Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Bijdrage Kamer voor Verslag Levensbe‰indiging

Datum nieuwsfeit: 26-01-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
VVD

Euthanasie

Groep: Tweede-Kamerfractie Datum: 26 januari 2000

Schriftelijke bijdrage om te worden opgenomen in het verslag over het wetsvoorstel Toetsing van levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding en tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en van de Wet op de Lijkbezorging (Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding 26691)

Schriftelijke bijdrage om te worden opgenomen in het verslag over het wetsvoorstel Toetsing van levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding en tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en van de Wet op de Lijkbezorging (Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding 26691)

Inleiding
De leden van de VVD fractie hebben met instemming en waardering kennis genomen van het voorliggende wetsvoorstel. Zij zijn van mening dat dit wetsvoorstel in grote lijnen respect afdwingt. Het vormt een goede en in internationaal verband een unieke aanzet voor regelgeving voor een moeilijk en emotioneel beladen kwestie als euthanasie en hulp bij zelfdoding. Deze leden zijn ervan overtuigd dat wetgeving op dit terrein kan rekenen op een breed draagvlak in de Nederlandse samenleving. Vanuit deze positieve invalshoek zullen zij het wetsvoorstel van commentaar voorzien. Daarbij zullen zij zich laten leiden door de volgende uitgangspunten: beschermwaardigheid van het menselijk leven; het zelfbeschikkingsrecht van het individu; de gewetensvrijheid van betrokken artsen en verpleegkundigen; de waarborgen voor zorgvuldigheid; de kwaliteit en transparantie van de besluitvorming en de hulpverlening.

Definitie
De leden van de VVD fractie hebben de indruk dat er in de maatschappij een brede consensus bestaat dat het niet instellen of staken van een behandeling op verzoek van een patiënt, het toedienen van levensverkortende pijnbestrijding in de stervensfase en het na onderling overleg afzien van medische zinloos handelen, niet onder euthanasie moet worden gerekend. Het is echter de vraag of deze maatschappelijke consensus voor de arts en de patiënt voldoende onderscheidende rechtszekerheid biedt. Past een arts euthanasie toe hij in het kader van de pijnbestrijding 5 milligram in plaats van 3 milligram morfine toedient? Hoe moet geoordeeld worden indien de arts de beademingsapparatuur stopt, terwijl de zinvolheid van de toepassing daarvan van het begin af aan dubieus was. Het stoppen van medisch zinloos handelen zal vaak ook een actieve ingreep inhouden. Aldus is het niet onaannemelijk dat er sprake is van een grijs gebied, waarop de rechtszekerheid voor patiënt en arts nog onvoldoende is. In dit kader wijzen de leden van de VVD fractie ook op de inbreng van de beroepsorganisatie voor de Verpleegkunde Nu 91, die tijdens de hoorzitting in de Tweede Kamer de vraag heeft opgeworpen wat euthanasie is c.q. welke handelingen daaronder vallen. Deze leden zien daarom de noodzaak stil te staan bij de definitie van euthanasie. De commissie aanvaardbaarheid levensbeëindigend handelen (CAL) van de KNMG heeft het begrip euthanasie gedefinieerd als alle handelingen van artsen die het overlijden van de patiënt beogen, ongeacht of deze het toedienen van euthanatica, pijnbestrijding, het niet aanvangen of staken van een behandeling dan wel enige tussenvorm daarvan betreffen. Maas c.s. spreken van medische beslissingen rond het levenseinde die tot doel hebben het levenseinde van de patiënt te bespoedigen of waarbij de arts rekening houdt met de waarschijnlijkheid dat daardoor het levenseinde wordt bespoedigd. De leden van de VVD fractie neigen naar eerst genoemde definitie. Hoe oordeelt de regering dienaangaande?

Rechtvaardigingsgrond
Het wetsvoorstel beoogt te verzekeren dat de arts, die de voorgeschreven procedure heeft gevolgd en gemotiveerd de eisen van zorgvuldigheid in acht heeft genomen, zich op een bijzondere strafuitsluitingsgrond kan beroepen. De leden van de VVD fractie hechten eraan dat in de wet of in de memorie van toelichting wordt erkend dat het om een rechtvaardigingsgrond gaat in plaats van een schulduitsluitingsgrond. Zij verzoeken de regering daarop te reageren. Bovendien hechten zij aan meer duidelijkheid voor de positie van de verpleegkundigen en/of arts-assistenten. Het is aannemelijk dat zij een belangrijke rol vervullen in het proces van euthanasie. Zo zullen ook de verpleegkundigen geconfronteerd worden met de duurzaamheid van de doodswens van de patiënt, de al of niet vrijwilligheid van de besluitvorming en het ervaren van het lijden. Bovendien zijn verpleegkundigen en assistenten gerechtigd injecties te geven en een infuus in te brengen. Hoe is hun positie ten aanzien van de arts die de eindverantwoordelijkheid voor de euthanasie draagt? Indien de arts bijvoorbeeld het verwijt treft onvoldoende zorgvuldig te hebben gehandeld, in hoeverre raakt dit dan ook, strafrechtelijke of tuchtrechtelijke, de verpleegkundigen en assistenten persoonlijk?

Zorgvuldigheidseisen, artikel 2
Met betrekking tot de zorgvuldigheidseisen meldt de regering in de memorie van toelichting dat deze in het algemeen zijn af te leiden uit de bestendige jurisprudentie ter zake van levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding. Het valt daarom op dat deskundigen vanuit de praktijk, zoals de NVVE, van opvatting zijn dat de regering heeft gekozen voor een aangescherpt voorstel. Deelt de regering deze opvatting en zo ja waarom heeft zij gekozen voor aanscherping van de eisen. De leden van VVD fractie zijn van oordeel dat de aard van de eisen behoorlijk van elkaar verschilt. Zo is de eis dat de arts de overtuiging heeft gekregen omtrent de uitzichtloosheid en ondraaglijkheid van het lijden van een geheel andere orde dan de eis dat de levensbeëindiging medisch zorgvuldig moet zijn uitgevoerd. Laatstgenoemde eis is met name van medisch professionele c.q. tuchtrechtelijke aard. Heeft de regering zich dit onderscheid gerealiseerd? In hoeverre leidt dat tot een rangorde in de eisen waaraan in ieder geval moet worden voldaan? De leden van de VVD fractie zijn van mening dat de zorgvuldigheidseisen in beginsel van dezelfde orde dienen te zijn.

Overtuiging arts en patiënt
Het valt op dat ingevolge artikel 1 onder a en b de arts als individu de overtuiging moet hebben gekregen, terwijl artikel 1, onder d de arts met de patiënt tot de overtuiging moet zijn gekomen dat er geen redelijke andere oplossing is. De leden van de VVD fractie hebben de voorkeur voor het uitgangspunt dat de arts samen met de patiënt over bepaalde onderwerpen tot overtuiging komt. Indien louter de overtuiging van de arts als eis wordt opgevoerd, wekt dat de indruk dat de patiënt overtuigend bewijs aan de arts dient te presenteren, terwijl het ingeval van levensbeëindiging toch om samenspraak tussen arts en patiënt dient te gaan. Ziet de regering kans om artikel 1, onder a en b alsnog in de trant van artikel 1, onder d te wijzigingen? Wat is de betekenis van heersend medisch inzicht voor de overtuiging van de arts? Waarom bevat de memorie van toelichting geen verwijzing dienaangaande?

Vrijwillig, weloverwogen en duurzaam
In artikel 2, lid 1 onder a is er sprake van een vrijwillig, weloverwogen en duurzaam verzoek. De leden van de VVD fractie hechten veel aan de in volle vrijheid, zonder druk van buiten, tot stand gekomen wilsuiting. Het vereiste van weloverwogenheid vormt een zinvolle toevoeging, omdat daarin de afweging van argumenten nader tot uitdrukking wordt gebracht. Bij het vereiste van duurzaamheid plaatsen deze leden een groot vraagteken! Het komt hen voor dat de duurzaamheid van het doodsverlangen opgesloten ligt in de weloverwogenheid van de wijze waarop daartoe is besloten. Bovendien is niet onaannemelijk dat deze eis tot praktische problemen zal leiden. Hoe vaak en met welke tussenpozen moet het verzoek herhaald worden om als duurzaam te kunnen worden aangemerkt? Moet het verzoek ten overstaan van de consulent worden herhaald? De situatie kan zich voordoen dat een patiënt vrijwillig en weloverwogen zijn arts om euthanasie heeft gevraagd, doch vervolgens in een coma raakt zonder de gelegenheid te hebben gehad om het verzoek te herhalen. In hoeverre ontbeert in dat geval de duurzaamheid?

Bijzondere categorieën
Op bladzijde 3 laatste alinea van de memorie van toelichting wordt opgemerkt dat er een meldingsprocedure komt voor levensbeëindiging bij enkele categorieën bijzondere patiënten. Die zou onder meer betrekking hebben op patiënten waar vermogen tot het uiten van een vrijwillig en weloverwogen verzoek gestoord kan zijn geweest als gevolg van een psychische stoornis in het verleden van de patiënt. Dat wekt de indruk dat de regering uitgaat van het uitgangspunt eens gestoord, altijd gestoord. Dat kan toch niet het geval zijn? Hoe moet de psychische stoornis begrepen worden in relatie tot een psychiatrische stoornis zoals bijvoorbeeld in de zaak Chabot aan de orde was? In dat geval werd de patiënt wel wilsbekwaam geacht. Wat verstaat de regering onder een zich ontwikkelende dementie? Wordt aan dergelijke patiënten geen onrecht aangedaan door aan te nemen dat zij iedere geloofwaardigheid tot het uiten van een weloverwogen wil verliezen? Is het niet zo dat juist bij een beginnend dementieproces de patiënten ook nog heel heldere momenten kennen? Welke waarde mag een arts toekennen aan een euthanasieverklaring, indien de patiënt die behept is met een psychische stoornis of zich in een beginnend dementieproces bevindt, zich daarop beroept? In dit verband wijze de leden van de VVD fractie eveneens op het standpunt van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering van de Geneeskunst (KNMG), die in haar reactie van 18 december 1999 heeft aangegeven de formulering patiënten wiens vermogen tot het uiten van een weloverwogen verzoek gestoord kan zijn onhelder te vinden, omdat bij iedere patiënt eist dergelijks aan de hand kan zijn. Zij kiest voor het uitgangspunt dat patiënten in beginsel in staat zijn tot een weloverwogen verzoek tot het tegendeel is gebleken. Melding zonder uitdrukkelijk verzoek zou volgens de KNMG pas voor de hand liggen, wanneer een ter zake deskundige consulent heeft vastgesteld dat een depressie of dementie van invloed kan zijn op de oordeelvorming van de patiënt. Hoe staat de regering daar tegenover?

Wilsonbekwaam
In zijn advies van 10 februari 1999 vroeg de Raad van State zich af waarom de meldingsprocedure voor bijzondere categorieën, gelet op het nauwe verband dat bestaat met euthanasie, buiten het wetsvoorstel is gelaten. De regering heeft daarop geantwoord dat de levensbeëindiging bij zogeheten wilsonbekwame patiënten een wezenlijk andere materie betreft dan levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding. De leden van de VVD fractie trekken het gesuggereerde scherpe onderscheid sterk in twijfel! Zij wijzen onder meer op het hiervoor beschreven grijze gebied waarin de arts kennelijk redenen kan hebben om te twijfelen over de al of niet wilsbekwaamheid van de patiënt. Zij trekken sterk in twijfel of het verstandig is om voor levensbeëindiging bij wilsonbekwame patiënten gebruik te maken van een regelgeving van lagere orde zoals een AMvB. Het komt de leden van de VVD voor dat deze vorm van levensbeëindiging tot de moeilijkste categorieën moet worden gerekend. Juist daarvoor is rechtszekerheid voor patiënt en arts van het allergrootste belang. Of is de regering van oordeel dat levensbeëindiging bij wilsonbekwame patiënten vrijwel volledig moet worden uitgesloten, op grond waarvan een voorziening in de wet derhalve niet nodig zou zijn? Wat is het oordeel van de regering over de thans voor deze categorie te hanteren criteria? De leden van de VVD fractie zijn op voorhand van oordeel dat uiterste terughoudendheid past met betrekking tot levensbeëindiging van wilsonbekwame patiënten. Dat betekent niet dat zij de mogelijkheden daartoe wettelijk wensen uit te sluiten: een formeel wettelijke regeling blijft voor de rechtszekerheid en het zich veilig voelen van patiënt en arts van belang! Bovendien is wilsonbekwaamheid geen gefixeerd begrip. Het kan zich voordoen dat een patiënt spierverslappers krijgt toegediend die eveneens zijn cerebrale capaciteiten tijdelijk aantasten, zonder dat er sprake is van enige psychische stoornis. Ook valt te denken aan een ziek mens met een pneumonie die door partieel zuurstof slechts ten dele tot oordelen in staat zal zijn. Wat mag van de arts verwacht worden als desondanks door de patiënt mondeling om euthanasie wordt gevraagd of beroep wordt gedaan op een daartoe strekkende verklaring? Is ten deze niet extra omzichtigheid geboden?

Uitzichtloos en ondraaglijk
Artikel 2, lid 1 onder b stelt dat de arts de overtuiging moet hebben gekregen dat er sprake is van uitzichtloos en ondraaglijk lijden. De leden van de VVD fractie verzoeken de regering uiteen te zetten waarom is afgeweken van het criterium uitzichtloze noodsituatie zoals in het initiatief wetsvoorstel wordt gebezigd. Tevens hebben zij de indruk dat de samenvoeging van de criteria uitzichtloos en ondraaglijk als een verzwaring van de eisen kan worden opgevat. Is dat de intentie van de regering geweest en zo ja waarom heeft zij de jurisprudentiële criteria onvoldoende geacht? Door de NVVE wordt voorgesteld de criteria alternatief te hanteren dat wil zeggen uitzichtloos óf ondraaglijk. Hoe luidt daarop de reactie van de regering? De leden van de VVD fractie hechten eraan nogmaals te benadrukken dat patiënt en arts gezamenlijk tot de overtuiging moeten komen dat voldaan wordt aan de voor euthanasie geldende criteria. Het is voor de leden van de VVD fractie onvoldoende duidelijk of en zo ja in hoeverre toekomstig lijden onder de criteria uitzichtloos en ondraaglijk lijden kan worden gerekend. Op bladzijde 10 van de memorie van toelichting wordt ook steeds verder gaande ontluistering van de persoon en het vooruitzicht niet meer op waardige wijze te kunnen sterven onder uitzichtloos en ondraaglijk lijden gerekend. Deze leden staan daar niet afwijzend tegenover, maar kunnen het moeilijk met de voorgestelde criteria rijmen. De ondraaglijkheid van het vooruitzicht op ontluistering zal toch heel persoonlijk worden gewogen. Het is onzeker of op het moment van het lijden in voorkomende gevallen tevens aan objectieve criterium van uitzichtloosheid wordt voldaan. Deze leden verwachten dat deze invalshoek mede zal worden ingeroepen door (hoog) bejaarden die klaar zijn met hun leven en weloverwogen aangeven dat het perspectief verder te moeten leven met hun lichamelijke en/of geestelijke ongemak ondraaglijk te vinden. Hoe staat de regering daar tegenover?

Voorlichting
Artikel 2, lid 1 onder c vereist dat de arts de patiënt voldoende heeft voorgelicht over de situatie waarin deze zich bevond en over diens vooruitzichten. De leden van de VVD fractie zijn van mening dat dit vereiste met name op het vlak van de medische zorgvuldigheid c.q. professionaliteit ligt en daarmee in eerste instantie ter toetsing aan de tuchtrechter is voorbehouden. Deelt de regering deze constatering? Op grond van het huidige voorstel loopt de arts in strafrechtelijke zin een risico indien hem onvoldoende voorlichting wordt verweten. Ter voorkoming van dit risico wordt de arts genoopt de voorlichting te formaliseren. Hij moet immers bewijs kunnen bieden dat hij zijn verplichtingen is nagekomen. Hoe wordt van de arts verwacht daarvan overtuigend bewijs te leveren? Dient de arts een proces verbaal op te maken van zijn voorlichtende gesprek? Wordt van de patiënt verwacht dat hij/zij een dergelijk proces verbaal voor akkoord ondertekend? Is dat niet te belastend voor de patiënt, die immers in zeer onplezierige omstandigheden verkeert?

Alternatieven
Ingevolge artikel 2, lid 1 onder d dient de arts met de patiënt tot de overtuiging te zijn gekomen dat er geen andere redelijke oplossing was. De achtergrond c.q. de toegevoegde waarde van dit vereiste is voor de leden van de VVD fractie onvoldoende duidelijk. Indien immers de uitzichtloosheid van het lijden is vastgesteld, is het dubbelop om opnieuw te onderzoeken in hoeverre er een andere redelijke oplossing voorhanden is. Wat is daarop de reactie van de regering? Heeft de regering met dit vereiste gedoeld op de medisch professionele noodzaak om te werken langs de lijnen van proportionaliteit en subsidiariteit? De leden van de VVD fractie zijn van mening dat de patiënt samen met de arts tot de overtuiging moet komen, dat voor hem geen redelijke andere oplossing resteert. Vanuit de praktijk is de leden van de VVD fractie het voorbeeld aangedragen van een patiënt die aan kanker lijdt en door zijn arts gewezen wordt op de noodzaak van een hernieuwde bestralingsmethode met onzeker vooruitzicht. Deelt de regering deze visie? Indien de patiënt voornoemde redelijke oplossing weigert, in hoeverre staat dan voor hem de weg naar euthanasie open? De leden van de VVD fractie staan in een dergelijk geval daar niet op voorhand afwijzend tegenover. Zij kunnen zich voorstellen dat een arts, de patiënt en zijn persoonlijke omstandigheden in acht genomen, in redelijkheid tot medewerking van euthanasie besluit.

Palliatieve zorg
In de memorie van toelichting wordt vermeld dat euthanasie alleen verantwoord kan plaatsvinden in de context van goede palliatieve zorg. De leden van de VVD delen dat standpunt. Zij kunnen zich evenwel moeilijk een beeld vormen van de praktische uitvoering van de eis dat alle ter beschikking staande mogelijkheden in het kader van palliatieve zorg door de arts moeten worden onderzocht en aangeboden. Deze eis is zeer absoluut geformuleerd. Wat wordt daaronder door de regering verstaan? Gaat het om de regio van het ziekenhuis, verpleeghuis of artsenpraktijk beschikbare palliatieve zorg? Dient de arts eveneens landelijk de mogelijke opname in een hospice te onderzoeken? De leden van de VVD fractie willen vernemen welke verwachtingen de regering van palliatieve zorg heeft. Het is begrijpelijk dat mensen die veel en langdurig lijden zullen gaan twijfelen aan de zin van hun bestaan. Het ontbreken van perspectief zal bij menigeen het verlangen naar het einde versterken. Deze leden verwachten dat palliatieve zorg ertoe kan bijdragen dat bij een aantal patiënten het perspectief wordt geboden op bestrijding van pijn. Ook in dit verband zal belangrijk blijven in hoeverre de patiënt als individu zich daarvoor openstelt. Deze leden hebben huiver voor de veronderstelling dat palliatieve zorg hoe dan ook moet worden aangeboden en afgenomen voordat tot euthanasie kan worden besloten. Wat vindt de regering daarvan? Tijdens de hoorzitting in de Tweede Kamer is van vele zijden betoogd om het palliatieve concept te versterken in de gezondheidsvoorziening, alsmede de opleiding van artsen en verpleegkundigen op dit terrein te verbeteren. Hoe staat het volgens de regering met de beschikbaarheid van palliatieve zorg in Nederland? Waar is sprake van tekortkomingen in ziekenhuizen, verpleeghuizen of huisartsenpraktijken? Wat wordt ondernomen om deze zorg op peil te houden of te brengen? Is palliatieve zorg voldoende aan de orde in de basiseducatie van artsen en verpleegkundigen? De leden van VVD fractie hebben vanuit de medische praktijk vernomen dat de grens tussen palliatieve zorg c.q. pijnbestrijding en euthanasie soms moeilijk te trekken valt. Er kunnen zich zoals gezegd situaties voordoen, waarin toediening van 3 milligram morfine de pijn enigszins bestrijdt, doch 5 milligram morfine effectiever is maar tevens het einde inzet c.q. bespoedigd. Is volgens de regering in dat laatste geval reeds sprake van euthanasie? Welke positie neemt de regering in de discussie over de vraag of het oprekken van de grenzen van de curatieve zorg de noodzaak tot toepassing van palliatieve zorg vergroot? Denkbaar is dat de patiënt kiest voor tijdelijke palliatieve zorg om vervolgens toch tot euthanasie te besluiten. Acht de regering deze optie ook mogelijk ook in het geval de patiënt in een hospice is opgenomen, waar men moeite heeft met euthanasie? In algemene zin zijn de leden van de VVD fractie van oordeel dat palliatieve zorg en euthanasie elkaar niet uitsluiten maar aanvullen! Hoe dient een patiënt te handelen indien hem in het ziekenhuis tegen zijn zin palliatieve zorg wordt aangeboden, terwijl de primaire wens was gericht op euthanasie?

Consultatie
De leden van de VVD fractie stemmen in met het uitgangspunt dat in beginsel tenminste één andere arts als consulent de patiënt heeft gezien en zich een oordeel heeft gevormd over de zorgvuldigheidscriteria. Zij verzoeken de regering nader uiteen te zetten waarom is gekozen voor de persoonlijke visitatie, terwijl de consulent thans ook op basis van het medisch dossier een oordeel kan vormen. Deze leden zien evenwel ook uitzonderingen op voornoemd beginsel. Indien er met name sprake is van somatisch lijden en met betrekking tot patiënt een uitgebreid medisch dossier voorhanden is, zal het persoonlijk bezoek lang niet altijd nodig zijn. Het kan zelfs onnodig belastend zijn voor de patiënt. Deze leden stellen zich een geval voor waarin de arts na uitgebreid overleg met de patiënt tot de overtuiging van euthanasie is gekomen en kort daarna met een collega bij het bed van de patiënt langskomt met de mededeling dat deze arts moet controleren of u echt dood mag! In hoeverre ziet de regering uitzonderingen op voornoemd uitgangspunt van visitatie? Bovendien kan de vraag worden gesteld of de consulent zich een oordeel moet vormen over alle zorgvuldigheidseisen, dan wel met bepaalde prioriteiten kan volstaan. De NVVE heeft aangevoerd dat voor het psychisch lijden de voorgestelde consultatie eis niet voldoende is gespecificeerd, terwijl juist in dat geval de diagnose moeilijk zal zijn vast te stellen. Volgens het Chabot arrest (Hoge Raad 21 juni 1994, NJ 1994/656) moet de consulent dan een psychiater zijn, die moet beoordelen of en in hoeverre de doodswens door ziekte is beïnvloed. Het moet niet uitgesloten worden dat ten gevolge van deze onduidelijkheid bij een patiënt met psychische problemen grote geheimzinnigheid en/of terughoudendheid zal ontstaan. Het risico bestaat dat de door het Chabot arrest geschapen ruimte ten onrechte wordt geblokkeerd. Dat is niet de doelstelling van de leden van de VVD fractie. Ook op dit terrein dient de rechtszekerheid te worden gediend. Deze leden verzoeken de regering daartoe een toelichting te geven.

Psychische aandoeningen
Met betrekking tot euthanasie ten aanzien van patiënten met een psychische aandoening plaatsen de leden van de VVD fractie de volgende opmerkingen. Op grond van de zaak Chabot is het duidelijk dat somatisch lijden, een dodelijke ziekte noch de stervensfase, voorwaarden zijn voor gerechtvaardigde hulp bij zelfdoding. Het is ook duidelijk dat psychische patiënten in beginsel een vrijwillig, weloverwogen verzoek om hulp bij zelfdoding kunnen doen. De wilsbekwaamheid van betrokkenen geldt als uitgangspunt. Het criterium voor de uitzichtloosheid van de situatie is het ontbreken van een reëel behandelingsperspectief. Er is geen noodtoestand indien de patiënt een degelijk alternatief weigert. In geval van niet somatisch lijden is het rapport van een onafhankelijke arts, die de patiënt onderzoekt een noodzakelijke voorwaarde voor de conclusie dat er sprake is van een noodtoestand. Deze leden begrijpen dat het de doelstelling van de regering is om met name het huidige rechtersrecht ook op dit terrein te codificeren. In dat kader vragen zij of voornoemde uitgangspunten als juist kunnen worden bevestigd. Tevens willen zij van de regering vernemen hoe de versterkte consultatie in geval van psychiatrische patiënten gestalte krijgt. In het huidige wetsvoorstel vinden zij daarvoor onvoldoende aanwijzingen. Daarnaast signaleren zij dat in de zaak Chabot de criteria voor hulp bij zelfdoding zijn bepaald. Zij verzoeken de regering uiteen te zetten of deze criteria naadloos ook op euthanasie bij psychiatrische patiënten kan worden toegepast. Het wetsvoorstel noch de memorie van toelichting is daarover voldoende duidelijk. Deze leden achten dat onnodig in strijd met de voor patiënten en artsen belangrijke rechtszekerheid.

Euthanasieverklaring
De leden van de VVD fractie hechten zeer aan een wettelijke status voor de euthanasieverklaring (artikel 2, lid 2). Zij vragen zich wel af of de huidige wijze waarop de euthanasieverklaring in de wet wordt omlijnd, zowel voor patiënt als voor de arts de beoogde helderheid biedt. Opvallend is dat zowel van de zijde van de KNMG als van de NVVE kritiek wordt uitgeoefend op het thans voorgestelde artikel. De KNMG is van oordeel dat van de zinsnede tenzij hij gegronde redenen heeft het verzoek niet in te willigen teveel de suggestie uitgaat dat de arts uitsluitend de gevraagd hulp zal kunnen weigeren wanneer hij kan aantonen dat hij daartoe hele goede redenen heeft. De NVVE klaagt over het feit dat de gegronde redenen voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Daardoor zou de arts te snel aan de verklaring geen uitvoering kunnen geven. Om uit deze impasse te komen verzoeken deze leden de regering in eerste instantie uiteen te zetten welke redenen voor weigering van euthanasie zij op het oog heeft. De leden van de VVD fractie neigen ertoe ten deze het zwaartepunt bij de patiënt te plaatsen. Om ook de arts tegemoet te komen zou kunnen worden bedongen dat de arts geen betekenis aan de euthanasieverklaring hoeft toe te kennen, indien hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat de verklaring niet vrijwillig en weloverwogen tot stand is gekomen. De leden van de VVD fractie signaleren dat ook de datering van de euthanasieverklaring van invloed zal zijn op de hantering daarvan. Zij willen niet de geldigheid aan een vaste termijn verbinden. Wel moet voor de patiënten duidelijk worden dat een arts met een euthanasieverklaring van 10 jaar oud moeilijker zal werken dan met een verklaring van 6 maanden oud. Op basis van de oude verklaring is immers zonder nadere toelichting moeilijker vast te stellen wat de patiënt beoogt. Deze leden verwachten dat in de nabije toekomst de euthanasieverklaring nader conditioneel zal worden gedetailleerd, in de zin dat aangegeven wordt wanneer bijvoorbeeld de kunstmatige beademing kan worden afgesloten. Zij zien deze ontwikkeling als een logisch gevolg van de wettelijke status van de euthanasieverklaring, waarop ook de artsen moeten inspelen. Volgens deze leden valt een heldere verklaring te prefereren in zelfgekozen bewoordingen: omdat de situatie om die en die reden voor mij niet langer aanvaardbaar is, vraag ik euthanasie. Hoe staat de regering tegenover deze ontwikkeling? De leden van de VVD fractie vragen in aanvulling aandacht voor enige bijzondere aspecten van de conditionele wilsverklaring. Enerzijds verwachten zij dat de patiënt daaraan het vertrouwen en de rust kan ontlenen dat als de nood aan de man komt, hij niet in de steek zal worden gelaten. Anderzijds zal er bijna altijd ruimte voor discussie zijn of de beschreven condities in voldoende mate zijn vervuld. Bovendien is het nog maar de vraag of de patiënt als de omstandigheden zich voordoen op dit moment van mening is dat hij ondraaglijk lijdt. Niet ondenkbaar is dat de wil van de patiënt zich aanpast aan zijn ervaring. Deze leden zijn daarom van mening dat in beginsel een mondelinge bevestiging van de wens tot euthanasie nodig is voordat de arts overtuigd wordt van de uitzichtloosheid en ondraaglijkheid van het lijden van de patiënt en zich bereid toont aan het euthanasieverzoek mee te werken. Hoe oordeelt de regering daarover?

Dementie
Het kan gebeuren dat een patiënt middels een euthanasieverklaring om euthanasie heeft gevraagd, maar op het moment wanneer de euthanasie zal worden uitgevoerd wel vaststelbaar ondraaglijk en uitzichtloos lijdt, maar niet meer in staat is zijn verzoek te bevestigen. De leden van de VVD fractie zijn van mening dat het ook in zon geval redelijk is om te spreken van levensbeëindiging op verzoek. Deelt de regering die opvatting? Met betrekking tot de euthanasieverklaring waarin beschreven wordt dat de patiënt op grond van dementie, coma of PVS (een duurzaam vegetatieve toestand) om euthanasie vraagt, zien deze leden enige problemen. Hoe kan immers bepaald worden of de doodswens vrijwillig, weloverwogen en duurzaam is? Hoe kan worden vastgesteld of de patiënt ondraaglijk lijdt, welke rol kan de consulent inhoudelijk vervullen? Is een dergelijke verklaring niet met name ingegeven door vrees voor persoonlijkheidsverlies? In dit verband is de waarschuwing van verpleeghuisartsen relevant, inhoudende dat de aard van het proces van dementie zodanig is, dat wanneer een vraag naar euthanasie aan de orde is, nooit kan worden nagegaan of er sprake is van uitzichtloos en ondraaglijk lijden. De communicatie is immers onmogelijk. De leden van de VVD fractie kunnen zich voorstellen dat desondanks in dergelijke gevallen euthanasie toch mogelijk blijft, omdat immers de euthanasieverklaring, die opgesteld is toen de patiënt nog compos mentis was, de bepalende richtsnoer blijft, waarbij het vooruitzicht van dementie kan worden aangemeld als ondraaglijk perspectief. Of acht de regering het in dat geval nodig dat een aanvullend protocol tussen arts en patiënt, dan wel een machtiging aan een derde geboden is? In dat laatste geval zou artikel 2, lid 2 daaromtrent kunnen worden aangepast.

Minderjarigen
De leden van de VVD plaatsen kritische kanttekeningen bij de bepalingen omtrent 12- tot 16 jarigen, zoals omschreven in artikel 2, lid 4. Zij hechten zeer aan de signalen die op dit punt uit de praktijk komen. Door de KNMG is mede namens de Nederlandse Verenging voor Kindergeneeskunde (NVK) voorgesteld deze bepaling te laten vervallen. Belangrijk is dat volgens de NVK de situatie waarin een minderjarige euthanasie of hulp bij zelfdoding wenst, maar de ouders daar niet mee instemmen, niet of exceptioneel zelden voorkomt. Dat hangt volgens de NVK mede samen met de intensieve begeleiding van ouders en kinderen zoals dat bij dit soort situaties gebruikelijk is. Deze leden vragen zich sterk af of de harmonisatie met de Wet op de Geneeskundige behandelingsovereenkomst (Wgbo) een volgens de praktijk overbodige wettelijke bepaling rechtvaardigt. Bovendien sluiten zij niet uit dat de wet reeds noodvoorzieningen biedt wanneer dat onverhoopt nodig is, zoals bijvoorbeeld de benoeming van een bijzondere curator. Zij verzoeken de regering daarom nogmaals ampel uiteen te zetten welke argumenten zij aan de bepaling ten grondslag legt. Daarbij zij nogmaals aangetekend dat de leden van de VVD fractie ter zake een kritische houding innemen.

Regionale toetsingscommissies
De leden van de VVD fractie achten het van groot belang dat de meldingsbereidheid van euthanatisch handelen in zeer belangrijke mate tot 95 á 100% toeneemt. Melding van euthanasie dient de vanzelfsprekende norm te worden. Zij trekken in twijfel of de toetsingscommissies in de huidige vorm daartoe een significante bijdrage zullen leveren. Het komt de leden van de VVD voor dat de positie van de toetsingscommissies een slag anders is geworden dan bij de oorspronkelijke instelling bedoeld was. De commissies zijn immers oorspronkelijk ingesteld om op basis van hun effect op de meldingsbereidheid van artsen te onderzoeken of en zo ja in hoeverre verandering van de wet nodig zou zijn. Opvalt dat zich thans nog geen significante toename van het aantal meldingen heeft voorgedaan (zie Medisch Contact 1999, blz. 1035, 1038 en 1154). Doordat thans het wetsvoorstel euthanasie en de wettelijke verankering van de toetsingscommissies tegelijkertijd plaatsvindt, wordt het verwachtingspatroon voor het functioneren van de commissies sterk vergroot. Deelt de regering deze constatering? Wat is voor de regering op korte termijn de doelstelling voor het meldingsniveau?

Bij het vellen van een zelfstandig oordeel over de zorgvuldigheid en daarmee over de strafbaarheid van euthanatisch handelen komen de toetsingscommissies in zeker mate op het gebied van de berechting van strafbare feiten. Zij beoordelen immers onafhankelijk de mate van zorgvuldigheid die door de handelende arts in acht is genomen. De leden van de VVD fractie willen vernemen hoe dit zich verhoudt tot artikel 113 van de Grondwet.

De KNMG heeft tot uitdrukking gebracht dat de medische deskundigheid in de commissie onvoldoende zou zijn vertegenwoordigd. De leden van de VVD fractie achten die opmerking niet onterecht, omdat in ieder geval de medische professie slechts 1/3 deel van de commissie uitmaakt. Deze leden vragen zich af wat de regering zich voorstelt van de specifieke inbreng van de ethicus in de commissies. Zij kunnen zich voorstellen dat de bemensing van de commissies bestaat uit drie vertegenwoordigers van de medische professie en twee juristen. Eén van de drie medische zetels zou kunnen worden ingenomen door een verpleegkundige. Met betrekking tot de juristen bestaat een zekere voorkeur voor rechterlijke ambtenaren. Hoe staat de regering daar tegenover deze suggesties? Deze leden verzoeken de regering een uiteenzetting te geven over wervingsprocedure met betrekking tot de leden van de commissie. Zij achten het van wezenlijk belang dat de leden het juiste peer gehalte hebben om over gezag in de medische sector te kunnen beschikken. De leden van de VVD fractie stellen de vraag in hoeverre de commissies tot uniformiteit van hun oordelen kunnen komen, gelet op de eigenheid van de voorgelegde zaken en het aantal commissies dat werkzaam is. De uniformiteit zou kunnen worden beoordeeld door constructies zoals de rechtseenheidkamer in vreemdelingenzaken of de Centrale Raad voor de Strafrechtspleging in detentiezaken. Wat is daarop de reactie van de regering? Hoe dan ook is de rechtspositie van de commissie niet helder. Er wordt zelfs gesproken van een organische vacuüm. Hoewel de benoeming van de leden van de commissies door de ministeries van Justitie en VWS plaatsvindt, laat het wetsvoorstel de rol van beide ministers ten opzichte van de toetsingscommissies onderbelicht. Zal door betrokken ministers een soort van kwaliteitstoets worden uitgevoerd? Valt te verwachten dat de ministers richtlijnen voor het werk van de commissies zullen bepalen? De commissies worden in ieder geval aan termijnen gehouden! Zullen er ook termijnen van behandeling van toepassing zijn indien de commissies zaken naar het college van procureurs-generaal zenden? Hoe oordeelt de regering daarover?

Door de NVVE is de verwachting uitgesproken dat de educatieve waarde van de commissie niet uit de verf zal komen. Daarbij is onder meer gewezen op het knelpunt tussen artikel 8 op grond waarvan de commissies inlichtingen kunnen inwinnen bij onder andere de artsen en artikel 10 op grond waarvan de artsen desgevraagd gehouden zijn om alle inlichtingen aan de officier van justitie te verstrekken die hij nodig heeft. Het is aannemelijk dat daardoor de gesprekbasis met de arts ernstig bemoeilijkt wordt, omdat betrokkene het gevoel zal hebben dat alles aan de officier kan worden doorgegeven. In hoeverre kan de officier aan de commissie opdragen bij artsen gericht informatie in te winnen? Ziet de regering de mogelijkheid een onderscheid te maken in door de commissie in te winnen inlichtingen, waarvan op voorhand voor de arts duidelijk is welke inlichtingen wel en welke niet aan de officier van justitie kunnen worden doorgegeven? Is het juist dat informatie, die de arts aan de commissie heeft verstrekt en die vervolgens aan de officier van justitie worden overgebracht, niet bruikbaar is voor het bewijs dat betrokkene de strafwet zou hebben overtreden, omdat hij gehoord is zonder de cautie van artikel 29 Wetboek van Strafvordering? De suggestie bestaat dat de arts in de huidige constellatie kan worden gedwongen mee te werken aan zijn eigen veroordeling. Hoe staat de regering daar tegenover? De toetsingscommissies dienen hoe dan ook een vertrouwenswekkende rol te vervullen. De procedure moet simpel, veilig en tijdig zijn. De leden van de VVD fractie vinden in geval van twijfel, raadpleging door de commissie van de consulent, niet ondenkbaar. Hoe oordeelt de regering daarover? Zoals gezegd achten de leden van de VVD volledige melding en toetsing van euthanasie onontbeerlijk. Zij zijn van mening dat niet alleen de organisatorische constructie van de toetsingscommissies en de bemensing voor de toegankelijkheid voor artsen belangrijk zijn, maar ook de aard van de werkzaamheden van de commissies. Deze leden kunnen zich niet aan de indruk onttrekken dat de aard van de werkzaamheden van de commissies nog steeds reden tot onzekerheid in de medische sector geeft. Zo houdt het openbaar ministerie in geval van aangifte de volledige vervolgingsmonopolie ondanks de positieve zorgvuldigheidstoets van de toetsingscommissie. Bovendien bevatten de zorgvuldigheidseisen meerdere medisch professionele condities die zowel door de toetsingscommissie als de tuchtrechter kunnen worden beoordeeld. Langs de weg van het tuchtrecht ontstaat opnieuw het risico van een strafrechtelijke vervolging. Deze leden zijn van oordeel dat de materie zo veelzijdig is, algemeen maatschappelijk, ethisch, juridisch en medisch, dat de controle op de praktische uitvoering van euthanasie niet hoofdzakelijk langs strafrechtelijke weg (openbaar ministerie en strafrechter) kan plaatsvinden, maar in eerste instantie op basis van medisch tuchtrecht zal dienen te geschieden. Bij tuchtrecht is de noodzakelijke, voortdurende en consistente inbreng van de betrokken beroepsgroep naar zijn aard beter geregeld. Deze leden verwachten een positief gevolg indien de toetsingscommissies tevens als tuchtrechter met betrekking tot kwesties van euthanasie bindende beslissingen zullen nemen, waartegen in beginsel hoger beroep moet openstaan. Daarnaast zal steeds een zelfstandig strafrechtelijke rechtsgang moeten bestaan, zoals bij het humanitaire medische en veterinaire tuchtrecht. Daardoor wordt tevens voorkomen dat het openbaar ministerie moet oordelen over zorgvuldigheidseisen bij euthanasie waarvoor de geëigende deskundigheid ontbreekt. In dit verband moet worden opgemerkt dat ook Prof. Sutorius tijdens de hoorzitting heeft gesteld dat het openbaar ministerie niet geëquipeerd is om medisch handelen goed te beoordelen. De leden van de VVD fractie zijn van mening dat het openbaar ministerie moet doen waar het goed in is, namelijk het beoordelen van strafrechtelijk relevante aspecten, zoals de vraag of er sprake was van een vrijwillig, weloverwogen en duurzaam verzoek van de patiënt. Hoe oordeelt de regering over voornoemd voorstel?

Strafmaat
Met betrekking tot de strafnormen van artikel 293 en 294 verzoeken de leden van de VVD de regering uit te leggen hoe deze maxima zich verhouden tot de overige rechtsdelicten. In hoeverre heeft heroverweging van de maxima plaatsgevonden?

Gemeentelijke lijkschouwer
Met betrekking tot de positie van de gemeentelijke lijkschouwer het volgende. De leden van de VVD kunnen zich voorstellen dat de gemeentelijke lijkschouwer zelf bevoegd wordt een verklaring van geen bezwaar tot begraven of verbranding af te geven, nadat hij in eerste instantie heeft gecontroleerd of de arts aan de formele vereisten heeft voldaan. (Wet op de Lijkbezorging onderdeel D) Deze leden vragen zich af op grond van welke informatie de officier in staat is een serieuze beoordeling over het al of niet begraven dan wel verbranden te geven. Hoe oordeelt de regering daarover?

Zelfdoding
Met betrekking tot zelfdoding merken de leden van de VVD fractie het volgende op. Vast staat dat jaarlijks circa 1500 gevallen van zelfdoding plaatsvinden, waarvan een niet onbelangrijk deel op gruwelijke wijze. Uit overweging van medemenselijkheid behoort zelfdoding alsmede de daarvoor gebruikte gruwelijke methode zoveel mogelijk te worden voorkomen. Dit is van belang ten opzichte van de zelfdoders, de nabestaanden, de ooggetuigen en de maatschappij in het algemeen. Van diverse zijde wordt betoogd dat betrokkene, wanneer hij niet door een psychologische of psychiatrische behandeling van zijn voornemen kan worden afgebracht om een einde aan zijn leven te maken, de mogelijkheid zou moeten hebben om middelen ter beschikking te krijgen om een zachte en waardige dood te realiseren. De leden van de VVD hebben vernomen dat in Zwitserland een stichting c.q. een instelling zou bestaan waar mensen met het voornemen tot zelfdoding uiteindelijk ook middelen daartoe kunnen verkrijgen. De ervaring zou zijn dat een belangrijk deel van de mensen die zich aldus melden bereid is levenshulp te ontvangen. Een klein deel kiest er uiteindelijk toch voor om op een meer humane wijze te sterven middels de beschikbare middelen. Zonder over deze handelwijze direct een afgerond oordeel te geven ontkomen de leden van de VVD niet aan enige sympathie daarvoor. Immers wordt aan de potentiële zelfdodingen een laatste toevlucht geboden waar ook de ultieme doodswens kan worden verwezenlijkt. De leden van de VVD verzoeken de regering de Zwitserse praktijk en de daarop betrekking hebbende regelgeving inhoudende dat behulpzaamheid bij zelfdoding niet strafbaar is behoudens om zelfzuchtige redenen, te onderzoeken en daarover een oordeel te geven. Deze leden verzoeken de regering tevens uit te leggen waarom de strafmaat voor het opzettelijk aanzetten tot zelfdoding hetzelfde is als het behulpzaam zijn bij zelfdoding. Deze leden achten het eerstgenoemde delict van een andere orde dan het laatstgenoemde delict.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie