Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Antwoord kamervragen verhoging lokale lasten

Datum nieuwsfeit: 11-02-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

aanh9900.642 verhoging lokale lasten

Gemaakt: 22-2-2000 tijd: 11:58


8

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 11 februari 2000

Onderwerp

Beantwoording schriftelijke vragen inzake de stijging van de lokale lasten

Bijgaand zend ik u mede namens de Minister van Financiën en de Staatssecretaris van Financiën de antwoorden op de schriftelijke vragen die ons zijn gesteld door de leden van uw Kamer, Kant en De Wit, Luchtenveld en Balkenende en Van der Hoeven over stijging van de lokale lasten. Deze vragen zijn ons toegezonden bij brieven van 10 januari 2000, nummer 29900049990, van 13 januari 2000, nummer
2990005020 en van 10 januari 2000, nummer 2990004940.

DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

A. Peper

Antwoorden op vragen Balkenende en Van der Hoeven(2990004940)

Vraag 1

Ja.

Vraag 2

In de Miljoenennota 2000 ging de regering uit van een per saldo verlaging van de belastingtarieven van het Rijk en premietarieven van de sociale fondsen in 2000 voor een bedrag van 1 miljard. Toen was nog niet bekend hoe de lasten bij de gemeenten, provincies en waterschappen zich in 2000 zouden ontwikkelen. Daarom werd als technische veronderstelling voor de decentrale overheden van een ongewijzigde lastendruk ten opzichte van 1999 uitgegaan (zie Miljoenennota 2000, bijlage 1.) Naar aanleiding van de Algemene Politieke Beschouwingen van september 1999 is besloten de lasten additioneel te verlagen met 1/2 mrd. Inclusief dit lastenverlichtingspakket is dus sprake van een lastenverlichting van 1
1/2 mrd in 2000. De door het CBS gepresenteerde cijfers, die zijn gebaseerd op de begrotingsvoorstellen van de decentrale overheden, geven de totale opbrengststijging weer, die het resultaat is van prijsmutaties en volumemutaties (de heffingsgrondslag muteert als gevolg van toename van het aantal woningen, kantoorgebouwen en andere bedrijfsgebouwen). De prijsmutatie is niet uit de CBS-cijfers af te leiden. De cijfers leiden tot een bescheiden wijziging van het beeld van de totale lastenverlichting; vermoedelijk bedraagt de lokale microlastenontwikkeling voor gezinnen, zoals die jaarlijks in de Monitor Lokale lasten wordt gerapporteerd, niet meer dan enkele honderden miljoenen.

Vraag 3

Indien gemeenten de f 100- maatregel niet meer (geheel) rechtstreeks aan de burgers ten goede laten komen zal door het Rijk worden beoordeeld of zij nog voldoen aan het zgn. Leids model, waarbij f 75 wordt uitgekeerd aan ieder gezinshuishouden en de overige gelden worden ingezet voor gericht nieuw minimabeleid. Als uit signalen blijkt dat dat mogelijk niet het geval is, zal nadere informatie bij de betreffende gemeente worden gevraagd en zal zonodig het raadsbesluit dat strekt tot deze actie worden geschorst en vernietigd.

Vraag 4 en 5

Het is niet mogelijk om het effect weer te geven van de lastenontwikkeling op verschillende typen huishoudens. Ten aanzien van de lokale lasten geldt bovendien dat deze per gemeente en ook per individu verschillen. Voor een indicatie van de effecten van lastenontwikkeling kan gebruik worden gemaakt van koopkrachtcijfers, waarbij rekening wordt gehouden met het gemiddeld effect dat de mutatie van de lokale lasten heeft op de consumentenprijsindex (cpi). De cpi in 1999 is ongeveer 0,1%-punt gestegen door de stijging van de lokale lasten (vergelijk de totale ontwikkeling van de cpi 1999, stand MN 2000, van 2,1%). Verwerking van de CBS-cijfers betekent dat de cpi voor 2000 licht hoger uitvalt dan tot dusverre is verwerkt in de koopkrachtberekeningen. De nieuwe informatie van het CBS leidt daardoor tot een zeer klein partieel effect op de koopkrachtontwikkeling 2000: tussen de 0 en de -0,05%-punt. De totale koopkrachtontwikkeling voor 2000 verandert hierdoor nauwelijks.

Antwoorden op vragen Luchtenveld (2990004990)

Vraag 1

Voor de opstelling van de Monitor Lokale Lasten wordt in beginsel gebruik gemaakt van de cijfers van het CBS. Voor de berekening van de microlastenontwikkeling die in de Monitor wordt gerapporteerd vormen de ontwikkeling van de vijf belangrijkste heffingen van gemeenten en waterschappen: de onroerende zaakbelastingen, de reinigingsheffingen, de rioolrechten, de waterschapsomslagen en de verontreinigingsheffing uitgangspunt.

Vraag 2

Op basis van de informatie van het CBS kan worden becijferd dat de som van de opbrengst van de posten genoemd in het antwoord op vraag 1 in
2000 met circa 7,5 procent toeneemt. In 1999 bedroeg deze mutatie 6,2% (zie tabel 2.1 van de Monitor Lokale Lasten 1999). Bij de opstelling van de Monitor Lokale Lasten 2000 zal de ontwikkeling van de lokale lasten worden gesplitst naar gezinnen en bedrijven. Deze uitsplitsing is thans nog niet beschikbaar. Vervolgens zal deze ontwikkeling -net als in de Monitor Lokale Lasten 1999 is gebeurd- mede in perspectief worden geplaatst door deze te vergelijken met de ontwikkeling van respectievelijk het nominaal beschikbaar gezinsinkomen, het bruto binnenlands produkt en de heffingsgrondslag.

Vraag 3 , 4 en 5

Uit het CBS onderzoek blijkt dat 75 gemeenten voornemens zijn de middelen voor lokale lastenverlichting voor minder dan 95% aan hun burgers door te geven. Op een enkele uitzondering na zouden alle gemeenten minimaal f 75 gaan doorgegeven. Met betrekking tot de CBS analyse wordt opgemerkt dat deze gebaseerd is op de primitieve begrotingen van de gemeenten. Dat zijn de begrotingsvoorstellen die in het algemeen in de maand september of later aan de raad worden voorgelegd. Deze begrotingen komen vaak al uit voordat de septembercirculaire van het gemeentefonds verschijnt. Aangezien het rijksbeleid op dit gebied in die circulaire en in de circulaire «diverse fiscale zaken» van 29 november 1999 nogmaals is toegelicht wordt er rekening mee gehouden dat gemeenten hun beleid inmiddels hebben bijgesteld.

Bij de behandeling van het wetsvoorstel tot voortzetting van de lokale lastenverlichting vanaf 2000 heb ik aangegeven dat toepassing van het zgn. Leids model, waarbij f 75 wordt uitgekeerd aan ieder gezinshuishouden en de overige gelden worden ingezet voor gericht nieuw minimabeleid, naar de opvatting van de regering de uiterste invulling van de wet is. Het CBS onderzoek maakt overigens niet duidelijk of de gemeenten de niet uitgekeerde middelen voor gericht nieuw minimabeleid of voor andere doeleinden hebben ingezet.

Mede naar aanleiding van maatschappelijke signalen is tot nu toe bij
16 gemeenten nadere informatie opgevraagd over de wijze waarop zij voornemens zijn de lokale lastenverlichting uit te voeren. Met vijf gemeenten vindt nog correspondentie plaats. De overige gemeenten hebben, conform verzoek, de besluitvorming inzake de lokale lastenverlichting in 2000 heroverwogen. Op dit moment zijn geen andere gemeenten bekend die de lokale lastenverlichting niet conform het regeringsbeleid uitvoeren.

Tot slot wordt opgemerkt dat de regering de uitvoering van de lokale lastenverlichting door gemeenten zal volgen via de Monitor Lokale Lasten. De Monitor wordt ieder jaar aan de Tweede Kamer toegestuurd. Op basis van de resultaten van de Monitor 2001 zal de regering bezien of de regeling inzake de lokale lastenverlichting in de huidige vorm kan worden voortgezet of dat er aanleiding is voor een andere vormgeving.

Vraag 6

Uit het rapport «Financiële positie van de gemeenten verkend» (maart
1998) blijkt dat in de jaren 1985 tot en met 1995 de reële ontwikkeling van de algemene uitkering ongeveer nul is geweest. In de jaren daarna is het accres van het gemeentefonds wel toegenomen. Naar het zich laat aanzien zal de in het Regeerakkoord opgenomen verwachte reële groei met gemiddeld ruim 2% per jaar meer dan gerealiseerd worden. De constatering dat gemeenten meer financiële armslag hebben wordt derhalve onderschreven.

Vraag 7

Uiteraard dalen de bijstandsuitgaven ook bij de gemeenten vanwege het zgn. 10%-aandeel dat ten laste van de gemeenten komt. Tevens vormen de lagere uitvoeringskosten een voordeel voor de gemeenten. Daar staat echter een partieel negatief effect op de omvang van het gemeentefonds tegenover als gevolg van de daling van de ten laste van het Rijk komende uitkeringslasten (het 90%-aandeel). Die daling werkt ceteris paribus door in de netto-gecorrigeerde rijksuitgaven, waaraan de omvang van het gemeentefonds is gekoppeld (de zgn. normering). In het rapport «Evaluatie normeringsmethode gemeentefonds en provinciefonds» is geconcludeerd dat de normeringsmethode op dit punt redelijk heeft voldaan.

Vraag 8

Er bestaat geen eenduidige relatie tussen de financieel-economische situatie in Nederland en de lastenontwikkeling bij decentrale overheden. Opgemerkt kan worden dat in de periode 1997 - 2000 forse accressen aan het gemeentefonds zijn toegevoegd die er voor hebben gezorgd dat de financiële positie van gemeenten is versterkt.

Met betrekking tot de ontwikkeling van de lokale lasten, zoals het CBS die op basis van de zogenoemde primitieve begrotingen heeft becijferd, wordt opgemerkt dat het Rijk deze volgt via de Monitor Lokale Lasten. Op basis van de Monitor 2000 zal, net als in de afgelopen jaren, worden beoordeeld of er sprake is van een beheerste ontwikkeling van de lokale lasten. Bij de beoordeling zal het kabinet mede betrekken de ontwikkeling van de overige inkomsten van de decentrale overheden, zoals de groei van het Gemeente- en Provinciefonds. Overigens ben ik voornemens de door het CBS geschetste ontwikkeling aan de orde te stellen in het reguliere voorjaarsoverleg met de VNG.

Vraag 9

Ja. Bij de Miljoenennota 2000 ging de regering uit van een per saldo verlaging van de belastingtarieven van het Rijk en premietarieven van de sociale fondsen in 2000 voor een bedrag van 1 miljard. Inclusief de aanvullende maatregelen waartoe werd besloten naar aanleiding van de Algemene Politieke Beschouwingen bedroeg deze lastenverlichting 1 1/2 miljard. Toen was nog niet bekend hoe de lasten bij de gemeenten, provincies en waterschappen zich in 2000 zouden ontwikkelen. Daarom werd voor de decentrale overheden als technische veronderstelling uitgegaan van een ongewijzigde lastendruk ten opzichte van 1999 (zie Miljoenennota 2000; bijlage 1).

Vraag 10

Neen. Hoewel nog niet precies duidelijk is hoeveel de lasten bij de gemeenten, provincies en waterschappen in 2000 stijgen, zal deze lastenstijging veel minder groot zijn dan de bij de Algemene Politieke Beschouwingen aangekondigde lastenverlichting van 1½ mrd. Zo wordt een deel van de stijging van de lasten verklaard door de ontwikkeling van de heffingsgrondslag (volume-mutaties) waarvoor bij de bepaling van de microlastenontwikkeling in de Monitor Lokale Lasten wordt gecorrigeerd. Vermoedelijk bedraagt de lokale microlastenontwikkeling voor gezinnen, zoals die jaarlijks in de Monitor Lokale lasten wordt gerapporteerd, niet meer dan enkele honderden miljoenen.

Vraag 11

Zoals eerder aangegeven worden de belastingtarieven van het Rijk en de premietarieven van de sociale fondsen in 2000 voor een bedrag van per saldo 1½ miljard verlaagd. De regering heeft in de Miljoenennota 2000 reeds aangegeven met de lastenverlichting onder andere de loonmatiging te willen bevorderen. De door het CBS gepresenteerde ontwikkeling bij de decentrale overheden moet in samenhang worden gezien met deze lastenverlichting bij het Rijk en de sociale fondsen. De effecten in termen van koopkracht zijn overigens zeer beperkt (zoals eerder aangegeven niet groter dan 0,05%).Vragen Kant en De Wit (2990005020)

vraag 1

In de Monitor Lokale lasten 2000 zal nader worden ingegaan op de oorzaken en achtergronden van de stijging van de lokale lasten. Op dit moment is hierover onvoldoende bekend om deze vraag te kunnen beantwoorden.

Vraag 2

De 8% stijging van de lokale lasten van het CBS is gebaseerd op primitieve begrotingen. De cijfers betreffen de totale opbrengststijging. Deze opbrengststijging bestaat uit een volume- en een prijscomponent. Het betreft dus niet puur een prijsstijging. Een volumestijging wordt bijvoorbeeld veroorzaakt door de ontwikkeling van de grondslag voor de onroerendezaak belasting (nieuwbouw/sloop van woningen, kantoorgebouwen en andere bedrijfsgebouwen). Uit de opbrengststijging is de prijsstijging niet direct af te leiden. In februari wordt de prijsstijging in 2000 van de lokale lasten die van invloed zijn op de consumentenprijsindex bekend. Alleen de prijsstijging is relevant voor het effect op de consumentenprijsindex.

Daarnaast is er een verschil in de ontwikkeling in de totale lokale lasten en het deel dat relevant is voor de consumentenprijsindex; zo wordt bijvoorbeeld het eigenaarsdeel van de OZB niet in de consumentenprijsindex verwerkt.

Bij de koopkrachtberekeningen voor 2000 is reeds een technische veronderstelling verwerkt ten aanzien van de stijging van de lokale lasten. Verwerking van de CBS-cijfers betekent dat de consumentenprijsindex licht hoger uitvalt dan tot dusverre is verwerkt in de koopkrachtberekeningen. De nieuwe informatie van het CBS leidt daardoor tot een zeer klein partieel neerwaarts effect op de koopkrachtontwikkeling 2000 tussen de 0 en de -0,05%. De totale koopkrachtontwikkeling voor 2000 verandert hierdoor nauwelijks.

Vraag 3

Bij het ziekenfonds is uitgegaan van een stijging van de nominale premie met 3½% en bij de particuliere ziektekostenverzekering is uitgegaan van een stijging 7½% (excl. MOOZ en WTZ). De aanvullende ziektekostenverzekering wordt bij de koopkrachtberekeningen niet meegenomen omdat deze optioneel is en per individu verschilt. De werkelijke stijging van de premies per 1 januari wordt naar verwachting in maart bekend. Overigens vallen particuliere premies buiten de directe verantwoordelijkheid van de overheid.

Vraag 4

Uit de eerste resultaten van de hertaxatie van de onroerende zaken ten behoeve van het tweede WOZ-tijdvak blijkt dat de waardeontwikkeling van woningen sneller is verlopen dan de waardeontwikkeling van niet-woningen. Dat kan er tijdens het tweede tijdvak toe leiden -ervan uitgaande dat gemeenten hun totaalopbrengst OZB gelijk houden en hun tarieven neerwaarts bijstellen als reactie op de ontwikkeling in de grondslag- dat lastendruk van niet-woningen naar woningen verschuift. De Gemeentewet staat momenteel een tariefdifferentiatie toe, waarbij de tarieven voor woningen en niet-woningen met niet meer dan 20% verschillen. Als een van de mogelijkheden om het hoofd te bieden aan de hierboven beschreven problematiek wordt wel geopperd die bandbreedte van 20% op te rekken. Het kabinet beraadt zich momenteel over de mogelijke lastendrukverschuivingen en de mogelijkheden het gemeentelijk belastinginstrumentarium aan te passen.

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie