Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Brief Justitie over nader onderzoek rechtmatigheidsgetuigen

Datum nieuwsfeit: 15-02-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

just0000.097 brief min just inzake nader onderzoek rechtmatigheidsgetu igen
Gemaakt: 15-2-2000 tijd: 17:59

2

Aan de voorzitter van de Vaste commissie van Justitie uit de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 15 februari 2000

Onderwerp

Nader onderzoek rechtmatigheidsgetuigen

Met verwijzing naar mijn toezegging in het Algemeen Overleg met uw Commissie inzake het rapport van de Tijdelijke Commissie Evaluatie Opsporingsmethoden op 15 december 1999 naar aanleiding van een vraag van het lid van uw Kamer, de heer Van Oven, om meer informatie te verschaffen over de positie van de zgn «rechtmatigheidsgetuige» bericht ik u het volgende.

De heer Van Oven verwees in zijn interventie naar een door hem gewenste beschouwing over de toelaatbaarheid van een wettelijke regeling van de hiervoor bedoelde getuige bezien in het licht van het EVRM en de daarop gebaseerde jurisprudentie van het EHRM.

Artikel 6 (3) d: het recht van de verdachte om getuigen tegen hem te (doen) ondervragen en het verzekeren van de aanwezigheid en het ondervragen van getuigen te zijnen behoeve onder de zelfde voorwaarden wordt inmiddels als volgt uitgelegd: het is «the Court's constant rule that all the evidence must normally be produced in the presence of the accused at a public hearing with a view to adversarial hearing. This does not mean, however, that the statement, of a witness must always be made in court and in public if it is to be admitted as evidence; in particular, this may prove impossible in certain cases. The use in this way of statements, obtained in the pre-trial stage is not in itself inconsistent with paragraphs 3 (d) and 1 of article 6, provided that the rights of the defence have been respected. As a rule those rights require that the defendant be given an adequate and proper opportunity to challenge and question a witness against him either when he was making a statement or at a later stage in the proceedings.» (Asch, EHRM 26 april 1991, A , nr. 203).

In de tweede plaats moet worden gewezen op het ruime begrip van «getuige» dat uit de jurisprudentie van het Hof blijkt: het betreft een ieder, ongeacht zijn formele status in de nationale strafrechtelijke procedure, die beschikt over gegevens die relevant zijn in de concrete procedure (zie b.v.de aanbevelingen van de Raad van Europa: R (97), nr. 13, Intimidation of witnesses and the rights of the defence, hoofdstuk I

Uit het voorgaande volgt dat er in zijn algemeenheid ruimte is voor het maken van een wettelijke regeling waarin een verklaring die in het voorbereidend onderzoek is afgelegd als bewijsmiddel kan worden gebruikt, met dien verstande dat de rechten van de verdediging zijn gerespecteerd (in het bijzonder het ondervragingsrecht). Uit het ruime getuigebegrip volgt evenwel ook dat in het voorbereidend onderzoek geen definitieve beslissing kan worden genomen over de vraag of iemands aanwezigheid op de terechtzitting nog noodzakelijk is. Ook in het geval dat voornamelijk de rechtmatigheid van het verkrijgen van bewijsmateriaal aan de orde is, is het wenselijk deze discussie niet tot het voorbereidend onderzoek te beperken en er kan zelfs aanleiding zijn om deze juist tijdens het eindonderzoek ten gronde te voeren.

Alleen in het geval van de bedreigde getuige heeft de wetgever er tot nu toe uitdrukkelijk voor gekozen om het verhoor op de openbare terechtzitting uit te sluiten, het ondervragingsrecht te beperken en te volstaan met het horen door de rechter-commissaris. De verdediging wordt wel in staat gesteld om door tussenkomst van de rechter-commissaris de getuige vragen te stellen; er is geen recht om die vragen ook in alle gevallen beantwoord te krijgen. Ik acht het ten aanzien van deze specifieke categorie aanvaardbaar dat een dergelijke uitzonderingspositie in de wet is neergelegd. Het is een ook door het EHRM erkend belang dat de overheid gehouden is een bedreigde getuige zo veel mogelijk te beschermen, opdat hij ongehinderd een verklaring kan afleggen. Ik ben evenwel niet bereid deze categorie verder uit te breiden ten aanzien van de rechtmatigheidsgetuigen, waarbij uitsluitend op grond van doelmatigheidsoverwegingen en op voorhand, namelijk tijdens het gerechtelijk vooronderzoek, reeds van het horen op de terechtzitting zou moeten worden afgezien. Ik meen dat het belang van deze groep getuigen niet zodanig groot is dat hun de komst naar de terechtzitting per definitie bespaard zou moeten blijven. Dat ligt ook in dezelfde lijn als die is uitgezet bij een ander onderdeel van de regeling voor de bedreigde getuige: bewust is in artikel 290, eerste lid, WvSv. een voorziening getroffen waarbij aan een getuige beperkte anonimiteit kan worden toegekend. Deze bepaling was en is vooral bedoeld voor het horen van politieambtenaren, die bij de uitoefening van hun functie in de toekomst zouden worden belemmerd indien hun identiteit bekend raakt aan de verdediging. In de zaak Van Mechelen heeft het Hof erop gewezen dat vooral politieambtenaren erop moeten rekenen dat zij over hun handelingen in het opsporingsonderzoek op de openbare terechtzitting een verklaring behoren af te leggen. (EHRM 23 april 1997, Van Mechelen, 55/1996/674/861-864, overweging 56).

In mijn brief van 30 november 1999, kamerstukken II, 1999-2000, nr. 17, blz. 19-21, heb ik reeds uiteengezet dat het huidige wettelijke systeem de rechter op de terechtzitting voldoende mogelijkheid biedt om doelmatigheids-overwegingen ook een rol te laten spelen bij de vraag of een bepaalde getuige moet worden opgeroepen (artikel 288 jo. 264 WvSv.). Het is dan evenwel de zittingsrechter - en niet de rechter-commissaris - die beoordeelt hoeveel belang hij hecht aan het daadwerkelijk horen van een bepaalde getuige nadat hij van de verdediging heeft vernomen waarom deze prijs stelt op het verschijnen van de getuige op de terechtzitting. Ook alleen de zittingsrechter kan uiteindelijk beoordelen welke verklaringen hij voor de bewijsconstructie alsmede voor de beantwoording van de overige vragen van artikelen 348 en 350 WvSv nodig heeft.

Met verwijzing naar mijn eerder genoemde uiteenzetting van 30 november 1999 en het voorgaande handhaaf ik mijn conclusie dat ik geen aanleiding zie tot het bevorderen van een wettelijke regeling van de onderhavige materie.

Ik hoop u met het voorgaande voldoende te hebben ingelicht.

De Minister van Justitie,

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie