Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Verslag overleg afdracht loonbelasting en volksverzekering

Datum nieuwsfeit: 11-02-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

25875000.004 vao evaluatie vermindering afdracht loonbelasting en prem ie volksverz.
Gemaakt: 15-2-2000 tijd: 12:26

25875 Evaluatie Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekering

nr. 4 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 11 februari 2000

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid<1> heeft op 26 januari 2000 overleg gevoerd met minister De Vries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de regeling afdrachtvermindering lage lonen (SPAK) (25875, nr. 3).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissie

De heer Kamp (VVD) merkte op dat de SPAK een gerichte vorm van lastenverlichting is die minder productieve arbeid goedkoper moet maken. Dat lukt goed omdat de loonkosten voor die groep met maar liefst 10% worden verlaagd op het minimumniveau. Het NEI (Nederlands economisch instituut) heeft onderzoek gedaan naar de effecten van de SPAK. De resultaten van dat onderzoek zijn positief. De minister concludeert in zijn brief aan de Kamer van 24 november 1999 op basis van het NEI-rapport dat de SPAK voldoet aan zijn doel, maar plaatst daar geen kritische kanttekeningen bij, terwijl daar wel degelijk aanleiding voor is. Het NEI-rapport gaat bijvoorbeeld uit van wel erg ruime betrouwbaarheidsmarges. Het kritische rapport van de Rekenkamer van maart 1999 heeft, heel anders dan het NEI, gesteld dat van de SPAK geen stimulerende werking uitgaat. Dat rapport staat dus haaks op dat van het NEI. Hij zag hierin aanleiding om het functioneren van de SPAK kritisch te bezien en wees erop dat de extra SPAK-banen per stuk zo'n f.72.500 hebben gekost. Daar komt bij dat de situatie op de arbeidsmarkt sterk gewijzigd is sinds de SPAK in 1995 tot stand is gekomen. Er is geen sprake meer van een specifiek kwantitatief vraagprobleem in het onderste segment van de arbeidsmarkt. Werkgevers moeten stad en land afstropen om arbeidskrachten te vinden, ook in dat segment. Hij vroeg zich af of het aanbodsprobleem niet overheersend is geworden en of het niet gaat om kwalitatieve tekortkomingen en het onvoldoende gemotiveerd zijn.

Uit de evaluatie van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen blijkt dat de SPAK vooral wordt toegespitst op jongeren, terwijl iedereen weet dat de jeugdwerkloosheid als specifiek probleem is verdwenen. De te lage arbeidsdeelname van ouderen is wel een probleem. Slechts ruim een kwart van de huidige 55-plussers verricht betaalde arbeid -- dat blijkt ook uit het SER-advies bevordering arbeidsdeelname ouderen -- terwijl het aandeel van die groep in de beroepsbevolking snel groter wordt. Volgens de SER kan dit voor een deel worden verklaard uit de te hoge arbeidskosten voor ouderen. De SER oppert daarom de mogelijkheid van een arbeidskorting voor werkgevers, gericht op specifieke categorieën van oudere werknemers.

De heer Kamp stelde tegen deze achtergrond voor de SPAK te flexibiliseren op zodanige wijze dat de regeling steeds kan worden ingezet voor die groepen op de arbeidsmarkt waarvoor dat het meest zinvol is. Op dit moment zijn dat de 55-plussers, maar over een aantal jaren kan dat een andere groep betreffen. In de huidige situatie zou de SPAK moeten worden gericht op werkgevers die bepaalde categorieën werkzoekende 55-plussers in dienst nemen. Hij stelde tevens voor het voor de afdrachtskorting beschikbare budget te handhaven op het huidige niveau. Natuurlijk is er meer nodig om de arbeidsparticipatie van 55-plussers te verhogen, zoals het wegnemen van incentives om vervroegd te stoppen met werken en de herinvoering van de sollicitatieplicht.

De heer Van Zijl (PvdA) stelde dat uit het NEI-rapport blijkt dat de SPAK en de VLW tot een substantieel aantal banen heeft geleid voor twee kwetsbare groepen op de arbeidsmarkt. Uit een onderzoek van het ROA (Researchcentrum voor onderzoek en arbeidsmarkt) blijkt dat de situatie van lager opgeleiden in de toekomst niet veel rooskleuriger zal zijn dan nu het geval is. De instroom in de werkloosheid bestaat nog altijd voor 82% uit mensen met een opleiding maximaal op het niveau van het middelbaar onderwijs. Die twee groepen blijven dus kwetsbaar bij een iets tegenvallende conjunctuur. Tegen die achtergrond is het verstandig om de SPAK te handhaven.

Hij was ook geïnteresseerd in de verschillen tussen de rapporten van de Algemene Rekenkamer en van het NEI. Hij was geneigd om in dit verband, waar het gaat om wat hardere economische gegevens, het NEI serieuzer te nemen dan de Algemene Rekenkamer. Hij zag echter geen aanleiding substantiële wijzigingen aan te brengen in de systematiek van de SPAK, al was het maar omdat aanpassingen hiervan betekenen dat er een loonkostenverhoging komt aan de onderkant. Dat is een verkeerd signaal.

De heer Van Zijl was benieuwd naar de reactie van de minister op de suggestie om onder randvoorwaarden iets speciaal voor ouderen te regelen. Hij dacht daarbij eerder aan VLW-middelen dan aan SPAK-middelen. Het blijft wel de vraag of het lukt om ouderen die afstand hebben tot de arbeidsmarkt met heel weinig geld terug te halen op de arbeidsmarkt. Het is veel belangrijker om werkgevers te stimuleren om ouderen in dienst te houden dan al te veel verwachten van in dienst nemen.

Mevrouw Verburg (CDA) was ook positief over het functioneren van de SPAK. Zij wees op de verschillende uitkomsten in de onderzoeken. De minister geeft in zijn brief van 24 november 1999 niet aan waar die verschillen op gebaseerd zijn. Zij vroeg de minister daarover meer duidelijkheid te geven, met name als het gaat om de verhouding tussen het uitgebreide onderzoek van het NEI en het kritische rapport van de Algemene Rekenkamer.

De minister heeft in zijn brief geen conclusies getrokken. Hij geeft niet of nauwelijks aan hoe hij verder denkt te gaan. Zij was ervoor om verder te gaan met de SPAK en met de VLW, maar daarbij wel in ogenschouw te nemen hoe deze instrumenten zich verhouden tot andere arbeidsmarktinstrumenten. Wat dit betreft sloot zij aan bij de opmerkingen van de heer Van Zijl over het onderzoek van het ROA, waarin aangegeven wordt dat de mensen met een lagere opleiding in de komende jaren minder perspectieven zullen hebben op de arbeidsmarkt. Bij de behandeling van de begroting van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is gesproken over vereenvoudiging van gesubsidieerde regelingen voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Daarbij heeft de CDA-fractie de vraag op tafel gelegd of onderzocht kan worden hoe mensen aan een "normale" baan geholpen kunnen worden via de SPAK- of VLW-regeling in plaats van via gesubsidieerde banen als instroom/doorstroombanen en banen in het kader van de WIW. Ziet de minister iets in een dergelijke combinatie? Wil hij een flexibilisering van de regelingen in die zin in overweging nemen? Ziet de minister een mogelijke uitbreiding van de combinatie van SPAK en VLW in sommige situaties?

Ook mevrouw Verburg was geïnteresseerd in de mogelijkheid om SPAK en VLW voor oudere werknemers in te zetten.

Mevrouw Schimmel (D66) plaatste vraagtekens bij een flexibilisering van SPAK of VLW in die zin dat er voor oudere werknemers een uitzondering wordt gemaakt. Zij meende dat het hoofdbeleid gericht moet zijn op het in dienst houden van oudere werknemers en vroeg zich af of de VLW überhaupt geschikt is als instrument om oudere werknemers aan te nemen. SPAK en VLW kennen toch geen leeftijdsgrenzen? Hoe flexibel moet je die instrumenten maken om het ook op oudere werknemers van toepassing te laten zijn? Zij vreesde voor stigmatisering van ouderen.

Volgens het rapport van de Algemene Rekenkamer gaat er van de SPAK geen stimulerende werking uit voor het in dienst nemen van laagbetaalden. In de brief van de minister van 24 november staat dat de modelmatige analyses van de Algemene Rekenkamer onvoldoende onderbouwd waren. Hij beroept zich hierbij op een artikel uit Openbare uitgaven van de heer Opstal. Ook de resultaten van het rapport van het NEI moeten volgens de minister enigszins worden gerelativeerd, omdat er in de onderzoeken is uitgegaan van zeer ruime betrouwbaarheidsmarges. Mevrouw Schimmel was er, evenals de minister, van overtuigd dat de SPAK tot nu toe wel gewerkt heeft. Zij was ervoor de SPAK te handhaven als onderdeel van het werkgelegenheidsbeleid dat gericht is op de onderste segmenten van de arbeidsmarkt. Zij verzocht de minister de mogelijkheden te onderzoeken die er voor andere groepen zijn. Wellicht zou het een goed instrument zijn om herintredende vrouwen te helpen. Zij ging ervan uit dat ook in de toekomst studies naar de effectiviteit van loonkostenmaatregelen worden gedaan.

De heer De Wit (SP) plaatste vraagtekens bij de effectiviteit van de SPAK en vond dat de middelen die voor de SPAK worden uitgetrokken beter kunnen worden ingezet om het arbeidsaanbod te stimuleren. In dit verband noemde hij het voorstel van de SP voor een terugtaks in het kader van het plenaire debat over de belastingherziening. Deze zou gefinancierd kunnen worden door afschaffing van de SPAK.

De eerste kritiek op de SPAK kwam van het CPB in november 1997. Het CPB stelde dat de regeling zich beperkt tot werknemers die een loon verdienen tot 115% van het wettelijk minimumloon, het WML. Gevreesd wordt dat boven die grens zwart betaald zal worden, omdat anders de subsidie stopt. Inmiddels is er een afbouwregeling, waardoor dat bezwaar wel ondervangen wordt. Een ander punt van kritiek van het CPB betreft de scholingsinspanning van werkgevers. Die zou minder kunnen worden omdat de grens van 115% na scholing al snel overschreden wordt. Het derde bezwaar betreft het zogeheten "dode gewicht". Dat betekent dat een onbekend aantal mensen ook zonder een regeling als de SPAK wel in dienst genomen wordt. Vervolgens heeft het CPB de vrees voor verdringing van mensen die een loon verdienen boven de 115% WML door mensen die onder die 115% zitten. In september 1998 komt de Raad van State in het kader van de Miljoenennota met een fikse kritiek op de SPAK. De Raad van State stelt dat 1,9 mld. een substantieel bedrag is, waarvan niet is komen vast te staan dat het in de beoogde mate heeft bijgedragen in het aan het werk gaan van uitkeringsgerechtigden. Op 18 maart 1999 verschijnt het rapport van de Algemene Rekenkamer, waarin wordt geconcludeerd dat de groep gebruikers een vergelijkbare ontwikkeling vertoont wat het in dienst nemen van werknemers betreft met een inkomen rond het wettelijk minimumloon als voor niet-gebruikers van de SPAK. Van de SPAK lijkt, aldus de Rekenkamer, geen stimulerende werking uit te gaan op het in dienst nemen van de laagstbetaalden. Uit de enquête kwam naar voren dat tweederde van de gebruikers van de SPAK ook van mening was dat van de regeling geen invloed uitging. De invloed van de SPAK op nieuwe bedrijven kon niet worden vastgesteld. De ministeries van Financiën en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid verwerpen die conclusie, maar het verweer lijkt niet sterk. Ten eerste beroepen zij zich op de modellen van het CPB in plaats van op meetbare resultaten. Overigens geeft de staatssecretaris van Financiën zelf toe dat naast het toepassen van modellen ook gemeten moet worden om een goed beeld te krijgen. Ten tweede geven beide ministeries aan dat er op het moment waarop het onderzoek van de Algemene Rekenkamer plaatsvond, juist het onderzoek naar de effecten van de SPAK plaatsvond. De vraag is dan ook hoe de ministers op dat moment, terwijl het onderzoek gaande was, de conclusies van de Rekenkamer zo fundamenteel konden verwerpen.

In november 1999 zijn de resultaten van het onderzoek van het NEI verschenen, dat in opdracht van beide ministeries is gedaan. Het rapport van het NEI is gebaseerd op een respons van niet meer dan 13% van bedrijven en organisaties die waren aangeschreven. De heer De Wit vond het onverantwoord om daarop zulke vergaande conclusies te baseren als de minister heeft gedaan. Bij de enquête van de Rekenkamer was er een respons van 48% . Dat is ook niet fantastisch, maar bij zo'n respons kan in ieder geval gesproken worden van een substantieel antwoord. Hij vervolgde dat 93% van de SPAK-gelden besteed wordt aan dood gewicht. Dat betekent dat 93% van 1,9 mld. weggegeven is, zonder dat bekend is of dat al dan niet een effect van de SPAK is. Het voorstel van de SP over de terugtaks heeft natuurlijk ook geen effect op het arbeidsaanbod, maar daarmee komt het geld wel op de goede plek terecht, namelijk bij de werknemers en die kunnen dat goed gebruiken, zeker op dat lage niveau. Het doel van de SPAK was het stimuleren van de werkgelegenheid onder laagbetaalden. Of de SPAK daarvoor effectief was of is geweest, is niet voldoende vast komen te staan uit het onderzoek van het NEI. Intussen is ook de arbeidsmarkt belangrijk veranderd. Daar komt bij dat een werkelijk effectief instrument in de vorm van een terugtaks voorhanden is, waardoor mensen met een laag inkomen er geld bij krijgen en de werkgelegenheid stijgt.

Antwoord van de regering

De minister merkte op dat de SPAK-regeling bewezen heeft in de praktijk te werken. Dat is ook gebleken uit het rapport van het NEI. Het rapport van de Rekenkamer daarentegen, was vrij negatief. De SPAK is een betrekkelijk simpel instrument dat door werkgevers heel eenvoudig is toe te passen. Het gaat om echte banen. Bovendien geeft het instrument weinig administratieve ballast.

Hij ging vervolgens nader in op de onderzoeken van het NEI en van de Algemene Rekenkamer. Het onderzoek van de Rekenkamer was gebaseerd op een enquête en het NEI heeft zowel een enquête als een modelmatig onderzoek gedaan. De zwakke plek in het rapport van de Rekenkamer is dat men geen nieuwe bedrijven in de enquête heeft betrokken, terwijl juist de nieuwe bedrijven, gezien de dynamiek van de arbeidsmarkt, voor de afweging staan om mensen in dienst te nemen. Het onderzoek van de Rekenkamer had betrekking op 164 bedrijven. Dat is aanzienlijk lager dan de respons die het NEI heeft gekregen, namelijk van 478 bedrijven. De resultaten van het onderzoek van het NEI zijn dus representatiever dan de uitkomsten van het onderzoek van de Rekenkamer. Het evalueren van arbeidsmarktinstrumenten is een belangrijk punt, waar veel geld mee gemoeid is. Kort geleden is er door het departement van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een conferentie georganiseerd met een aantal wetenschappers, waarbij besproken is hoe in Nederland op een systematische wijze het arbeidsmarktinstrumentarium kan worden geëvalueerd. De resultaten van deze bijeenkomst worden op het departement verwerkt en deze zullen ongetwijfeld van invloed zijn op nadere onderzoeken die in dit kader worden gedaan. Hij voorzag geen verschuiving van subsidiemaatregelen naar "SPAK-achtige" maatregelen.

De minister stelde dat er nog veel vraag naar arbeid is en dat er nog steeds knelpunten zijn. Deze komen echter veel minder voor in het onderste segment van de arbeidsmarkt. Het heeft dan ook weinig zin om daar maatregelen op te richten. Wel heeft het zin om de aandacht te richten op andere knelpunten op de arbeidsmarkt. De SPAK is niet aan leeftijd gebonden, wel aan inkomen. Meer dan een miljoen mensen werken in het traject van 100% tot 115% van het WML. Dat is een aanzienlijk aantal. Die groep is groter geworden, omdat een aantal loonschalen verlaagd is. Er is dus aan de onderkant van de arbeidsmarkt, door maatregelen die niet direct met economische ontwikkeling te maken hebben, een dynamiek geweest die gedurende een aantal jaren groter was dan aan de bovenkant van de arbeidsmarkt. Er blijft derhalve een probleem aan de onderkant van de arbeidsmarkt.

De minister merkte op dat de SER een advies heeft uitgebracht over de problemen rondom de oudere werknemer en dat er een kabinetsreactie in voorbereiding is, waarin wordt aangegeven welke maatregelen genomen moeten worden. De SPAK is voor ouderen toegankelijk, mits zij binnen het segment van 100% tot 115% WML vallen. Om voor de VLW in aanmerking te komen moet men langdurig werkloos zijn. Deze regeling heeft geen eisen aan de werkloosheidsduur gesteld bij 57½ jaar en ouder. Het probleem is dat ouderen boven de 55 jaar geen grotere ontslagkans hebben dan anderen, maar dat zij als zij eenmaal ontslagen zijn bijna geen kans meer hebben om weer toe te treden. Het is natuurlijk mogelijk om incentives in de afdrachtsfeer te creëren, waardoor werkgevers meer genegen zouden zijn om mensen boven de 55 jaar langer in dienst te nemen, maar het is eigenlijk harder nodig om incentives af te bouwen om mensen te laten afvloeien. De minister deelde mede dat hij op korte termijn met voorstellen op dit terrein komt. Hij meende dat een regeling als de SPAK voor deze ouderen niet veel effect heeft wanneer deze beperkt blijft tot het inkomenstraject. De VLW stelt geen termijn bij het in dienst nemen van ouderen van 57½ jaar en ouder. Die regeling kan dus onmiddellijk worden toegepast. In dit kader wordt ook gedacht aan het wijzigen van de regeling rondom de sollicitatieplicht.

Op de vraag of de SPAK vooral gericht is op jongeren, antwoordde de minister dat 26% van het totale bestand aan SPAK-deelnemers bestaat uit jongeren. Daarbij doelde hij op jongeren tot en met 22 jaar. De kosten die daarmee gemoeid zijn komen neer op slechts 5% van het totale bedrag dat is uitgetrokken voor de SPAK.

De minister was het ermee eens dat er geen aanleiding is om substantiële wijzigingen aan te brengen in de systematiek van de SPAK.

Vervolgens ging hij in op de problematiek die de inkomensafhankelijke regelingen met zich brengen voor de aanbodkant van de markt. Er wordt momenteel studie gedaan naar concrete maatregelen die kunnen leiden tot een verbetering van de problematiek van de armoedeval. Dit is een buitengewoon ingewikkeld vraagstuk. Mensen mogen er in inkomen niet op achteruit gaan en dat kan ertoe leiden dat voor een deel uitgeweken wordt naar generieke compensatietrajecten. Deze studie zal binnenkort worden afgerond, waarna het kabinet er een voorstel over zal doen.

Voorts deelde de minister mede dat hij een quick scan uit heeft laten voeren naar uitkeringen die in het kader van de bijstand zijn gedaan -- geen categoriale uitkeringen -- met name aan het eind van het jaar. Deze uitkeringen zijn niet alleen bestemd voor uitkeringsgerechtigden, maar ook voor mensen met hetzelfde inkomen als uitkeringsgerechtigden, om te voorkomen dat er discrepanties ontstaan. Gebleken is dat de maatvoering in de verschillende gemeentes afwijkt. Ook dit punt wordt bij de studie naar de problematiek van de armoedeval betrokken.

De minister meende dat men niet hoeft te vrezen dat de SPAK zal leiden tot verdringing van mensen die een loon verdienen boven de 115% WML door mensen die daaronder zitten. Gebleken is dat er een grotere doorstroom is uit de laagbezoldigde banen dan voorheen het geval was. Er is dus meer dynamiek ontstaan.

Nadere gedachtewisseling

De heer Kamp (VVD) hield, ondanks de gedegen reactie van de minister, enige twijfel over de SPAK als instrument. De bezwaren van de Algemene Rekenkamer zijn niet weggenomen. Hij stelde nog eens dat de marges van het NEI wel zeer ruim zijn. Hoewel de SPAK een positief effect zal hebben, zou hij deze regeling nu niet opnieuw invoeren. Het is een regeling die sterk tijdsgebonden is. In 1995 was dit probleem veel groter dan op dit moment, omdat de arbeidsmarkt er heel anders uitzag. Op dit moment liggen de prioriteiten anders. Hij concludeerde dat het instrument als zodanig gehandhaafd kan worden, maar verzocht de minister om naar aanleiding van het SER-advies te onderzoeken of een deel van het budget dat voor de SPAK bestemd is, kan worden ingezet voor drie doelen.

Ten eerste zou het specifiek gericht moeten worden op werkgevers die werklozen boven de 55 jaar in dienst nemen. Ten tweede zou alleen voor deze groep de inkomensgrens van 115% WML verhoogd moeten worden. Ten derde zou voor deze groep geen wachttijd moeten worden gehanteerd in het gehele land tot 57½ jaar, maar zou tot 55 jaar en misschien tot 50 jaar terug moeten worden gegaan. Op die drie punten zou sprake kunnen zijn van een flexibilisering van een deel van het budget van de SPAK. Hij verzocht de minister deze punten te betrekken bij zijn formulering van de kabinetsreactie op het SER-advies.

Mevrouw Verburg (CDA) merkte op dat uit de rapporten is gebleken dat veel werkgevers niet of nauwelijks bekend zijn met de mogelijkheden van de SPAK. Wat wil de minister doen aan het bevorderen van de bekendheid van de SPAK? Vervolgens stelde zij dat de beperkte termijn waarbinnen de SPAK geldt, belemmerend kan werken. Wanneer er namelijk sprake is van onvoldoende productiviteit bij de werknemer, zal deze verhoudingsgewijs duurder worden voor de werkgever als het volle pond weer moet worden betaald. Is dat bekend bij de minister?

Mevrouw Schimmel (D66) was er geen voorstander van om de SPAK alleen voor 55-plussers te bestemmen. Het is veel beter om te onderzoeken hoe mensen langer in dienst kunnen blijven. Zij pleitte ervoor de huidige SPAK te handhaven. Dat geldt ook voor de VLW-regeling.

De heer De Wit (SP) vroeg de minister nogmaals om een reactie op zijn opmerking dat uit onderzoek is gebleken dat 93% van de SPAK-gelden besteed wordt aan dood gewicht. Volgens het ministerie van Financiën is 900.000 maal gebruik gemaakt van de SPAK-regeling. Uitgaande van dat dode gewicht zal in 60.000 gevallen de SPAK aanleiding zijn geweest om iemand aan te nemen. Hij vond het bedrag van 1,9 mld. in dat kader wel erg hoog. Zij voorkeur ging ernaar uit het bedrag dat voor de SPAK uitgetrokken is te gebruiken om de aanbodzijde van de arbeidsmarkt te prikkelen. In dit kader noemde hij nog eens de terugtaks. Hij concludeerde dat de SPAK-regeling beter beëindigd kan worden.

De minister zegde toe de elementen die de heer Kamp naar voren bracht in het kader van het ouderenbeleid mee te nemen bij de standpuntbepaling naar aanleiding van het SER-advies. Hij wilde echter niet preluderen op de uitkomst daarvan.

Hij was het niet met mevrouw Verburg eens dat de SPAK-regeling bij veel bedrijven niet bekend is. Uit onderzoek blijkt dat slechts 10% tot 15% daarmee niet bekend is. Het is een vrij simpele regeling die ook is opgenomen in de boekhoudkundige programma's die men gebruikt voor loonadministratie. Bij de VLW ligt dat anders.

Wat het dode gewicht betreft stelde de minister dat dit een puur modelmatige term is. Er vindt lastenverlichting plaats die ten goede komt aan de productie in de Nederlandse economie. Het leidt tot kostprijsverlaging. Het is dus een lastenverlichting voor de werkgever en tegelijkertijd wordt een aanzienlijke bijdrage geleverd aan de vermindering van de werkloosheidskosten.

De voorzitter van de commissie,

Terpstra

De griffier van de commissie,

Van Dijk


1 Samenstelling:

Leden: Terpstra (VVD), voorzitter, Biesheuvel (CDA), Schimmel (D66), Bijleveld-Schouten (CDA), Kalsbeek (PvdA), Van Zijl (PvdA), Noorman-den Uyl (PvdA), ondervoorzitter, Kamp (VVD), Essers (VVD), Van Dijke (RPF), Bakker (D66), Visser-van Doorn (CDA), Verburg (CDA), Smits (PvdA), Spoelman (PvdA), Van der Staaij (SGP), Örgü (VVD), Harrewijn (GroenLinks), Van Gent (GroenLinks), Bussemaker (PvdA), Balkenende (CDA), Santi (PvdA), De Wit (SP), Wilders (VVD), Snijder-Hazelhoff (VVD)

Plv. leden: Meijer (VVD), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Giskes (D66), Dankers (CDA), Hamer (PvdA), Van der Hoek (PvdA), Kortram (PvdA), Blok (VVD), Van Blerck-Woerdman (VVD), Van Middelkoop (GPV), Van Vliet (D66), Stroeken (CDA), Eisses-Timmerman (CDA), Schoenmakers (PvdA), Middel (PvdA), Van Walsem (D66), Weekers (VVD), Vendrik (GroenLinks), Rosenmöller (GroenLinks), Wagenaar (PvdA), Mosterd (CDA), Oudkerk (PvdA), Marijnissen (SP), De Vries (VVD), Klein Molekamp (VVD)

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie