Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Bijdrage PvdA aan overleg over cultuurnota 2001-2004

Datum nieuwsfeit: 10-02-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Partij van de Arbeid

Den Haag, 10 februari 2000

Inbreng schriftelijke overleg PvdA fractie over de brief van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, Van der Ploeg, d.d. 17 januari 2000 ter aanbieding van een afschrift van de adviesaanvraag cultuurnota 2001-2004(OCW 00-67)

Met instemming hebben de leden van de PvdA-fractie kennis genomen van de adviesaanvragen cultuurnota 2001-2004, waarin zij een inhoudelijke samenvatting onderkenden van datgene wat in de afgelopen maanden in het kader van de voorbereidingen voor de Cultuurnota met de Kamer besproken is. De leden van de PvdA-fractie hebben naar aanleiding van de brief echter nog wel een aantal vragen.

Allereerst betreft dit het beschikbare budget, zowel in relatie tot de effecten van wetgeving als in relatie tot het arbeidsvoorwaardenbeleid.

Bij de behandeling van de begroting 1999, onderdeel Cultuur (dd 30 november 1998) is uitvoerig gesproken over de effecten van wetgeving. En in het Algemeen Overleg van 4 november 1999 over de Uitgangspuntenbrief Cultuur als confrontatie kwam naar voren dat de financiële dekking van de plannen nog niet duidelijk was ( de 131 mln werd als 'indicatief'genoemd) maar tegelijkertijd werd tevens aangegeven dat de vaststelling van de uitgaven pas plaatsvindt in het kader van de cultuurnota. Een en ander betekent dat het voor de Raad voor de Cultuur niet eenvoudig is om te weten binnen welke marges gewerkt kan worden. Hoe moet worden omgegaan met dit dilemma?

Op blz 8 van de adviesaanvraag wordt aangegeven dat er nog een onderzoek loopt ten aanzien van de effecten van de veranderingen in de sociale wetgeving en Arbowetgeving voor de podiumkunsten. De uitkomsten van dat onderzoek zijn op 7 februari 2000 aan de Tweede Kamer gezonden zonder een definitief standpunt van uw kant. Intussen hoeft de Raad geen rekening te houden met individuele claims. Wel verzoekt u in uw brief van 7 februari 2000 aan de Raad voor de Cultuur te bezien of en hoe e.e.a. in verband kan worden gebracht met vermindering van activiteiten. Is het niet zo dat de gestegen kosten als gevolg van genoemde wetgeving per definitie zullen leiden tot verschraling van het aanbod en dat het om die redenen voor de hand zou liggen om hiervoor compensatie te verlenen? Waarom wordt het onderzoek alleen uitgevoerd voor de podiumkunsten? Zijn de effecten van genoemde wetgeving niet ook bij de erfgoedinstellingen van belang? En hoe moeten de claims gefinancierd worden indien bij een niet verhogen van het bedrag voor de cultuurnota, wel meer aan arbeidsvoorwaarden uitgegeven zou moeten worden? Ligt aan de problematiek ten aanzien van de salarissen van de orkesten (bijlage 1, blz 7) niet nog een ander probleem ten grondslag, een achterstand die al tijdens de behandeling van vorige kunstenplannen werd gesignaleerd? Of gaat het hierbij alleen over de internationale vergelijking van het Koninklijk Concertgebouw Orkest? Zou een overzicht kunnen worden verstrekt van de salarisontwikkeling gedurende de afgelopen zes jaar van de kunstensector in z'n geheel? Naar de mening van de leden van de PvdA-fractie is door de huidige systematiek, waarin directies zelf verantwoordelijk zijn voor hun arbeidsvoorwaardenbeleid maar wel moeten voldoen aan wettelijke eisen, een situatie ontstaan die maakt dat arbeidsvoorwaarden sterk onder druk komen te staan. Externe middelen kunnen nu eenmaal niet voor arbeidsvoorwaarden worden ingezet. Wat is uw oordeel over de vraag of de arbeidsvoorwaardenfinanciering, binnen wettelijk vastgestelde kaders, een taak voor de overheid is? Indien de staatssecretaris van oordeel blijft dat deze mogelijke verhogingen binnen het budget gefinancierd moeten worden, dan moeten naar de mening van de leden van de PvdA-fractie de bedragen tijdig bekend zijn om aldus een integrale afweging mogelijk te maken. Is het daarom mogelijk om uw standpunt met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden, vóór 1 april 2000 aan de Tweede Kamer toe te zenden? En verdient het in dit verband niet de voorkeur om ook de beslissing over de orkestsalarissen naar voren te halen, ook voor 1 april 2000?

In bijlage 1, blz 1 wordt gesproken over de te ontwikkelen procedure in overleg met de andere overheden voor lokaal georiënteerde beleidsplannen. Ook de beoordelingsprocedure van die plannen moet nog worden ontwikkeld. Bij de nieuwe aanvragers zullen zeker een aantal instellingen zijn die aan dit criterium voldoen. Wil dat zeggen dat in het advies van de Raad op geen enkele manier duidelijk wordt voor de aanvragers of zij wel of niet voor subsidie in aanmerking komen? Noch dat het duidelijk is aan welke beoordelingscriteria of procedure zij voor het decentrale deel moeten voldoen? Wordt in die beoordelingscriteria voor culturele diversiteit voldoende rekening gehouden met de veelvuldig voorkomende dubbele identiteit? Is het niet beter, vanuit de transparantie van bestuur, als die beoordeling voor het decentrale deel van het actieplan cultuurbereik tegelijk met het advies van de Raad zou verschijnen? Hoe denkt de staatssecretaris dit mogelijk te maken dan wel aan betrokkenen tijdig de nieuwe criteria aan te geven? En hoeveel tijd krijgen zij dan om zo nodig hun aanvraag aan die criteria aan te passen? Welke relatie bestaat er in die beoordeling tussen de rijksoverheid en de andere overheden?

In bijlage 1, blz 2 vraagt de staatssecretaris advies over een faciliteit voor culturele diversiteit. Een bedrag daarvoor is niet aangegeven, noch een duidelijke taak. Is hiervoor een reservering gemaakt, of wordt dit bekostigd uit het Actieplan Cultuurbereik? Eenzelde vraag geldt voor het cultureel erfgoed van afzonderlijke groepen. Moeten de uitkomsten van het onderzoek samen met de minister van BZK en het LOM gefinancierd worden binnen het bedrag van de cultuurnota? En zal hiervoor ook de integrale afweging op van toepassing zijn? Is dit onderzoek voor 1 april 2000 gereed?

Kan de staatssecretaris toelichten waarom in bijlage 1, blz 3 de vraag gesteld wordt of bij de erfgoedsector aansluiting op kennisnet gewenst is, terwijl op dezelfde bladzijde wordt aangegeven dat dit voor collecties wel de moeite waard wordt geacht. Is het in beide gevallen niet van (evenveel) belang voor de educatie? Zo ja, met welke redenen wordt hier een verschil gemaakt?

In bijlage 1, blz 4 wordt aangegeven dat de raad terughoudend moet zijn bij het toekennen van nieuwe investeringen voor nieuwbouw en verbouwingsplannen van cultuurproducerende instellingen omdat deze kosten sinds de stelselwijziging rijkshuisvesting direct ten laste komen van het budget van die instellingen. Is er inmiddels overeenstemming tussen de instellingen en de staatssecretaris over de wijze waarop deze stelselwijziging gefinancierd moet worden? Indien de raad nu terughoudend moet zijn ten aanzien van de toewijzing van vernieuwingen, wordt het dan nog mogelijk op een ander moment de voorgenomen plannen te realiseren? Indien vernieuwingen en verbouwingen alleen nog binnen de cultuurnota gefinancierd kunnen worden, voorzien de leden van de PvdA-fractie dat dit bij de huidige systematiek van de stelselwijziging onmogelijk blijken te zijn.Gelet op de uitgangspunten van de staatssecretaris lijkt het ongewenst dat een zodanige verstarring van de instellingen op zou treden. Hoe denkt de staatssecretaris dit op te lossen?

Met betrekking van de amateurkunst, bijlage 1 blz 9, blijft onzeker of in de beoogde reorganisatie de positie van de amateurs voldoende versterkt zal worden. In hoeverre blijft het mogelijk om voor de amateurkunst, lopende de cultuurnota, middelen vrij te maken om verdere versterking mogelijk te maken?

In de brief van de staatssecretarissen van Buitenlandse Zaken en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (26 682 nr 4) over de HGIS-cultuurmiddelen is het uitgangspunt dat voor een deel de middelen in de begrotingen voor de cultuurnota van de internationaal werkende instellingen verwerkt moeten worden. Maar in de adviesaanvrage wordt gesteld dat er "geen voorschotten worden genomen op een HGIS-cultuurprogramma na 2002, waarvan nog niet zeker is dat het er komt - en als dat wel het geval is, hoe groot dit zal zijn". Kan worden toegelicht wat exact de strekking is van deze zinsnede? Wat is de betekenis van deze zinsnede in de adviesaanvraag? Moet de Raad voor de Cultuur ook de HGIS-middelenaanvraag beoordelen op de in uw brief (26 682 nr 4 dd 14 januari 2000) vastgestelde kriteria? Of komt er een andere beoordelingsronde? Door wie? Op welke termijn? En op welk moment weten de instellingen of zij de aangevraagde HGISmiddelen krijgen?

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie