Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Adelmund over achterstandenbeleid en onderwijs allochtonen

Datum nieuwsfeit: 14-02-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

26800VIII.076 brief sts ocw inzake gemeentelijk achterstandenbeleid en onderwijs in allochtone levende talen
Gemaakt: 15-2-2000 tijd: 10:58

3

26800 VIII Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (VIII) voor het jaar 2000

nr. 76 Brief van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen

Aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Zoetermeer, 14 februari 2000

Aanleiding

Per 1 augustus 1998 zijn de gemeenten in de positie gebracht om de regie te voeren ten aanzien van het gemeentelijk onderwijs achterstandenbeleid (GOA) en Onderwijs in Allochtone Levende Talen (OALT). Aan uw Kamer is toegezegd om de voortgang te melden van de 1e fase GOA en OALT die tot augustus 2002 loopt. Vanuit dit kader bied ik u hierbij de volgende 2 rapporten aan:

- Sociaal en Cultureel Planbureau - Gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid. Een inhoudelijke en bestuurlijke typering.*)

- Inspectie van het onderwijs - De uitvoering van GOA en OALT door Nederlandse gemeenten.

Het Inspectierapport is in principe een intern rapport, maar gezien het belang van het onderwerp bied ik het ook aan de Kamer aan om u volledig te informeren. Op de inhoud van de rapporten zal ik nader ingaan, mede in het licht van de door uw Kamer aangenomen motie 26800 VIII, nr 23 van het lid Passtoors.

Rapporten SCP en Inspectie over GOA- en OALT-beleid

Het SCP heeft, kort na het inwerkingtreden van de wet GOA, gegevens van driekwart van de gemeenten verwerkt. Het betreft onderzoek in het kader van het monitoren van de beleidsimplementatie van GOA. De Inspectie heeft een inventarisatie uitgevoerd onder alle Nederlandse gemeenten om inzicht te krijgen in de wijze waarop de wetgeving inzake GOA en OALT per 1 augustus 1998 feitelijk is uitgevoerd. Uit beide rapporten blijkt dat er op lokaal niveau veel in gang is gezet: de start is gemaakt. Eventuele verschillen in aantallen en percentages in de rapporten, zijn te wijten aan de verschillende meetmomenten.

Het SCP meldt dat met name grotere gemeenten en gemeenten die al langer ervaring hebben met het bestrijden van onderwijsachterstanden een goed begin hebben gemaakt. Zij hebben een duidelijke voorsprong op andere gemeenten. Echter, ook niet-planplichtige gemeenten blijken in veel gevallen een onderwijsachterstandenplan te hebben opgesteld. Veel gemeenten zijn erin geslaagd om een vrij breed draagvlak voor het lokale onderwijsachterstandenbeleid te creëren.

De Inspectie geeft aan dat van alle responderende gemeenten die planplichtig zijn (omdat ze meer dan 250.000,- voor GOA en OALT van het rijk ontvangen), bijna 13 procent de wettelijke procedure nog niet hadden afgerond.

Van de gemeenten die over de middelen een raadsbesluit moeten nemen (omdat ze minder dan 250.000,- voor GOA en OALT van het rijk ontvangen), heeft ruim 31 procent vrijwillig voor planvorming gekozen. Van de gemeenten waarop, bij afwezigheid van rijksmiddelen voor GOA of OALT, geen verplichtingen rusten, had bijna een kwart toch een plan of een raadsbesluit beschikbaar, dan wel in voorbereiding. Uit de gemeentekassen is circa 50 miljoen gulden beschikbaar gesteld voor GOA en OALT.

Planplichtige gemeenten die nog niet over een plan beschikken, zijn inmiddels rechtstreeks door de Inspectie benaderd. Zij dienen alsnog een plan aan de Inspectie beschikbaar te stellen. De Inspectie zal in maart de inhoud van alle op dat moment beschikbare plannen aan de wet toetsen.

Het SCP constateert dat de meeste gemeenten delen van het uit zes hoofddoelstellingen bestaande landelijk beleidskader (LBK) uitvoeren of lijken hun eigen beleid in dit kader in te kunnen passen. Meer dan driekwart van de gemeenten blijken met name de doelstellingen betreffende voor- en vroegschoolse educatie en de beheersing van de Nederlandse taal te prioriteren. Slechts zeer weinig gemeenten hebben in deze eerste fase GOA gekozen om alle zes de doelstellingen van het LBK in hun gemeentelijke plan op te nemen. Daaruit blijkt dat de meeste gemeenten werken met een zogenoemd groeimodel en fasegewijs alle doelstellingen uit het LBK naar de lokale situatie zullen gaan vertalen.

Het LBK biedt aan gemeenten echter ook de mogelijkheid om naast de doelstellingen uit het LBK lokale keuzes te maken en prioriteiten te stellen. Het GOA-beleid is immers ingezet om het beleid meer toe te spitsen op de lokale situatie en hulp op maat bieden. Het is een goede zaak dat nu ook daadwerkelijk blijkt, dat gemeenten hun plannen afstemmen op de lokale situatie en waar nodig hun eigen beleidsonderwerpen eraan toevoegen. Ook valt te constateren dat het onderwijsachterstandenbeleid wordt aangepakt in samenhang met andere sectoren. Uit inventariserend onderzoek van Sardes uit 1999 blijkt dat de eerste ervaringen die met de brede school zijn opgedaan, een positieve ontwikkeling schetsen.

De ervaring leert dat het bestrijden van onderwijsachterstanden een weerbarstige materie is. Het vraagt dan ook enige tijd om achterstandenbestrijding op lokaal niveau goed vorm en inhoud te geven. Dit valt ondermeer op te maken uit de voorsprong die gemeenten hebben die al langer ervaring hebben met het bestrijden van onderwijsachterstanden. Hiermee kunnen ook eventuele verschillen tussen grotere en kleinere gemeenten worden verklaard. In het SCP-rapport wordt aangegeven dat de tijd die nodig is voor implementatie van beleid in scholen of andere organisaties stelselmatig wordt onderschat.

Ik constateer dat gemeenten met het GOA-beleid een goede start hebben gemaakt. De komende jaren zullen benut moeten worden om dit beleid verder te ontwikkelen en meer ervaringen op te doen, met als doel een samenhangende en resultaatgerichte aanpak te ontwikkelen in samenhang met andere sectoren.

In een ruime meerderheid van de onderzochte gemeenten maakt het OALT-plan deel uit van het GOA-plan. Hierbij wordt door gemeenten de meeste nadruk op GOA-beleid gelegd. Aangezien de meeste gemeenten het schooljaar 1998/1999 als overgangsjaar hebben benut voor OALT, zijn nog slechts globale gegevens over de implementatie van OALT binnen gemeenten beschikbaar. Wel blijkt een meerderheid van de gemeenten ten behoeve van het primair onderwijs deels te kiezen voor taalondersteuning van allochtone leerlingen en deels voor het OALT. De meeste gemeenten zijn niet voornemens eigen middelen aan het OALT-budget toe te voegen. De mogelijkheid tot samenwerking met buurgemeenten (met name van belang voor kleinere gemeenten) wordt momenteel nog weinig benut.

Motie 26800 VIII, nr 32

Uw Kamer heeft op 10 november 1999 de motie van het lid Passtoors aangenomen (26800 VIII, nr 32). In deze motie wordt gevraagd om op korte termijn het landelijk beleidskader te herzien om hierin topprioriteit te geven aan meetbare doelstellingen op het gebied van Nederlandse taal. Ik zal op de volgende wijze uitvoering aan de motie geven.

Gemeenten hebben voor de periode 1998-2002 een
onderwijsachterstandenplan opgesteld. Hierbij zijn de zes doelstellingen uit het landelijk beleidskader richtinggevend.

Beheersing van de Nederlandse taal en voor- en vroegschoolse educatie zijn twee van deze vaststaande kaders. Uit bijgevoegde rapporten blijkt dat driekwart van de gemeenten binnen hun lokale onderwijsachterstandsplannen prioriteit hebben gelegd bij voor- en vroegschoolse educatie en de beheersing van de Nederlandse taal. Gegeven de wens van de Tweede Kamer ben in voornemens het landelijk beleidskader aan te passen. Alle opgedane ervaringen binnen het huidig lokaal onderwijsachterstandenbeleid vormen input voor een aangescherpt landelijk beleidskader voor het onderwijsachterstandenbeleid voor de periode 2002-2006. Ook de discussie rondom de leerstandaarden zal hierbij een belangrijke rol spelen.

Voor 1 augustus 2001 moeten de financiële en inhoudelijke kaders rond het achterstandenbeleid bekend zijn, zoals die per 1 augustus 2002 gaan gelden. Dat betekend dat er voor het eind van 2000 nadere informatie aan de Tweede Kamer wordt voorgelegd.

Overigens is er sprake van ontwikkelingen die bijdragen aan een gerichte opbrengst van het achterstandenbeleid en reeds in gang gezette trajecten ondersteunen. Allereerst geeft de overheid een extra impuls aan de ondersteuning van taalbeleid in het basis- en voortgezet onderwijs. Aan de Landelijke Pedagogische Centra worden extra middelen beschikbaar gesteld om gemeenten en scholen te ondersteunen bij verbeteren van het NT2- onderwijs en het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid. Daarbij is een proces in gang gezet om tot een meer vraaggerichte ondersteuning te komen. Daarnaast worden de extra middelen die aan de onderwijsbegroting voor het jaar 2000 zijn toegevoegd á f 20 miljoen (structureel) en f 5 miljoen (incidenteel), ingezet voor uitbreiding van de deelname van het aantal 3-6 jarigen met grote (taal) achterstanden aan effectieve voorschoolse programma`s. Hierover heeft u kennisgenomen middels mijn brief van 15 oktober 1999 geïnformeerd (kenmerk PO/BB/9945362). Over de voorgenomen uitwerking wordt u zo spoedig mogelijk op de hoogte gebracht.

Ik vertrouw erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

K.Y.I.J. Adelmund

*) Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie