Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Verslag algemeen overleg opwerking radioactief materiaal

Datum nieuwsfeit: 07-02-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal


25422000.009 vao inzake opwerking van radioactief materiaal
Gemaakt: 8-2-2000 tijd: 14:17


25422 Opwerking van radioactief materiaal

nr. 9 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 7 februari 2000

De vaste commissie voor Economische Zaken<1> en de vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer<2> hebben op 19 januari 2000 overleg gevoerd met minister Jorritsma-Lebbink van Economische Zaken en minister Pronk van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer over:


- het nader onderzoek naar de verwerking van gebruikte splijtstof uit Nederlandse kerncentrales (25422, nr. 8);


- de brief over de radioactieve transporten d.d. 9 november 1999 (26800 XI, nr. 12);


- de brief van de minister van Buitenlandse Zaken van 2 november 1999 inzake het verslag van de toetsingsvergadering verdrag nucleaire veiligheid (VROM-99-1147).

Van dit overleg brengen de commissies bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissies

De heer Feenstra (PvdA) constateerde dat de regering in lijn met de conclusie van het ECN-rapport geen principiële voorkeur heeft voor opwerking of directe opslag van gebruikte splijtstof en op dat punt geen initiërend, maar een volgend standpunt inneemt. Aan het rapport van de NRG kunnen echter diverse argumenten worden ontleend ten gunste van directe opslag:


1. Ervan uitgaande dat de productie van kernenergie en dus het hergebruik van gebruikte splijtstof zal worden beëindigd, is de milieuwinst bij opwerking niet relevant, hebben de uitgaven voor opwerking geen zin en is plutonium onnodig in een zuivere en voor proliferatie gevoelige vorm gebracht;


2. De collectieve stralingsbelasting bij opwerking is veel groter dan bij directe opslag;


3. Gelet op de vergunning van Borssele, komt Nederland niet in aanmerking voor hergebruik via MOX; ook verkoop van MOX is geen optie, omdat MOX een negatieve economische waarde heeft en andere landen voldoende eigen uranium en plutonium hebben;


4. Bij benutting van MOX veranderen de reactiviteitscoëfficiënten, wat ten koste gaat van de veiligheid;


5. Het is onrealistisch om uit te gaan van het zelfreinigend vermogen van kerncentrales, omdat in de lange periode die nodig is om de oorspronkelijke hoeveelheid plutonium weg te werken, weer nieuw afval wordt geproduceerd;


6. Met betrekking tot de voor directe opslag van gebruikte splijtstof noodzakelijke aanpassingskosten van het in aanbouw zijnde hoog radioactief afvalbehandelings- en opslaggebouw (HABOG) bij de Centrale organisatie voor radioactief afval (COVRA) kan wellicht in internationaal verband een oplossing worden gevonden.

Op basis van deze argumenten vroeg de heer Feenstra of de oorspronkelijke gelijkwaardige benadering van opwerking en opslag door het NRG-rapport is gewijzigd. Naar zijn mening zijn er drie opties: wijziging van de opslag bij de COVRA, opslag in het buitenland of het in internationaal verband zoeken van kosteneffectieve oplossingen. Gelet op de voordelen van de laatstgenoemde optie, betreurde hij dat geen contact is opgenomen met de regeringen van de buurlanden, hoewel daar in een door de Kamer aangenomen motie toe is opgeroepen.

Naar aanleiding van de op formeel-juridische punten gebaseerde schorsing door de Raad van State van twee vergunningen voor transport van radioactief afval vroeg de heer Feenstra of de Kernenergiewet als gevolg van de veranderde taakverdeling tussen de ministers moet worden gewijzigd, of snel kan worden voldaan aan het justificationbeginsel en het ALARA-beginsel (as low as reasonably achievable) en waarom de transportroute in tegenstelling tot voorheen bekend moet worden gemaakt.

Gelet op het belang van de medische toepassingen vanuit Petten, de voorgenomen ontmanteling van de kerncentrale van Dodewaard en het standpunt van de Gezondheidsraad dat transport van radioactief afval veilig kan plaatsvinden, riep de heer Feenstra ertoe op om dat transport vanuit Petten en Dodewaard zo snel mogelijk weer veilig en verantwoord op gang te brengen. In afwachting van het finale besluit over opwerking of opslag zou dat transport gericht moeten zijn op voorlopige en misschien definitieve opslag bij de COVRA en niet op opwerking in Sellafield.

Met betrekking tot het bij de olie- en gaswinning in het Nederlandse continentaal plat vrijkomende radioactieve afval vroeg de heer Feenstra of ook dat afval voor veilige opslag naar de COVRA wordt getransporteerd.

Tot slot pleitte de heer Feenstra ervoor om de COVRA te benutten voor het op peil houden van de kennis en het personeelsbestand voor de veiligheid van ontmanteling, transport en opslag en om de COVRA dus verantwoordelijk te maken voor de ontmanteling van de kerncentrales in Dodewaard en Borssele.

De heer Van den Akker (CDA) pleitte voor het langer openhouden van de kerncentrale in Borssele op grond van de volgende argumenten:


1. Op de klimaatconferentie in Kyoto zijn internationale verplichtingen aangegaan voor reductie van de CO2-uitstoot;


2. De afname van de elektriciteitsproductie moet worden opgevangen door import uit Frankrijk of Duitsland, waar een groot deel van de elektriciteit met kernenergie respectievelijk met bruinkoolgestookte centrales wordt opgewekt;


3. Borssele behoort tot de veiligste kerncentrales ter wereld;


4. De Kamer vindt dat de kennis van kernenergie in Nederland behouden moet blijven;


5. De ontmanteling gaat ten koste van circa 600 hooggekwalificeerde arbeidsplaatsen in Zeeland;


6. De hoeveelheid splijtbaar plutonium zal bij hergebruik in Borssele afnemen.

Op basis van deze argumenten meende de heer Van den Akker dat het voor vroegtijdige ontmanteling van de kerncentrale Borssele benodigde kapitaal bijvoorbeeld beter kan worden gebruikt om te helpen bij het moderniseren van kerncentrales in Oost-Europa.

Met betrekking tot het transport van radioactief afval vroeg de heer Van den Akker of de minister van VROM in het algemeen overleg van 1 juni 1999 niet te optimistisch is geweest over de mogelijkheden op korte termijn van transport naar de VS. Door de vertraging ontstaat ruimtegebrek in de kernreactor in Petten, wat zou kunnen leiden tot stillegging van de reactor en dus van de productie van isotopen, die gebruikt worden voor de behandeling van miljoenen kankerpatiënten; vervangende productie in andere reactoren is op korte termijn onmogelijk. Hoe wil de minister een einde maken aan de voortdurende onzekerheid over de transporten en de vergunningverlening?

Naar aanleiding van de schorsing van de transportvergunning door de Raad van State wees de heer Van den Akker erop dat in het verleden reeds 90 transporten hebben plaatsgevonden op basis van vergunningen die ook niet voldeden aan de nu door de Raad van State geconstateerde tekortkomingen: het ontbreken van de handtekeningen van de ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Buitenlandse Zaken, het ontbreken van de routebeschrijving en het niet specifiek noemen van het justificationbeginsel en het ALARA-beginsel. Waarom is bij de vergunningverlening in juli 1999 voor het eerst gesteld dat de vergunning pas van kracht zou worden als in de beroepstermijn van zes weken geen beroep zou worden aangetekend? Daardoor worden immers vertragingstactieken en onnodige bezwaren uitgelokt.

In dit verband vroeg de heer Van den Akker, gelet op het risico van mogelijke terroristische of andere ongewenste activiteiten om de transporten te belemmeren, of de transportroute werkelijk vooraf algemeen bekend moet worden gemaakt. Hij pleitte voor dezelfde aanpak als bij de voorgaande 90 transporten, waarbij de exacte route vooraf niet algemeen bekend was en waarbij nooit sprake is van geweest van problemen. Direct belanghebbenden, zoals gemeenten, moeten overigens wel van de route op de hoogte worden gebracht.

Door het verdwijnen van deskundig personeel en expertise als gevolg van de vroegtijdige ontmanteling van de kerncentrale in Dodewaard komen een veilige insluiting van die centrale en een optimale bewaking gedurende de vervalperiode van 40 jaar naar de mening van de heer Van den Akker op de tocht te staan; dit probleem zal later ook in Borssele een rol gaan spelen. Blijkens de tijdens de toetsingsvergadering inzake het verdrag over nucleaire veiligheid ingediende 72 vragen naar aanleiding van het Nederlandse rapport wordt die zorg door diverse landen gedeeld. De minister van VROM heeft aangegeven dat zo nodig expertise van elders wordt ingeroepen, maar de noodzakelijke specifieke expertise is reactorgebonden. Worden op dit moment mensen opgeleid om het verdwijnen van deskundig personeel op te vangen?

In dit verband vroeg de heer Van den Akker waarom nog steeds geen vergunning is verleend voor een veilige insluiting van de kerncentrale van Dodewaard. Door verdere vertraging zal het veiligheidsprobleem immers alleen maar toenemen. Of streeft de minister van VROM in plaats daarvan wellicht naar een ontmanteling op heel korte termijn, die weliswaar duurder is, maar waarmee het probleem van de verdwijnende expertise kan worden opgelost? Is het waar dat de minister in overtreding is omdat hij niet binnen de wettelijke termijn op de in mei 1999 ingediende aanvraag van de vergunning heeft gereageerd?

Naar aanleiding van de in de Telegraaf gewekte suggestie dat ambtenaren van VROM bepaalde gegevens hebben doorgegeven aan Greenpeace, vroeg de heer Van den Akker of de minister van VROM kan verzekeren dat dit niet heeft plaatsgevonden.

Mevrouw Augusteijn-Esser (D66) stelde voorop dat zij niet wil tornen aan de sluiting van de kerncentrale van Borssele in 2004 en dat transporten van radioactief materiaal vanuit Dodewaard en later vanuit Borssele absoluut noodzakelijk zijn. Met het oog op de veiligheid van die transporten vroeg zij een reactie op de aanbeveling van de Gezondheidsraad om voor transportprocessen een overkoepelend systeem van kwaliteitszorg op te zetten.

Met betrekking tot de reactor in Petten juichte mevrouw Augusteijn toe dat daar met laagverrijkt uranium gewerkt gaat worden en dat het materiaal op termijn terug kan naar de VS. De minister van VROM heeft in november laten weten dat de bedrijfsvoering in de reactor tot medio
2000 kan worden voortgezet, dat er nog geen noodzaak is om elementen naar de COVRA af te voeren en dat daarvoor ook nog geen vergunning is verleend. Is deze situatie nog steeds ongewijzigd of is het toch de bedoeling om materiaal naar de COVRA af te voeren? Is het eigenlijk wel mogelijk om dat transport op korte termijn te regelen en wanneer zal transport naar de VS mogelijk zijn?

Mede gelet op de binnen anderhalf à twee jaar dreigende gevolgen voor de veiligheid van de personele situatie in de kerncentrale in Dodewaard riep mevrouw Augusteijn op tot snelle besluitvorming over het transport van de splijtstofstaven. Omdat er bezwaren kleven aan opwerking en omdat opslag van de splijtstofstaven bij de COVRA technisch nog onmogelijk is, vroeg zij de visie van de regering op dit dilemma, temeer omdat na 2004 ook een oplossing moet worden gevonden voor de splijtstofstaven van Borssele. Daarbij pleitte zij voor tijdelijke opslag; die opslag zal waarschijnlijk vrij lang duren, omdat voor eindopslag nog steeds geen goede oplossing is gevonden.

Ten behoeve van de veiligheid gaf mevrouw Augusteijn, mede op basis van een gesprek met de directeur van de kerncentrale van Dodewaard, de voorkeur aan veilige insluiting en ontmanteling na 40 jaar van die centrale. Als nu ineens wordt gekozen voor een ontmanteling op korte termijn, welke argumenten liggen daaraan dan ten grondslag?

Met betrekking tot de geschorste transportvergunning benadrukte mevrouw Augusteijn dat de betrokken instanties goed van de route op de hoogte moeten zijn; gemeenten moeten bijvoorbeeld adequate maatregelen ter bevordering van de veiligheid kunnen nemen. Bovendien achtte zij geheimhouding van de route niet nodig als alle betrokkenen hun verantwoordelijkheid nemen; daarom riep zij alle betrokkenen, inclusief de milieubeweging, ertoe op om de veiligheid van de transporten van kernafval niet door onverantwoorde acties in gevaar te brengen.

De heer Blaauw (VVD) pleitte voor heroverweging van het besluit tot sluiting van de kerncentrale in Borssele, omdat het NRG-rapport aantoont dat bij voortgezette productie van kernenergie uiteindelijk minder splijtbaar plutonium overblijft. Daarnaast levert voortzetting van de kernenergieproductie ook op financieel en klimatologisch terrein en op het punt van de brandstofvoorziening en de veiligheid voordelen op. In dit verband vroeg hij wat het maximale percentage MOX is en hoeveel plutonium in dat geval zou worden weggewerkt.

Omdat reeds veel transporten hebben plaatsgevonden, vroeg de heer Blaauw hoe het mogelijk is dat deze keer in de vergunningverlening zulke ernstige fouten zijn gemaakt dat de Raad van State tot schorsing moest overgaan. Mede gelet op de nadelige gevolgen van het uitblijven van transporten voor de behandeling van kankerpatiënten, betreurde hij deze gang van zaken zeer. Hoe wordt ervoor gezorgd dat de schorsing zo snel mogelijk wordt opgeheven en wat gebeurt er als dat niet voor medio 2000 lukt? Wordt in de nieuwe beschikking overigens ingegaan op alle tegen de vergunning ingediende bezwaren?

Met betrekking tot Dodewaard wees de heer Blaauw erop dat het uitblijven van transporten ertoe leidt dat het door het parlement vastgestelde tijdpad voor de sluiting met een jaar wordt overschreden. Hij vroeg hoe verder kan worden voorkomen dat de procedure en de uitvoering van democratische besluiten wordt gedwarsboomd door buitenparlementaire acties, bijvoorbeeld een blokkade van de transporten; een blokkade zou immers automatisch leiden tot een gevaarlijke situatie, zowel bij het transport als in Petten en Dodewaard.

De heer Blaauw was zeer verbaasd over het feit dat de minister van VROM niet binnen de wettelijke termijn heeft gereageerd op de vergunningaanvraag voor veilige insluiting en uitgestelde ontmanteling van de centrale in Dodewaard en dat hij, nadat vier jaar lang de indruk is gewekt dat voor insluiting en uitgestelde ontmanteling gekozen is, in zijn schriftelijke antwoorden van december 1999 versnelde ontmanteling ineens als een mogelijkheid beschouwt. Los van het feit dat deze handelwijze in strijd met de MER-procedure is, vroeg hij zich af wie er zou moeten opdraaien voor de met versnelde ontmanteling gemoeide meerkosten. Doordat die optie nu pas aan de orde wordt gesteld, zouden die meerkosten bovendien extra hoog uitvallen en zal het nog langer duren voordat de problemen worden opgelost.

In dit verband wees de heer Blaauw erop dat door deze handelwijze van de minister en de procedurele fouten bij de transportvergunningen nieuwe vergunningsprocedures, die veel vertraging zullen veroorzaken, noodzakelijk zijn; de minister draagt daarmee dus zelf bij aan de belemmering van de uitvoering van parlementaire besluiten, terwijl het verdwijnen van deskundig personeel in Dodewaard in feite al een tikkende tijdbom is.

Mevrouw Vos (GroenLinks) benadrukte dat de risicovolle productie van kernenergie en kernafval zo snel mogelijk moet worden beëindigd, mede omdat nog steeds geen definitieve oplossing is gevonden voor de opslag van kernafval en omdat er voldoende alternatieven voor kernenergie zijn. Kernenergie kan overigens slechts een beperkte bijdrage leveren aan de bestrijding van het broeikaseffect en het wegwerken van het plutonium; bovendien leiden ook de productie van kernenergie en de daarmee samenhangende activiteiten tot CO2-uitstoot en tot nieuw gevaarlijk afval.

Mede gelet op de milieuvervuiling, de gezondheidsrisico's en het gevaarlijke plutonium, pleitte mevrouw Vos ervoor om te stoppen met het opwerken van kernafval en dus ook met het transport van kernafval naar Sellafield. Zij gaf de voorkeur aan opslag, ondanks de daarmee gemoeide kosten, en had de indruk dat een groot deel van de milieubeweging zal willen meewerken aan die oplossing. Ten behoeve van de opslag kan het HABOG bij de COVRA worden aangepast of kan worden gekozen voor een geheel nieuw gebouw; er moet echter ook zeker worden gestreefd naar een oplossing in internationaal verband. Omdat opslag van hoogradioactief afval bij de COVRA nog niet mogelijk is, verdient het vanuit het oogpunt van de veiligheid voorlopig de voorkeur om het kernafval langer in Dodewaard te houden, ook al vergt dat veel inzet van de betrokkenen.

Mede ter bevordering van het publieke vertrouwen sloot mevrouw Vos zich aan bij het pleidooi van de Gezondheidsraad voor transparantie van de aanpak van kernafvaltransporten. Gelet op de begrijpelijke grote behoefte aan informatie over deze transporten, zou er sprake zijn van een forse inbreuk op democratische rechten als geïnteresseerde mensen en groeperingen die informatie niet kunnen krijgen. De directeur van de kerncentrale in Dodewaard heeft overigens geen bezwaar tegen bekendmaking van de routes; bovendien kan iedereen in de praktijk de informatie krijgen die bijvoorbeeld voor gemeentebesturen openbaar is.

Naar aanleiding van de schorsing van de transportvergunningen vroeg mevrouw Vos wat op dat punt gaat gebeuren en of transporten ten behoeve van opwerking van kernafval überhaupt kunnen voldoen aan het ALARA-beginsel.

Ook mevrouw Vos sprak haar verbazing uit over het feit dat de minister van VROM na 3 jaar discussie nog steeds twijfelt over de wenselijkheid van ontmanteling in een 40-jarige periode. Hoewel zij die twijfels deelde en een snellere ontmanteling zou toejuichen, pleitte zij ervoor om op dit punt zo snel mogelijk duidelijkheid te verschaffen. Ook vroeg zij een nadere toelichting op de financiële gevolgen van een eventueel besluit tot snellere ontmanteling.

Over de optie van transport van Petten naar de VS oordeelde mevrouw Vos positief, maar zij vroeg wanneer duidelijk wordt of dit transport werkelijk mogelijk is en hoe de uitvoerbaarheid van deze optie zal worden onderzocht.

Tot slot pleitte ook mevrouw Vos ervoor om de COVRA verantwoordelijk te maken voor de ontmanteling van de centrales in Dodewaard en Borssele.

De heer Poppe (SP) sprak zich uit tegen tijdelijke opslag van radioactief materiaal uit Petten en Dodewaard bij de COVRA. Gelet op de noodzaak om te kiezen tussen twee kwaden, gaf hij de voorkeur aan opslag in Petten en Dodewaard zelf. Wel riep hij ertoe op om de optie van veilig transport naar de VS zo snel mogelijk uitvoerbaar te maken. Omdat de transportcontainer MTR-2 in de VS niet gecertificeerd is, vroeg hij in dat verband in welk opzicht de Amerikaanse voorschriften afwijken van de Nederlandse. Kan dat probleem niet eenvoudig worden opgelost, bijvoorbeeld door een technische aanpassing van de MTR-2? Is overigens al duidelijk of afvoer naar de VS een oplossing voor de lange termijn zou zijn?

Naar aanleiding van de opmerkingen van de heer Blaauw over de gevaren van het verdwijnen van deskundig personeel, wees de heer Poppe erop dat kerncentrales altijd al tikkende tijdbommen zijn geweest en dat juist daarom de Kamermeerderheid van kernenergie af wil. Bovendien is in een niet-actieve centrale minder personeel nodig dan bij een actieve. Om een voor de volksgezondheid risicovolle tijdsdruk te vermijden, pleitte hij ervoor om, zo nodig met financiële middelen, ervoor te zorgen dat voldoende deskundig personeel achterblijft voor een veilige afbouw en om daartoe ook een beroep te doen op het verantwoordelijkheidsgevoel van het personeel.

Met betrekking tot het transport van splijtstof vanuit Dodewaard vroeg de heer Poppe of inmiddels een nieuwe vergunning is aangevraagd. Als nog geen nieuwe vergunning is aangevraagd, is het dan niet mogelijk om het opwerkingscontract ongedaan te maken en af te zien van opwerking in Sellafield? Opwerking is immers in feite strijdig met het politieke besluit om de Nederlandse kerncentrales te sluiten.

Omdat opslag van de splijtstof bij de COVRA pas na aanpassing van het HABOG mogelijk is, vroeg de heer Poppe of het mogelijk is om de splijtstof tot dan veilig in de centrale van Dodewaard te bewaren, wanneer het HABOG gereed is en welke andere mogelijkheden er zijn, bijvoorbeeld via internationale samenwerking.

Mede gelet op de tegenvallende hoeveelheid plutonium die door hergebruik weggewerkt kan worden en de daarvoor noodzakelijke gevaarlijke processen en transporten, behoort het langer openhouden van de centrale in Borssele naar de mening van de heer Poppe niet tot de mogelijkheden.

Tot slot benadrukte de heer Poppe dat transporten van radioactief materiaal niet geheim behoren te zijn.

Het antwoord van de regering

De minister van Economische Zaken wilde allereerst misverstanden over de reductie van de hoeveelheid plutonium bij verwerking in Borssele uit de wereld helpen. In de brief van 30 september is uitgegaan van al het in Nederland voor MOX beschikbare splijtbare plutonium (2080 kilo); er was weliswaar 2490 kilo, maar een deel daarvan is verkocht of gebruikt voor onderzoeksdoeleinden. Uitgaande van de eenmalige inzet in de kerncentrale Borssele van 2080 kilo plutonium in de vorm van 40% MOX, is de gehele hoeveelheid plutonium na elf jaar gebruikt; de oorspronkelijke hoeveelheid plutonium is dan met 557 kilo afgenomen. Die reductie met 27% is niet gering, maar is inderdaad niet zo omvangrijk als enkele Kamerleden aanvankelijk dachten. Het maximale percentage MOX is 50, maar daarvoor zijn aanpassingen aan de centrale nodig. De discussie over dit punt is overigens academisch, omdat er in de Kamer geen draagvlak is voor het langer openblijven van de kerncentrale in Borssele.

Naar aanleiding van de discussie over opwerking versus opslag wees de minister erop dat rekening gehouden dient te worden met beslissingen uit het verleden en dat die discussie dus niet met een schone lei kan worden begonnen: de helft van het kernafval is al opgewerkt, er heeft mijnbouw plaatsgevonden voor de grondstoffen en er zijn contracten gesloten. Er heeft over de kernafvalproblematiek geen internationaal overleg plaatsgevonden, mede omdat de directies van EPZ en GKN desgevraagd hebben laten weten niet bereid te zijn tot het vrijwillig afzien van opwerking; dat is begrijpelijk, want daarmee zouden zij de financiële verantwoordelijkheid voor het openbreken van contracten op zich nemen. Ook andere landen, waaronder Duitsland, zijn tot de conclusie gekomen dat internationaal overleg geen zin heeft, omdat de lopende contracten over opwerking niet opengebroken kunnen worden. Net als elke nieuwe oplossing zou internationaal overleg daarom alleen maar leiden tot tijdverlies, terwijl al te veel tijd is verloren. Ook subsidiëring van de betrokken energiebedrijven of een juridische procedure zijn geen verantwoorde opties, gelet op de daarmee gemoeide kostenpost van 425 mln. tot 600 mln.

Daarnaast wees de minister erop dat stoppen met opwerken hoge kosten en tijdverlies zou veroorzaken. De kosten werden in 1997 door het ECN becijferd op 200 mln. tot 400 mln., inclusief de toen verwachte meerkosten van 175 mln. voor aanpassing van het HABOG; inmiddels kan het in aanbouw zijnde HABOG echter niet meer worden aangepast voor de opvang van splijtstofelementen, zodat voor circa 400 mln. een nieuw gebouw moet worden gebouwd. De totale kosten, die overigens zeer onzeker zijn, bedragen dus 425 mln. tot 625 mln. Bovendien zou de noodzakelijke vergunningprocedure, inclusief een MER-procedure, jaren vergen.

In dit verband merkte de minister op dat het naar Nederland terugbrengen van naar het buitenland vervoerde splijtstofelementen een logische consequentie zou zijn van stoppen met opwerken. Nog afgezien van het ontbreken van opslagcapaciteit zou het echter heel lang duren voordat die elementen in Nederland terug zijn; bovendien zijn opwerkingsfabrieken niet ingesteld op het vertrek van splijtstofelementen.

De minister wees erop dat de eigenaren van het uit opwerking afkomstige plutonium kunnen besluiten om het als MOX te gebruiken in buitenlandse centrales. Het plutonium kan in de opwerkingsfabrieken worden opgeslagen totdat de markt minder overspannen is en het als MOX kan worden verkocht. De kosten van die opslag of van de huidige negatieve economische waarde van MOX komen niet voor rekening van de Nederlandse overheid, maar van de betrokken Nederlandse energiebedrijven. Tenzij er sprake is van een onderzoekstoepassing, staat de verklaring van Dublin terugkeer van opgewerkt plutonium naar Nederland niet toe, gelet op het ontbreken van een energietoepassing en van een opslagfaciliteit. Wanneer het HABOG voltooid is, zijn er overigens geen fysieke belemmeringen voor opslag van opgewerkt plutonium, maar de vergunning van de COVRA voorziet daar niet in.

Op grond van deze overwegingen vond de minister heropening van de discussie over opwerken niet zinvol.

De minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer wees erop dat de op 20 juli 1999 door hem verleende transportvergunning niet direct van kracht werd, omdat de aanvrager de transporten pas na enige tijd zou kunnen laten plaatsvinden. Het is dus niet zo dat de vergunning pas later in werking zou treden omdat eerst een bepaalde periode de mogelijkheid moest bestaan om bezwaar aan te tekenen; elk door een maatschappelijke organisatie ingediend bezwaar heeft overigens schorsende werking, waarbij het niet uitmaakt of de vergunning al of niet direct ingaat. Op 21 juli 1999 is de Kamer op de hoogte gesteld van het verlenen van deze vergunning; omdat dit een publieke mededeling was en omdat het verlenen van vergunningen bekend wordt gemaakt, is er geen enkele reden om te veronderstellen dat vanuit VROM informatie aan Greenpeace is gelekt. Het behoort tot de normale juridisch-maatschappelijke gang van zaken dat maatschappelijke organisaties, zoals de milieubeweging, de gelegenheid moeten krijgen om tegen vergunningen beroep aan te tekenen.

De minister merkte op dat de formulering die gebruikt is bij de geschorste transportvergunning dezelfde was als van de vergunningen voor de eerdere transporten en dat dus geen sprake is van juridische vormfouten. Die eerdere vergunningen zijn echter nooit getoetst door de Raad van State. Gelet op de maximale zorgvuldigheid van de sinds medio 1998 gevolgde procedure en de, bijvoorbeeld via het advies van de Gezondheidsraad, maximaal gegarandeerde veiligheidsvoorzieningen, achtte hij het verwijt van de Raad van State over het niet expliciet vermelden van het ALARA-beginsel onredelijk. Daarnaast meent de Raad van State dat de ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Buitenlandse Zaken de gelegenheid hadden moeten krijgen om mee te delen dat zij de vergunning niet mede wilden ondertekenen, maar zij hadden bij de vorige transporten nooit aangegeven dat zij daar behoefte aan hadden; inmiddels hebben zij dat schriftelijk bevestigd. Wat het bij voorbaat bekendmaken van de route betreft: daar zijn inderdaad argumenten voor, maar er kunnen ook tegenargumenten worden aangevoerd; bovendien is het in de wet opgenomen woord "traject" in de vorige vergunningen steeds zo geïnterpreteerd dat het beginpunt en het eindpunt van het transport moeten worden vermeld. De nieuwe vergunning stelt dat het transport zoveel mogelijk over hoofdsnelwegen moet gaan en vermeldt de namen van die snelwegen en de daarover gevolgde route. Overigens werden betrokken gemeenten via de commissaris van de koningin ook in het verleden steeds tijdig van de komst van een transport op de hoogte gesteld; het in de vergunning vermelden van de route heeft dus geen toegevoegde waarde voor de veiligheidssituatie.

Met betrekking tot de verdere procedure meldde de minister dat hij zijn betrokken collega's direct na dit overleg ter ondertekening de nieuwe vergunning zal sturen, die naar zijn mening aan alle voorwaarden voldoet. Op basis van de beschikking van de Raad van State kan de vergunning vervolgens pas zes weken na het afgeven daarvan ingaan; als in die periode echter nieuwe bezwaren worden ingediend, zal ook de behandeling daarvan weer enige tijd vergen, zodat de gehele procedure, als bezwaar wordt aangetekend, waarschijnlijk tot mei of juni zal duren.

Gelet op het maatschappelijk nut van de productie in Petten, achtte de minister voortzetting daarvan zeer gewenst. Hij heeft er daarom sinds november 1999 sterk bij het Gemeenschappelijk centrum voor onderzoek op aangedrongen om de problemen op te lossen die transport naar de VS in de weg staan. Over de opgetreden stagnatie zal de Europese Commissie de minister nog informeren, maar het is duidelijk dat de notawisseling tussen de Europese Commissie en de VS nog niet is afgerond; andere factoren zijn de transportkosten en het vinden van een geschikte container die zowel in de VS als in Europa gecertificeerd is. Omdat de in de VS aan containers gestelde eisen zijn opgesteld in een andere periode dan in Europa, voldoet slechts één type container aan beide certificatie-eisen; het probleem schijnt vooral samen te hangen met bureaucratie en handelsprotectionistische argumenten inzake de materiaalkeuze. Door dit alles zal het transport naar de VS in ieder geval niet in 2000 kunnen beginnen; er wordt zelfs getwijfeld of het in 2001 zal kunnen beginnen, maar daar legt de minister zich niet bij neer.

Door deze gang van zaken is tijdelijke opslag in Petten niet zinvol meer. Daarom vindt overleg plaats over een vergunning voor transport naar de COVRA. Weliswaar is daar tot de voltooiing van het HABOG een overgangsprobleem, maar het hoogradioactieve afval uit Petten kan wel degelijk tijdelijk in speciale, in Europa volledig gecertificeerde containers bij de COVRA worden opgeslagen. Het materiaal wordt daar dan zodanig opgeslagen dat het overgrote deel ervan te zijner tijd naar de VS kan worden getransporteerd. Er wordt naar gestreefd om dit transport zo snel mogelijk te doen plaatsvinden en de gemeente Zijpe wordt volledig van de ontwikkelingen op de hoogte gehouden.

De minister was ervan overtuigd dat het, ook als het tot medio 2000 duurt voordat de transportvergunning ingaat, mogelijk is om de transporten vanuit Dodewaard binnen de oorspronkelijk voorziene termijn te doen plaatsvinden, ook al zal dat krap worden. De bestemming van de transporten is Sellafield. Er is in Dodewaard genoeg toegewijd, gekwalificeerd personeel, maar op de langere termijn kan inderdaad een probleem ontstaan op het punt van de beschikbaarheid van gekwalificeerd personeel; de vraag of er voldoende nieuwe medewerkers worden opgeleid, zal later worden beantwoord.

In dit verband deelde de minister mee dat hijzelf de gedachte heeft geopperd dat het eventuele veiligheidsprobleem op langere termijn in verband met mogelijk onvoldoende beschikbare deskundigheid een argument kan zijn voor snelle ontmanteling. Hij wees erop dat in het verleden geen ondubbelzinnig besluit tot uitgestelde ontmanteling is genomen. Bij de namens de andere betrokken departementen begin 1996 door het ministerie van Economische Zaken gedane mededeling werden immers verscheidene kanttekeningen geplaatst: er was wel een bepaald uitzicht op uitgestelde ontmanteling, maar er moest bijvoorbeeld rekening worden gehouden met mogelijke wijzigingen in de normstelling, er was nog geen financiële voorziening voor de ontmanteling, er moest rekening worden gehouden met andere dan economische inzichten en de COVRA moest bij de besluitvorming worden betrokken. Er werd dus niet uitgesloten dat in de toekomst op basis van regelmatige actualisering van de analyse een andere strategie de voorkeur zou krijgen. In de richtlijnen voor de MER werd in juli 1998 gesteld dat uitgestelde ontmanteling en directe ontmanteling op vergelijkbaar detailniveau moesten worden geanalyseerd; er is dus sprake van twee gelijkwaardige opties. De minister heeft beide opties bij zijn bezoek aan Dodewaard ter sprake gebracht, waarbij hij duidelijk heeft gemaakt dat voor hem de veiligheidsoverwegingen en niet de financiële overwegingen uiteindelijk de doorslag moeten geven; vooralsnog was hij er niet van overtuigd dat uitgestelde ontmanteling en veilige insluiting per definitie veiliger zijn dan een zo spoedig mogelijke ontmanteling.

De minister meldde dat hij over dit punt op 4 februari overleg zal voeren met de ministers van SZW en Economische Zaken op basis van ambtelijk overleg dat momenteel tussen de deskundigen van deze departementen plaatsvindt. Mede omdat de veiligheid gediend is met een snelle beslissing, is het de bedoeling om dan tot een gezamenlijk, goed te verdedigen besluit te komen; er is geen sprake van vooringenomenheid, maar vooralsnog komen de opvattingen van de ministers niet overeen. Hij wees erop dat veiligheid, zeker op het punt van straling, niet alleen een objectief, door deskundigen bepaald begrip is; ook de maatschappelijke-psychologische subjectiviteit speelt daarbij immers een rol, zoals bijvoorbeeld blijkt uit het feit dat ook de standpunten van de Kamerleden uiteenlopen. Daarom heeft de politiek de verantwoordelijkheid om extra zorgvuldigheid te betrachten.

Tot slot deelde de minister desgevraagd mee dat de mogelijkheid om met het opwerken van kernafval te stoppen en daarmee te kiezen voor een langere opslag in Dodewaard, niet bij het ministerieel overleg op 4 februari aan de orde zal komen.

De voorzitter merkte op dat de tweede termijn van dit overleg na 4 februari zal worden gehouden, zodat ook het resultaat van het overleg tussen de drie betrokken ministers daarbij een rol kan spelen.

De voorzitter van de vaste commissies voor Economische Zaken,

Biesheuvel

De voorzitter van de vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Reitsma

De griffier van de vaste commissie voor Economische Zaken,

Tielens-Tripels


1 Samenstelling:

Leden: Blaauw (VVD), Biesheuvel (CDA), voorzitter, Leers (CDA), Witteveen-Hevinga (PvdA), Rabbae (GroenLinks), Marijnissen (SP), Hessing (VVD), Giskes (D66), Crone (PvdA), Van Dijke (RPF), Hofstra (VVD), Voûte-Droste (VVD), ondervoorzitter, M.B. Vos (GroenLinks), Van Zuijlen (PvdA), Van Walsem (D66), Verburg (CDA), Stroeken (CDA), Ravestein (D66), Wagenaar (PvdA), Geluk (VVD), Bos (PvdA), Van den Akker (CDA), Blok (VVD), De Boer (PvdA), Hindriks (PvdA)

Plv. leden: Snijder-Hazelhoff (VVD), Atsma (CDA), Wijn (CDA), Kalsbeek (PvdA), Vendrik (GroenLinks), Poppe (SP), Kamp (VVD), Van den Berg (SGP), Kuijper (PvdA), Van Middelkoop (GPV), Van Baalen (VVD), Klein Molekamp (VVD), Van der Steenhoven (GroenLinks), Schoenmakers (PvdA), Schimmel (D66), Schreijer-Pierik (CDA), Van der Hoeven (CDA), Bakker (D66), Herrebrugh (PvdA), Van Beek (VVD), Koenders (PvdA), De Haan (CDA), Udo (VVD), Smits (PvdA), Hamer (PvdA)


2 Samenstelling:

Leden: Reitsma (CDA), voorzitter, Van Middelkoop (GPV), Witteveen-Hevinga (PvdA), Feenstra (PvdA), Verbugt (VVD), Poppe (SP), Duivesteijn (PvdA), Crone (PvdA), Augusteijn-Esser (D66), Klein Molekamp (VVD), Hofstra (VVD), ondervoorzitter, Eisses-Timmerman (CDA), Th.A.M. Meijer (CDA), Luchtenveld (VVD), Van der Steenhoven (GroenLinks), Van der Staaij (SGP), Ravestein (D66), Oplaat (VVD), Kortram (PvdA), Van der Knaap (CDA), Van Gent (GroenLinks), Udo (VVD), Schoenmakers (PvdA), Van Wijmen (CDA), Waalkens (PvdA)

Plv. leden: Leers (CDA), Stellingwerf (RPF), Dijksma (PvdA), Valk (PvdA), Essers (VVD), De Wit (SP), Van Heemst (PvdA), De Boer (PvdA), Scheltema-de Nie (D66), Van Beek (VVD), Geluk (VVD), Visser-van Doorn (CDA), Schreijer-Pierik (CDA), Blok (VVD), M.B. Vos (GroenLinks), Van 't Riet (D66), Giskes (D66), Niederer (VVD), Bos (PvdA), Van den Akker (CDA), Halsema (GroenLinks), Snijder-Hazelhoff (VVD), Spoelman (PvdA), Biesheuvel (CDA), Hindriks (PvdA)

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie