht de regering dit geen relevant aspect om bij de besluitvorming te betrekken? (blz. 184)

Het Regionaal Militair Commando Oost (Harderwijk) en de hiertoe behorende garnizoenen worden omgevormd tot een tweetal regiostaven, te weten Noord en Oost. Deze regiostaven zullen in beginsel worden gecolloceerd met grote operationele eenheden. De regiostaf Noord wordt gesitueerd op de Johan Willem Friso kazerne in Assen en de regiostaf Oost wordt geplaatst op de Oranjekazerne in Schaarsbergen. Nog afgezien van de winst als gevolg van besparing op facilitair personeel, zijn de benodigde investeringen in bestaande infrastructuur te Assen (f. 1,7 miljoen) en Schaarsbergen (f. 1 miljoen) aanzienlijk lager dan de verwachte opbrengst van het object Kranenburg-Noord te Harderwijk.


327.

Binnen welke termijn denkt de regering de complexen in Ulicoten, Benschop, Stegerveld, Bruineveld, Donderen, Nieuw Balinge en Loenen Scherpenberg af te kunnen stoten? (blz. 185)

De voorraden munitie worden geconcentreerd in vier munitiemagazijnencomplexen. Deze situatie dient in beginsel in 2004 te zijn bereikt. Voor dat moment worden de munitiemagazijnencomplexen Ulicoten, Benschop, Stegerveld, Bruineveld, Nieuw Balinge en Loenen Scherpenberg ontruimd en afgestoten. De eerste complexen worden waarschijnlijk in 2003 voor afstoting aangeboden.


328.

Waarom is de oprichting van een control and support centre in Ede nodig? Wat zijn de taken van een dergelijk centrum? (blz. 185)

Het is gewenst één geïntegreerd centrum voor «command & control»(C2)-ondersteuning op te richten. De taken of functionele deelgebieden van het centrum zijn: ontwikkelen en implementeren van C2-ondersteuning, beheren, testen en certificeren, ondersteunen van trainingen, beleidsondersteuning en advies en assistentie. In een dergelijk centrum is het mogelijk systemen in onderling verband te ontwikkelen, beproeven, testen, onderhouden en beheren.


329.

Als wordt gesproken dat het grootste deel van de ECW Dongen wordt overgeplaatst naar Ede; hoeveel personen en welke organisatie_elementen betreft dit? (blz. 185)

Het Software beheerscentrum (deel uitmakend van de ECW) is reeds in Ede gestationeerd. Relevante delen van de Afdeling TCS (Tele Communicatie Systemen) zullen ook naar Ede worden verplaatst. Dit betreft ongeveer tien burgerfuncties. Intussen is besloten het resterende deel van de ECW samen te voegen met de Mechanische Centrale Werkplaats in Leusden.


330.

Is de regering bereid om te bezien of in het kader van competieve dienstverlening delen van de ECW (ICT e.d.) daarvoor in aanmerking kunnen komen (betrekken bij onderzoek MCW)? Kan ditzelfde ook worden bezien in het kader van publiekprivate samenwerking (onderzoek mogelijkheid PPS constructie?) (blz. 185)

Het is niet uitgesloten dat het ECW in de toekomst in aanmerking komt voor de CDV. Het ECW zal in ieder geval onderwerp van het CDV worden zodra omvangrijke investeringen of een grote reorganisatie aan de orde zijn. In de analyse van het MCW zal overigens tevens aandacht worden geschonken aan mogelijke synergie-effecten met vergelijkbare dienstverlening elders binnen Defensie.

Een CDV-traject kan tot uiteenlopende conclusies leiden. Naast inbesteding, uitbesteding en privatisering, zijn samenwerkingsvormen, zoals PPS of een «joint venture» constructie niet uitgesloten, mits de oplossing maar efficiencyverbetering oplevert.


331.

Is er voor verplaatsing van het NVC uit Dongen nieuwe infrastructuur nodig in de Strijpse Kampen. Zo ja hoeveel bedragen de kosten hiervan? (blz. 185)

In het kader van de integratie van het Nationaal Verzorgings Commando (NVC) in de hersteleenheden van het legerkorps en de sterk gewijzigde beleggingssituatie in de Koninklijke landmacht wordt een studie uitgevoerd naar de benodigde onderhoudscapaciteit en de locaties waar die zou moeten worden ondergebracht. Vanwege de concentratie van operationele en reserve-eenheden in de regio Oirschot zal daar veel onderhoud plaats gaan vinden. Daarvoor is opde Strijpse Kampen waarschijnlijk nieuwbouw voor onderhoudseenheden nodig, waarmee ongeveer f. 5 miljoen gemoeid is. Overigens worden zo de kosten bespaard van de renovatie van het complex in Dongen, waar een vergelijkbaar bedrag mee gemoeid zou zijn.


332.

Welke totale kosten (personeel, organisatorisch, infrastructuur enz) zijn gemoeid met de uitvoering van de herstructureringsmaatregelen zoals in de defensienota verwoord? (blz. 186)

Met de in de Defensienota aangekondigde maatregelen is een financiële herschikking gemoeid van f. 9,9 miljard. Deze wordt toegelicht in hoofdstuk 11 van de nota.


333.

Kan toegelicht worden wat de maatregelen zijn die zien op «kasritmeaanpassingen» van grote materieelprojecten en de vergroting van efficiency (IBO)? Welk deel mag Defensie herbesteden en welk deel vloeit weg naar Financiën Om hoeveel geld gaat het in totaal vanaf
1999? Is dit de facto niet een bezuiniging die bovenop de afspraken in het regeerakkoord komt? (blz. 186)

Bij het invullen van de kasritmeaanpassingen, aflopend van f. 100 miljoen in 2000 tot f. 25 miljoen in 2003, is aangesloten bij de maatregelen die zijn genomen in het kader van de Defensienota als geheel. De kasritmeaanpassing is gebaseerd op de veronderstelling dat projecten met vertraging worden uitgevoerd. Het totaal van f. 250 miljoen is een onderdeel van het pakket van regeringsmaatregelen ter grootte van f. 2,5 miljard, dat in de investeringen wordt doorgevoerd. De efficiencymaatregelen worden bereikt door de CDV-benadering (oplo-pend tot f. 100 miljoen in 2003 en volgende jaren; zie blz 71 van de Defensie nota).

De kasritmeaanpassingen komen volledig ten goede gekomen aan het generale beeld. De besparingen die voortvloeien uit de CDV-benadering dienen volledig ter invulling van de taakstellingen efficiency (Ibo).

Zoals op blz. 186 van de defensienota is aangegeven, staan de kasritmeaanpassing en de taakstelling efficiency (Ibo) naast de in het Regeerakkoord overeengekomen structurele verlaging van het Defensiebudget met f. 375 miljoen per jaar.


334.

Hoe verhoudt de verlaging van fondsen voor militaire satelietcommunicatie zich met de geconstateerde Europese tekorten op dit gebied? (blz. 189)

De in de Defensienota geraamde fondsen voor militaire satellietcommunicatie hebben geen relatie met eventuele Europese tekorten op dit gebied. De fondsen worden toereikend geacht voor de financiering van de nationale behoefte aan militaire satellietcommunicatie.


335.

Welke gevolgen hebben de vertraging van materieelprojecten en de verlaging van de investeringsquote voor de operationele capaciteit en de technologische kwaliteit van de krijgsmacht? (blz. 190)


350.

Het uitstellen van investeringen zal op termijn resulteren in een boeggolfproblematiek. Is het gezien deze latente problematiek wenselijk om de investeringsquote naar boven aan te passen? (algemeen)

Bij de verwerking van de taakstellingen en hetruimte scheppen voor nieuw beleid, was het niet alleen onvermijdelijk om structurele maatregelen te nemen, ook moesten investeringsprojecten worden vertraagd en geplande investeringen kwantitatief worden verminderd. Deels is dit mogelijk door bij de verwerving van nieuw materieel in de eerste plaats de parate eenheden voorzien en het oudere materieel te bestemmen voor reserve-eenheden (zie blz. 98). De vertragingen dienen op termijn te worden ingelopen. Er is voor gezorgd dat die periode beperkt blijft en de kwaliteit en kwantiteit niet zo sterk worden aangetast dat de krijgsmacht haar taken niet meer goed kan uitvoeren. Voorts is bij de afwegingen gekozen voor kwaliteit boven kwantiteit, waardoor de verlaging van de investeringsquote geen gevolgen heeft voor de technologische kwaliteit.


336.

Hoe is de prioriteitstelling van de niet financieel afgedekte voornemens in het geval dat extra efficiencyopbrengsten worden gerealiseerd? (blz. 191)

De prioriteitstelling van additionele voornemens is voornamelijk afhankelijk van het moment dat extra opbrengsten worden gerealiseerd en van de omvang ervan. Ook kan de mogelijkheid van internationale samenwerking een rol spelen (commando faciliteiten 2e ATS) en de uitkomsten van het materieel keuzeproces (helikopters). Voorts wordt het realiseren van additionele voornemens steeds betrokken in het geheel van mee- en tegenvallers bij voorziene uitgaven.


337.

Bij uitvoering van de noodzakelijke geachte plannen ontstaat een tekort van 135 miljoen gulden. Als het defensiebudget structureel wordt verhoogd met 135 miljoen gulden kunnen dan alle noodzakelijk gewenste plannen worden gerealiseerd? (blz. 191)

Voor de verwezenlijking van wensen die niet in de plannen van de Defensienota konden worden geaccomodeerd is eenmalig f. 75 miljoen nodig voor de commandofaciliteiten op het 2e ATS en eenmalig f. 50 miljoen voor twee extra «light utility helicopters». Daarnaast is structureel f. 10 miljoen nodig om de Koninklijke marechaussee met 100 functies uit te breiden. Over de gehele periode van de Defensienota bezien is voor de Koninklijke marechaussee f. 100 miljoen nodig. Het totaal benodigde bedrag is f. 225 miljoen.


338.

Met welk bedrag zou het defensiebudget structureel moeten toenemen om de materieel investeringen voor de komende tien jaar op een gemiddeld percentage van 25% te brengen? (blz. 191)

Voor een structurele verhoging van de investeringen tot 25% is ruim f.
800 miljoen nodig. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met een groei van de exploitatielasten. Aard en omvang van deze toename is afhankelijk van de besteding van de structurele verhoging.


339.

Kan een splitsing worden aangebracht in het investeringspercentage tussen infra_ en materieelinvesteringen? (blz. 191)

In alle jaren van de Defensienota leggen de investeringen in infrastructuur een beslag van ongeveer 3% op het totale defensiebudget. Voor groot materieel wordt ongeveer 17% van het defensiebudget aangewend.


340.

Kan een overzicht worden gegeven van de totale investeringen per jaar en per tijdvak voor ieder krijgsmachtdeel afzonderlijk en voor de krijgsmacht als geheel? (blz. 194)

De Defensienota leidt tot het volgende overzicht van investeringen per krijgsmachtdeel:

bedragen x ¦ 1 miljoen


2000


2001


2002


2003


2004


2000-2004


2005-2009


2000-2009

KM


898


808


833


912


903


4.355


3.802


8.158

KL


1.006


925


1.020


1.006


964


4.921


4.642


9.563

KLU


390


502


557


762


798


3.009


4.609


7.618

KMAR


38


78


69


64


54


303


250


553

totaal krijgsmacht


2.332


2.313


2.479


2.744


2.719


12.588


13.303


25.892


341.

Welk bedrag in de begroting is gereserveerd voor een specifieke bijdrage om de Europese veiligheid te versterken? Indien geen reserveringen zijn op genomen welke projecten komen als zodanig hiervoor in aanmerking dan wel zijn hiervoor aanvullende financiële middelen vereist? (blz. 194)

Zie het antwoord op vraag 31.


342.

Kan een overzicht worden gegeven van alle investeringen (materieel en infrastructuur) en projecten die destijds in de Prioriteitennota werden vermeld en die nog niet zijn uitgevoerd? (blz. 194)

Koninklijke marine:

project Prioriteitennota opmerking

Vervanger Tromp-klasse

Zeven Provinciënklasse (LCF) thans in aanbouw

Vervanger Zuiderkruis

nog niet uitgevoerd, voorzien vanaf 2006

Vervanger Jacob van Heemskerck-klasse

nog niet uitgevoerd, voorzien vanaf 2010

Vervanger Kortenaer-klasse

laatste 2 worden vervangen door LCF in 2004 resp. 2005

NH-90

doorlopend investerings-project, instroom 2007

Cup M-fregat

uitgesteld naar ca. 2012

Cup Orion

voorzien vanaf 2001

Cup Walrus

uitgesteld tot na 2009

Cup Alkmaar-klasse

geïntegreerd in PAM project

Vervanger Alkmaarklasse

uitgesteld tot na 2009

Verder kunnen de projecten «Geïntegreerd verbindingsproject», «Vervangen Veegcapaciteit», «Kleine vaartuigen», «Investeringen marinebedrijven», «Bestuurlijke informatiesystemen» en verschillende munitieprojecten worden beschouwd als doorlopende investeringsprojecten

Koninklijke landmacht:

project Prioriteitennota opmerking

Vervanging lichte vrachtauto

is nu het project Vervanging lichte vrachtauto MB en is voorzien vanaf
2008

Vervanging vrachtauto 40 kN

is onderdeel van het project Vervanging vracht-auto -100kN

Vervanging vrachtauto 100 kN

nog niet uitgevoerd, voorzien vanaf 2009. Verder wordt een deel binnen het project Wissellaadsystemen uitgevoerd

Pallet Load System (PLS)

heet nu project Wissellaad-systemen, voorzien vanaf 2003

Vervanging straalzender

voorzien vanaf 2003

EOV-fase 2

project loopt nog

Waarschuwings- en gevechts-leidingssysteem WGL

project maakt deel uit van Shorad-project

RPV lange afstand

uitgesteld tot na 2009

Niet-penetrerende drager

uitgesteld tot na 2005

Verbetering luchtverdediging (Shorad)

voorzien vanaf 2002

Vervanging/verbetering flycatcher/40mm


40L70 wordt afgestoten; op Flycatcher wordt gestudeerd

Vervanging verkennings-voertuigen

is LVB-project, loopt nog

Vervanging Luchtmobiel speciaal voertuig

voorzien vanaf 2005

Vervanging M-577 en YPR

voorzien vanaf 2003

Gevechtsdrones

in studie

Pantserbestrijding lange dracht


1e deelproject loopt

Antitankwapen middelbare dracht

is MRAT-project, loopt nog

Vervanging licht antitank wapen

maakt deel uit van project SRAT

Vervanging TOW

maakt deel uit van het project MRAT

Vervanging mitrailleur .50

voorzien vanaf 2002

Vervanging mitrailleur MAG

voorzien vanaf 2002

Gevechtswaardeverbetering Leopard-2

fase 2 loopt, fase 1 nog niet uitgevoerd

Geïnstrumenteerd oefenterrein

voorzien vanaf 2002

Artillerie opsporingsradar

is opgesplitst in een project grondgebonden doelopsporingsmiddelen voor de korte en de lange afstand. Het project korte afstand loopt, het project lange afstand is voorzien in 2007

Vervanging M109 A2/A3

voorzien vanaf 2003 (project getrokken vuurmonden is vervallen)

Verbetering MLRS

voorzien vanaf 2002

Waarnemingsopbouw

project loopt

Verstrooibaar mijnsysteem

uitgesteld tot na 2005

Vervanging mijnsystemen

uitgesteld tot na 2002

Vervanging vouwbrug

uitgesteld tot 2005

Snelle oeverbrug

uitgesteld tot 2005

Mijndoorbraaksysteem

voorzien vanaf 2003

Verder kunnen de projecten «Vervanging bouwmachines», «Geneeskundig materieel» en diverse automatiserings-, logistieke en munitieprojecten worden beschouwd als doorlopende investeringsprojecten.

Koninklijke luchtmacht:

project Prioriteitennota opmerking

Midlife update F-16

gereed 2003

Modificatie motor F-16 (DEEC)

gereed 2001

Lucht-lucht bewapening

bestaat uit meerdere projecten. Lucht-lucht middellange afstand reeds ingevoerd. Invoering lucht-lucht korte afstand voorzien vanaf 2003

Lucht-grond bewapening

Invoering Maverick heeft plaatsgevonden, verdere invoering voorzien vanaf 2003

Lucht-zee bewapening

project vervallen

Luchtverkenningsapparatuur

invoering vanaf 2002

Modificatie/vervanging HAWK

modificatie uitgevoerd, vervanging voorzien vanaf 2005

Modificaties/projecten Patriot

software-modificaties worden momenteel uitgevoerd.

Invoering PAC 3 raketten

voorzien vanaf 2004

SHORAD systemen/CRC

project vervallen

De MLU gerelateerde projecten kunnen worden beschouwd als een doorlopend investeringsproject.


343.

Waarom ontbreekt op het investeringsoverzicht KM de investeringen t.b.v. de onderzeedienst? (blz. 194)

De investeringsoverzichten geven alleen de investerings-projecten weer die in de periode 2000 _ 2009 leiden tot uitgaven van meer dan f. 25 miljoen. Voor de Onderzeedienst zijn dergelijke investeringsprojecten in die periode niet voorzien. Het moderniseringsprogramma voor de Walrus-klasse begint omstreeks 2009.


344.

Uitgaande van mogelijke instroming van de NH_90 in de periode
1997_1999; waarom is dan maar 922 miljoen opgenomen voor de NH_90 terwijl het totale project 1.9 miljard bedraagt? (blz. 194)

De NH_90 helikopter wordt vanaf 2007 ingevoerd. De f. 922 miljoen die zijn opgenomen in het investeringsoverzicht omvat de geraamde uitgaven voor de periode 2000 tot en met 2009. Het totale projectbudget voor de NH_90 bedraagt f. 1.736,1 miljoen (prijspeil 1999) en strekt zich uit tot na het jaar 2009.


345.

Betreft infra de Peel de totale infrakosten voor collocatie luchtverdedigingsmiddelen KL/Klu of betreft het hier uitsluitend de gezamenlijke luchtverdedigingsschool? Zo ja, kan een nadere onderbouwing van het bedrag worden gegeven? Zo nee, hoeveel bedragen de totale kosten voor colocatie, school, verhuiskosten personeel enz? (blz. 195)

De infrastructuurkosten voor de luchtverdedigingsmiddelen op de Peel bedragen voor de Koninklijke landmacht en luchtmacht tezamen f. 110 miljoen. In dit bedrag zijn zowel de kosten voor het onderbrengen van de staf en de school, als voor de parate eenheden en de herstelcomponent begrepen. De kosten daarvan worden geraamd op respectievelijk f. 35, 57 en 18 miljoen. Er dienen faciliteiten te worden geschapen voor wonen, werken en recreëren. Waar mogelijk wordt in de behoefte voorzien door uitbreiding van bestaande faciliteiten. In de raming van deze kosten zijn die voor het verhuizen van het personeel en materieel niet opgenomen. De Koninklijke landmacht spaart hierbij overigens kosten voor extra investeringen voor luchtverdedigingseenheden in Ede uit ( ongeveer f. 20 miljoen) en de verkoop van delen van het complex Ede zal waarschijnlijk tussen de f.
20 en 30 miljoen opleveren.


346.

Hoeveel van de 4700 mannen en vrouwen van de niet_operationele deel van de staven van de «Haagse» ressorts houden zich feitelijk niet bezig met beleidsvoorbereidende en bestuursondersteunende taken? (blz.
198)

Tot de 4700 mannen en vrouwen in de «Haagse» ressorts behoort al het personeel dat in de begroting wordt toegerekend aan de ressorts kerndepartement, Admiraliteit, Landmachtstaf, hoofdkwartier Koninklijke luchtmacht en staf Dico, alsmede de directe staf van de Bevelhebber der Koninklijke marechaussee. Dat is aanzienlijk meer dan alleen de beleidsvoorbereidende en bestuursondersteunende staven bij het kerndepartement en de bevelhebbers. Om historische en organisatorische redenen is namelijk het personeel van de beleidsuitvoerende directies personeel, materieel en economie & financiën in de begroting van sommige «Haagse» ressorts opgenomen. Daarnaast is ook een aantal uitvoerende eenheden om begrotingstechnische redenen in die ressorts ondergebracht, zoals bijzondere organisatieeenheden en diensten voor arbo, milieu en nazorg. Zo maken bijvoorbeeld de ongeveer 310 mannen en vrouwen in revalidatie bij de Sociaal-medische dienst Koninklijke marine deel uit van het ressort Admiraliteit en zijn de 84 personeelsleden van de kapel van de Koninklijke luchtmacht opgenomen in de begroting van het ressort Hoofdkwartier Koninklijke luchtmacht. In de praktijk zijn in deze begrotingstechnische toerekening tussen de krijgsmachtdelen verschillen gegroeid. Het getal van 4.700 heeft dan ook slechts een relatieve waarde en kan niet als maat worden genomen voor de omvang van de ministeriële staf en de bestuursondersteunende staven bij de bevelhebbers, die soms - ten onrechte - als het waterhoofd van Defensie worden aan-geduid.

In het kader van de voortgaande verbetering van het functioneren van Defensie worden de beleidsvoorbereidende en bestuurondersteunende staven thans overeenkomstig hun kerntaken ingericht. Organisatiedelen die daar niet toe kunnen worden gerekend, zullen organisatorisch elders worden ingebed. Dit zal leiden tot een verdere stroomlijning van de organisatie, maar ook tot een duidelijkere afbakening van beleidsvoorbereidende en bestuurdondersteunende staven en ander personeel. Op basis van de huidige inzichten houden ongeveer 2600 van de 4700 zich niet bezig met beleidsvoorbereidende en bestuursondersteunende taken.


347.

Valt de internationale vergelijking van aantallen parate militaire per hoofdwapensysteem net zo uit als voor de Nederlandse gegevens gebruikt wordt gemaakt van de «Military Balance» in plaats van de Defensienota? (blz. 201)

In de vergelijking van aantallen parate militairen per hoofdwapensysteem is voor Nederland gebruik gemaakt van de Defensienota om een zo up-to-date mogelijke weergave te bereiken. In de «Military Balance« is immers geen rekening gehouden met de maatregelen van de Defensienota. De cijfers zijn iets ongunstiger dan wanneer ook voor Nederland de «Military Balance» zou zijn gebruikt; in dit geval is het aantal parate militairen per hoofdwapensysteem 37,6. De verklaring hiervan is gelegen in de afstoting van een relatief groot aantal hoofdwapensystemen in de Defensienota. Het betreft hier echter grotendeels materieel dat in het reserve-bestand was opgenomen en waaraan geen personele consequenties zijn verbonden.


348.

Is de regering bereid mogelijkheden te inventariseren om het onafhankelijk onderzoek naar de rol van de krijgsmacht in Nederland te stimuleren, waarbij ook de optie van de oprichting van een nieuw instituut wordt betrokken? (algemeen)

De regering stimuleert waar mogelijk met subsidies en anderszins het onafhankelijk onderzoek en de onafhankelijke advisering op het gebied van het veiligheidsbeleid en de rol van de krijgsmacht hierin. Zij hecht grote waarde aan een open discussie over deze vraagstukken met een brede participatie, zoals in de Strategische Toekomstdiscussie Defensie over de Hoofdlijnennotitie ter voorbereiding op de Defensienota. De regering geeft de voorkeur aan voortzetting van de ondersteuning van de genoemde activiteiten boven een nieuw, door de overheid op te richten instituut.


349.

Tot nu toe viel de meerwaarde van de samenwerkingsrelaties tussen Nederland en haar buurlanden tegen. Wat is de verwachte meerwaarde van deze samenwerkingsrelaties voor de toekomst? (algemeen)

Bilaterale samenwerkingsrelaties zijn in de eerste plaats van operationele waarde: ze dragen bij tot het vermogen van de krijgsmacht om in internationaal verband op te treden. Interoperabiliteit, niet alleen van het materieel maar ook in procedures, is een belangrijke voorwaarde voor internationale inpasbaarheid. Dit zijn cruciale begrippen voor een land dat zijn veiligheid alleen in politieke en militaire samenwerking met anderen kan verzekeren.

Nu de Europese landen ernst willen maken met de versterking van hun militaire capaciteiten, komt het belang van de doelmatigheidswinst door internationale samenwerking sterker naar voren. Een beter gebruik van schaarse middelen is een van de manieren om budgettaire ruimte te scheppen voor die versterking. De versterking van de Europese samenwerking op defensiegebied kan nieuwe mogelijkheden voor een grotere doelmatigheid bieden. Opleidingen en ondersteunende diensten zijn voorbeelden van terreinen waar bundeling van activiteiten en gebruik van elkaars voorzieningen mogelijk moet zijn. Ook in het «Defence Capabilities Initiative» zijn mogelijkheden voor samenwerking en grotere doelmatigheid aan de orde. Maar ook in de internationale samenwerking zal de kost vaak voor de baat uitgaan en zullen toekomstige besparingen eerst investeringen vereisen.


350.

Het uitstellen van investeringen zal op termijn resulteren in een boeggolfproblematiek. Is het gezien deze latente problematiek wenselijk om de investeringsquote naar boven aan te passen? (algemeen)

Zie het antwoord op vraag 335.


1) Samenstelling:

Leden

Van den Berg (SGP)

Zijlstra (PvdA)

Apostolou (PvdA)

Hillen (CDA)

Valk (PvdA), voorzitter

Hessing (VVD), ondervoorzitter

Van Ardenne-van der Hoeven (CDA)

Hoekema (D66)

Stellingwerf (RPF)

Essers (VVD)

Verhagen (CDA)

M.B. Vos (GL)

Van 't Riet (D66)

Van den Doel (VVD)

De Haan (CDA)

Koenders (PvdA)

Van der Knaap (CDA)

Harrewijn (GL)

Niederer (VVD)

Timmermans (PvdA)

Van Bommel (SP)

Oplaat (VVD)

Albayrak (PvdA)

Balemans (VVD)

Herrebrugh (PvdA)

Plv. leden

Dittrich (D66)

Swildens-Rozendaal (PvdA)

Arib (PvdA)

Leers (CDA)

Van Oven (PvdA)

Weisglas (VVD)

Eurlings (CDA)

Ter Veer (D66)

Van Middelkoop (GPV)

Passtoors (VVD)

Van der Hoeven (CDA)

Vendrik (GL)

Lambrechts (D66)

Blaauw (VVD)

Eisses-Timmerman (CDA)

Hindriks (PvdA)

Marijnissen (SP)

Ross-van Dorp (CDA)

Karimi (GL)

E. Meijer (VVD)

Dijksma (PvdA)

Van Baalen (VVD)

Van Gijzel (PvdA)

Wilders (VVD)

Apostolou (PvdA)

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie