Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Tekst lezing Benschop: 'Stuit europa op grenzen?'

Datum nieuwsfeit: 09-02-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Buitenlandse Zaken

STUIT EUROPA OP GRENZEN?

Bericht van Ministerie van Buitenlandse Zaken:

Lezing door Dick Benschop Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken

NGIZ - Den Haag, 9 februari 2000

De positie van Nederland

Het vertrekpunt van dit kabinet, van Paars-II, is een zeker zelfvertrouwen over de positie van Nederland in Europa en in de wereld. Dit geldt voor alle bewindslieden, maar niet in de laatste plaats voor die van Buitenlandse Zaken. Een gepast zelfvertrouwen, vind ik, vanuit de analyse en het besef dat Nederland een middelgroot land is, niet alleen qua economie, geschiedenis, cultuur, luchthaven of landbouw, maar ook gemeten naar het aantal inwoners.

Dat geeft Nederland een speciale positie, zeker binnen Europa. Ik ben me daar in het werk in de afgelopen anderhalf jaar steeds bewuster van geworden. We horen niet vanzelfsprekend bij de grote drie, de grote vier of de grote vijf van Europa, maar hebben wel een eigen positie en ambitie, gedreven door idealisme en gestuurd door realisme. Dat verschaft ons telkens weer de mogelijkheid om een eigen Nederlandse rol te markeren.

Het markeren van zo'n rol vraagt naast het bewustzijn van het kwantitatieve aspect van onze positie vooral ook een inzet op de kwaliteit van onze buitenlandspolitieke activiteiten; kortom van wat wij op Europees en internationaal vlak doen en hoe wij dat doen. Het gaat erom op een actieve en creatieve manier een positie te behouden en uit te bouwen in het Europese krachtenveld. We willen in de voorhoede van de Europese besluitvorming aanwezig zijn. We moeten dat ook, want daar bevindt zich de cockpit van waaruit de koers van Europa wordt bepaald. Van daaruit wordt er werkelijk gestuurd.

Een dergelijke inzet stelt eisen aan onszelf, aan kwaliteit, activiteit, creativiteit. In Den Haag bij de coòrdinatie van het Europese en het algehele buitenlands beleid. Die moet in orde zijn. En ik denk dat we die in steeds sterkere mate op orde hebben gekregen en hebben versterkt. Het vormt de basis waarop we in Europa en daarbuiten kunnen opereren. Het vraagt niet alleen wat van Den Haag, maar ook van onze ambassades en de samenwerking tussen onze ambassades en Den Haag. De informatievoorziening over en weer moet precies zijn. De boodschappen die worden overgebracht moeten precies zijn. Alleen zo kan ons politieke en diplomatieke netwerk in Europa functioneren.

Het functioneren van Europa

Zelfvertrouwen over de positie van Nederland in Europa. Interessant is dat we dat zelfvertrouwen ook in ons buurland aantreffen, in Duitsland. Ik doel hier uiteraard niet op Kohls dramatische neergang, maar op de regering-Schròder, die ook anderhalf jaar geleden is begonnen. Ook daar met een gepast zelfvertrouwen volgens mij. De positie van Duitsland in Europa is aan het veranderen. We hebben net de Umzug gehad van Bonn naar Berlijn, van de Bonner naar de Berliner Republik. Naar Duitse verhoudingen gemeten is er een nieuwe generatie aan de macht. Dat hebben we bijvoorbeeld gezien in Kosovo: een nieuwe dimensie in de Duitse buitenlandse politiek, waarbij Duitsland diplomatiek zeer actief heeft opgetreden en bovendien ook militair in Kosovo een bijdrage levert. Ik vind dat een noodzakelijke en zelfs wenselijke ontwikkeling voor de positie van Duitsland. Duitsland heeft de eigen grenzen verlegd.

Die Duitse ontwikkeling heeft meer gevolgen. Ook voor het krachtenveld in Europa. Voor de Frans-Duitse as bijvoorbeeld. De haperingen die we in die Frans-Duitse samenwerking af en toe zien worden veelal met bezwerende verklaringen afgedaan, maar zijn wel degelijk aanwezig.

Hoe komt dat? De werking van de Frans-Duitse as en eigenlijk de Franse politieke dominantie daarbinnen heeft altijd zeer veel te maken gehad met de Duitse beperking op het Europese toneel: de Duitse Einbindung. Nu die aan het verdwijnen is, omdat het een overbodig concept is geworden, heeft dat consequenties voor de relatie tussen Duitsland en Frankrijk. Dat vanzelfsprekende bondgenootschap waarbij Duitsland het economische en Frankrijk het politieke voortouw nam, is er op deze manier niet meer. Daar komt bij dat Duitsland zich niet exclusief op Parijs wil oriënteren. Met het aantreden van de regering-Blair, die ook zelf nieuwe prioriteiten voor het Verenigd Koninkrijk in Europa stelde, is de relatie tussen Berlijn en Londen ook prominenter geworden.

Dat is een interessante ontwikkeling, ook voor de Nederlandse buitenlandse politiek. Zoals zo vaak heb je daar een wat dubbel gevoel bij. Aan de ene kant betichtten we de Frans-Duitse integratiemotor vaak van machtspolitiek waar wij uiteraard niets van moesten hebben. En tegelijk: zodra zo'n machine enigszins begint te haperen, dan ga je hem wel een beetje missen.

Maar heimwee is niet nodig. Door de transformatie van de Frans-Duitse as wordt het Europese palet namelijk gevarieerder, wat kansen biedt voor Nederland binnen Europa. Berlijn, Parijs en Londen staan in een andere verhouding tot elkaar dan voorheen. Dat biedt nu soms verrassende mogelijkheden voor Nederland, bij het zoeken van bondgenootschappen binnen Europa. Belangrijk om te weten, belangrijk om gebruik van te maken.

Het nieuwe bilateralisme

Dat is des te meer van belang in het licht van het toenemende bilateralisme in de besluitvorming binnen de EU. Dat lijkt paradoxaal omdat de Europese integratie op dit moment hard voortschrijdt. Vorig jaar is het Verdrag van Amsterdam in werking getreden, de monetaire unie is ruim een jaar geleden van start gegaan en genereert vergaandesamenwerking op sociaal-economisch gebied. Op het terrein van veiligheids- en defensiebeleid zijn grote stappen voorwaarts gemaakt. Tijdens de top in Tampere, afgelopen oktober, heeft politie- en justitie-samenwerking en asielbeleid verdere Europese impulsen gekregen. Alles bij elkaar een ware verdieping van de Europese integratie op allerlei beleidsterreinen.

Daarnaast constateer ik dus een toegenomen bilateralisme. Want naast die snelle integratie treden tegelijkertijd verschuivingen op in de wijze van werken en de wijze van functioneren van de Unie. Van de Brusselse fora naar de bilaterale contacten -politiek en diplomatiek- tussen de hoofdsteden. Bij de voorbereidingen voor de Agenda
2000-onderhandelingen over het financiële kader van de Unie, uitmondend in de top in Berlijn, heb ik dat voor het eerst kunnen constateren. De beslissingen vielen niet in de vergadering van EU-ambassadeurs en ook niet in de raden van EU-ministers van buitenlandse zaken of financiën. Want hoe dichter Berlijn naderbij kwam, hoe groter de tegenstellingen in zo'n Brusselse of Luxemburgse ministerraad opliepen. Tegelijkertijd waren er tal van bilaterale contacten vanuit de verschillende hoofdsteden, ook vanuit Nederland. Terwijl je collega aan de overkant in de plenaire raadsvergadering een verhaal hield, wist je dat je bilateraal eigenlijk al op een heel andere manier in gesprek was over waar het heen zou kunnen en moeten gaan. Die bilaterale contacten hebben enorm bijgedragen aan het relatieve succes dat Nederland in Berlijn heeft geboekt.

In de voorbereiding voor de top van Tampere zag ik het weer. Daar ging het om een beleidsmatige ontwikkeling van de Unie, om het opbouwen van asiel-, politie- en justitie-samenwerking. Beleidsterreinen waarop traditioneel veel huiver bestaat een werkelijk Europese aanpak in gang te zetten. Heel veel van de doorbraken van Tampere kwamen er zowel door een moedig Fins voorzitterschap alsook door de intensieve contacten tussen de hoofdsteden.

Het conjuncturele element dat ik aanvankelijk ook nog aanwezig achtte, de feitelijke afwezigheid van de Europese Commissie sinds de val van de Commissie-Santer half maart, is niet de verklaring voor die ontwikkeling.

Het gaat dieper dan de tijdelijke afwezigheid van de Commissie. Er doen zich structurele factoren voor waardoor het bilateralisme een vlucht neemt. Europa is binnenlandser geworden. De impact van Europese beslissingen in eigen land wordt sterker onderkend. De vraag naar inbreng vanuit de hoofdsteden wordt daardoor sterker. Het besef van Europa als waardengemeenschap groeit, waardoor langzaam maar zeker één Europese binnenlandse ruimte ontstaat. Een ruimte waarin per land, per nationale gemeenschap de toonzetting en traditie kan verschillen, maar steeds vaker soortgelijke debatten aan de orde zijn. Over zaken als werk, zorg of milieu. En over elkaar, zoals we met het geval Oostenrijk nu zien. Het Europese buitenland is in veel opzichten binnenland geworden. En dat laat zich niet zomaar vanuit Brussel regisseren. Lidstaten zien belang bij behoud en uitbouw van de Unie als effectief besluitvormingsmechanisme. Voor elkaar, om te zorgen dat Europa sterk staat in de wereld. Maar ook voor zichzelf, omdat problemen thuis soms alleen onder druk van Europa tot een oplossing komen. Zoals de EMU een gezond financieel-economisch beleid in de lidstaten heeft bevorderd.

De 'grens' van de klassieke wetgevingsmachine

Het bilateralisme past ook bij een verschuiving in de Europese agenda. Het wetgevingsprogramma, met name op het terrein van de interne markt, is jarenlang een van de kernpunten van het integratieproces geweest. Dat programma is nagenoeg voltooid. Er zijn nog wel een paar open einden, e-commerce bijvoorbeeld, maar de tijd van de grote wetgevingsmachine heb ik al niet meer meegemaakt. Die periode is voorbij, we zitten bij de ontwikkeling van de interne markt nu al weer in de fase van deregulering. We hebben de grens bereikt van wat het beste met bindende regelgeving vanuit Brussel kan worden gedaan, maar het interessante is dat het integratieproces zich langs andere weg voortzet. Er ontstaan nieuwe integratiemethoden.

Bij het economische en sociale beleid is met de monetaire unie en de constructies om de monetaire unie heen een groot deel van het formele en wettelijke raamwerk geleverd. Veel van wat daar nu gebeurt, in het samenspel tussen coòrdinatie en concurrentie, speelt zich niet meer af op het niveau van wetgeving, maar van informatie-uitwisseling en vergelijkingen. Daar zien we de komst van richtsnoeren en richtsnoerprocessen in het werkgelegenheidsbeleid, of van broad economic policy guidelines.

Dat zijn benaderingen en werkwijzen op economisch en sociaal gebied die een enorm brok van het werk van de Unie uitmaken en die niet stammen van of gebaseerd zijn op Brusselse regelgeving of Brussels geld, maar op vergelijkingen tussen het beleid en de politiek in de nationale lidstaten. Dan wordt gekeken naar hoe die andere lidstaat het doet, wie de beste methode heeft gevonden, welke lidstaat door de anderen tot betere prestaties moet worden aangespoord of gedwongen. In de Engelstalige termen: benchmarking, zoeken naar elkaars best practices, organiseren van peer review d.m.v. score boards e.d., waardoor zinvolle peer pressure gegenereerd wordt. Benchmarking zie je nu overal toeslaan. In het begin werd er een beetje luchtig over gedaan. Maar het is weinig anders dan het toepassen van moderne managementtechnieken op Europa. En belangrijker: we zijn er eigenlijk als vanzelf naartoe gegroeid.

Eigenlijk begon het met de werkgelegenheidsrichtsnoeren in 1997. Die vergelijkingen, dat leek velen aanvankelijk wat te soft. Het voorhouden van de spiegel, het organiseren van de onderlinge competitie was in hun ogen maar tweederangs ten opzichte van juridisch bindende Brusselse richtlijnen en harde doelstellingen afgedwongen door de Commissie.

In de praktijk bleek al gauw dat juist die coòrdinatie en competitie een veel verplichtender werking heeft dan was gedacht. De Spaanse premier bijvoorbeeld, deed aanvankelijk lichtvaardig over de Luxemburgse werkgelegenheidsafspraken. Maar thuis in Madrid, in parlement en media, werd daar anders over gedacht. Spanje heeft tenslotte een groot werkloosheidsprobleem. Kritische vergelijking, spiegels voorhouden en aangeven van nuttige ideeën en ervaring vanuit andere lidstaten, blijkt zinvol te zijn. Ook ons kunnen spiegels worden voorgehouden.

Deze nieuwe methoden blijken te werken in het gebinnenlandiseerde Europa. In zo'n Europa zijn ze slechts zacht in formele zin, niet in materiële. Er ontstaat een formeel en informeel samenspel tussen lidstaten: enerzijds concurrentie om de beste ideeën, anderzijds coòrdinatie en afstemming van beleid. Dat geeft ook aan de lidstaten een andere positie in het integratie-proces. Niet alleen onderworpen aan wat de Commissie hen al of niet oplegt; in het proces van beleidsvergelijkingen zijn het de lidstaten zelf die aanjager van het integratieproces worden.

Deze ontwikkeling wordt gedragen door een groeiend besef van het belang de Europese samenwerking te bezien vanuit het perspectief van de positie van Europa in de wereld. De grenzen van het blikveld van de EU worden verruimd. De fase waarin het Europese eenwordingsproces zich primair richtte op het overwinnen van oude tegenstellingen tussen de lidstaten, is voorbij. Het heeft wat West-Europa betreft zijn doelen inmiddels bereikt. Het gaat er nu veeleer om Europa beter en krachtiger te positioneren in een globaliserende wereld. Wat is onze verhouding tot Amerika, wat is onze relatieve concurrentiepositie, wat zijn onze sterke en zwakke punten en hoe krijgen we Europa in zijn geheel sterker? In deze zin zijn de grenzen van Europa wel degelijk verlegd. De blik is gericht op een nieuw punt aan de horizon.

Waar we een aantal jaren geleden nog spraken over Europese minimum-normen, vanuit Brussel af te dwingen, hebben we het nu over maximum-prestaties van Europa als geheel en van de lidstaten afzonderlijk. Om te bezien hoe de resultaten van Europa op economisch of sociaal gebied en op innovatief gebied kunnen verbeteren.

Eind maart wordt hierover in Lissabon een speciale Europese top georganiseerd. Dan zal aan de ene kant worden gekeken naar een aantal onderwerpen dat op Europees niveau moet worden aangepakt: bijvoorbeeld het Europese onderzoek en het Europese octrooi. Aan de andere kant zal een groot deel van de aandacht uitgaan naar de vraag wat er in de lidstaten zelf moet gebeuren om daarmee Europa als geheel een sterkere positie te verschaffen.

Het institutionele debat

De nieuwe integratie-dynamiek werpt ook een nader licht op het klassieke institutionele debat binnen de Unie. Het begrip subsidiariteit bijvoorbeeld, verliest in deze context aan betekenis. Dat stamt nog uit de tijd dat over Europese integratie in verticale of althans pyramidale machtsstructuren werd gedacht. Structuren waarin het bestuurlijk aangrijpingspunt van beleid op verschillende hiërarchische niveaus kon worden gelegd. Maar om dergelijke structuren gaat het niet meer. Omdat daarin de dynamiek niet zit. Die zit niet in de vraag 'Doe je iets in Brussel of doe je iets op nationaal of decentraal niveau?'.

Er vindt nu verdieping van integratie plaats zonder dat er bevoegdheden worden overgedragen. Dat is het interessante van de huidige ontwikkeling. Elke discussie over bevoegdheden raakt niet de kern van de onderliggende ontwikkelingen. Staatkundige structuren en vraagstukken staan niet langer centraal: er zal veel meer aandacht komen voor de reële economische en maatschappelijke convergentie die ook langs andere wegen ontstaat. Integratie is niet langer een nulsom-spel. Het is geen optel- en aftreksom tussen Brussel en de hoofdsteden. Er is een nieuwe dynamiek van samenwerking en integratie.

De uitbreiding

Wat is de betekenis van de uitbreiding van de Unie voor deze analyse over het functioneren van Europa en de rol van Nederland daarbinnen?

Het eerste dat gezegd moet worden over de uitbreiding is dat het hard gaat en dat het ookhard zal blijven gaan en wellicht nog sneller dan we verwachten. Het point of no return -als dat ooit al bestaan heeft- is gepasseerd met de december-top van Helsinki en de aanloop daar naartoe. Was de uitbreiding enkele jaren geleden misschien nog een abstract idee, het is nu een concreet project. Het gaat echt de komende jaren gebeuren. Stapsgewijs, maar razendsnel. Ik durf de voorspelling aan dat we al over enkele jaren met een Unie van 25 lidstaten te maken zullen hebben.

De precieze jaren en de precieze stappen dienen nog te worden vastgesteld, maar het perspectief van een Unie van 25 lidstaten komt er snel aan: Midden-Europa, het Balticum, Malta en Cyprus. Met Roemenië en Bulgarije duurt het waarschijnlijk iets langer, maar ook hun perspectief op toetreding is reëel. De geografische grenzen van de Unie zullen in de komende jaren dus aanzienlijk worden bijgesteld.

Dat wordt een andere Unie. Een Unie met als trefwoord: diversiteit. Meer diversiteit. In ieder geval in economisch opzicht, maar ook in maatschappelijk, en misschien in politiek en cultureel opzicht. We staan dan voor de taak om de grotere Unie èn democratisch èn efficient èn effectief te laten zijn. Dat zijn de sleutelbegrippen. Daarvoor zijn institutionele hervormingen nodig. Niet de drie left-overs van Amsterdam dienen centraal te staan, maar drie kerndoelstellingen voor de Unie: democratie, efficiency en effectiviteit.

Nederland heeft daarbij het element 'flexibiliteit' in de besluitvorming in de Europese Unie in de discussie gebracht. Dat is de institutionele pendant van de diversiteit en de heterogeniteit van de Unie. De crux is om de uitbreiding te verbinden met een manier van werken in de Unie die ook de voortgang van het integratieproces bewerkstelligt en zekerstelt. En in alle eerlijkheid: hier nemen wij een risico, een gecalculeerd risico weliswaar, maar desalniettemin een risico. Niemand kan garanderen of we die gecombineerde doelstelling ook echt kunnen bereiken of op welk punt de fricties zullen ontstaan.

Ikzelf ben onverwoestbaar optimistisch. Maar dat ben ik niet zomaar. Er is namelijk een belangrijke objectieve factor aan te wijzen waarom de integratie zich in positieve richting zal blijven ontwikkelen. Die factor is mijn analyse over de ontwikkelingen in Europa, de wijze waarop het integratieproces zich voltrekt. Samengevat: Europa als een netwerk. Dat helpt om de uitbreiding te absorberen. Zo'n netwerk, waarin de lidstaten heel sterk mededrager van de integratie zijn, is flexibel en precies wat we op dit moment nodig hebben. Zonder afbreuk te doen aan het acquis of de verdragsrechtelijke structuur.

Nederland

Ik wil afronden en eindigen met Nederland: wat betekent dit alles voor de positie van ons land, ook in het licht van de uitbreiding? Die positie blijft een eigenaardige. We zijn middelgroot. We nemen wat inwonertal betreft een aparte positie in. Die willen we tot uitdrukking brengen in de discussies over het stemmengewicht. Sceptische reacties hoor ik daar al op. Maar ik denk dat we al verschillende malen hebben laten zien dat we onze onderhandelingsinzet hebben kunnen realiseren: in Berlijn, in Tampere, in Helsinki. Ik neem mijn optimisme dus mee naar Nice.

De voorbereiding van Nederland op het grote, ongedeelde Europa beperkt zich echter niet tot de IGC of de hetvorming van de instellingen. Het relatie-netwerk met de kandidaat-lidstaten staat centraal. In het afgelopen jaar zijn we daarom strategische verbindingen met de kandidaat-lidstaten aangegaan. Vanuit het kabinet en vanuit Buitenlandse Zaken. Dat heeft de minister gedaan, dat heeft de minister-president gedaan, en dat heb ik zelf gedaan.

Het belang van het opbouwen van partnerschappen met de kandidaat-lidstaten wordt ook op andere ministeries onderkend. Die partnerschappen dienen niet alleen om kandidaat-lidstaten te kunnen helpen, al doen we dat graag. Het gaat niet om het belerende vingertje over het acquis communautaire en hoe dat allemaal moet worden toegepast. Centraal staat de politieke overweging dat we straks partners in de Unie zijn. De basis daarvoor moet nu al worden gelegd.

Ik zie daar een interessante respons. We zijn voor die kandidaat-lidstaten nooit het eerste referentiepunt geweest. Onze historische geldingsdrang lag overzee. Maar de kandidaat-lidstaten realiseren zich dat ze niet tot 'Brussel' toetreden maar tot een gemeenschap van lidstaten. En daarmee kijken ze over de schouder van hun natuurlijke 'broer' of 'zus' in de Unie heen. En dan blijkt Nederland een heel interessante tweede of derde partner te zijn. Onze economische- en handelspositie legt ons daarbij geen windeieren. Wij hebben behoefte om partnerschappen aan te gaan om onze positie in de Europese Unie van de toekomst te versterken. Zij zijn geïnteresseerd in wat wij hen te bieden hebben; een open en actief land.

Omvang en kwaliteit, daar zijn wij mee bezig binnen de gemeenschappelijke Europese ruimte. Zowel in de Unie van de 15 als in die veel grotere Unie bestaan fascinerende politieke uitdagingen.

© 1998 (minbuza@minbuza.nl)

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie