Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Onderwijs moet meer rekening houden met internationalisering

Datum nieuwsfeit: 24-01-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
VVD

Tekst Hoger Onderwijs en Onderzoeksplan

Groep: Tweede-Kamerfractie Datum: 24 januari 2000

Woordvoerder Philippe Brood pleit ervoor het onderwijs meer rekening te laten houden met de internationalisering van de maatschappij.

Hoger Onderwijs en Onderzoeksplan

Het lezen van het hoger onderwijs en onderzoeksplan 2000 bracht mijn gedachten terug naar het eind van mijn studententijd en wel de wereldkampioenschappen debatteren voor studenten te Oxford. Het was aan het eind van het toernooi toen de vertegenwoordiger van Melbourne iedereen opriep om naar de volgende kampioenschappen in zijn thuisstad te komen en daar te debatteren over het thema The Global Village. Mijn studententijd liep ten einde, dus kon ik niet deelnemen.

Waarom vertel ik dit? Ten eerste om aan te geven dat studenten vaak voorlopen op instellingen en politiek en ten tweede om aan te geven dat de in het HOOP geschetste internationalisering van het onderwijs sterk met de ontwikkeling van the Global Village samenhangt en deze ontwikkeling al enige jaren gaande is.

Deze internationalisering komt tot uiting in een toenemend aanbod van onderwijs van instellingen uit verschillende landen in verschillende landen. Maar ook door een toenemende mobiliteit van het die onderwijs zoeken en deze interactie leidt tot fenomenen als universiteiten uit andere landen die hier scholieren scouten voor hun opleidingen. Deze internationalisering komt ook tot uiting in een toenemend gebruik van vreemde talen aan Nederlandse universiteiten enerzijds vanwege de toenemende internationale dimensie van vakgebieden en literatuur maar ook omdat de onderwijsgevenden niet altijd de Nederlandse taal machtig zijn.

Illustratief voor de opmars van vreemde talen was de uitspraak van de Tilburgse Hoogleraar Lubbers bij gelegenheid van het congres van de Veerstichting waarbij hij tegenover zijn gehoor van studenten aangaf zijn colleges doorgaands in het Engels te verzorgen. In het HOOP geeft de minister aan behoefte te houden aan de gedragscode voor het gebruik van vreemde talen gelet op het culturele belang van de Nederlandse taal en de effectiviteit van de kennisoverdracht.

Dat zijn op zichzelf legitieme redenen zou de minister desondanks willen overwegen om in het kader van de kennisuitwisseling en ontwikkeling te onderzoeken in welk opzicht het huidige kader een belemmering vormt. De opleiding is dan vaak nog in het Nederlands, op de meeste werkvloeren zijn vreemde talen een dagelijks verschijnsel. Zou de minister overigens kunnen aangeven in welke mate het gebruik van Latijn in het verleden het culturele belang van de Nederlandse taal heeft aangetast?

De gesignaleerde internationalisering, met een verhoogde mobiliteit van instellingen en studenten, is deel revolutionair deels reactionair. Is het enerzijds niet een oud verschijnsel dat studenten als vaganten langs instellingen trokken en zich organiseerden in nationes?

Anderzijds is de mobiliteit van instellingen en de wijze waarop zij actief studenten trekken nieuw.

De internationalisering van onderwijs aanbod en vraag leidt tot een grotere dynamiek en flexibiliteit in het onderwijs en de instellingen in de Village van onze Delta moeten zich instellen op participatie in The Global Village. Deze internationalisering is al enige tijd gaande en wij kunnen ons er niet aan ontrekken, misschien hebben we dat al te lang gedaan. Het wordt dan ook de hoogste tijd onze instellingen de ruimte te bieden om in die internationale ontwikkeling voluit te participeren. Maar laten we ons aan de andere kant ook niet te defensief opstellen in veel opzichten hebben de Nederlandse instellingen een goede reputatie en kunnen ze zich een plaats in alle lagen van de internationale ontwikkelingen verwerven.

Voor buitengewone prestaties wordt in ons land de Willemsorde uitgereikt.
Wie het voorrecht heeft gehad een drager van deze orde te ontmoeten weet dat deze wordt gesierd met de spreuk: voor moed, beleid en trouw.

Gelet op het belang dat de ontwikkeling van het hoger onderwijs voor onze samenleving heeft moeten we deze uitgangspunten ook voor het beleid ter zake het hoger onderwijs kunnen hanteren.

Moed.

De vrijheid die de minister de instellingen wil geven betekent dat van zekerheden uit het verleden afscheid wordt genomen. De minister kiest voor deregulering en de VVD steunt hem hierin. Zo wil de minister bijvoorbeeld komen tot uiteindelijke afschaffing van de ACO.

De instellingen krijgen een grotere verantwoordelijkheid voor de start van nieuwe opleidingen en dragen daar ook zelf een risico, nu de bekostiging van nieuwe opleidingen pas na twee jaar zal starten. Ook wil de minister de instellingen meer vrijheid geven om vanuit de arbeidsmarkt mensen in het onderwijs te laten instromen op basis van aldaar verworven competenties.

Wie afgelopen vrijdag de Volkskrant heeft gelezen heeft kennis kunnen nemen van een artikel van de Voorzitter van het College van Bestuur van de Leidse Universiteit, Vredevoogd, waarin hij gewag maakte van een tweetal gebieden waar nog om moed zal worden gevraagd om aan de flexibiliteit en de vrijheid van instellingen gestalte te geven.

Ten eerste noemde hij het domein van de collegegelden. De VVD erkent de logica die in de opvattingen van de Leidse Collegevoorzitter besloten liggen en wil daarom voor de wat langere termijn een onderzoek naar de invloed die een vrije vaststelling van collegegelden heeft op de toegankelijkheid van het onderwijs en de wijze waarop in het buitenland onder die omstandigheden de toegankelijkheid wordt gewaarborgd. Niet alleen de vrijheid om collegegelden vast te stellen zullen instellingen in staat te stellen om beter op de gevolgen van internationalisering in te spelen ook vrijheid om te bepalen met wie een instelling een onderwijsrelatie aangaat zal bepalend zijn voor de mogelijkheid van een instelling om haar rol in de nieuwe context te bepalen. Het tweede punt van de Leidse Collegevoorzitter wordt ook door de VVD erkent. De juiste persoon op de juiste plaats moet uitgangspunt zijn. Met de decentrale toelating is hiervoor al een eerste mogelijkheid geschapen.

Op deze laatste twee terreinen, collegegelden en de vrijheid om te bepalen met wie de instelling een onderwijsrelatie aangaat zal in de komende jaren ook moed moeten worden getoond.

Beleid

Naast moed zal ook beleid moeten worden getoond. Beleid toont de minister bijvoorbeeld in de wens om de ACO voor het hoger beroepsonderwijs niet pardoes te laten vallen, maar hiervoor een overgangstermijn van vier jaar te laten gelden.

In een sterk concurrerende onderwijsmarkt waar afstand tussen student en instelling een belangrijke factor in de instellingskeuze is lijkt deze overgang ook voor de hand liggend.

Met de opheffing van de ACO komt de verantwoordelijkheid voor het instellen van nieuwe opleidingen nadrukkelijker bij de instellingen te liggen.

Naast een grotere vrijheid van de instellingen past een systeem van kwaliteitszorg. Tegen dit licht ontwikkelt de minister een systeem van accreditering van opleidingen. In dit systeem krijgen opleidingen die voldoen aan kwalitatieve maatstaven voor de basiskwaliteit van opleidingen een wat de VVD betreft nadrukkelijk tijdelijk keurmerk. De VVD hecht eraan dat de accreditering en met name de voortzetting of hernieuwde beslissing tot accreditering procedureel zo wordt ingericht dat het niet opnieuw verlenen van het keurmerk een reële optie blijft.

De minister kiest voor het huidige visitatiestelsel als het uitgangspunt voor het systeem van kwaliteitszorg, dat lijkt de VVD op zichzelf juist.

De VVD kan zich echter voorstellen dat ook andere informatie een rol speelt bij het vaststellen van de kwaliteit van opleidingen. Zo zijn instellingen sinds juli 1999 op basis van de Algemene wet bestuursrecht verplicht een interne klachtenprocedure te hanteren en verplicht de schriftelijke klachten jaarlijks te publiceren. Dit systeem biedt niet alleen meer mogelijkheden om de kwaliteit te meten het geeft ook inzicht in de student gerichtheid van de instelling. De VVD kan zich niet aan de indruk onttrekken dat deze verplichtingen zowel bij instellingen als studenten een geringe bekendheid genieten wellicht kan de minister deze bekendheid bevorderen?

Naast deze methode om inzicht in de prestaties van instellingen te krijgen geeft de VVD de minister in overweging de pro en contra argumenten voor centrale toetsen, zoals deze in de VS gebruikelijk zijn, eens op een rij te zetten. Beleid wordt ook getoond bij de ontwikkeling van bekostigingssystemen waarbij een grotere flexibiliteit en een directere relatie tussen bekostiging en prestatie wordt gelegd.

Na de lange discussie steunt de VVD de minister in het streven naar een experiment met een vouchersysteem.

Trouw

Het door de minister zal in veel gevallen nog in concrete voorstellen moeten worden uitgewerkt en daarbij zal hij trouw moeten blijven aan de uitgangspunten van het beleid zoals in dit HOOP vastgelegd. De VVD hecht hierbij ook aan trouw aan de binaire kenmerken van ons stelsel dat wil zeggen dat de VVD streeft naar excellente beroepsopleidingen en excellente wetenschappelijke opleidingen. Dit betekent, wat de VVD betreft, dat het de instellingen voor wetenschappelijk onderwijs zijn die een opleiding met een wetenschappelijk karakter mogen inschrijven en zo geldt voor de beroepsopleidingen dat deze alleen door instellingen voor beroepsonderwijs mogen worden ingeschreven. Hiervoor dienen meer materiele eisen aan de opleidingen te worden gesteld. Trouw aan de binaire kenmerken van het stelsel brengt ook met zich mee dat de bestuurlijke fusie alleen onder bewaking van de scheiding tussen wetenschappelijk en beroepsonderwijs mogelijk mag zijn.

Trouw aan de uitgangspunten betekent ook trouw aan de gedachte dat de student een centrale positie inneemt.
Tegen dit licht wil de VVD dat de keuzegids een goed aanknopingspunt kan bieden voor een keus tussen de instellingen. De VVD hecht aan het tot stand komen van een gezaghebbende en keuzegids, daarbij zal op methodologische kwaliteit grote nadruk moeten liggen. Wat maakt wie waarom het best.
Als onderwijsgevende in het hoger onderwijs is mij opgevallen hoe persoonlijke omstandigheden van de student zijn kansen op succes bepalen. De instelling van de instelling speelt hierbij een grote rol.

Tegen deze achtergrond acht de VVD het wenselijk dat in de keuzegids wordt aangegeven welke voorzieningen men voor studenten met een handicap treft en in welke mate de instelling op hun ontvangst is ingericht.

Of de minister voor het beleid zal worden gesierd met een Willemsorde, is onwaarschijnlijk omdat deze slechts voor militaire prestaties wordt gegeven.
Of zijn beleid aan de materiele kwaliteiten voldoet die we hiervoor geschetst hebben zal uit de vele uitwerkingsvoorstellen moeten blijken. De VVD heeft er echter alle vertrouwen in dat onder leiding van deze minister deze vernieuwende ontwikkelingen ten gunste van onderwijs en onderzoek voor onze samenleving aan de kwalitatieve eisen die wij stellen zal voldoen.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie