Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

'De kleur van grijs': discussienota PvdA over vergrijzing

Datum nieuwsfeit: 14-02-2000
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Partij van de Arbeid

EMBARGO TOT MAANDAG 14 FEBRUARI, 14.00 UUR

De kleur van grijs

Een sociaal-democratische verkenning over jong en oud in een vergrijsde samenleving

Februari 2000

Woord vooraf

De samenleving is maakbaar, zeiden sociaal-democraten vroeger. De huidige PvdA echter is bescheidener dan voorheen. Zij wil weliswaar nog steeds de toekomst beïnvloeden, maar heeft geleerd dat de uitkomsten nooit helemaal gelijk zijn aan wat zij oorspronkelijk hoopte. De werkelijkheid blijkt dikwijls weerbarstiger dan de PvdA, zelfs zonder ideologische veren, zou willen.

Dat is voor de PvdA geen reden om de toekomst gelaten op zich af te laten komen. Want wie niets doet, heeft op voorhand gecapituleerd voor wat liberalen het vrije spel van de maatschappelijke krachten noemen. De PvdA mag de wijsheid dan niet in pacht hebben en de toekomst niet in de achterzak, inzicht in mogelijke ontwikkelingen in de komende decennia bieden haar minstens de kans invloed uit te oefenen op de uitkomst ervan. Als parlementair-politieke partij of, beter nog, als deelneemster aan een regeringscoalitie.

Sommige ontwikkelingen immers zijn zowel uit de huidige situatie als uit recente processen af te leiden. En ook gevolgen daarvan laten zich in hoge mate voorspellen. Dat is bijvoorbeeld het geval met wat wel de vergrijzing wordt genoemd. Er kan niet worden betwijfeld dat er over zo'n twintig jaar meer ouderen en zeer ouderen zijn dan anno 2000.

Die vergrijzing is vooral verheugend. Zij zegt iets positiefs over de toegenomen welvaart en gezondheid, waardoor meer mensen langer actief en gezond kunnen zijn. Maar de vergrijzing brengt ook problemen met zich mee. Vaak behoeven mensen in hun laatste levensfase zorg en moeten een beroep doen op familie, vrienden en de overheid.

De PvdA wil dat ons land zich op die toekomst voorbereidt. Daarom wil zij nu al, waar nodig, beleidsmaatregelen voorstellen waardoor de vergrijsde samenleving van morgen voor oud en jong, Nederlanders en nieuwe landgenoten, aantrekkelijk is om in te leven.

Daarom start de PvdA een breed maatschappelijk ´vergrijzingsdebat'. Tweede-Kamerfractie en PvdA-bestuur beseffen dat zij het scenario van de toekomst vorm moeten geven met hulp van partijleden en buitenstaanders, met deskundigen en betrokkenen. Met ieders inbreng kan de te kiezen weg zo scherp mogelijk in beeld komen. Deze notitie is het begin. Daarin worden die onderwerpen aangesneden waarvan de PvdA de indruk heeft dat daar nu al beleid op moet worden ontwikkeld. Dat zijn de onderwerpen: arbeid, inkomen en sociale zekerheid, zorg, wonen en mobiliteit. Andere onderwerpen worden niet behandeld omdat ze ons op dit moment beleidsmatig minder relevant lijken. Daarin kunnen wij ons vergissen. Misschien worden gaandeweg de discussie nieuwe onderwerpen toegevoegd.

De PvdA biedt zowel jongere en oudere partijleden als buitenstaanders hierbij een discussienota aan. Daarin worden nog geen keuzes gemaakt, maar alleen in het debat te verkennen oplossingsrichtingen in kaart gebracht. Die mogelijke oplossingsrichtingen zijn cursief afgedrukt. Ook staat de nota niet bol van de cijfers en doorrekeningen. De redenen daarvoor zijn dat doorrekeningen over de toekomst nogal eens de plank misslaan en snel de discussie vertroebelen. Bovendien hebben sommige toekomstige problemen niet zozeer met geld, maar veelal ook met organisatie te maken.

Maar we staan, zoals gezegd, nog maar aan het begin. De PvdA nodigt iedere geïnteresseerde uit bij te dragen aan het vervolg: een voldragen stuk, waarvan elementen zullen neerslaan in het verkiezingsprogramma en, als het aan de PvdA ligt, in toekomstig regeringsbeleid. Deze discussienota is niet anders dan de eerste bouwsteen voor een sociaal-democratische 'vergrijzingsagenda' die sterk én sociaal is en waarin individuele keuzevrijheid en maatschappelijke solidariteit in balans zullen zijn. De samenstellers van de nota hopen op vele reacties.

Tientallen deskundigen van binnen en buiten de PvdA hebben ons tijdens de voorbereiding van deze discussienota voorzien van informatie. Daarvoor onze dank.

Jan van Zijl en Wouter Gortzak
Vergrijzing als lakmoesproef

In Nederland zullen de komende decennia meer ouderen en minder jongeren wonen. De naoorlogse geboortegolf, tussen 1946 en 1970, was in Nederland veel groter dan in de omringende landen. De eerste babyboomers vieren in 2000 hun 55e verjaardag. In 2010 worden zij 65 jaar. Vanaf 2000 zullen bij ongewijzigd beleid grote aantallen 'babyboomers' de arbeidsmarkt verlaten en bejaard worden. Daarmee is de toekomstige vergrijzing van Nederland zeker. Deze trend wordt wellicht enigszins genuanceerd, maar niet wezenlijk veranderd, door ook rekening te houden met de bijdrage aan de bevolkingsopbouw van de geïmmigreerde (en immigrerende) allochtone bevolking.

De afgelopen 20 jaar is het aantal ouderen in Nederland fors toegenomen. In 1975 waren er iets minder dan 1,5 miljoen 65-plussers, in 1995 waren dat er ongeveer 2 miljoen. Vanaf heden tot 2010 groeit het aantal 65-plussers nog gematigd, met ongeveer één procent per jaar, en dan zijn zo´n 2,5 miljoen mensen 65 jaar en ouder. Daarna ligt het vergrijzingstempo hoger en rond 2035-2040 bereikt de vergrijzing haar piek met ongeveer vier miljoen 65-plussers, een verdubbeling van het huidige aantal. Ook het aandeel van 65-plussers van de totale bevolking verdubbelt: zo´n kwart van de bevolking is rond 2035-2040 ouder dan 65.

Na de naoorlogse geboortegolf kwam het 'kinderdal' van de jaren zeventig, want de generatie van de babyboom heeft zelf relatief weinig kinderen voortgebracht. In de toekomstige samenleving doet zich dus niet alleen vergrijzing maar ook ontgroening voor doordat er minder jongeren zijn. De verhouding tussen oud en jong, of populair gezegd: tussen grijs en groen, zal daardoor nog ingrijpender veranderen. De ouderen, die in aantal de 'kinderdalgeneratie' volledig overschaduwen, zullen een sterke stempel op de samenleving drukken, een demografische ontwikkeling die met schokeffecten gepaard kan gaan. De inmiddels 55-plus geworden babyboomgeneratie zal bij ongewijzigd beleid uit het arbeidsproces willen treden, terwijl relatief weinig jongeren beschikbaar zijn om de vrijgekomen plaatsen op te vullen.

Er komen niet alleen méér ouderen maar ook veel meer oude ouderen, want door de toenemende welvaart en de betere gezondheidszorg bereiken mensen een steeds hogere leeftijd. Ook deze dubbele vergrijzing kan, als gevolg van de babyboom, een schokeffect veroorzaken. Anno 2000 is 23% van de 65-plussers 80 jaar of ouder, in 2010 is dat 25%. Als echter de 'babyboomgeneratie' rond 2030 de leeftijd van 80 jaar heeft bereikt, zal het aantal hoogbejaarden plotseling sterk toenemen. Is momenteel een half miljoen mensen 80 jaar of ouder, in 2050 zullen dat er ongeveer één miljoen zijn. Dan is één op de drie 65-plussers hoogbejaard, zijn twee generaties tezamen gepensioneerd en kan het gebeuren dat kinderen van boven de zestig, vaak zelf grootouder, voor hun ouders van boven de tachtig zorgen.

Vergrijzing wordt vaak uitsluitend met ouderenbeleid geassocieerd en dan vooral gezien als een last. Ten onrechte. Op zich is vergrijzing niet problematisch. Ouderen hebben de samenleving veel te bieden, ook de samenleving kan ouderen veel te bieden hebben. In ieder geval zijn de huidige (stereotype) beelden van veroudering en van bejaarde mensen in de vergrijsde samenleving van morgen veel minder van toepassing.

Cultuur, onderwijsniveau, levensstijl en sociaal-economische kenmerken van toekomstige ouderen zullen niet te vergelijken zijn met die van veel huidige ouderen. Zij zullen daarom heel anders in het leven staan. Hun behoefte aan zelfstandigheid en keuzevrijheid zal het aanzien van de vergrijsde samenleving steeds verdergaand beïnvloeden. ´De´ ouderen van morgen zijn niet over één kam te scheren. Ook al doordat er steeds meer oudere allochtonen komen, is de groep ouderen in de toekomst zeer divers en veel heterogener dan de huidige generatie 65-plussers. Er zullen verschillende kleuren in de 'zilveren golf' te onderkennen zijn.

Hoe de vergrijsde samenleving er precies zal uitzien is niet te voorspellen. Maar er kunnen wel enkele trends worden aangegeven die deels uitkomsten zijn van beleid - en dus ook van gemaakte keuzes - en deels autonoom zullen optreden.

De beroepsbevolking zal, ondanks de vergrijzing, toenemen door hogere participatie van groepen die nu nog vaak buiten het arbeidsproces staan, zoals allochtonen, ouderen en vrouwen. De verwachte hogere arbeidsparticipatie van ouderen betekent een breuk met een trend van de afgelopen decennia toen, onder meer door vervroegde uittreding, hun arbeidsparticipatie steeds lager werd. Ook zal de (blijvend grote) immigratie veel invloed hebben op de samenstelling van de beroepsbevolking.

De individualisering zet zich door en manifesteert zich onder meer in toename van het aantal huishoudens (zij het minder door de wens een eenpersoonsgezinshuishouding te vormen). Daarnaast is een belangrijke oorzaak van het ontstaan van eenpersoonshuishoudens de verweduwing. Mede daardoor neemt het aantal huishoudens ook als gevolg van de vergrijzing toe. Van de jaren '60 af is het aantal huishoudens in Nederland ongeveer verdubbeld, van drie miljoen naar ongeveer 6,5 miljoen. De komende periode zal die groei trager gaan, maar tot 2020 zullen er toch zeker nog één tot 1,5 miljoen huishoudens bijkomen.

Tenslotte blijft de voortgaande emancipatie van vrouwen zich uiten in een aanhoudende stijging van het aantal vrouwen dat betaalde arbeid verricht. In 1995 had 49% van de vrouwen van 20 tot 64 jaar een betaalde (deeltijd)baan, in het jaar 2020 zal dat rond de 70% liggen. Evenals in het jongste verleden zullen zij profiteren van de groei van de dienstensector. Doordat hun opleidingsniveau sterk is gestegen gaan zij eerder (en/of blijven zij langer) werken.

De toekomstige veranderende bevolkingsopbouw heeft ingrijpende gevolgen voor diverse sectoren van de samenleving. Collectieve uitgaven in de sociale zekerheid, de zorg, maar ook volkshuisvesting, onderwijs en mobiliteit zijn zeer gevoelig voor veranderingen in de demografische ontwikkeling. Deels zal dat extra kosten voor sectoren met zich meebrengen, maar er zijn ook sectoren denkbaar waar de kosten door de demografische ontwikkelingen zullen dalen. Daarbij komt dat de vergrijzing ook gepaard zal gaan met economische potenties. Zo is bijvoorbeeld in Nederland een geweldig pensioenvermogen opgebouwd. Dat biedt niet alleen aan zeer veel mensen zekerheid op een redelijk welvarende oude dag, maar het zal tevens bijdragen aan de economische groei in de toekomst. Ook het maatschappelijk en financieel draagvlak voor die voorzieningen zal onder invloed van de vergrijzing en ontgroening veranderen. De sociaal-democratie staat voor de opgave, voor zover dat in haar vermogen ligt, de samenleving van morgen zo goed mogelijk op de veranderende omstandigheden voor te bereiden. Zo bezien is een sociaal-democratisch programma voor de vergrijsde samenleving een lakmoesproef voor de vitaliteit van het sociaal-democratische denken.

Het proces van vergrijzing doet zich vanaf nu geleidelijk voor. Dat biedt gelegenheid om de huidige instellingen waar nodig bijtijds en geleidelijk te hervormen. Waar nodig, want in veel gevallen kunnen individuele burgers steeds beter zelf een weg vinden in de veranderingen in de samenleving of zal de markt voor nieuwe arrangementen zorgdragen. Op sommige punten is anticiperend overheidsbeleid waarschijnlijk wel nodig. Het nalaten daarvan kan in de toekomst ernstige consequenties hebben en vergrijzing van uitdaging in probleem veranderen. We moeten voorkomen dat we achteraf zeggen: we hebben er niet over nagedacht.

Voor enkele beleidsterreinen heeft de politiek al wel maatregelen getroffen. Zo moet het AOW-spaarfonds het hoofd bieden aan een dreigende onbetaalbaarheid van het basispensioen. Ook houdbaarheid van het pensioenstelsel op de lange termijn is al enige jaren onderwerp van discussie en beleid.

Toch zijn maatregelen in deze sfeer waarschijnlijk niet voldoende. De komende vergrijzing heeft immers gevolgen over de volle breedte van de samenleving. In deze discussienota probeert de PvdA daarom aan te geven wat de gevolgen van de vergrijzing zijn op de terreinen van arbeid, inkomen en sociale zekerheid, van gezondheid en zorg en van wonen en mobiliteit. Door daar nu al over na te denken hoopt de PvdA een traditie voort te zetten die begon met de ouderdomsvoorzieningen van Drees en Suurhoff. Het doel is de vergrijzing op de politieke agenda te plaatsen om te voorkomen dat we de gevolgen ervan als een autonoom proces over ons heen laten komen.

Arbeid, inkomen en sociale zekerheid

Solidariteit en draagvlak

De een gaat gebukt onder de gevreesde gevolgen van vergrijzing, de ander vermoedt een 'Zwitser Levengevoel voor allen' in de vergrijsde samenleving van morgen; ouderen die onbekommerd op (wereld)reis gaan en naar hartelust consumeren. Die Utopie komt niet helemaal uit de lucht vallen. Als recente ontwikkelingen doorzetten zal het welvaartsniveau van een grote groep ouderen omstreeks 2010 aanzienlijk zijn gestegen. Nu nog heeft circa 80% van de ouderen naast de AOW vaak niet meer dan een bescheiden aanvullend pensioen, voor steeds meer ouderen zullen die pensioenaanvullingen substantiëler worden. Nu al bezit de groep 55-plussers samen zo'n 65% van het totale Nederlandse privé-vermogen, in 2010 zal ongeveer 40% van de consumptieve bestedingen voor rekening van de ouderen komen. En de helft van de 50- tot 60-jarigen die in 2000 in een eigen huis woont kan in de komende jaren op een forse vermogenstoename rekenen.

Het Centraal Planbureau heeft de laatste jaren diverse berekeningen gepubliceerd over de gevolgen van de vergrijzing en ontgroening op de langere termijn. Dat zijn belangrijke berekeningen omdat ze zicht geven op de kosten die de verschillende generaties moeten betalen en de wijze waarop die kosten worden opgebracht. Zo kan worden bezien of iedere generatie zoveel mogelijk zijn eigen kosten betaalt en niet de rekening bij een volgende generatie legt. Omdat het om de lange termijn gaat, zijn de berekeningen zeer gevoelig voor kleine wijzigingen in de vooronderstellingen. Het is net als met een mammoettanker. Bij een beetje meer arbeidsparticipatie verdwijnen vele problemen, maar omgekeerd als de zorgkosten te hard stijgen neemt de onbetaalde rekening sterk toe. Opvallend is dat macro-economisch gezien het draagvlak voor de toekomst sterker is geworden. Bij de berekeningen kan nu worden uitgegaan van een aanzienlijk hogere arbeidsparticipatie en een betere startpositie van de overheidsfinanciën. Dat zijn de vruchten van het overheidsbeleid van de laatste jaren. Het CPB verwacht dat door de hogere arbeidsparticipatie de overheidsfinanciën zodanig worden versterkt dat dit opweegt tegen de stijging van de vergrijzingskosten na 2020. Voor alle zekerheid beveelt het CPB aan om de 'meevallers' van de eerste periode wel te sparen om 'tegenvallers' in de toekomst te kunnen opvangen. Vanuit deze gedachte heeft de PvdA het AOW-spaarfonds voorgesteld, dat inmiddels in een wet is vastgelegd.

Dat met een zekere rust naar de macro-economische toekomst kan worden gekeken, vermindert niet de noodzaak om een aantal indringende micro-economische veranderingen onder ogen te zien. De vele rozengeur en maneschijn in het vooruitzicht geldt bijvoorbeeld lang niet voor iedereen. Mensen die nu van een uitkering afhankelijk zijn, hebben ook in de toekomst weinig kans op een ruim inkomen. Het eigen woningbezit zal vooral bijdragen aan de vermogensopbouw van bevolkingsgroepen die toch al veel kansen hadden. Het 'Zwitser Levengevoel' is ook in de toekomst voor velen niet weggelegd, lang niet alle ouderen zijn dan rijk of minstens welvarend. Het is niet ondenkbeeldig dat de inkomensongelijkheid in de toekomst schrijnender zal worden.

Om inzicht te krijgen in toekomstige inkomensposities kunnen recente ontwikkelingen ook voor mensen die het nu niet breed hebben worden doorgetrokken. Het gemiddeld totaal inkomen van 65-plussers is in de jaren ´90, ondanks de verbeterde aanvullende pensioenen, nauwelijks gestegen. Het aandeel van de AOW in het totale inkomen van de gemiddelde 65-plusser ligt al sinds 1990 op 45%. Voor alleenstaanden is dit percentage hoger: voor mannen 50%, voor vrouwen 57%. Bij ouderen komt thans een laag inkomen meer dan evenredig voor. Van de mensen boven de 65 jaar leeft 6% uitsluitend van een AOW-uitkering, waaronder veel vrouwen en allochtonen. Oudere vrouwen wonen meer alleen (alleenstaand of als weduwe) dan mannen en hebben vaker een laag inkomen: 26% van de alleenstaande vrouwen boven de 65 moet het met weinig doen tegenover 17% van de mannen. Deze situatie zal in de toekomst maar geleidelijk veranderen.

Vrouwen en allochtonen hebben, door de lage arbeidsparticipatie en de hoge uitkeringsafhankelijkheid, een laag aanvullend pensioen. Dat zal omhoog gaan als de arbeidsparticipatie van ouderen uit de minderheden toeneemt, maar de opbouw van hun AOW is dan nog geruime tijd onvolledig. Met name door de huidige hoge werkloosheid onder allochtonen leidt dit tot de voorspelling dat 'AOW-zonder pensioen' steeds meer kleur krijgt. De PvdA-fractie bereidt momenteel voorstellen voor om de onvolledige AOW-opbouw te compenseren.

Er moet bij ongewijzigd beleid worden gerekend op een tweedeling in de inkomensverdeling die vooral gekoppeld zal zijn aan het opleidingsniveau. Door het cumulatieve effect van eigen woningbezit, erfenissen, private oudedagsvoorzieningen, alsmede betere pensioenresultaten en uittredingsregelingen, zullen de hoger opgeleiden rijker en talrijker worden, terwijl de groep laag-opgeleiden in aantal en inkomen waarschijnlijk gelijk blijft. Zo ziet de groep ouderen van morgen er heterogener uit dan de ouderen van nu. Meer ouderen zijn welvarend, maar de inkomensongelijkheid tussen de ouderen neemt waarschijnlijk toe. Daarmee komt de sociale cohesie van de samenleving onder druk te staan. Vinden sociaal-democraten dat acceptabel, laten zij zo´n ontwikkeling op haar beloop of gaan ze op zoek naar nieuwe vormen waarin de solidariteit tussen die ouderen onderling en tussen ouderen en jongeren gestalte kan krijgen?

Een tweede vraag aan de sociaal-democratie vloeit voort uit de omstandigheid dat veel ouderen meer profijt hebben van collectieve arrangementen dan zij daar zelf in het verleden aan hebben bijgedragen. Vaak hebben zij minder dan de voorziene 40 jaar premie betaald, dikwijls profiteren zij, door de toegenomen gemiddelde levensduur, ook langer van uitkeringen en voorzieningen dan verwacht. Daar komt nog bij dat, in het jongste verleden, jongere generaties vaak goeddeels de bezuinigingen op de sociale zekerheid moesten dragen, om verworven rechten van ouderen te ontzien. Ook in de toekomst moet worden gerekend met een zwaardere druk op jongeren. De collectieve uitgaven voor oudedagsvoorzieningen en zorg zullen toenemen, terwijl het financiële draagvlak door de ontgroening verkleint. Minder jongeren moeten dan de pensioen- en zorglasten van grotere groepen ouderen dragen en dat kan tot spanningen tussen de generaties leiden. Ook omdat veel ouderen in de toekomst welvarend zijn, zullen veel jongeren de last op hun schouders steeds onrechtvaardiger vinden.

Sociaal-democraten moeten de vraag beantwoorden of, en zo ja hoe, de toegenomen rijkdom van een deel van de oudere generatie in evenwicht valt te brengen met de bijdragen aan collectieve voorzieningen van de jongere generaties of, anders gezegd, de vraag of vergrijzing en ontgroening vereisen dat er voor de solidariteit tussen jong en oud nieuwe vormen moeten komen.

De vergrijzing zal de collectieve uitgaven voor AOW en zorgvoorzieningen doen stijgen. Daarbij moet worden aangetekend dat een deel van die kosten (vooral wat betreft zorgvoorzieningen) verder naar de toekomst zal schuiven, doordat mensen ouder worden en pas op het laatst van hun leven in sterke mate gebruik maken van zorgvoorzieningen. Iemand die nu 70 jaar is, leeft veelal zonder hulp, terwijl je vroeger op die leeftijd al 'oud en hulpbehoevend' was. Zo zullen de hoge zorgkosten in de toekomst vooral tussen de 80 en 90 jaar liggen, in plaats van tussen de 70 en 80 zoals nu.

In ieder geval zal door vergrijzing en ontgroening het actieve deel van de bevolking, dat deze kosten mede moet financieren, relatief kleiner worden. Tegenover meer aanspraken op ouderenvoorzieningen staan minder jonge mensen om de kosten ervan mede op te brengen.

Bij deze algemene constatering passen twee kanttekeningen. Ten eerste: anders dan bij de AOW wordt de premie voor de AWBZ door alle werkenden en uitkeringsgerechtigden betaald, ook ouderen betalen dus mee aan de AWBZ. Ook de premie voor de ZFW wordt door werkenden en niet-werkenden (inclusief ouderen) opgebracht. In de huidige AWBZ en ZFW zit daardoor inkomenssolidariteit tussen oud en jong ingebouwd. Ten tweede: een versterking van het draagvlak kan een verlaging opleveren van de gemiddelde premie voor deze voorzieningen. Investeringen in de publieke infrastructuur (onderwijs, technologie, fysieke en kennisinfrastructuur) kunnen het productieve draagvlak van de economie vergroten. Ook stijging van werkgelegenheid en arbeidsparticipatie - ook op latere leeftijd - kan de basis voor belasting- en premieheffing verbreden. Als we er in slagen het beroep op uitkeringen als WW, ZW en WAO te verminderen, kunnen we het 'onvermijdbare' beroep op AOW en zorg makkelijker opvangen.

Zo stelt de vergrijzing de sociaal-democratie voor een derde politieke vraag. Moet zij zich er niet thans voor inzetten om die investeringen te doen die het productieve draagvlak van de economie vergroten ten behoeve van de hogere collectieve uitgaven voor ouderenvoorzieningen in de toekomst? Of moet nu reeds versneld de staatsschuld worden afgelost om te sparen voor de kosten van de komende vergrijzing?

Onderdeel van deze discussie kan bijvoorbeeld de maatschappelijke rol van pensioenbeheerders zijn. Waar beleggen zij de hun toevertrouwde gelden? Bestaat er een tegenstelling tussen het streven naar zo hoog mogelijke rendementen en het doen van die investeringen die het productieve draagvlak van de Nederlandse economie vergroten?

Te verkennen beleidsmaatregelen om toekomstige inkomensverschillen te verminderen zijn: § Fiscalisering van de AOW, waardoor de hoogte van de premie meer afhankelijk wordt van het inkomen § Welvaartsvaste koppeling van de AOW, waardoor ook mensen met alleen AOW kunnen meedelen in de toegenomen welvaart van generatiegenoten en jongeren. § Dichten van het AOW-gat door verkorting van de opbouwperiode of grotere vrijlating in de Bijstandswet. Door deze maatregel zullen diegenen die een onvolledige AOW hebben opgebouwd, recht krijgen op een beter basispensioen. § Invoering van wettelijk recht voor alle werknemers op pensioenopbouw. Door deze maatregel zullen in de toekomst alle werknemers uitzicht hebben op een pensioen naast hun AOW waardoor de inkomensverschillen binnen de vergrijzende bevolking worden verminderd.

De oudere werknemer

De arbeidsparticipatie van ouderen is bijna nergens lager dan in het Nederland van nu. Slechts een kwart van de 55-65 jarigen verricht betaalde arbeid. Van de 50-54 jarigen heeft tweederde betaald werk, van de 55-59 jarigen is dit minder dan de helft en van de 60-64 jarigen nog slechts één op de acht. Het aantal werkenden boven de 65 is verwaarloosbaar klein.

De lage arbeidsparticipatie van ouderen is vooral gevolg van de hoge werkloosheid in de jaren '70 en '80 die verruiming van de mogelijkheden voor oudere werknemers om vervroegd uit te treden in de hand werkte. In de jaren '80 en '90 hebben daardoor veel ouderen het arbeidsproces vroegtijdig verlaten, vrijwillig of onvrijwillig, via VUT-, arbeidsongeschiktheids- of werkloosheidsregelingen. Menigeen zag deze regelingen vervolgens al snel als verworven recht, dat de gelegenheid bood na een leven van zwaar werk te genieten van een 'welverdiende' oude dag. Zo werd het 'niet meer moeten, niet meer mogen, niet meer kunnen en niet meer willen'.

Nu echter kantelt de arbeidsmarkt. Vanaf 2000 verlaat bij ongewijzigd beleid de naoorlogse babyboomgeneratie massaal de arbeidsmarkt, zonder dat daar een even grote toestroom van jongeren tegenover staat. Dat maakt het wenselijk dat ouderen langer blijven werken.

De vermindering van de arbeidsparticipatie van ouderen is inmiddels enigszins, maar onvoldoende, omgebogen. Dat is des te spijtiger aangezien veel ouderen de gekwalificeerde arbeid waarnaar vraag is op de krappe arbeidsmarkt, goed kunnen verrichten. Als ouderen in VUT of seniorenregelingen tot hun pensioen zouden blijven werken, zouden huidige en verwachte knelpunten grotendeels worden of zijn weggenomen. Verhoging van de arbeidsparticipatie van ouderen zou tevens het draagvlak voor collectief gefinancierde regelingen (oudedags- en zorgvoorzieningen) beter in stand kunnen houden. Langer werken door ouderen is ook van psychosociale betekenis doordat zij dan niet als 'onproductieve rest' buiten de actieve samenleving komen te staan. Nu worden ouderen te veel gezien als economisch afgeschreven, want niet opgewassen tegen de dynamiek van de markt. En terwijl mensen tegenwoordig gemiddeld tot op veel hogere leeftijd geestelijk en lichamelijk gezond zijn, worden ze steeds jonger 'oud' genoemd. Al worden we almaar ouder, de paradox wil dat we op steeds jongere leeftijd voor 'oud' moeten doorgaan.

De PvdA wil die paradox doorbreken door in beginsel te bevorderen dat alle arbeidsgeschikte personen onder de 60 jaar deelnemen aan het arbeidsproces en dat vanaf 60 jaar en ouder werknemers worden ondersteund om zolang mogelijk (eventueel in deeltijd) te werken en dat vanaf die leeftijd de overgang van werk naar pensioen geleidelijk zal verlopen en indien gewenst ná de 65-jarige leeftijd zal plaatsvinden.

Zo´n uitgangspunt stelt de PvdA voor vier fundamentele politieke dilemma's.

Veel ouderen die vaak vanaf hun vroege jeugd hebben gewerkt en soms zware lichamelijke arbeid hebben verricht, zien vervroegde uittreding als een vorm van arbeidsduurverkorting op life-time basis en staan, ook door de aard van hun werkzaamheden, niet te springen om langer door te werken Zij ervaren het uitgangspunt 'langer werken' mogelijk als aantasting van verworven rechten en vermindering van hun sociale bescherming.

Ten tweede vindt wellicht ook de komende 'druk-druk-druk-generatie' langer doorwerken minder aantrekkelijk omdat zij juist behoefte heeft aan vrije tijd, ontspanning etc. Het werk van deze toekomstige 55-plussers is waarschijnlijk fysiek minder inspannend, maar deze generatie kampt weer met psychische uitputtingsverschijnselen en voor haar biedt vervroegde uittreding de kans om drukte en stress te ontlopen en een nieuwe, ontspannen levensfase in te gaan.

Ten derde kan of zal zich de situatie voordoen dat oudere werknemers, die hoger opgeleid zijn en beter verdienen en die het best in staat zijn langer door te werken, voor zichzelf de mogelijkheid vervroegd uit te treden ook het best geregeld hebben. Als zij inderdaad uittreden, wordt daardoor de druk om door te gaan voor mensen die daartoe het minst in staat zijn, het grootst.

Verhoging van betaalde arbeidsparticipatie van ouderen, en dit ten vierde, kan er toe leiden dat vele vormen van onbetaalde arbeid door ouderen onder druk komen, zoals vrijwilligerswerk buiten het formele arbeidsproces en informele zorgverlening aan leeftijdsgenoten, kinderen en kleinkinderen. Zo kan verhoging van de arbeidsparticipatie van ouderen verschraling van de samenleving (en aanzienlijke uitverdieneffecten) tot gevolg hebben.

Als de sociaal-democratie, om de eerder genoemde redenen, toch hogere arbeidsparticipatie van oudere werknemers noodzakelijk acht, moet zij ertoe bijdragen dat een tweetal sporen consequent worden ingeslagen.

Het eerste spoor

Zo zijn een leeftijdsbewust personeelsbeleid binnen ondernemingen en het stimuleren van mobiliteit en flexibiliteit daarbuiten noodzakelijk. Inzetbaarheid, flexibiliteit en mobiliteit op de arbeidsmarkt nemen over het algemeen af bij werknemers die ouder zijn dan veertig jaar. Werkgevers en werknemers fixeren zich vanaf die leeftijd steeds meer op het vervroegde uittreden. Ten onrechte zijn werkgevers vaak van mening dat ouderen te duur zijn voor wat zij presteren. Daarom investeren werkgevers vaak niet meer in scholing en opleiding van werknemers boven de veertig. Dat werkt vaak als een self-fulfilling prophecy. Vaak ook hebben werknemers zelf geen belangstelling meer voor verdere scholing en opleiding.

Om de opvatting dat bijna niemand tot z'n 65ste hoeft te werken, te veranderen is vooral een mentaliteitsomslag nodig. De stereotype beelden over kennis en vaardigheden van oudere werknemers sluiten nu al vaak niet meer aan bij hun capaciteiten - en zullen dat zeker niet doen bij toekomstige generaties. Soms is van zo´n omslag al sprake. Enkele uitzendbureaus werven bij voorkeur 60-plussers als vrachtwagenchauffeur omdat deze veel risicobewuster zijn dan hun jonge collega´s, terwijl in de metaalindustrie ideeën zijn ontwikkeld (en soms al toegepast) voor bijscholing van oudere werknemers. Ook certificering van kennis en ervaring van oudere werknemers kan een middel zijn om ze mobiel, flexibel en actief te houden. Dat kan ze helpen bij sollicitaties en biedt ze meer kans hun kennis en ervaring, als ze van baan veranderd zijn, ten nutte te maken.

Verruiming van scholingsmogelijkheden van werknemers, ten behoeve van de mogelijkheid 'een leven lang (te) leren' is een van de belangrijkste instrumenten om de arbeidsparticipatie van ouderen te vergroten. Als oudere werknemers evenveel cursussen volgen als jongeren kunnen zij, zo blijkt uit onderzoek, in een aantal opzichten zelfs productiever worden dan hun jongere collega's.

Hoezeer moet worden toegejuicht als er specifiek scholingsbeleid voor oudere werknemers wordt ontwikkeld, gevreesd moet worden dat dit eigenlijk te laat komt. Van ondernemingen moet daarom vooral gevraagd worden te investeren in de scholing van alle werknemers ter vergroting van hun employability en daarbinnen het beleid vooral te richten op de nu 'ouder' wordende generatie. Als werkgevers investeren in human resource management-beleid (HRM-beleid), (bij)scholing, employability, enzovoorts, kunnen zij voorkomen dat de huidige 40-plussers de aansluiting op de arbeidsmarkt missen. Zeker lager geschoolden, die veelal alleen op grond van hun fysieke mogelijkheden aan het arbeidsproces deelnemen, lopen dit risico. Voor dit type werknemers is HRM-beleid thans vaak minimaal of zelfs afwezig en dat weer is mede verantwoordelijk voor hun lage participatie als ze ouder worden. Dat een vuilnisophaler zijn werkzaamheden niet om de zoveel tijd kan afwisselen met bijvoorbeeld plantsoenonderhoud is deels ook gevolg van achterstallig onderhoud op HRM-gebied.

Scholing, roulatie, andere maatregelen ter bevordering van langere deelname aan de arbeid zijn van belang, niet alleen vanwege de (toekomstige) krapte op de arbeidsmarkt, maar ook om het inkomen van deze groepen (vaak alleenstaanden en dikwijls mensen met een beperkte pensioenopbouw die vaak afkomstig zijn uit de generatie van de massale jeugdwerkloosheid) in de vergrijzende samenleving veilig te stellen.

Als middel tot vergroting van de arbeidsparticipatie in bedrijven noemen we tenslotte de instelling van zogenaamde 'bridgejobs', banen met werkzaamheden die zijn aangepast aan de levensfase van de oudere werknemers; (deeltijd)banen waarin (onthaastte) werkzaamheden zijn ingebouwd en die niet gekoppeld zijn aan een eindloon-pensioenstelsel. De deeltijdarbeidsmarkt voor ouderen, waar zo´n ontwikkeling toe zou kunnen leiden, wordt vaak als 'schnabbelcircuit' gediskwalificeerd. En inderdaad is deelname aan zo'n 'schnabbelcircuit' te veroordelen als ouderen daar door financiële nood toe worden gedwongen. Anders ligt het echter als de deeltijdarbeidsmarkt uitdrukking is van een maatschappelijke ontwikkeling die ouderen de kans biedt tegen betaling maatschappelijk actief te zijn. Eerbied voor ouderen leidt ertoe dat het vreemd (of onaanvaardbaar) wordt gevonden als een 65-plusser kranten rondbrengt, in de supermarkt meehelpt, of ingeschakeld is in het kinderdagverblijf. Maar wat is daar eigenlijk op tegen als dat op vrijwillige basis gebeurt?

Door de huidige krapte op de arbeidsmarkt zijn er kansen om ouderen bij werkzaamheden op het grensvlak van betaalde en onbetaalde arbeid te betrekken. Ouderen kunnen uitstekend worden ingeschakeld bij sommige zorgtaken en bij kinderopvang, maar het gebeurt minder dan zou kunnen doordat die taken steeds verder geprofessionaliseerd zijn of worden. Moet, met behoud van kwaliteitseisen, niet ook ruimte worden gemaakt voor aanvullende werkzaamheden waaraan juist minder eisen en regels worden gesteld, zoals bijvoorbeeld in de kinderopvang waar de buitenschoolse opvang naar verwachting gigantisch zal uitbreiden?

Zelfstandige ondernemers blijven na hun 65-ste vaak doorwerken, niet zozeer uit financiële overwegingen, maar vanwege gehechtheid aan hun beroep en maatschappelijke participatie. Door als oudere een onderneming te starten, kunnen zij vroeger opgedane kennis en vaardigheden maatschappelijk nuttig maken, terwijl vormgeving en invulling van hun werk in eigen hand zijn. Een onderneming op latere leeftijd starten zou dus gestimuleerd kunnen worden. Oudere starters hebben 'verborgen' kapitaal in hun pensioenvoorziening. Als onder voorwaarden het 'omstorten' of belenen van pensioenen mogelijk zou worden gemaakt, kan dat een financieringsbron voor startende oudere ondernemers zijn.

De lage arbeidsparticipatie van ouderen blijkt maar al te vaak samen te hangen met vooroordelen van werkgevers over oudere werknemers en discriminatie van ouderen. Het in te voeren verbod op leeftijdsdiscriminatie is een belangrijke maatregel om de drempels voor ouderen om op de arbeidsmarkt toe te treden of daar juist te blijven weg te nemen.

Te verkennen beleidsmaatregelen die het mogelijk en aantrekkelijk kunnen maken om langer te werken: § Stimuleren 'bridge-jobs' door loskoppeling van eindloon-pensioenstelsel. Op deze wijze kunnen werknemers een 'tandje minder' gaan werken zonder dat daardoor de hoogte van het pensioen minder wordt. § Stimulering langer werken door deeltijdpensioen. Niet alle werknemers kunnen zich het inkomensverlies als gevolg van korter werken permitteren. Bij deeltijdpensioen wordt het salaris op deeltijdniveau aangevuld met een gedeeltelijke pensioenuitkering uit het opgebouwde pre-pensioen. Er is minder inkomensverlies, de pensioenopbouw gaat gewoon door en het pensioen voor de toekomst wordt veilig gesteld. Bovendien blijkt deeltijdpensioen het risico op WAO te verminderen. § Stimulering van flexibiliteit, 'bijtanken' en bijscholing van werknemers door verlofmogelijkheden gericht op tussentijdse loopbaanonderbreking. Uiteindelijk zou moeten worden toegewerkt naar een stelsel waarin alle werknemers gedurende hun arbeidsleven recht hebben op een bepaald aantal verlofdagen, die zij flexibel kunnen inzetten. § Stimulering employability met name voor laaggeschoolde werknemers door verruiming van de mogelijkheden tot scholing en bijscholing. § Certificering van kennis en vaardigheden van oudere werknemers, waardoor zij bij sollicitaties of verandering van werkkring de opgebouwde kennis en ervaring objectief kunnen aantonen. § Pilotprojecten ouderenwerk in zorg, kinderopvang en onderwijs. Hiermee kan worden onderzocht of ouderen zonder de algemene kwaliteitseisen aan te tasten, kunnen worden ingezet voor aanvullende werkzaamheden waaraan minder professionele eisen worden gesteld. Zouden ouderen niet als mentor of leerkracht met beperkte bevoegdheid in het onderwijs kunnen worden ingeschakeld? ROC's zouden goed van de praktijkervaring van oudere werknemers kunnen profiteren. § Stimulering startende ondernemers boven 55 jaar door maatregelen in de fiscale sfeer en sociale zekerheid. § Stimulering startende oudere ondernemers door flexibele inzet van pensioenvermogen.

Het tweede spoor

Een tweede hoofdspoor van beleid richt zich op de structuur van de arbeidsvoorwaarden, uittredingsregelingen en sociale zekerheid. Door die te veranderen kunnen (financiële) prikkels ontstaan om langer te werken, om ontslag van oudere werknemers te ontmoedigen en de instroom van oudere werknemers te bevorderen. Er moet een structuur ontstaan waarin werken voor arbeidsgeschikte werknemers tot bijvoorbeeld 60 jaar vanzelfsprekend is, terwijl voor ouderen boven de 60 jaar individuele trajecten ontstaan met keuzemogelijkheden voor geleidelijke uittreding. Dat kan bijvoorbeeld betekenen dat een 60-plusser stopt met werken, ofwel een dagje minder gaat werken, of misschien gewoon door blijft werken.

Aanpassing van in sociale zekerheid en arbeidsvoorwaarden ingebouwde leeftijdsgrenzen kan de arbeidsparticipatie van ouderen vergroten. Door de toegenomen levensverwachting is de betekenis van sommige leeftijdsgrenzen verminderd of anders geworden. De 65-jarige pensioenleeftijd bood aan de vooroorlogse generatie de garantie nog enkele rustige jaren door te brengen. Huidige en toekomstige generaties hebben vaak na hun 65-ste nog een heel leven voor de boeg. De huidige leeftijdsgrenzen werken daardoor soms als 'ouderenval' die mensen het recht op arbeidsparticipatie ontneemt. Maar veel ouderen zien vervroegde uittreding ook als een verworven recht. Hoe kan arbeidsparticipatie op oudere leeftijd worden versterkt zonder deze verworven rechten teniet te doen? Doorgaan met werken op oudere leeftijd mag niet afgedwongen worden op straffe van inkomensverlies, maar moet juist positief worden ingevuld. Zo zit bijvoorbeeld in VUT-regelingen een verbod op betaalde arbeid. Dat is verklaarbaar gezien de bijdrage die anderen leveren om Vutters vrij te stellen. Uit een oogpunt van arbeidsparticipatie van ouderen werkt een dergelijk verbod echter contraproductief. Uitgangspunt zou moeten zijn dat de beslissing om in de VUT te gaan of om juist door te werken niet door financiële overwegingen mag worden bepaald. Het is niet de bedoeling dat de mogelijkheid voor vervroegd uittreden alleen voor de hogere inkomens is weggelegd.

Naar verwachting zal de druk op de WAO de komende jaren toenemen. Vervroegd uittredende mannen tussen 50 en 57 jaar komen voor het grootste deel in de WAO. Naarmate Nederland vergrijst en het aandeel oudere werknemers zal stijgen, zal ook de toestroom naar de WAO toenemen. Ook het verdwijnen van de VUT als uittredingskanaal zal daaraan bijdragen. Hoe kan worden voorkomen dat de WAO op deze wijze tot een 'ouderenval' dreigt te worden?

Zonder thans uitspraken te doen over de wenselijkheid of onwenselijkheid, komen de volgende te verkennen beleidsmaatregelen naar voren om de bevorderen dat werknemers op oudere leeftijd blijven doorwerken: § Afbouwen van de huidige VUT-regelingen in versneld tempo. Door de omzetting van de VUT in pre-pensioenregelingen worden werknemers zelf met de financiële consequenties geconfronteerd als zij eerder willen uittreden. Een probleem bij de omzetting is dat oudere werknemers al jaren meebetalen aan de VUT-regeling. Om versnelde omzetting mogelijk te maken moet voor hen een overgangsregeling worden getroffen. Deze zou gedeeltelijk kunnen worden gefinancierd uit de grote reserves waarover de pensioenfondsen momenteel beschikken. Om de omzetting van VUT-regelingen in prepensioenregelingen te bespoedigen kan de fiscale ondersteuning van VUT-regelingen beter geleidelijk worden afgeschaft. § Afschaffing van de verplichte pensionering op 65-jarige leeftijd in CAO's en omzetting in een facultatieve mogelijkheid. § Gefaseerde invoering van de sollicitatieplicht voor personen van 57 ½ jaar en ouder. Het belangrijkste voordeel van de maatregel is dat het verkeerde signaal dat van de vrijstelling van de sollicitatieplicht uitgaat, namelijk dat werknemers op die leeftijd zijn uitgewerkt, wordt weggenomen. Deze maatregel die in het regeerakkoord reeds werd aangekondigd, is mogelijk geworden door de verbetering van de kansen van oudere werknemers op de arbeidsmarkt die momenteel optreedt. Van de andere kant is het de vraag of een sollicitatieplicht tot 57 ½ jaar niet een brug te ver is, in de wetenschap dat werkloze werknemers in de vijftig wel zeer gemotiveerd en hoog bekwaam moeten zijn willen ze nog aan de bak kunnen komen.

Daarnaast zijn de volgende maatregelen te verkennen om het ontslag van oudere werknemers te ontmoedigen: § Invoering van nieuwe vormen van premiedifferentiatie in de WW. Door de premiedifferentiatie in de WW mede afhankelijk te maken van de leeftijd van werknemers die in de WW terechtkomen, kan het onslag van oudere werknemers worden ontmoedigd. § Anti-cumulatie van WW-uitkeringen met bovenwettelijke uitkeringen en schadeloosstellingen. Ook aan dit voorstel zitten haken en ogen. Van de ene kant kan het de flexibiliteit op de arbeidsmarkt bevorderen als werkgevers aan een werknemer die niet op de juiste plek zit een ontslagpremie verstrekken. Met die premie kan een werknemer zich bijvoorbeeld omscholen of de verhuizing betalen naar een plaats in de buurt van het nieuwe werk. Van de andere kant moet het vooral voor oudere werknemers niet te aantrekkelijk worden gemaakt om zich te laten ontslaan.

Te verkennen maatregelen om de instroom van oudere werknemers te bevorderen zijn: § Fiscale faciliteiten voor oudere werknemers of voor werkgevers die oudere werknemers in dienst nemen. In het kader van de wet VLW (Vermindering Langdurig Werklozen) krijgen werkgevers gedurende vier jaar een korting op de af te dragen loonbelasting en premies volksverzekering. Dit instrumentarium zou meer kunnen worden benut en verder kunnen worden uitgebreid voor de reïntegratie van oudere werklozen. § Intrekking verbod op betaalde arbeid naast de VUT. Momenteel is het in vele VUT-regelingen niet toegestaan om in de VUT betaalde arbeid te verrichten. Uit een oogpunt van bevordering van arbeidsparticipatie door ouderen werkt dit verbod contraproductief. Uit het oogpunt van de bijdrage die collega's leveren om VUT-ters vrij te stellen is een verbod echter zeer verklaarbaar. § Stimulering werken na 55 jaar door fiscale maatregelen.

Het is goed denkbaar dat in de komende discussie nieuwe oplossingsrichtingen of combinaties van varianten naar voren komen.

Het akkoord van Wassenaar vormde in 1982 de basis voor het succes van het poldermodel. In ruil voor herverdeling van werk door arbeidstijdverkorting werden de lonen gematigd. De vergrijzing zal de komende decennia een nieuwe situatie op de arbeidsmarkt inluiden. Daar ligt een taak voor de politiek, maar ook voor de sociale partners. Aan de basis daarvan zou een nieuw akkoord kunnen liggen, waarin in ruil voor langer werken in de bedrijven daadwerkelijk employability voor alle werknemers en integratie van die groepen die nu aan de kant staan, wordt nagestreefd. Zorg

Zorg is een nuttig en schaars goed. Als wij er in slagen de toekomstige zorg goed te organiseren, kan dat een belangrijke bijdrage leveren aan de kwaliteit van het bestaan. Technologische mogelijkheden en gestegen welvaart hebben, meer dan vergrijzing op zich, de vraag naar en de uitgaven voor zorg doen toenemen. Politici kunnen daar betrekkelijk weinig aan doen; zij moeten wel over erg goede argumenten beschikken om wat technisch mogelijk wordt te onthouden aan mensen die om zorg vragen. De gevolgen van die technologische ontwikkeling worden door de vergrijzing versterkt: ouderen zijn de grootste afnemers van zorg. Dat kan vooral in de ouderen- en thuiszorg tot specifieke knelpunten leiden.

Dankzij de vooruitgang in kennis en medische technologie leeft de mens gemiddeld langer en is hij langer gezond; tot ongeveer het vijftigste levensjaar zijn de kosten voor gezondheidszorg dan ook relatief laag, maar na het zeventigste jaar, en vooral bij 75-plussers stijgen ze explosief. Van de 75-plussers maakt ruim eenderde langdurig gebruik van verzorging en verpleging, bij een kwart bemoeilijken beperkingen een zelfstandig bestaan en bij nog een kwart maken lichte beperkingen ondersteuning nodig. Ook als het in de toekomst mogelijk wordt met nieuwe geneesmiddelen en preventieve methoden sommige chronische aandoeningen te bestrijden, zullen de totale kosten van de zorg daardoor waarschijnlijk niet dalen want die mogelijkheden leiden vaak ook weer tot nieuwe vraag naar verzorging en verpleging. Wat dat betreft zijn de verschillende bronnen waaruit de zorg gefinancierd wordt (ZFW, particuliere verzekeringen, AWBZ en WTZ) communicerende vaten.

De toenemende heterogeniteit van de vergrijzende bevolking veroorzaakt een steeds pluriformer zorgvraag van ouderen. Er tekent zich een onderscheid af tussen ouderen met hoge en met lage inkomens en tussen gezonde, rijke ouderen enerzijds en ongezonde, arme ouderen anderzijds. Ouderen met hoge inkomens maken relatief weinig gebruik van thuiszorg, ook als ze daarvoor zijn geïndiceerd. Voor thuiszorg zoeken zij liever hun heil op de private markt. In intramurale instellingen zijn zij duidelijk ondervertegenwoordigd. Ouderen met lagere inkomens maken daarentegen meer dan gemiddeld gebruik van gezinsverzorging, wijkverpleging en informele hulp.

Tot nu toe zijn velen in de samenleving bereid de hogere kosten voor zorg te financieren, onder voorwaarde dat de benodigde zorg inderdaad beschikbaar is. De vergrijzing kan echter de manier waarop de zorg-lasten verdeeld zijn onder druk zetten. Jongeren betalen momenteel al meer en ouderen minder dan zij aan zorg kosten. Om te voorkomen dat de hogere uitgaven voor ouderenzorg te eenzijdig bij de jongeren terechtkomen, ligt het voor de hand dat toekomstige ouderen een groter deel van de zorguitgaven zelf dragen. Omdat de toekomstige ouderen in het algemeen ook welvarender zijn, zullen zij daartoe ook beter in staat zijn. Zo'n evenwichtige lastenverdeling sluit dus aan op het solidariteitsbeginsel: hogere inkomens dragen meer bij aan de collectieve voorzieningen dan lagere inkomens.

De uitgavenstijging voor ouderenzorg opvangen door de eigen bijdragen in de AWBZ nog sterker inkomensafhankelijk te maken, bergt het gevaar in zich dat ouderen uit de (hogere) middenklasse van hun AWBZ-aanspraken zullen afzien. Daar komt nog bij dat vele ouderen bereid zijn om meer te betalen voor een kwalitatief hogere ouderenzorg, terwijl die aanvullende wensen niet uit de AWBZ kunnen worden betaald.

De politiek staat voor de opdracht de collectieve solidariteit tussen oudere generaties onderling en tussen jong en oud nieuw vorm te geven. In de maatschappelijke discussie zijn tot op heden de volgende vier oplossingsrichtingen voor de financiering van de ouderenzorg naar voren gekomen. Zonder daar nu reeds een keuze in te maken, kunnen die als volgt worden geschetst:

§ De eerste oplossing gaat in de richting van een andere lastenverdeling door van de categorie ouderen een hogere bijdrage te vragen, hetzij door een hogere ABWZ-premie voor 65-plussers, hetzij door volledige fiscalisering van premieheffing.

§ De tweede oplossing gaat in de richting van een herijking van de collectief gefinancierde aanspraken in AWBZ en Ziekenfondswet. Daarbij wordt gedacht aan herijking van het basispakket van de AWBZ, aan pakketaanpassing voor de Ziekenfondswet, aan vrijwillig eigen risico, en polis- en aansprakendifferentiatie (een 'gepaste zorg-polis').

§ De derde oplossing gaat in de richting van kapitaalvorming, om de toekomstige hogere uitgaven van de gezondheidszorg op te vangen. De analogie met het AOW-spaarfonds gaat in dit geval echter niet op omdat de AOW een volksverzekering is, verankerd in het sociale zekerheidsstelsel en met opbouw van aanspraken, terwijl het in de gezondheidszorg gaat om zorgverzekeringen met een omslagstelsel zonder opbouw van aanspraken.

§ De vierde oplossing gaat in de richting van een basisverzekering voor de totale zorg, gefinancierd met op draagkracht gebaseerde premies.

Het is goed mogelijk dat uit de komende discussie nieuwe oplossingsrichtingen of nieuwe combinaties van bovenstaande oplossingsrichtingen naar voren zullen komen.

Het belangrijkste knelpunt in de collectief gefinancierde ouderenzorg zit in de gebrekkige aansluiting van het aanbod op de vraag. Dat uit zich in de wachtlijsten, de verschraling van de zorg, de beperkte keuzemogelijkheden en het ontstaan van gescheiden zorgcircuits voor hogere en lagere inkomens.

De behoeften aan zorg (de vraag) zijn zeer verschillend. Ouderen willen zorgarrangementen die aansluiten bij hun omstandigheden en wensen. Toekomstige ouderen zullen steeds meer de voorkeur geven aan het zélf samenstellen van combinaties van wonen, zorg en dienstverlening. In alle sectoren van de zorg poogt men te ontschotten en te individualiseren. Het huidige zorgaanbod in de collectieve sector is daarentegen bureaucratisch, star en weinig toegesneden op de toenemende verscheidenheid in zorgbehoeften.

Ook dringen sommige groepen niet of nauwelijks tot de geboden zorg door. Veel alleenstaanden en oudere allochtonen met een beperkt netwerk maken geen gebruik van zorg, ook al zouden ze zonder meer aan de indicatie voldoen. Omdat de zorgsector zich vooral heeft moeten richten op kostenbeheersing, is daar tot op heden weinig aandacht aan besteed. Terwijl in de sociale zekerheid systemen van 'case-finding' werden geïntroduceerd, blijven in de zorg deze gevallen veelal buiten het systeem. Hier kan informele zorg een rol spelen, als mantelzorg niet alleen gezien wordt als substituut voor formele zorg, maar ook als hulp op weg naar de officiële zorgcircuits.

Als de politiek niets doet, is tweedeling in de zorg onvermijdelijk. Maar ook nieuwe collectieve voorzieningen voor 'de onderkant' kunnen daartoe leiden. Welvarende ouderen (en jongeren) verliezen dan in toenemende mate hun belang bij de aanbod-gedicteerde collectieve voorzieningen en zoeken eigen oplossingen. Daardoor ontstaan gescheiden circuits en een steeds gedifferentieerder aanbod buiten de reguliere instellingen. De collectieve ouderenzorg in het kader van de AWBZ lijkt dan steeds minder op een volksverzekering en in het kader van ZFW en WTZ steeds meer op een 'armeluis-fonds': voorziening voor de lagere inkomens. Als de lage inkomens aangewezen blijven op de minder aantrekkelijke collectieve regelingen en arme mensen niet de zorg kunnen krijgen die anderen wel hebben, komt de legitimiteit van deze verzekeringen onder druk te staan.

De financiering van ouderen- en thuiszorg verloopt grotendeels via AWBZ-premies. De huidige problemen met de AWBZ zijn een teken hoe weinig het systeem van collectieve zorg nog is toegesneden op de maatschappelijke behoeften. De vergrijzing zal die kloof alleen maar groter maken. Modernisering van de AWBZ is dus dringend noodzakelijk.

Vraaggestuurde zorg en 'empowerment' van de zorgconsument kunnen belangrijke uitgangspunten voor een modernisering van de zorg zijn. Geef mensen die zorg behoeven keuzemogelijkheden door financiële subsidiëring, maar ook door het verschaffen van kennis en trajecten voor advisering. Anders gezegd: het is niet alleen noodzakelijk mensen de garantie op een bepaald basispakket te geven, maar dat pakket moet ook voor hen toegankelijk zijn.

Het centrale probleem bij de vormgeving van de toekomstige ouderenzorg is hoe het collectief gefinancierde aanbod beter kan aansluiten op de pluriforme zorgvraag van ouderen zonder dat er een tweedeling ontstaat. In de maatschappelijke discussie zijn daarvoor tot op heden de volgende drie oplossingsrichtingen naar voren gekomen:

§ De eerste oplossingrichting behelst een opwaardering van de AWBZ. Dat gebeurt door binnen de kaders van de AWBZ de huidige knelpunten weg te werken en meer rekening te houden met de wensen van (toekomstige) ouderen.

§ In de tweede oplossingsrichting worden in de AWBZ keuzemogelijkheden ingebouwd; bijvoorbeeld met behulp van functionele zorgaanspraken (een bepaalde vorm van zorg) en/of persoonsvolgende budgetten. Patiënten kunnen dan zelf kiezen uit zorgaanbieders en eventueel zelf zorg organiseren. Zo wordt voorkomen dat ouderen moeten kiezen tussen een vaststaand zorgaanbod op kosten van de collectieve voorziening of maatwerk, maar dan op eigen rekening. Als persoonsvolgende budgetten in de vorm van vouchers worden verstrekt kunnen de verstrekte gelden niet voor oneigenlijke doeleinden worden gebruikt. Maar het is de vraag in hoeverre deze vorm van 'paternalisme' noodzakelijk is. Persoonsvolgende budgetten versterken de positie van de patiënt en dragen bij tot een betere aansluiting tussen vraag en aanbod. Daarbij kan ook de eigen bijdrage worden betrokken. Door die niet uitsluitend afhankelijk te maken van het inkomen, maar ook een relatie te leggen met de geleverde prestatie, kan het voor de hogere inkomens aantrekkelijk worden gebruik te maken van de AWBZ. Daardoor worden gescheiden zorgcircuits tegengegaan en het draagvlak voor de AWBZ als volksverzekering versterkt.

Een keuzemogelijkheden voor ouderen ontstaat ook als de AWBZ gefinancierde ouderenzorg beperkt wordt tot medisch noodzakelijke dienstverlening. In het basispakket van de AWBZ zijn dan uitsluitend de onverzekerbare risico's opgenomen (als gevolg van complexe, langdurige gezondheidsproblemen) terwijl zorgaanspraken op het gebied van wonen en welzijn (dienstverlening) buiten het basispakket vallen. Bij de kern van de zorg is de vraag inflexibel. Niemand gaat immers voor z'n plezier in een verpleeginrichting. Daar is een budgetteringsysteem dan ook niet op z'n plaats. Financiering van de lichtere vormen van hulp kan plaatsvinden door eigen verzekeringen op indicatiestelling, door inkomensuppleties, of door een beroep op de bijstand. Zo heeft in Amsterdam een zorgverzekeraar, samen met een woningcorporatie en een stichting woonzorg, een abonnement op particuliere zorg. Als het inkomen te gering is om deze zorg te betalen, verstrekt de gemeente Amsterdam subsidies. Daardoor hebben mensen met hogere en met lagere inkomens de beschikking over dezelfde vorm van thuiszorg. Het voordeel hiervan is dat niet de AWBZ-premie, maar de algemene middelen de kosten voor wonen en welzijn opbrengen. De financiële basis voor ouderenzorg als geheel wordt hierdoor verbreed en er zullen nieuwe aanbieders op het gebied van wonen en welzijn naar voren komen. Wel zal dan helder moeten worden gedefinieerd wat onder zorg en wat onder wonen en/of welzijn valt.

Ook de introductie van (gereguleerde) concurrentie tussen zorgverzekeraars kan de keuzemogelijkheden van patiënten vergroten. Langdurige (intramurale) verzorging van ouderen met ernstige somatische of psychogeriatrische klachten blijft in het kader van de AWBZ als verplichte volksverzekering en wordt niet aan de marktwerking onderworpen. Voor de kortdurende aanspraken van de resterende ouderenzorg wordt gereguleerde concurrentie tussen ziekenfondsen en particuliere verzekeraars geïntroduceerd. In deze variant kunnen cliënten kiezen tussen verschillende zorgverzekeraars.

§ Een derde denkbare, maar voor sociaal-democraten a priori onwenselijke oplossingsrichting laat de gedachte van een volksverzekering voor ouderenzorg los. Het grootste deel van de ouderenzorg komt dan voor rekening van de ouderen zelf. Zij moeten hun ouderenzorg-op-maat inkopen, hetzij uit eigen vermogen, hetzij via eigen verzekeringen. Eventueel zou de genoemde langdurige intramurale zorg bij ernstige somatische of psychogeriatrische klachten in een volksverzekering behouden kunnen blijven. Voor kwetsbare ouderen met hoge gezondheidsrisico's en/of lage inkomens kunnen vangnetten gespannen worden bijvoorbeeld in de vorm van subsidieregelingen voor premiebetalingen of sociale voorzieningen. Het is duidelijk dat in deze variant de solidariteit minimaal zal zijn en dat een keuze in deze richting niet voor de hand ligt.

De mondiger ouderen van morgen, die zich als kritische consument tegenover zorgverleners opstellen, zullen zelf willen bepalen hoe ze hun leven inrichten. Ouderen willen zo lang mogelijk zelfstandig blijven wonen en een opname in een verpleeghuis zo lang mogelijk uitstellen. Ze zullen daarbij kiezen voor geclusterd wonen in gewone wijken. Daarin zouden 'consultatiebureaus voor ouderen' als vinger aan de pols, gezondheidsbewaker, adviseur en serviceverlener van belang kunnen zijn. Op het gebied van preventie is nog een wereld te winnen.

Denkbare beleidsrichting:
Overgaan tot de instelling van 'consultatiebureaus voor ouderen' die centraal in een wijk staan voor zorg, advies, preventie en doorverwijzing van ouderen.

De vergrijzing zal ook leiden tot personeelsproblemen in de zorg. In de toekomst zal met name op huisartsen, geriaters, reumatologen en chirurgen een groot beroep worden gedaan. Ook voor fysiotherapeuten zal veel werk zijn weggelegd. De opleiding voor dergelijke specialismen moet nu reeds gepland worden om capaciteitsproblemen te vermijden. Daarnaast is verzorging voor het merendeel laaggeschoold, intensief en fysiek zwaar werk. Door de voortgeschreden professionalisering van de afgelopen tijd zijn verzorgende beroepen steeds minder een instapberoep voor laaggeschoolden en kunnen zij ook steeds minder door ouderen zelf als beroep worden verricht. Het is goed voor mensen die nu aan de kant staan en goed voor de zorg als deze trend wordt omgebogen. Wonen en mobiliteit

Anno 2000 wordt één op de drie woningen in Nederland bewoond door ten minste één bewoner boven de 55 jaar. In het jaar 2020 zal dat voor ruim de helft van de woningen gelden. De vergrijzing zal zich dan overal voordoen en niet tot specifieke wijken beperkt zijn.

Ook de samenstelling van de huishoudens verandert. In 1960 bestond 10% van alle Nederlandse huishoudens uit alleenstaanden, in 1999 was dat ruim 30%, naar verwachting zal dat in 2020 tussen de 35 en 40% zijn. Ouderen nemen het grootste gedeelte van de groei van het aantal alleenstaanden voor hun rekening. Wel is de demografische ontwikkeling per regio verschillend en groeit de bevolking in de Randstad sterker dan elders. Het eigen woningbezit groeit onstuimig door. Terwijl nu ongeveer eenderde van de ouderen een eigen huis bezit, zal dat in 2010 gestegen zijn tot 60 à 70%.

Er valt geen grote migratie van rijkere ouderen vanuit de Randstad naar het platteland te verwachten. Tot de verbeelding sprekende termen als Drentenieren en seizoensmigratie blijken in werkelijkheid slechts geringe aantallen te betreffen. Door de grote diversiteit aan woonvormen voor meer welgestelden in de Randstad, het ontbreken van klimaatverschillen en het relatief geringe tweede-huizenbezit in Nederland blijft pensioensmigratie slechts tot enkelen beperkt. Dat neemt niet weg dat in de regio's zelf de komst van nieuwe 'grijze' bevolkingsgroepen wel degelijk van grote invloed kan zijn.

De trek van de groep 50-plussers naar de sub-urbane woonmilieus is de belangrijkste beweging. Het gaat daarbij om mensen met een over het algemeen iets hoger inkomen en (in veel gevallen) opgebouwd vermogen. Door de trek van de 50-plussers naar de buitenstedelijke gebieden vindt in de centra van de grote steden ontgrijzing plaats. Alleen een zeer gering aantal personen met zeer hoge opleiding en/of culturele belangstelling trekt op oudere leeftijd naar de stadscentra. Wanneer ouderen zich eenmaal in de buitenstedelijke gebieden hebben gesetteld, willen zij daar over het algemeen ook oud worden.

De vergrijzing binnen de grote steden zal een ander karakter hebben dan de vergrijzing op het platteland. Mensen met een laag inkomen en weinig keuzevrijheid blijven gericht op de stad. De scheiding tussen 'have's en have-nots' zal hier schrijnender zijn. Bovendien zal zich in de steden een groeiende groep allochtone ouderen concentreren, die een specifiek beroep zullen doen op zorg- en dienstverlening.

Mensen met lagere inkomens blijven overwegend aangewezen op de betaalbare woningvoorraad in de sociale huursector. De omvang van deze groep loopt wellicht iets terug, maar in samenhang met andere maatschappelijke problemen (werkloosheid, arbeidsongeschiktheid) zal een versterking en concentratie van deze groep in bepaalde buurten optreden. Als het onvoldoende lukt om betaalbare woningen in Vinex-wijken te bouwen zullen de mensen met weinig keuzevrijheid en een laag inkomen zich concentreren in een beperkt aantal wijken.

Verkend zal moeten worden of herstructurering, hetzij door sloop, hetzij door samenvoeging, hetzij door aanpassing, van veel naoorlogse complexen - waarvan de boekwaarde laag wordt - geen hogere prioriteit moet hebben. Die herstructurering geeft nieuwe investeringsruimte voor bijvoorbeeld gemengde projecten: koop, luxe huurappartementen, betaalbare sociale huursector woningen.

De heterogeniteit van de groep ouderen zal zich vertalen in differentiatie in de woonvoorkeuren. Productvernieuwing en het vermijden van stereotype woningen kunnen de woonkwaliteit verhogen. Wensen die nu reeds bij ouderen worden opgemerkt zijn: § Een grote behoefte aan grondgebonden woningen. De patiowoningen worden als zeer aantrekkelijk ervaren. § Een grote behoefte aan ruimte in de woning. Tweekamerwoningen voor ouderen worden veelal afgewezen. Ook driekamerwoningen met een oppervlakte van 60 vierkante meter worden als onvoldoende ervaren. § Specifieke ouderenhuisvesting (zonder zorg) kent grote populariteit. § De toegankelijkheid van woningen (geen trappen, geen drempels etc.) wordt als zeer belangrijk ervaren. § Honkvastheid. Ouderen willen het liefst oud worden in het huis dat ze zo vanaf hun vijftigste bewonen: 'ageing in place'

De groeiende ruimtewens is mede het gevolg van het veelzijdiger activiteitenpatroon. De woning ontwikkelt zich tot centrum van activiteiten als werken, leren, zorgen, ontspannen, bezoek ontvangen etc. Dit zal de vraag naar grotere woningen versterken en de recentelijk ingezette ontwikkeling steeds kleinere woningen te bouwen doorbreken. Toenemende variëteit in levensstijl, hogere inkomensposities, ontwikkeling van de woning naar activiteitencentrum vereisen tezamen grotere flexibiliteit in het woonaanbod en meer ruimte. Per saldo zal het beslag op de ruimte waarschijnlijk toenemen.

Bereikbaarheid en toegankelijkheid van woningen zijn voor ouderen zeer belangrijk. Om de gevolgen van de vergrijzing op te vangen moet daarin nu reeds worden voorzien, bijvoorbeeld in de Vinex-locaties. Ouderen met verhuiswensen hebben een voorkeur voor een toegankelijke woning of specifieke ouderenhuisvesting. Omdat in Nederland een tekort is aan kwalitatief voldoende ouderenhuisvesting, kan een aanvullend aanbod aan toegankelijke woningen gedeeltelijk in dit tekort voorzien. Bovendien stimuleert een voldoende aanbod van ouderenhuisvesting en toegankelijke woningen het 'op tijd verhuizen' van ouderen. Wonen in een aangepaste woning verkleint de kans op vallen aanzienlijk, en dat is de voornaamste oorzaak van huiselijke ongevallen en een van de meest voorkomende redenen voor opname in ziekenhuis of verpleeginrichting. Terwijl de aanpassingen in de bestaande woningen vaak marginale investeringen vergen, kunnen zo grote maatschappelijke kosten worden bespaard.

De huidige woonvoorraad voor ouderen voldoet nu al nauwelijks aan de bovengenoemde woonwensen. Een uitgebreid herstructureringsprogramma in de naoorlogse wijken en van de 'onhandige portiekflats' kan ruimte voor nieuwe kwalitatief hoogstaande woningen bieden. Ook kunnen initiatieven ontplooid worden om de kleine woningen in de oudere wijken samen te voegen tot comfortabele seniorenwoningen. Tenslotte moet in de Vinex-lokaties aandacht worden besteed aan de toegankelijkheid en bereikbaarheid van woningen voor ouderen. In de nieuw aan te leggen wooncomplexen dient een voor ouderen geschikte woonomgeving het uitgangspunt te vormen. In de Vinex-lokaties wonen immers de ouderen van de toekomst. Omdat ouderen minder mobiel zijn, moeten voorzieningen op loopafstand zijn. Openbaar vervoer moet zodanig georganiseerd zijn, dat het voor ouderen toegankelijk, veilig en bereikbaar is.

De opvatting dat ouderen het liefst bij goede voorzieningen wonen behoeft overigens nuancering, omdat het voorzieningenniveau in Nederland over het algemeen goed is en veel ouderen het ontbreken van voorzieningen toch niet als gemis ervaren.

Bij de sociale kwaliteit van de woonomgeving speelt veiligheid een cruciale rol. Over het algemeen schiet het leven in de grote steden op het punt van veiligheid(sbeleving) sterk te kort. Vooral ouderen hebben daar last van omdat ze kwetsbaarder zijn en minder weerbaar. Gevoelens van onveiligheid worden veroorzaakt door voor de hand liggende gevoelens als angst voor inbraak of beroving. Maar ook en minder voor de hand liggend: geluidsoverlast is een belangrijke oorzaak voor ontevredenheid en gevoelens van onveiligheid bij ouderen. Een buurman met een krachtige geluidsinstallatie of lawaaiige groepen op straat - en de angst om daar tegen te protesteren - kunnen het woonplezier van ouderen sterk vergallen.

Het zich afschermen van de buitenwereld en het creëren van een beschermde en beheersbare leefsituatie moeten niet automatisch met de 'gated communities' in de VS geassocieerd worden. Zulke afgeschermde wijken voor rijke ouderen komen ook daar trouwens slechts sporadisch voor. Maar los daarvan behoeft het feit dat sociale groepen - en dus ook ouderen - elkaar op complexniveau opzoeken, niet per se negatief te worden gewaardeerd. Met name voor de kwetsbare groep van de allochtone ouderen bieden dergelijke groepswoonvormen de mogelijkheid van culturele geborgenheid en gezamenlijke weerbaarheid.

Als zich echter sociale afscheiding op wijkniveau ontwikkelt of wordt georganiseerd, is de kans groot dat wijken een gesloten label krijgen en sociale segregatie ontstaat. Het is zeer waarschijnlijk dat rijke ouderen zich aan door de overheid ingestelde service-zones, in de zin van wijken speciaal bedoeld voor ouderen, zullen onttrekken.

In de Vinex-lokaties wordt nog te weinig gedifferentieerd gebouwd voor ouderen. Het dominante beeld bestaat uit eengezinswoningen die niet voldoen aan de eisen van bereikbaarheid en toegankelijkheid voor ouderen. Een denkbare oplossingsrichting is in navolging van de verdeelsleutel 30% sociale sector en 70% koopsector ook een verdeelsleutel bestemd voor woningen voor ouderen af te spreken. Denkbaar is ook de woningen voor ouderen te concentreren in zogenaamde zorgzones en daar een consultatiebureau voor ouderen in centraal te stellen.

Tegen de achtergrond van de vergrijzing speelt steeds indringender het vraagstuk van de relatie tussen wonen, zorg en dienstverlening. De PvdA-fractie zal een nader onderzoek op dit terrein binnenkort presenteren in de notitie 'Wonen, dienstverlening en zorg, een zorg voor vandaag', waarin met name ook aandacht wordt besteed aan vragen van multiculturaliteit in een vergrijzende samenleving.

Mobiliteit

Hoe mobiel zal de toekomstige oudere generatie zijn? In de vorige eeuw was elke nieuwe generatie ouderen mobieler dan zijn voorganger. Ook ouderen in de nabije toekomst zullen meer en meer willen autorijden, vliegen, met trein en bus reizen, maar ook fietsen. Wat de ouderen in de vergrijsde samenleving van morgen willen, moet ook mogelijk zijn. Voor op maat gesneden mobiliteit voor alle ouderen moeten vervoerssystemen toegankelijk zijn en is een goede verhouding tussen prijs en kwaliteit nodig.

Veel ouderen van nu reizen niet per auto: de fiets is favoriet. Mensen tussen de 65 en 75 jaar fietsen even vaak als 18 tot 45 jarigen. Elk jaar komen er oudere fietsers bij. Nu is dat nog vaak min of meer uit nood: auto, trein of bus zijn financieel of anderszins onbereikbaar. In de toekomst zullen veel ouderen vaker bewust voor de fiets kiezen.

De toekomstige ouderen zullen meer auto rijden. Gezonde ouderen die zelfstandig kunnen rijden, hebben ze steeds vaker een auto. Ook bij oudere vrouwen zal het autobezit, nu nog laag, fors toenemen. Er is een sterke samenhang tussen autobezit en demografische ontwikkelingen. De babyboomers hebben een grote bijdrage geleverd aan de groei van de automobiliteit. Dat komt omdat ze met zoveel zijn, omdat hun generatie de eerste is waarin de overgrote meerderheid een rijbewijs bezit (95% van de mannen en 85% van de vrouwen) en omdat hun huishoudens over het algemeen over een auto beschikken (95%). De babyboomers zijn nu zo tussen de 25 tot 50 jaar oud. De arbeidsparticipatie van vrouwen in die groep neemt drastisch toe en daarmee ook het woon-werkverkeer. Dat alles heeft grote invloed op de automobiliteit. Tot 2010 zal daardoor het autobezit aanzienlijk toenemen. Daarna zwakt de groei af. Naar schatting neemt het aantal auto's tot 2020 met rond de 50% toe.

Ook aan de stijging van het vervoer per trein zullen ouderen hun bijdrage leveren. In 1990 was 22% van de treinreizigers boven de 55 jaar. Men verwacht dat dat aandeel in 2005 tot 26% en in 2015 tot 30% is gestegen. Er komt in het algemeen meer keuzevrijheid van vervoersmiddel. Mensen kiezen soms de auto, soms het openbaar vervoer. Treinvervoer en autovervoer zijn daardoor steeds minder communicerende vaten.

Het openbaar vervoer zal een deel van de groeiende mobiliteit van ouderen moeten opvangen. Het huidige openbaar vervoer is echter nauwelijks op die taak berekend. Dat komt deels omdat het 'gewone' openbaar vervoer niet is ingesteld op behoeften van ouderen aan toegankelijkheid, veiligheid, halte-accommodatie, loopafstand, inrichting van voertuigen. Inmiddels zijn verschillende systemen van Collectief Vraagafhankelijk Vervoer (CVV) geïntroduceerd. Voor ouderen en gehandicapten is dit van belang omdat deze systemen het vervoer van deur tot deur kunnen regelen. Ook voor vervoer op het platteland biedt CVV uitkomst. Maar deze systemen functioneren zeker nog niet optimaal en sluiten ook nog niet naadloos aan op het 'gewone' openbaar vervoer.

De trein van de toekomst moet voor ouderen fysiek toegankelijk zijn. Ouderen en gehandicapten moeten niet alleen makkelijk kunnen in- en uitstappen, maar ook makkelijk het station kunnen bereiken en op de stations hun weg kunnen vinden. Dit kan worden bevorderd door een ketenbenadering met ketenmanagers die zorgen voor reisplanning, alternatief vervoer, hulp bij in- en overstappen etc. Toch is dat niet voldoende. Het toegenomen aantal ouderen dat met de trein wil reizen, moet zich voegen in een stroom reizigers die ieder jaar met ongeveer 6% groeit. Het wordt steeds drukker op de perrons, het aantal treinen neemt toe en de in- en uitstaptijden worden steeds korter. Die drukte en gejaagdheid zal de toegankelijkheid van de trein voor bejaarden en gehandicapten niet bepaald vergroten. Als we willen dat de trein ook in de toekomst geschikt is voor bejaarden en gehandicapten, dan moeten nu maatregelen worden genomen.

De centrale vraag is of het treinvervoer, waarvan omvang en tempo steeds groter wordt, geschikt blijft voor alle categorieën reizigers (inclusief ouderen en gehandicapten), of zich ontwikkelt tot een reisvoorziening voor de jongere, werkende bevolking. Wie kiest voor het openbaar vervoer als algemene vervoersvoorziening, toegankelijk en aantrekkelijk voor alle soorten reizigers, moet zich de vraag stellen hoe de politiek dat kan bevorderen en welke eisen aan de vervoersbedrijven moeten worden gesteld om dat te bereiken.

Een tweede vraag is of naast het openbaar vervoer nieuwe systemen van openbaar vervoer moeten worden ingericht die specifiek voor ouderen en gehandicapten zijn. Daartoe kan het Collectief Vraagafhankelijk Vervoer uitgebouwd worden tot een integraal systeem gericht op ouderen en gehandicapten, dat functioneert naast het 'reguliere' openbaar vervoer. Denkbaar is ook een oplossingsrichting waarin CVV naadloos aansluit op andere systemen van openbaar vervoer en met name de trein.

Bij de laatste twee oplossingsrichtingen is het van belang te zorgen dat dergelijke vervoerssystemen, die op zich niet rendabel zijn, betaalbaar blijven en een hoge kwaliteit zijn, dat wil zeggen: klantvriendelijk, fijnmazig en toegankelijk. Tenslotte

Deze discussienota is allerminst uitputtend. Zo is een aantal aspecten van een vergrijzende samenleving slechts zijdelings aan de orde gekomen. Vragen over de veiligheid van de samenleving over twintig jaar, over de cultuurbeleving en cultuurbeoefening van ouderen, over de betekenis van de ICT-revolutie of de invloed van ouderen op de politieke machtsvorming bleven grotendeels onbesproken.

Of de toekomstige samenleving voor ouderen aantrekkelijk is, hangt in hoge mate af van de vraag of ouderen haar ook als veilig ervaren. Veiligheid is meer dan vrijwaring van beroving en lichamelijk geweld. Veiligheid betreft ook inkomenszekerheid, ook het gevoel erbij te horen en niet als 'onproductieve rest' te worden afgeschreven. Een samenleving is veilig als ook arme bejaarden recht hebben op goede zorgvoorzieningen en als de ruimtelijke omgeving geen gevoelens van onveiligheid oproept. Op al die deelterreinen is beleid mogelijk, maar op een algemeen veiligheidsbeleid voor de toekomstige vergrijsde samenleving valt moeilijk te anticiperen. Misschien moet worden overwogen om bij alle vormen van beleid voor de vergrijzende samenleving een 'veiligheidstoets voor ouderen' uit te voeren.

Hoe de vergrijsde samenleving cultureel gestalte krijgt, zal mede afhangen van de beeldvorming van de verschillende generaties over en weer. Zien jongeren ouderen als mensen die niet opschieten bij de kassa, die traag zijn en alleen maar zeuren over kwaaltjes? Of zijn jongeren bereid kwaliteiten van ouderen als ervaring, wijsheid en relativeringsvermogen naar waarde te schatten? Omgekeerd zullen ouderen moeten beseffen dat het niet meer vanzelfsprekend is dat de jongere generaties alle zorgen voor de ouderen op zich nemen. Met andere woorden: de solidariteit kan niet van één kant komen. Wederzijdse solidariteit is nodig waarbij de geslaagde babyboomers, met eigen huis en pensioenvoorziening zullen moeten beseffen dat zij soms geprofiteerd hebben van voorzieningen van de verzorgingsstaat die voor latere generaties minder bereikbaar zullen zijn.

Dit laatste is van belang voor het toekomstige politieke klimaat. Naarmate de vergrijzing toeneemt, zullen de oudere generaties aan electorale en maatschappelijke invloed winnen. Deze generaties zijn over het algemeen mondig, politiek geëngageerd en welvarend. Sociaal-democratisch beleid voor de komende jaren moet de randvoorwaarden en het klimaat scheppen waarbinnen toekomstige generaties ouderen voor zichzelf kunnen opkomen, krijgen wat hen toekomt, maar ook de bereidheid kunnen tonen solidair te zijn met hun eigen - minder bedeelde - leeftijdsgenoten en met de jongere generaties. Met deze discussienota is daartoe, hopen wij, een eerste aanzet gegeven. Gebruikte literatuur

Adviesdienst Verkeer en Vervoer, 7 Trends mobiliteit in veranderend Nederland CPB, Bevolking en Arbeidsaanbod. Drie scenario's tot 2020 CPB, Economie en fysieke omgeving, beleidsopgaven en oplossingsrichtingen K. Knipscheer, Een werkbare samenleving: met of zonder oudere? L. Kortram, A. Duivesteijn, notitie 'Wonen, dienstverlening en zorg, een zorg voor vandaag' (concept) Landelijke Werkgroep Ouderenbeleid PvdA, Veerkrachtig ouderenbeleid Ministerie VROM, Nederland 2030, discussienota.
Ministerie VROM, Nederland 2030, debat
Ministerie VROM, Woonverkenningen. Wonen in 2030.
NIZW, Wonen en Zorg: achtergrondstudie
Nyfer, Lang genoeg gewerkt?
SCP, Rapportage ouderen 1998
SER, Nederland 2030
SER, Ontwerpadvies Bevordering Arbeidsdeelname Ouderen SER, Rapport commissie Sociaal-Economische Deskundigen, Gezondheidszorg in het licht van de toekomstige vergrijzing. J. Teeuwes, Veroudering op de arbeidsmarkt
J. Teeuwes, De economie van het eendjes voeren.
Vromraad, Stedenland plus

Gesprekken met

H.J. Gelissen en E. van Venetië (NS)
Prof. P. Hooimeijer (RUU)
Drs. B. Jonker (Mercer)
Prof. C. Knipscheer (VU)
Prof. P. van Lieshout (NIZW)
Drs. J. Singelenberg (NIZW)
Prof. J. Theeuwes (UvA)

Colofon

Redactie:
Jan Nekkers (RADAR)

Lay-out en vormgeving:
Ine Laurent en Bert Bakker

Projectteam vergrijzing:
Anja van Etten, Nicoline de Groot, Monique Verbraeken, Jan Nekkers, Wouter Gortzak en Jan van Zijl.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie