Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Brief Van Aartsen over werkzaamheden Veiligheidsraad januari

Datum nieuwsfeit: 14-02-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

26301000.021 brief min buza over de werkzaamheden veiligheidsraad in d e maand januari 2000
Gemaakt: 15-2-2000 tijd: 18:14

8

26301 Lidmaatschap Veiligheidsraad

nr. 21 Brief van de minister van Buitenlandse Zaken

Aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 14 februari 2000

Hierbij bied ik u mede namens de Minister voor
Ontwikkelingssamenwerking een verslag aan over de werkzaamheden van de Veiligheidsraad in de maand januari 2000.

ALGEMEEN

De Verenigde Staten, in de maand januari voorzitter van de Veiligheidsraad, besteedde veel aandacht aan Afrika. Zo vonden open thematische debatten plaats over AIDS in Afrika en vluchtelingen in Afrika, alsmede open debatten en briefings over Angola, Burundi en de Democratische Republiek Congo. Tevens werden in besloten zitting consultaties gehouden over Sierra Leone.

De "Afrika-maand" is positief ontvangen. Het optreden van de Amerikaanse Vice-president Al Gore, van oud-president van Zuid-Afrika Nelson Mandela en van Afrikaanse ministers en (oud-) staatshoofden voor de Veiligheidsraad gaf een speciaal karakter aan de bijeenkomsten. Voortgang is geboekt m.b.t. Burundi, Angola en Sierra Leone. Mandela's rol als bemiddelaar voor het Arusha-proces geeft nieuwe hoop voor Burundi. In Angola beginnen de sancties enig effect te krijgen. Het mandaat van de VN-missie in Sierra Leone (UNAMSIL) zal spoedig worden uitgebreid. De bij het conflict in de Democratische Republiek Congo betrokken staatshoofden hebben hun hernieuwde committering aan het Lusaka-proces uitgesproken.

Daarnaast werden de mandaten verlengd van UNMOP (Prevlaka), UNIFIL (Libanon) en UNOMIG (Georgië). In de laatste twee resoluties werd een paragraaf opgenomen met betrekking tot de HIV/AIDS-problematiek; een resultante van het debat over AIDS in Afrika.

De Raad werd voorts geïnformeerd over de situatie in Oost-Timor, die enerzijds tot tevredenheid stemde, anderzijds reden tot zorg gaf, met name wat betreft de situatie van de vluchtelingen en toenemende criminaliteit.

De Zweed Dr. Hans Blix werd benoemd tot uitvoerend voorzitter van de United Nations Monitoring, Verification and Inspection Commission voor Irak (UNMOVIC).

AFRIKA

Angola

Op 18 januari vond een briefing plaats door Assistent Secretaris-Generaal Prendergast op basis van het jongste rapport van de Secretaris-Generaal. Tegen de achtergrond van de recente successen van de Angolese regeringstroepen bepleitte Prendergast een parallel politiek spoor. De verzekering van de Angolese regering dat het Lusaka-Protocol nog immer de basis vormde voor een hernieuwd vredesproces, was in dat licht bemoedigend. De regering diende wel serieus werk te maken van humanitaire hulpverlening en verbetering van de mensenrechtensituatie.

De Canadese Permanente Vertegenwoordiger Fowler, voorzitter van het Angola sanctiecomité bracht verslag uit over zijn reis naar Angola. Vooruitlopend op het eindrapport van zijn expertpanel (eind februari te verwachten) concludeerde hij dat UNITA niet de beschikking had over een uitgebreid financieel ondergronds netwerk en dat sancties in die zin effect begonnen te krijgen. Ook leek het aantal tussenpersonen dat bereid was UNITA te helpen te verminderen.

Nederland bracht naar voren dat Angola de VN in staat moest stellen het mandaat op het gebied van mensenrechten naar behoren te verrichten. De parlementaire goedkeuring van het mandaat van UNOA (United Nations Office in Angola) was daarom urgent.

Burundi

Oud-President Nelson Mandela, verwelkomd met een staande ovatie, sprak de Raad op 19 januari in een open zitting toe in zijn hoedanigheid van bemiddelaar van het Arusha-vredesproces voor Burundi. De Secretaris-Generaal leidde het debat in met een toelichting op de situatie in Burundi. Het beleid van de Burundese regering van gedwongen internering ("regroupement") omschreef hij als onmenselijk en onrechtmatig. De Secretaris-Generaal toonde zich ernstig bezorgd over de humanitaire situatie. Hij riep partijen op mee te werken aan een politieke oplossing en af te zien van het gebruik van geweld.

Mandela benadrukte de verantwoordelijkheid van alle leiders in Burundi voor een politieke oplossing. Hij veroordeelde het geweld en riep alle partijen op hier zo spoedig mogelijk een einde aan te maken en deel te nemen aan een alomvattend vredesproces. Mandela benadrukte dat de samenleving zich in sterkere mate bewust zou moeten worden van het vredesproces. Indien de bevolking een uitkomst zou verwerpen, zou deze immers niet kunnen worden geïmplementeerd. Burundese leiders, aldus Mandela, waren er verantwoordelijk voor dat hun achterban werd overtuigd van de noodzaak tot concessies en compromissen. Mandela was van mening dat onder leiding van Nyerere al veel vooruitgang was geboekt.

De minister van Buitenlandse zaken van Burundi sprak namens de Burundese regering zijn steun uit voor de bemiddelingsactiviteiten van Mandela. Hij verdedigde het beleid van internering als een noodzakelijke maatregel om de bevolking te beschermen. Door de verbeterde veiligheidssituatie zouden evenwel 10 van de 50 kampen kunnen worden ontmanteld.

De leden van de Raad verwelkomden de bereidheid van Mandela de moeilijke taak van facilitator op zich te nemen. Diverse sprekers, onder wie de Nederlandse PV, veroordeelden het beleid van internering en riepen op daar onmiddellijk een einde aan te maken. Nederland gaf voorts te kennen bereid te zijn het vredesproces financieel te ondersteunen met USD 250.000. Nederland maakte verder van de gelegenheid gebruik nogmaals te benadrukken dat de daders van de moorden op VN-medewerkers, onder wie de Nederlandse Saskia von Meijenfeldt, in Rutana in oktober 1999, moesten worden geïdentificeerd, gearresteerd en berecht.

Na afloop van het debat aanvaardde de Raad een resolutie die de bemiddelingswerkzaamheden van Mandela ondersteunde. Op dringend verzoek van Mandela werd daarin niet gerept over de interneringskampen, omdat dit zijn werk zou kunnen bemoeilijken. Wel werd in de resolutie het geweld in Burundi veroordeeld, waaronder de moord op VN-medewerkers.

Democratische Republiek Congo

Op 24, 25 en 26 januari vond een open zitting plaats van de Veiligheidsraad over de Democratische Republiek Congo (DRC) onder Voorzitterschap van Secretary of State Albright en een achttal Afrikaanse (oud-) staatshoofden, onder wie President Kabila. De verklaringen van de bij het conflict betrokken partijen bevatten geen nieuwe elementen. President Kabila benadrukte het belang van territoriale integriteit van de DRC en stelde dat hij al de nodige stappen had gezet om de nationale dialoog op gang te brengen.

Burundi, Uganda, en Rwanda stelden dat militaire actie nodig was om hun land te verdedigen en om te voorkomen dat nog meer genocide plaats zou vinden.

De betrokken partijen weten de trage implementatie van Lusaka grotendeels aan de internationale gemeenschap. De VN zou namelijk hebben getalmd om een goed gefinancierde vredesoperatie op te zetten. Het belang van een hernieuwd Lusaka-akkoord werd allerwegen onderstreept.

Alle Afrikaanse delegaties waren voorstander van een actieve rol van de VN, maar verschilden van mening over de invulling daarvan. Kabila zag de VN het liefst de Rwandese troepen uit het land verjagen, terwijl Rwanda wilde dat de VN de Interahamwe zou aanpakken.

Een aantal landen, waaronder Nederland, stelde dat de internationale gemeenschap klaar staat om het Lusaka-proces te ondersteunen, maar maakte tevens duidelijk dat uitzending van militaire waarnemers alleen kan plaatsvinden indien adequate bescherming en veiligheidsgaranties worden geboden. Nederland bracht voorts de mogelijkheid van vrijwillige moratoria ter indamming van wapenstromen naar de regio ter sprake. Tevens vroeg Nederland aandacht voor de mensenrechtensituatie.

Hogergenoemde elementen vonden hun weg in een presidentiële verklaring. Daarin moedigde de Raad partijen tevens aan de Lusaka-overeenkomst daadwerkelijk uit te voeren. Steun werd uitgesproken voor het opzetten van een gecoördineerde MONUC/Joint Military Commission(JMC) structuur. Hiermee worden de mogelijkheden van samenwerking tussen MONUC en JMC verbeterd. Momenteel wordt gewerkt aan een ontwerp-resolutie inzake ontplooiing van militaire waarnemers (fase II).

Sierra Leone

Assistent Secretaris-Generaal Annabi verzorgde op 12 januari een briefing over de situatie in Sierra Leone. Door de terugtrekking van ECOMOG was het noodzakelijk de VN-missie in Sierra Leone, UNAMSIL, uit te breiden conform de voorstellen van de Secretaris-Generaal.

Deze stelde een uitbreiding voor met 5.100 personen, hetgeen de totale sterkte van UNAMSIL zou doen uitkomen op 11.100. De VN zou de veiligheidsfunctie rondom Lungi en Freetown overnemen, alsmede de bescherming van een aantal ontwapenings-, demobilisatie- en reïntegratiesites (de zgn. "DDR-sites") in een aantal sectoren.

Nederland sprak zorg uit over de fragiele veiligheidssituatie en kon instemmen met de voorgestelde uitbreiding van het mandaat en de samenstelling van UNAMSIL. Een en ander zal in februari per resolutie worden geformaliseerd.

Hierbij werd benadrukt dat de partijen zelf de eerste verantwoordelijkheid dragen voor een goede uitvoering van het vredesakkoord.

EUROPA

Bosnië-Herzegovina

De Veiligheidsraad ontving op 12 januari een briefing van Assistent Secretaris-Generaal Annabi. Hij benadrukte dat de Speciale Vertegenwoordiger van Secretaris-Generaal Klein door de Secretaris-Generaal was verzocht de verschillende opties te bestuderen om in de veiligheidsbehoefte van de VN missie in Bosnië-Herzegovina (UNMIBH) te voorzien. Klein bleef voorstander van het idee om een multi-etnische politie-eenheid in internationale vredesoperaties te laten opereren.

De leden van de Veiligheidsraad toonden grote teleurstelling over het niet naleven van de Verklaring van New York (15 november 1999), waarin het driekoppige presidentschap van Bosnië-Herzegovina zich had gecommitteerd zo spoedig mogelijk een aantal gemeenschappelijke maatregelen te nemen (o.a. oprichting van een gemeenschappelijke grensbewaking).

Nu het wetsontwerp tot instelling van een multi-etnische grenspolitie het echter in het Bosnische parlement niet had gehaald, was naleving van de Verklaring van New York niet erg hoopgevend. In een verklaring aan de pers sprak de voorzitter van de Raad hierover grote ergernis uit.

Georgië

Op 28 januari behandelde de Raad het recente rapport van de Secretaris-Generaal over de situatie in Abchazië. Assistent-Secretaris Generaal Annabi introduceerde kort het rapport. De nieuwe Speciaal Vertegenwoordiger, met steun van de Russische Federatie, de OVSE en de Groep Vrienden van de Secretaris-Generaal probeerde het vredesproces gaande te houden door de structuur, die in 1997 in het kader van het Genève-proces werd opgericht, nieuw leven in te blazen. Dat had inmiddels geleid tot overeenstemming over een aantal praktische zaken, zoals een protocol voor gezamenlijke onderzoek van gewelddadige incidenten in de conflictzone en verdere stappen voor de rehabilitatie en het gebruik van de Inguri dam. Nederland hoopte dat een en ander een positief effect zou hebben op het verdere verloop van de vredesonderhandelingen.

Tevens werd gewerkt aan voorstellen met betrekking tot de verdeling van constitutionele bevoegdheden tussen Tbilisi en Sukhumi. Het uiteindelijke doel van het Genève-proces was tot een algehele politieke oplossing van het conflict te komen. Voortgang op het gebied van de status van Abchazië was een onontbeerlijke stap richting dat doel. De voortdurende Abchazische onwil om deze kwestie te bespreken, was verontrustend.

Het rapport meldde voorts dat UNOMIG, de VN-vredesoperatie, in staat was haar mandaat effectief uit te voeren, behalve in de Kodori Vallei, als gevolg van de gijzeling aldaar op 13 oktober 1999. Nederland betreurde het overigens dat de Abchazische noch de Georgische autoriteiten er tot nu toe in waren geslaagd de daders van dat incident, alsmede van de kortstondige gijzeling van UNOMIG-personeel op 17 januari jl., te identificeren.

Per resolutie werd het mandaat van UNOMIG op 31 januari met zes maanden verlengd tot 31 juli 2000. Als uitvloeisel van het eerder in januari gevoerde debat over AIDS in Afrika ontspon zich een discussie over een verwijzing naar de AIDS-problematiek in de resolutie. Besloten werd een paragraaf op te nemen in het preambulaire gedeelte ter verwelkoming van de inspanningen van de VN om vredeshandhavingspersoneel te informeren over het voorkomen en controleren van HIV/AIDS en andere sexueel overdraagbare ziekten. Voorts sprak de Raad af dat deze formulering voortaan zou worden opgenomen in alle resoluties van de Raad waarin vredesoperaties zouden worden geïnitieerd of verlengd.

Kosovo

Onder Secretaris-Generaal Miyet en "Principal Deputy" Speciale Vertegenwoordiger van de Secretaris-Generaal James P. Covey informeerden op 11 januari de Raad over de situatie in Kosovo. Naar verwachting zou de Kosovo Protection Force (KPC) op korte termijn formeel worden opgericht. Om logistieke redenen was de terugkeer van vluchtelingen in de periode van 17 december 1999 tot 10 januari 2000 opgeschort; er werden nu 5000 terugkerenden verwacht. Er waren bewaakte busdiensten tussen Orahovac en Mitrovica en in Zvecon ingesteld.

Covey verschafte bijzonderheden over de registratie van burgers, die tevens diende voor de inschrijving van kiezers. Het was de bedoeling in de herfst verkiezingen te houden. Kosovaren buiten Kosovo zouden eveneens worden geregistreerd. De Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) zou zorg dragen voor de registratie van kiezers uit Servië en Montenegro.

Naar aanleiding van Nederlandse vragen gaf Covey nadere uitleg over de politieke controle over de KPC. Hij onderstreepte dat op dit ogenblik de KPC nog niet bestond. De KLA was in november 1999 ontwapend en met KPC zou pas een aanvang kunnen worden gemaakt wanneer de middelen daartoe voorhanden waren.

Prevlaka

Onder Secretaris-Generaal Miyet introduceerde op 11 januari het rapport van de Secretaris-Generaal over de VN-missie in Prevlaka (UNMOP). Hij wees op de positieve ontwikkelingen zoals de volledige demilitarisering van de "gele" zone, voor het eerst sinds 1992.

Nederland toonde zich hierover verheugd, maar wees erop dat op politiek niveau geen enkele vooruitgang te bespeuren was. De laatste ronde van besprekingen tussen de beide partijen vond tien maanden geleden plaats. Nederland hoopte dat, nu in Kroatië parlementsverkiezingen hadden plaatsgevonden, spoedig een vijfde onderhandelingsronde tussen de FRJ en Kroatië zou volgen.

Op 13 januari aanvaardde de Veiligheidsraad een resolutie waarmee de verlenging van het mandaat van de VN-missie in Prevlaka (UNMOP) tot 15 juli 2000 werd goedgekeurd.

MIDDEN-OOSTEN

Irak

Op 26 januari ging de Veiligheidsraad akkoord met de benoeming van de bekwame Zweedse deskundige, Dr. Hans Blix, als uitvoerend voorzitter van de United Nations Monitoring, Verification and Inspection Commission (UNMOVIC). UNMOVIC moet samen met het IAEA zorgdragen voor de implementatie van het wapeninspectieregime voor Irak dat is vervat in VR-resolutie 1284 (zie mijn brief van 23 december 1999, kenmerk DAM/GO-449/99, gericht aan de Voorzitter van de Vaste Commissie voor Buitenlandse Zaken van de Tweede Kamer). Blix, voormalig Directeur-Generaal IAEA, was de enige kandidaat die voor alle leden van de Veiligheidsraad aanvaardbaar was. De eerder door de Secretaris-Generaal voorgedragen kandidaat, oud-UNSCOM-voorzitter Ekeus, stuitte op verzet bij Rusland, Frankrijk en China.

Zuid-Libanon

Op 31 januari werd het mandaat van UNIFIL, de VN-vredesmacht in Zuid Libanon, op aanbeveling van de Secretaris-Generaal wederom met zes maanden verlengd.

In een presidentiële verklaring (her)bevestigde de Raad gecommitteerd te zijn aan volledige soevereiniteit, politieke onafhankelijkheid, territoriale integriteit en nationale eenheid van Libanon binnen internationaal erkende grenzen.

De Raad steunde de inspanningen van de Libanese regering om vrede, nationale eenheid en veiligheid in het land te consolideren en het reconstructieproces goed te doen verlopen. Zorg werd uitgesproken over het toenemende geweld.

AZIË

Oost-Timor

Assistent Secretaris-Generaal voor vredesoperaties Annabi informeerde de Raad op 14 januari over de ontwikkelingen in Oost-Timor. Hij was positief over de relaties tussen UNTAET en de Oost-Timorezen. De onlangs opgerichte National Consultative Council had inmiddels een aantal malen vergaderd en werkte goed. Het bestuursapparaat van UNTAET was in alle districten aanwezig. De civiele politie-component van UNTAET had in alle districten een recherchecapaciteit opgebouwd. Tot op heden waren 1100 politiefunctionarissen toegezegd (geautoriseerde sterkte 1650). Ruim 300 daarvan waren inmiddels in Oost-Timor gearriveerd.

De militaire veiligheidssituatie was stabiel. De transitie van Interfet naar UNTAET-militair zou in februari in vier fasen plaatsvinden, waarbij van oost naar west telkens een gebied overgedragen zou worden. Eind februari zou de transitie afgerond moeten zijn.

Er bevonden zich nog circa 120.000 vluchtelingen in West-Timor. Het tempo van terugkeer van vluchtelingen was gestegen (thans 130.000 vluchtelingen teruggekeerd), onder andere door de afnemende activiteiten van militia en de voorlichtingscampagnes van UNHCR.

De leden van de Raad toonden zich bezorgd over de trage ontplooiing van de civiele politie, vooral ook gezien de toenemende criminaliteit. Voorts bestond zorg, onder andere bij Nederland, over het nog altijd hoge aantal vluchtelingen in West-Timor en over de slechte voedselsituatie voor kinderen in de kampen aldaar.

ALGEMEEN

"Impact of AIDS on peace and security in Africa"

Op 10 januari 2000 vond onder voorzitterschap van de Amerikaanse Vice-President, Al Gore, een open debat plaats over "Impact of AIDS on peace and security in Africa". Volgens Vice-President Gore was AIDS een groot veiligheidsrisico in Afrika, dat al veel meer slachtoffers had geëist dan de gewapende conflicten. De Veiligheidsraad moest zijn klassieke veiligheidsagenda verruilen voor een nieuwe agenda voor "wereld-veiligheid", die mondiale problemen omvat, zoals milieu, drugs, corruptie, terrorisme en epidemieën.

Als inleiders spraken achtereenvolgens de Secretaris-Generaal, de president van de Wereldbank Wolfensohn, de UNDP-Administrateur, Brown en de Directeur van UNAIDS dr. Piot. Allen wezen op het belang van het "International Partnership against AIDS in Africa", waarin Afrikaanse landen, donorlanden, de VN, niet-gouvernementele organisaties en de particuliere sector zullen samenwerken en dat a.s. mei zal worden gelanceerd tijdens de bestuursraad van UNAIDS.

De meeste deelnemers verwelkomden het debat en betuigden steun voor aandacht voor de problematiek van AIDS in Afrika. Daarnaast gingen veel delegaties in op hun eigen bijdragen in de strijd tegen AIDS. De VS kondigde een extra bijdrage aan van 100 miljoen USD (totaal 325 miljoen USD) voor de preventie, behandeling van en onderzoek naar AIDS in de gehele wereld.

Nederland draagt jaarlijks 35 miljoen USD bij en is daarmee het tweede donorland op dit gebied. Nederland vestigde tevens aandacht op de noodzaak van versterkte bewustwording omtrent AIDS. Een specifieke bijdrage van de Veiligheidsraad in dit verband zou kunnen zijn de landen in Afrika te vragen zich in het bijzonder te richten op hun strijdkrachten.

UNAIDS heeft zich naar aanleiding van de bijeenkomst een aantal concrete taken gesteld, waaronder follow-up informatie aan de Veiligheidsraad, betere coördinatie met de Veiligheidsraad en instelling van een "clearing house" of register met alle relevante informatie over AIDS-programma's. UNAIDS zal over twee maanden een rapport aan de Raad zenden over AIDS in de strijdkrachten.

Rusland en China, die meenden dat dit onderwerp niet thuis hoorde in de Veiligheidsraad, namen niet deel aan het debat.

Vluchtelingen in Afrika

Op 13 januari vond een open briefing plaats over "Vluchtelingen in Afrika" door UNHCR mevrouw Sadako Ogata. Zij wees op de verslechtering van de vluchtelingensituatie in de afgelopen paar maanden. Vooral in Centraal Afrika was de situatie kritiek. In onder andere Burundi, de Democratische Republiek Congo en Angola waren vooral de ontheemden een grote zorg.

De veiligheidssituatie van vluchtelingen, ontheemden en humanitaire hulpverleners verdiende een belangrijke plaats op de agenda van de Veiligheidsraad. Mevrouw Ogata waarschuwde er echter voor dat humanitaire hulpverlening geen substituut kon zijn voor de acties, gericht op voorkoming en beslechting van geschillen. Zij pleitte voor de oprichting van een internationaal onderwijsfonds voor vluchtelingen.

Algemeen werd het belang van het onderwerp erkend. Veel delegaties maakten zich zorgen om de veiligheid van zowel de vluchtelingen als die van humanitaire werkers. Als voornaamste oorzaak van de grote groepen vluchtelingen werd de voortdurende conflictsituatie op het continent aangeduid.

Een aantal delegaties vroeg aandacht voor de ongelijke zorg voor de ontheemden in vergelijking tot die voor de vluchtelingen. Ontheemden vielen buiten het mandaat van UNHCR.

In antwoord op een Nederlandse vraag stelde mevrouw Ogata dat zij eigenlijk af zou willen van het uitgangspunt dat vluchtelingen onder alle omstandigheden gerepatrieerd zouden moeten worden. Zij legde de nadruk op de vrijwilligheid daarvan.

Na afloop sprak de voorzitter van de Raad een voorzittersverklaring uit, waarin onder andere is vastgelegd dat ontheemden een gelijkwaardige zorg dienden te ontvangen als vluchtelingen.

Afrika wrap-up sessie

Op de laatste dag van het Amerikaanse voorzitterschap werd een open zitting van de Veiligheidsraad gewijd aan een terugblik op de afgelopen Afrika-maand ("wrap-up"). Plaatsvervangend Secretaris-Generaal Fréchette, de Zambiaanse president Chiluba, de Zuidafrikaanse Minister van Buitenlandse Zaken, mevrouw Dlamini-Zuma en de Minister van Buitenlandse Zaken van Namibië Gurirab verzorgden een inleiding.

Fréchette stelde dat er geen aanleiding was voor Afro-pessimisme. De Veiligheidsraad had een "real sense of urgency" betoond ten opzichte van een aantal conflicten in Afrika. Een werkelijke oplossing diende echter op Afrikaanse bodem zelf te worden gevonden.

De Afrikaanse sprekers waren positief over de Afrika-maand. Voortgang was geboekt m.b.t. Burundi, Angola en Sierra Leone. De zitting over de DRC had voldoende "hernieuwde commitment" opgeleverd van de betrokken lidstaten met betrekking tot het Lusaka-akkoord; de Raad moest dan ook spoedigst de ontplooiing van fase II van de vredesoperatie in de DRC (MONUC), 500 waarnemers plus 5500 militaire beschermers, goedkeuren.

Nederland stelde dat er geen alternatief voor het Lusaka-akkoord was, maar dat de weg naar werkelijke vrede in de DRC nog vol obstakels lag. Cruciaal was dat daarbij een oplossing zou worden gevonden voor de illegale wapenhandel in de regio en voor het probleem van de illegale exploitatie van natuurlijke hulpbronnen.

Informeel gesprek met Senator Helms (VS)

Op 20 januari vond een informeel gesprek plaats tussen de Amerikaanse senator Jesse Helms en de leden van de Veiligheidsraad. Helms maakte duidelijk dat de VN nog steeds te weinig oog had voor de legitieme belangen van de VS als grootste contribuant: de VN zou er op uit zijn inbreuk te maken op de Amerikaanse soevereiniteit. Volgens Helms was de VN alleen effectief indien de grote democratische machten in deze wereld er nuttig gebruik van konden maken. De hervormingen zoals gedicteerd in de Helms-Biden wetgeving waren essentieel voor een betere relatie tussen Congres en VN.

De leden van de Raad brachten naar voren dat ook zij de noodzaak van hervormingen erkennen. De VN heeft echter duidelijk zijn waarde bewezen en de kosten hiervan moesten op rechtvaardige wijze worden gedragen naar rato van draagkracht.

Nederland benadrukte dat de volledige betaling van de Amerikaanse contributieachterstanden nog altijd de meest effectieve manier was om de relaties tussen de VN en het Congres te verbeteren.

Overigens haastten Secretary of State Albright en Permanent Vertegenwoordiger Holbrooke zich na het gesprek eraan te herinneren dat Helms niet had gesproken namens de Amerikaanse regering, die zich onverminderd committeerde aan de VN.

De Minister van Buitenlandse Zaken,

J.J. van Aartsen

N.B. Bijlage niet elektronisch beschikbaar.

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie