Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Wijziging wet inkomstenbelasting na aangebrachte wijzigingen

Datum nieuwsfeit: 01-02-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal


26727000.120 voorstel van wet zoals het luidt na de daarin t.m. 1 febr . 2000 aangebrachte wijzigingen

Gemaakt: 3-2-2000 tijd: 12:58


43


26 727

Wet inkomstenbelasting 2001 (Belastingherziening 2001)

Nr. 120

VOORSTEL VAN WET ZOALS HET LUIDT NA DE DAARIN T/M 1 FEBRUARI 2000 AANGEBRACHTE WIJZIGINGEN

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de grondslag van de belasting op inkomen te verbreden en te versterken;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

HOOFDSTUK 1

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1.1 Inkomstenbelasting

Onder de naam inkomstenbelasting wordt een belasting geheven van natuurlijke personen.

Artikel 1.2 Partnerregeling


1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder partner:

a. de niet duurzaam gescheiden levende echtgenoot;

b. de ongehuwde meerderjarige die:


1. met de ongehuwde meerderjarige belastingplichtige in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden onafgebroken een gezamenlijke huishouding voert en gedurende die tijd op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige staat ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens en


2. samen en uitsluitend met de belastingplichtige voor het kalenderjaar kiest voor kwalificatie als partner.


2. Voor het kalenderjaar kan tevens voor kwalificatie als partner worden gekozen indien:

a. de ongehuwde meerderjarige belastingplichtige in het voorafgaande kalenderjaar samen met een ongehuwde meerderjarige heeft gekozen voor kwalificatie als partner en

b. zij uitsluitend door het overlijden van de ongehuwde meerderjarige in het kalenderjaar niet gedurende meer dan zes maanden een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.


3. Als partner kan niet worden aangemerkt:

a. een bloedverwant in de eerste graad van de belastingplichtige, tenzij beiden bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 27 jaar hebben bereikt of

b. een persoon die geen inwoner is van Nederland en niet kiest voor behandeling als binnenlandse belastingplichtige.


4. Een persoon die duurzaam gescheiden van zijn echtgenoot leeft, wordt voor de toepassing van dit artikel gelijkgesteld met een ongehuwde.


5. Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt voor de bepaling van aanverwantschap de kwalificatie als partner gelijkgesteld met het huwelijk.


6. Met de basisadministratie persoonsgegevens wordt gelijkgesteld een daarmee naar aard en strekking overeenkomende administratie buiten Nederland.


7. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de situatie dat een persoon niet in Nederland woont en niet is ingeschreven in een naar aard en strekking met de basisadministratie persoonsgegevens overeenkomende administratie buiten Nederland.

Artikel 1.3 De keuze voor kwalificatie als partner


1. De gezamenlijke keuze van de belastingplichtige en de andere ongehuwde meerderjarige voor de kwalificatie als partner wordt gemaakt bij verzoek om voorlopige teruggaaf of bij aangifte.


2. De keuze voor de kwalificatie als partner geldt voor de periode in het kalenderjaar dat de ongehuwde meerderjarige met de belastingplichtige onafgebroken een gezamenlijke huishouding voert en op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige staat ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens.


3. Indien de belastingplichtige een keuze heeft gemaakt voor de kwalificatie als partner van een ander, wordt deze ander ten aanzien van de belastingplichtige als partner aangemerkt.


4. Indien een persoon voor een kalenderjaar bij aangifte een keuze heeft gemaakt voor de kwalificatie als partner, kan niet op deze keuze worden teruggekomen.

Artikel 1.4 Pleegkind

Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder een kind mede verstaan een pleegkind, ook wat betreft bloed_ en aanverwantschap.

Artikel 1.5 In belangrijke mate onderhouden van kinderen

Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld op grond waarvan wordt beoordeeld of een kind in belangrijke mate wordt onderhouden.

Artikel 1.6 Mogendheid

Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen worden de landen van het Koninkrijk der Nederlanden aangemerkt als afzonderlijke mogendheden.

Artikel 1.6a Lijfrenten en pensioenen


1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder lijfrente: een aanspraak volgens een overeenkomst van levensverzekering (artikel 3.6.8) op vaste en gelijkmatige periodieke uitkeringen die eindigen uiterlijk bij overlijden, welke aanspraak niet kan worden afgekocht, vervreemd, prijsgegeven, of formeel of feitelijk tot voorwerp van zekerheid kan dienen, anders dan ten behoeve van uitstel van betaling op grond van artikel 25, vierde lid, Invorderingswet 1990. Onder een lijfrente wordt mede verstaan de aanspraak op winstuitkeringen voorzover die uitkeringen verband houden met een lijfrente.


2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder pensioenregeling:

a. een pensioenregeling overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de loonbelasting;

b. een pensioenregeling waaraan deelneming verplicht is op grond van de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds, de Wet tot invoering van een leeftijdsgrens voor het notarisambt en oprichting van een notarieel pensioenfonds, de Wet op de kansspelen of de Wet betreffende verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling;

c. een regeling van een andere mogendheid, die volgens de belastingwetten van dat land, welke naar aard en strekking overeenkomen met de Nederlandse loonbelasting of de inkomstenbelasting, als een pensioenregeling wordt beschouwd.

Artikel 1.7 Wederzijdse erkenning

Waar in deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verwezen naar Nederlandse voorschriften of verklaringen van Nederlandse instellingen, worden voorschriften van of verklaringen van instellingen in een van de lidstaten van de Europese Unie die naar aard en strekking overeenkomen met eerstbedoelde Nederlandse voorschriften of verklaringen van Nederlandse instellingen daarmee gelijkgesteld:

a. indien ter zake regelgeving in het kader van het Verdrag betreffende de Europese Unie (Trb. 1992, 74) is vastgesteld waaruit de overeenkomst naar aard en strekking blijkt;

b. in overige gevallen: voorzover dat bij ministeriële regeling is bepaald.

HOOFDSTUK 2

RAAMWERK

AFDELING 1

Belastingplichtigen

Artikel 2.1.1 Belastingplichtigen


1. Belastingplichtigen voor de inkomstenbelasting zijn de natuurlijke personen die:

a. in Nederland wonen (binnenlandse belastingplichtigen) of

b. niet in Nederland wonen maar wel Nederlands inkomen genieten (buitenlandse belastingplichtigen).


2. Nederlands inkomen is inkomen bedoeld in hoofdstuk 7.

Artikel 2.1.2 Woonplaatsfictie


1. Een persoon die ophoudt in Nederland te wonen en binnen een jaar daarna weer in Nederland gaat wonen zonder intussen in een andere mogendheid te hebben gewoond, wordt ook tijdens zijn afwezigheid geacht in Nederland te hebben gewoond. De vorige volzin is niet van toepassing indien de bedoelde persoon aannemelijk maakt dat hij in een lidstaat van de Europese Unie of een bij ministeriële regeling aangewezen mogendheid waarmee Nederland een regeling ter voorkoming van dubbele belasting is overeengekomen die voorziet in de uitwisseling van inlichtingen, als inwoner aan de belastingheffing is onderworpen en de heffingsgrondslagen in die lidstaat of andere mogendheid hoofdzakelijk gelijk zijn aan de in artikel 2.2.1 genoemde heffingsgrondslagen.


2. Een Nederlander die als diplomatieke of consulaire ambtenaar in dienstbetrekking staat tot de Staat der Nederlanden, wordt steeds geacht in Nederland te wonen.


3. Indien een Nederlander op grond van het tweede lid geacht wordt in Nederland te wonen, worden de partner en de kinderen die jonger zijn dan 27 jaar en die in belangrijke mate door hem worden onderhouden, tevens geacht in Nederland te wonen.

AFDELING 2

Heffingsgrondslagen

Artikel 2.2.1 Heffingsgrondslagen

De inkomstenbelasting wordt geheven over het door de belastingplichtige in het kalenderjaar genoten:

a. belastbare inkomen uit werk en woning;

b. belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang en

c. belastbare inkomen uit sparen en beleggen.

Artikel 2.2.2 Bepalingen heffingsgrondslagen


1. Het belastbare inkomen uit werk en woning wordt bepaald:

a. voor binnenlandse belastingplichtigen: volgens de regels van hoofdstuk 3;

b. voor buitenlandse belastingplichtigen: volgens de regels van hoofdstuk 7, afdeling 2.


2. Het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang wordt bepaald:

a. voor binnenlandse belastingplichtigen: volgens de regels van hoofdstuk 4;

b. voor buitenlandse belastingplichtigen: volgens de regels van hoofdstuk 7, afdeling 3.


3. Het belastbare inkomen uit sparen en beleggen wordt bepaald:

a. voor binnenlandse belastingplichtigen: volgens de regels van hoofdstuk 5;

b. voor buitenlandse belastingplichtigen: volgens de regels van hoofdstuk 7, afdeling 4.

Artikel 2.2.3 Keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen


1. De binnenlandse belastingplichtige die niet gedurende het gehele kalenderjaar in Nederland woont, en de buitenlandse belastingplichtige die als inwoner van een andere lidstaat van de Europese Unie of van een bij ministeriële regeling aangewezen andere mogendheid waarmee Nederland een regeling ter voorkoming van dubbele belasting is overeengekomen die voorziet in de uitwisseling van inlichtingen, in de belastingheffing van die lidstaat of mogendheid wordt betrokken, kunnen kiezen voor toepassing van de regels van deze wet voor binnenlandse belastingplichtigen. Voor de toepassing van deze bepaling kunnen bij ministeriële regeling bewijsmiddelen worden voorgeschreven. Een persoon die niet belastingplichtig is kan kiezen voor toepassing van de regels van deze wet voor binnenlandse belastingplichtigen indien hij daardoor wordt aangemerkt als partner van een belastingplichtige. De persoonsgebonden aftrek (hoofdstuk 6) en de negatieve inkomsten uit gemeenschappelijke inkomensbestanddelen als bedoeld in artikel 2.4.4 blijven buiten aanmerking voorzover deze bij de partner bij de belastingheffing in de woonstaat in aanmerking kunnen worden genomen.


2. De keuze geldt niet voor toepassing van de artikelen 3.2.2.50,
3.3.4, 3.8.5, 4.7.1.1, eerste lid, onderdeel i, 4.7.1.2, tweede lid,
4.7.1.3 en 4.7.2.7. De artikelen 7.2.1, achtste tot en met twaalfde lid, en 7.3.1, zevende lid, blijven van toepassing.


3. Indien de belastingplichtige niet langer kiest voor de toepassing van de regels van deze wet voor binnenlandse belastingplichtigen, wordt in het laatste jaar dat voorafgaat aan het eerste jaar waarin de buitenlandse belastingplichtige niet heeft gekozen voor de regels die gelden voor binnenlandse belastingplichtigen, het inkomen vermeerderd met een bedrag dat gelijk is aan de in de laatste acht jaar ten laste van het inkomen gekomen negatieve bedragen die niet behoren tot het Nederlandse inkomen volgens artikel 7.1.1 en die negatieve bedragen die daartoe wel behoren maar waarover het heffingsrecht op grond van het belastingverdrag niet aan Nederland is toegewezen. De vorige volzin is niet van toepassing met betrekking tot negatieve bedragen uit kalenderjaren van binnenlandse belastingplicht, uitgaven voor kinderopvang als bedoeld in hoofdstuk 3, afdeling 9, en de persoonsgebonden aftrek als bedoeld in hoofdstuk 6.


4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld voor de voorkoming van dubbele belasting voor dat deel van het belastbare inkomen dat niet behoort tot het Nederlandse inkomen volgens artikel 7.1.1, en dat deel dat wel daartoe behoort maar waarover het heffingsrecht op grond van het belastingverdrag niet aan Nederland is toegewezen.

Artikel 2.2.4 Keuzerecht voor in het buitenland geworven deskundigen

Voor bepaalde groepen werknemers die van buiten Nederland in dienstbetrekking worden genomen als bedoeld in artikel 15, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, kunnen bij algemene maatregel van bestuur, onder daarbij te stellen voorwaarden, regels worden gesteld volgens welke zij kunnen kiezen voor gehele of gedeeltelijke toepassing van de regels van deze wet voor buitenlandse belastingplichtigen.

AFDELING 3

Verschuldigde inkomstenbelasting

Artikel 2.3.1 Verschuldigde inkomstenbelasting; hoofdregel


1. De over een kalenderjaar verschuldigde inkomstenbelasting is het gezamenlijke bedrag van de over het kalenderjaar berekende belasting op:

a. het belastbare inkomen uit werk en woning;

b. het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang en

c. het belastbare inkomen uit sparen en beleggen.

Voor binnenlandse belastingplichtigen die gedurende het gehele kalenderjaar, dan wel gedurende het kalenderjaar vanaf hun geboorte of tot aan hun overlijden, in Nederland wonen, wordt het op grond van de eerste volzin berekende gezamenlijke bedrag verminderd met het bedrag van de heffingskorting voor de inkomstenbelasting (artikel 8.1.2).


2. Indien de belastingplichtige ook premieplichtig is voor de volksverzekeringen en de volgens artikel 10, vierde lid, van de Wet financiering volksverzekeringen berekende heffingskorting voor de volksverzekeringen niet volledig kan worden verrekend met de volgens artikel 10, eerste lid en tweede lid, van de Wet financiering volksverzekeringen berekende premie voor de volksverzekeringen, wordt het bedrag van de verschuldigde inkomstenbelasting ook met dat niet verrekende deel verminderd.

Artikel 2.3.1a Verschuldigde inkomstenbelasting op gewone aanslag


1. Indien in het belastbare inkomen uit werk en woning of het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang te conserveren inkomen is begrepen, is de verschuldigde belasting voorzover deze bij wege van aanslag wordt geheven de belasting die wordt berekend over de belastbare inkomens, verminderd met het daarin begrepen te conserveren inkomen.


2. Als te conserveren inkomen worden aangemerkt de positieve inkomensbestanddelen die in aanmerking zijn genomen op grond van de artikelen 3.3.4, eerste of tweede lid, 3.6.7, vierde lid, 3.8.2, tweede lid, onderdelen h of j, 3.8.5, eerste lid, 4.7.1.1, eerste lid, onderdeel i, 7.2.1, achtste lid, of 7.3.1, vierde, vijfde of zevende lid, alsmede het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang van de buitenlandse belastingplichtige dat, ware hij binnenlands belastingplichtige, op de voet van artikel 4.7.1.2 buiten aanmerking zou zijn gelaten en met betrekking waartoe geen afrekening op verzoek op de voet van artikel 4.9.1.1 heeft plaatsgevonden.

Artikel 2.3.1b Verschuldigde belasting op conserverende aanslag


1. De over te conserveren inkomen verschuldigde belasting is het volgens artikel 2.3.1 bepaalde bedrag aan belasting verminderd met het volgens artikel 2.3.1a bepaalde bedrag aan belasting, met dien verstande dat de belasting ten minste wordt gesteld op het bedrag aan belasting dat verschuldigd zou zijn indien het te conserveren inkomen het enige inkomen zou zijn.


2. Indien een met toepassing van artikel 2.3.1a vastgestelde belastingaanslag wordt verminderd, anders dan ingevolge verliesverrekening, en deze vermindering gevolgen heeft voor de over te conserveren inkomen verschuldigde belasting, brengt de inspecteur de desbetreffende belastingaanslag daarmee in overeenstemming bij voor bezwaar vatbare beschikking.

Artikel 2.3.2 Tarief belastbaar inkomen uit werk en woning

De belasting op het belastbare inkomen uit werk en woning (hoofdstuk
3, afdeling 1, respectievelijk hoofdstuk 7, afdeling 2) wordt bepaald aan de hand van de volgende tabel.

Bij een belastbaar inkomen uit werk en woning van meer dan maar niet meer dan

bedraagt de belasting het in kolom III vermelde bedrag, vermeerderd met het bedrag dat wordt berekend door het in kolom IV vermelde percentage te nemen van het gedeelte van het belastbare inkomen uit werk en woning dat het in kolom I vermelde bedrag te boven gaat

I

II

III

IV


-

€ 14 363 (f 31 652)


-


3,00%

€ 14 363 (f 31 652)

€ 26 492 (f 58 381)

€ 430 (f 949)


7,30%

€ 26 492 (f 58 381)

€ 45 133 (f 99 460)

€ 1315 (f 2900)


42%

€ 45 133 (f 99 460)


-

€ 9144 (f 20 153)


52%

Artikel 2.3.2a Overschrijding pensioenmaximum

Voor de belastingplichtige die niet premieplichtig is voor de Algemene Ouderdomswet wordt de verschuldigde belasting over uitkeringen of bedragen die zouden moeten worden uitgekeerd als bedoeld in artikel
18a, negende lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, gesteld op de som van de belasting en de premie ingevolge de Algemene Ouderdomswet die daarover verschuldigd zou zijn door een persoon die wel premieplichtig is ingevolge die wet en overigens in dezelfde omstandigheden verkeert als de belastingplichtige.

Artikel 2.3.3 Tarief belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang

De belasting op het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang (hoofdstuk 4, afdeling 1, respectievelijk hoofdstuk 7, afdeling 3) bedraagt 25%.

Artikel 2.3.4 Tarief belastbaar inkomen uit sparen en beleggen

De belasting op het belastbare inkomen uit sparen en beleggen (hoofdstuk 5, afdeling 1, respectievelijk hoofdstuk 7, afdeling 4) bedraagt 30%.

AFDELING 4

Toerekeningsregels

Artikel 2.4.1 Toerekening tussen en binnen de belastbare inkomens


1. Indien een voordeel op grond van meer dan een hoofdstuk, afdeling of paragraaf als bestanddeel, al dan niet vrijgesteld, van een van de belastbare inkomens zou kunnen worden aangemerkt, wordt het voordeel uitsluitend op grond van het als eerste opgenomen hoofdstuk of de als eerste opgenomen afdeling of paragraaf aangemerkt als bestanddeel van het desbetreffende belastbare inkomen.


2. Voorzover vermogensbestanddelen inkomen, al dan niet vrijgesteld, uit werk en woning of uit aanmerkelijk belang genereren, worden zij niet in aanmerking genomen voor de bepaling van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen.


3. In afwijking in zoverre van het eerste en tweede lid worden:

a. schulden ter zake waarvan de renten op basis van een specifieke bepaling in hoofdstuk 3 of hoofdstuk 4 van aftrek zijn uitgesloten, in aanmerking genomen bij de bepaling van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen;

b. vermogensbestanddelen, of delen daarvan, die gedurende een periode van niet langer dan drie achtereenvolgende maanden inkomen uit werk en woning of uit aanmerkelijk belang genereren, tevens in aanmerking genomen bij de bepaling van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen indien in deze periode een begindatum of einddatum is gelegen als bedoeld in artikel 5.1.2;

c. vermogensbestanddelen, of delen daarvan, die gedurende een periode van meer dan drie achtereenvolgende maanden, maar niet meer dan zes achtereenvolgende maanden inkomen uit werk en woning of uit aanmerkelijk belang genereren, tevens in aanmerking genomen bij de bepaling van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen indien in deze periode een begindatum of einddatum is gelegen als bedoeld in artikel 5.1.2, tenzij de belastingplichtige aannemelijk maakt dat aan zijn handelingen zakelijke overwegingen ten grondslag liggen.


4. Met betrekking tot het derde lid, onderdeel b, is artikel 5.1.3, vierde lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.4.2 Toerekening inkomensbestanddelen van een minderjarig kind


1. Voor de toepassing van deze wet, behoudens voorzover het de toepassing van artikel 2.4.3 betreft, wordt geen rekening gehouden met het wettelijk vruchtgenot van het vermogen van een minderjarig kind.


2. De belastbare inkomsten uit eigen woning, het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang en de rendementsgrondslag voor het belastbare inkomen uit sparen en beleggen, van een minderjarig kind worden toegerekend aan de ouder die het gezag over het kind uitoefent.


3. Met de ouder die het gezag over het kind uitoefent, wordt, indien niet tevens een andere ouder het gezag uitoefent, gelijkgesteld de ouder die van het ouderlijk gezag is ontheven volgens artikel 266 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.


4. Indien het gezag over het kind aan meer dan één ouder toekomt, worden de in het tweede lid bedoelde inkomensbestanddelen in gelijke delen aan ieder van hen toegerekend.

Artikel 2.4.3 Verhaalsrecht


1. De belastingplichtige aan wie inkomensbestanddelen van een kind zijn toegerekend en die daarvan niet het vruchtgenot heeft, heeft verhaal op dat kind voor een gedeelte van de door hem verschuldigde inkomstenbelasting, voorzover deze is voldaan.


2. Het in het eerste lid bedoelde gedeelte wordt gesteld op een evenredig gedeelte van de verschuldigde belasting, bepaald naar de verhouding waarin de belastbare inkomsten uit eigen woning, het inkomen uit aanmerkelijk belang of het belastbare inkomen uit sparen en beleggen van dat kind dat bij de vaststelling van de belastingschuld in aanmerking is genomen, staat tot het inkomen uit werk en woning, het inkomen uit aanmerkelijk belang onderscheidenlijk het belastbare inkomen uit sparen en beleggen dat tot de belastingschuld heeft geleid.


3. Indien in het belastbare inkomen uit werk en woning of het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang te conserveren inkomen is begrepen, wordt het in het eerste lid bedoelde gedeelte bepaald met overeenkomstige toepassing van de artikelen 2.3.1a, eerste lid, en
2.3.1b.


4. Van het eerste lid kan bij overeenkomst worden afgeweken.

Artikel 2.4.4 Toerekening inkomensbestanddelen van de belastingplichtige en zijn partner


1. Inkomensbestanddelen van de belastingplichtige en zijn partner worden in aanmerking genomen bij degene door wie de inkomensbestanddelen zijn genoten of op wie deze drukken.


2. Gemeenschappelijke inkomensbestanddelen en bestanddelen van de rendementsgrondslag van de belastingplichtige en zijn partner worden geacht bij hen op te komen respectievelijk tot hun bezit te behoren, in de onderlinge verhouding die zij daarvoor ieder jaar bij het doen van aangifte kiezen.


3. De gekozen onderlinge verhoudingen kunnen door de belastingplichtige en zijn partner gezamenlijk worden herzien tot het moment dat de aanslag van de belastingplichtige of zijn partner onherroepelijk vaststaat.


4. Een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel wordt geacht bij de belastingplichtige en zijn partner voor de helft op te komen en een bestanddeel van de rendementsgrondslag wordt geacht bij de belastingplichtige en zijn partner voor de helft tot hun bezit te behoren indien:


1. de gekozen onderlinge verhouding niet leidt tot een volkomen verdeling van het gemeenschappelijke inkomensbestanddeel of het bestanddeel van de rendementsgrondslag of


2. een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel of een bestanddeel van de rendementsgrondslag niet in de aangiften van de belastingplichtige en zijn partner is opgenomen.


5. Indien de belastingplichtige gedurende het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft, zijn gemeenschappelijke inkomensbestanddelen:

a. belastbare inkomsten uit eigen woning;

b. de uitgaven voor kinderopvang;

c. het inkomen uit aanmerkelijk belang vóór vermindering met de persoonsgebonden aftrek;

d. de uitgaven voor levensonderhoud van kinderen;

e. de buitengewone uitgaven;

f. de weekenduitgaven voor gehandicapte kinderen;

g. de scholingsuitgaven;

h. de uitgaven voor monumentenpanden;

i. de aftrekbare giften.


6. Indien de belastingplichtige gedurende een deel van het kalenderjaar een partner heeft wordt hij voor de toepassing van dit artikel geacht het gehele kalenderjaar die partner te hebben gehad indien hij daarvoor samen met die partner kiest. De keuze wordt gemaakt bij verzoek om voorlopige teruggaaf of bij aangifte.

AFDELING 5

Verzamelinkomen

Artikel 2.5.1 Verzamelinkomen

Verzamelinkomen is het gezamenlijke bedrag van:

a. het inkomen uit werk en woning;

b. het inkomen uit aanmerkelijk belang en

c. het belastbare inkomen uit sparen en beleggen,

verminderd met daarin begrepen te conserveren inkomen.

HOOFDSTUK 3

HEFFINGSGRONDSLAG BIJ WERK EN WONING

AFDELING 1

Belastbaar inkomen uit werk en woning

Artikel 3.1.1 Belastbaar inkomen uit werk en woning


1. Belastbaar inkomen uit werk en woning is het inkomen uit werk en woning verminderd met de te verrekenen verliezen uit werk en woning (afdeling 12).


2. Inkomen uit werk en woning is het gezamenlijke bedrag van:

a. de belastbare winst uit onderneming (afdeling 2);

b. het belastbare loon (afdeling 3);

c. het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden (afdeling 4);

d. de belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen (afdeling
5);

e. de belastbare inkomsten uit eigen woning (afdeling 6);

f. de negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen (afdeling 8) en

g. de negatieve persoonsgebonden aftrekposten (afdeling 8a);

verminderd met:

h. de uitgaven voor inkomensvoorzieningen (afdeling 7);

i. de uitgaven voor kinderopvang (afdeling 9) en

j. de persoonsgebonden aftrek (hoofdstuk 6).

AFDELING 2

Belastbare winst uit onderneming

PARAGRAAF 1

Belastbare winst uit onderneming

Artikel 3.2.1.1 Belastbare winst uit onderneming

Belastbare winst uit onderneming is het gezamenlijke bedrag van de winst die de belastingplichtige als ondernemer geniet uit een of meer ondernemingen (paragraaf 2) verminderd met de ondernemersaftrek (paragraaf 4).

Artikel 3.2.1.1a Uitbreiding begrip belastbare winst uit onderneming


1. Belastbare winst uit onderneming is mede:

a. de winst die de belastingplichtige, anders dan als ondernemer of aandeelhouder, als medegerechtigde tot het vermogen van een onderneming geniet uit een of meer ondernemingen (paragraaf 2);

b. het bedrag van de gezamenlijke voordelen die de belastingplichtige geniet uit hoofde van een schuldvordering op een ondernemer ten behoeve van een voor zijn rekening gedreven onderneming of aan een lichaam dat is onderworpen aan de heffing van vennootschapsbelasting dan wel, indien het lichaam niet in Nederland is gevestigd, in het land van vestiging is onderworpen aan een heffing naar de winst, en zich een in het derde lid genoemde omstandigheid met betrekking tot de schuldvordering voordoet.


2. Voor de toepassing het eerste lid, onderdeel a, behoeft de medegerechtigdheid zich niet uit te strekken tot een eventueel liquidatiesaldo.


3. Een in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde omstandigheid is:

a. de schuldvordering is onder zodanige voorwaarden aangegaan dat deze in feite functioneert als vermogen van de in dat onderdeel bedoelde onderneming respectievelijk van het daar bedoelde lichaam of

b. de vergoeding over de schuldvordering is op het tijdstip van het aangaan van de schuldvordering zodanig vastgesteld dat deze - rechtens dan wel in feite - bezien over de gehele looptijd grotendeels afhankelijk is van de winst van de in dat onderdeel bedoelde onderneming respectievelijk van het daar bedoelde lichaam.


4. Het eerste lid, onderdeel b, is - in afwijking in zoverre van artikel 2.4.1 - niet van toepassing op voordelen uit hoofde van een schuldvordering die tevens als belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden zouden kunnen worden aangemerkt.


5. Indien de voorwaarden waaronder een schuldvordering is aangegaan nadien worden gewijzigd, wordt voor de toepassing van het derde lid de schuldvordering op het tijdstip van het wijzigen van de voorwaarden geacht opnieuw te zijn aangegaan.


6. Het derde lid is met betrekking tot een schuldvordering op een lichaam niet van toepassing indien de gehele vergoeding over de schuldvordering door het lichaam niet ten laste van de winst mag worden gebracht.


7. De in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde voordelen worden bepaald alsof de schuldvordering een onderneming vormt.


8. Dit artikel is niet van toepassing met betrekking tot maatschappelijke beleggingen als bedoeld in artikel 5.2A.1, indien het gezamenlijk bedrag van die beleggingen binnen de begrenzing van dat artikel blijft en die beleggingen voor het overige voldoen aan de voorwaarden gesteld in of krachtens dat artikel.

Artikel 3.2.1.2 Begrip ondernemer

In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder ondernemer: de belastingplichtige voor rekening van wie een onderneming wordt gedreven en die rechtstreeks wordt verbonden voor verbintenissen betreffende die onderneming.

Artikel 3.2.1.3 Zelfstandig uitgeoefend beroep


1. In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt mede verstaan onder onderneming: het zelfstandig uitgeoefende beroep.


2. In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt mede verstaan onder ondernemer: de beoefenaar van een zelfstandig beroep.

Artikel 3.2.1.4 Begrip urencriterium


1. In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder urencriterium: het gedurende het kalenderjaar besteden van ten minste 1225 uren aan werkzaamheden voor een of meer ondernemingen waaruit de belastingplichtige als ondernemer winst geniet, indien:

a. de tijd die in totaal wordt besteed aan die ondernemingen en het verrichten van werkzaamheden in de zin van de afdelingen 3 en 4, grotendeels wordt besteed aan die ondernemingen of

b. de ondernemer in een of meer van de vijf voorafgaande kalenderjaren geen ondernemer was.


2. Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef, komen niet in aanmerking werkzaamheden ten behoeve van een onderneming waaruit de belastingplichtige als ondernemer winst geniet en die deel uitmaakt van een samenwerkingsverband met een of meer met hem verbonden personen, indien:

a. de door de belastingplichtige en de door een of meer van die verbonden personen verrichte werkzaamheden zozeer van elkaar verschillen dat het ongebruikelijk is dat de belastingplichtige in een dergelijk samenwerkingsverband met niet_verbonden personen zou zijn opgenomen of

b. het samenwerkingsverband is gericht op het verrichten van diensten ten behoeve van een onderneming waaruit een met de belastingplichtige verbonden persoon als ondernemer winst geniet.


3. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder met de belastingplichtige verbonden personen verstaan:

a. personen die behoren tot het huishouden van de belastingplichtige en

b. bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of personen die behoren tot hun huishouden.


4. Onder het verrichten van diensten ten behoeve van een onderneming waaruit een met de belastingplichtige verbonden persoon als ondernemer winst geniet wordt mede verstaan het verrichten van diensten ten behoeve van een lichaam waarin de belastingplichtige of een met hem verbonden persoon direct of indirect een aanmerkelijk belang in de zin van afdeling 4.3 van deze wet heeft.

Artikel 3.2.1.5 Begrippen reisafstand en regelmatig woon-werkverkeer


1. In deze afdeling, afdeling 4 en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. reisafstand: de afstand tussen de woning of verblijfplaats en de plaats van werkzaamheden gemeten langs de meest gebruikelijke weg;

b. regelmatig woon-werkverkeer: het ten minste eenmaal per week plegen te reizen tussen de woning of verblijfplaats en de plaats of plaatsen van werkzaamheden, waarbij binnen een tijdsbestek van 24 uur zowel heen als terug wordt gereisd.


2. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel b, pleegt de belastingplichtige in ieder geval ten minste eenmaal per week te reizen indien hij in het kalenderjaar op 40 dagen of meer van zijn woning of verblijfplaats naar de plaats of plaatsen van werkzaamheden heeft gereisd.

PARAGRAAF 2

Winst uit een onderneming

Artikel 3.2.2.1 Winst

Winst uit een onderneming (winst) is het bedrag van de gezamenlijke voordelen die, onder welke naam en in welke vorm ook, worden verkregen uit een onderneming.

Artikel 3.2.2.1a Maximum verlies


1. Voorzover de winst van de belastingplichtige, bedoeld in artikel
3.2.1.1a, in het jaar, vóór toepassing van dit lid, tezamen met de winst van alle daaraan voorafgaande jaren waarin dat artikel op hem van toepassing was, negatief is en in absolute zin uitgaat boven het in het tweede lid bedoelde bedrag, wordt het verschil ten bate van de winst van het jaar gebracht.


2. Het in het eerste lid bedoelde bedrag betreft de boekwaarde van het vermogen van de onderneming op het tijdstip waarop artikel 3.2.1.1a voor het eerst op de belastingplichtige van toepassing werd, verminderd met het bedrag van de reserves, bedoeld in artikel
3.2.2.43, op dat tijdstip. Indien na het in de eerste volzin bedoelde tijdstip door de belastingplichtige is gestort in of onttrokken aan de onderneming, wordt het in de eerste volzin bedoelde bedrag vermeerderd met de waarde van die storting op het tijdstip van die storting respectievelijk verminderd met de waarde van die onttrekking op het tijdstip van die onttrekking.


3. Hetgeen op grond van het eerste lid ten bate van de winst van het jaar is gebracht, wordt ten laste van de winst van het volgende jaar gebracht indien artikel 3.2.1.1a bij de aanvang van dat volgende jaar nog op de belastingplichtige van toepassing is.

Artikel 3.2.2.1b Verliezen uit de aanloopfase van een onderneming

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld volgens welke, onder te stellen voorwaarden, de ondernemer bij het bepalen van de winst kosten en lasten in aftrek kan brengen die zijn gemaakt in de vijf kalenderjaren die onmiddellijk voorafgaan aan het eerste kalenderjaar als ondernemer, verband houden met het starten van de onderneming en niet ten laste van het belastbaar inkomen uit werk en woning kunnen of konden worden gebracht.

Artikel 3.2.2.2 Vrijstelling voor bosbedrijf


1. Tot de winst behoren niet voordelen uit bosbedrijf.


2. Een belastingplichtige die het bosbedrijf uitoefent, kan de inspecteur verzoeken om het eerste lid op hem niet van toepassing te doen zijn. Bij inwilliging van het verzoek geldt dit tot wederopzegging door de belastingplichtige maar ten minste voor tien jaar. Een hernieuwd verzoek kan pas tien jaar nadat het eerste lid wederom van toepassing is geworden, worden ingewilligd. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking.


3. De waarde van de tot het bosbedrijf behorende bezittingen wordt op het tijdstip met ingang waarvan het eerste lid niet meer van toepassing is en op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan dat waarop het eerste lid weer van toepassing is, gesteld op de waarde in het economische verkeer.


4. De voordelen die worden behaald onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip met ingang waarvan het eerste lid weer van toepassing is, kunnen onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden buiten aanmerking blijven.

Artikel 3.2.2.3 Landbouwvrijstelling


1. Tot de winst behoren niet voordelen uit landbouwbedrijf ter zake van waardeveranderingen van gronden - daaronder begrepen de ondergrond van gebouwen - behalve voorzover de waardeverandering in de uitoefening van het bedrijf is ontstaan of verband houdt met de omstandigheid dat de grond voortaan of waarschijnlijk binnenkort buiten het kader van de uitoefening van een landbouwbedrijf zal worden aangewend.


2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder landbouwbedrijf verstaan een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten van akkerbouw, van weidebouw of van tuinbouw - daaronder begrepen fruitteelt en het kweken van bomen, bloemen, bloembollen en paddestoelen - of op het in het kader van veehouderij fokken, mesten of houden van dieren. Met landbouwbedrijf worden gelijkgesteld binnenvisserij en visteelt.

Artikel 3.2.2.4 Overige vrijstellingen


1. Tot de winst behoren niet:

a. voordelen verkregen door het prijsgeven van niet voor verwezenlijking vatbare rechten door schuldeisers, voorzover de voordelen de som van het verlies uit werk en woning dat overigens mocht zijn geleden en de volgens afdeling 12 te verrekenen verliezen uit het verleden overtreffen;

b. voordelen bestaande uit aanspraken die berusten op een pensioenregeling en leiden tot als loon aan te merken pensioentermijnen of die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend bestaan uit rechten op belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen;

c. voordelen bestaande uit aanspraken op een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen of op een bedrijfsbeëindigingsvergoeding van een door een of meer van Onze Ministers opgerichte stichting ter bevordering van de ontwikkeling en van de sanering binnen het bedrijfsleven, voorzover die aanspraken bestaan uit rechten op belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen en uitsluitend zijn toegekend ter zake van de beëindiging van de onderneming;

d. voordelen bestaande uit uitkeringen en aanspraken op uitkeringen op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen;

e. voordelen op grond van een buitenlandse regeling die naar aard en strekking overeenkomt met een regeling als bedoeld in de onderdelen c en d;

f. uitkeringen uit een stakingskas en

g. een door Onze Minister na overleg met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij bij ministeriële regeling te bepalen deel van de voordelen ingevolge bij deze ministeriële regeling aangewezen regelingen ten behoeve van de ontwikkeling en instandhouding van bos en natuur alsmede aangewezen overeenkomsten die vooruitlopen op die regelingen.


2. Op de voordelen bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, en de voordelen op grond van een buitenlandse regeling die naar aard en strekking overeenkomt met een regeling als bedoeld in dat onderdeel, is artikel 2.4.1, eerste lid, niet van toepassing.

Artikel 3.2.2.5 Van aftrek uitgesloten algemene kosten


1. Bij het bepalen van de winst komen niet in aftrek kosten en lasten die verband houden met de volgende posten:

a. het voeren van een zekere staat;

b. vaartuigen die worden gebruikt voor representatieve doeleinden;

c. geldboeten opgelegd door een Nederlandse strafrechter en geldsommen betaald aan de Staat ter voorkoming van strafvervolging in Nederland of ter voldoening aan een voorwaarde verbonden aan een besluit tot gratieverlening, alsmede geldboeten opgelegd door een instelling van de Europese Unie en boeten en verhogingen opgelegd ingevolge de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Douanewet, de Coördinatiewet Sociale Verzekering, de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften en de Mededingingswet;

d. misdrijven ter zake waarvan de belastingplichtige door een Nederlandse strafrechter bij onherroepelijke uitspraak is veroordeeld, daaronder begrepen de misdrijven die zijn betrokken bij de bepaling van de hoogte van de opgelegde straf en ter zake waarvan het Openbaar Ministerie heeft verklaard te zullen afzien van vervolging;

e. misdrijven ter zake waarvan de belastingplichtige ter voorkoming van strafvervolging in Nederland aan de gestelde voorwaarden heeft voldaan;

f. wapens en munitie, tenzij ter zake een erkenning, consent, vergunning, verlof of ontheffing is verleend krachtens de Wet wapens en munitie en

g. dieren en categorieën van dieren als bedoeld in de krachtens de artikelen 73 en 107 van de Gezondheids_ en welzijnswet voor dieren vastgestelde Regeling agressieve dieren, tenzij ter zake een dierenpaspoort als bedoeld in die regeling is afgegeven.


2. Het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing voorzover de onderneming direct is gericht op het vervaardigen of het verhandelen van vaartuigen die worden gebruikt voor representatieve doeleinden, dan wel op het verrichten van diensten in verband met die vaartuigen en die vaartuigen respectievelijk diensten deel uitmaken van de omzet.


3. Tot de in het eerste lid, onderdelen d en e, bedoelde kosten en lasten behoren niet:

a. voldoening aan de Staat van een geldbedrag of overdracht van in beslag genomen voorwerpen, ter gehele of gedeeltelijke ontneming van wederrechtelijk verkregen voordelen en

b. vergoeding van door het misdrijf veroorzaakte schade.


4. Voorzover kosten en lasten die verband houden met een misdrijf bij het bepalen van de winst in aanmerking zijn genomen in een of meer van de vijf jaren voorafgaande aan het jaar waarin de veroordeling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, onherroepelijk is geworden, of waarin aan de gestelde voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, is voldaan, wordt het bedrag ter grootte van de som van deze kosten en lasten gerekend tot de positieve voordelen van de winst uit onderneming van het laatstbedoelde jaar.


5. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdelen d en e, wordt met de belastingplichtige gelijkgesteld degene die ten behoeve van de belastingplichtige opdracht heeft gegeven tot het misdrijf dan wel aan het misdrijf feitelijk leiding heeft gegeven.


6. Bij het bepalen van de winst komen mede niet in aftrek:

a. geheven dividendbelasting en kansspelbelasting;

b. belastingen die buiten Nederland in enige vorm naar de winst of het inkomen worden geheven, indien voor de belastingplichtige ter zake daarvan een regeling ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing is.

Artikel 3.2.2.6 In aftrek beperkte algemene kosten


1. Bij het bepalen van de winst komen, onverminderd artikel 3.2.2.5, voor 90% in aftrek kosten en lasten die verband houden met de volgende posten:

a. voedsel, drank en genotmiddelen;

b. representatie, daaronder begrepen recepties, feestelijke bijeenkomsten en vermaak en

c. congressen, seminars, symposia, excursies, studiereizen en dergelijke.


2. Onder de in het eerste lid bedoelde posten worden mede verstaan de desbetreffende reizen en het desbetreffende verblijf.


3. Het eerste lid is niet van toepassing op de in dat lid bedoelde posten voorzover de onderneming direct is gericht op het vervaardigen of het verhandelen van tot die posten behorende goederen, dan wel op het verrichten van diensten in verband met die posten en die posten deel uitmaken van de omzet.


4. Met betrekking tot de kosten en lasten die vallen onder het eerste lid worden, in afwijking in zoverre van artikel 3.2.2.1, ten aanzien van de belastingplichtige zelf geen onttrekkingen in aanmerking genomen.


5. Indien de belastingplichtige daarvoor bij de aangifte kiest, komen, in afwijking van het eerste lid, kosten en lasten die verband houden met de in dat lid genoemde posten, voor een bedrag van € 1 450 (f
3 195) niet in aftrek.


6. Voor de toepassing van het eerste, tweede en vijfde lid worden kosten en lasten die verband houden met de tot het privé_vermogen van de belastingplichtige behorende of door hem in privé gehuurde personenauto's als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992, eerst beperkt tot € 0,27 (f 0,60) per kilometer.


7. Voor de toepassing van het zesde lid worden met de belastingplichtige gelijkgesteld personen die behoren tot zijn huishouden.

Artikel 3.2.2.7 Van aftrek uitgesloten kosten ten behoeve van de belastingplichtige


1. Bij het bepalen van de winst komen mede niet in aftrek kosten en lasten die verband houden met de werkruimte, de inrichting daaronder begrepen, ten behoeve van de belastingplichtige zelf in zijn tot zijn privé-vermogen behorende woning, de aanhorigheden daaronder begrepen, indien:

a. ingeval hij tevens soortgelijke werkruimte buiten die woning ter beschikking heeft, hij het gezamenlijke bedrag van zijn winst uit een of meer ondernemingen, belastbaar loon en belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden niet hoofdzakelijk in de werkruimte in die woning verwerft of

b. ingeval hij niet tevens soortgelijke werkruimte buiten die woning ter beschikking heeft, hij het gezamenlijke bedrag van zijn winst uit een of meer ondernemingen, belastbaar loon en belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden niet hoofdzakelijk in of vanuit de werkruimte in die woning verwerft of niet in belangrijke mate in de werkruimte in die woning verwerft.


2. Bij het bepalen van de winst komen mede niet in aftrek kosten en lasten ten behoeve van de belastingplichtige zelf die verband houden met de volgende posten:

a. telefoonabonnementen met betrekking tot telefoonaansluitingen in zijn woonruimte;

b. literatuur, met uitzondering van vakliteratuur;

c. kleding, met uitzondering van werkkleding;

d. persoonlijke verzorging;

e. premies ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of een buitenlandse regeling die naar aard en strekking daarmee overeenkomt en

f. reizen en verblijf in verband met cursussen en opleidingen voor studie en beroep, alsmede in verband met congressen, seminars, symposia, excursies, studiereizen en dergelijke, voorzover deze meer bedragen dan € 1 500 (f 3 306).


3. Bij het bepalen van de winst komen mede niet in aftrek kosten en lasten die verband houden met tot het privé_vermogen van de belastingplichtige behorende of door hem in privé gehuurde muziekinstrumenten, geluidsapparatuur, gereedschappen, computers en andere dergelijke apparatuur, alsmede beeldapparatuur.


4. Bij het bepalen van de winst komen mede niet in aftrek kosten en lasten die verband houden met vergoeding van arbeid door de partner van de belastingplichtige, indien de vergoeding lager is dan € 5
000 (f 11 019).


5. Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel c, wordt kleding als werkkleding aangemerkt indien zij:

a. uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt is om in het kader van de onderneming te worden gedragen of

b. is voorzien van zodanige uiterlijke kenmerken dat daaruit blijkt dat deze uitsluitend is bestemd om bij het behalen van de winst te worden gedragen.


6. Bij ministeriële regeling kunnen voor het vijfde lid, onderdelen a en b, regels worden gesteld om te bepalen wanneer aan de in die onderdelen gestelde voorwaarden is voldaan.


7. Het tweede lid, onderdelen c en d, is niet van toepassing ten aanzien van de belastingplichtige die optreedt als artiest of als presentator of die als beroep een tak van sport beoefent.


8. Het tweede lid, onderdeel f, is niet van toepassing indien de aard van de door de belastingplichtige verrichte werkzaamheden noodzaakt tot het bijwonen van de desbetreffende cursussen, opleidingen, congressen, seminars, symposia, excursies en dergelijke respectievelijk het maken van de desbetreffende studiereizen.


9. Bij het bepalen van de winst komen mede niet in aftrek:

a. geheven loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen;

b. premies voor buitenlandse verzekeringen die naar aard en strekking overeenkomen met de volksverzekeringen, tenzij de belastingplichtige premieplichtig is voor de volksverzekeringen.


10. Bij het bepalen van de winst komen voorts mede niet in aftrek, renten van schulden, kosten van geldleningen daaronder begrepen, die corresponderen met geldvorderingen als bedoeld in artikel 5.1.3a, eerste en vierde lid.


11. Voor de toepassing van dit artikel worden met de belastingplichtige gelijkgesteld personen die behoren tot zijn huishouden.

Artikel 3.2.2.8 In aftrek beperkte kosten ten behoeve van de belastingplichtige


1. Bij het bepalen van de winst komen, onverminderd de artikelen
3.2.2.5 en 3.2.2.7, kosten en lasten die verband houden met de volgende posten, tot het bij die posten aangegeven gedeelte in aftrek:

a. ten behoeve van de belastingplichtige zelf:


1. verhuizing naar een andere woonruimte: de kosten van het overbrengen van zijn inboedel, vermeerderd met € 5 445 (f 11
999);


2. huisvesting buiten zijn woonplaats: gedurende ten hoogste twee jaar;

b. tot het privé_vermogen van de belastingplichtige behorende of door hem in privé gehuurde personenauto's als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992: €
0,27 (f 0,60) per kilometer.


2. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, onder 1, kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld voor de beoordeling of in ieder geval in het kader van de onderneming is verhuisd.


3. Indien een belastingplichtige uit meer dan een onderneming of werkzaamheid als bedoeld in afdeling 4 winst respectievelijk resultaat behaalt, worden de kosten en lasten van de posten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, gezamenlijk bij één onderneming of werkzaamheid in aanmerking genomen.


4. Voor de toepassing van dit artikel worden met de belastingplichtige gelijkgesteld personen die behoren tot zijn huishouden.

Artikel 3.2.2.8a In aftrek beperkte kosten van woon_werkverkeer van de belastingplichtige


1. Bij het bepalen van de winst komen, onverminderd de artikelen
3.2.2.5, 3.2.2.7 en 3.2.2.8, kosten en lasten van regelmatig woon_werkverkeer in aftrek tot ten hoogste het bedrag bepaald volgens de in de volgende leden opgenomen regels.


2. Voor de belastingplichtige die op ten minste vier dagen per week naar dezelfde plaats van werkzaamheden pleegt te reizen met tot het privé_vermogen behorende of in privé gehuurde personenauto's als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992, wordt het bedrag op jaarbasis bepaald aan de hand van de navolgende tabel:

reisafstand

meer dan

maar niet meer dan

bedrag


-


10 km


0


10 km


15 km

€ 780 (f 1 719)


15 km


20 km

€ 1 092 (f 2 406)


20 km


-

€ 1 560 (f 3 438)


3. Voor de belastingplichtige die op drie dagen, twee dagen of een dag per week naar dezelfde plaats van werkzaamheden pleegt te reizen, geldt het bedrag gelijk aan respectievelijk driekwart, de helft en een kwart van het bedrag, bepaald volgens het tweede lid.


4. Voor de belastingplichtige die naar verschillende plaatsen van werkzaamheden pleegt te reizen, zijn het tweede en het derde lid afzonderlijk van toepassing met betrekking tot het reizen naar elk van die plaatsen. Het voor hem geldende bedrag is gelijk aan de som van de volgens het tweede en het derde lid bepaalde bedragen maar ten hoogste € 1560 (f 3438).


5. Voor de toepassing van dit artikel worden met de belastingplichtige gelijkgesteld personen die behoren tot zijn huishouden.

Artikel 3.2.2.9 Bijtelling privé_gebruik woning


1. Bij het bepalen van de winst met betrekking tot een woning die de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouden, anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat, wordt de waarde van de onttrekking gesteld op het bedrag in het tweede lid.


2. De onttrekking bedraagt bij een woningwaarde van:

meer dan

maar niet meer dan

op jaarbasis


-

€ 12 500 (f 27 546)


1,75% van deze waarde, maar niet minder dan € 136 (f 300)

€ 12 500 (f 27 546)

€ 25 000 (f 55 093)


2,25% van deze waarde

€ 25 000 (f 55 093)

€ 50 000 (f 110 186)


2,5% van deze waarde

€ 50 000 (f 110 186)

€ 75 000 (f 165 278)


2,75% van deze waarde

€ 75 000 (f 165 278)


-


3% van deze waarde, maar ten hoogste € 18 514 (f 40 799)


3. De woningwaarde is de volgens hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor die woning vastgestelde waarde of waarden voor het tijdvak waarbinnen het kalenderjaar valt. Indien een woning deel uitmaakt van een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16 van de Wet waardering onroerende zaken, wordt de woningwaarde gesteld op het gedeelte van de waarde van de onroerende zaak dat kan worden toegerekend aan die woning.


4. Indien met betrekking tot een woning het derde lid geen toepassing kan vinden door het ontbreken van een op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken vastgestelde waarde, is de woningwaarde de waarde van de woning die wordt bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 16 tot en met 19, 20, tweede lid, en 22, derde lid, van die wet en van het derde lid, tweede volzin.


5. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder woning mede verstaan een duurzaam aan een plaats gebonden schip.

Artikel 3.2.2.10 Bijtelling privé_gebruik auto


1. Indien aan de belastingplichtige ook voor privé_doeleinden een auto ter beschikking staat, wordt op jaarbasis ten minste 25% van de waarde van de auto als onttrekking in aanmerking genomen. De auto wordt in ieder geval geacht ook voor privé_doeleinden ter beschikking te staan tenzij blijkt dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé_doeleinden wordt gebruikt.


2. Indien blijkt dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé_doeleinden wordt gebruikt, wordt de onttrekking gesteld op nihil.


3. Indien het aantal op jaarbasis voor privé_doeleinden gereden kilometers blijkt uit een rittenregistratie, wordt de onttrekking:

a. indien dit aantal meer is dan 500 maar niet meer dan 4000, gesteld op ten minste 15% van de waarde van de auto;

b. indien dit aantal meer is dan 4000 maar niet meer dan 7000, gesteld op ten minste 20% van de waarde van de auto.


4. Voor de toepassing van dit artikel en de daarop berustende bepalingen wordt onder auto verstaan een personenauto of bestelauto als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992, met uitzondering van de bestelauto die door aard of inrichting uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt blijkt te zijn voor vervoer van goederen.


5. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor het laten blijken dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé_doeleinden wordt gebruikt. Daarbij kunnen regels worden gesteld waaraan de rittenregistratie moet voldoen.


6. De waarde is:

a. van een personenauto: de catalogusprijs met inbegrip van de omzetbelasting en de belasting van personenauto's en motorrijwielen;

b. van een bestelauto: de catalogusprijs met inbegrip van de omzetbelasting;

c. van een personenauto of bestelauto die meer dan vijftien jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen: de waarde in het economische verkeer.


7. De onttrekking wordt in aanmerking genomen voorzover zij uitgaat boven de bedragen die de belastingplichtige ter zake van de kosten en lasten van de auto voor eigen rekening heeft genomen.


8. Voor de toepassing van dit artikel wordt woon_werkverkeer geacht niet voor privé-doeleinden plaats te vinden.

Artikel 3.2.2.10a Bonusaandelen van beleggingsinstellingen

Bij het bepalen van de winst wordt mede in aanmerking genomen de nominale waarde van aandelen die worden uitgereikt door een lichaam dat wordt aangemerkt als beleggingsinstelling als bedoeld in artikel
28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, voorzover niet blijkt dat storting heeft plaatsgevonden of zal plaatsvinden. Bijschrijving op die aandelen wordt met uitreiking van aandelen gelijkgesteld.

Artikel 3.2.2.11 Winst uit zeescheepvaart aan de hand van tonnage


1. Op verzoek van de belastingplichtige wordt, in afwijking van de artikelen 3.2.2.1 tot en met 3.2.2.10 en 3.2.2.14 tot en met 3.2.2.54, de winst uit zeescheepvaart bepaald aan de hand van de tonnage van de schepen waarmee die winst wordt behaald.


2. Het verzoek wordt gedaan in het eerste jaar waarin de belastingplichtige uit de desbetreffende onderneming winst uit zeescheepvaart geniet, dan wel in het tiende jaar of een veelvoud daarvan nadien. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking.


3. Bij inwilliging van het verzoek geldt dit met ingang van het jaar waarin het verzoek is gedaan en tot wederopzegging door de belastingplichtige, waarbij wederopzegging alleen mogelijk is met ingang van het tiende jaar of een veelvoud daarvan na het einde van het jaar met ingang waarvan de winst uit zeescheepvaart wordt bepaald aan de hand van de tonnage.


4. Voor de toepassing van dit artikel, artikel 3.2.2.12 en artikel
3.2.2.13 wordt onder winst uit zeescheepvaart verstaan:

a. de winst behaald met de exploitatie van een schip voor het vervoer van zaken of personen in het internationale verkeer over zee dan wel voor het vervoer van zaken of personen over zee ten behoeve van de exploratie of exploitatie van natuurlijke rijkdommen op zee, alsmede de winst behaald met de exploitatie van een schip voor het verrichten van sleep_ of hulpverleningswerkzaamheden op zee aan schepen als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Schepenwet en

b. de winst behaald met de werkzaamheden die direct samenhangen met de in onderdeel a bedoelde exploitatie van een schip.


5. Voor de toepassing van dit artikel, artikel 3.2.2.12 en artikel
3.2.2.13 is sprake van exploitatie van een schip, indien de belastingplichtige:

a. in Nederland in belangrijke mate het beheer verricht van een schip dat hij:


1. in eigendom heeft of mede in eigendom heeft, met uitzondering van schepen die hij in rompbevrachting heeft gegeven, dan wel


2. in rompbevrachting houdt;

b. in Nederland hoofdzakelijk het commerciële beheer verricht van een schip voor een ander, mits het jaartotaal van de netto dagtonnages van de schepen waarvoor hij deze werkzaamheden verricht niet meer bedraagt dan driemaal het jaartotaal van de netto dagtonnages van de schepen die hij beheert op een wijze als bedoeld in onderdeel a, waarbij de schepen die hij mede in eigendom heeft alleen meetellen indien die mede_eigendom ten minste 5% beloopt of

c. een schip in tijd_ of reischarter houdt, mits het jaartotaal van de netto dagtonnages van de schepen die hij in tijd_ of reischarter houdt niet meer bedraagt dan driemaal het jaartotaal van de netto dagtonnages van de schepen die hij beheert op een wijze als bedoeld in onderdeel a, waarbij schepen die hij mede in eigendom heeft alleen meetellen indien die mede_eigendom ten minste 5% beloopt.


6. Indien de voor rekening van de belastingplichtige gedreven onderneming deel uitmaakt van een samenwerkingsverband met een of meer andere natuurlijke personen of rechtspersonen, worden voor de beoordeling of bij de belastingplichtige sprake is van exploitatie van een schip als bedoeld in het vijfde lid, de werkzaamheden die door die anderen ten behoeve van het samenwerkingsverband plaatsvinden, toegerekend aan de belastingplichtige.


7. Voor de toepassing van dit artikel, artikel 3.2.2.12 en artikel
3.2.2.13, kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld.

Artikel 3.2.2.12 Bepaling van de winst aan de hand van de tonnage


1. Bij inwilliging van het in artikel 3.2.2.11, eerste lid, bedoelde verzoek wordt de in een kalenderjaar genoten winst uit zeescheepvaart per schip vastgesteld aan de hand van de in de volgende tabel aangegeven bedragen per dag.

Bedrag per dag per 1000 nettoton

€ 9,08 (f 20)

tot 1000 nettoton

€ 6,81 (f 15)

voor het meerdere tot 10 000 nettoton

€ 4,54 (f 10)

voor het meerdere tot 25 000 nettoton

€ 2,27 (f 5)

voor het meerdere boven 25 000 nettoton


2. Bij inwilliging van het verzoek wordt tot de winst van het jaar waarin het verzoek wordt gedaan, mede gerekend het gezamenlijke bedrag
- dat is bepaald naar de toestand op het tijdstip dat onmiddellijk aan dat jaar voorafgaat - van:

a. de op grond van de artikelen 3.2.2.43 en 3.2.2.44 gevormde reserves van de onderneming die verband houden met de zeescheepvaart en

b. een bedrag ter grootte van het positieve verschil tussen de waarde die in het economische verkeer wordt toegekend aan de zaken die door de onderneming worden gebruikt voor het behalen van winst uit zeescheepvaart en de waarde waarvoor deze zaken op dat tijdstip te boek zijn gesteld.


3. Het in het tweede lid bedoelde gezamenlijke bedrag blijft buiten aanmerking voorzover dit het bedrag waarvoor de belastingplichtige op het in de aanhef van dat lid bedoelde tijdstip aanspraak kan maken op verrekening van verliezen volgens afdeling 12, te boven gaat. De inspecteur stelt het bedrag dat buiten aanmerking blijft, per onderneming vast bij voor bezwaar vatbare beschikking.

Artikel 3.2.2.13 Beëindiging bepaling van de winst aan de hand van de tonnage


1. Het bedrag dat op grond van artikel 3.2.2.12, derde lid, buiten aanmerking is gebleven, wordt alsnog tot de winst gerekend indien de belastingplichtige - anders dan door overlijden - binnen tien jaar na het tijdstip met ingang waarvan de winst uit zeescheepvaart wordt bepaald aan de hand van de tonnage, de onderneming waarmee in Nederland winst uit zeescheepvaart wordt behaald, voor het geheel of voor een gedeelte staakt. In geval van staking voor een gedeelte wordt het in de vorige volzin bedoelde bedrag alleen tot de winst gerekend voorzover dat betrekking heeft op dat gedeelte. Het bedrag dat alsnog tot de winst wordt gerekend, wordt geacht te zijn genoten ten tijde van de staking.


2. Een schip dat wordt gebruikt voor het behalen van winst uit zeescheepvaart wordt, op het tijdstip waarop de winst uit dat schip niet meer wordt bepaald aan de hand van de tonnage, gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer verminderd - maar niet verder dan tot nihil - met het bedrag dat met betrekking tot dat schip ingevolge artikel 3.2.2.12, derde lid, buiten aanmerking is gebleven, tenzij tien jaren na het tijdstip met ingang waarvan de winst uit dat schip aan de hand van de tonnage wordt bepaald, zijn verstreken.


3. De zaken die worden gebruikt voor het behalen van winst uit zeescheepvaart, worden op het tijdstip waarop na wederopzegging artikel 3.2.2.11, eerste lid niet meer van toepassing is, te boek gesteld voor de waarde in het economische verkeer.


4. Voor de toepassing van het eerste lid wordt niet als staking aangemerkt een doorschuiving bij ontbinding van de huwelijksgemeenschap als bedoeld in artikel 3.2.2.49, een doorschuiving in de familiesfeer als bedoeld in artikel 3.2.2.53 of een omzetting als bedoeld in artikel 3.2.2.54 mits de belastingplichtige, alsmede in geval van een doorschuiving tevens degene aan wie is overgedragen, dit verzoekt. In dat geval wordt degene aan wie is overgedragen, respectievelijk de vennootschap waarin de onderneming is omgezet, voor de toepassing van dit artikel en de artikelen 3.2.2.11 en 3.2.2.12 geacht in de plaats te zijn getreden van de belastingplichtige.

Artikel 3.2.2.14 Jaarwinst

De in een kalenderjaar genoten winst wordt bepaald volgens goed koopmansgebruik, met inachtneming van een bestendige gedragslijn die onafhankelijk is van de vermoedelijke uitkomst. De bestendige gedragslijn kan alleen worden gewijzigd indien goed koopmansgebruik dit rechtvaardigt.

Artikel 3.2.2.15 Loon_ en prijswijzigingen na afloop jaar


1. Bij het bepalen van de in een kalenderjaar genoten winst blijven kosten en lasten voorzover deze, al dan niet door tussenkomst van derden, rechtstreeks of zijdelings verband houden met wijzigingen in de hoogte van lonen of prijzen na afloop van het jaar, buiten aanmerking, ook al zou de omvang van deze kosten en lasten reeds bij het einde van het jaar vaststaan.


2. De in het eerste lid bedoelde kosten en lasten komen in aanmerking bij het bepalen van de winst van de op het kalenderjaar volgende jaren en wel naar gelang de wijzigingen optreden.


3. Ten aanzien van een onderneming die het schadeverzekeringsbedrijf uitoefent, is het eerste lid niet van toepassing op kosten en lasten die betrekking hebben op overeenkomsten van schadeverzekering, voorzover uit de overeenkomsten verplichtingen voortvloeien ter zake van schaden aan de gezondheid van natuurlijke personen.

Artikel 3.2.2.16 Loon_ en prijswijzigingen na afloop jaar en betaling


1. De in artikel 3.2.2.15 bedoelde kosten en lasten worden in afwijking van dat artikel uiterlijk in aanmerking genomen in het jaar van betaling. Daarbij wordt een betaling vóór de aanvang van het kalenderjaar of binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar gelijkgesteld met een betaling in het jaar.


2. Het eerste lid is voor pensioenvoorzieningen - voorzover niet uitgezonderd in het derde lid - van toepassing indien de betalingen plaatsvinden in de vorm van krachtens een pensioenregeling verschuldigde premies of koopsommen aan een pensioenfonds of een verzekeringsmaatschappij. Daarbij blijft het in de premies of koopsommen begrepen bestanddeel voor toekomstige wijzigingen in de hoogte van lonen of prijzen buiten aanmerking voorzover dit bestanddeel uitgaat boven het bedrag dat nodig is om de opgebouwde pensioenrechten, ter zake waarvan aan het fonds of de maatschappij geen premies of koopsommen meer moeten worden betaald, te kunnen aanpassen aan een wijziging in de hoogte van lonen of prijzen van 4% per jaar.


3. Het eerste lid is voor pensioenvoorzieningen alleen van toepassing op betalingen die worden verricht aan een lichaam dat:

a. bevoegd is het directe verzekeringsbedrijf, bedoeld in de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, uit te oefenen of

b. volgens artikel 5, onderdeel b, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 is vrijgesteld van die belasting.


4. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld, volgens welke, zo nodig onder te stellen voorwaarden, kan worden afgeweken van het tweede en het derde lid.

Artikel 3.2.2.17 Loon_ en prijswijzigingen na afloop jaar en rekenrente pensioenvoorzieningen

Voor de toepassing van de artikelen 3.2.2.15 en 3.2.2.16 wordt een verband met wijzigingen in de hoogte van lonen of prijzen na afloop van het jaar ten aanzien van kosten en lasten die betrekking hebben op pensioenvoorzieningen, niet aanwezig geacht, indien die kosten en lasten betrekking hebben op een pensioengrondslag die is gebaseerd op een loon dat niet uitgaat boven het loon bij het einde van het jaar, en bij de berekening van die kosten en lasten in feite een rekenrente in aanmerking is genomen van ten minste 4%.

Artikel 3.2.2.18 Waardering pensioenverplichtingen en soortgelijke verplichtingen

De waardering van pensioenverplichtingen en andere soortgelijke verplichtingen vindt plaats met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen, waarbij een rekenrente in aanmerking wordt genomen van ten minste 4%.

Artikel 3.2.2.19 Afschrijving op bedrijfsmiddelen


1. De afschrijving op goederen die voor het drijven van een onderneming worden gebruikt (bedrijfsmiddelen), wordt jaarlijks gesteld op het gedeelte van de nog niet afgeschreven aanschaffings_ of voortbrengingskosten dat aan het kalenderjaar kan worden toegerekend.


2. De werkelijke aanschaffings_ of voortbrengingskosten van voorwerpen van geringe waarde, waarvan de aanschaffings_ of voortbrengingskosten gewoonlijk tot de lopende uitgaven van een onderneming worden gerekend, worden in het kalenderjaar van aanschaffing of voortbrenging ineens afgeschreven.

Artikel 3.2.2.20 Willekeurige afschrijving milieu_bedrijfsmiddelen


1. De aanschaffings_ of voortbrengingskosten van bedrijfsmiddelen die zijn aangewezen als bedrijfsmiddelen die in het belang zijn van de bescherming van het Nederlandse milieu (milieu_bedrijfsmiddelen) kunnen door de belastingplichtige willekeurig worden afgeschreven.


2. Bij ministeriële regeling kunnen milieu_bedrijfsmiddelen worden aangewezen door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in overeenstemming met Onze Minister en na overleg met Onze Minister van Economische Zaken.


3. Als milieu_bedrijfsmiddelen kunnen uitsluitend worden aangewezen bedrijfsmiddelen die in Nederland nog niet gangbaar zijn, niet eerder zijn gebruikt en er in belangrijke mate toe kunnen bijdragen dat de nadelige gevolgen voor het Nederlandse milieu van menselijke activiteiten - daaronder begrepen het verbruik van energie en grondstoffen - in de vorm van verontreiniging, aantasting of uitputting worden voorkomen, beperkt of ongedaan gemaakt.


4. Op milieu_bedrijfsmiddelen die bestemd zijn om te worden gebruikt buiten Nederland, kan alleen willekeurig worden afgeschreven indien op een door de belastingplichtige gedaan schriftelijk verzoek door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer is verklaard dat het gebruik van de bedrijfsmiddelen in belangrijke mate kan bijdragen aan de bescherming van het Nederlandse milieu. Het verzoek wordt gedaan binnen een door Onze Minister te stellen termijn.

Artikel 3.2.2.21 Willekeurige afschrijving arbo_bedrijfsmiddelen


1. De aanschaffings_ of voortbrengingskosten van bedrijfsmiddelen die zijn aangewezen als bedrijfsmiddelen die in het belang zijn van de arbeidsomstandigheden (arbo_bedrijfsmiddelen) kunnen door de belastingplichtige willekeurig worden afgeschreven.


2. Bij ministeriële regeling kunnen arbo_bedrijfsmiddelen worden aangewezen door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in overeenstemming met Onze Minister.

Artikel 3.2.2.22 Willekeurige afschrijving T&O_bedrijfsmiddelen


1. De aanschaffings_ of voortbrengingskosten van bedrijfsmiddelen die zijn aangewezen als bedrijfsmiddelen met een hoogwaardig technologisch karakter of als bedrijfsmiddelen bestemd om gebruikt te worden bij onderzoek en ontwikkeling (T&O_bedrijfsmiddelen) kunnen door de belastingplichtige willekeurig worden afgeschreven.


2. Bij ministeriële regeling kunnen T&O_bedrijfsmiddelen worden aangewezen door Onze Minister van Economische Zaken in overeenstemming met Onze Minister.

Artikel 3.2.2.23 Willekeurige afschrijving andere aangewezen bedrijfsmiddelen


1. De aanschaffings_ of voortbrengingskosten van bedrijfsmiddelen die door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken of Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bij ministeriële regeling zijn aangewezen (andere aangewezen bedrijfsmiddelen) kunnen door de belastingplichtige willekeurig worden afgeschreven.


2. Als andere aangewezen bedrijfsmiddelen kunnen uitsluitend worden aangewezen bedrijfsmiddelen die in het belang zijn van:

a. de bevordering van de economische ontwikkeling of de economische structuur, daaronder begrepen de bevordering van het ondernemerschap;

b. de ontwikkeling van de culturele infrastuctuur;

c. de ontwikkeling van bij die regeling aangewezen gebieden met een zwakke economische structuur.


3. In de in het eerste lid bedoelde ministeriële regeling kan worden bepaald dat de willekeurige afschrijving wordt beperkt tot aangewezen gebieden of tot aangewezen groepen van belastingplichtigen. Daarbij kunnen nadere voorwaarden worden gesteld.

Artikel 3.2.2.24 Aanvang willekeurige afschrijving

Willekeurige afschrijving is mogelijk zodra ter zake van de verwerving of verbetering van het bedrijfsmiddel verplichtingen zijn aangegaan of ter zake van het bedrijfsmiddel voortbrengingskosten zijn gemaakt. Het bedrag van de willekeurige afschrijving kan voor de ingebruikneming van het bedrijfsmiddel niet groter zijn dan het bedrag dat ter zake van de verplichtingen is betaald, of aan voortbrengingskosten is gemaakt.

Artikel 3.2.2.25 Administratieve verplichtingen willekeurige afschrijving


1. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat willekeurige afschrijving alleen mogelijk is indien:

a. bij de administratie van de onderneming een afschrift van de verklaring omtrent de juistheid en de volledigheid van de vermelde gegevens omtrent het bedrijfsmiddel is gevoegd, afgegeven door een registeraccountant of accountant_administratieconsulent, en

b. de aangegane verplichtingen of de in het jaar gemaakte voortbrengingskosten zijn aangemeld bij en de accountantsverklaring is ingediend bij Onze Minister.


2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste lid, en wel

a. indien het milieu_bedrijfsmiddelen betreft: in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

b. indien het arbo_bedrijfsmiddelen betreft: in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

c. indien het T&O_bedrijfsmiddelen betreft: in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en

d. indien het andere aangewezen bedrijfsmiddelen betreft: in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken respectievelijk met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Artikel 3.2.2.26 Mogelijkheid verplichte verklaring bij willekeurige afschrijving


1. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat de willekeurige afschrijving op arbo_bedrijfsmiddelen, T&O_bedrijfsmiddelen of andere aangewezen bedrijfsmiddelen alleen van toepassing is indien op een door de belastingplichtige gedaan verzoek door Onze eerstgenoemde Minister is verklaard dat sprake is van een aangewezen bedrijfsmiddel. Bij die regeling kunnen tevens nadere regels worden gesteld met betrekking tot de verklaring.


2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder Onze eerstgenoemde Minister verstaan Onze Minister die als eerste is genoemd in het artikel dat de aanwijzingsbevoegdheid met betrekking tot de desbetreffende bedrijfsmiddelen bevat en bij de andere aangewezen bedrijfsmiddelen Onze Minister van Economische Zaken respectievelijk Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.


3. Tegen de in het eerste lid bedoelde verklaring staat beroep open bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Tegen een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven kunnen de belanghebbende en Onze eerstgenoemde Minister beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van het eerste lid met betrekking tot het begrip bedrijfsmiddelen. Op dit beroep zijn de voorschriften betreffende het beroep in cassatie tegen uitspraken van de gerechtshoven inzake beroepen in belastingzaken van overeenkomstige toepassing, waarbij het College van Beroep voor het bedrijfsleven de plaats inneemt van een gerechtshof.

Artikel 3.2.2.27 Terugnemen willekeurige afschrijving

Indien op een bedrijfsmiddel willekeurig is afgeschreven en op enig tijdstip binnen een bij ministeriële regeling te bepalen periode niet langer wordt voldaan aan de bij of krachtens de artikelen 3.2.2.20 tot en met 3.2.2.23 gestelde voorwaarden met betrekking tot dat bedrijfsmiddel, wordt op dat tijdstip de boekwaarde van het bedrijfsmiddel gesteld op de boekwaarde die zou zijn bereikt indien geen willekeurige afschrijving zou hebben plaatsgevonden.

Artikel 3.2.2.28 Toepasselijk regime afschrijvingen

Afschrijving op bedrijfsmiddelen vindt plaats volgens de regels voor het tijdvak waarin voor de verwerving of de verbetering van het bedrijfsmiddel verplichtingen zijn aangegaan of voortbrengingskosten zijn gemaakt.

Artikel 3.2.2.29 Investeringsaftrek

Indien wordt geïnvesteerd in bedrijfsmiddelen kan door de belastingplichtige naast de afschrijvingen een deel van het investeringsbedrag aanvullend ten laste van de winst worden gebracht (investeringsaftrek). Investeringsaftrek kan de vorm hebben van kleinschaligheidsinvesteringsaftrek en van energie_investeringsaftrek.

Artikel 3.2.2.30 Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek


1. Indien in een kalenderjaar wordt geïnvesteerd in bedrijfsmiddelen, en de belastingplichtige daarvoor bij de aangifte kiest, wordt een in het tweede lid aangewezen percentage van het investeringsbedrag ten laste gebracht van de winst over dat jaar
(kleinschaligheidsinvesteringsaftrek).


2. Bij een investeringsbedrag in een kalenderjaar van:

meer dan

maar niet meer dan

bedraagt het percentage


-

€ 1 700 (f 3 746)


0

€ 1 700 (f 3 746)

€ 29 000 (f 63 908)


24

€ 29 000 (f 63 908)

€ 57 000 (f 125 611)


21

€ 57 000 (f 125 611)

€ 85 000 (f 187 315)


19

€ 85 000 (f 187 315)

€ 113 000 (f 249 019)


16

€ 113 000 (f 249 019)

€ 140 000 (f 308 519)


13

€ 140 000 (f 308 519)

€ 168 000 (f 370 223)


11

€ 168 000 (f 370 223)

€ 196 000 (f 431 927)


8

€ 196 000 (f 431 927)

€ 225 000 (f 495 835)


5

€ 225 000 (f 495 835)

€ 252 000 (f 555 335)


3

€ 252 000 (f 555 335)


-


0


3. Indien de onderneming van de belastingplichtige deel uitmaakt van een samenwerkingsverband met een of meer andere belastingplichtigen die daarbij winst uit onderneming genieten of belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting, worden voor de toepassing van het tweede lid hun investeringen voor het samenwerkingsverband samengeteld.

Artikel 3.2.2.31 Energie_investeringsaftrek


1. Indien in een kalenderjaar in een onderneming die de ondernemer voor eigen rekening drijft, wordt geïnvesteerd in niet eerder gebruikte bedrijfsmiddelen met betrekking waartoe op een door de ondernemer gedaan verzoek door Onze Minister van Economische Zaken is verklaard dat sprake is van energie_investeringen, en de ondernemer daarvoor bij de aangifte kiest, wordt een in het derde lid aangewezen percentage van het bedrag aan energie_investeringen ten laste gebracht van de winst over dat jaar (energie_investeringsaftrek).


2. Energie_investeringen zijn investeringen die door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en na overleg met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer bij ministeriële regeling zijn aangewezen als investeringen die in het belang zijn van een doelmatig gebruik van energie.


3. Bij een bedrag aan energie_investeringen in een kalenderjaar van:

meer dan

maar niet meer dan

bedraagt het percentage


-

€ 1 700 (f 3 746)


0

€ 1 700 (f 3 746)

€ 29 000 (f 63 908)


52,0

€ 29 000 (f 63 908)

€ 57 000 (f 125 611)


50,5

€ 57 000 (f 125 611)

€ 85 000 (f 187 315)


49,0

€ 85 000 (f 187 315)

€ 113 000 (f 249 019)


47,5

€ 113 000 (f 249 019)

€ 140 000 (f 308 519)


46,0

€ 140 000 (f 308 519)

€ 168 000 (f 370 223)


44,5

€ 168 000 (f 370 223)

€ 196 000 (f 431 927)


43,0

€ 196 000 (f 431 927)

€ 225 000 (f 495 835)


41,5

€ 225 000 (f 495 835)


-


40,0


4. Indien de onderneming die de ondernemer voor eigen rekening drijft deel uitmaakt van een samenwerkingsverband met een of meer andere ondernemers die daarbij voor eigen rekening een onderneming drijven of belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting, worden voor de toepassing van het derde lid hun energie_investeringen voor het samenwerkingsverband samengeteld.


5. Als bedrag aan energie_investeringen wordt ten hoogste in aanmerking genomen:

a. indien de onderneming die de ondernemer voor eigen rekening drijft geen deel uitmaakt van een samenwerkingsverband als bedoeld in het vierde lid: € 93 000 000 (f 204 945 030);

b. indien de onderneming die de ondernemer voor eigen rekening drijft wel deel uitmaakt van een zodanig samenwerkingsverband: € 93 000
000 (f 204 945 030) vermenigvuldigd met het bedrag aan energie_investeringen van de ondernemer en gedeeld door het gezamenlijke bedrag aan energie_investeringen van de ondernemer en de bedoelde andere deelnemers aan het samenwerkingsverband.


6. De energie_investeringsaftrek is van toepassing indien de energie_investering is aangemeld bij Onze Minister.


7. Bij ministeriële regeling kunnen:

a. in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken regels worden gesteld met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde verklaring en

b. regels worden gesteld met betrekking tot het zesde lid.


8. Tegen de in het eerste lid bedoelde verklaring staat beroep open bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Tegen een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven kunnen de belanghebbende en Onze Minister van Economische Zaken beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van de begrippen investeren en bedrijfsmiddelen. Op dit beroep zijn de voorschriften betreffende het beroep in cassatie tegen uitspraken van de gerechtshoven inzake beroepen in belastingzaken van overeenkomstige toepassing, waarbij het College van Beroep voor het bedrijfsleven de plaats inneemt van een gerechtshof.

Artikel 3.2.2.32 Begrip investeren


1. Onder investeren wordt verstaan het aangaan van verplichtingen ter zake van de aanschaffing of de verbetering van een bedrijfsmiddel, alsmede het maken van voortbrengingskosten ter zake van een bedrijfsmiddel, voorzover die verplichtingen en kosten op de belastingplichtige drukken.


2. Onze Minister kan bepalen dat met investeren tot door hem vast te stellen bedragen wordt gelijkgesteld het wijzigen van de bestemming van een bedrijfsmiddel als bedoeld in artikel 3.2.2.34, eerste lid, onderdeel b, onder 2, zodanig dat het bedrijfsmiddel voortaan hoofdzakelijk wordt gebruikt voor het in Nederland drijven van een onderneming of gedeelte van een onderneming.

Artikel 3.2.2.33 Investeringsaftrek bij nog niet in gebruik genomen bedrijfsmiddelen


1. Indien bij het einde van het kalenderjaar het bedrijfsmiddel nog niet in gebruik is genomen en de investeringsaftrek zou uitgaan boven wat bij het einde van dat kalenderjaar ter zake van de investering is betaald, wordt in afwijking in zoverre van de artikelen 3.2.2.30 en
3.2.2.31 een bedrag gelijk aan de betaling in aanmerking genomen en wordt het meerdere in aanmerking genomen in de volgende kalenderjaren en wel voorzover betalingen plaatsvinden, maar niet later dan in het kalenderjaar waarin het bedrijfsmiddel in gebruik wordt genomen.


2. Bij het staken van de onderneming en bij de eindafrekening als bedoeld in artikel 3.2.2.51 wordt de investeringsaftrek voor het geheel in aanmerking genomen in het jaar van staking, respectievelijk eindafrekening.

Artikel 3.2.2.34 Uitgesloten bedrijfsmiddelen voor investeringsaftrek


1. Voor de investeringsaftrek behoren niet tot de bedrijfsmiddelen:

a. bedrijfsmiddelen waarvan het investeringsbedrag minder bedraagt dan € 450 (f 992);

b. bedrijfsmiddelen die zijn bestemd om - direct of indirect - hoofdzakelijk te worden gebruikt:


1. voor de uitoefening van het bosbedrijf als bedoeld in artikel
3.2.2.2, eerste lid, tenzij de voordelen daaruit volgens artikel
3.2.2.2, tweede lid, tot de winst behoren;


2. voor het drijven van een onderneming, of een gedeelte van een onderneming, op de winst waarvan een regeling ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing is;

c. gronden, met inbegrip van de ondergrond van gebouwen, met uitzondering van verbetering van grond indien de verbeteringskosten plegen te worden afgeschreven;

d. woonhuizen en woonschepen, met inbegrip van de gedeelten van andere zaken die dienen voor bewoning;

e. personenauto's als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992, die niet zijn bestemd voor het beroepsvervoer over de weg;

f. vaartuigen als bedoeld in artikel 3.2.2.5, eerste lid, onderdeel b;

g. effecten, vorderingen, goodwill alsmede vergunningen, ontheffingen, concessies en andere dispensaties van publiekrechtelijke aard en

h. dieren.


2. Voor de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek behoren tot de bedrijfsmiddelen mede niet bedrijfsmiddelen die zijn bestemd om - direct of indirect - hoofdzakelijk ter beschikking te worden gesteld aan derden.


3. Voor de energie_investeringsaftrek behoren tot de bedrijfsmiddelen mede niet bedrijfsmiddelen die zijn bestemd om - direct of indirect - hoofdzakelijk ter beschikking te worden gesteld aan:

a. niet in Nederland wonende natuurlijke personen of gevestigde lichamen of

b. natuurlijke personen of lichamen voor het drijven van een onderneming of een gedeelte van een onderneming, op de winst waarvan een regeling ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing is.


4. Onze Minister kan bepalen dat het eerste lid, onderdeel b, onder 2, en het derde lid niet van toepassing zijn.

Artikel 3.2.2.35 Uitgesloten verplichtingen voor investeringsaftrek


1. Voor de investeringsaftrek worden niet in aanmerking genomen verplichtingen aangegaan tussen:

a. personen die behoren tot het huishouden van de belastingplichtige;

b. bloed_ of aanverwanten in de rechte lijn of personen die behoren tot hun huishouden;

c. gerechtigden tot een nalatenschap waartoe het bedrijfsmiddel behoort of

d. degene die voor ten minste een derde gedeelte belang heeft in een lichaam en dat lichaam.


2. Onze Minister kan bepalen dat het eerste lid niet van toepassing is.

Artikel 3.2.2.36 Desinvesteringsbijtelling


1. Indien in een kalenderjaar tegen overdrachtsprijzen voor een bedrag van meer dan € 1 700 (f 3 746) aan goederen wordt vervreemd, wordt van de overdrachtsprijzen een gelijk percentage als ter zake van de investering in die goederen als investeringsaftrek in aanmerking is genomen, ten bate van de winst over dat jaar gebracht (desinvesteringsbijtelling).


2. Desinvesteringsbijtelling heeft alleen plaats voorzover de vervreemding plaatsvindt binnen vijf jaar na het begin van het kalenderjaar waarin de investering heeft plaatsgevonden en wordt over geen hoger bedrag berekend dan het investeringsbedrag voorzover daarover investeringsaftrek in aanmerking is genomen.


3. Met vervreemding wordt gelijkgesteld:

a. het onttrekken van een goed aan de onderneming;

b. het wijzigen van de bestemming van een goed zodanig dat dit gaat voldoen aan de omschrijving van artikel 3.2.2.34, tweede en derde lid, en

c. het wijzigen van de bestemming van een goed zodanig dat dit gaat voldoen aan de omschrijving van artikel 3.2.2.34, eerste lid, onderdeel b, onder 2.


4. Voor de toepassing van het derde lid geldt de waarde in het economische verkeer van het goed als overdrachtsprijs.


5. Indien een investering ongedaan wordt gemaakt, of voor een investering een vermindering, teruggaaf of vergoeding wordt genoten, geldt dat als vervreemding van een goed en geldt het bedrag van die investering, vermindering, teruggaaf of vergoeding als overdrachtsprijs.


6. Onder ongedaan maken van een investering wordt mede verstaan:

a. het niet betaald zijn binnen twaalf maanden na het aangaan van de verplichting van ten minste 25% van het investeringsbedrag ter zake van die verplichting, tenzij het bedrijfsmiddel binnen die periode in gebruik is genomen en

b. het niet in gebruik genomen zijn van een bedrijfsmiddel binnen drie jaar na het begin van het kalenderjaar waarin de investering is gedaan.


7. Onze Minister kan bepalen dat het derde lid, onderdeel c, of het zesde lid niet van toepassing is.

Artikel 3.2.2.37 Scholingsaftrek


1. Indien in een kalenderjaar kosten en lasten van scholing van in de onderneming werkzame personen bij een ondernemer in aftrek komen bij het bepalen van de winst over dat jaar, en de ondernemer hiervoor bij de aangifte kiest, wordt een volgens het tweede tot en met zesde lid bepaald bedrag aanvullend ten laste gebracht van de winst over dat jaar (scholingsaftrek).


2. De scholingsaftrek bedraagt 20% van de in het eerste lid bedoelde kosten en lasten.


3. Indien het totaal van de in het eerste lid bedoelde kosten en lasten niet uitkomt boven € 116 000 (f 255 630) wordt de scholingsaftrek - tot en met een bedrag van € 28 000 (f 61 704) aan kosten en lasten - verhoogd met 20%.


4. De scholingsaftrek wordt voorts verhoogd met 40% van de kosten en lasten die betrekking hebben op scholing van in de onderneming werkzame personen van 40 jaar en ouder.


5. Als bedrag aan scholingsaftrek wordt ten hoogste in aanmerking genomen: € 2 270 000 (f 5 002 422).


6. Indien de onderneming van de ondernemer deel uitmaakt van een samenwerkingsverband met een of meer andere belastingplichtigen die daarbij als ondernemer winst uit onderneming genieten of belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting:

a. worden voor de toepassing van het derde lid de in dat lid genoemde grensbedragen aan kosten en lasten vermenigvuldigd met het bedrag aan in het eerste lid bedoelde kosten en lasten van de ondernemer en gedeeld door het gezamenlijk bedrag aan zodanige kosten en lasten van de ondernemer en de bedoelde andere deelnemers aan het samenwerkingsverband.

b. wordt voor de toepassing van het vijfde lid het in dat lid genoemde maximumbedrag van de aftrek vermenigvuldigd met het bedrag aan in het eerste lid bedoelde kosten en lasten van de ondernemer en gedeeld door het gezamenlijk bedrag aan zodanige kosten en lasten van de ondernemer en de bedoelde andere deelnemers aan het samenwerkingsverband.


7. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder scholing verstaan: cursussen alsmede opleidingen of studies voor een beroep.


8. Onder kosten en lasten van scholing van in de onderneming werkzame personen wordt mede verstaan bijdragen aan fondsen die zich geheel of nagenoeg geheel bezighouden met de financiering van scholing en aanverwante activiteiten voorzover die bijdragen zijn verschuldigd op grond van een collectieve arbeidsovereenkomst en door het fonds worden benut voor scholing.

Artikel 3.2.2.38 Delegatiebepaling scholingsaftrek

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld:

a. met betrekking tot door de ondernemer zelf verzorgde scholing, ter bepaling van de daaraan toe te rekenen kosten en lasten en het gedeelte daarvan dat kan worden toegerekend aan in de onderneming werkzame personen van 40 jaar en ouder en

b. ter bevordering van een goede uitvoering van artikel 3.2.2.37, achtste lid, daaronder begrepen regels ter bepaling van het gedeelte van de bijdragen dat kan worden toegerekend aan in de onderneming werkzame personen van 40 jaar en ouder.

Artikel 3.2.2.39 Scholingsbijtelling

Indien in een kalenderjaar een scholingsaftrek ten laste van de winst is gebracht en met betrekking tot daaraan ten grondslag liggende kosten en lasten in een volgend jaar een vermindering, teruggaaf of vergoeding wordt genoten, wordt een gelijk percentage daarvan als ter zake van die kosten en lasten als scholingsaftrek in aanmerking is genomen, ten bate gebracht van de winst over dat volgende jaar (scholingsbijtelling).

Artikel 3.2.2.40 Toepasselijk regime investeringsaftrek en scholingsaftrek


1. De investeringsaftrek en de desinvesteringsbijtelling vinden plaats volgens de regels voor het tijdvak waarin de investering heeft plaatsgevonden.


2. De scholingsaftrek en scholingsbijtelling vinden plaats volgens de regels voor het tijdvak waarin de desbetreffende kosten en lasten van scholing in aftrek zijn gekomen bij het bepalen van de winst.

Artikel 3.2.2.41 Wijziging willekeurige afschrijving, investeringsaftrek en scholingsaftrek


1. Bij ministeriële regeling:

a. kan de willekeurige afschrijving buiten toepassing worden gesteld, of per kalenderjaar worden beperkt, en wel:


1. indien het milieu_bedrijfsmiddelen betreft: na overleg met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Onze Minister van Economische Zaken;


2. indien het arbo_bedrijfsmiddelen betreft: na overleg met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;


3. indien het T&O_bedrijfsmiddelen betreft: na overleg met Onze Minister van Economische Zaken en


4. indien het andere aangewezen bedrijfsmiddelen betreft: na overleg met Onze Minister van Economische Zaken of met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;

b. kunnen de in artikel 3.2.2.30, tweede lid, artikel 3.2.2.31, derde lid, vermelde percentages voor de investeringsaftrek en de in artikel
3.2.2.37, tweede tot en met vierde lid, vermelde percentages voor de scholingsaftrek worden vervangen door andere;

c. kunnen aan de in artikel 3.2.2.34 vermelde uitgesloten bedrijfsmiddelen voor de investeringsaftrek, bedrijfsmiddelen worden toegevoegd.


2. Uiterlijk binnen drie maanden na het tijdstip waarop een krachtens het eerste lid vastgestelde ministeriële regeling in werking treedt, wordt een voorstel van wet tot goedkeuring van die regeling aan de Tweede Kamer der Staten_Generaal gezonden.


3. Indien het voorstel van wet wordt ingetrokken of indien een van de kamers der Staten_Generaal tot het niet_aannemen van het voorstel besluit, worden onverwijld bij ministeriële regeling, met ingang van het tijdstip waarop die regeling in werking treedt, de krachtens het eerste lid aangebrachte wijzigingen ongedaan gemaakt.


4. Het tweede lid is niet van toepassing op een beperking van de willekeurige afschrijving die plaatsvindt bij de aanwijzing van bedrijfsmiddelen op grond van artikel 3.2.2.20, artikel 3.2.2.21, artikel 3.2.2.22 of artikel 3.2.2.23.

Artikel 3.2.2.42 (vervallen)

Artikel 3.2.2.43 Fiscale reserves


1. Bij het bepalen van de in een kalenderjaar genoten winst kan worden gereserveerd:

a. tot gelijkmatige verdeling van kosten en lasten (egalisatiereserve);

b. tot dekking van risico's die in belangrijke mate worden verzekerd, maar door de belastingplichtige niet zijn verzekerd (assurantiereserve);

c. tot dekking van debiteuren_ en valutarisico's die samenhangen met export, indien ter zake van deze risico's niet een reserve is gevormd op grond van onderdeel b en deze risico's niet door de belastingplichtige zijn verzekerd (exportrisicoreserve);

d. tot vervanging van bedrijfsmiddelen volgens artikel 3.2.2.44 (vervangingsreserve) en

e. voor de oude dag volgens paragraaf 3 (oudedagsreserve).


2. De toevoeging aan de exportrisicoreserve bedraagt, indien in een kalenderjaar de omzet behaald met de export

a. niet meer bedraagt dan € 50 000 (f 110 186): 5% van deze omzet;

b. meer bedraagt dan € 50 000 (f 110 186) maar niet meer dan € 100 000 (f 220 371): 2% van deze omzet.


3. Met betrekking tot de in het eerste lid, onderdeel a tot en met c, bedoelde reserves is artikel 3.2.2.15, eerste en tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.2.2.44 Vervangingsreserve


1. Indien bij vervreemding, verlies of beschadiging van een bedrijfsmiddel de opbrengsten bij de vervreemding respectievelijk de vergoedingen wegens het verlies of de beschadiging de boekwaarde van het bedrijfsmiddel dan wel van het beschadigde gedeelte overtreffen, kan bij het bepalen van de in een kalenderjaar genoten winst in elk geval, indien en zolang het voornemen tot vervanging of herstel van het bedrijfsmiddel bestaat, het verschil gereserveerd worden en blijven tot vermindering van de in aanmerking te nemen kosten van vervanging of herstel (vervangingsreserve).


2. Indien aan het voornemen tot vervanging van het bedrijfsmiddel reeds voor de vervreemding gevolg is gegeven, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.


3. Voorzover een vervangingsreserve het verschil tussen de kosten van vervanging of herstel en de boekwaarde van het vervreemde of verloren gegane bedrijfsmiddel of van het beschadigde gedeelte daarvan overtreft, wordt deze in de winst opgenomen.


4. Een vervangingsreserve wordt uiterlijk in het vierde kalenderjaar na het jaar waarin de reserve is ontstaan, in de winst opgenomen, tenzij:

a. voor de vervanging of het herstel een langer tijdvak is vereist of

b. de vervanging of het herstel, mits daaraan een begin van uitvoering is gegeven, door bijzondere omstandigheden is vertraagd.


5. Voor de willekeurige afschrijving blijft de vermindering van de kosten van vervanging of herstel ingevolge een vervangingsreserve buiten aanmerking. Daarbij wordt het bedrag van die vermindering geacht willekeurig te zijn afgeschreven.


6. Indien op het te vervangen bedrijfsmiddel willekeurig is afgeschreven, wordt voor de toepassing van het eerste lid als boekwaarde van dat bedrijfsmiddel in aanmerking genomen de boekwaarde die zonder willekeurige afschrijving zou hebben gegolden. De eerste volzin is alleen van toepassing indien op het vervangende bedrijfsmiddel niet willekeurig kan worden afgeschreven.


7. Voor de toepassing van dit artikel behoren niet tot de bedrijfsmiddelen:

a. vermogensrechten die ter belegging worden gehouden en

b. voorwerpen van geringe waarde als bedoeld in artikel 3.2.2.19, tweede lid.

Artikel 3.2.2.45 Aandelenfusie


1. De belastingplichtige hoeft bij het bepalen van de in een kalenderjaar genoten winst het voordeel uit de vervreemding van aandelen of winstbewijzen in het kader van een aandelenfusie niet in aanmerking te nemen. De eerste volzin is niet van toepassing op een in het kader van een aandelenfusie genoten bijbetaling.


2. Een aandelenfusie wordt aanwezig geacht indien:

a. een in Nederland gevestigde vennootschap tegen uitreiking van eigen aandelen of winstbewijzen, eventueel met bijbetaling, een zodanig bezit aan aandelen in een andere in Nederland gevestigde vennootschap verwerft dat zij meer dan de helft van de stemrechten in de laatstgenoemde vennootschap kan uitoefenen;

b. een in een lidstaat van de Europese Unie gevestigde vennootschap tegen uitreiking van eigen aandelen of winstbewijzen, eventueel met een bijbetaling, een zodanig bezit aan aandelen in een andere in een lidstaat van de Europese Unie gevestigde vennootschap verwerft dat zij meer dan de helft van de stemrechten in de laatstgenoemde vennootschap kan uitoefenen of

c. een in Nederland gevestigde vennootschap tegen uitreiking van eigen aandelen of winstbewijzen, eventueel met een bijbetaling, een zodanig bezit aan aandelen in een buiten een lidstaat van de Europese Unie gevestigde vennootschap verwerft dat zij alle of nagenoeg alle stemrechten in de laatstgenoemde vennootschap kan uitoefenen.


3. Een aandelenfusie wordt eveneens aanwezig geacht indien een in het tweede lid bedoelde vennootschap voor de uitreiking van de eigen aandelen of winstbewijzen reeds meer dan de helft, respectievelijk nagenoeg alle stemrechten in de aldaar bedoelde andere vennootschap kon uitoefenen en door de uitreiking van de eigen aandelen of winstbewijzen een groter aantal stemrechten in die andere vennootschap kan uitoefenen.


4. Een aandelenfusie wordt, in afwijking in zoverre van het tweede en het derde lid, niet aanwezig geacht indien:

a. een bijbetaling een tiende gedeelte van de nominale waarde van de uitgereikte aandelen te boven gaat of

b. de fusie in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. De fusie wordt, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt, geacht in overwegende mate te zijn gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing indien de fusie niet plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen, zoals herstructurering of rationalisering van de actieve werkzaamheden van de bij de fusie betrokken rechtspersonen.


5. Een in een lidstaat van de Europese Unie gevestigde vennootschap is een vennootschap die:


1. een van de rechtsvormen heeft die zijn opgenomen in de bijlage van de Richtlijn 90/434/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van
23 juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor fusies, splitsingen, inbreng van activa en aandelenruil met betrekking tot vennootschappen uit verschillende lidstaten (PbEG L 225);


2. niet wordt geacht volgens een door de lidstaat van vestiging met een derde staat gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belasting buiten de Europese Unie te zijn gevestigd en


3. zonder keuzemogelijkheid en zonder ervan te zijn vrijgesteld, in de lidstaat van vestiging is onderworpen aan de aldaar geheven belasting naar de winst als bedoeld in artikel 3, onderdeel c, van de onder 1 genoemde richtlijn.


6. De belastingplichtige stelt, indien het voordeel volgens het eerste lid buiten aanmerking blijft, de in het kader van de aandelenfusie verworven aandelen of winstbewijzen op het tijdstip van de fusie te boek voor dezelfde waarde als waarvoor de in het kader van die fusie vervreemde aandelen of winstbewijzen onmiddellijk voor het fusietijdstip te boek waren gesteld.


7. De belastingplichtige die zekerheid wenst omtrent de vraag of er sprake is van een aandelenfusie, kan vóór de vervreemding van de aandelen of winstbewijzen een verzoek indienen bij de hierna aangeduide inspecteur. Indien de vennootschap die de aandelen of winstbewijzen verwerft in Nederland is gevestigd, doet de belastingplichtige het verzoek bij de inspecteur belast met de aanslagregeling voor de vennootschapsbelasting van die vennootschap; in andere gevallen bij de inspecteur belast met de aanslagregeling van de belastingplichtige. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking.

Artikel 3.2.2.46 Juridische splitsing


1. De belastingplichtige die is betrokken bij een overgang onder algemene titel in het kader van een splitsing van een rechtspersoon, wordt geacht zijn aandelen in of zijn schuldvorderingen op de splitsende rechtspersoon ten tijde van de splitsing te hebben vervreemd.


2. De belastingplichtige hoeft bij het bepalen van de in een kalenderjaar genoten winst het voordeel uit de in het eerste lid bedoelde vervreemding niet in aanmerking te nemen, mits de splitsende en de verkrijgende rechtspersoon in Nederland zijn gevestigd, of in de zin van artikel 3.2.2.45, vijfde lid, in een lidstaat van de Europese Unie zijn gevestigd. De eerste volzin geldt niet voor een in het kader van de splitsing genoten bijbetaling.


3. Indien het voordeel volgens het tweede lid niet in aanmerking wordt genomen, wordt de waarde waarvoor de aandelen of schuldvorderingen ten tijde van de splitsing te boek zijn gesteld, voor een evenredig gedeelte toegerekend aan de aandelen of schuldvorderingen die de belastingplichtige direct na de splitsing in respectievelijk op de bij splitsing betrokken rechtspersonen heeft. Voorts treden de schuldvorderingen die de belastingplichtige direct na de splitsing op de bij de splitsing betrokken rechtspersonen heeft, in de plaats van de schuldvorderingen die de belastingplichtige ten tijde van de splitsing heeft op de splitsende vennootschap.


4. Het tweede lid is niet van toepassing indien de splitsing in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. De splitsing wordt, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt, geacht in overwegende mate te zijn gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing indien de splitsing niet plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen, zoals herstructurering of rationalisering van de actieve werkzaamheden van de bij de splitsing betrokken rechtspersonen.


5. Voor de toepassing van dit artikel:

a. wordt onder een evenredig gedeelte verstaan een gedeelte dat evenredig is aan de verhouding van de waarde in het economische verkeer ten tijde van de splitsing van de vermogensbestanddelen die onder algemene titel overgaan en van het gehele vermogen van de splitsende rechtspersoon;

b. worden met aandelen gelijkgesteld winstbewijzen en lidmaatschapsrechten;

c. wordt een recht om aandelen in, winstbewijzen van of schuldvorderingen op de splitsende rechtspersoon te verwerven aangemerkt als aandeel, winstbewijs respectievelijk schuldvordering waarop het recht betrekking heeft en

d. wordt, indien de belastingplichtige ten tijde van de splitsing met de splitsende rechtspersoon verbonden is in de zin van artikel 10a, vijfde lid,, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, de verkrijgende rechtspersoon direct na de splitsing eveneens als met de belastingplichtige verbonden aangemerkt.


6. De vorige leden zijn van overeenkomstige toepassing indien in het kader van de splitsing aandelen worden uitgereikt door een andere rechtspersoon dan de rechtspersoon op wie de vermogensbestanddelen onder algemene titel overgaan.


7. De belastingplichtige die zekerheid wenst omtrent de vraag of de splitsing niet wordt geacht in overwegende mate te zijn gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing, kan vóór de splitsing een verzoek indienen bij de inspecteur belast met de aanslagregeling van de splitsende rechtspersoon, die daarop bij voor bezwaar vatbare beschikking beslist.

Artikel 3.2.2.47 Juridische fusie


1. De belastingplichtige die is betrokken bij een overgang onder algemene titel in het kader van een fusie van een rechtspersoon, wordt geacht zijn aandelen in of zijn schuldvorderingen op de verdwijnende rechtspersoon ten tijde van de fusie te hebben vervreemd.


2. De belastingplichtige hoeft bij het bepalen van de in een kalenderjaar genoten winst het voordeel uit de in het eerste lid bedoelde vervreemding niet in aanmerking te nemen mits de verdwijnende en de verkrijgende rechtspersoon in Nederland zijn gevestigd, of in de zin van artikel 3.2.2.45, vijfde lid, in een lidstaat van de Europese Unie zijn gevestigd. De eerste volzin geldt niet voor een in het kader van de fusie genoten bijbetaling.


3. Indien het voordeel volgens het tweede lid niet in aanmerking wordt genomen, worden de in het kader van de fusie verworven aandelen in of schuldvorderingen op de verkrijgende rechtspersoon direct na de fusie te boek gesteld voor dezelfde waarde als waarvoor de aandelen in of de schuldvorderingen op de verdwijnende rechtspersoon ten tijde van de fusie te boek zijn gesteld. Voorts treden de schuldvorderingen die de belastingplichtige direct na de fusie op de verkrijgende rechtspersoon heeft, in de plaats van de schuldvorderingen die de belastingplichtige ten tijde van de fusie heeft op de verdwijnende rechtspersoon.


4. Het tweede lid is niet van toepassing indien de fusie in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. De fusie wordt, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt, geacht in overwegende mate te zijn gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing indien de fusie niet plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen, zoals herstructurering of rationalisering van de actieve werkzaamheden van de bij de fusie betrokken rechtspersonen.


5. Voor de toepassing van dit artikel:

a. worden met aandelen gelijkgesteld winstbewijzen en lidmaatschapsrechten;

b. wordt een recht om aandelen in, winstbewijzen van of schuldvorderingen op de verdwijnende rechtspersoon te verwerven aangemerkt als aandeel, winstbewijs respectievelijk schuldvordering waarop het recht betrekking heeft en

c. wordt, indien de belastingplichtige ten tijde van de fusie met de verdwijnende rechtspersoon verbonden is in de zin van artikel 10a, vijfde lid,, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, de verkrijgende rechtspersoon direct na de fusie eveneens als met de belastingplichtige verbonden aangemerkt.


6. De vorige leden zijn van overeenkomstige toepassing indien in het kader van de fusie aandelen worden uitgereikt door een andere rechtspersoon dan de rechtspersoon op wie de vermogensbestanddelen onder algemene titel overgaan.


7. De belastingplichtige die zekerheid wenst omtrent de vraag of de fusie niet wordt geacht in overwegende mate te zijn gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing, kan vóór de fusie een verzoek indienen bij de inspecteur belast met de aanslagregeling van de verdwijnende rechtspersoon, die daarop bij voor bezwaar vatbare beschikking beslist.

Artikel 3.2.2.48 Staking door overlijden


1. Bij het staken van een onderneming door het overlijden van de belastingplichtige, wordt, behalve voor de toepassing van de desinvesteringsbijtelling, het vermogen van de onderneming geacht op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip te zijn overgedragen aan degene aan wie het krachtens erfrecht of huwelijksvermogensrecht toekomt en wel tegen de waarde die in het economische verkeer aan dat vermogen kan worden toegekend.


2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt de waarde in het economische verkeer van een woning die, anders dan tijdelijk, als hoofdverblijf ter beschikking blijft staan van personen die bij het overlijden van de belastingplichtige tot zijn huishouden behoren, gesteld op 60% van de woningwaarde.


3. Indien een woning als bedoeld in het tweede lid gaat behoren tot het vermogen van een onderneming van een persoon die bij het overlijden van de belastingplichtige tot zijn huishouden behoort, wordt de waarde in het economische verkeer van die woning op dat tijdstip gesteld op 60% van de woningwaarde.


4. Voor de toepassing van het tweede en derde lid is artikel 3.2.2.9, derde tot en met vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.2.2.49 Doorschuiving of staking door ontbinding huwelijksgemeenschap


1. Bij ontbinding van een huwelijksgemeenschap waartoe het vermogen van een onderneming behoort, anders dan door het overlijden van de belastingplichtige, wordt, behoudens voor de toepassing van de desinvesteringsbijtelling, het aandeel in dat vermogen dat op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip krachtens huwelijksvermogensrecht toekomt aan de echtgenoot van de belastingplichtige, geacht op dat tijdstip aan hem aan wie het krachtens erfrecht of huwelijksvermogensrecht toekomt, te zijn overgedragen tegen de waarde die daaraan in het economische verkeer kan worden toegekend.


2. Het eerste lid is niet van toepassing op de bestanddelen van het vermogen van de onderneming waarmee degene aan wie die bestanddelen krachtens huwelijksvermogensrecht toekomen, de onderneming rechtstreeks voortzet of mede voortzet. In dat geval wordt degene die de onderneming rechtstreeks voortzet of mede voortzet voor zijn gedeelte, voor het bepalen van de winst geacht in de plaats te zijn getreden van degene van wie de onderneming rechtstreeks wordt voortgezet.


3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op de oudedagsreserve voorzover deze overgaat naar de langstlevende echtgenoot of gewezen echtgenoot en niet uitgaat boven het ondernemingsvermogen - in de zin van artikel 3.2.3.5 - waarmee deze de onderneming voortzet of mede voortzet.

Artikel 3.2.2.50 Overbrenging vermogensbestanddelen naar het buitenland

Indien bestanddelen van het vermogen van een in Nederland gedreven onderneming of zelfstandig gedeelte van een onderneming, waaruit de belastingplichtige winst geniet, worden overgebracht naar een buiten Nederland gedreven onderneming waaruit de belastingplichtige winst geniet en de belastingplichtige gelijktijdig of daarna ophoudt binnenlands belastingplichtig te zijn, worden die bestanddelen op het tijdstip onmiddellijk voorafgaande aan het ophouden van de binnenlandse belastingplicht en voorzover zij nog behoren tot het vermogen van de onderneming, geacht te zijn vervreemd tegen de waarde in het economische verkeer.

Artikel 3.2.2.51 Eindafrekening

Voordelen uit een onderneming die niet reeds uit anderen hoofde in aanmerking zijn genomen, worden gerekend tot de winst van het kalenderjaar waarin de belastingplichtige ophoudt in Nederland uit de onderneming winst te genieten. In dat geval worden de goederen voor de toepassing van de desinvesteringsbijtelling geacht aan de onderneming te zijn onttrokken.

Artikel 3.2.2.52 Doorschuiving bij staking door overlijden


1. Artikel 3.2.2.48 vindt geen toepassing met betrekking tot de bestanddelen van het vermogen van een onderneming waarmee een of meer van degenen aan wie die bestanddelen krachtens erfrecht of huwelijksvermogensrecht toekomen, de onderneming rechtstreeks voortzetten of mede voortzetten, mits degenen die de onderneming voortzetten of mede voortzetten dit bij de aangifte van de overleden belastingplichtige verzoeken.


2. Degenen die het verzoek hebben gedaan worden, ieder voor zijn gedeelte, voor het bepalen van de winst geacht in de plaats te zijn getreden van degene van wie de onderneming rechtstreeks wordt voortgezet.


3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de oudedagsreserve voorzover deze overgaat op de partner en niet uitgaat boven het ondernemingsvermogen - in de zin van artikel 3.2.3.5 - waarmee deze de onderneming voortzet of mede voortzet.

Artikel 3.2.2.53 Doorschuiving in de familiesfeer


1. Indien de ondernemer een onderneming waaruit hij als ondernemer winst geniet, overdraagt in een geval als bedoeld in het vierde lid, wordt voor het bepalen van de uit de onderneming in het kalenderjaar van overdracht genoten winst de onderneming geacht niet te zijn gestaakt, mits zowel de ondernemer als degene die de onderneming voortzet dit bij de aangifte van de ondernemer verzoeken.


2. In dat geval wordt degene aan wie de onderneming is overgedragen, voor het bepalen van de winst van de onderneming geacht in de plaats te zijn getreden van degene die de onderneming heeft overgedragen.


3. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder onderneming mede begrepen een gedeelte van een onderneming.


4. Het eerste lid is van toepassing ingeval de ondernemer overdraagt aan:

a. een kind of kleinkind, of hun partner, mits de ondernemer die overdraagt:


1. ten tijde van de overdracht de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt of


2. aannemelijk maakt dat hij wegens ziekte of gebreken niet in staat is om ten minste 55% te verdienen van wat lichamelijk en geestelijk gezonde personen die overigens in gelijke omstandigheden verkeren, kunnen verdienen, en ten tijde van de overdracht daartoe ook hetzij in het afgelopen jaar niet in staat is geweest hetzij vermoedelijk in het eerstkomende jaar niet in staat zal zijn of

b. zijn partner, mits deze ten tijde van de overdracht jonger is dan
55 jaar.


5. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de oudedagsreserve voor zover deze overgaat op de partner en niet uitgaat boven het ondernemingsvermogen - in de zin van artikel 3.2.3.5 - waarmee deze de onderneming voortzet of mede voortzet.

Artikel 3.2.2.53a Uitbreiding doorschuiving in de familiesfeer

De belastingplichtige, bedoeld in artikel 3.2.1.1a, eerste lid, onderdeel a, wordt voor de toepassing van artikel 3.2.2.53 als ondernemer aangemerkt, indien degene aan wie wordt overgedragen met betrekking tot die onderneming reeds ondernemer is.

Artikel 3.2.2.54 Omzetting in een NV of BV


1. Indien een onderneming wordt omgezet in de vorm van een door een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid gedreven onderneming, wordt, op verzoek van de belastingplichtige, voor het bepalen van de uit de onderneming in het kalenderjaar van omzetting genoten winst de onderneming geacht niet te zijn gestaakt, mits de oprichters van de vennootschap in het aandelenkapitaal geheel of nagenoeg geheel in dezelfde verhouding gerechtigd zijn als in het vermogen van de omgezette onderneming en de door Onze Minister nader te stellen voorwaarden zijn vervuld. De eerste volzin is niet van toepassing in situaties als bedoeld artikel
3.2.1.1a, eerste lid, onderdeel b; in situaties als bedoeld in artikel
3.2.1.1a, eerste lid, onderdeel a, is de eerste volzin slechts van toepassing indien de medegerechtigdheid van de belastingplichtige de rechtstreekse voortzetting vormt van zijn gerechtigdheid of medegerechtigdheid als ondernemer.


2. Het eerste lid is niet van toepassing met betrekking tot de oudedagsreserve.


3. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking waarin de in het eerste lid bedoelde voorwaarden zijn opgenomen.


4. De in het eerste lid bedoelde voorwaarden strekken ter verzekering van de heffing en de invordering van de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting, die verschuldigd zouden zijn of zouden worden indien het eerste lid buiten toepassing zou blijven. Voorts kunnen voorwaarden worden gesteld die betrekking hebben op de grootte van het geplaatste en gestorte aandelenkapitaal, de ingebrachte aandelen die als gevolg van de inbreng tot een deelneming in de zin van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 gaan behoren en de vervreemding van de aandelen in de opgerichte vennootschap.

Artikel 3.2.2.55 Niet met het kalenderjaar samenvallend boekjaar


1. Indien de aard van de onderneming dit rechtvaardigt, mag de winst worden bepaald over een niet met het kalenderjaar samenvallend boekjaar. In dat geval treedt het boekjaar in de plaats van het kalenderjaar.


2. De winst van een niet met het kalenderjaar samenvallend boekjaar wordt beschouwd als winst van het kalenderjaar waarin het boekjaar is geëindigd.


3. Een boekjaar van meer dan twaalf maanden wordt gesplitst in twee gedeelten waarvan het eerste twaalf maanden omvat, mits bij deze splitsing de twee gedeelten in verschillende kalenderjaren eindigen. Beide gedeelten worden als een afzonderlijk boekjaar aangemerkt. De winst van het eerste gedeelte wordt door schatting bepaald; aan het tweede gedeelte wordt de rest van de winst van het boekjaar toegerekend.

PARAGRAAF 3

Oudedagsreserve

Artikel 3.2.3.1 Toegang toevoegingen oudedagsreserve

De ondernemer die aan het urencriterium voldoet en bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt, kan bij het bepalen van de in een kalenderjaar genoten winst over dat jaar toevoegen aan de oudedagsreserve.

Artikel 3.2.3.2 Toevoegingen


1. De toevoeging aan de reserve over een kalenderjaar bedraagt 12% van de winst die de belastingplichtige als ondernemer uit een onderneming geniet, maar niet meer dan het laagste van de twee volgende bedragen:

a. € 9 533 (f 21 008), verminderd met de ten laste van die winst gekomen premies en andere bijdragen uit hoofde van pensioenregelingen;

b. het bedrag waarmee het ondernemingsvermogen bij het einde van het kalenderjaar de oudedagsreserve bij het begin van het kalenderjaar te boven gaat.


2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder winst verstaan: de winst voor toevoeging aan en afneming van de oudedagsreserve en vermeerderd met de premies en andere bijdragen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, maar met uitzondering van de winst waarop een regeling ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing is.

Artikel 3.2.3.3 Inhaal toevoeging na een verplichte afneming


1. Het bedrag dat volgens artikel 3.2.3.2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, aan de oudedagsreserve wordt toegevoegd, kan worden vermeerderd met het bedrag waarmee in het voorafgaande kalenderjaar de oudedagsreserve volgens artikel 3.2.3.4, eerste lid, aanhef en onderdeel b, geheel of gedeeltelijk is afgenomen en waarop artikel
3.2.3.6, derde lid, geen toepassing heeft gevonden.


2. Het bedrag dat na de vermeerdering van het eerste lid aan de oudedagsreserve kan worden toegevoegd, kan niet uitgaan boven het verschil tussen het bedrag van het ondernemingsvermogen bij het einde van het kalenderjaar en het bedrag van de oudedagsreserve bij het begin van het kalenderjaar.

Artikel 3.2.3.4 Afnemingen


1. De oudedagsreserve neemt af met:

a. een door de belastingplichtige te kiezen bedrag, maar met ten hoogste het bedrag van de premies voor lijfrenten die in het kalenderjaar als uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking worden genomen;

b. het bedrag waarmee de oudedagsreserve het ondernemingsvermogen bij het einde van het kalenderjaar overtreft indien:


1. in het kalenderjaar de onderneming of een gedeelte van de onderneming is gestaakt;


2. de belastingplichtige bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt of


3. de belastingplichtige in het kalenderjaar en in het voorafgaande kalenderjaar niet aan het urencriterium voldoet.


2. Het bedrag van de afnemingen wordt in de winst opgenomen.

Artikel 3.2.3.5 Ondernemingsvermogen

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder ondernemingsvermogen verstaan de boekwaarde van het vermogen van de onderneming verminderd met het bedrag van de reserves bedoeld in artikel 3.2.2.43, met uitzondering van de oudedagsreserve. Daarbij blijven buiten aanmerking de vermogensbestanddelen en reserves waarvan de waardeveranderingen respectievelijk de wijzigingen behoren tot de winst ter zake waarvan een regeling ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing is.

Artikel 3.2.3.6 Meer dan één onderneming


1. Indien de belastingplichtige als ondernemer winst geniet uit meer dan één onderneming:

a. wordt voor de toepassing van de artikelen 3.2.3.2 en 3.2.3.3:


1. winst opgevat als het gezamenlijke bedrag van de winst die met de ondernemingen waaruit de belastingplichtigen als ondernemer winst geniet, is behaald;


2. ondernemingsvermogen opgevat als het gezamenlijke bedrag van het vermogen van de ondernemingen, bedoeld onder 1;


3. oudedagsreserve opgevat als het gezamenlijke bedrag van de oudedagsreserves van de ondernemingen, bedoeld onder 1, en

b. vindt de toedeling van de toevoeging, bedoeld in artikel 3.2.3.2, aan de ondernemingen, bedoeld in onderdeel a, onder 1, naar keuze van de ondernemer plaats, voorzover als gevolg van de toevoeging de oudedagsreserve niet uitgaat boven het ondernemingsvermogen van die onderneming bij het einde van het kalenderjaar .


2. Indien de belastingplichtige als ondernemer of als medegerechtigde tot het vermogen van een onderneming als bedoeld in artikel 3.2.1.1a, winst geniet uit meer dan één onderneming, geldt het bedrag van de premies voor lijfrenten, bedoeld in artikel 3.2.3.4, eerste lid, voor de gezamenlijke ondernemingen.


3. Indien de belastingplichtige als ondernemer winst geniet uit meer dan één onderneming en bij een of meer van die ondernemingen artikel
3.2.3.4, eerste lid, aanhef en onderdeel b, aanhef en onder 1, is toegepast:

a. kan de ondernemer aan het gezamenlijke bedrag van de oudedagsreserves bij de andere ondernemingen waaruit de belastingsplichtige als ondernemer winst geniet, toevoegen het gezamenlijke bedrag van de afnemingen volgens artikel 3.2.3.4, eerste lid, aanhef en onderdeel b, aanhef en onder 1, voorzover als gevolg van de toevoeging het gezamenlijke bedrag van de oudedagsreserves van die andere ondernemingen bij het einde van het kalenderjaar niet uitgaat boven het gezamenlijke bedrag van het ondernemingsvermogen van die andere ondernemingen bij het einde van het kalenderjaar;

b. vindt de toedeling van die toevoeging aan de ondernemingen waaruit de belastingsplichtige als ondernemer winst geniet, naar keuze van de ondernemer plaats, voorzover als gevolg van die toevoeging de oudedagsreserve niet uitgaat boven het ondernemingsvermogen van die onderneming bij het einde van het kalenderjaar.

Artikel 3.2.3.7 Niet met het kalenderjaar samenvallend boekjaar


1. Indien de winst wordt bepaald over een niet met het kalenderjaar samenvallend boekjaar is artikel 3.2.2.55, eerste lid, laatste volzin, niet van toepassing op het eerstgenoemde kalenderjaar in artikel
3.2.3.1.


2. Indien belastingplichtige als ondernemer of als medegerechtigde tot het vermogen van een onderneming als bedoeld in artikel 3.2.1.1a, winst geniet uit meer dan één onderneming en de winst van die ondernemingen wordt bepaald over onderling niet samenvallende boekjaren:

a. is artikel 3.2.2.55, eerste lid, laatste volzin, niet van toepassing op deze paragraaf;

b. wordt voor de toepassing van artikel 3.2.3.2, tweede lid, winst opgevat in de zin van artikel 3.2.2.55, tweede lid;

c. wordt voor de toepassing van artikel 3.2.3.6, eerste lid, onderdeel a, onder 2, voor elke onderneming als vermogen van die onderneming aangemerkt het ondernemingsvermogen bij het einde van het jongste boekjaar dat voor het einde van het kalenderjaar is geëindigd, vermeerderd of verminderd met de kapitalen die door de ondernemer tussen het einde van het boekjaar en het einde van het kalenderjaar aan de ondernemingen zijn toegevoegd of onttrokken.


3. Indien de ondernemer ophoudt binnenlands belastingplichtige te zijn, treedt voor de toepassing van het tweede lid, het gedeelte van het kalenderjaar dat eindigt met die belastingplicht voor het kalenderjaar in de plaats.

PARAGRAAF 4

Ondernemersaftrek

Artikel 3.2.4.1 Berekening ondernemersaftrek

De ondernemersaftrek is het gezamenlijke bedrag van:

a. de zelfstandigenaftrek;

b. de aftrek voor speur_ en ontwikkelingswerk;

c. de meewerkaftrek, en

d. de stakingsaftrek.

Artikel 3.2.4.2 Meer dan één onderneming

Voor de toepassing van deze paragraaf en de daarop rustende bepalingen wordt onder een onderneming mede verstaan: de gezamenlijke ondernemingen.

Artikel 3.2.4.3 Zelfstandigenaftrek


1. De zelfstandigenaftrek geldt voor de ondernemer die aan het urencriterium voldoet en bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt.


2. Bij een winst

gelijk aan of meer dan

maar minder dan

bedraagt de zelfstandigenaftrek


-

€ 11 345 (f 25 001)

€ 5 017 (f 11 056)

€ 11 345 (f 25 001)

€ 13 160 (f 29 001)

€ 4 609 (f 10 157)

€ 13 160 (f 29 001)

€ 14 980 (f 33 012)

€ 4 201 (f 9 258)

€ 14 980 (f 33 012)

€ 42 910 (f 94 561)

€ 3 792 (f 8 356)

€ 42 910 (f 94 561)

€ 44 725 (f 98 561)

€ 3 384 (f 7 457)

€ 44 725 (f 98 561)

€ 46 545 (f 102 572)

€ 2 975 (f 6 556)

€ 46 545 (f 102 572)

€ 48 360 (f 106 570)

€ 2 567 (f 5 657)

€ 48 360 (f 106 570)


-

€ 2 159 (f 4 758)


3. Indien de ondernemer in een of meer van de vijf voorafgaande kalenderjaren geen ondernemer was en bij hem in die periode niet meer dan tweemaal zelfstandigenaftrek is toegepast, wordt de zelfstandigenaftrek verhoogd met € 1 713 (f 3 775).


4. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder winst verstaan het gezamenlijke bedrag van de winst die de belastingplichtige als ondernemer uit een of meer ondernemingen geniet.

Artikel 3.2.4.4 Aftrek speur_ en ontwikkelingswerk


1. De aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk geldt voor de ondernemer die aan het urencriterium voldoet en in het kalenderjaar ten minste
625 uur besteedt aan werk dat bij een S&O-verklaring als bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen is aangemerkt als speur- en ontwikkelingswerk. De aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk bedraagt € 4 820 (f 10 622).


2. Het eerste lid is alleen van toepassing indien bij de aangifte een verklaring omtrent de juistheid en de volledigheid van de in de aangifte opgenomen gegevens met betrekking tot het verrichte speur_ en ontwikkelingswerk, bedoeld in artikel 1 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen, afgegeven door een registeraccountant of accountant_administratieconsulent, wordt gevoegd of toegezonden.


3. Indien op grond van artikel 23 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen het in artikel 21, eerste lid, van die wet eerst vermelde percentage wordt verhoogd, verlaagd, of op nihil gesteld, kan bij ministeriële regeling, in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken, het in het eerste lid vermelde bedrag in dezelfde mate worden verhoogd tot maximaal € 5 725 (f 12 616), worden verlaagd, of op nihil worden gesteld. Het nieuwe bedrag geldt met betrekking tot werk waarvoor een S&O_verklaring als bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen is afgegeven op of na de dag waarop de wijziging in werking treedt.

Artikel 3.2.4.5 Meewerkaftrek


1. De meewerkaftrek geldt voor de ondernemer die aan het urencriterium voldoet en van wie de partner zonder enige vergoeding arbeid verricht in een onderneming waaruit de belastingplichtige als ondernemer winst geniet.


2. Bij arbeid van de partner die gedurende het kalenderjaar een aantal uren in beslag neemt

gelijk aan of meer dan

maar minder dan

bedraagt de meewerkaftrek


525


875


1,25% van de winst


875


1225


2 % van de winst


1225


1750


3 % van de winst


1750


-


4 % van de winst


3. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder winst verstaan het gezamenlijke bedrag van de winst die de belastingplichtige als ondernemer geniet uit ondernemingen waarin de partner zonder enige vergoeding arbeid verricht, verminderd met:

a. winst genoten ter vervanging van door een onteigening gederfde of te derven voordelen uit onderneming;

b. winst behaald met of bij het staken van een onderneming of een gedeelte van een onderneming, daaronder mede verstaan staking door overlijden als bedoeld in artikel 3.2.2.48 en

c. winst als gevolg van de overbrenging van vermogensbestanddelen naar het buitenland of als gevolg van eindafrekening bedoeld in artikel
3.2.2.50 respectievelijk 3.2.2.51.

Artikel 3.2.4.6 Stakingsaftrek


1. De stakingsaftrek geldt voor de ondernemer die in het kalenderjaar winst behaalt met of bij het staken van een of meer gehele ondernemingen waaruit hij als ondernemer winst geniet.


2. De stakingsaftrek is gelijk aan het bedrag van de in het eerste lid bedoelde winst, maar bedraagt niet meer dan € 3 630 (f 8 000).


3. De stakingsaftrek is ten aanzien van de ondernemer die op grond van doorschuiving bij ontbinding van de huwelijksgemeenschap als bedoeld in artikel 3.2.2.49, tweede lid, doorschuiving bij overlijden als bedoeld in artikel 3.2.2.52 of doorschuiving in de familiesfeer als bedoeld in artikel 3.2.2.53, een onderneming voortzet of mede voortzet, met betrekking tot de voordelen ter zake van die doorgeschoven onderneming alleen van toepassing indien die onderneming langer dan drie jaren voor zijn rekening is gedreven.


4. Het in het tweede lid bedoelde maximumbedrag van € 3 630 (f 8 000) wordt verminderd - maar niet verder dan tot nihil - met de in voorafgaande jaren door de ondernemer genoten bedragen aan stakingsaftrek.

AFDELING 3

Belastbaar loon

PARAGRAAF 1

Belastbaar loon

Artikel 3.3.1 Belastbaar loon

Belastbaar loon is loon verminderd met de werknemersaftrek (paragraaf
2).

Artikel 3.3.2 Loon

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder loon: loon overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de loonbelasting, met dien verstande dat, voorzover nodig in afwijking van die bepalingen, fooien en dergelijke prestaties van derden in aanmerking worden genomen voor het werkelijk genoten bedrag.

Artikel 3.3.3 Uitbreiding begrip loon

Tot loon wordt gerekend:

a. het voordeel dat de belastingplichtige heeft uit een hem als werknemer in de zin van de wettelijke bepalingen van de loonbelasting ter beschikking gestelde auto;

b. wat wordt genoten:


1. ter vervanging van gederfd of te derven loon;


2o. ter zake van het staken of nalaten van werkzaamheden voorzover het genotene niet is aan te merken als resultaat uit overige werkzaamheden;

c. uitkeringen op grond van een pensioenregeling van een andere mogendheid als bedoeld in artikel 1.6a, tweede lid, onderdeel c, behoudens voorzover aannemelijk is dat over de aanspraken ingevolge die pensioenregeling heffing naar het inkomen heeft plaatsgevonden die naar aard en strekking overeenkomt met de loonbelasting of de inkomstenbelasting.

Artikel 3.3.4 Pensioen in grensoverschrijdende situaties


1. Tot loon wordt gerekend de waarde in het economische verkeer van opgebouwde aanspraken uit een pensioenregeling, indien de belastingplichtige die werknemer of gewezen werknemer is in de zin van de wettelijke bepalingen van de loonbelasting en aan wie het pensioen is toegezegd, ophoudt binnenlands belastingplichtige te zijn anders dan door overlijden, of indien na zijn overlijden de gerechtigde tot de uitkeringen ophoudt binnenlands belastingplichtige te zijn. Onder ophouden binnenlands belastingplichtig te zijn wordt mede verstaan de situatie waarin de belastingplichtige voor de toepassing van de Belastingregeling voor het Koninkrijk of een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting wordt geacht geen inwoner van Nederland meer te zijn.


2. Tot loon wordt gerekend, tenzij het eerste lid toepassing vindt, de waarde in het economische verkeer van opgebouwde aanspraken uit een pensioenregeling indien de verplichtingen waarop de aanspraken berusten, geheel of gedeeltelijk zijn ondergebracht bij een ander lichaam dan bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdelen a, b, d, e en f, van de Wet op de loonbelasting 1964.


3. De waarde van de opgebouwde aanspraken wordt verminderd met de waarde van de aanspraken die niet ten laste is gekomen van belastbaar inkomen uit werk en woning.


4. Indien het eerste of het tweede lid toepassing vindt met betrekking tot de waarde van aanspraken die op grond van het eerste of tweede lid dan wel artikel 7.2.1, achtste lid, onderdeel a, eveneens is begrepen in het belastbare inkomen uit werk en woning van een vorig kalenderjaar, wordt, onder bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden, het belastbare inkomen uit werk en woning van dat vorige kalenderjaar met die waarde van de aanspraken verlaagd. De inspecteur vermindert dienovereenkomstig de conserverende aanslag over dat jaar bij voor bezwaar vatbare beschikking. Rechtsmiddelen tegen deze beschikking kunnen uitsluitend betrekking hebben op de grootte van de vermindering.


5. Indien artikel 19b van de Wet op de loonbelasting 1964 toepassing heeft gevonden, wordt het loon verminderd met de waarde van de aanspraken die tot het loon zijn gerekend met toepassing van het tweede lid, voorzover de belasting ter zake van de waarde van die aanspraken is voldaan.


6. Bij algemene maatregel van bestuur worden aanwijzingen gegeven met betrekking tot de bepaling van de waarde in het economische verkeer van de opgebouwde aanspraken.


7. Op verzoek van de belastingplichtige wordt, indien de waarde van aanspraken op grond van het eerste of tweede lid dan wel artikel
7.2.1, achtste lid, onderdeel a, is begrepen in het belastbare inkomen uit werk en woning van een vorig kalenderjaar, en


1. wordt voldaan aan de voorwaarden voor uitstel van betaling bedoeld in artikel 25, vierde lid, van de Invorderingswet 1990, en


2. de verplichtingen waarop de aanspraken berusten geheel zijn ondergebracht bij een verzekeraar als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdelen a, b, d, e of f, van de Wet op de loonbelasting 1964,

het belastbare inkomen uit werk en woning van dat vorige kalenderjaar met die waarde van de aanspraken verlaagd. De inspecteur vermindert dienovereenkomstig de conserverende aanslag over dat jaar bij voor bezwaar vatbare beschikking. Rechtsmiddelen tegen deze beschikking kunnen uitsluitend betrekking hebben op de grootte van de vermindering.

Artikel 3.3.5 Vrijstelling eindheffingsbestanddelen

Tot loon behoort niet loon waarover de belasting op grond van artikel
31 van de Wet op de loonbelasting 1964 is verschuldigd door de inhoudingsplichtige, evenmin als een hierdoor voor de belastingplichtige ontstaan voordeel.

PARAGRAAF 2

Werknemersaftrek

Artikel 3.3.6 Werknemersaftrek

De werknemersaftrek is het gezamenlijke bedrag van:

a. de fietsaftrek;

b. de reisaftrek en

c. de zeedagenaftrek.

Artikel 3.3.7 Fietsaftrek


1. De fietsaftrek geldt bij regelmatig woon_werkverkeer en wordt in aanmerking genomen voor de per fiets afgelegde reisafstand indien deze meer bedraagt dan 10 kilometer.


2. De op basis van de volgende leden bepaalde fietsaftrek wordt verminderd met de voor de per fiets afgelegde reisafstand ontvangen reiskostenvergoedingen.


3. Indien de belastingplichtige op ten minste drie dagen per week naar een plaats van werkzaamheden pleegt te reizen en daartoe hoofdzakelijk fietst, bedraagt de fietsaftrek per jaar € 339 (f 747).


4. De per fiets afgelegde reisafstand en het voor het regelmatig woon-werkverkeer uitsluitend of nagenoeg uitsluitend benutten van de fiets blijken uit een op het desbetreffende kalenderjaar betrekking hebbende door de inhoudingsplichtige in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964 afgegeven verklaring (de fietsverklaring).


5. Indien als gevolg van een onjuiste fietsverklaring de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, kan de inspecteur het bedrag van de te weinig geheven belasting begrijpen in een aan de in het zesde lid bedoelde inhoudingsplichtige ten titel van loonbelasting op te leggen naheffingsaanslag.


6. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de inhoud van deze fiets-verklaring en voor de uitvoering van dit artikel.

Artikel 3.3.8 Bijzondere loonaftrek

Vervallen

Artikel 3.3.9 Reisaftrek


1. De reisaftrek geldt bij regelmatig woon_werkverkeer en wordt in aanmerking genomen voor de per openbaar vervoer afgelegde reisafstand.


2. De op basis van de volgende leden bepaalde reisaftrek wordt verminderd met de voor de per openbaar vervoer afgelegde reisafstand ontvangen reiskostenvergoedingen.


3. Indien de belastingplichtige op ten minste vier dagen per week naar dezelfde plaats van werkzaamheden pleegt te reizen, bedraagt de reisaftrek:

bij een reisafstand per openbaar vervoer

van meer dan

maar niet meer dan

op jaarbasis


-


10 km


-


10 km


15 km

€ 339 (f 747)


15 km


20 km

€ 454 (f 1 000)


20 km


30 km

€ 764 (f 1 684)


30 km


40 km

€ 947 (f 2 087)


40 km


50 km

€ 1 239 (f 2 730)


50 km


60 km

€ 1 377 (f 3 035)


60 km


70 km

€ 1 528 (f 3 367)


70 km


80 km

€ 1 581 (f 3 484)


80 km


-

€ 1 602 (f 3 530)


4. Indien de belastingplichtige op drie dagen, twee dagen of één dag per week naar dezelfde plaats van werkzaamheden pleegt te reizen, bedraagt de reisaftrek:

a. indien de reisafstand niet meer beloopt dan 90 kilometer: driekwart, de helft respectievelijk een kwart van het in de tabel aangegeven bedrag;

b. indien de reisafstand meer beloopt dan 90 kilometer: € 0,17 (f
0,37) per kilometer van die reisafstand vermenigvuldigd met het aantal dagen waarop wordt gereisd, maar niet meer dan € 1 602 (f 3 530) per jaar.


5. Indien de belastingplichtige naar verschillende plaatsen van werkzaamheden pleegt te reizen, vinden het derde en vierde lid afzonderlijk toepassing met betrekking tot het reizen naar elk van die plaatsen, waarbij de som van de volgens deze leden bepaalde reisaftrek niet meer bedraagt dan € 1 602 (f 3 530) per jaar.


6. Indien de belastingplichtige op dezelfde dag naar verschillende plaatsen van werkzaamheden pleegt te reizen, zijn de vorige leden uitsluitend van toepassing op het reizen naar de meest bereisde plaats van werkzaamheden. Indien de plaatsen van werkzaamheden even vaak plegen te worden bereisd, geldt de grootste reisafstand.


7. Indien de belastingplichtige ook voor de fietsaftrek in aanmerking komt, is de som van de volgens de fietsaftrek en de reisaftrek in aanmerking te nemen bedragen geen hoger bedrag dan € 1 602 (f 3
530).


8. De per openbaar vervoer afgelegde reisafstand blijkt slechts uit een op een tijdvak van 12 maanden betrekking hebbende verklaring die is afgegeven door de desbetreffende openbaar_vervoersonderneming (de openbaar_vervoerverklaring).


9. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de inhoud van deze openbaar_vervoerverklaring en voor de uitvoering van dit artikel.


10. In afwijking van het achtste lid kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld om aan een openbaar-vervoerverklaring gelijk te stellen andere aan de persoon van de belastingplichtige herleidbare verklaringen omtrent het gereisd hebben met openbaar vervoer in die gevallen dat door de gebruikte kaartsoort de openbaar-vervoerverklaring niet kan worden verstrekt.

Artikel 3.3.10 Begrippen woon_werkverkeer


1. In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. reisafstand: de afstand tussen de woning of verblijfplaats en de plaats van werkzaamheden gemeten langs de meest gebruikelijke weg van reizen per fiets respectievelijk per openbaar vervoer, voorzover voor die afstand geen vervoer vanwege de inhoudingsplichtige plaatsvindt;

b. regelmatig woon_werkverkeer: het ten minste eenmaal per week plegen te reizen tussen de woning of verblijfplaats en de plaats of plaatsen van werkzaamheden, waarbij binnen een tijdsbestek van 24 uur zowel heen als terug wordt gereisd.


2. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel b, pleegt de belastingplichtige in ieder geval ten minste eenmaal per week te reizen indien hij in het kalenderjaar op 40 dagen of meer van zijn woning of verblijfplaats naar de plaats of plaatsen van werkzaamheden heeft gereisd.

Artikel 3.3.11 Zeedagenaftrek


1. De zeedagenaftrek geldt voor de belastingplichtige die als kapitein, scheepsofficier of scheepsgezel van een zeeschip in de zin van de Zeebrievenwet in verband met zijn werkzaamheden doorgaans ten minste 180 dagen per jaar aan boord van een dergelijk zeeschip of in een buitenlandse haven of havenplaats verblijft (zeedagen). De dagen van vertrek en van aankomst worden daarbij meegerekend.


2. De zeedagenaftrek bedraagt € 4 (f 9) per zeedag.


3. Als zeedagen worden niet in aanmerking genomen:

a. dagen ten gevolge van reizen met een duur van 14 dagen of minder, tenzij gedurende de reis een buitenlandse haven is aangedaan die voor de vervoerde zaken of personen het karakter van haven van bestemming of van vertrek heeft;

b. dagen waarbij het vertrek uit en de aankomst in een Nederlandse haven op dezelfde dag liggen;

c. dagen waarop het zeeschip de hele dag in een Nederlandse haven ligt.

AFDELING 4

Belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden

PARAGRAAF 1

Belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden

Artikel 3.4.1.1 Belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden

Belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden is het gezamenlijke bedrag van het resultaat uit een of meer werkzaamheden die geen belastbare winst of belastbaar loon genereren.

Artikel 3.4.1.2 Ter beschikking stellen van vermogensbestandelen aan een onderneming of werkzaamheid


1. Onder werkzaamheid wordt mede verstaan:

a. het rendabel maken van vermogensbestanddelen - daaronder begrepen de schulden die rechtstreeks samenhangen met die vermogensbestanddelen - door deze vermogensbestanddelen rechtens dan wel in feite, direct of indirect ter beschikking te stellen aan een met de belastingplichtige verbonden persoon, voorzover die vermogensbestanddelen door die persoon worden aangewend voor het behalen van belastbare winst uit onderneming of belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden;

b. het rendabel maken van vermogensbestanddelen - daaronder begrepen de schulden die rechtstreeks samenhangen met die vermogensbestanddelen - voorzover deze vermogensbestanddelen rechtens dan wel in feite, direct of indirect ter beschikking worden gesteld ten behoeve van een samenwerkingsverband waarvan een met de belastingplichtige verbonden persoon die daarbij belastbare winst uit onderneming of belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden geniet, deel uitmaakt;

c. het rendabel maken van vermogen op een wijze die normaal, actief vermogensbeheer te buiten gaat, zoals bij het uitponden van onroerende zaken, het in belangrijke mate door de belastingplichtige zelf verrichten van groot onderhoud of andere aanpassingen aan een zaak, of het aanwenden door de belastingplichtige van voorkennis of daarmee vergelijkbare bijzondere vormen van kennis.


2. Voor de toepassing van dit artikel wordt:

a. met het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen aan een in het eerste lid bedoelde persoon of ten behoeve van een daar bedoeld samenwerkingsverband gelijkgesteld:


1. het hebben van een schuldvordering op een in dat lid bedoelde persoon of bedoeld samenwerkingsverband;


2. het hebben van rechten uit een overeenkomst van levensverzekering waarbij de in dat lid bedoelde persoon of bedoeld samenwerkingsverband als verzekeraar optreedt behoudens voorzover de uitkeringen uit die rechten anders in aanmerking zouden worden genomen als een periodieke uitkering of verstrekking als bedoeld in afdeling 5;


3. het hebben van een genotsrecht op een vermogensbestanddeel dat ter beschikking is gesteld aan een in dat lid bedoelde persoon of ten behoeve van een in dat lid bedoeld samenwerkingsverband, en


4. het hebben van een recht een vermogensbestanddeel dat ter beschikking is gesteld aan een in dat lid bedoelde persoon of ten behoeve van een in dat lid bedoeld samenwerkingsverband, te verwerven;

b. onder een met de belastingplichtige verbonden persoon verstaan de partner van de belastingplichtige en de bloed- of aanverwanten in de rechte lijn van de belastingplichtige of zijn partner, en

c. een vergoeding voor het aangaan van borgtocht voor schulden betreffende een onderneming, werkzaamheid of samenwerkingsverband als bedoeld in het eerste lid, aangemerkt als een voordeel uit het ter beschikking stellen van een vermogensbestanddeel.

Artikel 3.4.1.2a Ter beschikking stellen van vermogensbestandelen aan een vennootschap waarin een aanmerkelijk belang wordt gehouden


1. Voorts wordt onder werkzaamheid mede verstaan:

a. het rendabel maken van vermogensbestanddelen - daaronder begrepen de schulden die rechtstreeks samenhangen met die vermogensbestanddelen - voorzover deze vermogensbestanddelen rechtens dan wel in feite, direct of indirect ter beschikking worden gesteld aan een vennootschap waarin de belastingplichtige of zijn partner of duurzaam van hem gescheiden levende echtgenoot of een van de bloed- of aanverwanten in de rechte lijn van de belastingplichtige of zijn partner respectievelijk duurzaam van hem gescheiden levende echtgenoot, een aanmerkelijk belang heeft als bedoeld in hoofdstuk 4;

b. het rendabel maken van vermogensbestanddelen - daaronder begrepen de schulden die rechtstreeks samenhangen met die vermogensbestanddelen - voorzover deze vermogensbestanddelen ter beschikking worden gesteld ten behoeve van een samenwerkingsverband waarvan een vennootschap als bedoeld in onderdeel a deel uitmaakt.


2. Voor de toepassing van dit artikel wordt:

a. met het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen aan een in het eerste lid bedoelde vennootschap of ten behoeve van een daar bedoeld samenwerkingsverband gelijkgesteld:


1. het hebben van een schuldvordering op een in dat lid bedoelde vennootschap of bedoeld samenwerkingsverband;


2. het hebben van rechten uit een overeenkomst van levensverzekering waarbij de in dat lid bedoelde vennootschap of bedoeld samenwerkingsverband als verzekeraar optreedt behoudens voorzover de uitkeringen uit die rechten anders in aanmerking zouden worden genomen als een periodieke uitkering of verstrekking als bedoeld in afdeling
5;


3. het hebben van een genotsrecht op een vermogensbestanddeel dat ter beschikking is gesteld aan een in dat lid bedoelde vennootschap of ten behoeve van een in dat lid bedoeld samenwerkingsverband, en


4. het hebben van een recht een vermogensbestanddeel dat ter beschikking is gesteld aan een in dat lid bedoelde vennootschap of ten behoeve van een in dat lid bedoeld samenwerkingsverband, te verwerven;

b. een vergoeding voor het aangaan van borgtocht voor schulden van een vennootschap of betreffende een samenwerkingsverband als bedoeld in het eerste lid, aangemerkt als een voordeel uit het ter beschikking stellen van een vermogensbestanddeel.

Artikel 3.4.1.2b Bijzondere bepalingen begrip werkzaamheden


1. Voor de toepassing van de artikelen 3.4.1.2 en 3.4.1.2a:

a. wordt een eigen woning in de zin van artikel 3.6.2 of een gedeelte daarvan niet als een vermogensbestanddeel aangemerkt;

b. geldt een persoon niet als aanverwant indien het huwelijk waardoor de verwantschap is ontstaan door echtscheiding is ontbonden.


2. Werkzaamheden van dezelfde aard worden aangemerkt als een werkzaamheid.

PARAGRAAF 2

Resultaat uit een werkzaamheid

Artikel 3.4.2.1 Resultaat uit een werkzaamheid

Resultaat uit een werkzaamheid (resultaat) is het bedrag van de gezamenlijke voordelen die, onder welke naam en in welke vorm ook, worden behaald met een werkzaamheid en met de daarvoor gebruikte vermogensbestanddelen.

Artikel 3.4.2.2 Bepaling van het resultaat

Bij de bepaling van het resultaat zijn de artikelen 3.2.2.1b, 3.2.2.4 tot en met 3.2.2.10a, 3.2.2.14 tot en met 3.2.2.19, en 3.2.2.45 tot en met 3.2.2.52 van overeenkomstige toepassing, alsof de werkzaamheid een onderneming vormt.

Artikel 3.4.2.3 Vrijstelling

Tot het resultaat behoren niet voordelen uit het deelnemen aan kansspelen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet op de kansspelbelasting.

Artikel 3.4.2.4 Keuzemogelijkheid bij het houden van kostgangers


1. Indien de belastingplichtige bij de aangifte daarvoor kiest, worden de door hem uit het houden van kostgangers verkregen opbrengsten voor een deel als voordelen uit eigen woning dan wel uit een huurrecht aangemerkt. Dit keuzerecht geldt voor het deel van de opbrengsten dat betrekking heeft op het, anders dan voor korte duur, ter beschikking stellen aan derden van al dan niet gestoffeerde of gemeubileerde woonruimte die niet een zelfstandige woning vormt en deel uitmaakt van de woning die de belastingplichtige tot hoofdverblijf dient.


2. Het eerste lid is alleen van toepassing indien:

a. het deel van de opbrengsten dat betrekking heeft op het ter beschikking stellen van de woonruimte niet meer bedraagt dan € 3
176 (f 6 999) per jaar, en

b. zowel de belastingplichtige als degenen aan wie ter beschikking is gesteld gedurende de periode van de terbeschikkingstelling als ingezetenen op het woonadres ter zake van de woning zijn ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens.

Artikel 3.4.2.4a Doorschuiving bij ontbinding huwelijksgemeenschap

In afwijking in zoverre van artikel 3.4.2.2 is artikel 3.2.2.49, eerste lid, niet van overeenkomstige toepassing op de bestanddelen van het vermogen van de werkzaamheid waarmee de belastingplichtige de werkzaamheid rechtstreeks voortzet.

Artikel 3.4.2.5 Overgang werkzaamheid in onderneming

Indien een werkzaamheid in een kalenderjaar uitgroeit tot een onderneming waaruit de belastingplichtige als ondernemer winst geniet, wordt voor het bepalen van de in het jaar uit de werkzaamheid genoten resultaat, de werkzaamheid geacht niet te zijn gestaakt. In dat geval wordt bij de onderneming de boekwaarde van de vermogensbestanddelen gesteld op de boekwaarde daarvan bij de werkzaamheid.

AFDELING 5

Belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen

Artikel 3.5.1 Belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen

Belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen zijn:

a. de aangewezen periodieke uitkeringen en verstrekkingen;

b. termijnen van lijfrenten en andere periodieke uitkeringen en verstrekkingen uit een inkomensvoorziening (afdeling 7) voorzover de voor die voorziening betaalde premies als uitgave voor inkomensvoorziening in aanmerking zijn genomen;

c. uitkeringen en verstrekkingen op grond van een buitenlandse voorziening waarvan de strekking overeenkomt met een inkomensvoorziening, behoudens voorzover aannemelijk is dat met de voor die voorziening betaalde premies geen rekening is gehouden bij een heffing naar het inkomen;

d. uitkeringen op grond van verplicht gestelde deelnemingen aan pensioenregelingen als bedoeld in artikel 1.6a, tweede lid, onderdeel b;

verminderd met de daarop drukkende aftrekbare kosten, bedoeld in artikel 3.5.9.

Artikel 3.5.2 Aangewezen periodieke uitkeringen en verstrekkingen


1. Aangewezen periodieke uitkeringen en verstrekkingen zijn de periodieke uitkeringen en verstrekkingen die:

a. worden ontvangen op grond van een publiekrechtelijke regeling;

b. worden ontvangen op grond van een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting, tenzij de uitkeringen of verstrekkingen worden ontvangen van bloed_ of aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn;

c. in rechte vorderbaar zijn en niet de tegenwaarde voor een prestatie vormen, tenzij de uitkeringen of verstrekkingen worden ontvangen van een bloed_ of aanverwant in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn dan wel de genieter behoort tot het huishouden van de belastingplichtige;

d. niet in rechte vorderbaar zijn en worden ontvangen van een rechtspersoon.


2. Indien verstrekkingen als bedoeld in het eerste lid, onderdelen b of c, worden ontvangen in de vorm van huisvesting ter zake van een woning of een gedeelte van een woning, worden die verstrekkingen voorzover zij afkomstig zijn van een beperkt gerechtigde tot die woning of gedeelte van die woning gesteld op de huurwaarde respectievelijk een evenredig deel van de huurwaarde berekend volgens artikel 3.6.3.

Artikel 3.5.3 Algemene uitbreidingen aangewezen uitkeringen


1. Tot de aangewezen periodieke uitkeringen en verstrekkingen behoort wat wordt ontvangen ter vervanging van gederfde of te derven periodieke uitkeringen en verstrekkingen.


2. Het eerste lid is niet van toepassing voorzover wat wordt ontvangen ter vervanging van de gederfde of te derven periodieke uitkeringen en verstrekkingen bestaat uit een recht op soortgelijke periodieke uitkeringen en verstrekkingen.


3. Tot de aangewezen periodieke uitkeringen en verstrekkingen behoort wat in het kader van echtscheiding of scheiding van tafel en bed wordt ontvangen ter zake van het recht op verrekening van:

a. pensioenrechten;

b. lijfrenten en andere inkomensvoorzieningen voorzover de daarvoor betaalde premies als uitgave voor inkomensvoorziening in aanmerking zijn genomen.


4. Het derde lid is niet van toepassing voorzover wat wordt ontvangen bestaat uit een lijfrente of een andere inkomensvoorziening en de daarvoor betaalde premies als uitgave voor inkomensvoorziening in aanmerking zijn genomen.


5. Tot wat wordt ontvangen ter zake van het recht op verrekening bedoeld in het derde lid, behoort niet een recht op periodieke uitkeringen en verstrekkingen dat is toegekend door degene die tot de verrekening verplicht is.

Artikel 3.5.4 Specifieke uitbreidingen publiekrechtelijke uitkeringen


1. Tot de periodieke uitkeringen en verstrekkingen die worden ontvangen op grond van een publiekrechtelijke regeling behoren:

a. uitkeringen uit vrijwillige verzekering op grond van artikel 45 van de Algemene Ouderdomswet en artikel 63 van de Algemene nabestaandenwet;

b. uitkeringen aan gemoedsbezwaarden op grond van artikel 48 van de Algemene Ouderdomswet;

c. uitkeringen op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen;

d. uitkeringen op grond van buitenlandse regelingen die naar aard en strekking overeenkomen met uitkeringen als bedoeld in de onderdelen a, b en c.


2. Aanspraken op verstrekkingen op grond van de Ziekenfondswet die toekomen aan degenen die aangewezen periodieke uitkeringen ontvangen, worden, voorzover die aanspraken niet worden gedekt door stortingen van de belastingplichtige, aangemerkt als bestanddeel van die uitkeringen. De waarde van een dergelijke aanspraak wordt gesteld op het bedrag van de premies op grond van de Ziekenfondswet die daarop betrekking hebben.

Artikel 3.5.5 Vrijstellingen publiekrechtelijke uitkeringen

Tot de aangewezen periodieke uitkeringen en verstrekkingen behoren niet:

a. uitkeringen en verstrekkingen op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;

b. uitkeringen op grond van de Algemene Kinderbijslagwet;

c. uitkeringen op grond van artikel 26 van de Wet tegemoetkoming studiekosten;

d. uitkeringen en verstrekkingen op grond van de Algemene bijstandswet die zijn bedoeld ter dekking van bepaalde noodzakelijke kosten;

e. op het inkomen van de belastingplichtige afgestemde uitkeringen die bij ministeriële regeling worden aangewezen, voorzover zij volgens die regeling zijn bedoeld ter dekking van:


1. bepaalde noodzakelijke kosten van huur van een woning of een woonwagen;


2. bepaalde noodzakelijke kosten in verband met opleiding of studie;


3. meerkosten van het als studerende uitwonend zijn;


4. bepaalde noodzakelijke kosten die naar aard en strekking overeenkomen met kosten als bedoeld in onderdeel d;


5. bepaalde noodzakelijke kosten van huishoudelijke hulp;

f. bij ministeriële regeling aan te wijzen uitkeringen die zijn bedoeld ter dekking van onderhoudskosten van thuiswonende gehandicapte kinderen;

g. uitkeringen op grond van buitenlandse regelingen die naar aard en strekking overeenkomen met uitkeringen als bedoeld in de onderdelen a tot en met f.

Artikel 3.5.6 Specifieke uitbreidingen familierechtelijke uitkeringen


1. Tot de periodieke uitkeringen en verstrekkingen die worden ontvangen op grond van een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting behoren de periodieke uitkeringen en verstrekkingen voorzover zij zijn overeengekomen in het kader van echtscheiding of scheiding van tafel en bed ter verrekening van:

a. pensioenrechten;

b. lijfrenten en andere inkomensvoorzieningen voorzover de daarvoor betaalde premies als uitgave voor inkomensvoorziening in aanmerking zijn genomen.


2. Tot de periodieke uitkeringen en verstrekkingen die worden ontvangen op grond van een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting behoren de periodieke uitkeringen en verstrekkingen die dienen ter vervanging van dergelijke periodieke uitkeringen en verstrekkingen.


3. Het eerste en het tweede lid zijn uitsluitend van toepassing op periodieke uitkeringen en verstrekkingen die worden gedaan door degene die tot de verrekening respectievelijk de vervanging verplicht is.

Artikel 3.5.7 Uitbreidingen uitkeringen uit inkomensvoorzieningen


1. Voorzover ter zake van een lijfrente of een andere aanspraak uit een inkomensvoorziening als bedoeld in artikel 3.5.1, onderdeel b, dan wel een aanspraak op grond van een pensioenregeling als bedoeld in artikel 3.5.1, onderdeel d, op enig moment negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking worden genomen, behoort op dat tijdstip mede tot de uitkeringen als bedoeld in genoemd onderdeel b of d, de waarde in het economische verkeer van de aanspraak voorzover deze de ter zake van de aanspraak in aanmerking genomen negatieve uitgaven te boven gaat.


2. Tot de uitkeringen op grond van een buitenlandse voorziening als bedoeld in artikel 3.5.1, onderdeel c, behoort mede:

a. wat wordt genoten ter vervanging van gederfde of te derven zodanige uitkeringen;

b. wat met betrekking tot een recht op zodanige uitkeringen wordt genoten ter zake van vervreemding of het onherroepelijk worden van de begunstiging.


3. Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel b, wordt als op het tijdstip van vervreemding of onherroepelijk worden van de begunstiging genoten bedrag aangemerkt, de waarde in het economische verkeer van het in dat onderdeel bedoelde recht. De vorige volzin is niet van toepassing indien de verkrijger of de begunstigde een natuurlijk persoon is en het verkregen recht geen deel uitmaakt van het vermogen van een voor zijn rekening gedreven onderneming. Met vervreemding wordt gelijkgesteld het brengen in het vermogen van een onderneming.

Artikel 3.5.8 Uitgezonderde uitkeringen uit inkomensvoorzieningen


1. Tot de uitkeringen uit inkomensvoorzieningen bedoeld in artikel
3.5.1, onderdeel b, en de uitkeringen uit pensioenregelingen als bedoeld in artikel 3.5.1, onderdeel d, behoren niet uitkeringen op grond van een voorziening waarvan de waarde op grond van artikel 3.5.7 in aanmerking is genomen.


2. Artikel 2.4.1, tweede lid, is niet van toepassing op het recht waaruit deze uitkeringen voortvloeien.

Artikel 3.5.9 Aftrekbare kosten van aangewezen uitkeringen en van uitkeringen uit inkomensvoorzieningen

Aftrekbare kosten van uitkeringen en verstrekkingen zijn de daarop drukkende kosten voorzover zij zijn gemaakt tot verwerving, inning en behoud van die uitkeringen en verstrekkingen. De kosten kunnen in mindering worden gebracht voorzover zij in hun totale omvang niet overtreffen wat gebruikelijk is.

Artikel 3.5.10 Van aftrek uitgesloten kosten

Tot de aftrekbare kosten van uitkeringen en verstrekkingen behoren niet renten van schulden, kosten van geldleningen daaronder begrepen. Artikel 3.2.2.5, zesde lid, en 3.2.2.7, negende lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

AFDELING 6

Belastbare inkomsten uit eigen woning

Artikel 3.6.1 Belastbare inkomsten uit eigen woning

Belastbare inkomsten uit eigen woning zijn de voordelen uit eigen woning en het voordeel uit kapitaalverzekering eigen woning verminderd met de op de voordelen uit eigen woning drukkende aftrekbare kosten (artikel 3.6.11).

Artikel 3.6.2 Eigen woning


1. In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder eigen woning: een gebouw, een duurzaam aan een plaats gebonden schip, of een gedeelte van het gebouw of het schip, met de daartoe behorende aanhorigheden, voorzover dat, anders dan ten behoeve van een onderneming, de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouden anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat op grond van:

a. eigendom, waaronder begrepen economische eigendom, of een recht van lidmaatschap van een coöperatie, indien met betrekking tot die woning de belastingplichtige of zijn partner de voordelen geniet, de kosten en lasten op de belastingplichtige of zijn partner drukken en de waardeverandering hem grotendeels aangaat;

b. een recht van vruchtgebruik, een recht van bewoning of een recht van gebruik dat de belastingplichtige krachtens erfrecht heeft verkregen, indien met betrekking tot die woning de belastingplichtige de voordelen geniet en de kosten en lasten op hem drukken.


2. Een woning wordt mede aangemerkt als eigen woning indien de woning de belastingplichtige in het kalenderjaar of in een van de voorafgaande twee jaar als eigen woning als bedoeld in het eerste lid ter beschikking heeft gestaan en sindsdien leeg staat en hij aannemelijk maakt dat de woning bestemd is voor verkoop.


3. Een woning wordt mede aangemerkt als eigen woning indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat de woning leeg staat of in aanbouw is en uitsluitend bestemd is om in het kalenderjaar of in een van de daaropvolgende twee jaren hem als eigen woning als bedoeld in het eerste lid ter beschikking te staan.


4. Een woning wordt voor ten hoogste twee jaren na het tijdstip waarop de woning de belastingplichtige niet langer anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat mede aangemerkt als eigen woning indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat gedurende die periode de woning zijn gewezen partner anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat.


5. Een woning wordt voor ten hoogste twee jaren na het tijdstip waarop de woning de belastingplichtige niet langer anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat mede aangemerkt als eigen woning indien de belastingplichtige gedurende die periode verblijft in een instelling, die op grond van artikel 8 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten moet zijn toegelaten om zorg als bedoeld in artikel 6 van die wet te verlenen.


6. Het tijdelijk ter beschikking stellen van een woning aan derden, ontneemt daaraan niet het karakter van hoofdverblijf.


7. Bij een belastingplichtige en zijn partner tezamen wordt niet meer dan één hoofdverblijf in aanmerking genomen. Indien partners meer dan één woning hebben die als hoofdverblijf kan worden aangemerkt, kunnen de belastingplichtige en zijn partner gezamenlijk bij de aangifte kiezen welke van die woningen als zodanig wordt aangemerkt.


8. Indien de belastingplichtige en zijn partner voor een kalenderjaar:

a. de keuze om één woning als hoofdverblijf aan te merken hebben gemaakt, kan niet op die keuze worden teruggekomen;

b. geen keuze hebben gemaakt, wordt geen van de woningen als hoofdverblijf aangemerkt.

Artikel 3.6.3 Eigenwoningforfait


1. De voordelen uit eigen woning worden bij een eigenwoningwaarde van

meer dan

maar niet meer dan

op jaarbasis gesteld op


-

€ 12 500 (f 27 546)

nihil

€ 12 500 (f 27 546)

€ 25 000 (f 55 093)


0,5% van deze waarde

€ 25 000 (f 55 093)

€ 50 000 (f 110 186)


0,75% van deze waarde

€ 50 000 (f 110 186)

€ 75 000 (f 165 278)


1% van deze waarde

€ 75 000 (f 165 278)


-


1,25% van deze waarde, maar ten hoogste € 7624 (f 16 800).


2. De eigenwoningwaarde is de volgens hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor die woning vastgestelde waarde of waarden voor het tijdvak waarbinnen het kalenderjaar valt. Indien een eigen woning deel uitmaakt van een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16 van de Wet waardering onroerende zaken, wordt de eigenwoningwaarde gesteld op het gedeelte van de waarde van de onroerende zaak dat kan worden toegekend aan de woning.


3. Met betrekking tot de eigen woning ter zake waarvan het tweede lid geen toepassing kan vinden door het ontbreken van een op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken vastgestelde waarde, is de eigenwoningwaarde de waarde van de woning die wordt bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 16 tot en met 19, 20, tweede lid, en 22, derde lid, van die wet en van het tweede lid, tweede volzin.


4. De voordelen uit een eigen woning als bedoeld in artikel 3.6.2, tweede en derde lid, worden gesteld op nihil.

Artikel 3.6.4 Tijdelijke verhuur

Met betrekking tot de eigen woning die tijdelijk ter beschikking is gesteld aan derden worden voor de periode van terbeschikkingstelling de uit de woning genoten voordelen gesteld op driekwart van de voordelen ter zake van het ter beschikking stellen.

Artikel 3.6.5 Kamerverhuurvrijstelling


1. Indien de opbrengsten uit het anders dan voor korte duur ter beschikking stellen van al dan niet gestoffeerde of gemeubileerde woonruimte die geen zelfstandige woning vormt en deel uitmaakt van de woning die de belastingplichtige anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat, niet meer bedragen dan € 3
176 (f 6 999) per jaar, wordt die woonruimte aangemerkt als onderdeel van de eigen woning en worden de voordelen, andere dan bedoeld in artikel 3.6.3, eerste lid, niet in aanmerking genomen.


2. Voor toepassing van dit artikel dient zowel de belastingplichtige als degene aan wie ter beschikking is gesteld gedurende de tijd van de terbeschikkingstelling als ingezetene op het woonadres ter zake van de woning te zijn ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens.

Artikel 3.6.6 Toedeling eigenwoningforfait

De voordelen uit een woning die voor twee of meer belastingplichtigen die geen partner van elkaar zijn samen een eigen woning is, worden voor elk van hen in aanmerking genomen naar de mate waarin zij op grond van artikel 3.6.2, eerste lid, tot de woning gerechtigd zijn.

Artikel 3.6.7 Voordeel uit kapitaalverzekering eigen woning


1. Het voordeel uit kapitaalverzekering eigen woning is de rente die is begrepen in een kapitaalsuitkering uit levensverzekering die dient ter aflossing van schulden die zijn aangegaan ter verwerving van een eigen woning.


2. Van een kapitaalverzekering eigen woning is sprake zolang:

a. in de overeenkomst is bepaald dat de begunstigde de uitkering zal aanwenden ter aflossing van schulden die zijn aangegaan ter verwerving van de eigen woning;

b. in de overeenkomst is bepaald dat ten minste 15 jaar, of tot het overlijden van de verzekerde, jaarlijks premies ter zake van de verzekering worden voldaan waarbij de hoogste premie niet meer bedraagt dan het tienvoud van de laagste premie;

c. de verzekering recht geeft op een eenmalige kapitaalsuitkering bij leven of overlijden van de verzekeringnemer, zijn echtgenoot of degene met wie hij duurzaam een gezamenlijke huishouding voert;

d. de premies voor de verzekering verschuldigd zijn aan een verzekeraar die bevoegd is het directe verzekeringsbedrijf, bedoeld in de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, uit te oefenen en

e. de in de overeenkomst genoemde woning een eigen woning is van de verzekeringnemer, zijn echtgenoot of degene met wie hij duurzaam een gezamenlijke huishouding voert.


3. Indien de kapitaalverzekering eigen woning:

a. niet meer voldoet aan de voorwaarden van het tweede lid;

b. wordt afgekocht of vervreemd;

c. wordt ingebracht in het vermogen van een onderneming;

d. gedeeltelijk tot uitkering komt dan wel, indien de verzekering recht geeft op eenmalige uitkeringen bij leven of overlijden van meer dan een verzekerde, per verzekerde gedeeltelijk tot uitkering komt;

dan wel indien:

e. de in het tweede lid, onderdeel b, genoemde verplichting niet wordt nagekomen of

f. de verzekering een looptijd van 30 jaar heeft overschreden,

wordt de verzekering geacht ook en geheel tot uitkering te zijn gekomen bij de verzekeringnemer of, ingeval van een onherroepelijke begunstiging, bij de begunstigde, waarbij de hoogte van de uitkering wordt gesteld op de waarde in het economische verkeer van de verzekering.


4. Indien de verzekeringnemer of, in geval van een onherroepelijke begunstiging, de begunstigde anders dan door overlijden ophoudt binnenlands belastingplichtig te zijn, wordt de kapitaalverzekering eigen woning geacht op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip tot uitkering te zijn gekomen bij de verzekeringnemer of, in geval van een onherroepelijke begunstiging, bij de begunstigde en de hoogte van de uitkering gesteld op de waarde in het economische verkeer van de verzekering. Onder ophouden binnenlands belastingplichtig te zijn wordt mede verstaan de situatie waarin de verzekeringnemer respectievelijk de begunstigde voor de toepassing van de Belastingregeling voor het Koninkrijk of een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting wordt geacht geen inwoner van Nederland meer te zijn.


5. De rente begrepen in een uitkering uit een kapitaalverzekering eigen woning wordt gesteld op het bedrag waarmee de uitkering overtreft wat ter zake van de verzekering aan premies is voldaan.


6. Onder premies ter zake van een kapitaalverzekering eigen woning worden mede begrepen:

a. bij een uitkering bij leven: premies voor bij dezelfde overeenkomst verzekerde uitkeringen bij overlijden of uitkeringen of vrijstelling van premiebetaling bij invaliditeit, voorzover die uitkeringen gezamenlijk niet meer bedragen dan driemaal het verzekerde kapitaal bij leven;

b. bij een uitkering bij overlijden: premies voor bij dezelfde overeenkomst verzekerde uitkeringen bij leven, uitkeringen of vrijstelling van premiebetaling bij invaliditeit of uitkeringen bij overlijden ten gevolge van een ongeval, voorzover die uitkeringen gezamenlijk niet meer bedragen dan driemaal het verzekerde kapitaal bij overlijden.


7. Indien een kapitaalverzekering eigen woning is voortgekomen uit een levensverzekering die geen kapitaalverzekering eigen woning was (oude polis), wordt mede als premie ter zake van de kapitaalverzekering eigen woning aangemerkt de waarde in het economische verkeer van de oude polis verminderd met de daarop gestorte premies (overschot). Voor de beoordeling van de voorwaarde of de hoogste en de laagste premie blijft binnen de in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde bandbreedte, blijft het overschot buiten aanmerking.

Artikel 3.6.8 Begrip levensverzekering

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder levensverzekering: een overeenkomst van levensverzekering als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993.

Artikel 3.6.9 Vrijstelling kapitaalverzekering eigen woning


1. Tot het voordeel uit kapitaalverzekering eigen woning behoort niet de rente begrepen in de uitkering uit een kapitaalverzekering eigen woning voorzover de uitkering niet meer bedraagt dan € 121 500 (f
267 751) indien:

a. de uitkering heeft gediend als aflossing van schulden die zijn aangegaan ter verwerving van de eigen woning;

b. ter zake van de verzekering ten minste 20 jaar, of, indien de verzekering tot uitkering komt door eerder overlijden, tot het overlijden, jaarlijks premies zijn voldaan en

c. de hoogste premie niet meer heeft bedragen dan het tienvoud van de laagste.

In afwijking in zoverre van de eerste volzin, aanhef en onderdeel b, wordt de rente die is begrepen in de uitkering uit een kapitaalverzekering eigen woning, voorzover deze uitkering niet meer bedraagt dan € 27 600 (f 60 822), niet als voordeel uit kapitaalverzekering aangemerkt indien ter zake van de verzekering ten minste 15 jaar jaarlijks premies zijn voldaan.


2. De in het eerste lid, onderdelen a en b, genoemde voorwaarden gelden niet indien:

a. de verzekeringnemer, zijn echtgenoot of degene met wie hij duurzaam een gezamenlijke huishouding voert geen eigen woning meer ter beschikking staat en ter zake daarvan de verzekering tot uitkering is gekomen of wordt geacht tot uitkering te zijn gekomen of

b. de verzekering wordt geacht tot uitkering te zijn gekomen door het ophouden binnenlands belastingplichtig te zijn als bedoeld in artikel
3.6.7, vierde lid.


3. Het bedrag genoemd in het eerste lid, eerste volzin, wordt verminderd met het bedrag aan uitkering uit een kapitaalverzekering dat eerder ten aanzien van de belastingplichtige voor de toepassing van het eerste lid in aanmerking is genomen.


4. Indien op het tijdstip van de uitkering het nog niet afgeloste bedrag van de schulden die zijn aangegaan ter verwerving van de eigen woning lager is dan het op grond van het eerste en het derde lid bepaalde bedrag, wordt het in het eerste lid, in verbinding met het derde lid, bepaalde bedrag vervangen door het bedrag van de schulden.


5. Indien de belastingplichtige een levensverzekering heeft en ter zake van die verzekering op enig moment wordt voldaan aan de voorwaarden voor een kapitaalverzekering eigen woning, wordt het in het eerste lid genoemde bedrag verhoogd met de waarde in het economische verkeer van de levensverzekering op dat moment.


6. Indien de kapitaalverzekering eigen woning tot uitkering komt door het overlijden van de partner, wordt het in het eerste lid genoemde bedrag van € 121 500 (f 267 751) verhoogd met dat bedrag voorzover dat bedrag niet reeds tijdens het leven door de overleden partner in aanmerking is genomen.

Artikel 3.6.10 Omzetting kapitaalverzekering eigen woning

Indien een kapitaalverzekering eigen woning wordt omgezet in een andere soortgelijke verzekering, wordt de laatstgenoemde verzekering voor de toepassing van deze afdeling geacht een voortzetting te zijn van de eerstgenoemde verzekering.

Artikel 3.6.11 Aftrekbare kosten eigen woning


1. De aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning zijn het gezamenlijke bedrag van:

a. renten van schulden, kosten van geldleningen daaronder begrepen, die zijn aangegaan ter verwerving van de eigen woning;

b. periodieke betalingen op grond van de rechten van erfpacht, opstal of beklemming met betrekking tot de eigen woning en

c. renten van schulden aangegaan ter afkoop van rechten van erfpacht, opstal of beklemming met betrekking tot de eigen woning..


2. De renten van schulden als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, worden gedurende ten hoogste 30 jaren in aanmerking genomen als aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning. De duur van de termijn van 30 jaren vangt aan bij het begin van het eerste tijdvak waarop de renten van deze schulden, die als bestanddeel van het inkomen uit werk en woning in aftrek worden gebracht, betrekking hebben en eindigt op het tijdstip waarop de gehele schuld wordt afgelost. Indien andere schulden worden aangegaan als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, worden de renten slechts in aanmerking genomen voor zover de termijn van 30 jaren nog niet is verstreken tenzij het betreft:

a. schulden die worden aangegaan voor verbetering of onderhoud van de woning als bedoeld in artikel 3.6.14, of

b. schulden die het totaal van de hoofdsommen van alle voorgaande schulden overtreffen, voor het gedeelte van de schulden dat het totaal van de hoofdsommen van alle voorgaande schulden overtreft.

Voor de schulden, bedoeld in de onderdelen a en b, vangt een termijn van 30 jaren aan bij het begin van het eerste tijdvak waarop de renten van deze schulden, die als bestanddeel van het inkomen uit werk en woning in aftrek worden gebracht, betrekking hebben.


3. Indien artikel 3.6.2, tweede of derde lid, van toepassing is, kunnen de renten van schulden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, als aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning in aanmerking worden genomen, tenzij ter zake van die schuld of een gedeelte daarvan de termijn van 30 jaren reeds is verstreken. Voor het gedeelte van de schuld dat overeenstemt met het totaal van de schulden, die zijn aangegaan voor de verwerving van een eigen woning als bedoeld in artikel 3.6.2, eerste lid, en waarvoor op grond van het tweede lid een termijn van 30 jaren in aanmerking wordt genomen, heeft in afwijking in zoverre van het tweede lid dat gedeelte geen invloed op de duur van de termijn van 30 jaren. Voor het gedeelte van de schuld dat het totaal van de schulden waarvoor op grond van het tweede lid een termijn van 30 jaren in aanmerking wordt genomen, overtreft, vangt een termijn van 30 jaren of het gedeelte van de termijn van 30 jaren dat nog resteert aan op het tijdstip waarop die woning wordt aangemerkt als een eigen woning op grond van artikel 3.6.2, tweede of derde lid.


4. Tot de aftrekbare kosten van een eigen woning worden niet gerekend:

a. renten van schulden die zijn aangegaan ter betaling van de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde renten;

b. kosten voorzover in verband met de voldoening daarvan schulden ontstaan waarvan de verplichting tot betaling - anders dan voor het geval van overlijden of arbeidsongeschiktheid van de belastingplichtige - rechtens, al dan niet voorwaardelijk, of in feite, direct of indirect is beperkt;

c. renten van schulden aangegaan ter verwerving van de eigen woning of een gedeelte daarvan, indien de eigen woning of een gedeelte daarvan direct of indirect is verkregen van de partner van de belastingplichtige of van degene met wie hij duurzaam een gezamenlijke huishouding voert, voorzover het totaal van de schulden die de belastingplichtige en zijn partner of degene met wie hij duurzaam een gezamenlijke huishouding voert zijn aangegaan ter verwerving van de woning, na deze verkrijging meer bedraagt dan vóór de vervreemding van de woning of een gedeelte daarvan door zijn partner of degene met wie hij duurzaam een gezamenlijke huishouding voert.


5. De in een kalenderjaar bij wijze van vooruitbetaling voldane renten van schulden, kosten van geldleningen daaronder begrepen, worden niet in aanmerking genomen:

a. indien zij betrekking hebben op tijdvakken die eindigen later dan zes maanden na afloop van het kalenderjaar waarin zij zijn voldaan doch slechts voorzover zij betrekking hebben op de periode die aanvangt na afloop van het kalenderjaar, waarbij die renten naar evenredigheid worden toegerekend aan kalendermaanden en gedeelten van kalendermaanden als kalendermaand worden aangemerkt;

b. voorzover zij betrekking hebben op tijdvakken of delen daarvan die vallen na het tijdstip waarop de binnenlandse belastingplicht anders dan door overlijden eindigt.


6. Vooruitbetaalde renten, kosten van geldleningen daaronder begrepen, die op grond van het derde lid, onderdeel a, niet in aanmerking zijn genomen, worden, behoudens indien de binnenlandse belastingplicht anders dan door overlijden is geëindigd, geacht in gelijke delen te zijn voldaan in elk van de op het in het derde lid bedoelde kalenderjaar volgende kalenderjaren waarop de renten, kosten van geldleningen daaronder begrepen, betrekking hebben; daarbij worden gedeelten van kalenderjaren als kalenderjaren aangemerkt. In het jaar waarin de belastingplichtige overlijdt, worden de renten, kosten van geldleningen daaronder begrepen, die nog buiten aanmerking zijn gebleven, geheel in aanmerking genomen.


7. Afsluitprovisies die zijn voldaan ter zake van schulden die zijn aangegaan ter verwerving van een eigen woning worden niet gerekend tot de bij wijze van vooruitbetaling voldane renten, mits de woning in het kalenderjaar of in de daaropvolgende twee jaren de belastingplichtige als hoofdverblijf ter beschikking staat, een en ander voorzover zij niet meer belopen dan 1,5% van het bedrag van de aangegane schulden en tevens gezamenlijk een bedrag van € 3 630 (f 8 000) niet te boven gaan.


8. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, en artikel
3.6.14 worden renten van schulden die betrekking hebben op per 31 december 1995 bestaande schulden, voorzover deze schulden per die datum verzekerd waren door een hypotheek op een eigen woning en zulks nog steeds zijn met betrekking tot dezelfde woning, aangemerkt als aftrekbare kosten die verband houden met de eigen woning waarop de hypotheek is gevestigd.


9. Het eerste lid is niet van toepassing met betrekking tot een overeenkomst van geldlening tussen partners en met betrekking tot een overeenkomst van geldlening tussen de belastingplichtige en degene met wie hij duurzaam een gezamenlijke huishouding voert.


10. Artikel 3.2.2.7, tiende lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.6.12 Aftrekbare kosten gedeelde eigen woning bij gezamenlijke bewoning

De aftrekbare kosten met betrekking tot een woning die voor twee of meer belastingplichtigen die geen partner van elkaar zijn samen een eigen woning is, worden voor elk van hen bepaald door de schulden die zij zijn aangegaan ter verwerving van de woning en door de periodieke betalingen voorzover die op hen drukken.

Artikel 3.6.13 Aftrekbare kosten na eerder gebruik vrijstelling kapitaalverzekeringen eigen woning


1. De schulden, bedoeld in artikel 3.6.11, eerste lid, onderdeel a, en artikel 3.6.14, worden slechts in aanmerking genomen tot ten hoogste het bedrag dat is aangewend voor de verwerving van de eigen woning verminderd met het gedeelte van het bedrag van de uitkeringen uit kapitaalverzekeringen eigen woning ter zake waarvan de daarin begrepen rente eerder op grond van artikel 3.6.9 niet als voordeel uit kapitaalverzekering eigen woning is aangemerkt.


2. Indien de belastingplichtige een eigen woning verwerft en ter zake van een kapitaalverzekering eigen woning in een van de drie daaraan voorafgaande jaren artikel 3.6.9 toepassing heeft gevonden en deze verzekering bij de verwerving een kapitaalverzekering eigen woning wordt, wordt vanaf dat tijdstip voor de toepassing van het eerste lid artikel 3.6.9 geacht geen toepassing te hebben gevonden.

Artikel 3.6.14 Schulden voor verbetering of onderhoud eigen woning

In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen worden tot de schulden die zijn aangegaan ter verwerving van de eigen woning gerekend schulden die zijn aangegaan voor verbetering of onderhoud van de woning voorzover de verbetering en het onderhoud met schriftelijke bescheiden zijn te staven.

AFDELING 7

Uitgaven voor inkomensvoorzieningen

Artikel 3.7.1 Uitgaven voor inkomensvoorzieningen

Uitgaven voor inkomensvoorzieningen zijn de op de belastingplichtige drukkende:

a. premies voor lijfrenten die dienen ter compensatie van een pensioentekort tot de in de artikelen 3.7.5, 3.7.6 en 3.7.7 genoemde bedragen;

b. premies voor lijfrenten waarvan de termijnen toekomen aan een meerderjarig invalide kind of kleinkind en uitsluitend eindigen bij het overlijden van de gerechtigde;

c. premies voor aanspraken op periodieke uitkeringen en verstrekkingen ter zake van invaliditeit, ziekte of ongeval, waarvan de uitkeringen toekomen aan de belastingplichtige en

d. premies voor de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen.

Artikel 3.7.2 (vervallen)

Artikel 3.7.3 Lijfrentevoorzieningen


1. Als lijfrenten die dienen ter compensatie van een pensioentekort worden aangemerkt:

a. lijfrenten waarvan de termijnen toekomen aan de belastingplichtige, ingaan uiterlijk in het jaar waarin hij de leeftijd van 70 jaar bereikt en uitsluitend eindigen bij zijn overlijden;

b. lijfrenten waarvan de termijnen toekomen aan een natuurlijk persoon en ingaan bij het overlijden van de belastingplichtige, van zijn partner of zijn gewezen partner, waarbij indien de termijnen toekomen aan een van hun bloed_ of aanverwanten, niet zijnde de partner of gewezen partner, in de rechte lijn of in de tweede of derde graad van de zijlijn, deze uitsluitend eindigen hetzij bij het overlijden van de gerechtigde hetzij uiterlijk op het tijdstip waarop deze de leeftijd van 30 jaar bereikt;

c. lijfrenten waarvan de termijnen toekomen aan de belastingplichtige en eindigen in het jaar waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt of het jaar waarin hij een uitkering op grond van een pensioenregeling gaat genieten, voorzover het gezamenlijke bedrag aan termijnen van die lijfrenten - beoordeeld naar het tijdstip van premiebetaling - niet meer beloopt dan € 55 118 (f 121 464) per jaar;

d. lijfrenten waarvan de termijnen toekomen aan de belastingplichtige, een looptijd hebben van ten minste vijf jaar, niet eerder ingaan dan in het jaar waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt of het jaar waarin hij een pensioen als bedoeld in onderdeel c gaat genieten en uiterlijk ingaan in het jaar waarin hij de leeftijd van 70 jaar bereikt, voorzover het gezamenlijke bedrag aan termijnen van die lijfrenten - beoordeeld naar het tijdstip van premiebetaling - niet meer beloopt dan € 16 537 (f 36 443) per jaar.


2. In afwijking van artikel 1.6a, eerste lid, kan voor rechten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, zijn overeengekomen dat het bedrag van de uitkeringen als gevolg van het overlijden van de partner of gewezen partner afneemt tot ten hoogste 70% van het bedrag dat gold vóór het overlijden.


3. In afwijking van artikel 1.6a, eerste lid, is voor rechten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, waarvan de termijnen eindigen uiterlijk op het tijdstip waarop de gerechtigde de leeftijd van 30 jaar bereikt, de grootte van de kans op overlijden van de gerechtigde niet van belang.

Artikel 3.7.4 Toegelaten aanbieders


1. Premies voor lijfrenten worden alleen in aanmerking genomen indien zij zijn verschuldigd aan:

a. een van de volgende verzekeraars die de lijfrenteverplichting rekent tot het binnenlandse ondernemingsvermogen:


1. een verzekeraar die bevoegd is het directe verzekeringsbedrijf, bedoeld in de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, uit te oefenen;


2. een in Nederland wonend natuurlijk persoon die niet is de echtgenoot, of een in Nederland gevestigd lichaam, mits de lijfrenten zijn bedongen als tegenprestatie voor de overdracht van een onderneming of een gedeelte van een onderneming aan die persoon of dat lichaam, maar tot ten hoogste het bedrag van de met of bij die overdracht behaalde winst en het bedrag van de afnemingen van de oudedagsreserve volgens artikel 3.2.3.4 in het jaar van de overdracht;

b. een lichaam dat volgens artikel 5, onderdeel b, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 is vrijgesteld van die belasting;

c. een niet in Nederland gevestigd pensioenfonds of lichaam dat het levensverzekeringsbedrijf uitoefent, mits de premies worden voldaan ter vrijwillige voortzetting van een pensioenregeling of terzake van een lijfrente die gedurende ten minste drie jaar voor het ontstaan van de binnenlandse belastingplicht is verzekerd bij dat fonds of dat lichaam;

d. een pensioenfonds of lichaam dat bevoegd het verzekeringsbedrijf uitoefent, anders dan bedoeld in de onderdelen a, b en c, dat door Onze Minister, onder door hem te stellen voorwaarden, is aangewezen en dat zich tegenover Onze Minister heeft verplicht:


1. te voldoen aan voorwaarden met betrekking tot het verschaffen van inlichtingen over de uitvoering van de regeling, en


2. zekerheid te stellen voor de invordering van de belasting die is verschuldigd door toepassing van de artikelen 3.8.2, 3.8.4 en 3.8.5, dan wel de belastingplichtige zich heeft verplicht deze zekerheid te stellen.


2. Voor premies voor aanspraken op periodieke uitkeringen en verstrekkingen ter zake van invaliditeit, ziekte of ongeval is het eerste lid, onderdelen a, onder 1, b, c, en d van overeenkomstige toepassing.


3. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de in het eerste lid, onderdeel d, bedoelde aanwijzing.

Artikel 3.7.5 In aanmerking te nemen premies voor lijfrenten


1. Een belastingplichtige kan, als basisruimte, premies voor lijfrenten als bedoeld in artikel 3.7.1, onderdeel a, in aanmerking nemen tot een gezamenlijk bedrag van ten hoogste € 1 000 (f 2
204). De basisruimte van € 1 000 (f 2 204) wordt verminderd met de besparingen en spaarpremies ingevolge een premiespaarregeling als bedoeld in artikel 31a van de Wet op de loonbelasting 1964 die, en het spaarloon als bedoeld in artikel 32 van die wet dat de belastingplichtige in het kalenderjaar opneemt voor de voldoening van vrijwillig te betalen premies ingevolge een pensioenregeling.


2. Indien de belastingplichtige bij de aanvang van het kalenderjaar nog niet de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt kan hij, vanwege een pensioentekort in het kalenderjaar, premies voor lijfrenten als bedoeld in artikel 3.7.1, onderdeel a, in aanmerking nemen tot een gezamenlijk bedrag van ten hoogste 17% van de premiegrondslag na aftrek van de volgens het vijfde lid bepaalde verminderingen in verband met de opbouw van pensioenaanspraken en dotaties aan de oudedagsreserve. Het volgens de vorige volzin in aanmerking te nemen bedrag wordt verminderd met hetgeen de belastingplichtige in het kalenderjaar op grond van het eerste lid als premies voor lijfrenten in aftrek heeft gebracht, alsmede met de besparingen en spaarpremies ingevolge een premiespaarregeling als bedoeld in artikel 31a van de Wet op de loonbelasting 1964 die, en het spaarloon als bedoeld in artikel 32 van die wet dat de belastingplichtige in het kalenderjaar opneemt voor de voldoening van vrijwillig te betalen premies ingevolge een pensioenregeling.


3. Indien de belastingplichtige in de onmiddellijk aan het kalenderjaar voorafgaande periode van zeven jaar minder premies voor lijfrenten in aanmerking heeft genomen dan mogelijk was op grond van het tweede lid kan hij, op bij zijn aangifte gedaan verzoek, het niet aangewende bedrag, voorzover dit niet in een eerder jaar op grond van dit lid in aanmerking is genomen, te beginnen met het in het oudste jaar niet aangewende bedrag, in het kalenderjaar alsnog in aanmerking nemen. Het alsnog in aanmerking te nemen bedrag bedraagt ten hoogste
17% van de premiegrondslag, met een maximum van € 5 513 (f 12
149). Voor de belastingplichtige die bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt, wordt het in de vorige volzin genoemde bedrag van € 5 513 (f 12 149) verhoogd tot € 10 891 (f 24 001).


4. De premiegrondslag bestaat uit het gezamenlijke bedrag van de winst uit onderneming vóór toevoeging aan en afneming van de oudedagsreserve en vóór de ondernemersaftrek, het belastbare loon, het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden en de belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen van de belastingplichtige, verminderd met een bedrag van € 9558 (f 21 062). Als premiegrondslag wordt ten hoogste een bedrag van € 128 242 (f 282 609) in aanmerking genomen. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat uitkeringen volgens een pensioenregeling, termijnen van een lijfrente, of vergelijkbare inkomensbestanddelen niet behoren tot de premiegrondslag.


5. Voor de toepassing van het tweede lid wordt:

a. de vermindering in verband met de opbouw van pensioenaanspraken gesteld op: 7,5 keer de aan het kalenderjaar toe te rekenen aangroei van het bedrag van de jaarlijkse uitkeringen van de aan de belastingplichtige toekomende aanspraken volgens een pensioenregeling voorzover deze aangroei het gevolg is van de toeneming van de diensttijd in het kalenderjaar, met dien verstande dat de aangroei die het gevolg is van de aanwending van besparingen en spaarpremies ingevolge een premiespaarregeling als bedoeld in artikel 31a van de Wet op de loonbelasting 1964, en van spaarloon als bedoeld in artikel
32 van die wet ter voldoening van vrijwillig te betalen premies ingevolge een pensioenregeling, buiten aanmerking blijft;

b. de vermindering in verband met dotaties aan de oudedagsreserve gesteld op het bedrag waarmee de toevoeging aan de oudedagsreserve in een kalenderjaar overtreft de afneming van die reserve bij het einde van het kalenderjaar volgens artikel 3.2.3.4, eerste lid, onderdeel b.


6. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de bepaling van de in het vijfde lid, onderdeel a, bedoelde waardeaangroei van pensioenaanspraken en de verstrekking van informatie daaromtrent.

Artikel 3.7.6 Omzetting oudedagsreserve in lijfrente

Een belastingplichtige met een oudedagsreserve kan, vanwege de omzetting van die oudedagsreserve in een lijfrente, premies voor lijfrenten als bedoeld in artikel 3.7.1, onderdeel a, in aanmerking nemen tot een gezamenlijk bedrag van ten hoogste het bedrag van de afneming in het kalenderjaar van die reserve volgens artikel 3.2.3.4, eerste lid, onderdeel a.

Artikel 3.7.7 Omzetting stakingswinst in lijfrente


1. Een ondernemer die in het kalenderjaar een onderneming - of een gedeelte daarvan - waaruit hij als ondernemer winst geniet staakt kan, vanwege de omzetting van de stakingswinst in een lijfrente, premies voor lijfrenten als bedoeld in artikel 3.7.1, onderdeel a, in aanmerking nemen tot een gezamenlijk bedrag van ten hoogste het bedrag van de winst behaald met of bij die staking, maar tot niet meer dan het in het tweede lid aangegeven maximum verminderd met het in het derde lid bedoelde bedrag aan reeds opgebouwde voorzieningen.


2. Het maximum bedraagt:

a. € 349 756 (f 770 761) in de gevallen waarin:


1. de ondernemer ten tijde van het staken de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt;


2. de ondernemer ten tijde van het staken voor 45% of meer arbeidsongeschikt is in de zin van artikel 6.5.5, eerste lid, onderdeel a, en de hem toekomende termijnen van lijfrenten ingaan binnen zes maanden na het staken of


3. de onderneming wordt gestaakt door het overlijden van de ondernemer;

b. € 174 881 (f 385 387) in de gevallen - andere dan die van onderdeel a - waarin:


1. de ondernemer ten tijde van het staken de leeftijd van 50 jaar heeft bereikt of


2. de aan de ondernemer toekomende termijnen van lijfrenten dadelijk ingaan;

c. € 87 443 (f 192 699) in de overige gevallen.


3. Het bedrag aan reeds opgebouwde voorzieningen is de som van:

a. de waarde in het economische verkeer ten tijde van het staken van de in artikel 3.2.2.4, eerste lid, onderdelen b en c, bedoelde aanspraken;

b. het bedrag van de oudedagsreserve bij de aanvang van het kalenderjaar;

c. de bedragen die op grond van artikel 3.7.5, eerste, tweede, derde lid, en artikel 3.7.6 in de voorafgaande kalenderjaren in aanmerking zijn genomen;

d. de bedragen die reeds eerder volgens het eerste lid in aanmerking zijn genomen.


4. Voor de toepassing van dit artikel wordt de belastingplichtige, bedoeld in artikel 3.2.1.1a, eerste lid, onderdeel a, als ondernemer aangemerkt, indien de medegerechtigdheid van de belastingplichtige de rechtstreekse voortzetting vormt van zijn gerechtigdheid of medegerechtigdheid als ondernemer.

Artikel 3.7.8 Tijdstip aftrek premies voor lijfrenten


1. Premies voor lijfrenten komen voor aftrek in aanmerking op het tijdstip waarop deze zijn betaald of verrekend.


2. Een belastingplichtige kan premies voor lijfrenten die binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar door hem zijn betaald of verrekend naar bij de aangifte gemaakte keuze aanmerken als premies die zijn betaald of verrekend in het kalenderjaar. Bij wijziging van binnenlandse belastingplicht in buitenlandse belastingplicht in het kalenderjaar of binnen zes maanden daarna kan de belastingplichtige premies voor lijfrenten die in die periode door hem zijn betaald of verrekend naar bij de aangifte gemaakte keuze aanmerken als premies die zijn betaald of verrekend in de periode van binnenlandse belastingplicht in het kalenderjaar.

Artikel 3.7.9 Aftrek premies voor lijfrenten na overlijden ondernemer


1. Een belastingplichtige kan als uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking komende premies voor onmiddellijk ingaande lijfrenten op zijn verzoek, in afwijking in zoverre van de artikelen 3.7.1, onderdeel a, en artikel 3.7.3, eerste lid, niet bij hem zelf in aanmerking nemen, maar, als uitgaven voor inkomensvoorzieningen, bij degene door het overlijden van wie een onderneming is gestaakt, waarbij deze wordt geacht de verzekeringnemer te zijn.

Hierbij geldt als voorwaarde dat de premies zijn betaald of verrekend binnen zes maanden na het overlijden en in de overeenkomst waarbij de lijfrenten zijn bedongen, is opgenomen dat een verzoek zal worden gedaan om toepassing van deze bepaling.


2. In afwijking van artikel 3.7.4, eerste lid, onderdeel a, onder 2, kunnen in situaties, bedoeld in het eerste lid, ook in aanmerking komen premies voor lijfrenten die zijn verschuldigd aan degene die de onderneming voortzet, onder voorwaarde dat deze in Nederland woont of is gevestigd en de lijfrenteverplichting tot zijn binnenlandse ondernemingsvermogen rekent.


3. Het eerste lid is niet van toepassing voorzover de premies meer bedragen dan op grond van artikelen 3.7.6 en 3.7.7 is toegestaan.


4. De bij de overledene in aanmerking te nemen premies worden in aanmerking genomen op het tijdstip van zijn overlijden.


5. Het verzoek wordt gedaan bij de aangifte van de overledene.

AFDELING 8

Negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen

Artikel 3.8.1 Negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen

Negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen zijn teruggaven van uitgaven voor inkomensvoorzieningen.

Artikel 3.8.2 Uitbreiding begrip negatieve uitgaven bij handelen in strijd met de voorwaarden


1. Voorzover zich met betrekking tot een aanspraak op lijfrente of periodieke uitkeringen als bedoeld in artikel 3.7.1 een in het tweede lid genoemde omstandigheid voordoet, worden de premies voor die aanspraak die als uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aftrek zijn gebracht en het daarover behaalde rendement (artikel 3.8.6) bij de verzekeringnemer dan wel, indien deze is overleden, bij de gerechtigde tot de aanspraak als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking genomen.


2. Het eerste lid vindt toepassing indien:

a. het een aanspraak als bedoeld in artikel 3.7.1, onderdeel b, betreft en de aanspraak zodanig wordt gewijzigd dat deze niet langer aan de in dat artikellid gestelde voorwaarden voldoet;

b. het een aanspraak als bedoeld in artikel 3.7.3 betreft en de aanspraak - beoordeeld vanuit de verzekeringnemer - zodanig wordt gewijzigd dat deze niet langer aan de in dat artikel gestelde voorwaarden voldoet;

c. het een aanspraak als bedoeld in artikel 3.7.3 betreft en de aanspraak zodanig wordt gewijzigd dat indien de gewijzigde aanspraak van begin af aan zou zijn bedongen het op grond van de artikelen 3.7.5 en 3.7.7 in totaal aanmerking te nemen bedrag aan premies voor lijfrenten lager zou zijn geweest dan het in aftrek gebrachte bedrag;

d. de aanspraak wordt afgekocht of vervreemd;

e. de aanspraak formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid wordt, anders dan ten behoeve van uitstel van betaling op grond van artikel
25, vierde lid, van de Invorderingswet 1990;

f. het een aanspraak betreft waarvoor als verzekeraar optreedt een persoon of lichaam als bedoeld in artikel 3.7.4, eerste lid, onderdeel a, onder 2, en de aanspraak wordt prijsgegeven, behoudens voorzover de aanspraak niet voor verwezenlijking vatbaar is;

g. de verzekeraar niet langer voldoet aan de in artikel 3.7.4 gestelde voorwaarden;

h. de lijfrenteverplichting overgaat, of beoordeeld aan het einde van het kalenderjaar in enig voorafgaand jaar is overgegaan, op een ander pensioenfonds of lichaam dat bevoegd is het levensverzekeringsbedrijf te uitoefenen dan bedoeld in artikel 3.7.4, eerste lid, onderdeel a, onder 1, onderdeel b of onderdeel d, ter verwerving van pensioenrechten in het kader van de aanvaarding van een dienstbetrekking buiten Nederland teneinde een pensioenbreuk als gevolg van deze aanvaarding te voorkomen;

i. de lijfrenteverplichting, anders dan bedoeld onder h, geheel of gedeeltelijk overgaat op een andere verzekeraar dan bedoeld in artikel
3.7.4, eerste lid, onderdeel a, onder 1, onderdeel b of onderdeel d, of

j. de aanspraak bij het einde van het kalenderjaar is ondergebracht bij een verzekeraar als bedoeld in artikel 3.7.4, eerste lid, onderdeel c;

k. een pensioentekort waarvoor premies voor lijfrenten in aanmerking zijn genomen op de voet van artikel 3.7.5, tweede of derde lid, nadien wordt gecompenseerd door middel van verbetering van een aanspraak ingevolge een pensioenregeling.


3. Onder overgang van de lijfrenteverplichting wordt mede verstaan herverzekering indien de lijfrente is bedongen bij een verzekeraar als bedoeld in artikel 3.7.4, eerste lid, onderdeel a, onder 2 of artikel
3.7.9, tweede lid.


4. Het tweede lid, aanhef en onderdeel i, heeft mede betrekking op verplichtingen die betrekking hebben op aanspraken op periodieke uitkeringen en verstrekkingen ter zake van invaliditeit, ziekte of ongeval.


5. Voorzover voor de belasting die betrekking heeft op de premies voor een aanspraak, en het daarover behaalde rendement, die volgens het eerste lid in samenhang met het tweede lid, onderdelen h en j, als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking zijn genomen, uitstel van betaling is verleend volgens artikel 25, vierde lid, van de Invorderingswet 1990, wordt het eerste lid voor het overige geacht geen toepassing te hebben gevonden op die premies en het behaalde rendement.


6. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het bepaalde in het tweede lid, aanhef en onderdeel k.

Artikel 3.8.3 Handelingen die niet leiden tot een negatieve uitgave


1. Voorzover een lijfrente als bedoeld in de artikelen 3.7.1 en 3.7.3 wordt omgezet in een ander zodanig recht, wordt het tweede recht beschouwd als een voortzetting van het eerste.


2. Artikel 3.8.2 is niet van toepassing indien een belastingplichtige in het kader van de verdeling van een gemeenschap bij echtscheiding of scheiding van tafel en bed, ter voldoening of afkoop van een verplichting tot het doen van periodieke uitkeringen of verstrekkingen als bedoeld in artikel 3.5.2, eerste lid, onderdeel b, of ter voldoening aan een verplichting tot verevening van pensioenrechten:

a. een aanspraak op periodieke uitkeringen geheel of gedeeltelijk vervreemdt aan zijn binnenlands belastingplichtige gewezen echtgenoot;

b. zijn binnenlands belastingplichtige gewezen echtgenoot aanwijst als onherroepelijk begunstigde van een dergelijke aanspraak of

c. een dergelijke aanspraak omzet in een aanspraak die voor zijn binnenlands belastingplichtige gewezen echtgenoot een aanspraak is als bedoeld in de artikelen 3.7.1 en 3.7.3.


3. In de gevallen, bedoeld in het tweede lid, wordt de gewezen echtgenoot aangemerkt als verzekeringnemer van de aanspraak op periodieke uitkeringen.


4. Onze Minister kan voor gevallen of groepen van gevallen waarin artikel 3.8.2, tweede lid, onderdeel a, b of c, gezien de strekking van dit artikel tot onbillijkheden leidt, onder door hem te stellen voorwaarden bepalen dat dit onderdeel a, b of c niet van toepassing is.


5. Onze Minister kan onder door hem te stellen voorwaarden bepalen dat artikel 3.8.2, tweede lid, onderdeel i, niet van toepassing is indien de lijfrenteverplichting overgaat in verband met de overdracht van de onderneming van een verzekeraar als bedoeld in artikel 3.7.4, eerste lid, onderdeel a, onder 2 of artikel 3.7.9, tweede lid.

Artikel 3.8.4 Specifieke uitbreiding begrip negatieve uitgaven bij beroepspensioenen


1. Als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen van de verzekeringnemer dan wel, indien deze is overleden, de gerechtigde worden mede in aanmerking genomen de premies voor aanspraken uit een pensioenregeling als bedoeld in artikel 1.6a, tweede lid, onderdeel b, en het daarover behaalde rendement (artikel 3.8.6) voorzover:

a. de aanspraak zodanig wordt gewijzigd dat deze niet langer is aan te merken als een aanspraak uit een zodanige pensioenregeling;

b. de aanspraak zodanig wordt gewijzigd dat deze geheel of gedeeltelijk niet langer bestaat uit een recht op belastbare periodieke uitkeringen of verstrekkingen;

c. de aanspraak wordt afgekocht of vervreemd;

d. de aanspraak formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid wordt, anders dan ten behoeve van uitstel van betaling op grond van artikel
25, vierde lid, van de Invorderingswet 1990, of

e. de verplichting inzake de aanspraak geheel of gedeeltelijk overgaat op een andere instelling dan de instelling waarbij de aanspraak op grond van de in artikel 1.6a, tweede lid, onderdeel b, genoemde wettelijke regelingen is ondergebracht.


2. Voor de toepassing van dit artikel alsmede van de artikelen 3.8.5 en 3.8.6 wordt degene die verplicht is de premies voor de aanspraak te betalen, aangemerkt als de verzekeringnemer.


3. Voorzover een in het eerste lid bedoelde aanspraak wordt omgezet in een andere zodanige aanspraak, wordt de tweede aanspraak beschouwd als een voortzetting van de eerste.


4. Het eerste lid, onderdelen a en c, is niet van toepassing indien de belastingplichtige in het kader van scheiding van tafel en bed of echtscheiding de aanspraak geheel of gedeeltelijk vervreemdt aan zijn binnenlands belastingplichtige echtgenoot of gewezen echtgenoot dan wel omzet in een zodanige aanspraak met als gerechtigde die echtgenoot of gewezen echtgenoot. Voor de toepassing van deze wet wordt de verkregen of omgezette aanspraak geacht de voortzetting te zijn van de eerste aanspraak.


5. Onze Minister kan onder door hem te stellen voorwaarden bepalen dat het eerste lid, onderdeel e, niet van toepassing is.

Artikel 3.8.5 Uitbreiding begrip negatieve uitgaven bij emigratie


1. Bij de belastingplichtige die anders dan door overlijden ophoudt binnenlands belastingplichtige te zijn, worden indien hij verzekeringnemer, dan wel indien deze is overleden, gerechtigde is, de premies voor aanspraken als bedoeld in artikel 3.7.1, onderdelen a, b en c, die als uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aftrek zijn gebracht en de premies voor aanspraken als bedoeld in artikel 1.6a, tweede lid, onderdeel b, alsmede het over die premies behaalde rendement als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking genomen. Bij de toepassing van de eerste volzin blijven premies voor aanspraken als bedoeld in artikel 3.7.1, onderdeel c, waarvan de uitkeringen zijn ingegaan buiten beschouwing. Onder ophouden binnenlands belastingplichtig te zijn wordt mede verstaan de situatie waarin de belastingplichtige voor de toepassing van de Belastingregeling voor het Koninkrijk of een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting wordt geacht geen inwoner van Nederland meer te zijn.


2. Voorzover voor de belasting die betrekking heeft op de premies voor een aanspraak, en het daarover behaalde rendement, die volgens het eerste lid als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking zijn genomen uitstel van betaling is verleend volgens artikel 25, vierde lid, van de Invorderingswet 1990, wordt het eerste lid voor het overige geacht geen toepassing te hebben gevonden op die premies en het behaalde rendement.

Artikel 3.8.6 In aanmerking te nemen bedrag bij uitbreidingen van het begrip negatieve uitgaven


1. Voor de toepassing van de artikelen 3.8.2, 3.8.4 en 3.8.5 wordt het bedrag aan in aanmerking te nemen premies en het daarover behaalde rendement ter zake van een aanspraak of een gedeelte van een aanspraak gesteld op de waarde in het economische verkeer van die aanspraak of dat gedeelte op het tijdstip dat onmiddellijk voorafgaat aan dat waarop zich de in die artikelen bedoelde omstandigheid voordoet.


2. Voor de toepassing van het eerste lid en de artikelen 3.8.2, 3.8.4 en 3.8.5 blijft buiten beschouwing het behaalde rendement over een periode waarin de belastingplichtige geen binnenlands belastingplichtige is geweest.

Artikel 3.8.7 Verminderingen en voorkoming dubbeltellingen


1. Voorzover bij een binnenlandse belastingplichtige de negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen die op grond van artikel 3.8.2, tweede lid, onderdelen h of j, of artikel 3.8.5 in aanmerking worden genomen, eveneens zijn begrepen in het belastbare inkomen uit werk en woning van een vorig kalenderjaar, wordt, onder bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden, het belastbare inkomen uit werk en woning van dat vorig kalenderjaar met de daarin begrepen negatieve uitgaven verlaagd. De verlaging vindt plaats door vermindering van de conserverende aanslag over dat jaar bij voor bezwaar vatbare beschikking van de inspecteur. Rechtsmiddelen tegen deze beschikking kunnen uitsluitend betrekking hebben op de grootte van de vermindering.


2. In een kalenderjaar bedraagt het volgens artikel 3.8.2, tweede lid, onderdelen h en j, en artikel 3.8.5 in totaal in aanmerking te nemen bedrag aan negatieve uitgaven ter zake van een aanspraak niet meer dan de waarde in het economische verkeer van die aanspraak, waarbij de negatieve uitgaven in de volgorde waarin deze opkomen zo veel mogelijk worden toegerekend aan een periode van binnenlandse belastingplicht.


3. Voorzover de belasting die betrekking heeft op in aanmerking genomen negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen wordt voldaan, en die negatieve uitgaven eveneens zijn begrepen in het belastbare inkomen uit werk en woning van een ander kalenderjaar, wordt het belastbare inkomen uit werk en woning van dat andere kalenderjaar met die daarin begrepen negatieve uitgaven verlaagd. Het eerste lid, tweede en derde volzin, is van overeenkomstige toepassing.


4. Indien bij een belastingplichtige in een kalenderjaar negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking zijn genomen en hij voor de belasting die daarop betrekking heeft uitstel van betaling heeft volgens artikel 25, vierde lid, van de Invorderingswet 1990, wordt, indien de omstandigheid waarvoor deze negatieve uitgaven in aanmerking zijn genomen zich niet meer voordoet, op zijn verzoek het belastbare inkomen uit werk en woning van dat jaar verminderd met die daarin begrepen negatieve uitgaven. Deze bepaling is van toepassing in bij ministeriële regeling te bepalen gevallen en onder bij die regeling te stellen voorwaarden. Het eerste lid, tweede en derde volzin, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.8.8 Behandeling geconserveerd inkomen en de daarover verschuldigde belasting

Vervallen

AFDELING 8a

Negatieve persoonsgebonden aftrek

Artikel 3.8a.1 Negatieve persoonsgebonden aftrek

Als negatieve persoonsgebonden aftrek van een belastingplichtige wordt in aanmerking genomen hetgeen door hem is ontvangen als nagekomen schuldaflossing op een geldlening ter zake waarvan verliezen op grond van afdeling 6.3 in aanmerking zijn genomen, ten hoogste tot het bedrag van die verliezen.

AFDELING 9

Uitgaven voor kinderopvang

Artikel 3.9.1 Uitgaven voor kinderopvang

Uitgaven voor kinderopvang zijn de op de belastingplichtige drukkende uitgaven voor opvang van kinderen die jonger zijn dan 13 jaar die voldoet aan de regels die krachtens artikel 20 van de Welzijnswet 1994 bij gemeentelijke verordening zijn gesteld met betrekking tot de kwaliteit van de opvang, of die voldoet aan bij ministeriële regeling aan te wijzen buitenlandse regelingen die naar aard en strekking overeenkomen met de krachtens artikel 20 van de Welzijnswet 1994 bij gemeentelijke verordening gestelde regels.

Artikel 3.9.2 Voorwaarden


1. Uitgaven voor kinderopvang worden alleen in aanmerking genomen indien:

a. de belastingplichtige in het kalenderjaar werkzaamheden buiten het huishouden heeft verricht waardoor hij meer dan € 3 803 (f 8 381) aan winst uit een of meer ondernemingen, loon of resultaat uit een of meer werkzaamheden heeft genoten of waarvoor hij in aanmerking komt voor zelfstandigenaftrek, en

b. wordt voldaan aan bij ministeriële regeling te stellen administratieve voorwaarden.


2. Het eerste lid, onderdeel a, is ook van toepassing op de partner en degene die de keuze voor kwalificatie als partner kan maken, tenzij voor de partner de meewerkaftrek van toepassing is.

Artikel 3.9.3 Gelijkstelling met inkomen buiten het huishouden


1. Met winst, loon of resultaat genoten door werkzaamheden buiten het huishouden worden gelijkgesteld:

a. uitkeringen wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid;

b. uitkeringen op grond van de Wet financiering loopbaanonderbreking en aanvullingen daarop door degene tot wie de belastingplichtige in dienstbetrekking staat.


2. Uitkeringen wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid zijn niet uitkeringen op grond van:

a. de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;

b. de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, tenzij het uitkeringen in verband met bevalling betreffen;

c. de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten;

d. buitenlandse arbeidsongeschiktheidsverzekeringen die naar aard en strekking overeenkomen met de regelingen die zijn vermeld in de onderdelen a, b en c.


3. De belastingplichtige die als gevolg van arbeidsongeschiktheid of werkloosheid ophoudt winst, loon of resultaat te verwerven door het verrichten van werkzaamheden buiten het huishouden, wordt voor de toepassing van deze afdeling geacht nog ten minste twaalf maanden na het intreden van de arbeidsongeschiktheid of werkloosheid dergelijk inkomen te verwerven.

Artikel 3.9.4 In aanmerking te nemen uitgaven


1. Uitgaven voor kinderopvang worden in aanmerking genomen tot ten hoogste € 5 016 (f 11 054) per kind en vervolgens voorzover die uitgaven uitgaan boven de eigen bijdrage die voor de opvang van dat kind geacht wordt te zijn verschuldigd.


2. De eigen bijdrage die per kind geacht wordt te zijn verschuldigd wordt bij ministeriële regeling vastgesteld. Hierbij wordt acht geslagen op de hoogte van de eigen bijdrage voor kinderopvang die door Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan de gemeenten wordt geadviseerd.

AFDELING 10

Waardering niet in geld genoten inkomen

Artikel 3.10.1 Waardering niet in geld genoten inkomen

Niet in geld genoten loon, periodieke uitkeringen en verstrekkingen, voordelen uit eigen woning en voordelen uit kapitaalverzekering eigen woning worden - voorzover niet anders is bepaald - in aanmerking genomen naar de waarde die daaraan in het economische verkeer kan worden toegekend, met dien verstande dat voorzover de verwerving van dat inkomen het gebruik of verbruik daarvan meebrengt, de waarde wordt gesteld op ten hoogste het bedrag van de besparing. Deze kan bij ministeriële regeling worden vastgesteld.

Artikel 3.10.2 Privé_gebruik auto


1. Indien aan de belastingplichtige ook voor privé_doeleinden een auto ter beschikking is gesteld, wordt het voordeel gesteld op ten minste
25% van de waarde van de auto. De auto wordt in ieder geval geacht ook voor privé_doeleinden ter beschikking te zijn gesteld tenzij blijkt dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé_doeleinden wordt gebruikt.


2. Indien blijkt dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé_doeleinden wordt gebruikt, wordt het voordeel gesteld op nihil.


3. Indien het door de belastingplichtige op jaarbasis voor privé_doeleinden gereden aantal kilometers blijkt uit een rittenadministratie, wordt het voordeel:

a. indien dit aantal meer is dan 500 maar niet meer dan 4000, gesteld op ten minste 15% van de waarde van de auto;

b. indien dit aantal meer is dan 4000 maar niet meer dan 7000, gesteld op ten minste 20% van de waarde van de auto.


4. Voor de toepassing van dit artikel en de daarop berustende bepalingen wordt onder auto verstaan een personenauto of bestelauto als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992, met uitzondering van de bestelauto die door aard of inrichting uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt blijkt te zijn voor vervoer van goederen.


5. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor het laten blijken dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé_doeleinden wordt gebruikt. Daarbij kunnen regels worden gesteld waaraan de rittenadministratie moet voldoen.


6. De waarde is:

a. van een personenauto: de catalogusprijs met inbegrip van de omzetbelasting en de belasting van personenauto's en motorrijwielen;

b. van een bestelauto: de catalogusprijs met inbegrip van de omzetbelasting;

c. van een personenauto of bestelauto die meer dan vijftien jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen: de waarde in het economische verkeer.


7. Het voordeel wordt in aanmerking genomen voorzover het uitgaat boven de vergoeding die de belastingplichtige voor het gebruik voor privé_doeleinden is verschuldigd.


8. Voor de toepassing van dit artikel wordt woon_werkverkeer geacht niet voor privé_doeleinden plaats te vinden.

AFDELING 11

Tijdstip genieten en aftrek

Artikel 3.11.1 Tijdstip genieten


1. Loon, aangewezen periodieke uitkeringen en verstrekkingen, termijnen van lijfrenten en andere periodieke uitkeringen en verstrekkingen uit een inkomensvoorziening, uitkeringen op grond van een buitenlandse voorziening die naar aard en strekking overeenkomt met een inkomensvoorziening, voordelen uit eigen woning, voordelen uit kapitaalverzekering eigen woning en negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen worden - voorzover niet anders is bepaald - geacht te zijn genoten op het tijdstip waarop zij zijn:

a. ontvangen;

b. verrekend;

c. ter beschikking gesteld;

d. rentedragend geworden of

e. vorderbaar en inbaar geworden.


2. Voor loon is artikel 13a, tweede en derde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 van overeenkomstige toepassing.


3. De in artikel 3.3.4, eerste lid, bedoelde aanspraken uit een pensioenregeling worden geacht te zijn genoten op het tijdstip dat onmiddellijk voorafgaat aan dat waarop de belastingplichtige ophoudt binnenlands belastingplichtig te zijn.


4. De in artikel 3.6.7, derde en vierde lid, bedoelde waarde in het economische verkeer van de kapitaalverzekering eigen woning wordt geacht te zijn genoten op het tijdstip van de fictieve uitkering.


5. De in de artikelen 3.8.2, 3.8.4 en 3.8.5 bedoelde negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen worden geacht te zijn genoten op het tijdstip dat onmiddellijk voorafgaat aan dat waarop zich de omstandigheid voordoet, bedoeld in die artikelen.

Artikel 3.11.2 Tijdstip aftrek

Aftrekbare kosten, uitgaven voor inkomensvoorzieningen en uitgaven voor kinderopvang komen - voorzover niet anders is bepaald - voor aftrek in aanmerking op het tijdstip waarop zij zijn:

a. betaald;

b. verrekend;

c. ter beschikking gesteld of

d. rentedragend geworden.

AFDELING 12

Verliesverrekening

Artikel 3.12.1 Verlies


1. Indien de berekening van het inkomen uit werk en woning leidt tot een negatief bedrag wordt dit aangemerkt als verlies uit werk en woning.


2. Indien de berekening van de belastbare winst uit onderneming leidt tot een negatief bedrag, wordt dit tot ten hoogste het verlies uit werk en woning aangemerkt als ondernemingsverlies.

Artikel 3.12.1a Te conserveren inkomen buiten beschouwing

Voor de toepassing van deze afdeling worden inkomen uit werk en woning en verlies uit werk en woning bepaald zonder rekening te houden met te conserveren inkomen.

Artikel 3.12.2 Verliesverrekening


1. Het verlies uit werk en woning wordt verrekend met de inkomens uit werk en woning van de drie voorafgaande en acht volgende kalenderjaren.


2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder verlies uit werk en woning mede verstaan verlies uit werk en woning in Nederland zoals bedoeld in artikel 7.2.1, derde lid.


3. De in het eerste lid genoemde termijn van acht jaar wordt terzake van ondernemingsverliezen onbepaald verlengd.


4. De verrekening vindt plaats in de volgorde waarin de verliezen zijn ontstaan en de inkomens zijn genoten, met dien verstande dat eerst andere verliezen dan ondernemingsverliezen worden verrekend.


5. Het verlies uit werk en woning voorzover dit is voortgevloeid uit de toerekening van gemeenschappelijke inkomensbestanddelen aan de belastingplichtige en niet kan worden verrekend met inkomens uit werk en woning van de jaren waarin de belastingplichtige een partner heeft, wordt ingeval het partnerschap door het overlijden van de belastingplichtige eindigt aangemerkt als verlies uit werk en woning van de partner mits zowel de belastingplichtige als zijn partner op het tijdstip van beëindiging binnenlands belastingplichtige was.

Artikel 3.12.3 Vaststelling verlies


1. De inspecteur stelt het bedrag van een verlies uit werk en woning vast bij voor bezwaar vatbare beschikking.


2. Ingeval het verlies geheel of gedeeltelijk bestaat uit een ondernemingsverlies, stelt de inspecteur bij de in het eerste lid bedoelde beschikking tevens het bedrag van het ondernemingsverlies vast.


3. Het bedrag van het verlies uit werk en woning en het bedrag van het ondernemingsverlies worden afzonderlijk op het aanslagbiljet vermeld.


4. Indien er grond is voor het vermoeden dat een verlies uit werk en woning of een ondernemingsverlies te hoog is vastgesteld, kan de inspecteur de in het eerste lid bedoelde beschikking herzien. Herziening vindt plaats bij voor bezwaar vatbare beschikking.


5. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, levert geen grond op voor herziening, tenzij de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.


6. Artikel 16, tweede lid, onderdeel b, derde en vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is van overeenkomstige toepassing op herziening.

Artikel 3.12.4 Formalisering achterwaartse verliesverrekening


1. Verrekening van verlies uit werk en woning met het inkomen uit werk en woning van een voorafgaand kalenderjaar vindt plaats door vermindering van de aanslag bij voor bezwaar vatbare beschikking van de inspecteur. In de beschikking wordt tevens vastgesteld welk bedrag aan ondernemingsverlies wordt verrekend.


2. De inspecteur geeft de beschikking gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag over het jaar waarin het verlies is ontstaan.


3. Indien over een voorafgaand kalenderjaar geen aanslag is vastgesteld en met het inkomen uit werk en woning van dat jaar een verlies wordt verrekend, nodigt de inspecteur de belastingplichtige alsnog uit tot het doen van aangifte voor dat jaar. Voor de toepassing van artikel 11, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt de belastingplichtige in dat geval geacht uitstel voor het doen van aangifte te hebben verkregen vanaf het einde van het desbetreffende jaar tot het tijdstip van uitnodiging tot het doen van aangifte.


4. Rechtsmiddelen tegen de beschikking kunnen uitsluitend betrekking hebben op de toepassing van artikel 3.12.2.


5. Voorafgaand aan de vermoedelijke vaststelling van de in het eerste lid bedoelde beschikking kan de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking volgens bij ministeriële regeling te stellen regels een voorlopige verliesverrekening verlenen tot ten hoogste het bedrag waarop de vermindering vermoedelijk zal worden vastgesteld. Een voorlopige verliesverrekening kan door één of meer voorlopige verliesverrekeningen worden aangevuld.


6. Voorlopige verliesverrekeningen worden verrekend bij de in het eerste lid bedoelde beschikking of, indien een dergelijke beschikking niet wordt vastgesteld, met de aanslag over het jaar waarover het verlies dat tot een voorlopige verliesverrekening heeft geleid, is aangegeven.

Artikel 3.12.5 Formalisering voorwaartse verliesverrekening


1. Verrekening van een verlies uit werk en woning met het inkomen uit werk en woning van een volgend kalenderjaar vindt plaats bij voor bezwaar vatbare beschikking van de inspecteur. In de beschikking wordt tevens vastgesteld welk bedrag aan ondernemingsverlies wordt verrekend.


2. De inspecteur geeft de beschikking gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag over het jaar waarmee het verlies wordt verrekend.


3. Het bedrag van het verrekende verlies wordt op het aanslagbiljet afzonderlijk vermeld.


4. Rechtsmiddelen tegen de beschikking kunnen uitsluitend betrekking hebben op de toepassing van artikel 3.12.2, alsmede, indien geen belasting is verschuldigd, tegen de grootte van het verrekende bedrag.

AFDELING 13

Middeling

Artikel 3.13.1 Middeling


1. Op verzoek wordt aan degene die gedurende een tijdvak van drie aaneengesloten gehele kalenderjaren (middelingstijdvak) binnenlands belastingplichtige is geweest een teruggaaf van belasting op inkomen uit werk en woning (middelingsteruggaaf) verleend.


2. Een kalenderjaar dat tot een middelingstijdvak behoort, wordt niet in een ander middelingstijdvak betrokken.


3. De middelingsteruggaaf wordt berekend op het verschil van de belasting op inkomen uit werk en woning die over de jaren van het middelingstijdvak is geheven en de belasting op inkomen uit werk en woning die verschuldigd zou zijn indien het belastbare inkomen uit werk en woning in elk van die jaren een derde gedeelte zou bedragen van het totaal van de - ten minste op nihil te stellen - belastbare inkomens uit werk en woning in die jaren (herrekende belasting), voorzover dit verschil meer bedraagt dan € 545 (f 1201).


4. Als over de jaren van het middelingstijdvak geheven belasting op inkomen uit werk en woning wordt aangemerkt de belasting die is geheven vóór toepassing van de heffingskorting. Indien met toepassing van artikel 9.4 over een jaar geen aanslag is vastgesteld, wordt voor dat jaar als geheven belasting op inkomen uit werk en woning aangemerkt het gezamenlijke bedrag van de voorheffingen, bedoeld in artikel 9.2, voorzover die betrekking hebben op inkomen uit werk en woning, vermeerderd met de daarbij in aanmerking genomen heffingskorting.


5. Onder herrekende belasting wordt verstaan de belasting op inkomen uit werk en woning die zonder toepassing van artikel 9.4 zou zijn geheven over de herrekende belastbare inkomens uit werk en woning, zonder rekening te houden met de heffingskorting.


6. Indien over een jaar van het middelingstijdvak een regeling ter voorkoming van dubbele belasting is toegepast, wordt het bedrag van de middelingsteruggaaf gesteld op

A x C/B,

waarbij

A voorstelt: het bedrag van de middelingsteruggaaf dat zou zijn berekend indien geen regeling ter voorkoming van dubbele belasting zou zijn toegepast;

B voorstelt: de belasting, bedoeld in het vijfde lid die zou zijn geheven indien geen regeling ter voorkoming van dubbele belasting zou zijn toegepast;

C voorstelt: de belasting, bedoeld in het vijfde lid na toepassing van de regelingen ter voorkoming van dubbele belasting.


7. Indien artikel 27, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, of artikel 9.1, tweede lid, is toegepast, wordt voor de toepassing van dit artikel onder geheven belasting op inkomen uit werk en woning mede verstaan de geheven premie voor de volksverzekeringen en wordt onder de herrekende belasting op inkomen uit werk en woning mede verstaan de premie voor de volksverzekeringen die zonder toepassing van artikel
9.4 zou zijn geheven.


8. Indien in het middelingstijdvak het jaar is begrepen waarin de belastingplichtige de leeftijd van 65 jaar bereikt, wordt voor de toepassing van het zevende lid de geheven en herrekende premie voor de volksverzekeringen voor alle jaren in het middelingstijdvak gesteld op het bedrag dat zou zijn geheven of herrekend indien de premie voor de algemene ouderdomsverzekering in al die jaren verschuldigd zou zijn.


9. Dit artikel is niet van toepassing op uitkeringen of bedragen die zouden moeten worden uitgekeerd wegens het overschrijden van pensioenbegrenzingen als bedoeld in artikel 18a, negende lid, van de Wet op de loonbelasting 1964.


10. Het verzoek wordt gedaan bij de inspecteur binnen 36 maanden nadat de aanslagen, voorheffingen en beschikkingen om geen aanslag op te leggen die op de jaren van het middelingstijdvak betrekking hebben, onherroepelijk zijn geworden. Indien over een jaar van het middelingstijdvak wordt nagevorderd of nageheven dan wel bij beschikking een aanslag wordt verminderd wegens verrekening van een verlies uit werk en woning, terwijl op het tijdstip van het onherroepelijk worden van de navorderingsaanslag, de naheffingsaanslag of de beschikking de in de eerste volzin bedoelde termijn van 36 maanden voor meer dan 34 maanden is verstreken, kan een verzoek om teruggaaf tevens worden gedaan binnen twee maanden na dat tijdstip. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud van het verzoek.


11. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking.

Artikel 3.13.2 Te conserveren inkomen buiten beschouwing

Voor de toepassing van deze afdeling worden de geheven en de herrekende belasting bepaald zonder rekening te houden met te conserveren inkomen en de daarover verschuldigde belasting.

HOOFDSTUK 4

HEFFINGSGRONDSLAG BIJ AANMERKELIJK BELANG

AFDELING 1

Belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang

Artikel 4.1.1 Belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang

Belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang is het inkomen uit aanmerkelijk belang verminderd met de te verrekenen verliezen uit aanmerkelijk belang (afdeling 11).

AFDELING 2

Gelijkstellingen

Artikel 4.2.1 Beëindiging aanverwantschap door echtscheiding

Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen geldt een persoon niet als aanverwant indien het huwelijk waardoor de aanverwantschap is ontstaan, door echtscheiding is ontbonden.

Artikel 4.2.2 Genotsrechten

Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen:

a. wordt met een aandeelhouder gelijkgesteld degene die slechts gerechtigd is tot voordelen uit aandelen en wordt zijn gerechtigdheid aangemerkt als aandeel;

b. wordt met de houder van winstbewijzen gelijkgesteld degene die slechts gerechtigd is tot voordelen uit winstbewijzen en wordt zijn gerechtigdheid aangemerkt als winstbewijs.

Artikel 4.2.3 Koopopties gelijkgesteld met onderliggende waarde

Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen, met uitzondering van de artikelen 4.3.1 tot en met 4.3.3, wordt een recht om aandelen in of winstbewijzen van een vennootschap te verwerven (koopoptie) aangemerkt als een dergelijk aandeel respectievelijk een dergelijk winstbewijs.

Artikel 4.2.4 Participaties open fondsen voor gemene rekening


1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen worden bewijzen van deelgerechtigdheid in fondsen voor gemene rekening als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 gelijkgesteld met aandelen in vennootschappen met een in aandelen verdeeld kapitaal en worden de fondsen gelijkgesteld met vennootschappen.


2. Voor de beoordeling van de vraag of een belastingplichtige een aanmerkelijk belang heeft in een fonds voor gemene rekening wordt zijn bezit aan bewijzen van deelgerechtigdheid in het fonds uitgedrukt als een percentage van de in omloop zijnde bewijzen van deelgerechtigdheid, waarbij andere dan enkelvoudige bewijzen van deelgerechtigdheid worden herleid tot een daarmee overeenstemmend aantal enkelvoudige bewijzen.

Artikel 4.2.5 Overeenkomsten van levensverzekering

(Vervallen)

AFDELING 3

Aanmerkelijk belang

Artikel 4.3.1 Begrip aanmerkelijk belang

De belastingplichtige heeft een aanmerkelijk belang indien hij, al dan niet tezamen met zijn partner of duurzaam van hem gescheiden levende echtgenoot, direct of indirect:

a. voor ten minste 5% van het geplaatste kapitaal aandeelhouder is in een vennootschap waarvan het kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld;

b. rechten heeft om direct of indirect aandelen te verwerven tot ten minste 5% van het geplaatste kapitaal;

c. winstbewijzen heeft die betrekking hebben op ten minste 5% van de jaarwinst van een vennootschap dan wel op ten minste 5% van wat bij liquidatie wordt uitgekeerd.

Artikel 4.3.2 Gelijkstelling; aandelen met bijzondere rechten


1. Indien een vennootschap verschillende soorten aandelen heeft, heeft de belastingplichtige ook een aanmerkelijk belang indien hij, al dan niet tezamen met zijn partner of duurzaam van hem gescheiden levende echtgenoot, direct of indirect:

a. voor ten minste 5% van het geplaatste kapitaal van een soort aandelen aandeelhouder is of

b. rechten heeft om direct of indirect aandelen van een soort te verwerven tot ten minste 5% van het van die soort geplaatste kapitaal.


2. Aandelen in een vennootschap en de aandelen in die vennootschap die zich daarvan onderscheiden uitsluitend doordat aan die aandelen een benoemingsrecht, het recht de naam van de vennootschap te mogen bepalen of een met die rechten vergelijkbaar recht is verbonden, of doordat ter zake van die aandelen een bijzondere aanbiedingsregeling of een daarmee vergelijkbare regeling geldt, worden beschouwd als behorende tot één soort.


3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld op grond waarvan aandelen niet worden aangemerkt als aandelen van een soort.

Artikel 4.3.3 Omvang kapitaal

Voor de vaststelling of een belastingplichtige een aanmerkelijk belang heeft, wordt ingekocht nog in te trekken kapitaal niet in aanmerking genomen.

Artikel 4.3.4 Meesleepregeling

Indien een belastingplichtige een aanmerkelijk belang heeft in een vennootschap, behoren daartoe ook zijn overige aandelen in of winstbewijzen van die vennootschap.

Artikel 4.3.5 Meetrekregeling

De tot het vermogen van de belastingplichtige behorende aandelen in of winstbewijzen van een vennootschap waarin hij geen, maar zijn partner of duurzaam van hem gescheiden levende echtgenoot of een van de bloed- of aanverwanten in de rechte lijn van de belastingplichtige of zijn partner respectievelijk duurzaam van hem gescheiden levende echtgenoot wel een aanmerkelijk belang heeft, behoren voor de belastingplichtige tot een aanmerkelijk belang.

Artikel 4.3.6 Fictief aanmerkelijk belang

Indien tot het vermogen van de belastingplichtige behorende aandelen of winstbewijzen niet op grond van de overige artikelen van deze afdeling tot een aanmerkelijk belang behoren, wordt een aanmerkelijk belang aanwezig geacht indien artikel 4.7.1.2, 4.9.2.1 of 4.9.3.1 is toegepast.

AFDELING 4

Inkomen uit aanmerkelijk belang

Artikel 4.4.1 Inkomen uit aanmerkelijk belang

Inkomen uit aanmerkelijk belang is het gezamenlijke bedrag van:

a. de voordelen die worden getrokken uit tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen (reguliere voordelen), verminderd met de aftrekbare kosten en

b. de voordelen die worden behaald bij de vervreemding van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen, of bij de vervreemding van een gedeelte van de in deze aandelen of winstbewijzen besloten liggende rechten (vervreemdingsvoordelen);

verminderd met de persoonsgebonden aftrek (hoofdstuk 6).

AFDELING 5

Reguliere voordelen

PARAGRAAF 1

Reguliere voordelen

Artikel 4.5.1.1 Reguliere voordelen


1. Tot de reguliere voordelen bedoeld in artikel 4.4.1, onderdeel a, behoren:

a. een forfaitair voordeel uit aandelen in of winstbewijzen van een niet in Nederland gevestigde vennootschap waarvan het kapitaal geheel of gedeeltelijk in aandelen is verdeeld en waarvan de bezittingen grotendeels, direct of indirect, bestaan uit beleggingen;

b. de teruggaaf van wat op aandelen is gestort, waarbij een teruggaaf geen regulier voordeel vormt voorzover de teruggaaf niet meer bedraagt dan de verkrijgingsprijs van de desbetreffende aandelen en tevoren de algemene vergadering van aandeelhouders tot deze teruggaaf heeft besloten en de nominale waarde van de desbetreffende aandelen bij statutenwijziging met een gelijk bedrag is verminderd;

c. de teruggaaf van wat op bewijzen van deelgerechtigdheid in een fonds voor gemene rekening als bedoeld in artikel 4.2.4, eerste lid, is gestort waarbij een teruggaaf geen regulier voordeel vormt voorzover de teruggaaf niet meer bedraagt dan de verkrijgingsprijs van de desbetreffende bewijzen van deelgerechtigdheid;

d. de nominale waarde van aandelen die worden uitgereikt door een lichaam dat wordt aangemerkt als beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, voorzover niet blijkt dat storting heeft plaatsgevonden of zal plaatsvinden. Bijschrijving op die aandelen wordt met uitreiking van aandelen gelijkgesteld.


2. Behoudens de toepassing van het eerste lid, onderdeel d, behoren tot de reguliere voordelen niet de aan aandeelhouders uitgereikte aandelen.

PARAGRAAF 2

De omvang van reguliere voordelen

Artikel 4.5.2.1 Forfaitair voordeel uit buitenlandse beleggingslichamen


1. Het forfaitaire voordeel bedoeld in artikel 4.5.1.1, eerste lid, onderdeel a, wordt gesteld op 4% per jaar van de waarde in het economische verkeer die bij het begin van het kalenderjaar aan de tot het aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen kan worden toegekend, verminderd met de overige op grond van artikel 4.4.1, onderdeel a, ter zake van die aandelen of winstbewijzen in aanmerking genomen reguliere voordelen, doch niet verder dan tot nihil.


2. Het voordeel wordt naar tijdsgelang berekend. Indien de aandelen of winstbewijzen niet het gehele kalenderjaar tot het aanmerkelijk belang hebben behoord, worden bij de berekening van het voordeel gedeelten van kalendermaanden verwaarloosd.


3. Indien de vennootschap na het begin van het kalenderjaar is opgericht, treedt voor de toepassing van het eerste lid de datum van oprichting in de plaats van het begin van het kalenderjaar.


4. Voorzover tot de directe of indirecte bezittingen van de vennootschap aandelen in, lidmaatschapsrechten van en belangen bij een ander lichaam behoren, worden niet de bezittingen van het andere lichaam maar die aandelen, lidmaatschapsrechten en belangen als bezittingen van de vennootschap in aanmerking genomen indien de feitelijke werkzaamheden van het andere lichaam aanmerkelijk verschillen van beleggen of daarmee overeenkomende werkzaamheden.


5. Voor de toepassing van artikel 4.5.1.1, eerste lid, onderdeel a, wordt onder een niet in Nederland gevestigde vennootschap mede verstaan een in Nederland gevestigde vennootschap die een buiten Nederland aanwezige vaste inrichting heeft waarvan, of een vaste vertegenwoordiger buiten Nederland heeft van wie de feitelijke werkzaamheden niet aanmerkelijk verschillen van beleggen of daarmee overeenkomende werkzaamheden.


6. Voor de toepassing van artikel 4.5.1.1, eerste lid, onderdeel a:

a. worden onder bezittingen mede verstaan: goederen die niet aan een vennootschap toebehoren voorzover de waardeveranderingen die vennootschap aangaan of voorzover die vennootschap tot de opbrengsten van die goederen gerechtigd is;

b. worden onder beleggingen mede verstaan: banktegoeden en andere schuldvorderingen, met uitzondering van vorderingen die voortvloeien uit feitelijke werkzaamheden van een vennootschap die aanmerkelijk verschillen van beleggen of daarmee overeenkomende werkzaamheden.


7. Voor de toepassing van het eerste lid worden bij de bepaling van de waarde in het economische verkeer van het aanmerkelijk belang in de vennootschap de in het zesde lid, onderdeel a, bedoelde goederen gewaardeerd met inachtneming van de in artikel 5.3.3 bedoelde algemene maatregel van bestuur.


8. Het forfaitaire voordeel, bedoeld in artikel 4.5.1.1, eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing op een aanmerkelijk belang in:

a. kredietinstellingen, hypotheekbanken en verzekeringsmaatschappijen die officieel zijn genoteerd op bij ministeriële regeling aan te wijzen effectenbeurzen;

b. vennootschappen waarvan de feitelijke werkzaamheden aanmerkelijk verschillen van beleggen of daarmee overeenkomende werkzaamheden;

c. vennootschappen die zijn onderworpen aan een belasting naar de winst of het inkomen welke naar Nederlandse maatstaven redelijk is.


9. Indien tot het vermogen van een in Nederland gevestigde vennootschap in enigszins belangrijke mate, direct of indirect, aandelen in of winstbewijzen van een vennootschap als bedoeld in het eerste lid behoren, worden deze aandelen of winstbewijzen voor de toepassing van dit artikel geacht toe te behoren aan diegenen bij wie het belang bij de eerstgenoemde vennootschap berust. De aandelen en winstbewijzen worden toegerekend naar evenredigheid van ieders belang. Het in een kalenderjaar in aanmerking te nemen voordeel wordt verminderd met een evenredig gedeelte van het voordeel dat door de vennootschap of indirect door een andere zodanige vennootschap op de aandelen en winstbewijzen in een in het eerste lid bedoelde vennootschap in dat kalenderjaar als beleggingsopbrengst voor de heffing van de vennootschapsbelasting in aanmerking is genomen.

Artikel 4.5.2.2 Kosten van reguliere voordelen


1. Kosten van reguliere voordelen zijn de daarop drukkende kosten voorzover zij zijn gemaakt tot verwerving, inning en behoud van die voordelen en in hun totale omvang niet overtreffen wat gebruikelijk is.


2. Bij de bepaling van de kosten van reguliere voordelen blijven renten en kosten van schulden die corresponderen met geldvorderingen als bedoeld in artikel 5.1.3a, eerste en vierde lid, buiten aanmerking.


3. Voorzover in verband met de voldoening van aftrekbare kosten schulden ontstaan waarvan de verplichting tot betaling - anders dan voor het geval van overlijden of arbeidsongeschiktheid van de belastingplichtige - rechtens, al dan niet voorwaardelijk, of in feite, direct of indirect, is beperkt, zijn deze kosten niet aftrekbaar.


4. Tot de kosten behoren niet:

a. geheven dividendbelasting en kansspelbelasting;

b. belasting die buiten Nederland in enige vorm naar het inkomen wordt geheven, indien voor de belastingplichtige ter zake daarvan een regeling ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing is.

AFDELING 6

Inkomen uit tot een aanmerkelijk belang behorende overige vermogensbestanddelen

Artikel 4.6.1 Berekening voordeel uit ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen

(Vervallen)

Artikel 4.6.2 Vervreemdingshandeling

(Vervallen)

Artikel 4.6.3 Beschikking verkrijgingsprijs

(Vervallen)

Artikel 4.6.4 Doorschuifregelingen

(Vervallen)

Artikel 4.6.5 Genietingstijdstip

(Vervallen)

AFDELING 7

Vervreemdingsvoordelen

PARAGRAAF 1

Als vervreemding aan te merken rechtshandelingen

Artikel 4.7.1.1 Fictieve vervreemdingen


1. Onder vervreemding van aandelen of winstbewijzen wordt mede verstaan:

a. het inkopen van aandelen;

b. het afkopen en inkopen van winstbewijzen;

c. het betaalbaar stellen van liquidatie_uitkeringen;

d. het van rechtswege worden van aandeelhouder of houder van winstbewijzen in een andere vennootschap indien vermogen van de vennootschap waarin de belastingplichtige een aanmerkelijk belang heeft, onder algemene titel overgaat op een andere vennootschap. De vorige zinsnede is van overeenkomstige toepassing op een belastingplichtige die een aanmerkelijk belang heeft in een vennootschap waarvan vermogen onder algemene titel overgaat op een andere vennootschap en die van rechtswege houder wordt van rechten om aandelen in of winstbewijzen van de andere vennootschap te verwerven;

e. de overgang onder algemene titel alsmede de overgang krachtens erfrecht onder bijzondere titel;

f. het brengen in het vermogen van een onderneming of het tot het resultaat uit een werkzaamheid gaan behoren;

g. het niet langer aanwezig zijn van een aanmerkelijk belang;

h. het anders dan door overlijden ophouden binnenlands belastingplichtige te zijn, hieronder begrepen de situatie waarin de belastingplichtige voor de toepassing van de Belastingregeling voor het Koninkrijk of een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting wordt geacht geen inwoner van Nederland meer te zijn;

i. het verlenen van een koopoptie.


2. Indien een aandeel of winstbewijs wordt vervreemd, wordt degene die slechts is gerechtigd tot de voordelen daaruit geacht zijn gerechtigdheid ook te hebben vervreemd, tenzij die gerechtigdheid tot dat aandeel of winstbewijs in stand blijft.


3. Indien aandelen of winstbewijzen op grond van artikel 4.3.6 tot een aanmerkelijk belang behoren, worden deze aandelen of winstbewijzen geacht te zijn vervreemd indien de belastingplichtige daarom verzoekt.


4. Een tot een aanmerkelijk belang behorend genotsrecht wordt geacht te zijn vervreemd indien het genotsrecht eindigt.

Artikel 4.7.1.2 Uitzondering op fictieve vervreemding


1. De overgang krachtens erfrecht of huwelijksvermogensrecht alsmede de verdeling van een nalatenschap of een huwelijksgemeenschap binnen twee jaren na het overlijden van de erflater respectievelijk na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap wordt niet als een vervreemding aangemerkt, mits de verkrijger binnenlands belastingplichtige is en de verkregen aandelen of winstbewijzen geen deel uitmaken van het vermogen van een voor zijn rekening gedreven onderneming.


2. De overgang krachtens erfrecht op een niet in Nederland wonende verkrijger wordt niet als vervreemding aangemerkt, indien de overgang binnen twee jaren wordt gevolgd door een verdeling van de nalatenschap en voorzover de verkregen aandelen of winstbewijzen worden toegescheiden aan een binnenlandse belastingplichtige en deze aandelen of winstbewijzen geen deel uitmaken van het vermogen van een voor zijn rekening gedreven onderneming.

Artikel 4.7.1.3 Passanten

Artikel 4.7.1.1, eerste lid, onderdeel h, is niet van toepassing bij een aanmerkelijk belang in een niet in Nederland gevestigde vennootschap indien het anders dan door overlijden ophouden binnenlands belastingplichtige te zijn, hieronder begrepen de situatie waarin de belastingplichtige voor de toepassing van de Belastingregeling voor het Koninkrijk of een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting wordt geacht geen inwoner van Nederland meer te zijn, plaatsvindt binnen acht jaren nadat de belastingplichtige in Nederland is gaan wonen en de belastingplichtige gedurende de laatste vijfentwintig jaar in totaal niet langer dan tien jaren in Nederland heeft gewoond.

PARAGRAAF 2

De omvang van vervreemdingsvoordelen

Artikel 4.7.2.1 Vervreemdingsvoordelen

De vervreemdingsvoordelen worden gesteld op de overdrachtsprijs verminderd met de verkrijgingsprijs. In geval van vervreemding van een gedeelte van de in aandelen of winstbewijzen besloten rechten wordt een evenredig gedeelte van de verkrijgingsprijs in aanmerking genomen.

Artikel 4.7.2.2 Overdrachtsprijs

Onder overdrachtsprijs wordt verstaan de tegenprestatie bij de vervreemding, verminderd met de ten laste van de vervreemder komende kosten.

Artikel 4.7.2.3 Verkrijgingsprijs


1. Onder verkrijgingsprijs wordt verstaan de tegenprestatie bij de verkrijging vermeerderd met de ten laste van de verkrijger gekomen kosten.


2. Indien een belastingplichtige aandelen of winstbewijzen van eenzelfde soort heeft met een verschillende verkrijgingsprijs, wordt de verkrijgingsprijs van die aandelen of winstbewijzen gesteld op de gemiddelde verkrijgingsprijs.


3. Indien bij een vervreemding een verkrijgingsprijs in aanmerking is genomen met toepassing van het tweede lid, wordt bij de berekening van de verkrijgingsprijs van de niet_vervreemde aandelen of winstbewijzen uitgegaan van de bij de vervreemding in aanmerking genomen verkrijgingsprijs.

Artikel 4.7.2.4 Correctie naar waarde in het economisch verkeer


1. Indien bij een vervreemding of verkrijging een tegenprestatie ontbreekt of is bedongen bij een niet onder normale omstandigheden gesloten overeenkomst, wordt als tegenprestatie aangemerkt de waarde die ten tijde van de vervreemding, respectievelijk de verkrijging, in het economische verkeer aan de aandelen of winstbewijzen kan worden toegekend.


2. Het eerste lid is ook van toepassing indien bij een vervreemding het belang in de vennootschap wordt behouden, behoudens in geval van uitgifte van aandelen.

Artikel 4.7.2.5 Verkrijgingsprijs bij ontstaan aanmerkelijk belang na verkrijging

Indien een aandeel of winstbewijs op een tijdstip na de verkrijging daarvan tot een aanmerkelijk belang gaat behoren, wordt de verkrijgingsprijs van dat aandeel of winstbewijs gesteld op de waarde in het economische verkeer die op dat tijdstip daaraan kan worden toegekend.

Artikel 4.7.2.6 Geen tussentijdse verliesneming


1. Indien de belastingplichtige aandelen of winstbewijzen vervreemdt maar zijn belang bij de activiteiten van de vennootschap direct of indirect geheel of nagenoeg geheel behoudt, wordt een negatief vervreemdingsvoordeel niet in aanmerking genomen.


2. Het negatieve vervreemdingsvoordeel dat op grond van het eerste lid niet in aanmerking wordt genomen, wordt:

a. indien de belastingplichtige aandelen in de vennootschap behoudt, gevoegd bij de verkrijgingsprijs van de overige aandelen in de vennootschap;

b. indien de belastingplichtige geen aandelen in de vennootschap behoudt, gevoegd bij verkrijgingsprijs van de aandelen in de vennootschap door middel waarvan hij het belang direct of indirect heeft behouden;

c. indien de verkrijgingsprijs niet op grond van de onderdelen a en b is toegevoegd aan andere aandelen en artikel 4.7.1.1, vierde lid, is toegepast, gevoegd bij de verkrijgingsprijs van de winstbewijzen van de vennootschap waarin de belastingplichtige een aanmerkelijk belang heeft.


3. Het eerste en het tweede lid zijn,behoudens in gevallen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c,niet van toepassing indien het niet in aanmerking genomen negatieve vervreemdingsvoordeel niet gevoegd kan worden bij de verkrijgingsprijs van een aandeel.


4. Het eerste en het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing indien de belastingplichtige aandelen of winstbewijzen vervreemdt aan zijn echtgenoot of partner of een van hun bloed_ of aanverwanten in de rechte lijn of een vennootschap waarin een van deze personen een aanmerkelijk belang heeft, en hij een aanmerkelijk belang behoudt in de vennootschap waarop de aandelen of winstbewijzen betrekking hebben.


5. Dit artikel is niet van toepassing op vervreemdingen in de zin van artikel 4.7.1.1, eerste lid, onderdeel h, artikel 4.7.1.1, derde lid, en artikel 7.3.1, zevende lid.

Artikel 4.7.2.7 Verkrijgingsprijs bij het ontstaan van binnenlandse belastingplicht


1. Indien een belastingplichtige in Nederland gaat wonen en hij op dat tijdstip aandelen in of winstbewijzen van een vennootschap heeft, wordt de verkrijgingsprijs van die aandelen of die winstbewijzen gesteld op de waarde die op dat tijdstip in het economische verkeer aan die aandelen of die winstbewijzen kan worden toegekend.


2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de belastingplichtige in een voorafgaand jaar is opgehouden in Nederland te wonen.


3. Het eerste lid is voorts niet van toepassing indien het aandelen in of winstbewijzen van een in Nederland gevestigde vennootschap betreft.


4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld inzake de verkrijgingsprijs voor de gevallen bedoeld in het tweede en derde lid, en voor het geval in een voorafgaand jaar artikel 7.3.1, zevende lid, is toegepast.


5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen tevens regels worden gesteld met betrekking tot het verminderen van de aanslag bij de vaststelling waarvan artikel 4.7.1.1, eerste lid, onderdeel h, of artikel 7.3.1, zevende lid, is toegepast, in geval van terugkeer van de belastingplichtige naar Nederland binnen tien jaren nadat hij is opgehouden in Nederland te wonen.

Artikel 4.7.2.8 Bonusaandelen en winstbewijzen


1. Ingeval van uitreiking van aandelen, storting op bewijzen van deelgerechtigdheid in een fonds voor gemene rekening of uitreiking van winstbewijzen aan aandeelhouders wordt de tegenprestatie gesteld op nihil. Bij toebetaling door de belastingplichtige wordt de tegenprestatie gesteld op het bedrag van de toebetaling.


2. Bijschrijving op aandelen wordt met uitreiking van aandelen gelijkgesteld.

Artikel 4.7.2.9 Reguliere voordelen van buitenlandse beleggingslichamen


1.Indien een voordeel als bedoeld in artikel 4.5.1.1, eerste lid, onderdeel a, in aanmerking is genomen, wordt de verkrijgingsprijs van het desbetreffende aandeel of winstbewijs daarmee verhoogd.


2. Indien op grond van artikel 4.5.2.1, negende lid, een voordeel als bedoeld in artikel 4.5.1.1, eerste lid, onderdeel a, in aanmerking is genomen, wordt de verkrijgingsprijs van de aandelen van de in Nederland gevestigde vennootschap door middel waarvan de aandelen of winstbewijzen van de niet in Nederland gevestigde vennootschap worden gehouden, daarmee verhoogd.

Artikel 4.7.2.10 Overdrachtsprijs in termijnen


1. Indien een overdrachtsprijs uit een of meer termijnen bestaat waarvan het aantal of de omvang op het tijdstip van de vervreemding nog niet vaststaat, wordt een geschatte overdrachtsprijs in aanmerking genomen.


2. Het verschil tussen de in het eerste lid bedoelde geschatte over_

drachtsprijs en wat daadwerkelijk wordt genoten - opgevat overeenkomstig artikel 4.10.1 - wordt in aanmerking genomen voorzover de daadwerkelijk genoten termijnen de geschatte overdrachtsprijs te boven gaan.


3. Indien het totaal van de daadwerkelijk genoten termijnen lager is dan de geschatte overdrachtsprijs, wordt het verschil in aanmerking genomen als negatief vervreemdingsvoordeel.

Artikel 4.7.2.11 Aanpassingen overdrachtsprijs


1. Indien na het tijdstip van de vervreemding de overdrachtsprijs wordt verhoogd, wordt het verschil met de oorspronkelijke overdrachtsprijs aangemerkt als vervreemdingsvoordeel.


2. Indien na het tijdstip van de vervreemding de overdrachtsprijs wordt verlaagd, wordt het verschil met de oorspronkelijke overdrachtsprijs als negatief vervreemdingsvoordeel in aanmerking genomen.

Artikel 4.7.2.12 Verkrijgingsprijs koopopties bij uitoefening of expiratie


1. Indien een koopoptie wordt uitgeoefend, wordt de verkrijgingsprijs van de koopoptie gerekend tot de verkrijgingsprijs van de verworven aandelen of winstbewijzen.


2. Indien een koopoptie op aandelen of winstbewijzen niet wordt uitgeoefend, wordt de verkrijgingsprijs van het optierecht gevoegd bij de verkrijgingsprijs van de soort aandelen of winstbewijzen waarop het betrekking had, of bij afwezigheid van die soort, bij de verkrijgingsprijs van de aandelen, respectievelijk winstbewijzen die tot het aanmerkelijk belang behoren.

Artikel 4.7.2.13 Verleende koopopties

Het vervreemdingsvoordeel ter zake van het door de belastingplichtige verlenen van een koopoptie wordt gesteld op het bedrag van de vergoeding.

Artikel 4.7.2.14 Putopties


1. Indien de belastingplichtige een recht verwerft om aandelen of winstbewijzen te vervreemden, wordt de vergoeding daarvoor aangemerkt als kosten ter zake van vervreemding die, indien de belastingplichtige het recht uitoefent, in mindering komen op de overdrachtsprijs.


2. Bij de belastingplichtige aan wie wordt vervreemd, komt de vergoeding in mindering op de verkrijgingsprijs van de verworven aandelen of winstbewijzen.

Artikel 4.7.2.15 Vermindering verkrijgingsprijs bij terugbetaling aandelenkapitaal

Ingeval van teruggaaf van hetgeen op aandelen is gestort, wordt de verkrijgingsprijs verminderd met de teruggaaf voorzover deze niet als regulier voordeel in aanmerking is genomen.

Artikel 4.7.2.16 Liquidatie_uitkeringen


1. In geval van een liquidatie_uitkering wordt als vervreemdingsvoordeel in aanmerking genomen hetgeen wordt uitgekeerd boven de verkrijgingsprijs van de desbetreffende aandelen of winstbewijzen.


2. Voorzover de liquidatie-uitkering niet als vervreemdingsvoordeel in aanmerking is genomen, wordt de verkrijgingsprijs verminderd.


3. Indien bij ontbinding van de vennootschap nadat de vereffening van het vermogen is voltooid, na toepassing van het tweede lid een bedrag aan verkrijgingsprijs resteert, wordt het restant aan verkrijgingsprijs aangemerkt als negatief vervreemdingsvoordeel.

Artikel 4.7.2.17 Restant vordering na vereffening

(Vervallen)

Artikel 4.7.2.18 Restant verkrijgingsprijs bij einde genotsrecht

Vervallen

Artikel 4.7.2.19 Vestigingsplaats

Voor de toepassing van deze afdeling wordt een lichaam waarvan de oprichting heeft plaatsgevonden naar Nederlands recht steeds geacht in Nederland te zijn gevestigd.

AFDELING 8

Vaststellen verkrijgingsprijs

Artikel 4.8.1 Beschikking

De verkrijgingsprijs van aandelen of winstbewijzen die tot een aanmerkelijk belang behoren kan, al dan niet op verzoek, door de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking worden vastgesteld.

Artikel 4.8.2 Herziening beschikking


1. Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat de verkrijgingsprijs te hoog is vastgesteld, kan de inspecteur de beschikking herzien bij voor bezwaar vatbare beschikking.


2. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor herziening opleveren, behalve indien de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.


3. De bevoegdheid tot herziening vervalt door verloop van vijf jaren na de datum van vaststelling van de beschikking, behoudens voorzover de verkrijgingsprijs was verschuldigd aan een natuurlijke persoon die niet in Nederland woont of een rechtspersoon die niet in Nederland is gevestigd, in welk geval de bevoegdheid tot herziening vervalt door verloop van twaalf jaren na de datum van vaststelling van de beschikking.

AFDELING 9

Doorschuifregelingen

PARAGRAAF 1

Keuze bij overgang krachtens erfrecht en huwelijksvermogensrecht

Artikel 4.9.1.1 Afrekening op verzoek


1. Indien de gezamenlijke belanghebbenden daarvoor kiezen, wordt artikel 4.7.1.2 niet toegepast.


2. De keuze wordt gemaakt bij de aangifte of aangiften waarin het aldus ontstane vervreemdingsvoordeel is begrepen.

Artikel 4.9.1.2 Doorschuiving verkrijgingsprijs (mogelijk ontstaan fictief aanmerkelijk belang)


1. Indien door toepassing van artikel 4.7.1.2 geen sprake is van een vervreemding, geldt als verkrijgingsprijs de verkrijgingsprijs die geldt voor de erflater respectievelijk degene van wiens zijde de aandelen of winstbewijzen in de huwelijksgemeenschap zijn gevallen.


2. Indien in het kader van de verdeling van een nalatenschap of een huwelijksgemeenschap artikel 4.7.1.2 is toegepast en bij het ontstaan van deze nalatenschap of huwelijksgemeenschap ter zake van de daartoe behorende aandelen of winstbewijzen artikel 4.7.1.2 niet is toegepast, geldt als verkrijgingsprijs van de verkregen aandelen of winstbewijzen de verkrijgingsprijs die gold voor degene van wie in het kader van de verdeling wordt verkregen.


3. De in het eerste en het tweede lid bedoelde verkrijgingsprijs wordt evenredig over de verkrijgers verdeeld voorzover krachtens erfrecht of in het kader van de verdeling van de nalatenschap of de huwelijksgemeenschap een gerechtigdheid als bedoeld in artikel 4.2.2 wordt gevestigd.

PARAGRAAF 2

Doorschuiving indien niet langer een aanmerkelijk belang aanwezig is

Artikel 4.9.2.1 Doorschuiving op verzoek (mogelijk ontstaan fictief aanmerkelijk belang)

Op verzoek van de belastingplichtige wordt het voordeel bij de vervreemding vanwege het niet langer aanwezig zijn van een aanmerkelijk belang als bedoeld in artikel 4.7.1.1, eerste lid, onderdeel g, niet in aanmerking genomen.

PARAGRAAF 3

Doorschuiving in het kader van een aandelenfusie, juridische fusie of splitsing

Artikel 4.9.3.1 Doorschuiving op verzoek (mogelijk ontstaan fictief aanmerkelijk belang)


1. Op verzoek van de belastingplichtige wordt het voordeel uit de vervreemding van aandelen of winstbewijzen in het kader van een aandelenfusie als bedoeld in artikel 3.2.2.45 niet in aanmerking genomen.


2. Op verzoek van de belastingplichtige wordt het voordeel, bedoeld in artikel 4.7.1.1, eerste lid, onderdeel d, niet in aanmerking genomen in het geval van een splitsing van een rechtspersoon mits de splitsende en de verkrijgende rechtspersoon in Nederland zijn gevestigd, of in de zin van artikel 3.2.2.45, vijfde lid in een lidstaat van de Europese Unie zijn gevestigd. Artikel 3.2.2.46, vierde, zesde en zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.


3. Op verzoek van belastingplichtige wordt het voordeel, bedoeld in artikel 4.7.1.1, eerste lid, onderdeel d, niet in aanmerking genomen in het geval van een juridische fusie, mits de verdwijnende en de verkrijgende rechtspersoon in Nederland zijn gevestigd, of in de zin van artikel 3.2.2.45, vijfde lid in een lidstaat van de Europese Unie zijn gevestigd. Artikel 3.2.2.47, vierde, zesde en zevende lid is van overeenkomstige toepassing.


4. De in de vorige leden bedoelde mogelijkheid het voordeel niet in aanmerking te nemen, geldt niet voor een in het kader van de aandelenfusie, splitsing of juridische fusie genoten bijbetaling.

Artikel 4.9.3.2 Doorschuiving verkrijgingsprijs


1. Indien door toepassing van artikel 4.9.3.1 het voordeel in het kader van een aandelenfusie buiten aanmerking blijft, wordt als verkrijgingsprijs van de verworven aandelen of winstbewijzen aangemerkt de verkrijgingsprijs van de in het kader van de aandelenfusie vervreemde aandelen of winstbewijzen.


2. Indien door toepassing van artikel 4.9.3.1 het voordeel in het kader van een splitsing buiten aanmerking blijft, wordt de verkrijgingsprijs van de aandelen of winstbewijzen in de splitsende rechtspersoon voor een evenredig gedeelte toegerekend aan de aandelen of winstbewijzen die de belastingplichtige direct na de splitsing heeft in de verkrijgende rechtspersonen. Artikel 3.2.2.46, vijfde lid, onderdeel a, is van overeenkomstige toepassing.


3. Indien door toepassing van artikel 4.9.3.1 het voordeel in het kader van een juridische fusie buiten aanmerking blijft, wordt de verkrijgingsprijs van de aandelen of winstbewijzen in de verdwijnende rechtspersoon aangemerkt als de verkrijgingsprijs van de aandelen of winstbewijzen die de belastingplichtige direct na de fusie heeft in de verkrijgende rechtspersoon.

AFDELING 10

Genietingstijdstip

Artikel 4.10.1 Genietingstijdstip reguliere voordelen


1. Reguliere voordelen worden geacht te zijn genoten op het tijdstip waarop zij zijn:

a. ontvangen;

b. verrekend;

c. ter beschikking gesteld;

d. rentedragend geworden of

e. vorderbaar en inbaar geworden.


2. Reguliere voordelen als bedoeld in artikel 4.5.1.1, eerste lid, onderdeel a, worden geacht uiterlijk te zijn genoten bij het einde van het kalenderjaar of het einde van de binnenlandse belastingplicht indien deze in de loop van het kalenderjaar eindigt.

Artikel 4.10.2 Betalingstijdstip aftrekbare kosten

De op reguliere voordelen in mindering te brengen aftrekbare kosten worden in aanmerking genomen op het tijdstip waarop zij betaald of verrekend zijn, door de belastingplichtige ter beschikking zijn gesteld of rentedragend zijn geworden.

Artikel 4.10.3 Vooruitbetaalde rente


1. In een kalenderjaar worden bij wijze van vooruitbetaling voldane renten van schulden, kosten van geldleningen daaronder begrepen (vooruitbetaalde rente), niet in aanmerking genomen indien zij betrekking hebben op tijdvakken die eindigen later dan zes maanden na afloop van het kalenderjaar waarin zij zijn voldaan en voorzover zij betrekking hebben op de periode die aanvangt na afloop van het kalenderjaar, waarbij die renten naar evenredigheid worden toegerekend aan kalendermaanden en gedeelten van kalendermaanden als kalendermaand worden aangemerkt.


2. Vooruitbetaalde rente die op grond van het eerste lid niet in aanmerking is genomen wordt geacht in gelijke delen te zijn voldaan in elk van de op het in het eerste lid bedoelde kalenderjaar volgende kalenderjaren waarop de renten betrekking hebben. Hierbij worden gedeelten van kalenderjaren als kalenderjaren aangemerkt.


3. In het jaar waarin de belastingplichtige overlijdt wordt hetgeen ter zake van vooruitbetaalde rente in dat jaar door hem is of wordt geacht te zijn voldaan en de vooruitbetaalde rente die in daaropvolgende jaren wordt geacht te zijn voldaan, geheel in aanmerking genomen.

Artikel 4.10.4 Genietingstijdstip vervreemdingsvoordelen


1. Vervreemdingsvoordelen worden geacht te zijn genoten op het tijdstip van de vervreemding.


2. In geval van een vervreemding als bedoeld in artikel 4.7.1.1 eerste lid, onderdeel h, wordt als tijdstip van genieten aangemerkt het tijdstip dat onmiddellijk voorafgaat aan het ophouden van de binnenlandse belastingplicht.


3. Het voordeel bedoeld in artikel 4.7.1.1, eerste lid, onderdeel i wordt genoten op het tijdstip waarop de koopoptie is verleend.


4. Het voordeel bedoeld in artikel 4.7.2.10, tweede lid, wordt in aanmerking genomen op het tijdstip waarop de daadwerkelijk genoten termijnen - opgevat overeenkomstig artikel 4.10.1 - de geschatte overdrachtsprijs overschrijden. Het negatieve voordeel bedoeld in artikel 4.7.2.10, derde lid, wordt in aanmerking genomen op het tijdstip waarop de laatste termijn is genoten.


5. Het voordeel bedoeld in artikel 4.7.2.11, eerste lid, wordt geacht te zijn genoten op het tijdstip van de verhoging van de overdrachtsprijs. Het negatieve vervreemdingsvoordeel bedoeld in artikel 4.7.2.11, tweede lid, wordt in aanmerking genomen op het tijdstip van de verlaging van de overdrachtsprijs.


6. Het in artikel 4.7.2.16 bedoelde negatieve vervreemdingsvoordeel in geval van ontbinding van de vennootschap wordt in aanmerking genomen op het tijdstip waarop de vereffening is voltooid.


7. De vervreemding als bedoeld in artikel 4.7.1.1, derde lid, wordt in aanmerking genomen op het tijdstip dat is vermeld in het verzoek, maar niet eerder dan op het tijdstip waarop het verzoek is ontvangen door de inspecteur.

AFDELING 11

Verliesverrekening

Artikel 4.11.1 Verlies

Indien de berekening van het inkomen uit aanmerkelijk belang leidt tot een negatief bedrag wordt dit aangemerkt als verlies uit aanmerkelijk belang.

Artikel 4.11.1a Te conserveren inkomen buiten beschouwing

Voor de toepassing van deze afdeling worden inkomen uit aanmerkelijk belang en verlies uit aanmerkelijk belang bepaald zonder rekening te houden met te conserveren inkomen.

Artikel 4.11.2 Verliesverrekening


1. Het verlies uit aanmerkelijk belang wordt verrekend met de inkomens uit aanmerkelijk belang van de drie voorafgaande en alle volgende kalenderjaren.


2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder verlies uit aanmerkelijk belang mede verstaan verlies uit aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap zoals bedoeld in artikel
7.3.1, tweede lid.


3. De verrekening vindt plaats in de volgorde waarin de verliezen zijn ontstaan en de inkomens zijn genoten.


4. Het verlies uit aanmerkelijk belang voorzover dit is voortgevloeid uit de toerekening van gemeenschappelijke inkomensbestanddelen aan de belastingplichtige en niet kan worden verrekend met inkomens uit aanmerkelijk belang van de jaren waarin de belastingplichtige een partner heeft, wordt ingeval het partnerschap door het overlijden van de belastingplichtige eindigt aangemerkt als verlies uit aanmerkelijk belang van de partner mits zowel de belastingplichtige als zijn partner op het tijdstip van beëindiging binnenlands belastingplichtig was.

Artikel 4.11.3 Vaststelling verlies


1. De inspecteur stelt het bedrag van een verlies uit aanmerkelijk belang vast bij voor bezwaar vatbare beschikking.


2. De inspecteur geeft de bedoelde beschikking gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag over het jaar waarin het verlies is ontstaan.


3. Het bedrag van het verlies uit aanmerkelijk belang wordt afzonderlijk op het aanslagbiljet vermeld.


4. Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat het bedrag van het verlies uit aanmerkelijk belang te hoog is vastgesteld, kan de inspecteur de in het eerste lid bedoelde beschikking herzien. Herziening vindt plaats bij voor bezwaar vatbare beschikking.


5. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, levert geen grond voor herziening op, tenzij de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.


6. Artikel 16, tweede lid, onderdeel b, derde en vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is van overeenkomstige toepassing op herziening.

Artikel 4.11.4 Formalisering achterwaartse verliesverrekening


1. Verrekening van verlies uit aanmerkelijk belang met inkomen uit aanmerkelijk belang van een voorafgaand kalenderjaar vindt plaats door vermindering van de aanslag bij voor bezwaar vatbare beschikking van de inspecteur.


2. De inspecteur geeft de beschikking gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag over het jaar waarin het verlies is ontstaan.


3. Indien over een voorafgaand kalenderjaar geen aanslag is vastgesteld en met het inkomen uit aanmerkelijk belang van dat jaar een verlies wordt verrekend, nodigt de inspecteur de belastingplichtige alsnog uit tot het doen van aangifte voor dat jaar. Voor de toepassing van artikel 11, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt de belastingplichtige in dat geval geacht uitstel voor het doen van aangifte te hebben verkregen vanaf het einde van het desbetreffende jaar tot het tijdstip van uitnodiging tot het doen van aangifte.


4. Rechtsmiddelen tegen de in het eerste lid bedoelde beschikking kunnen uitsluitend betrekking hebben op de toepassing van artikel
4.11.2.


5. Voorafgaand aan de vermoedelijke vaststelling van de in het eerste lid bedoelde beschikking kan de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking volgens bij ministeriële regeling te stellen regels een voorlopige verliesverrekening verlenen tot ten hoogste het bedrag waarop de vermindering vermoedelijk zal worden vastgesteld. Een voorlopige verliesverrekening kan door één of meer voorlopige verliesverrekeningen worden aangevuld.


6. Voorlopige verliesverrekeningen worden verrekend bij de in het eerste lid bedoelde beschikking of, indien een dergelijke beschikking niet wordt vastgesteld, met de aanslag over het jaar waarover het verlies dat tot een voorlopige verliesverrekening heeft geleid, is aangegeven.

Artikel 4.11.5 Formalisering voorwaartse verliesverrekening


1. Verrekening van een verlies uit aanmerkelijk belang met het inkomen uit aanmerkelijk belang van een volgend kalenderjaar vindt plaats bij voor bezwaar vatbare beschikking van de inspecteur.


2. De inspecteur geeft de beschikking gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag over het jaar waarmee het verlies wordt verrekend.


3. Het bedrag van het verrekende verlies wordt op het aanslagbiljet afzonderlijk vermeld.


4. Rechtsmiddelen tegen de beschikking kunnen uitsluitend betrekking hebben op de toepassing van artikel 4.11.2, en, indien geen belasting is verschuldigd, tegen de grootte van het verrekende bedrag.

HOOFDSTUK 5

HEFFINGSGRONDSLAG BIJ SPAREN EN BELEGGEN

AFDELING 1

Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen

Artikel 5.1.1 Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen

Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is het voordeel uit sparen en beleggen verminderd met de persoonsgebonden aftrek (hoofdstuk 6).

Artikel 5.1.2 Voordeel uit sparen en beleggen

Het voordeel uit sparen en beleggen wordt gesteld op 4% (forfaitair rendement) van het gemiddelde van de rendementsgrondslag aan het begin van het kalenderjaar (begindatum) en de rendementsgrondslag aan het einde van het kalenderjaar (einddatum), voorzover het gemiddelde meer bedraagt dan het heffingvrije vermogen.

Artikel 5.1.3 Rendementsgrondslag


1. De rendementsgrondslag is de waarde van de bezittingen verminderd met de waarde van de schulden.


2. Bezittingen zijn:

a. onroerende zaken;

b. rechten die direct of indirect op onroerende zaken betrekking hebben;

c. roerende zaken die door de belastingplichtige en personen die behoren tot zijn huishouden niet voor persoonlijke doeleinden worden gebruikt of verbruikt alsmede roerende zaken die voor persoonlijke doeleinden worden gebruikt of verbruikt doch hoofdzakelijk als belegging dienen;

d. rechten op roerende zaken;

e. rechten die niet op zaken betrekking hebben, waaronder geld en

f. overige vermogensrechten,

met waarde in het economische verkeer. Bezittingen die voortvloeien uit een belastingwet waarop de Algemene wet inzake rijksbelastingen van toepassing is, worden niet in aanmerking genomen.


3. Schulden zijn verplichtingen met waarde in het economische verkeer, met dien verstande dat:

a. verplichtingen die voortvloeien uit een belastingwet waarop de Algemene wet inzake rijksbelastingen van toepassing is, niet in aanmerking worden genomen, en

b. overige verplichtingen alleen in aanmerking worden genomen voorzover de gezamenlijke waarde daarvan meer bedraagt dan € 2
500 (f 5 509).

Het in de eerste volzin, aanhef en onderdeel b, genoemde bedrag van € 2 500 (f 5 509) wordt, indien de belastingplichtige een partner heeft en de waarde in het economische verkeer van de overige verplichtingen van de belastingplichtige en van zijn partner tezamen meer bedraagt dan € 2 500 (f 5 509) bij elk van hen gesteld op € 5 000 (f 11 018). De tweede volzin is niet van toepassing indien de belastingplichtige en zijn partner bij het doen van aangifte gezamenlijk verzoeken om, onverminderd artikel 2.4.4, tweede lid, bij een van hen, of bij beiden tezamen, een rendementsgrondslag aan te geven die € 5 000 (f 11 018) hoger is dan het bedrag van de rendementsgrondslag indien de eerste volzin, aanhef en onderdeel b, geen toepassing zou vinden. Indien de waarde in het economische verkeer van alle overige verplichtingen van de belastingplichtige en zijn partner tezamen minder bedraagt dan € 5 000 (f 11 018), wordt het in de derde volzin genoemde bedrag van € 5 000 (f 11
018) gesteld op het bedrag van deze lagere waarde. Op het in de derde volzin bedoelde verzoek kan niet worden teruggekomen.


4. Indien de belastingplichtige niet het gehele jaar binnenlands belastingplichtige is, wordt bij de bepaling van het forfaitair rendement de begindatum vervangen door het latere tijdstip waarop de belastingplichtige geboren wordt of anders dan door geboorte binnenlands belastingplichtige wordt, of wordt de einddatum vervangen door het eerdere tijdstip waarop de belastingplichtige overlijdt of anders dan door overlijden ophoudt binnenlands belastingplichtige te zijn. Daarbij wordt het percentage van 4 naar tijdsgelang herleid, waarbij gedeelten van kalendermaanden worden verwaarloosd.

Artikel 5.1.3a Toedeling bij bepaalde verkrijgingen krachtens erfrecht


1. Tot de bezittingen, respectievelijk schulden behoren niet:

a. geldvorderingen als bedoeld in artikel 4.2A.1.1, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek;

b. indien de nalatenschap is verdeeld overeenkomstig artikel 4.2A.1.1 van het Burgerlijk Wetboek: geldvorderingen als bedoeld in artikel
4.3.3.11, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek;

c. schulden die corresponderen met de in onderdeel a of b genoemde geldvorderingen.


2. Indien de in artikel 4.2A.1.1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek bedoelde langstlevende echtgenoot en het kind van de erflater gezamenlijk bij de aangifte daarvoor kiezen, wordt bij het in aanmerking nemen van bezittingen en schulden geen rekening gehouden met de uitoefening van een wilsrecht als bedoeld in de artikelen
4.2A.1.7 en 4.2A.1.9 van het Burgerlijk Wetboek, tenzij de langstlevende echtgenoot afziet van het vruchtgebruik van de goederen.


3. Indien voor een kalenderjaar een keuze is gemaakt met betrekking tot het rekening houden met een wilsrecht als bedoeld in het tweede lid en deze keuze onherroepelijke gevolgen heeft gehad, kan op die keuze in dat jaar niet meer worden teruggekomen.


4. Geldvorderingen en wilsrechten en daarmee corresponderende schulden die zijn opgekomen door een uiterste wilsbeschikking die inhoudelijk overeenkomt met het bepaalde in afdeling 4.2A.1 van het Burgerlijk Wetboek, worden op dezelfde wijze in aanmerking genomen als de geldvorderingen en wilsrechten, bedoeld in artikel 4.2A.1.1, derde lid, respectievelijk de artikelen 4.2A.1.7 en 4.2A.1.9 van het Burgerlijk Wetboek.


5. Bezittingen die zijn verkregen onder de ontbindende voorwaarde van overlijden waarop een opschortende voorwaarde ten gunste van een verwachter aansluit, worden in aanmerking genomen als waren zij onvoorwaardelijk verkregen.

Artikel 5.1.3b Heffingvrij vermogen


1. Het heffingvrije vermogen bedraagt € 17 000 (f 37 463).


2. Op gezamenlijk verzoek van de belastingplichtige en zijn partner wordt het heffingvrije vermogen van de belastingplichtige verhoogd tot € 34 000 (f 74 926) en het heffingvrije vermogen van de partner verminderd tot nihil. Het verzoek wordt gedaan bij de aangifte van de belastingplichtige. Op het verzoek kan niet worden teruggekomen.


3. Indien de belastingplichtige of zijn partner aan het einde van het kalenderjaar als ouder het gezag uitoefent over een minderjarig kind, wordt het in het eerste lid genoemde bedrag van € 17 000 (f 37
463) of het in het tweede lid genoemde bedrag van € 34 000 (f 74
926) per minderjarig kind verhoogd met € 2 269 (f 5 000). De in de eerste volzin bedoelde verhoging wordt, indien de belastingplichtige een partner heeft, op gezamenlijk verzoek van de belastingplichtige en zijn partner toegepast ten aanzien van de belastingplichtige of ten aanzien van de partner. Op een verzoek als bedoeld in de tweede volzin kan niet worden teruggekomen.

Artikel 5.1.4 Ouderentoeslag


1. Het heffingvrije vermogen, bedoeld in artikel 5.1.3b, wordt verhoogd met de ouderentoeslag indien:

a. de belastingplichtige bij het einde van het kalenderjaar, of, indien de belastingplicht in de loop van het jaar is geëindigd, bij het einde van de belastingplicht, de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, en

b. de gemiddelde rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 5.1.2, na aftrek van het heffingvrije vermogen, bedoeld in artikel 5.1.3b, doch voor het in aanmerking nemen van de ouderentoeslag (saldogrondslag) niet meer bedraagt dan € 225 000 (f 495 835).

Bij een inkomen uit werk en woning vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek van:

meer dan

maar niet meer dan

bedraagt de ouderentoeslag 50% van de saldogrondslag, doch ten hoogste


-

€ 11 500 (f 25 343)

€ 22 500 (f 49 583)

€ 11 500 (f 25 343)

€ 16 000 (f 35 259)

€ 11 250 (f 24 792)

€ 16 000 (f 35 259)


-

nihil


2. Op gezamenlijk verzoek van de belastingplichtige en zijn partner wordt de ouderentoeslag van de belastingplichtige verhoogd met de ouderentoeslag waarop zijn partner op grond van het eerste lid recht heeft en wordt de ouderentoeslag van de partner verminderd tot nihil. Het verzoek wordt gedaan bij de aangifte van de belastingplichtige. Op het verzoek kan niet worden teruggekomen.

Artikel 5.1.5 (vervallen)

AFDELING 2

Vrijstellingen

Artikel 5.2.1 Vrijstelling bos_ en natuurterreinen en landgoederen


1. Tot de bezittingen behoren niet:

a. bossen;

b. natuurterreinen;

c. onroerende zaken die deel uitmaken van een ingevolge de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed, met uitzondering van de op deze landgoederen voorkomende gebouwde eigendommen.


2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over hetgeen onder natuurterrein wordt verstaan.

Artikel 5.2.2 Vrijstelling voorwerpen van kunst en wetenschap


1. Tot de bezittingen behoren niet voorwerpen van kunst en wetenschap, tenzij deze hoofdzakelijk als belegging dienen.


2. Als voorwerpen van kunst en wetenschap worden mede aangemerkt voorwerpen van kunst en wetenschap die ter beschikking zijn gesteld aan derden voor culturele en wetenschappelijke doeleinden.


3. Voorwerpen van kunst en wetenschap die deel uitmaken van een verzameling worden niet door dit enkele feit aangemerkt als belegging.

Artikel 5.2.3 Vrijstelling rechten op roerende zaken krachtens erfrecht

Tot de bezittingen behoren niet de rechten op roerende zaken die krachtens erfrecht bij de belastingplichtige zijn opgekomen voorzover deze zaken door de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouden voor persoonlijke doeleinden worden gebruikt of verbruikt, tenzij deze rechten hoofdzakelijk als belegging dienen.

Artikel 5.2.4 Vrijstelling bepaalde rechten

Tot de bezittingen behoren niet:

a. rechten op kapitaalsuitkeringen of prestaties uit levensverzekering, uitsluitend bestaande uit een kapitaalsuitkering bij overlijden van de belastingplichtige, zijn partner of een bloed_ of aanverwant, dan wel op prestaties in natura ter zake van de verzorging van een uitvaart, mits de waarde van die rechten per persoon niet meer dan € 5 536 (f 12 200) bedraagt;

b. rechten op kapitaalsuitkeringen die uitsluitend kunnen plaatsvinden bij invaliditeit, ziekte of ongeval;

c. rechten op termijnen van een in artikel 4.7.2.10 bedoelde overdrachtsprijs van een aanmerkelijk belang.

Artikel 5.2.5 Vrijstelling groen beleggen

Vervallen

Artikel 5.2.6 Vrijstelling geldleningen aan beginnende ondernemers

Vervallen

Artikel 5.2.7 Vrijstelling geldleningen aan en deelnemingen in bepaalde participatiemaatschappijen

Vervallen

Artikel 5.2.8 Vrijstelling inzake premiespaarregeling en spaarloonregeling

Tot de bezittingen behoren niet:

a. spaartegoeden, aandelenoptierechten, aandelen of winstbewijzen die worden aangehouden ingevolge een premiespaarregeling als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel h, van de Wet op de loonbelasting
1964, die betrekking hebben op de periode van vier jaar na de inhouding van de besparing;

b. geblokkeerde spaartegoeden, aandelenoptierechten, aandelen of winstbewijzen die worden aangehouden ingevolge een spaarloonregeling als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964;

tot een gezamenlijk bedrag van maximaal € 17 025 (f 37 518).

Artikel 5.2.9 Vrijstelling aandelen en winstbewijzen in aangewezen participatiemaatschappijen

Vervallen

AFDELING 2A

Maatschappelijk beleggen

Artikel 5.2A.1 Vrijstelling maatschappelijke beleggingen


1. Tot de bezittingen behoren niet maatschappelijke beleggingen tot een gezamenlijk maximum van € 45 380 (f 100 004).


2. Maatschappelijke beleggingen zijn groene beleggingen als bedoeld in artikel 5.2A.2, geldleningen aan beginnende ondernemers als bedoeld in artikel 5.2A.3 en geldleningen aan en aandelen en winstbewijzen in bij ministeriële regeling aangewezen participatiemaatschappijen als bedoeld in artikel 5.2A.4, aandelen en winstbewijzen in aangewezen participatiemaatschappijen als bedoeld in artikel 5.2A.5 en kapitaalverzekeringen voor studie van kinderen als bedoeld in artikel
5.2A.6.


3. Op gezamenlijk verzoek van de belastingplichtige en zijn partner wordt het in het eerste lid vermelde bedrag van de belastingplichtige verhoogd tot € 90 760 (f 200 008) en wordt het in het eerste lid vermelde bedrag van de partner verminderd tot nihil. Het verzoek wordt gedaan bij de aangifte van de belastingplichtige. Op het verzoek kan niet worden teruggekomen.

Artikel 5.2A.2 Vrijstelling groen beleggen


1. Tot de maatschappelijke beleggingen behoren aandelen in, winstbewijzen van en geldleningen aan bij ministeriële regeling aangewezen:

a. kredietinstellingen als bedoeld in de Wet toezicht kredietwezen
1992, met hoofdzakelijk als doel en feitelijke werkzaamheid het verstrekken van kredieten ten behoeve van projecten in het belang van de bescherming van het milieu, waaronder natuur en bos, of het direct of indirect beleggen van vermogen in dergelijke projecten;

b. beleggingsinstellingen als bedoeld in de Wet toezicht beleggingsinstellingen, met hoofdzakelijk als doel en feitelijke werkzaamheid het direct of indirect beleggen van vermogen in projecten in het belang van de bescherming van het milieu, waaronder natuur en bos.


2. Projecten als bedoeld in het eerste lid zijn:

a. in Nederland gelegen projecten of categorieën van projecten die door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën en na overleg met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, bij ministeriële regeling of verklaring zijn aangewezen als projecten in het belang van de bescherming van het milieu, waaronder natuur en bos;

b. in ontwikkelingslanden en daarmee gelijk te stellen gebieden gelegen projecten of categorieën van projecten die door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in overeenstemming met Onze Minister van Financiën en na overleg met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Onze Minister van Economische Zaken en Onze Minister van Ontwikkelingssamenwerking bij verklaring zijn aangewezen als projecten in het belang van de bescherming van het milieu, waaronder natuur en bos.


3. Op verklaringen en aanwijzingen als bedoeld in het tweede lid is artikel 8:4, onderdeel g, van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.


4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer of Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, nadere regels worden gesteld. Daaronder kunnen worden begrepen regels ter verzekering van de heffing over voordelen die niet voortvloeien uit het verstrekken van kredieten ten behoeve van projecten in het belang van de bescherming van het milieu, waaronder natuur en bos, of uit het direct of indirect beleggen van vermogen in projecten in het belang van de bescherming van het milieu, waaronder natuur en bos. Tevens kunnen daaronder worden begrepen regels ter verzekering van de heffing over voordelen voorzover deze verband houden met de in een instelling aanwezige zuivere winst ten tijde van de aanwijzing van de instelling.


5. Het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het vierde lid wordt ten minste vier weken voordat de regeling wordt vastgesteld, toegezonden aan de Staten-Generaal.

Artikel 5.2A.3 Vrijstelling geldleningen aan beginnende ondernemers


1. Tot de maatschappelijke beleggingen behoren, gedurende de eerste acht jaar na het verstrekken van de geldlening, geregistreerde achtergestelde geldleningen aan een beginnende ondernemer die de lening gebruikt voor de financiering van bestanddelen van zijn verplichte ondernemingsvermogen.


2. Een geldlening wordt niet als maatschappelijke belegging aangemerkt indien de beginnende ondernemer:

a. voor het kalenderjaar en het voorafgaande kalenderjaar niet in aanmerking komt voor zelfstandigenaftrek;

b. de geldlening niet langer dient ter financiering van bestanddelen die verplicht ondernemingsvermogen zijn.


3. Onder een beginnende ondernemer wordt voor de toepassing van deze wet verstaan een natuurlijk persoon die in Nederland voor zijn rekening een onderneming drijft en ten aanzien van wie de inspecteur onder door hem te stellen voorwaarden op verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking heeft verklaard dat deze voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden met betrekking tot de toepassing van de zelfstandigenaftrek in het kalenderjaar waarin de lening is verstrekt, het voorafgaande jaar of het daaropvolgende jaar alsmede het aantal jaren waarover de zelfstandigenaftrek ten hoogste reeds mag zijn toegepast.


4. Bij ministeriële regeling kunnen voor geregistreerde achtergestelde geldleningen voorwaarden worden gesteld met betrekking tot:

a. de vormgeving;

b. de omvang;

c. de mate van achterstelling;

d. de registratie en

e. het renteniveau.


5. Het eerste lid is niet van toepassing indien de geldleningen zijn aangegaan tussen:

a. de belastingplichtige en zijn partner;

b. personen die gezamenlijk een onderneming drijven.

Artikel 5.2A.4 Vrijstelling geldleningen aan en deelnemingen in bepaalde participatiemaatschappijen


1. Tot de maatschappelijke beleggingen behoren geldleningen aan, aandelen in of winstbewijzen van bij ministeriële regeling aangewezen participatiemaatschappijen.


2. Als participatiemaatschappij kunnen worden aangewezen in Nederland gevestigde rechtspersonen met als doel en feitelijke werkzaamheid het:

a. hoofdzakelijk en op brede schaal:


1. verstrekken van achtergestelde geldleningen aan beginnende ondernemers;


2. verstrekken van achtergestelde geldleningen aan rechtspersonen die voldoen aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden;


3. deelnemen in dergelijke rechtspersonen;

b. uitsluitend of nagenoeg uitsluitend verstrekken van geldleningen aan of deelnemen in participatiemaatschappijen als bedoeld in onderdeel a.


3. Bij ministeriële regeling kunnen voor achtergestelde geldleningen en deelnemingen door een participatiemaatschappij voorwaarden worden gesteld met betrekking tot:

a. de mate van achterstelling;

b. de looptijd;

c. het renteniveau;

d. de aanwending;

e. de omvang van de geldlening per ondernemer of per rechtspersoon;

f. de omvang van de deelneming per rechtspersoon en

g. de duur van de deelneming.

Artikel 5.2A.5 Vrijstelling aandelen en winstbewijzen in aangewezen participatiemaatschappijen

Tot de maatschappelijke beleggingen behoren aandelen of winstbewijzen in bij ministeriële regeling aangewezen participatiemaatschappijen.

Artikel 5.2A.6 Vrijstelling kapitaalverzekeringen voor studie kinderen


1.Tot de maatschappelijke beleggingen behoren tot een gezamenlijk bedrag van maximaal € 22 690 (f 50 002) rechten op kapitaalsuitkeringen uit levensverzekering in verband met de studie van kinderen. Een recht op kapitaalsuitkering uit levensverzekering wordt geacht verband te houden met de studie van kinderen indien de verzekering door de belastingplichtige of zijn partner is aangegaan op een tijdstip dat een kind van hem of zijn partner de leeftijd van 13 jaar nog niet heeft bereikt en de verzekering voldoet aan de volgende voorwaarden:

a. in de overeenkomst is opgenomen dat de kapitaalsuitkering is bestemd voor de financiering van de studie van een kind van de belastingplichtige of zijn partner;

b. in de overeenkomst een verzekerd bedrag is opgenomen dat niet hoger is dan € 22 690 (f 50 002);

c. in de overeenkomst is bepaald dat ten minste 15 jaar, of tot het overlijden van de verzekerde, jaarlijks premies ter zake van de verzekering worden voldaan waarbij de hoogste premie niet meer bedraagt dan het tienvoud van de laagste premie;

d. in de overeenkomst is bepaald dat de verzekering recht geeft op een eenmalige kapitaalsuitkering bij leven of overlijden van de verzekeringnemer, zijn partner of een kind van de verzekeringnemer of zijn partner, doch uiterlijk wanneer het kind van de belastingplichtige of zijn partner de leeftijd heeft bereikt van 27 jaar;

e. de premies voor de verzekering zijn verschuldigd aan een verzekeraar die bevoegd is het directe verzekeringsbedrijf, bedoeld in de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, uit te oefenen.


2. Rechten op kapitaalsuitkering uit levensverzekering behoren niet tot de maatschappelijke beleggingen indien de in het eerste lid, onderdelen a en c genoemde verplichtingen niet worden nagekomen.


3. Op gezamenlijk verzoek van de belastingplichtige en zijn partner wordt het in het eerste lid vermelde bedrag van de belastingplichtige verhoogd tot € 45 380 (f 100 004) en wordt het in het eerste lid vermelde bedrag van de partner verminderd tot nihil. Het verzoek wordt gedaan bij de aangifte van de belastingplichtige. Op het verzoek kan niet worden teruggekomen.


4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het bepaalde in dit artikel.

Artikel 5.2A.7 Vrijstelling sociaal-ethische beleggingen


1. Tot de maatschappelijke beleggingen behoren sociaal-ethische beleggingen.


2. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over hetgeen onder sociaal-ethische beleggingen wordt verstaan.

AFDELING 3

Waardering

Artikel 5.3.1 Waardering bezittingen en schulden; algemeen


1. Bezittingen en schulden worden in aanmerking genomen voor de waarde in het economische verkeer.


2. Bezittingen en schulden die, al dan niet tezamen, in het economische verkeer als een eenheid plegen te worden beschouwd, worden als eenheid in aanmerking genomen.


3. Indien de waarde van een bezitting of van een schuld op de begindatum of de einddatum niet kan worden bepaald, wordt die waarde bepaald op het naastbij gelegen tijdstip waarop dat wel mogelijk is.


4. Genotsrechten die zijn verleend tegen een zakelijke vergoeding die wordt voldaan in regelmatig vervallende termijnen die betrekking hebben op een tijdvak van ten hoogste een jaar, worden gewaardeerd op nihil. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op schulden die corresponderen met de aldaar bedoelde genotsrechten.

Artikel 5.3.1a Waardering woningen andere dan eigen woningen

De waarde van een woning die een belastingplichtige in belangrijke mate ter beschikking staat, wordt, in afwijking van artikel 5.3.1, eerste lid, gesteld op de volgens hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor die woning vastgestelde waarde of waarden voor het tijdvak waarbinnen het kalenderjaar valt. Indien de woning deel uitmaakt van een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16 van de Wet waardering onroerende zaken, wordt de waarde van de woning gesteld op het gedeelte van de waarde van de onroerende zaak dat kan worden toegerekend aan de woning. Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder een woning verstaan een woning als bedoeld in artikel 3.6.2, eerste lid, aanhef, die de belastingplichtige niet anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat.

Artikel 5.3.2 Waardering effecten

Voor de waardering van effecten die zijn genoteerd aan de AEX wordt, in afwijking van artikel 5.3.1, eerste lid, de waarde in het economische verkeer op de einddatum gesteld op de slotnotering die is vermeld in de Officiële prijscourant, uitgegeven door AEX_ Data Services, die geldt voor die einddatum. De waardering van effecten op de begindatum wordt gesteld op de slotnotering van het effect zoals die staat vermeld in de Officiële prijscourant die geldt voor de einddatum van het voorafgaande jaar.

Artikel 5.3.3 Waardering genotsrechten


1. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de in aanmerking te nemen waarde van genotsrechten.


2. Bezittingen waarop een genotsrecht is gevestigd, worden gewaardeerd op het verschil van de waarde van de onbezwaarde bezitting en de overeenkomstig het eerste lid vastgestelde waarde van het genotsrecht. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op schulden waarvan een genotsgerechtigde de rente moet voldoen.


3. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder genotsrecht: elke gerechtigdheid tot voordelen uit goederen.


4. Indien een genotsrecht is gevestigd in de vorm van verstrekkingen als bedoeld in artikel 3.5.2, tweede lid, wordt voor de toepassing van het tweede lid de waarde van het genotsrecht op nihil gesteld.

Artikel 5.3.4 Waardering: aanvullende regels

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, in het kader van dit hoofdstuk passende, regels worden gesteld ten behoeve van de waardering van bezittingen en schulden.

HOOFDSTUK 6

PERSOONSGEBONDEN AFTREK

AFDELING 1

Persoonsgebonden aftrek

Artikel 6.1.1 Persoonsgebonden aftrek


1. Persoonsgebonden aftrek is het gezamenlijke bedrag van:

a. de in het kalenderjaar op de belastingplichtige drukkende persoonsgebonden aftrekposten en

b. het gedeelte van de persoonsgebonden aftrek van voorafgaande jaren dat niet eerder in aanmerking is genomen.


2. Persoonsgebonden aftrekposten zijn de:

a. uitgaven voor onderhoudsverplichtingen (afdeling 2);

b. verliezen op geldleningen aan beginnende ondernemers (afdeling 3);

c. uitgaven voor levensonderhoud van kinderen (afdeling 4);

d. buitengewone uitgaven (afdeling 5);

e. weekenduitgaven voor gehandicapte kinderen (afdeling 6);

f. scholingsuitgaven (afdeling 7);

g. uitgaven voor monumentenpanden (afdeling 8);

h. aftrekbare giften (afdeling 9).


3. Uitgaven als bedoeld in het tweede lid, onderdelen c, d en e, worden in aanmerking genomen voorzover de belastingplichtige zich redelijkerwijs gedrongen heeft kunnen voelen tot het doen van die uitgaven.

Artikel 6.1.2 In aanmerking nemen persoonsgebonden aftrek


1. De persoonsgebonden aftrek vermindert het inkomen uit werk en woning van het kalenderjaar, maar niet verder dan tot nihil.


2. Voorzover de persoonsgebonden aftrek het inkomen uit werk en woning van het kalenderjaar niet vermindert, vermindert de aftrek het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van het jaar, maar niet verder dan tot nihil.


3. Voorzover de persoonsgebonden aftrek het inkomen uit werk en woning en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van het kalenderjaar niet vermindert, vermindert de aftrek het inkomen uit aanmerkelijk belang van het jaar, maar niet verder dan tot nihil.

AFDELING 2

Onderhoudsverplichtingen

Artikel 6.2.1 Onderhoudsverplichtingen


1. Onderhoudsverplichtingen zijn:

a. periodieke uitkeringen en verstrekkingen op grond van een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting, tenzij deze worden gedaan aan bloed_ of aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn;

b. afkoopsommen van dergelijke uitkeringen of verstrekkingen die worden gedaan aan de gewezen echtgenoot;

c. op grond van hoofdstuk VII van de Algemene bijstandswet verhaalde kosten van bijstand tot voorziening in het levensonderhoud van de duurzaam van de belastingplichtige gescheiden levende echtgenoot of gewezen echtgenoot;

d. bedragen die in het kader van echtscheiding of scheiding van tafel en bed worden voldaan ter zake van de verplichting tot verrekening van pensioenrechten en van lijfrenten en andere inkomensvoorzieningen waarvan de betaalde premies als uitgave voor inkomensvoorziening in aanmerking zijn genomen;

e. in rechte vorderbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen die berusten op een wettelijke verplichting tot vergoeding van schade door het derven van levensonderhoud;

f. in rechte vorderbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen die berusten op een dringende morele verplichting tot voorziening in het levensonderhoud.


2. Onderhoudsverplichtingen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, e of f, worden ingeval deze de vorm hebben van periodieke verstrekkingen van huisvesting in een woning of een gedeelte van een woning worden, indien zij worden verstrekt door een beperkt gerechtigde tot die woning of dat gedeelte van een woning, bij hem in aanmerking genomen voor het bedrag waarvoor die verstrekkingen bij degene die deze geniet, in aanmerking worden genomen op de voet van artikel 3.5.2, tweede lid.

Artikel 6.2.2 Uitgesloten onderhoudsverplichtingen


1. Tot de onderhoudsverplichtingen, bedoeld in artikel 6.2.1, eerste lid, onderdelen e en f, behoren niet de periodieke uitkeringen en verstrekkingen die worden gedaan aan:

a. bloed_ of aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn;

b. personen die behoren tot het huishouden van de belastingplichtige.


2. Tot de onderhoudsverplichtingen, bedoeld in artikel 6.2.1, eerste lid, onderdelen b en d, behoren niet de afkoopsommen en verrekenbedragen die worden gedaan in de vorm van lijfrenten en andere inkomensvoorzieningen, voorzover de voor die voorzieningen betaalde premies als uitgave voor inkomensvoorziening in aanmerking zijn genomen.


3. Tot de onderhoudsverplichtingen, bedoeld in artikel 6.2.1, eerste lid, onderdeel d, behoren niet rechten op periodieke uitkeringen en verstrekkingen die zijn toegekend door degene die tot de verrekening verplicht is.

Artikel 6.2.3 Afkoop alimentatie door betaling lijfrentepremie


1. Tot de onderhoudsverplichtingen, bedoeld in artikel 6.2.1, eerste lid, onderdeel b, behoren afkoopsommen die worden gedaan in de vorm van een betaling van een premie voor een lijfrente aan een verzekeraar als bedoeld in artikel 3.7.4, eerste lid, onderdeel a, onder 1.


2. De termijnen van de lijfrente moeten:

a. toekomen aan de gewezen echtgenoot;

b. onmiddellijk na het betalen van de premie ingaan;

c. uiterlijk bij het overlijden van de gewezen echtgenoot eindigen.


3. De voor de lijfrente betaalde premie wordt aangemerkt als een premie voor een lijfrente als bedoeld in artikel 3.7.1, onderdeel a.


4. Indien de lijfrente niet meer voldoet aan de in dit artikel bedoelde voorwaarden, wordt geacht een omstandigheid als bedoeld in artikel 3.8.2, tweede lid, te hebben plaats gevonden.

Artikel 6.2.4 Verrekening van pensioenrechten door betaling lijfrentepremie


1. Tot de onderhoudsverplichtingen, bedoeld in artikel 6.2.1, eerste lid, onderdeel d, behoren bedragen die worden voldaan ter zake van de verrekening van pensioenrechten in de vorm van een betaling van een premie voor een lijfrente als bedoeld in artikel 3.7.3, eerste lid, aan een verzekeraar als bedoeld in artikel 3.7.4, eerste lid, onderdeel a, onder 1.


2. Voor de toepassing van artikel 3.7.3, eerste lid, wordt de echtgenoot of de gewezen echtgenoot aangemerkt als de belastingplichtige en als de verzekeringnemer van de in die bepaling genoemde lijfrenten.


3. De voor de lijfrente betaalde premie wordt aangemerkt als een premie voor een lijfrente als bedoeld in artikel 3.7.1, onderdeel a.


4. De lijfrente wordt aangemerkt als een lijfrente als bedoeld in artikel 3.7.3, eerste lid.


5. Indien de lijfrente niet meer voldoet aan de in dit artikel bedoelde voorwaarden, wordt geacht een omstandigheid als bedoeld in artikel 3.8.2, tweede lid, te hebben plaats gevonden.

Artikel 6.2.5 Uitbreiding familierechtelijke uitkeringen


1. Tot de onderhoudsverplichtingen, bedoeld in artikel 6.2.1, eerste lid, onderdeel a, behoren de periodieke uitkeringen en verstrekkingen voorzover die zijn overeengekomen in het kader van echtscheiding of scheiding van tafel en bed ter verrekening van:

a. pensioenrechten;

b. lijfrenten en andere inkomensvoorzieningen voorzover de daarvoor betaalde premies als uitgave voor inkomensvoorziening in aanmerking zijn genomen.


2. Tot de onderhoudsverplichtingen, bedoeld in artikel 6.2.1, eerste lid, onderdeel a, behoren de periodieke uitkeringen en verstrekkingen die dienen ter vervanging van dergelijke onderhoudsverplichtingen.


3. Het eerste en het tweede lid zijn uitsluitend van toepassing op periodieke uitkeringen en verstrekkingen die worden gedaan door degene die tot de verrekening respectievelijk de vervanging verplicht is.

AFDELING 3

Verliezen op geldleningen aan beginnende ondernemers

Artikel 6.3.1 Verliezen op geldleningen aan beginnende ondernemers

Verliezen op geldleningen aan beginnende ondernemers zijn de verliezen op geregistreerde achtergestelde geldleningen aan een beginnende ondernemer die de geldlening gebruikt voor de financiering van bestanddelen die verplicht ondernemingsvermogen zijn.

Artikel 6.3.2 Kwijtschelding binnen een bepaalde periode


1. Onder een verlies wordt verstaan het gedeelte van de hoofdsom van de geldlening dat door de belastingplichtige is kwijtgescholden binnen de eerste acht jaar na het verstrekken van de geldlening.


2. Het verlies wordt in aanmerking genomen voorzover de inspecteur, op verzoek, bij voor bezwaar vatbare beschikking heeft verklaard dat het kwijtgescholden gedeelte van de geldlening niet meer voor verwezenlijking vatbaar is. De inspecteur neemt de beschikking niet eerder dan twaalf maanden na het verstrekken van de geldlening.


3. Onder bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden kan de termijn worden verlengd waarbinnen de geldlening moet zijn kwijtgescholden.

Artikel 6.3.3 Omvang in aanmerking te nemen verliezen

De verliezen worden in aanmerking genomen voorzover deze in de in artikel 6.3.2 bedoelde periode in totaal niet meer bedragen dan €
22 689 (f 50 000) per beginnende ondernemer.

Artikel 6.3.4 Uitgesloten geldleningen

Artikel 6.3.1 is niet van toepassing indien de geldleningen zijn aangegaan tussen:

a. de belastingplichtige en zijn partner;

b. personen die gezamenlijk een onderneming drijven.

Artikel 6.3.5 Tijdstip van aftrek van de verliezen

De verliezen komen voor aftrek in aanmerking op het tijdstip van kwijtschelding van de geldlening, maar niet eerder dan op dat van de dagtekening van de beschikking bedoeld in artikel 6.3.2.

AFDELING 4

Uitgaven voor levensonderhoud van kinderen

Artikel 6.4.1 Definitie


1. Uitgaven voor levensonderhoud van kinderen zijn uitgaven voor levensonderhoud van kinderen jonger dan 27 jaar die ten minste in belangrijke mate door de belastingplichtige worden onderhouden.


2. Uitgaven wegens ziekte, invaliditeit en bevalling zijn geen uitgaven voor levensonderhoud.

Artikel 6.4.2 Beperkingen


1. Uitgaven voor levensonderhoud van een kind worden niet in aanmerking genomen indien:

a. de belastingplichtige of een persoon die tot zijn huishouden behoort, voor het kind recht heeft op kinderbijslag volgens de Algemene Kinderbijslagwet of op een tegemoetkoming volgens een naar aard en strekking met die wet overeenkomende buitenlandse regeling;

b. voor het kind het recht op kinderbijslag volgens artikel 7b van de Algemene Kinderbijslagwet is uitgesloten;

c. het kind recht heeft op studiefinanciering volgens hoofdstuk II van de Wet op de studiefinanciering, op tegemoetkoming volgens hoofdstuk III van de Wet tegemoetkoming studiekosten of op een tegemoetkoming volgens een naar aard en strekking met hoofdstuk II van de Wet op de studiefinanciering of hoofdstuk III van de Wet tegemoetkoming studiekosten overeenkomende buitenlandse regeling.


2. Bij ministeriële regeling wordt bepaald in welke gevallen het eerste lid, onderdeel a, niet van toepassing is.

Artikel 6.4.3 Omvang in aanmerking te nemen uitgaven

Uitgaven voor levensonderhoud van een kind worden in aanmerking genomen tot een bedrag bepaald volgens bij ministeriële regeling te stellen regels.

AFDELING 5

Buitengewone uitgaven

Artikel 6.5.1 Definitie

Buitengewone uitgaven zijn de uitgaven wegens:

a. ziekte, invaliditeit en bevalling van de belastingplichtige, zijn partner en zijn jonger dan 27_jarige kinderen;

b. overlijden van de belastingplichtige, zijn partner en zijn jonger dan 27_jarige kinderen;

c. arbeidsongeschiktheid of chronische ziekte van de belastingplichtige;

d. ouderdom van de belastingplichtige;

e. chronische ziekte van kinderen van de belastingplichtige;

f. adoptie door de belastingplichtige of zijn partner.

Artikel 6.5.2 Uitgaven wegens ziekte, invaliditeit en bevalling

Als uitgaven wegens ziekte, invaliditeit en bevalling worden aangemerkt de daarmee verband houdende:

a. uitgaven voor genees_, heel_ en verloskundige hulp, met inbegrip van farmaceutische en andere hulpmiddelen en vervoer;

b. uitgaven voor extra gezinshulp;

c. extra uitgaven voor een op medisch voorschrift gehouden dieet voorzover zij meer bedragen dan € 340 (f 749), tot een bedrag bepaald volgens bij ministeriële regeling te stellen regels;

d. extra uitgaven voor kleding en beddengoed, volgens bij ministeriële regeling te stellen regels;

e. uitgaven voor reizen in verband met het regelmatig bezoeken van wegens ziekte of invaliditeit langer dan een maand verpleegde personen met wie de bezoeker bij de aanvang van de ziekte of invaliditeit een gezamenlijke huishouding voerde, indien de enkele reisafstand meer beloopt dan 10 kilometer.

Artikel 6.5.3 Beperkingen van uitgaven wegens ziekte, invaliditeit en bevalling


1. Met betrekking tot de uitgaven, bedoeld in artikel 6.5.2, onderdeel a, worden:

a. uitgaven voor farmaceutische hulpmiddelen die niet zijn verstrekt op voorschrift van een arts, in aanmerking genomen tot een bedrag van € 23 (f 51) per persoon;

b. premie en premievervangende belasting voor de volksverzekeringen en uitgaven voor naar aard en strekking daarmee overeenkomende buitenlandse regelingen, andere dan de premie, bedoeld in artikel 17 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, niet in aanmerking genomen;

c. premies en bijdragen voor een ziektekostenregeling, niet zijnde de Ziekenfondswet, slechts in aanmerking genomen voorzover het gezamenlijke bedrag betrekking heeft op een tijdvak van hoogstens twaalf maanden.


2. Uitgaven voor extra gezinshulp worden slechts in aanmerking genomen voorzover zij blijken uit gedagtekende facturen waarin op duidelijke en overzichtelijke wijze de naam en het adres van de gezinshulp zijn vermeld.


3. De uitgaven, bedoeld in artikel 6.5.2, onderdeel e, worden in aanmerking genomen, indien wordt gereisd:

a. per auto anders dan per taxi: voor € 0,15 (f 0,33) per kilometer;

b. op andere wijze: voor de werkelijke kosten.

Artikel 6.5.4 Uitgaven wegens overlijden


1. Als uitgaven wegens overlijden worden aangemerkt:

a. de uitgaven die rechtstreeks verband houden met het overlijden, de begrafenis of crematie;

b. de uitgaven voor de reis of het verblijf die zijn gedaan in verband met de laatste ziekte van zijn in het buitenland verblijvende partner of jonger dan 27_jarige kinderen.


2. Uitgaven wegens overlijden worden in aanmerking genomen voorzover zij niet overtreffen wat gebruikelijk is.

Artikel 6.5.5 Uitgaven wegens arbeidsongeschiktheid of chronische ziekte


1. Uitgaven wegens arbeidsongeschiktheid of chronische ziekte worden in aanmerking genomen indien de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar jonger is dan 65 jaar en:

a. de belastingplichtige aannemelijk maakt dat hij door ziekte of gebreken niet in staat is om ten minste 55% te verdienen van wat door lichamelijk en geestelijk gezonde belastingplichtigen die overigens in gelijke omstandigheden verkeren, kunnen verdienen, en daartoe ook hetzij in het afgelopen jaar niet in staat is geweest hetzij vermoedelijk in het eerstkomende jaar niet in staat zal zijn of

b. in de twee voorafgaande kalenderjaren bij de berekening van het verzamelinkomen van de belastingplichtige of zijn partner ter zake van de belastingplichtige buitengewone uitgaven in aftrek zijn gekomen.


2. Het in aanmerking te nemen bedrag wordt gesteld op € 463 (f
1020).

Artikel 6.5.6 Uitgaven wegens ouderdom


1. Uitgaven wegens ouderdom worden in aanmerking genomen indien de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar 65 jaar of ouder is.


2. Het in aanmerking te nemen bedrag wordt gesteld op € 463 (f
1020).

Artikel 6.5.7 Uitgaven wegens chronische ziekte van kinderen


1. Uitgaven wegens chronische ziekte van kinderen worden in aanmerking genomen indien in de twee voorafgaande kalenderjaren bij de berekening van het verzamelinkomen van de belastingplichtige of zijn partner ter zake van de belastingplichtige buitengewone uitgaven in aftrek zijn gekomen die voor ten minste een derde deel kunnen worden toegerekend aan een of meer kinderen die bij het begin van het kalenderjaar jonger zijn dan 27 jaar en door de belastingplichtige in belangrijke mate worden onderhouden.


2. Het in aanmerking te nemen bedrag wordt gesteld op € 463 (f
1020).


3. Indien zowel de belastingplichtige als zijn partner uitgaven wegens chronische ziekte van kinderen in aanmerking nemen, wordt het in aanmerking te nemen bedrag gesteld op de helft van het bedrag genoemd in het tweede lid, zonodig naar boven af te ronden op een geheel getal.

Artikel 6.5.8 Uitgaven wegens adoptie


1. Als uitgaven wegens adoptie worden aangemerkt de uitgaven voor de indiening en de behandeling van een verzoek tot het uitspreken van adoptie door de rechter.


2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot in aanmerking te nemen uitgaven wegens adoptie van een kind dat in een ander land woonde dan de adoptanten voordat het kind door de adoptanten feitelijk werd verzorgd en opgevoed.

Artikel 6.5.9 Omvang in aanmerking te nemen uitgaven


1. Buitengewone uitgaven worden in aanmerking genomen voorzover zij samen meer bedragen dan:

a. indien het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek € 5 624 (f 12 394) niet te boven gaat: € 686 (f 1
512);

b. indien het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek € 5 624 (f 12 394) te boven gaat maar € 46 784 (f 103
098) niet te boven gaat: 12,2% van het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek;

c. indien het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek € 46 784 (f 103 098) te boven gaat: € 5 708 (f 12
579).


2. Indien de belastingplichtige gedurende het gehele kalenderjaar een partner heeft, worden de buitengewone uitgaven samengevoegd. Over deze periode geldt voor de toepassing van het eerste lid in plaats van het verzamelinkomen voor toepassing van de persoonsgebonden aftrek het gezamenlijke bedrag van de verzamelinkomens van de belastingplichtige en zijn partner vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek.


3. Indien de belastingplichtige gedurende een deel van het kalenderjaar een partner heeft en zij bij een verzoek om voorlopige teruggaaf of bij een aangifte een keuze als bedoeld in artikel 2.4.4, zesde lid, van deze wet hebben gemaakt, wordt de belastingplichtige voor de toepassing van het tweede lid geacht gedurende het gehele kalenderjaar een partner te hebben gehad.

AFDELING 6

Weekenduitgaven voor gehandicapte kinderen

Artikel 6.6.1 Definitie

Weekenduitgaven voor gehandicapte kinderen zijn de extra uitgaven die door een belastingplichtige worden gedaan om zijn ernstig gehandicapte kind van 27 jaar of ouder dat doorgaans in een inrichting verblijft, te verzorgen. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wanneer een kind voor de toepassing van deze bepaling als ernstig gehandicapt wordt beschouwd.

Artikel 6.6.2 Het in aanmerking te nemen bedrag

Weekenduitgaven voor gehandicapte kinderen worden in aanmerking genomen tot een bedrag bepaald volgens bij ministeriële regeling te stellen regels.

AFDELING 7

Scholingsuitgaven

Artikel 6.7.1 Scholingsuitgaven


1. Scholingsuitgaven zijn uitgaven voor het door de belastingplichtige volgen van een opleiding of studie met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning.


2. Uitgaven voor het door de belastingplichtige volgen van een opleiding of studie met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning die op zijn partner drukken, worden mede als scholingsuitgaven aangemerkt.

Artikel 6.7.2 Beperkingen


1. Tot de scholingsuitgaven behoren niet uitgaven die verband houden met:

a. levensonderhoud, daaronder begrepen huisvesting, voedsel, drank, genotmiddelen en kleding;

b. werk_ of studeerruimten, daaronder begrepen de inrichting;

c. reizen en verblijven, daaronder begrepen excursies en studiereizen;

d. oorzaken die bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen.


2. Scholingsuitgaven komen niet voor aftrek in aanmerking voorzover voor een opleiding of studie aan de belastingplichtige vrijgestelde uitkeringen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 3.5.5, onderdeel e, onder 2 en 3, worden verstrekt.

Artikel 6.7.3 Studiefinanciering


1. Scholingsuitgaven voor een opleiding of studie waarvoor de belastingplichtige recht heeft op studiefinanciering volgens hoofdstuk II van de Wet op de studiefinanciering, komen in aanmerking tot de bedragen, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdelen b en c, van die wet.


2. Scholingsuitgaven komen niet voor aftrek in aanmerking voorzover de voor een opleiding of studie aan de belastingplichtige toegekende voorwaardelijke rentedragende lening, bedoeld in artikel 31c, eerste lid, van de Wet op de studiefinanciering, op grond van artikel 17e van die wet wordt omgezet in een beurs.


3. Scholingsuitgaven waarvoor een voorwaardelijke rentedragende lening is aangegaan, komen voor aftrek in aanmerking in het jaar waarin de lening definitief als rentedragende lening wordt aangemerkt.

Artikel 6.7.4 Omvang in aanmerking te nemen uitgaven


1. Scholingsuitgaven komen voor aftrek in aanmerking voorzover het gezamenlijke bedrag hoger is dan € 500 (f 1 102) en vervolgens niet tot een hoger gezamenlijk bedrag dan € 15 000 (f 33 056).


2. Indien scholingsuitgaven, bedoeld in artikel 6.7.3, eerste lid, op grond van artikel 6.7.3, derde lid, in het kalenderjaar in aanmerking worden genomen, wordt het bedrag van € 15 000 (f 33 056) vermeerderd met het bedrag van die scholingsuitgaven.

AFDELING 8

Uitgaven voor monumentenpanden

Artikel 6.8.1 Uitgaven voor monumentenpanden


1. Als uitgaven met betrekking tot een monumentenpand worden in aanmerking genomen:

a. indien het een eigen woning als bedoeld in het eerste of derde lid van artikel 3.6.2 betreft: het bedrag van de kosten, lasten en afschrijvingen - andere dan renten van schulden, kosten van geldleningen en periodieke betalingen ingevolge de rechten van erfpacht, opstal of beklemming - verminderd met 1,75% van de eigenwoningwaarde, met dien verstande dat die vermindering niet minder dan € 136 (f 300) en niet meer dan € 10 891 (f 24 001) bedraagt;

b. indien het een onroerende zaak betreft die volgens artikel 5.1.1 in de belastingheffing wordt betrokken: het bedrag van de onderhoudskosten, verminderd met 4% van de waarde in het economische verkeer van de onroerende zaak op de begindatum als bedoeld in artikel
5.1.2, waarbij de waarde in het economisch verkeer van de onroerende zaak wordt bepaald met toepassing van artikel 5.3.1.


2. Onder monumentenpand wordt verstaan een pand dat is ingeschreven in een van de registers, bedoeld in artikel 6 of artikel 7 van de Monumentenwet 1988.


3. Kosten, lasten en afschrijvingen voor monumentenpanden zijn de op de voordelen daaruit drukkende kosten voorzover zij zijn gemaakt tot behoud van die voordelen en in hun totale omvang niet overtreffen wat gebruikelijk is.


4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop de kosten, lasten en afschrijvingen worden vastgesteld.


5. Indien een ander dan de belastingplichtige een genotsrecht als bedoeld in artikel 5.3.3, derde lid, heeft op een onroerende zaak, kunnen door de belastingplichtige ter zake van deze onroerende zaak onderhoudskosten in aanmerking worden genomen tot ten hoogste een bedrag dat gelijk is aan het gemiddelde van 4% van de waarde in het economische verkeer van de bezitting op de begindatum en op de einddatum. De artikelen 5.1.2 en 5.3.1 zijn daarbij van overeenkomstige toepassing.

AFDELING 9

Aftrekbare giften

Artikel 6.9.1 Aftrekbare giften


1. Aftrekbare giften zijn:

a. periodieke giften;

b. andere giften.

Artikel 6.9.2 Definities

In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. giften: bevoordelingen uit vrijgevigheid en verplichte bijdragen waar geen directe tegenprestatie tegenover staat;

b. instellingen: kerkelijke, levensbeschouwelijke, charitatieve, culturele, wetenschappelijke of het algemeen nut beogende instellingen;

c. verenigingen: niet aan de vennootschapsbelasting onderworpen of daarvan vrijgestelde verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid en met ten minste 25 leden.

Artikel 6.9.3 Periodieke giften

Periodieke giften zijn giften in de vorm van vaste en gelijkmatige periodieke uitkeringen die eindigen uiterlijk bij overlijden, aan in Nederland gevestigde instellingen of verenigingen.

Artikel 6.9.4 Andere giften

Andere giften zijn giften aan in Nederland gevestigde instellingen.

Artikel 6.9.5 Autokosten

Indien giften de vorm hebben van het afzien van een vergoeding van kosten voor vervoer per auto, anders dan per taxi, worden zij in aanmerking genomen voor € 0,15 (f 0,33) per kilometer.

Artikel 6.9.6 Giften aan niet in Nederland gevestigde instellingen

Giften aan niet in Nederland gevestigde instellingen worden aangemerkt als aftrekbare giften voorzover de instellingen daartoe bij ministeriële regeling zijn aangewezen.

Artikel 6.9.7 Het in aanmerking nemen van periodieke giften

Periodieke giften worden in aanmerking genomen indien zij berusten op een bij notariële akte van schenking aangegane verplichting om de uitkeringen of verstrekkingen gedurende vijf of meer jaren ten minste jaarlijks uit te keren.

Artikel 6.9.8 Omvang in aanmerking te nemen andere giften


1. Andere giften worden in aanmerking genomen voorzover zij met schriftelijke bescheiden kunnen worden gestaafd en voorzover zij samen zowel € 60 (f 132) als 1% van het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek te boven gaan, en vervolgens tot ten hoogste 10% van het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek.


2. Indien de belastingplichtige gedurende het gehele kalenderjaar een partner heeft worden andere giften samengevoegd. Over deze periode geldt voor de toepassing van het eerste lid, in plaats van het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek het gezamenlijke bedrag van de verzamelinkomens van de belastingplichtige en zijn partner vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek.


3. Indien de belastingplichtige gedurende een deel van het kalenderjaar een partner heeft en zij bij een verzoek om voorlopige teruggaaf of bij een aangifte een keuze als bedoeld in artikel 2.4.4, zesde lid, van deze wet hebben gemaakt, wordt de belastingplichtige voor de toepassing van het tweede lid geacht gedurende het gehele kalenderjaar een partner te hebben gehad.

AFDELING 10

Tijdstip aftrek

Artikel 6.10.1 Tijdstip aftrek

Voorzover in deze wet niet anders is bepaald, komen uitgaven ter zake van persoonsgebonden aftrekposten voor aftrek in aanmerking op het tijdstip waarop zij zijn:

a. betaald;

b. verrekend;

c. ter beschikking gesteld of

d. rentedragend geworden.

HOOFDSTUK 7

BELASTINGHEFFING VAN BUITENLANDSE BELASTINGPLICHTIGEN

AFDELING 1

Nederlands inkomen

Artikel 7.1.1 Nederlands inkomen

Ten aanzien van de buitenlandse belastingplichtige wordt de inkomstenbelasting geheven over het door hem in het kalenderjaar genoten:

a. belastbare inkomen uit werk en woning in Nederland;

b. belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap en

c. belastbare inkomen uit sparen en beleggen in Nederland.

AFDELING 2

Belastbaar inkomen uit werk en woning

Artikel 7.2.1 Belastbaar inkomen uit werk en woning


1. Het belastbare inkomen uit werk en woning in Nederland is het inkomen uit werk en woning in Nederland verminderd met de verliezen uit werk en woning, berekend overeenkomstig de regels van hoofdstuk 3.


2. Het inkomen uit werk en woning in Nederland is het gezamenlijke bedrag van:

a. de belastbare winst uit Nederlandse onderneming, dat is het bedrag van de gezamenlijke voordelen die worden verkregen uit een onderneming die, of het gedeelte van een onderneming dat wordt gedreven met behulp van een vaste inrichting in Nederland of een vaste vertegenwoordiger in Nederland (Nederlandse onderneming);

b. het belastbaar loon ter zake van het in Nederland verrichten of hebben verricht van arbeid;

c. het belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden in Nederland;

d. de belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen voorzover de daarvoor betaalde premies als uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking zijn genomen of voortkomen uit pensioenregelingen voorzover de daarvoor betaalde premies ten laste van de belastbare winst van een Nederlandse onderneming zijn gebracht, waarbij met het in aanmerking nemen van negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen op grond van artikel 3.8.2, tweede lid, onderdelen h of j, of artikel 3.8.5, dan wel in de periode van buitenlandse belastingplicht, geen rekening wordt gehouden;

e. de rechten op periodieke uitkeringen en verstrekkingen van publiekrechtelijke aard van of namens een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon;

f. de belastbare inkomsten uit eigen woning in Nederland en

g. de negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen;

verminderd met:

h. de uitgaven voor inkomensvoorzieningen en

i. de uitgaven voor kinderopvang.


3. Indien de berekening van het inkomen uit werk en woning in Nederland leidt tot een negatief bedrag wordt dit aangemerkt als een verlies uit werk en woning in Nederland. De verrekening van dit verlies vindt plaats overeenkomstig de regels van hoofdstuk 3, afdeling 12.


4. Verliezen uit werk en woning zijn de verliezen uit werk en woning die betrekking hebben op jaren waarin de buitenlandse belastingplichtige binnenlands belastingplichtig was en de verliezen uit werk en woning in Nederland.


5. In Nederland gelegen onroerende zaken, daaronder begrepen rechten die samenhangen met de exploratie en exploitatie van in Nederland aanwezige natuurlijke rijkdommen, of rechten waaraan deze zijn onderworpen, die tot het vermogen van een onderneming behoren, behoren tot het vermogen van een Nederlandse onderneming.


6. De buiten Nederland uitgeoefende privaatrechtelijke of publiekrechtelijke dienstbetrekking voor een in Nederland gevestigde inhoudingsplichtige als bedoeld in artikel 6 van de Wet op de loonbelasting 1964 wordt geacht in Nederland te zijn uitgeoefend. Dit is echter niet het geval indien het loon uit die dienstbetrekking of vroegere dienstbetrekking met inachtneming van de regelingen ter voorkoming van dubbele belasting feitelijk is onderworpen aan een belasting naar het inkomen die door of vanwege een andere mogendheid wordt geheven. De eerste volzin is eveneens niet van toepassing indien sprake is van een niet-inwoner die uitsluitend werkzaamheden verricht in een mogendheid waarmee Nederland geen verdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten en die de arbeidsbeloning niet in een belastingheffing naar het inkomen betrekt.


7. De buitenlandse belastingplichtige die in Nederland als beroep een tak van sport beoefent, verricht in Nederland arbeid in dienstbetrekking.


8. a. Tot belastbaar loon wordt gerekend de waarde in het economisch verkeer van opgebouwde aanspraken uit een pensioenregeling indien de verplichtingen volgens de pensioenregeling waarop die aanspraken berusten geheel of gedeeltelijk zijn ondergebracht bij een ander lichaam dan bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdelen a, b, d, e en f van de Wet op de loonbelasting 1964. Tot de waarde in het economische verkeer wordt niet gerekend het met pensioenpremies behaalde rendement over een periode waarin de belastingplichtige geen binnenlands belastingplichtige is geweest.

b. Indien onderdeel a toepassing vindt met betrekking tot de waarde van aanspraken die eerder op grond van:


1. onderdeel a in het Nederlandse inkomen uit werk en woning is begrepen, wordt, onder bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden, dat inkomen met die waarde van de aanspraken verlaagd. De inspecteur vermindert dienovereenkomstig de conserverende aanslag bij voor bezwaar vatbare beschikking. Rechtsmiddelen tegen deze beschikking kunnen uitsluitend betrekking hebben op de grootte van de vermindering;


2. artikel 3.3.4 in het belastbare inkomen uit werk en woning is begrepen, wordt, voorzover de belasting ter zake van die aanspraken is voldaan, dat inkomen met die waarde van de aanspraken verlaagd en de eerder opgelegde conserverende aanslag door de inspecteur verminderd bij voor bezwaar vatbare beschikking. Rechtsmiddelen tegen deze beschikking kunnen uitsluitend betrekking hebben op de grootte van de vermindering.

c. Indien artikel 19b van de Wet op de loonbelasting 1964 toepassing heeft gevonden wordt het belastbaar loon verminderd met de waarde van de aanspraken die zijn gerekend tot het loon met toepassing van artikel 3.3.4 dan wel met toepassing van onderdeel a, voorzover de belasting ter zake van de waarde van die aanspraken is voldaan.

d. Op verzoek van de belastingplichtige wordt, indien de waarde van aanspraken op grond van onderdeel a is begrepen in het Nederlandse inkomen uit werk en woning van een vorig kalenderjaar, en


1. wordt voldaan aan de voorwaarden voor uitstel van betaling als bedoeld in artikel 25 vierde lid, van de Invorderingswet 1990, en


2. de verplichtingen waarop de aanspraken berusten geheel zijn ondergebracht bij een verzekeraar als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdelen a, b, d, e of f, van de Wet op de loonbelasting 1964,

het Nederlandse inkomen uit werk en woning van dat vorige kalenderjaar met die waarde van de aanspraken verlaagd. De inspecteur vermindert dienovereenkomstig de conserverende aanslag over dat jaar bij voor bezwaar vatbare beschikking. Rechtsmiddelen tegen deze beschikking kunnen uitsluitend betrekking hebben op de grootte van de vermindering.

e. De waarde van de opgebouwde aanspraken wordt verminderd met de waarde van de aanspraken die niet ten laste zijn gekomen van Nederlands belastbaar inkomen uit werk en woning.


9. Het bedrag van de belastbare periodieke uitkeringen uit een aanspraak wordt verminderd met de ter zake van die aanspraak in aanmerking genomen negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen voorzover de belasting die is verschuldigd over die negatieve uitgaven is voldaan.


10. Bij een aanspraak op periodieke uitkeringen vindt artikel 3.8.2, tweede lid, onderdelen h en j, alleen toepassing indien door de buitenlandse belastingplichtige in het kalenderjaar ter zake van de aanspraak premie is voldaan die als uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking is genomen. De vorige volzin geldt bij onderdeel h niet voor het jaar van de in dat onderdeel bedoelde overgang van de lijfrenteverplichtingen.


11. Het bij een buitenlandse belastingplichtige op grond van artikel
3.8.2, tweede lid, onderdelen h of j, in aanmerking te nemen bedrag aan negatieve uitgaven wordt in de bij ministeriële regeling te bepalen gevallen en onder de in die regeling te stellen voorwaarden, verminderd met de negatieve uitgaven die bij hem ter zake van dezelfde aanspraken op grond van artikel 3.8.5 in aanmerking zijn genomen.


12. Voorzover bij een buitenlandse belastingplichtige de negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen die op grond van artikel 3.8.2, tweede lid, onderdelen h of j, in aanmerking worden genomen, eveneens zijn begrepen in het belastbaar inkomen uit werk en woning in Nederland van een vorig kalenderjaar, wordt, onder bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden, het belastbaar inkomen uit werk en woning in Nederland van dat vorig kalenderjaar met die daarin begrepen negatieve uitgaven verlaagd. De verlaging vindt plaats door vermindering van de aanslag over dat jaar bij voor bezwaar vatbare beschikking van de inspecteur. Rechtsmiddelen tegen deze beschikking kunnen uitsluitend betrekking hebben op de grootte van de vermindering.

Artikel 7.2.2 Vrijstelling internationaal verkeer

Tot het drijven van een Nederlandse onderneming behoort niet het vervoer te water of door de lucht van personen en zaken tussen plaatsen buiten Nederland en plaatsen in Nederland, en tussen plaatsen buiten Nederland onderling (vervoer in het internationaal verkeer), tenzij de leiding van de onderneming in Nederland is gevestigd.

Artikel 7.2.3 Werkzaamheden buitengaats

Werkzaamheden die in het kader van een onderneming worden verricht gedurende een aaneengesloten periode van ten minste 30 dagen in, op of boven het Noordzeewinningsgebied, vormen een Nederlandse onderneming. Het Noordzeewinningsgebied bestaat uit de territoriale zee van Nederland alsmede het buiten de territoriale zee onder de Noordzee gelegen deel van de zeebodem en de ondergrond daarvan, voorzover het Koninkrijk der Nederlanden daar op grond van het internationale recht rechten mag uitoefenen op het gebied van de exploratie en exploitatie van natuurlijke rijkdommen.

AFDELING 3

Belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang

Artikel 7.3.1 Belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang


1. Het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap is het inkomen uit een niet tot het vermogen van een onderneming behorend aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap, verminderd met de verliezen uit aanmerkelijk belang, berekend volgens de regels van hoofdstuk 4, met uitzondering van de in artikel 4.4.1. genoemde persoonsgebonden aftrek.


2. Indien de berekening van het inkomen uit aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap leidt tot een negatief bedrag wordt dit aangemerkt als een verlies uit aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap. De verrekening van dit verlies vindt plaats overeenkomstig de regels van hoofdstuk 4, afdeling 11.


3. Verliezen uit aanmerkelijk belang zijn de verliezen uit aanmerkelijk belang die betrekking hebben op jaren waarin de buitenlandse belastingplichtige binnenlands belastingplichtig was en de verliezen uit aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap.


4. Artikel 4.9.3.1, eerste lid, is niet van toepassing indien de vennootschap die de aandelen of winstbewijzen verwerft niet in Nederland is gevestigd.


5. Artikel 4.9.3.1, tweede en derde lid, is niet van toepassing indien en voorzover de verkrijgende vennootschap niet in Nederland is gevestigd.


6. Behoudens voor de toepassing van het vierde en vijfde lid, wordt een lichaam dat ten minste vijf jaar in Nederland gevestigd is geweest gedurende tien jaar na verplaatsing van de werkelijke leiding van het lichaam uit Nederland nog geacht in Nederland te zijn gevestigd.


7. Een verplaatsing van de werkelijke leiding van een vennootschap uit Nederland is een vervreemding van het aanmerkelijk belang.

Artikel 7.3.2 Verkrijgingsprijs aanmerkelijk belang


1. Als verkrijgingsprijs van aandelen, winstbewijzen en schuldvorderingen die tot een aanmerkelijk belang behoren, geldt de waarde in het economische verkeer op het tijdstip waarop de binnenlandse belastingplicht in Nederland is geëindigd, indien bij de beëindiging van de binnenlandse belastingplicht van de belastingplichtige vervreemdingsvoordelen in aanmerking zijn genomen.


2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing na een vervreemding als bedoeld in artikel 7.3.1, zevende lid.


3. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld inzake de verkrijgingsprijs indien artikel 26, tweede lid, van de Invorderingswet 1990 is toegepast.

AFDELING 4

Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen

Artikel 7.4.1 Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen


1. Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen in Nederland is het voordeel dat een belastingplichtige geniet uit sparen en beleggen in Nederland, berekend volgens de regels van hoofdstuk 5, met uitzondering van de in artikel 5.1.1 genoemde persoonsgebonden aftrek. Het voordeel uit sparen en beleggen in Nederland wordt gesteld op 4% (forfaitair rendement) van het gemiddelde van de rendementsgrondslag in Nederland aan het begin van het kalenderjaar (begindatum) en de rendementsgrondslag in Nederland aan het einde van het kalenderjaar (einddatum), voorzover het gemiddelde meer bedraagt dan het heffingvrije vermogen voor verhoging met de ouderentoeslag.


2. De rendementsgrondslag in Nederland is de waarde van de bezittingen in Nederland verminderd met de waarde van de schulden in verband met die bezittingen in Nederland. Bezittingen in Nederland zijn:

a. in Nederland gelegen onroerende zaken;

b. rechten die direct of indirect betrekking hebben op in Nederland gelegen onroerende zaken en

c. rechten op aandelen in de winst van een onderneming waarvan de leiding in Nederland is gevestigd, voorzover zij niet voortspruiten uit effectenbezit of uit dienstbetrekking en zij niet op grond van de afdelingen 2 of 3 van dit hoofdstuk zijn belast.


3. Onder in Nederland gelegen onroerende zaken worden begrepen rechten die samenhangen met de exploratie of de exploitatie van in Nederland aanwezige natuurlijke rijkdommen.


4. Indien de belastingplichtige niet het gehele kalenderjaar buitenlands belastingplichtige is, wordt bij de bepaling van het forfaitair rendement de begindatum vervangen door het latere tijdstip waarop de belastingplichtige buitenlands belastingplichtige wordt, of wordt de einddatum vervangen door het eerdere tijdstip waarop de belastingplichtige ophoudt buitenlands belastingplichtige te zijn. Daarbij wordt het percentage van 4 naar tijdsgelang herleid, waarbij gedeelten van maanden worden verwaarloosd.

HOOFDSTUK 8

HEFFINGSKORTING

AFDELING 1

Aansluiting belasting_ en premieheffing

Artikel 8.1.1 Definities

In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. belastingtarief eerste schijf: het in de eerste regel van de vierde kolom van de tabel in artikel 2.3.2 opgenomen percentage;

b. gecombineerde inkomensheffing: het gezamenlijke bedrag van de belasting op het belastbare inkomen uit werk en woning, de belasting op het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang, de belasting op het belastbare inkomen uit sparen en beleggen en de volgens artikel 10, eerste lid en tweede lid, van de Wet financiering volksverzekeringen berekende premie voor de volksverzekeringen;

c. gecombineerd heffingspercentage: de som van het belastingtarief eerste schijf, het volgens artikel 10a, tweede lid, van de Wet financiering volksverzekeringen vastgestelde premiepercentage voor de algemene ouderdomsverzekering en de volgens artikel 11 van de Wet financiering volksverzekeringen vastgestelde premiepercentages voor de nabestaandenverzekering en de algemene verzekering bijzondere ziektekosten;

d. gecombineerde heffingskorting: het gezamenlijke bedrag van de heffingskorting voor de inkomstenbelasting, de heffingskorting voor de algemene ouderdomsverzekering, de heffingskorting voor de nabestaandenverzekering en de heffingskorting voor de algemene verzekering bijzondere ziektekosten.

Artikel 8.1.1a Bedrag van de standaardheffingskorting

De standaardheffingskorting is het gezamenlijke bedrag van:

a. de algemene heffingskorting (artikel 8.2.1);

b. de arbeidskorting (artikel 8.2.2);

c. de kinderkorting (artikel 8.2.2a);

d. de aanvullende kinderkorting (artikel 8.2.2b);

e. de combinatiekorting (artikel 8.2.2c);

f. de alleenstaande-ouderkorting (artikel 8.2.3);

g. de aanvullende alleenstaande-ouderkorting (artikel 8.2.4);

h. de ouderenkorting (artikel 8.2.5) en

i. de aanvullende ouderenkorting (artikel 8.2.6).

Artikel 8.1.2 Berekening heffingskorting voor de inkomstenbelasting

De heffingskorting voor de inkomstenbelasting is het deel van de standaardheffingskorting dat tot de standaardheffingskorting in dezelfde verhouding staat als het belastingtarief eerste schijf staat tot het gecombineerde heffingspercentage.

Artikel 8.1.3 Berekening heffingskorting voor de algemene ouderdomsverzekering

De heffingskorting voor de algemene ouderdomsverzekering is het deel van de standaardheffingskorting dat tot de standaardheffingskorting in dezelfde verhouding staat als het volgens artikel 10a, tweede lid, van de Wet financiering volksverzekeringen vastgestelde premiepercentage voor de algemene ouderdomsverzekering staat tot het gecombineerde heffingspercentage.

Artikel 8.1.4 Berekening heffingskorting voor de nabestaandenverzekering

De heffingskorting voor de nabestaandenverzekering is het deel van de standaardheffingskorting dat tot de standaardheffingskorting in dezelfde verhouding staat als het volgens artikel 11 van de Wet financiering volksverzekeringen vastgestelde premiepercentage voor de nabestaandenverzekering staat tot het gecombineerde heffingspercentage.

Artikel 8.1.5 Berekening heffingskorting voor de algemene verzekering bijzondere ziektekosten

De heffingskorting voor de algemene verzekering bijzondere ziektekosten is het deel van de standaardheffingskorting dat tot de standaardheffingskorting in dezelfde verhouding staat als het volgens artikel 11 van de Wet financiering volksverzekeringen vastgestelde premiepercentage voor de algemene verzekering bijzondere ziektekosten staat tot het gecombineerde heffingspercentage.

Artikel 8.1.6 Bijzondere regels voor de berekening van de heffingskortingen


1. Bij de toepassing van artikel 8.1.2, artikel 8.1.4 en artikel 8.1.5 op het deel van de standaardheffingskorting dat op de ouderenkorting of de aanvullende ouderenkorting betrekking heeft, wordt het gecombineerde heffingspercentage verminderd met het volgens artikel
10a, tweede lid, van de Wet financiering volksverzekeringen voor de algemene ouderdomsverzekering vastgestelde premiepercentage. In dat geval wordt het aan de heffingskorting voor de algemene ouderdomsverzekering toerekenbare deel van de ouderenkorting en de aanvullende ouderenkorting in afwijking van artikel 8.1.3 op nihil gesteld.


2. In het jaar waarin de belastingplichtige de leeftijd van 65 jaar bereikt, wordt bij de toepassing van artikel 8.1.3 op het deel van de standaardheffingskorting dat niet op de ouderenkorting en de aanvullende ouderenkorting betrekking heeft,het daar genoemde, volgens artikel 10a, tweede lid, van de Wet financiering volksverzekeringen vastgestelde premiepercentage voor de algemene ouderdomsverzekering verlaagd met dat deel van het laatstgenoemde percentage dat daartoe in dezelfde verhouding staat als het aantal in het kalenderjaar resterende maanden vanaf de eerste dag van de kalendermaand waarin de verzekerde de leeftijd van 65 jaar zal bereiken staat tot twaalf kalendermaanden.

Artikel 8.1.7 Maximum gecombineerde heffingskorting

De gecombineerde heffingskorting bedraagt maximaal het bedrag van de gecombineerde inkomensheffing.

Artikel 8.1.8 Verhoging maximum gecombineerde heffingskorting bij minstverdienende partner


1. Indien de gecombineerde heffingskorting door artikel 8.1.7 zou worden beperkt tot een niveau beneden het gezamenlijke bedrag van de algemene heffingskorting en de voor de belastingplichtige geldende arbeidskorting, kinderkorting, aanvullende kinderkorting en combinatiekorting, wordt indien de belastingplichtige in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden dezelfde partner heeft, de gecombineerde heffingskorting verhoogd tot het gezamenlijke bedrag van de voor hem geldende algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de kinderkorting, de aanvullende kinderkorting en de combinatiekorting.


2. De verhoging van de gecombineerde heffingskorting bedraagt maximaal het bedrag van de door de partner verschuldigde gecombineerde inkomensheffing verminderd met zijn gecombineerde heffingskorting.


3. Dit artikel is niet van toepassing indien de belastingplichtige bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 27 jaar niet heeft bereikt en in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden in belangrijke mate door zijn ouders is onderhouden.

AFDELING 2

Elementen van de standaardheffingskorting

Artikel 8.2.1 Algemene heffingskorting


1. De algemene heffingskorting geldt voor iedere belastingplichtige.


2. De algemene heffingskorting bedraagt € 1 507 (f 3 321).

Artikel 8.2.2 Arbeidskorting


1. De arbeidskorting geldt voor de belastingplichtige die met tegenwoordige arbeid winst uit een onderneming, loon of resultaat uit een werkzaamheid geniet.


2. De arbeidskorting wordt berekend over het gezamenlijke bedrag van hetgeen met tegenwoordige arbeid is genoten als winst uit een of meer ondernemingen, loon en resultaat uit een of meer werkzaamheden (arbeidskortingsgrondslag). De arbeidskorting bedraagt de som van:

a. 1,811% van de arbeidskortingsgrondslag met een maximum van €
125 (f 275), en

b. 10,352% van de arbeidskortingsgrondslag voorzover die meer bedraagt dan € 6 890 (f 15 183).

De arbeidskorting bedraagt ten minste de volgens artikel 22a van de Wet op de loonbelasting 1964 toegekende arbeidskorting, maar maximaal € 803 (f 1 770).


3. Met loon uit tegenwoordige arbeid worden gelijkgesteld:

a. inkomsten genoten wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid;

b. uitkeringen op grond van de Wet financiering loopbaanonderbreking en aanvullingen daarop door degene tot wie de belastingplichtige in dienstbetrekking staat.


4. Inkomsten genoten wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid zijn niet uitkeringen op grond van:

a. de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;

b. de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, tenzij het uitkeringen in verband met bevalling betreft;

c. de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten;

d. buitenlandse arbeidsongeschiktheidsverzekeringen die naar aard en strekking overeenkomen met de regelingen die zijn vermeld in de onderdelen a, b en c.

Artikel 8.2.2a Kinderkorting


1. De kinderkorting geldt voor de belastingplichtige indien:

a. in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden tot zijn huishouden een kind behoort dat in belangrijke mate door hem of zijn partner wordt onderhouden en dat bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 12 jaar niet heeft bereikt en gedurende die tijd op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige of zijn partner staat ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens en

b. het gezamenlijke verzamelinkomen van de belastingplichtige en zijn partner niet hoger is dan € 52 642 (f 116 008).


2. De kinderkorting bedraagt € 36 (f 80).


3. Indien de belastingplichtige een partner heeft geldt de kinderkorting alleen voor de belastingplichtige met het hoogste verzamelinkomen. Indien het verzamelinkomen van de belastingplichtige gelijk is aan dat van zijn partner geldt de kinderkorting alleen voor de oudste belastingplichtige. Op gezamenlijk verzoek van deze belastingplichtige en zijn partner, wordt het bedrag van de kinderkorting toegekend aan de partner van die belastingplichtige. Op het verzoek kan niet worden teruggekomen.

Artikel 8.2.2b Aanvullende kinderkorting


1. De aanvullende kinderkorting geldt voor de belastingplichtige indien:

a. voor hem de kinderkorting geldt, en

b. het gezamenlijke verzamelinkomen van de belastingplichtige en zijn partner niet hoger is dan € 26 321 (f 58 004).


2. De aanvullende kinderkorting bedraagt € 36 (f 80).

Artikel 8.2.2c Combinatiekorting


1. De combinatiekorting geldt voor de belastingplichtige indien:

a. hij werkzaamheden buiten zijn huishouden verricht waardoor hij meer dan € 3 803 (f 8 381) winst uit een of meer ondernemingen, loon of resultaat uit een of meer werkzaamheden heeft genoten of waarvoor hij in aanmerking komt voor de zelfstandigenaftrek, en

b. in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden tot zijn huishouden een kind behoort dat bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 12 jaar niet heeft bereikt en gedurende die tijd op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige staat ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens.


2. De combinatiekorting bedraagt € 100 (f 220).

Artikel 8.2.3 Alleenstaande_ouderkorting


1. De alleenstaande-ouderkorting geldt voor de belastingplichtige die in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden:

a. geen partner heeft;

b. een huishouding voert met een kind dat in belangrijke mate door hem wordt onderhouden en op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige staat ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens, en

c. deze huishouding voert met geen ander dan kinderen die bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 27 jaar niet hebben bereikt.


2. De alleenstaande_ouderkorting bedraagt € 1 206 (f 2 658).

Artikel 8.2.4 Aanvullende alleenstaande_ouderkorting


1. De aanvullende alleenstaande-ouderkorting geldt voor de belastingplichtige indien:

a. voor hem de alleenstaande-ouderkorting geldt;

b. hij werkzaamheden buiten zijn huishouden verricht, en

c. in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden tot zijn huishouden een kind behoort dat bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 12 jaar niet heeft bereikt en gedurende die tijd op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige staat ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens.


2. De aanvullende alleenstaande_ouderkorting bedraagt 4,3% van het bedrag dat wegens het verrichten van werkzaamheden buiten het huishouden aan winst uit een of meer ondernemingen, loon of resultaat uit een of meer werkzaamheden is begrepen in het belastbare inkomen uit werk en woning, maar maximaal €
1206 (f 2658).


3. Met het verrichten van werkzaamheden buiten het huishouden wordt gelijkgesteld het ontvangen van:

a. inkomsten genoten wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid;

b. uitkeringen op grond van de Wet financiering loopbaanonderbreking en aanvullingen daarop door degene tot wie de belastingplichtige in dienstbetrekking staat.


4. Inkomsten genoten wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid zijn niet uitkeringen op grond van:

a. de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;

b. de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, tenzij het uitkeringen in verband met bevalling betreft;

c. de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten;

d. buitenlandse arbeidsongeschiktheidsverzekeringen die naar aard en strekking overeenkomen met de regelingen die zijn vermeld in de onderdelen a, b en c.

Artikel 8.2.5 Ouderenkorting


1. De ouderenkorting geldt voor de belastingplichtige die bij het einde van het kalenderjaar, of, indien de belastingplicht in de loop van het jaar is geëindigd, bij het einde van de belastingplicht, de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt en die een verzamelinkomen heeft van niet meer dan € 26 321 (f 58
004).


2. De ouderenkorting bedraagt € 201 (f 443).

Artikel 8.2.6 Aanvullende ouderenkorting


1. De aanvullende ouderenkorting geldt voor de belastingplichtige indien:

a. voor hem de ouderenkorting geldt, en

b. hij in het kalenderjaar in aanmerking komt voor een uitkering als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a of onderdeel c, van de Algemene Ouderdomswet, of daarvoor in aanmerking zou komen indien hij zou voldoen aan de voorwaarde van artikel 7, onderdeel b, van de Algemene Ouderdomswet.


2. De aanvullende ouderenkorting bedraagt € 240 (f 529).

HOOFDSTUK 9

WIJZE VAN HEFFING

Artikel 9.1 Heffing bij wege van aanslag of conserverende aanslag


1. De belasting, bedoeld in de artikelen 2.3.1 en 2.3.1a, wordt geheven bij wege van aanslag.


2. De belasting, bedoeld in artikel 2.3.1b, wordt geheven bij wege van conserverende aanslag.


3. Indien de belastingplichtige ook premieplichtig is voor de volksverzekeringen geschiedt de heffing van de belasting en de premie voor de volksverzekeringen door middel van één belastingaanslag en voorzover de heffing plaatsvindt bij wege van conserverende aanslag, door middel van één conserverende belastingaanslag. Hierbij zijn de regels die gelden voor de heffing en de invordering van de inkomstenbelasting van overeenkomstige toepassing. In dat geval wordt, indien artikel 67a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen toepassing vindt, die bepaling eenmaal toegepast.

Artikel 9.2 Voorheffingen


1. De voorheffingen zijn:

a. de geheven loonbelasting met uitzondering van de als eindheffing geheven loonbelasting;

b. de geheven dividendbelasting en

c. de op prijzen van kansspelen geheven kansspelbelasting die betrekking heeft op bestanddelen van het verzamelinkomen.


2. In afwijking van het eerste lid wordt dividendbelasting niet als voorheffing in aanmerking genomen indien de belastingplichtige niet de uiteindelijk gerechtigde is tot de opbrengst waarop dividendbelasting is ingehouden. Niet als uiteindelijk gerechtigde wordt beschouwd de belastingplichtige die de aandelen, winstbewijzen of winstdelende obligaties waarvan de opbrengst is genoten, binnen tien dagen voorafgaand aan de dag waarop de opbrengst door het uitkerende lichaam is vastgesteld heeft verkregen dan wel, indien de verkrijging niet binnen die tien dagen heeft plaatsgevonden, de aandelen, winstbewijzen of winstdelende obligaties binnen drie maanden na de verkrijging heeft vervreemd. De vorige volzin is niet van toepassing indien de geheven dividendbelasting ter zake van de opbrengst van aandelen in, en winstbewijzen of winstdelende obligaties per uitkerend lichaam niet meer bedraagt dan € 200 (f 441).


3. Indien artikel 9.1, derde lid, toepassing vindt, wordt ook als voorheffing aangemerkt de bij wijze van inhouding geheven premie voor de volksverzekeringen met uitzondering van de bij wijze van eindheffing geheven premie voor de volksverzekeringen.


4. De ingevolge dit artikel in aanmerking te nemen voorheffingen gelden niet als voorheffing voor de bij wege van conserverende aanslag te heffen belasting.

Artikel 9.3 Voorlopige teruggaaf


1. Bij de vaststelling van een voorlopige teruggaaf voor of in de loop van het kalenderjaar worden alleen de volgende negatieve bestanddelen van het belastbare inkomen uit werk en woning in aanmerking genomen:

a. de fietsaftrek;

b. de reisaftrek;

c. de negatieve belastbare inkomsten uit eigen woning;

d. de uitgaven voor inkomensvoorzieningen;

e. de uitgaven voor kinderopvang;

f. de persoonsgebonden aftrek;

g. de verliezen uit werk en woning uit voorafgaande kalenderjaren.


2. Bij de vaststelling van de voorlopige teruggaaf wordt rekening gehouden met:

a. de verhoging van de gecombineerde heffingskorting volgens artikel 8.1.8;

b. de kinderkorting;

c. de aanvullende kinderkorting;

d. de combinatiekorting;

e. de alleenstaande_ouderkorting;

f. de aanvullende alleenstaande_ouderkorting.


3. Volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels kan bij de vaststelling van de voorlopige teruggaaf rekening worden gehouden met de algemene heffingskorting, de ouderenkorting en de aanvullende ouderenkorting.


4. Met een verlies als bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, wordt pas rekening gehouden nadat de aangifte is gedaan over het kalenderjaar waarop het verlies betrekking heeft.


5. Een voorlopige teruggaaf wordt, behalve voorzover die betrekking heeft op de verhoging van de gecombineerde heffingskorting volgens artikel 8.1.8, alleen vastgesteld voorzover aannemelijk is dat meer loonbelasting zal worden geheven dan het bedrag dat aan inkomstenbelasting verschuldigd zou zijn indien een aanslag inkomstenbelasting zou worden opgelegd.


6. Bij het bepalen van een voorlopige teruggaaf wordt geen rekening gehouden met inkomensbestanddelen waarvan de daaraan toe te rekenen belasting wordt begrepen in een conserverende aanslag.


7. Indien artikel 9.1, derde lid, toepassing vindt, wordt in dit artikel onder loonbelasting verstaan het gezamenlijke bedrag van de loonbelasting en de premie voor de volksverzekeringen en onder inkomstenbelasting het gezamenlijke bedrag van de inkomstenbelasting en de premie voor de volksverzekeringen.

Artikel 9.4 Wel of geen aanslag


1. Een aanslag wordt vastgesteld indien:

a. de verschuldigde belasting het saldo van de gezamenlijke voorheffingen en de voorlopige teruggaven die uitsluitend met het oog op de heffingskorting zijn vastgesteld (voorheffingssaldo), met meer dan € 191 (f 421) te boven gaat;

b. voor of in de loop van het kalenderjaar een voorlopige teruggaaf is vastgesteld of

c. de belastingplichtige binnen een bij ministeriële regeling te stellen termijn aangifte heeft gedaan.


2. In andere gevallen wordt geen aanslag vastgesteld en worden voorheffingen niet verrekend.


3. Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing indien de belastingplichtige in het kalenderjaar de leeftijd van 65 jaar bereikt en een verzamelinkomen heeft dat uitsluitend bestaat uit een uitkering volgens de Algemene Ouderdomswet.


4. Het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing indien een voorlopige teruggaaf uitsluitend met het oog op de heffingskorting is vastgesteld, tenzij de verhoging van de gecombineerde heffingskorting volgens artikel 8.1.8 ten onrechte of tot een te hoog bedrag is genoten. In het laatste geval behoeft de belastingplichtige geen aangifte te doen indien de onjuiste verhoging blijkt bij de aangifte van de partner. Voor dat geval wordt het verzoek om voorlopige teruggaaf als aangifte beschouwd.


5. Indien de belastingplichtige binnen een bij ministeriële regeling te stellen termijn aangifte heeft gedaan en het voorheffingssaldo de verschuldigde belasting niet, of met niet meer dan € 12 (f 26) te boven gaat, wordt de aanslag vastgesteld op nihil. Daarbij worden de voorheffingen en de voorlopige teruggaven die uitsluitend met het oog op een of meer heffingskortingen zijn vastgesteld, niet verrekend.


6. Indien uitsluitend met het oog op heffingskortingen een of meer voorlopige teruggaven zijn vastgesteld, wordt, indien volgens de vorige leden geen aanslag wordt vastgesteld, na verloop van de in artikel 11, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bedoelde termijn, een aanslag geacht te zijn vastgesteld tot het bedrag van de voorlopige teruggaaf of teruggaven.


7. Indien artikel 9.1, tweede lid, toepassing vindt, is dit artikel van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het gezamenlijke bedrag van de belasting en de premie voor de volksverzekeringen.

HOOFDSTUK 10

AANVULLENDE REGELINGEN

AFDELING 1

Indexering

Artikel 10.1.1 Inflatiecorrectie

Bij het begin van het kalenderjaar worden de in de artikelen 2.3.2, 3.2.2.6, vijfde lid, 3.2.2.30, 3.2.2.31, 3.2.2.36, 3.2.2.37, 3.2.3.2, 3.2.4.3, 3.2.4.4,
3.3.9, 3.6.9, 3.7.3, 3.7.5, 3.7.7, 3.9.2, 3.9.4, 5.1.3b, 5.1.4, 5.2.4, 5.2A.1,
5.2A.6, 6.5.3, derde lid, 6.5.5, 6.5.6, 6.5.7, 6.5.9, 6.9.5, 8.2.1, 8.2.2, tweede lid, tweede volzin, onderdeel a, en derde volzin, 8.2.2a, 8.2.2b,
8.2.2c, 8.2.3, 8.2.4, 8.2.5, 8.2.6, 9.2 en 9.4 vermelde bedragen bij ministeriële regeling vervangen door andere. Deze bedragen worden berekend door de te vervangen bedragen te vermenigvuldigen met de tabelcorrectiefactor en vervolgens de nodig geachte afronding aan te brengen. Indien in het voorafgaande jaar een dergelijke afronding is toegepast, wordt bij vervanging uitgegaan van het niet_afgeronde bedrag.

Artikel 10.1.2 De tabelcorrectiefactor


1. De tabelcorrectiefactor is de verhouding van het gemiddelde van de prijsindexcijfers van de achttiende tot en met de zevende aan het kalenderjaar voorafgaande maand, tot het gemiddelde van de prijsindexcijfers van de dertigste tot en met de negentiende aan het kalenderjaar voorafgaande maand.


2. De prijsindexcijfers zijn de cijfers uit de «Consumentenprijsindex Alle Huishoudens, afgeleid» van het Centraal Bureau voor de Statistiek. De gemiddelde prijsindexcijfers worden berekend uit de prijsindexcijfers vermeld in het nummer van het Statistisch Bulletin, waarin het indexcijfer van de zevende respectievelijk negentiende aan het kalenderjaar voorafgaande maand voor het eerst, al dan niet voorlopig, wordt gepubliceerd.


3. Indien de basis voor de prijsindexcijfers wijzigt, wordt bij ministeriële regeling aangegeven op welke wijze wordt overgegaan op de nieuwe reeks prijsindexcijfers.

Artikel 10.1.3 Bijstelling eigenwoningforfait


1. Bij het begin van het kalenderjaar worden de in de artikelen 3.2.2.9, tweede lid, en 3.6.3, eerste lid, vermelde percentages en het in die leden laatstvermelde bedrag bij ministeriële regeling vervangen door andere percentages en een ander bedrag.


2. Het in de artikelen 3.2.2.9, tweede lid, en 3.6.3, eerste lid, laatstvermelde percentage en het in die leden laatstvermelde bedrag worden berekend door het te vervangen percentage respectievelijk het te vervangen bedrag te vermenigvuldigen met de factor ih.


3. Onder de factor ih wordt verstaan: de verhouding van het indexcijfer van de woninghuren over juli van het voorafgaande kalenderjaar tot dat indexcijfer over juli van het tweede voorafgaande kalenderjaar.


4. Bij het begin van het eerste kalenderjaar van een op grond van de Wet waardering onroerende zaken geldend tijdvak worden de volgens het tweede lid berekende percentages bijgesteld met de verhouding van het gemiddelde van de eigenwoningwaarden die betrekking hebben op het voorafgaande tijdvak en het gemiddelde van die waarden die betrekking hebben op het eerstbedoelde tijdvak.


5. De in de artikel 3.6.3, eerste lid, eerstvermelde percentages worden achtereenvolgens berekend door het volgens het tweede en vierde lid berekende laatstvermelde percentage in artikel 3.6.3, eerste lid, te vermenigvuldigen met
0,4, 0,6 en 0,8.


6. De in artikel 3.2.2.9, tweede lid, eerstvermelde vier percentages worden achtereenvolgens berekend door respectievelijk nihil en de volgens het vijfde lid berekende drie percentages te vermeerderen met het volgens artikel 10.1.4, tweede lid, berekende percentage.

Artikel 10.1.4 Bijstelling uitgaven voor een monumentenpand


1. Bij het begin van het kalenderjaar worden het percentage en het laatstgenoemde bedrag in artikel 6.8.1, eerste lid, onderdeel a, bij ministeriële regeling vervangen door een ander percentage en een ander bedrag.


2. Het percentage vermeld in artikel 6.8.1, eerste lid, onderdeel a, wordt berekend door het te vervangen percentage te vermenigvuldigen met de factor ih, bedoeld in artikel 10.1.3, derde lid. Bij het begin van het eerste kalenderjaar van een op grond van de Wet waardering onroerende zaken geldend tijdvak wordt het volgens de eerste volzin berekende percentage bijgesteld met de verhouding van het gemiddelde van de eigenwoningwaarden die betrekking hebben op het voorafgaande tijdvak en het gemiddelde van die waarden die betrekking hebben op het eerstbedoelde tijdvak.


3. Het laatstgenoemde bedrag in artikel 6.8.1, eerste lid, onderdeel a, wordt berekend door het te vervangen bedrag te vermenigvuldigen met de factor ih, bedoeld in artikel 10.1.3, derde lid.

Artikel 10.1.5 Afronding en definitie indexcijfer van de woninghuren


1. Bij de berekeningen volgens de artikelen 10.1.3 en 10.1.4 worden de percentages en bedragen naar beneden afgerond tot op een vijfhonderdste respectievelijk een veelvoud van € 50 nauwkeurig.


2. Onder indexcijfer van de woninghuren in artikel 10.1.3 wordt verstaan het gemiddelde van de consumentenprijsindexcijfers voor alle huishoudens voor de woninghuur, vermeld in het nummer van de Maandstatistiek van de prijzen, uitgegeven door het Centraal Bureau voor de Statistiek, waarin het indexcijfer voor de maand juli voor het eerst, al dan niet voorlopig, wordt gepubliceerd.


3. Indien de basis voor de in het tweede lid genoemde prijsindexcijfers wordt verlegd, worden bij ministeriële regeling regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop wordt overgegaan van de oude op de nieuwe reeks prijsindexcijfers.

Artikel 10.1.6 Indexering vrijstelling kamerverhuur


1. Bij het begin van het kalenderjaar wordt het in de artikelen 3.4.2.4 en
3.6.5 vermelde bedrag bij ministeriële regeling vervangen door een ander. Dit bedrag wordt berekend door het te vervangen bedrag te vermenigvuldigen met de verhouding van het indexcijfer van de woninghuren over juli van het voorafgaande kalenderjaar tot dat indexcijfer over juli van het tweede voorafgaande kalenderjaar, en vervolgens de nodig geachte afronding aan te brengen.


2. Artikel 10.1.1, laatste volzin, en artikel 10.1.5, tweede en derde lid, zijn ook hier van toepassing.

Artikel 10.1.7 Indexering inkomensgrens en percentages arbeidskorting


1. Bij het begin van het kalenderjaar worden de in artikel 8.2.2, tweede lid, eerste volzin, onderdelen a en b, vermelde percentages en het aldaar in onderdeel b vermelde bedrag bij ministeriële regeling vervangen door andere percentages en een ander bedrag.


2. Het percentage in onderdeel a wordt berekend door het in dat onderdeel genoemde bedrag na toepassing van artikel 10.1.1 te delen door het volgens het vierde lid berekende bedrag.


3. Het percentage in onderdeel b wordt berekend door het verschil van het in artikel 8.2.2, tweede lid, tweede volzin, genoemde bedrag en het in artikel
8.2.2, eerste volzin, onderdeel a, genoemde bedrag, na toepassing van artikel
10.1.1 te delen door het verschil van

a. het twaalfvoud van het in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag, verminderd met het werknemersaandeel in de premie volgens de Werkloosheidswet en vermeerderd met het werkgeversaandeel in de premie volgens de Ziekenfondswet en met de overhevelingstoeslag, en

b. het volgens het vierde lid berekende bedrag.


4. Het bedrag in onderdeel b wordt gesteld op 50% van het twaalfvoud van het in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag, verminderd met het werknemersaandeel in de premie volgens de Werkloosheidswet en vermeerderd met het werkgeversaandeel in de premie volgens de Ziekenfondswet en met de overhevelingstoeslag.


5. Indien volgens een van de sociale-verzekeringswetten een premie wordt ingehouden waarvan het percentage per bedrijfstak verschilt, wordt voor de toepassing van het derde en vierde lid het percentage in aanmerking genomen dat wordt vastgesteld krachtens artikel 9, vierde lid, van de Algemene Ouderdomswet.


6. De volgens het tweede en derde lid berekende percentages worden rekenkundig afgerond op drie decimalen.

AFDELING 2

Overige aanvullende regelingen

Artikel 10.2.0 Verstrekken van gegevens en inlichtingen


1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden administratieplichtigen aangewezen die gehouden zijn aan de verplichtingen ingevolge artikel 53, tweede en derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen te voldoen met betrekking tot het verstrekken van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gegevens en inlichtingen waarvan de kennisneming van belang kan zijn voor de belastingheffing over inkomen uit werk en woning, het voordeel uit sparen en beleggen en voor de bepaling van de hoogte van de persoonsgebonden aftrekposten.


2. Het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid wordt ten minste vier weken voordat de regeling wordt vastgesteld, toegezonden aan de Staten-Generaal.

Artikel 10.2.1 Tijdelijke aanvullende delegatie

Vervallen

Artikel 10.2.2 Rechtspersonen met natuurschoonwet_landgoederen


1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld volgens welke voor de heffing van de inkomstenbelasting de werkzaamheden, rechten en verplichtingen van een rechtspersoon als bedoeld in het tweede lid, worden beschouwd als werkzaamheden, rechten en verplichtingen van haar gezamenlijke aandeelhouders.


2. Een rechtspersoon als bedoeld in het eerste lid, is een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid waarvan de bezittingen uitsluitend of hoofdzakelijk bestaan uit ingevolge de Natuurschoonwet 1928 (Stb. 1989, 252) aangewezen landgoederen en waarvan de werkzaamheden uitsluitend of hoofdzakelijk bestaan uit de instandhouding van die landgoederen.

Artikel 10.2.3 Activa in de Nederlandse Antillen of Aruba


1. De artikelen 3.2.2.24, 3.2.2.25, 3.2.2.27 en 3.2.2.41, eerste lid, onderdeel a, onder 4, tweede, derde en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op nieuwe gebouwen die worden toegerekend aan het vermogen van een vaste inrichting die gelegen is in de Nederlandse Antillen of Aruba.


2. De artikelen 3.2.2.29 tot en met 3.2.2.36 en artikel 3.2.2.40, eerste lid, zijn in afwijking van artikel 3.2.2.34, eerste lid, onderdeel b, onder 2 en derde lid, onderdeel b, van overeenkomstige toepassing op investeringen in bedrijfsmiddelen die worden toegerekend aan het vermogen van een vaste inrichting die gelegen is in de Nederlandse Antillen of Aruba, met dien verstande dat de tabellen die zijn opgenomen in de artikelen 3.2.2.30, tweede lid, respectievelijk 3.2.2.31, derde lid, afzonderlijk worden toegepast op deze investeringen.


3. Als projecten als bedoeld in artikel 5.2A.2, eerste lid, worden in afwijking in zoverre van artikel 5.2A.2, tweede lid, onderdeel b, mede aangemerkt projecten of categorieën van projecten, die zijn gelegen op de Nederlandse Antillen of Aruba ter zake waarvan door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, in overeenstemming met Onze Minister en na overleg met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, schriftelijk is verklaard onder door hem te stellen voorwaarden met betrekking tot de controle ter zake van de omstandigheid, dat die projecten of categorieën van projecten in het belang dienen te zijn van de bescherming van het milieu, waaronder natuur en bos. Een schriftelijke verklaring wordt niet afgegeven op aanvragen voor een project dat voor 1 januari 1998 voldeed aan een van de projectomschrijvingen van de krachtens artikel 5.2A.2, vierde lid, gestelde bepalingen of waarvoor voor die datum een begin met de uitvoering van de bijbehorende fysieke werkzaamheden is gemaakt. Een verklaring kan worden ingetrokken indien niet wordt voldaan aan de voorwaarden die zijn gesteld ter zake van de controle.


4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorwaarden worden gesteld met betrekking tot het eerste tot en met derde lid. Daarbij zal de controle op de naleving van de gestelde voorwaarden worden opgedragen aan Nederlandse ambtenaren.


5. Voor de berekening van de voorkoming van dubbele belasting bedoeld in artikel 24 van de Belastingregeling voor het Koninkrijk wordt de winst die is toe te rekenen aan de vaste inrichting die gelegen is in de Nederlandse Antillen of Aruba berekend zonder inachtneming van het eerste en het tweede lid.

HOOFDSTUK 11

SLOTBEPALINGEN

Artikel 11.1 Intrekking van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en de Wet op de vermogensbelasting 1964


1. De Wet op de inkomstenbelasting 1964 wordt ingetrokken.


2. De Wet op de vermogensbelasting 1964 wordt ingetrokken.

Artikel 11.2 Integrale tekstpublicatie en nummering

De tekst van deze wet zoals die luidt bij de inwerkingtreding van deze wet en bij de inwerkingtreding van overige wetten die op hetzelfde tijdstip in werking treden en waarin deze wet wordt gewijzigd, wordt in het Staatsblad geplaatst. Voor de plaatsing in het Staatsblad stelt Onze Minister de nummering van de artikelen, paragrafen, afdelingen en hoofdstukken van deze wet opnieuw vast en brengt hij de in deze wet voorkomende aanhalingen van de artikelen, paragrafen, afdelingen en hoofdstukken met de nieuwe nummering in overeenstemming.

Artikel 11.3 Inwerkingtreding

Deze wet treedt in werking op een bij wet te bepalen tijdstip.

Artikel 11.4 Citeertitel


1. Deze wet wordt aangehaald als: Wet inkomstenbelasting 2001.


2. De citeertitel kan worden afgekort tot: Wet IB 2001.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Staatssecretaris van Financiën,

De Minister van Financiën,

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie