Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Verstand: Contouren Wet basisvoorziening kinderopvang

Datum nieuwsfeit: 03-02-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten

MINISTERIE SZW

www.minszw.nl

Toespraak staatssecretaris Verstand over kinderopvang

Dit is een origineel persbericht.
Niet het ANP, maar de afzender van dit bericht is verantwoordelijk voor de inhoud.

Nr. 2000/18
2 februari 2000

Embargo:
3 februari 2000 tot
16.30 uur

Staatssecretaris Verstand: eerste contouren van de Wet basisvoorziening kinderopvang tekenen zich af.

Uitgangspunt zal ook in de toekomst blijven dat kinderopvang een gezamenlijke financiële verantwoordelijkheid moet zijn van werkgevers, ouders en overheid. Dit zei staatssecretaris mr. A.E. Verstand-Bogaert tijdens een bijeenkomst van de Stichting Uitvoering Kinderopvangregelingen op 3 februari 2000 in Drunen. Een belangrijk discussiepunt zal de kwestie van de werkgeversbijdrage zijn. Sommigen pleiten voor handhaving van de vrijwillige werkgeversbijdrage, anderen voor een wettelijke verplichting voor alle werkgevers. 'Voor beide benaderingen is wat te zeggen, maar op dit moment denk ik toch dat optimale voorwaarden voor marktwerking het beste bijdragen aan de noodzakelijke toename van het aanbod', aldus de staatssecretaris. Bij vraaggestuurde financiering en marktwerking moet de kinderopvang wel in het hele land gegarandeerd zijn.

Toespraak door staatssecretaris mr. A.E. Verstand-Bogaert van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bij het tienjarig bestaan van de Stichting Uitvoering Kinderopvangregelingen op 3 februari 2000 in Drunen.

Waar kun je beter het tienjarig bestaan van de Stichting Uitvoering Kinderopvangregelingen vieren dan hier in het Land van Ooit? Want wie had ooit kunnen denken dat we honderdduizend kinderopvangplaatsen nog maar een eerste stap zouden vinden? Wie had ooit gedacht dat het draagvlak voor kinderopvang zo groot zou zijn in de samenleving?
Wie had ooit gedacht dat er voldoende geld zou komen om al die plaatsen ook te betalen?
Het is vandaag een mooi moment en dit is een goede plaats om te kijken naar waar we ooit zijn begonnen. Maar niet alleen omkijken. Vooral ook vooruit kijken. Vooruitkijken naar de 160.000 plaatsen in 2002.

Want ik ga ervan uit dat we die 160.000 plaatsen in 2002 zullen halen. Maar daarmee zijn we er niet. Op langere termijn zullen er veel meer dan 160.000 plaatsen moeten komen. Dat is nodig omdat we als kabinet vinden dat vrouwen economisch onafhankelijk moeten kunnen zijn. En die economische onafhankelijkheid is voor de meeste vrouwen alleen haalbaar als er kinderopvang beschikbaar is.

We hebben de afgelopen tien jaar al veel gerealiseerd, zoals u weet. Een kleine twee maanden geleden . op 10 december om precies te zijn . was het op de kop af tien jaar geleden dat in de Tweede Kamer het eerste overleg plaatsvond over kinderopvang. Vandaag de dag . u hebt dat de afgelopen weken weer uitgebreid in de media kunnen lezen . staat kinderopvang volop in de belangstelling. Zo hebben Randstad en ING aangekondigd de komende tijd vele duizenden bedrijfsopvangplaatsen te zullen realiseren. En ook de gemeenten maken steeds meer werk van kinderopvang. Anders dan tien jaar geleden is nu in de hele samenleving het besef doorgedrongen dat de traditionele rolverdeling waarbij de moeder voor de kinderen zorgt en de vader voor het gezinsinkomen, dat die rolverdeling gaandeweg tot de uitzonderingen gaat behoren.

Er is de afgelopen tien jaar veel gepresteerd. Maar dat is geen reden om nu rustig achterover te leunen. Want we hebben nog een lange weg af te leggen. Op de korte termijn hebben en houden we het druk met het stimuleren van nog veel meer kinderopvangmogelijkheden, gesubsidieerde en ongesubsidieerde. Op iets langere termijn zal dat allemaal uitmonden in een Wet basisvoorziening kinderopvang, waarin we de kwaliteit en de financiering van de kinderopvang goed zullen regelen.

Ik ga even wat dieper met u in op die korte en langere termijn.

Toen dit kabinet van start ging, hadden we in Nederland een capaciteit van 89.000 kinderopvangplaatsen gerealiseerd. In de komende drie jaar, ik stipte dat al even aan, zullen we gegroeid zijn naar 160.000 plaatsen. Dat is een toename met maar liefst 80%. En dat is nog een hele opgave.

Voor de uitbreiding van het aanbod zijn globaal gesproken drie dingen nodig: geld, ruimte en personeel. Daarvan is geld eigenlijk nog het minste probleem. Zoals u weet heeft het kabinet structureel 400 miljoen extra voor kinderopvang uitgetrokken. Vanaf dit jaar is daar nog eens zeventig miljoen bijgekomen voor een verlaging van de ouderbijdrage en voor flexibilisering van de opvang.

Maar als we niet genoeg gebouwen en onvoldoende personeel hebben, helpt geld ons nog niet veel verder. Daarom heeft het kabinet geld beschikbaar gesteld voor een arbeidsmarktconvenant, dat is afgesloten tussen overheid, sociale partners in de kinderopvang en arbeidsvoorziening.

Maar uiteindelijk zijn het toch de bedrijven en instellingen die zullen moeten zorgen voor het scheppen van opvangplaatsen. Als overheid kunnen we aanmoedigen en ondersteunen, maar het bedrijfsleven zal overtuigd moeten raken van het welbegrepen eigenbelang van voldoende kinderopvang. De sociale partners zullen dat voor hun rekening moeten nemen. Ik vind het bemoedigend dat we in zowel het voorjaars- als het najaarsoverleg met de sociale partners constructief hebben kunnen spreken over een aanbeveling van de Stichting van de Arbeid aan haar achterban.

En die ligt er nu gelukkig. Dus ook op dat punt hebben we het nodige in gang gezet om op de korte termijn tot vergroting van het aanbod van opvangplaatsen te komen. Ik hoop dat de CAO-onderhandelaars voortvarend met de aanbevelingen van de Stichting aan de slag gaan.

Natuurlijk houden we als overheid goed in de gaten hoe het ervoor staat. We kijken in hoeveel CAO.s er concrete afspraken zijn gemaakt over kinderopvang. Uit recente cijfers blijkt dat in 55% van de CAO.s concrete bepalingen over kinderopvang zijn opgenomen. De helft daarvan heeft betrekking op de opvang van kinderen tussen nul en vier jaar, de andere helft voorziet ook in opvang van kinderen tot twaalf jaar.

Dat zijn op zich bemoedigende cijfers. Toch vind ik het eigenlijk te gek voor woorden dat er nog steeds CAO.s worden afgesloten waarin kinderopvangplaatsen alleen voor vrouwelijke werknemers of alleenstaande mannen bestemd zijn. We komen dat tegen in één op de zeven CAO.s. Die afspraken zijn toch echt niet meer van deze tijd. Alsof zorgtaken nog steeds het exclusieve domein zijn van vrouwen. Dat is wat mij betreft echt een achterhaalde zaak. Zorgtaken zijn in deze tijd vanzelfsprekend een verantwoordelijkheid van beide ouders. Daarom ben ik het ook van harte eens met de Stichting van de Arbeid die vindt dat werkgevers van beide ouders de werkgeversbijdrage moeten delen.

Dit voor wat betreft de korte termijn. Want ik zei het al: met een uitbreiding tot 160.000 plaatsen in de kinderopvang zijn we er nog lang niet. En als de arbeidsparticipatie van vrouwen - ook van vrouwen met kinderen - blijft toenemen dan zal de vraag naar kinderopvang alleen maar toenemen. Daar hoeft niemand aan te twijfelen gezien de CBS


van de vrouwen betaald werk. In 1996 stopte nog 30% van de vrouwen na de geboorte van het eerste kind volledig met werken. Inmiddels is dit nog maar eenvijfde.

Het kabinet zal nog in deze kabinetsperiode komen met een Wet basisvoorziening kinderopvang. Op het ogenblik tekenen zich de eerste contouren voor die wet af. Veel kan ik er hier dus nog niet over zeggen. Ik kan wel een aantal uitgangspunten die we voor die wet hanteren voor u toelichten.

Uitgangspunt zal ook in de toekomst blijven dat kinderopvang een gezamenlijke financiële verantwoordelijkheid moet zijn van werkgevers, ouders en overheid.

We staan nog maar aan het begin van een bestudering van de mogelijkheden. Een belangrijk discussiepunt zal in elk geval de kwestie van de werkgeversbijdrage zijn.

Er wordt verschillend gedacht over de vormgeving van de werkgeversbijdrage. Sommigen pleiten voor handhaving van de huidige vrijwilligheid voor zo.n werkgeversbijdrage. Kinderopvang wordt dan gezien als een secundaire arbeidsvoorwaarde. En ik kan me goed voorstellen dat bedrijven zich in een krappe arbeidsmarkt via kinderopvang graag willen profileren als een aantrekkelijke werkgever.

Maar er zijn ook voorstanders van een wettelijke verplichting voor alle werkgevers, bijvoorbeeld in de vorm van een kinderopvangheffing die in een landelijk fonds wordt gestort. Om daarmee te voorkomen dat individuele werkgevers zich onttrekken aan de medefinanciering van kinderopvang.

Voor beide benaderingen - de vrijwillige werkgeversbijdrage of de wettelijke verplichting voor alle werkgevers - is wat te zeggen. Maar voor dit moment denk ik toch dat optimale voorwaarden voor marktwerking het beste bijdragen aan de noodzakelijke toename van het aanbod van kinderopvang. Niet alleen nu maar ook op de langere termijn.

Die voorwaarden zijn gelegen in de vraaggestuurde financiering. Met andere woorden: een rechtstreekse relatie tussen vraag en aanbod, ondersteund door een deugdelijke basisbijdrage van de overheid. Daarbij past tegelijkertijd een kritische opmerking: bij vraaggestuurde financiering en marktwerking moet de kinderopvang wel in het hele land gegarandeerd zijn en niet alleen in kansrijke gebieden en sectoren. Sociale partners hebben daarbij een belangrijke rol als het gaat om het meedoen van zoveel mogelijk werknemers.

Ik heb vertrouwen in de markt, maar zal kritisch volgen of het goed gaat, snel gaat en of er een landelijk dekkend aanbod ontstaat dat voor iedereen bereikbaar is.

Dit gezegd hebbende, voeg ik er aan toe dat er wat mij betreft geen sprake is van vrijblijvendheid. Daarvoor is kinderopvang een veel te belangrijke voorwaarde voor vrouwen èn mannen om aan het arbeidsproces te kunnen deelnemen.

Kinderopvang staat niet op zichzelf. Het gaat om een mix van maatregelen om het mannen en vrouwen mogelijk te maken om betaald werk en privé-verantwoordelijkheden te combineren. Mijn beleid is dan ook gebaseerd op vier peilers: kinderopvang, dagindeling, deeltijdarbeid en verlofregelingen.
En als ik het heb over een mix dan slaat dat ook op de verantwoordelijkheden van alle betrokkenen: de overheid, de sociale partners en de individuele werknemer.

Dat alles moet ertoe bijdragen dat mensen arbeid en zorg op een betere manier kunnen combineren. Een evenwichtige en verantwoorde combinatie van arbeid, zelf zorgen en uitbesteden van zorg. Deze verantwoorde combinatie is nodig niet alleen uit een oogpunt van geld verdienen en dus economische zelfstandigheid. Maar zeker ook uit een oogpunt van persoonlijke ontwikkeling en ontplooiing van mensen. Ouders die kunnen vertrouwen op goede kinderopvang en verlofregelingen kunnen daardoor hun talenten in arbeid en in zorg ten volle ontplooien.

Ik kom terug bij waar ik ben begonnen: het tienjarig bestaan van uw organisatie. In die tien jaar hebt u veel voor elkaar gekregen en bent u, waar het de kinderopvang aangaat, een partner van belang geworden. Via uw organisatie hebben de sociale partners een grote bijdrage geleverd aan de snelle uitbouw van de kinderopvang. En aan de vanzelfsprekendheid van het beschikbaar zijn van kinderopvang. Ik wens u nog vele jaren toe met dezelfde toewijding aan de doelstellingen die wij delen. Van harte!


- LET OP EMBARGO -

03 feb 00 16:30

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie