Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Brief BUZA over het Nederlandse standpunt EU-raad Lissabon

Datum nieuwsfeit: 11-02-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

21501020.111 brief sts buza t.g.v. het nederlandse standpunt voor de e uropese raad van lissabon
Gemaakt: 14-2-2000 tijd: 11:55

2

21501-20 Europese Raad

nr. 111 Brief van de staatssecretaris van Buitenlandse Zaken

Aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 11 februari 2000

Mede namens de Ministers van Economische Zaken, Financiën, Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Verkeer en Waterstaat, heb ik het genoegen u het Nederlands standpunt voor de Europese Raad van Lissabon aan te bieden.

Dit standpunt is een uitwerking van de Notitie ter voorbereiding Europese Raad Lissabon, die ik u met mijn brief van 17 december 1999 heb aangeboden. Het standpunt bevat verwijzingen naar het document van het Portugese voorzitterschap voor deze Europese Raad (5256/00). Een kopie van dit document van het voorzitterschap is bijgevoegd. *)

De Europese Raad van Lissabon heeft een breed thema: Werkgelegenheid, economische hervormingen en sociale samenhang - naar een Europa van innovatie en kennis. Nederland heeft een tweeledige doelstelling.

Europa moet uitblinken in duurzame economische groei en werkgelegenheid.

Europa moet zijn sociale samenhang behouden en versterken.

De regering heeft de keuze gemaakt voor vier thema's die deze doelstelling kunnen verwezenlijken:

onderwijs en menselijk kapitaal,

onderzoek en innovatie,

ICT en elektronische infrastructuur

ondernemersklimaat.

Het standpunt bevat concrete actiepunten voor elk van de thema's om de lidstaten en de Commissie zo veel mogelijk aan te zetten tot gerichte actie

Dit standpunt staat niet los van nationale Nederlandse beleidsinitiatieven, zoals het streven van de regering naar meer kwaliteit in de samenleving. Ook de regeringsnotitie over de Digitale Delta, de Industriebrief (Ruimte voor Industriële Vernieuwing: agenda voor het industrie- en dienstenbeleid), HOOP (Hoger Onderwijs- en Onderzoekplan HOOP 2000) en het Wetenschapsbudget 2000 (Wie oogsten wil, moet zaaien) sluiten aan op het thema van de Europese Raad. Verder zal de Sociaal-Economische Raad (SER) nog deze maand een standpunt presenteren over onder andere de Europese Raad van Lissabon, dat betrokken zal worden bij de voorbereidingen.

Een groot aantal bijeenkomsten en (informele) raden zullen bijdragen aan de voorbereidingen van de Europese Raad. Dit zijn bijvoorbeeld de Algemene Raad, de Ecofinraad, de Interne Marktraad, de Sociale Raad, de Onderwijsraad en de Onderzoeksraad. De overgang naar de innovatie- en kenniseconomie zal centraal staan op de ministeriele conferentie over kennis, innovatie en concurrentievermogen, die de minister van Economische Zaken op 9 en 10 maart 2000 organiseert samen met haar Portugese collega in Noordwijk. Daarnaast zal de Minister-President bilaterale bezoeken brengen om van gedachten te wisselen over deze Europese Raad.

De Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken

D.A. Benschop

NEDERLANDS STANDPUNT VOOR DE EUROPESE RAAD VAN LIS-SABON

Inleiding

Op 23 en 24 maart 2000 vindt in Lissabon de bijzondere Europese Raad plaats over Werkgelegenheid, economische hervormingen en sociale samenhang - naar een Europa van innovatie en kennis. Nederland streeft twee doelstellingen na.

Europa moet uitblinken in duurzame economische groei en werkgelegenheid.

Europa moet zijn sociale samenhang behouden en versterken.

Het voorzitterschap wil een offensieve strategie als resultaat van de Europese Raad. De Nederlandse doelstellingen sluiten naadloos aan op dit Portugese streven om in het volgende decennium: «... van de Europese Unie op wereldniv-eau de meest dynamische en concurrentiële economische ruimte te maken, die gebaseerd is op innovatie en kennis, en die voor méér economische groei en méér en betere werkgelegenheid en méér sociale samenhang zorgt.»

Nederland schrijft in zijn position paper van 15 november 1999 dat versterking van het innoverend vermogen van de EU noodzakelijk is voor deze doelstellingen. Hierdoor kan Europa duurzame economische groei, werkgelegenheid, versterking van de concurrentiepositie en sociale samenhang realiseren. Europa, met een goed opgeleide beroepsbevolking en onderzoeksinfrastructuur, benut veel mogelijkheden onvoldoende. Het zal nog belangrijke belemmeringen moeten wegnemen. Vooral de achterstand in sectoren met een groot groeipotentieel is een uitdaging. De notitie geeft aan waar verbeteringen nodig zijn om, vanuit een achterstandspositie, een voorsprong te nemen op onder meer de VS. Waar de EU nu al voorop loopt, zoals in de mobiele telefonie, moet die voorsprong worden uitgebouwd.

Vergroting van de sociale samenhang in Europa en voorkomen van sociale uitsluit-ing zijn noodzakelijke aspecten van de versterking van het concurrentievermogen. Europa moet streven naar een zo groot mogelijke participatie van mensen aan maatschappij en arbeidsmarkt bij een adequaat niveau van sociale bescherming. Hierdoor worden competenties ontwikkeld en mensen met verschillende talenten gerespecteerd. Dit speelt temeer omdat een intensieve toepassing de afstand tussen werkende en niet-werkenden dreigt te vergroten. Europa moet een Europa worden voor alle burgers.

Deze notitie is een uitwerking van het Nederlandse position paper. Zij identificeert daarvoor vier thema's waar actie nodig is en noemt concrete punten om het in-noverend vermogen te versterken. De actiepunten zijn in twee categorieën onderverdeeld:

communautaire maatregelen, die op Europees niveau getroffen worden,

vergelijking en verbetering van nationale beleidsterreinen die een sleutelrol spelen bij de versterking van het innoverend vermogen (benchmarking).

Benchmarking gebeurt op twee niveaus. Interne benchmarking is een vergelijking van beleid tussen de lidstaten onderling met als doel dat de lidstaten van elkaar leren en elkaar aansporen. Externe benchmarking is een voortdurende vergelijking tussen Europa en andere economische regio's (vooral de VS en Japan). Hiermee blijft Europa op zijn qui-vive.

De vier thema's, waar actie nodig is, zijn de volgende.

Onderwijs en menselijk kapitaal

Onderzoek en innovatie

ICT en elektronische infrastructuur

Ondernemersklimaat

Voor bewaking van de samenhang tussen de vier thema's is een goede, brede coördinatie nodig. Continu volgen van de implementatie is essentieel om de doelstellingen te realiseren. Het gaat er om dat sneller wordt geleerd van, en gereageerd op structurele veranderingen. Het is niet de bedoeling een nieuw proces (een proces van Lissabon) in het leven te roepen; de bestaande processen voldoen. De meest betrokken Raden zullen de actiepunten van de Europese Raad be-handelen. Het voorzitterschap staat een open coördinatiemethode voor. Deze be-staat uit de volgende stappen.

Op Europees niveau worden richtsnoeren opgesteld. De ER committeert zich de richtsnoeren toe te passen.

De richtsnoeren bevatten best practices en indicatoren voor benchmark-ing.

Nationale actieplannen vullen de richtsnoeren in.

Samen met diverse maatschappelijke partijen worden de nationale ac-tieplan-nen uitgevoerd.

Peer pressure bewaakt de resultaten. Eventueel worden aanbevelingen gefor-muleerd.

Implementatie van de actiepunten en de voortdurende identificatie van nieuwe actiepunten binnen de strategie is noodzakelijk. Gedacht kan worden aan im-plementatieteams, waarin overheid, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties nationaal samenwerken, als aanvulling op de open coördinatiemethode van het voorzitterschap aan. De nationale implementatieteams komen samen in een Europees implementatieteam. Deze onorthodoxe organisatievorm bevestigt de sense of urgency van de implementatie van de actiepunten uit Lissabon.

Overzicht thema's en maatregelen voor de Europese Raad van Lissabon

Thema Beïnvloeding nationale beleidsagenda's Communautair beleid

Onderwijs en Versterking onderwijs

menselijk kapitaal ICT in onderwijs

Upgrading arbeidspotentieel

Versterking arbeidsmobiliteit Versterking arbeidsmobiliteit

Sociale insluiting Sociale insluiting

Onderzoek en innovatie Creatie van één Europese onderzoeksruimte Creatie van één Europese onderzoeksruimte

Commercieel toepasbaar en fundamenteel onderzoek

ICT en ICT voor iedereen Infrastructuur

elektronische infrastructuur

`Open' standaarden en harmonisatie

Juridisch kader elektronische toepassingen

Ondernemers-klimaat Wegnemen toe- en uittredingsdrempels Octrooi

Vermindering administratieve lasten

Risicokapitaal en ondernemerschap

Eerste thema: Onderwijs en menselijk kapitaal

Versterking onderwijs

Menselijk kapitaal wordt de essentiële productiefactor in de kenniseconomie. Vernieuwing van het onderwijs is daarom cruciaal voor welvaartsontwikkeling. Deze vernieuwing draagt bij aan de kwaliteit en het rendement van het onderwijs. Het vereist een nieuwe rol voor docenten. Ook moet het onderwijs flexibeler worden, bijvoorbeeld door delen van het onderwijs in samenwerking met het bedrijfsleven aan te bieden. Deelnemers aan het onderwijs moeten vaardigheden verwerven die passen bij de mondiale kenniseconomie. Aan-dacht voor vreemde talen is essentieel.

Leerlingen en studenten moeten de beste mogelijkheid krijgen hun kennis en kwaliteiten te vergroten door binnen Europa te kunnen studeren op de onderwij-sinstelling die het beste bij hen aansluiten. Binnen een op te richten Europese onderwijsruimte bestaan geen belemmeringen voor toelatingvoor studenten en docenten, anders dan de kwalificaties van de betrokkenen.

Actiepunten:

Lidstaten zullen de kwaliteit en het rendement van het onderwijs versterken, door meer te investeren in onderwijs. Een regelmatig te herhalen benchmarking, vooral met niet-Europese landen, is daarvoor noodzakelijk. De Raad zal gezamenlijke conclusies trekken, die lidstaten op nationaal niveau im-plementeren. De Raad zal de voortgang regelmatig be-spreken.

Lidstaten zullen op termijn één Europese onderwijsruimte instellen. Zij zullen hiervoor de belemmeringen in kaart brengen.

ICT in het onderwijs

Omgaan met ICT wordt een kernvaardigheid voor het onderwijs. Interactief onderwijs op elk niveau zal de dynamiek van scholing vergroten. Alle onderwij-sinstellingen hebben voldoende internetcomputers nodig. ICT-vaardigheden zijn essentieel om te kunnen functioneren in de samenleving. Hiervoor zijn docenten nodig die kunnen omgaan met ICT en innovatief gedrag stimuleren. Het opzetten van Europese netwerken, waardoor scholen met elkaar kunnen communiceren, dient gestimuleerd te worden.

Actiepunt: Lidstaten zullen versterkt gebruik van ICT in het onderwijs bevorderen. Zij moeten daarvoor investeren in voldoende bekwaamheden van docenten, Europese netwerken tussen scholen, internetcomputers en ICT-technologie. Voor 2004 moeten alle schoolverlaters met een computer kunnen omgaan. De Raad zal de voortgang regelmatig benchmarken.

Upgrading arbeidspotentieel

In de snel veranderende economie is voortdurend aanvullen van kennis en com-petenties noodzakelijk. Investeren in permanente scholing van zowel werkenden als werkzoekenden is lonend. Een individu krijgt daardoor werkzekerheid, nu baanzekerheid geen gegeven meer is. Een bedrijf krijgt zo personeel dat over de meest recente kennis en vaardigheden beschikt. Het is primair aan de sociale partners om afspraken over permanente scholing (life long learning) te maken. De nationale overheden hebben een ondersteunende rol. Zij kunnen stimuleren dat de competenties van de beroepsbevolking up-to-date zijn en breed inzetbaar. Het voorzitterschap steunt de life long learning.

Actiepunt: De lidstaten zullen meer nadruk leggen op kwaliteitsverbetering van Europese arbeidsaanbod. Het Luxemburgproces ondersteunt dit door specifieke aandacht voor life long learning en employability. De lidstaten zullen deze thema's regelmatig benchmarken. Belangrijk is nationaal samen met bedrijven en sociale partners te investeren in de kwaliteit van de beroepsbevolking en, in het bij-zonder, te streven naar maatschappelijk deelname van hen die tijdelijk niet kun-nen werken.

Versterking arbeidsmobiliteit

Moeilijkheden bij de erkenning van diploma's en elders verworven competenties (EVC's) vormen een belemmering voor de arbeidsmobiliteit. Uitgangspunt bij de erkenning moeten de competenties zelf zijn, niet de wijze waarop ze zijn verkregen, via formeel onderwijs of via training-on-the-job. Bovendien dient het Europese aanbod van vacatures transparanter te worden. Het Luxemburgproces zal in 2000 bijzondere aandacht besteden aan nationale arbeids- en
bemid-delingsor-ganisaties. De arbeidsmobiliteit tussen lidstaten wordt ook belemmerd door fiscale, sociale zekerheids- en pensioenstelsels.

Actiepunten:

De lidstaten zullen nationaal beleid ontwikkelen voor de erkenning van EVC's. Bovendien zullen lidstaten zorgen voor transparantie en waar mogelijk wederzijdse erkenning van EVC's en diploma's.

De Commissie, Raad en lidstaten zullen belemmeringen voor arbeidsmobiliteit, zoals belasting, premies, pensioen- en sociale zekerheidsstelsels, inventariseren en ieder op zijn eigen terrein passende maatregelen treffen. De Commissie zal de voortgang bewaken van haar initiatieven en aanbevelingen doen voor verbetering.

De Commissie zal een verordening opstellen voor directere administratieve samenwerking bij belastingen voor grensoverschrijdende arbeid. Zij zal daar-naast een voorstel doen voor een Europese regeling waarmee buitenlandse belastingplichtigen in de werkstaat kunnen kiezen voor be-handeling als bin-nenlands belastingplichtige.

Sociale insluiting

De kenniseconomie en een groter innoverend vermogen van Europa genereren een dynamische arbeidsmarkt en meer werkgelegenheid. De Europese verzor-gingsstaten staan voor de uitdaging sociale bescherming te combineren met prik-kels die mensen aan het werk zetten. Belangrijk is uitval (drop-outs) uit de arbeidsmarkt en het onderwijs te voorkomen. Uitvallers moeten zo snel mogelijk weer deelnemen aan het onderwijs of het arbeidsproces (de zogeheten sociale insluiting of social in-clusion). Doel is de positie van groepen met achterstandsposities te versterken. Om dit succesvol te laten verlopen moet een toereikend inkomensniveau gehandhaafd worden.

Sociaal beleid zorgt voor een verbetering van de concurrentiekracht en het in-noverend vermogen van de economie door behoud van competenties en menselijk kapitaal. De uitdagingen van een modern sociaal beleid zijn arbeid en zorg, gelijke kansen, flexibiliteit en zekerheid.

De Sociale Raad heeft besloten dat de EU de sociale zekerheidsstelsels moet aan-passen aan de veranderende economische en sociale structuren en met behoud van het beschermingsniveau. Hiervoor wordt een groep op hoog niveau in het leven geroepen. De groep zal zich bezig houden met de versterking van groepen met een achterstand, door:

non-participatie tegen te gaan,

een gemeenschappelijke visie te ontwikkelen over sociale bescherming in de kennismaatschappij.

Actiepunten:

De lidstaten zullen in het Luxemburgproces een extra inspanning leveren gericht op de terugkeer van achterstandsgroepen tot de maatschappij en arbeidsmarkt. Het gaat hierbij vooral om:

drop-outs uit het initieel onderwijs; en

de niet-werkenden, vooral langdurig werklozen.

De Europese Raad zal de oprichting bevestigen van een groep op hoog niveau voor de modernisering van de sociale bescherming en haar werkzaamheden vaststellen.

Tweede thema: Onderzoek en innovatie

Creatie van één Europese onderzoeksruimte

Vergeleken met de VS is het Europese onderzoek gefragmenteerd. «The cost of non-Europe is gigantic.» Onderzoekers, kennis en geld zijn uitgesmeerd over de lidstaten. Samenwerking creëert schaalvoordelen, die Europa's onderzoeks- en innovatiepotentieel slagvaardiger maken. Een goede onderzoeksinfrastructuur kan samenwerking stimuleren en bijdragen aan een goede afstemming van vraag en aanbod. De Commissie heeft voorstellen gedaan voor één Europese onderzoeksruimte. Bestaande en nieuwe netwerken zullen de basis vormen voor de ruimte. Samenwerking is mogelijk zonder een fysieke fusie. Een snel wetenschapsnet voor studenten, commerciële en wetenschappelijke onderzoekers stimuleert de toegankelijkheid van het onderzoek. Vooral het MKB profiteert van een transparanter aanbod van kennis.

Om de Europese onderzoeks- en kennismarkt te versterken, is regelgeving nodig. Infrastructuren moeten op elkaar aansluiten. Belangrijk is de belemmeringen voor de mobiliteit van onderzoekers, leraren en studenten op te heffen. Er mogen evenmin belemmeringen zijn voor digitale uitwisseling van kennis. Een verbetering van het onderzoeksklimaat voor (vooral jonge en vrouwelijke) onderzoekers is nodig voor voldoende onderzoek in de toekomst en voor een creatieve impuls aan het onderzoek van nu.

Actiepunten:

De Europese Raad zal een impuls geven aan de Europese onderzoeksruimte zoals de Commissie die heeft voorgesteld. Belangrijke onderwerpen in de voorstellen zijn: structurele samenwerking van `centres of excellence' (zowel onderzoeksinstellingen als bedrijven), bundeling van onderzoeksfaciliteiten, enthousiasmeren van jongeren voor onderzoek en verbetering van het onderzoeksklimaat op nationaal en communautair niveau.

Lidstaten zullen structurele Europese samenwerking tussen (private en publieke) onderzoekers bevorderen. Het gaat daarbij om vorming van netwerken tussen onderzoekers, vorming van virtuele centra en de opzet van grensoverschrijdende programma's. De Europese kennismarkt zal zo transparanter worden. De lidstaten bewaken de effecten met benchmarking.

De Commissie zal de bestaande belemmeringen, bijvoorbeeld voor infor-matie-voor-ziening of intellectueel eigendom, voor een Europese kennis-markt in-ventariseren. Zij zal vervolgens met voorstellen en aanbevelingen komen om deze belemmeringen op te heffen. Verder zal zij een plan van aanpak maken voor een efficiënte bundeling van nationale onderzoeksinitiatieven, zodat ook op com-munautair niveau de kennismarkt transparant wordt.

Lidstaten zullen de belemmeringen voor de mobiliteit van studenten, leraren en onderzoekers in kaart brengen en zoveel mogelijk wegnemen.

Lidstaten zullen hun onderzoeksklimaat verbeteren, speciaal voor jonge onderzoekers en vrouwen. De lidstaten zullen dit beleid onderling vergelijken.

Bij aanvang van het zesde-kaderprogramma, 1 januari 2002, zullen al tastbare resultaten zijn bereikt.

Commercieel toepasbaar en fundamenteel onderzoek

Een goede balans tussen fundamenteel en toegepast onderzoek is nodig om onderzoek meer in innovatie te laten uitmonden. Er zal voldoende ruimte moeten zijn voor vernieuwend fundamenteel onderzoek, omdat dit de basis vormt voor baanbrekende vernieuwingen. Extra aandacht is nodig voor speerpunttechnologieën. Fundamenteel en toegepast onderzoek zullen tevens moeten leiden tot verbetering van bestaande producten, processen en diensten en daarmee tot een verhoging van de levensstandaard. Vergeleken met de VS is het Europese onderzoek beperkt ontvankelijk voor de markt en private financiering. Onderzoek moet aantrekkelijk gemaakt worden voor investeerders. Dit kan, als nieuwe kennis binnen redelijke termijn toegepast kan worden.

Actiepunt: Lidstaten zullen voldoende ruimte geven aan vernieuwend fundamenteel onderzoek, met het daarbij behorende tijdsperspectief. Tegelijk zullen zij meer dan nu aandacht schenken aan de aansluiting van onderzoek op de vraag naar kennis vanuit het bedrijfsleven. Lidstaten zullen dit beleid regelmatig met elkaar vergelijken, ook met dat van VS en Japan, en best prac-tices overnemen.

Derde thema: ICT en elektronische infrastructuur

ICT voor iedereen

De organisatie van een cyberspace is een belangrijke uitdaging voor de komende tien jaar. E-commerce biedt burgers en bedrijfsleven meer informatie en betere keuzemogelijkheden. Innovatie en kennis groeien uit tot de belangrijkste productie-factor. Meer kennis in transport, milieu, openbaar bestuur en de gezondheidszorg verbetert de levensstandaard. Deze modernisering van openbare diensten zal de kwaliteit van dienstverlening doen toenemen. De overheid stimuleert een op in-novatie gerichte maatschappij door als e-government op intelligente wijze ICT in te zetten. Relatief geïsoleerde groepen zoals bejaarden en gehandicapten kunnen met de nieuwe technologie eenvoudiger deelnemen aan het maatschappelijke leven. Informatie- en communicatietechnologie (ICT) dient daarom voor de hele samenleving gemak-kelijk toegankelijk te zijn, zodat geen nieuwe uitsluiting ontstaat. Dat kan bij-voorbeeld door experimenten met hoog-waardige ICT-infrastructuur op een of meerdere locaties. Het voorzitterschap stelt een Europees `paspoort' voor basis-vaar-digheden voor. Dit handvest bevat de bekwaamheden om te kunnen werken met ICT

Actiepunten:

De Europese Raad onderstreept het belang dat innovatieve projecten die het ICT-gebruik stimuleren, voor iedereen zijn. De kosten voor gebruik van ICT moeten zo laag mogelijk zijn (door voldoende mededinging op de ICT-markt), het gebruik eenvoudig en de penetratiegraad groeiend.

De Raad en de Commissie stellen, met inachtneming van de nationale verantwoordelijkheden voor het onderwijs, een handvest op van basisvaar-digheden voor de kennismaatschap-pij: probleemoplossend vermogen, ontwik-keling van wetenschappelijk denken, technische vaardigheden (gebruik van ICT), vreemde talen, ontwikkeling van initiatief en ondernemerszin. Het hand-vest is een in-strument voor de lidstaten, die nationaal zullen streven naar ICT voor iedereen.

Infrastructuur

Europa loopt fors achter op de VS bij vaste infrastructuur voor dataverkeer, qua prijsstelling en beschikbare capaciteit (vooral van grensoverschrijdende lijnen). Belangrijke oorzaken voor de hoge prijzen zijn de beperkte concurrentie en hoge toegangsdrempels voor nieuwe aanbieders van infrastructuur. Het gevaar van monopolievorming bestaat door gevestigde infrastructuurleveranciers. Ook is het beperkte aantal en de beperkte capaciteit van grensoverschrijdende verbindingen een belangrijke belemmering. Alternatieve en breedbandige voorzie-ningen geven een impuls aan het internet. Europa heeft een voorsprong bij mobiele telefonie. Snelle intro-ductie van de derde generatie mobiele telefonie (UMTS) maakt nieuwe diensten als mobiele e-commerce mogelijk, waardoor Europa die voorsprong kan uit-bouwen.

Actiepunt: De Commissie zal de infrastructuur voor het internet verbeteren, door onder andere de bevordering van:

snelle uitgifte door de lidstaten van ethervergunningen, bijvoorbeeld voor de derde generatie mobiele telefonie met toegang tot het internet,

meer concurrentie op verbindingen van het hoofdnet naar de eindgebruikers,

Trans-Europese breedband-telecommunicatienetwerken.

Zij zal aandacht geven aan machtsmisbruik en concurrentiebevordering op de ICT-infrastructuur.

`Open' standaarden en harmonisatie

Standaarden zijn noodzakelijk om de verschillende vormen van elektronische in-frastructuur op elkaar aan te kunnen sluiten (interoperabiliteit). Afwezigheid van standaarden leidt tot versnippering van technische systemen. De in-tegratie van systemen is van belang voor de Europese concurrentiepositie. Een succesvol voorbeeld is de introductie van GSM in Europa. Nieuwe internationale regels (het WTO-verdrag) verzetten zich echter tegen dwingende standaarden. Er is daarom sprake van zogeheten `open' stan-daarden.

Actiepunt: De Commissie doet binnen één jaar een voorstel voor open Europese standaarden voor de toegang tot digitale televisie, waarmee de ontwikkeling van de kabel als elektronische snelweg wordt bevorderd. Ook op andere gebieden, zoals bij de elektronische identificatie van voertuigen zorgt de Commissie vóór 1 januari 2001 voor stan-daarden.

Juridisch kader elektronische toepassingen

Het juridische kader voor optimaal gebruik van telecommunicatie voldoet niet meer. De Commissie heeft eind 1999 een mededeling gedaan over de regels die nodig zijn voor de telecommunicatiemarkt. De Commissie zal deze mededeling uitwerken met de vaststelling van beleidsdoelstellingen voor telecom-municatie en de wetgeving die ervoor nodig is. Zij moet daarbij een balans vinden tussen de markt, economische ontwikkeling en de maatschappelijke belangen van alle burgers.

Voor e-commerce heeft Europa, vergeleken met de VS en Japan, een goede uit-gangspositie in mobiele telecommunicatie. Deze uitgangspositie biedt mogelijkheden voor mobiele elektronische handel. Wel verdient het juridische kader aandacht. Inmiddels heeft de Commissie een agenda aangenomen om alle resterende wetgeving voor e-commerce voor het einde van 2000 te regelen. Het betreft regels voor onder meer copyright, finan-ciële diensten op afstand en elektronisch betalen. Ook problemen bij encryptie voor beveiliging van het elektronische dataverkeer, belemmeren de ontwikkeling van (mobiele) elektronische handel. Overeenstemming met de VS over het juridische kader voor e-commerce is nodig om geen nieuwe handelsbelemmeringen te laten ontstaan.

Actiepunten:

De Commissie en de Raad zullen vóór 1 januari 2002 beleidsdoelstellingen en wetgeving voor telecommunicatie vaststellen. In een overgangsperiode is het de lidstaten toegestaan sectorspecifieke regels te vervangen door de toepassing van het algemene mededingingsrecht.

De Commissie zal haar agenda voor de resterende wetgeving voor `e-com-merce' volgens schema uitvoeren. De Commissie en lidstaten zorgen voor over-eenstemming met de VS over het juridische kader.

De Commissie zal vóór 1 januari 2001 voorstellen doen voor de onwikkeling en toepassing van cryp-tografie ter beveiliging van mobiele transacties.

Vierde thema: Bevordering ondernemersklimaat

Wegnemen toe- en uittredingsdrempels

Europa heeft belangrijke stappen gezet op weg naar de economische integratie van de interne markt. De euro zal de prijzen op de binnenmarkt transparanter maken en verdere integratie tot gevolg hebben. De interne markt is echter nog niet volmaakt. Innovatie bestaat bij de gratie van een voldoende grote afzetmarkt waarop ondernemingen tijdig en op voldoende schaal hun in-novaties kunnen introduceren. Voltooiing van de interne markt is daarom belangrijk een noodzakelijke voor-waarde voor de kenniseconomie. Voor vernieuwend ondernemerschap zijn soepele vestigingseisen en toe- en uittredingsdrempels nodig.

Actiepunten :

Lidstaten zullen vóór 1 januari 2001 de nationale vestigingseisen in kaart brengen en elkaar aansporen onnodige vestigingseisen weg te halen. Lidstaten monitoren de voortgang met benchmarking, peer review en peer pressure.

Lidstaten zullen in 2001 andere toe- en uittredingsdrempels inventariseren en nationale maatregelen treffen. Lidstaten zullen van elkaar leren door benchmarking.

Vermindering administratieve lasten

Het starten van nieuwe bedrijven kost in Europa meer geld en tijd dan in de VS en Japan. Dit belemmert bedrijvigheid en innovatie in Europa. Lidstaten moeten deze kosten verminderen om vernieuwend ondernemerschap te stimuleren.

Actiepunten:

De lidstaten en de Commissie inventariseren vóór 1 januari 2001 hoe de kosten voor het starten van een onderneming omlaag kunnen. Binnen één jaar presenteren zij een actieplan met nationale en communautaire maatregelen voor deze kostenreductie. Im-plementatie wordt bewaakt. De kostenreductie zal per 1 januari 2003 zijn verwezenlijkt.

Lidstaten inventariseren binnen één jaar de nationale administratieve regels (waaronder fiscale) en de kosten ervan. Met een benchmarking zullen ze elkaar aansporen nationale maatregelen te nemen om deze regels vóór 1 januari 2003 af te schaffen of aan te passen.

Risicokapitaal en ondernemerschap

Risicokapitaal is een randvoorwaarde voor de ontwikkeling van innoverend ondernemerschap. Risicokapitaal alleen is echter onvoldoende. Ondernemers moeten risico's durven nemen om dit kapitaal inventief te benutten. In vergelijking met de VS kiezen in Europa weinig jongeren met een hoge opleiding voor het ondernemerschap. Lidstaten moeten dit gedrag zo veel mogelijk stimuleren. Met de totstandkoming van de eurokapitaalmarkt is de beschikbaarheid van risicokapitaal voor grotere bedrijven aanzienlijk verbeterd. Voor kleinere, innovatieve bedrijven zijn de mogelijkheden gering, ook in vergelijking met de VS. In oktober 1999 heeft de Commissie voorstellen gedaan om belemmeringen weg te nemen. De Commissie bereidt een proces van monitoring en benchmarking op dit terrein voor.

Actiepunten:

De Commissie zal voorstellen doen de faillissementswetten aan te passen, zodat ondernemers niet belemmerd worden opnieuw te beginnen.

De Commissie zal voorstellen doen voor wijziging van de richtlijnen over prospectussen om het bedrijven gemakkelijker te maken grensoverschrijdend kapitaal aan te trekken.

Lidstaten zullen vóór 1 januari 2001 plannen ontwikkelen om `venture capital' te combineren met ondernemingsadvisering (juridisch, fiscaal, marketing, account-ing en technologisch) en met toegang tot (internatio-nale) netwerken van bedrijven en kennisinstellingen.

Lidstaten zullen jongeren met een hoge opleiding stimuleren tot ondernemerschap. Zij zullen daarvoor vóór 1 januari 2001 plannen formuleren en beginnen met de implementatie. Interne en externe benchmarking zal hen daarbij behulpzaam zijn.

Octrooi

Ondernemingen zijn alleen bereid tot innovatie met een adequate bescherming van hun intellectuele eigendom voor de markt waarin zij opereren. Op dit moment is het Europese octrooi alleen geldig in de lidstaten waar-voor het expliciet is aangevraagd. Dit veroorzaakt fragmentatie en leidt tot extra kosten. Verder is de zogeheten fair use belangrijk. Een octrooi mag geen belemmering zijn, doordat het onnodig beperkend of te duur is. Een gemeenschapsoctrooi, dat geldt voor de hele EU, zou een grote stap vooruit zijn. De Commissie is onlangs met een voorstel gekomen. Vertaal-eisen vormen het belangrijkste pijnpunt.

Actiepunt: De Raad zal de verordening voor het gemeenschapsoctrooi vóór 1 juli 2001 aannemen. Hierbij zal hij aansluiten bij de wensen van het Europese bedrijfsleven en onderzoeksinstellingen en rekening houden met `fair use'.

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie