Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Nader verslag Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten

Datum nieuwsfeit: 15-02-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

25877000.011 nader verslag wet op de inlichtingen en veiligheidsdienst en
Gemaakt: 16-2-2000 tijd: 14:20

27

25 877 Regels met betrekking tot de inlichtingen- en veiligheidsdiensten alsmede wijziging van enkele wetten (Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 19..)

nr. 11 Nader Verslag

Vastgesteld 15 februari 2000

De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties *), belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft besloten na kennisneming van de nota naar aanleiding van het verslag en de nota van wijziging (vergezeld van een advies van de Raad van State) een nader verslag uit te brengen. De reden voor dit besluit is gelegen in het feit dat de nota van wijziging ingrijpende wijzigingen bevat ten opzichte van het oorspronkelijke wetsvoorstel. Onder het voorbehoud dat de regering dit nader verslag tijdig en afdoende beantwoordt, acht de commissie de plenaire behandeling voldoende voorbereid.

ALGEMEEN

De leden van de fracties van PvdA, VVD, CDA, D66, RPF, SGP en GPV hebben met belangstelling kennisgenomen van de nota naar aanleiding van het verslag en de nota van wijziging van het voorliggend wetsvoorstel.

De leden van de PvdA-fractie waarderen een aantal wijzigingen in het onderliggend wetsvoorstel. Zij zien deze wijzigingen, met name op het gebied van de notificatieregeling en de positie van de commissie van toezicht, als een verbetering ten aanzien van het eerdere wetsvoorstel. Deze leden blijven de regeling met betrekking tot de inlichtingen- en veiligheidsdiensten toetsen aan de volgende uitgangspunten: een behoorlijke wettelijke regeling, duidelijke leiding van de politiek verantwoordelijke, behoorlijke parlementaire controle, onafhankelijk en onpartijdig toezicht, en notificatie achteraf.

De leden van de VVD-fractie hebben op een aantal onderdelen behoefte aan verdieping van de verstrekte toelichting. Deze leden begrijpen uit het voorliggende wetsvoorstel dat de inlichtingen- en veiligheidsdiensten hun taken alleen kunnen uitvoeren binnen de kaders van de democratische rechtsstaat. Onderdeel hiervan is dat de diensten vallen onder ministeriële verantwoordelijkheid. Zij vragen hoe deze ministeriële verantwoordelijkheid kan worden geëffectueerd. Zij juichen toe dat een wettelijke grondslag wordt gegeven aan de parlementaire commissie voor de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Het is tevens positief, zo stellen deze leden, dat het wetsvoorstel een tweede vorm van toezicht introduceert op beide inlichtingen- en veiligheidsdiensten.

De leden van de fractie van GroenLinks stellen dat, hoewel het voorliggende wetsvoorstel ten aanzien van het
voorzienbaarheidsvereiste met opzet vaag blijft, het voorstel tot wijziging wel aangegrepen is om aan een groot aantal verlangens van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten tegemoet te komen. In de ogen van deze leden lijkt het wetsvoorstel te zijn aangegrepen om een vrijwel onbeperkte uitbreiding van taken en bevoegdheden van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) te regelen. Daarmee doemt het schrikbeeld op van een staat in de staat, die geenszins past bij een transparante en democratisch gecontroleerde overheid. Een inlichtingen- en veiligheidsdienst die mag inbreken, stelen en onbeperkt mag afluisteren, en waarvan de ambtenaren zelfstandig nieuwe bevoegdheden mogen uitschrijven, is vragen om een toekomstig schandaal en/ of parlementair onderzoek, zo stellen deze leden. Zij pleiten voor een discussie die zich richt op de taken die vervuld moeten worden voor het zekerstellen van een democratische rechtsorde en een veilige samenleving, en daarna op de vraag of daarvoor een aparte inlichtingen- of veiligheidsdienst nodig is. Uit informatie afkomstig van de BVD blijkt dat circa negentig procent van de werkzaamheden van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten bestaat uit het vergaren van informatie uit openbare bronnen, zo stellen de leden van de fractie van GroenLinks. Afschaffen van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, en het onderbrengen van de taken bij de verschillende ministeriele departementen, is voor deze leden een optie. Een groot deel van de onderwerpen waarmee de AIVD zich moet gaan bezighouden ligt in het verlengde van zaken waarmee andere Nederlandse overheidsonderdelen zich reeds jaar en dag bezighouden: anti-democratische organisaties en groeperingen worden door de reguliere politie in de gaten gehouden, daarbij zo nodig ondersteund door experts van de CRI en de KLPD, het ministerie van Justitie verzamelt en controleert de politieke antecedenten van asielaanvragers, economische trendanalisten zijn op het departement van Economische Zaken gehuisvest, en liaisons met buitenlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten worden in toenemende mate al door de Nederlandse vertegenwoordiging in Brussel onderhouden. Volgens deze leden zouden bepaalde werkzaamheden door ministeries zelf kunnen worden uitgevoerd. Veiligheidsonderzoeken voor overheid en bedrijfsleven kunnen door de betreffende diensten eveneens zelf gedaan worden, desnoods ondersteund door een sectie bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. De aan het woord zijnde leden menen dat, door de taken van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten onder te brengen bij bestaande ministeries en bij de KLPD, de overheid doorzichtiger kan worden, de controle democratischer, en de rechterlijke toetsing effectiever. De legitimiteit van het openbare bestuur is daarbij eveneens gebaat.

De leden van de fracties van RPF, SGP en GPV betreuren het dat de voortgang het voorliggende wetsvoorstel traag verloopt, maar erkennen dat het gaat om een ingewikkelde materie en dat zich na het uitbrengen van het verslag complicaties hebben voorgedaan, welke de beantwoording van gestelde vragen niet vereenvoudigden. De omvangrijke nota van wijziging is door de genoemde leden over het algemeen als een verbetering van het voorliggende wetsvoorstel ervaren. Zij realiseren zich daarbij, dat het in deze materie moeilijk is vaak tegenstrijdige belangen op een bevredigende wijze met elkaar in harmonie te brengen. Het gaat bij de inlichtingen- en veiligheidsdiensten om een belangrijke overheidstaak, waaraan geen onnodige belemmeringen in de weg gelegd mogen worden. Tegelijk mag dit er niet toe leiden dat de wetgever zich al te gemakkelijk afmaakt van grondrechten. Met name op dit punt zijn bij de leden van de genoemde nog vragen en reserves blijven bestaan.


2. DE DIENSTEN EN DE COÖRDINATIE TUSSEN DE DIENSTEN


2.2 De Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD)

Het Europees Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) stelt dat geregeld dient te zijn onder welke omstandigheden, en met welke middelen het verzamelen van inlichtingen mag plaatsvinden, en ten aanzien van welke, categorieën van, personen deze activiteiten mogen geschieden, aldus de leden van de PvdA-fractie. Het voorliggende wetsvoorstel regelt dat, indien de uitvoering van een handeling wordt overwogen die niet te herleiden is tot een wettelijke bevoegdheid en waarvan de uitvoering kan leiden tot beperking van het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, daartoe pas mag worden overgegaan nadat toestemming is verkregen van de betrokken minister. Deze leden vragen of het voorliggende wetsvoorstel de toets van het EHRM kan doorstaan. Zij twijfelen over de vraag in hoeverre de burger bij de inzet van, nog, niet wettelijk vastgelegde middelen zal kunnen voorzien welke gevolgen uit een bepaalde handelwijze van een inlichtingen- of veiligheidsdienst kunnen voortvloeien. Daarnaast wordt voor de praktische uitvoering van de bescherming van de «veiligheid van de staat» volstaan met de verplichting voor elke dienst om elk jaar door middel van een jaarverslag kenbaar te maken wat enerzijds de taak- en aandachtsvelden van het afgelopen jaar waren, en anderzijds wat deze het komende jaar zijn. Dit is, in de ogen van de aan het woord zijnde leden, een wel erg formele en statische oplossing, en zij stellen de vraag of de burger in staat is om zijn gedrag op een voldoende nauwkeurig geformuleerde wettelijke regeling af te stemmen, zoals het EHRM in zijn jurisprudentie in de zaak Leander en de zaak Malone eist. De leden van de PvdA-fractie vragen de regering of zij kennis heeft genomen van deze kritiek, en vragen wat haar visie hierop is. In de voorliggende nota van wijziging wordt een aanpassing van de taakartikelen van de AIVD en MIVD voorgesteld, door de introductie van het begrip «nationale veiligheid», en de toevoeging van «vitale economische belangen» als afzonderlijk aandachtsgebied. De introductie van de term nationale veiligheid achten deze leden een verbetering. Het is echter vooralsnog onvoldoende duidelijk welke inhoud wordt begrepen onder het toegevoegde afzonderlijk aandachtsgebied «vitale economische belangen van Nederland». Wie beslist er of er sprake is van economische belangen? Wat zijn de gevolgen van de aanpassingen in de taakartikelen voor de taakuitoefening en bevoegdheden van de AIVD en MIVD? Is hier niet sprake van een nauwelijks overzienbare taakuitbreiding? Met het begrip «nationale veiligheid» wordt aangesloten bij hetzelfde begrip in artikel 8, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden (EVRM). De uitleg van dit begrip wordt mede bepaald door de uitleg van de Europese Hof van Justitie. De leden van de PvdA-fractie vragen de regering waarom de taak van de AIVD en de MIVD nu deels in handen wordt gelegd van het Europese Hof van Justitie. Hebben buitenlandse zusterdiensten een soortgelijke taakomschrijving? Ten aanzien van bovengenoemd begrip is er een interpretatieverschil tussen de Raad van State en de regering over de competentie op lokaal en regionaal niveau. Deze leden vragen waarom de regering in de toelichting niet nader ingaat op de competentie. Geeft zij hier de voorkeur aan invulling van dit begrip door de jurisprudentie? In de huidige wet is vastgelegd dat betrokken ministers «regelmatig» overleg plegen over hun beleid, betreffende diensten en de coördinatie van dat beleid. De leden van de PvdA-fractie vragen waarom het woord «regelmatig» in het voorliggende wetsvoorstel niet meer voorkomt, hoewel daar in de memorie van toelichting wel over wordt gesproken.

Kan de regering een schematisch overzicht geven van de specifieke bevoegdheden van elk van deze diensten? Kan zij daarbij ook weergeven onder welk toezicht de bevoegdheden van deze afzonderlijke diensten staan? In het rapport van de Tijdelijke commissie evaluatie opsporingsmethoden wordt in aanbeveling 23 aanbevolen om de verschillende regimes in de wetten waarin informatievergaring ten behoeve van de opsporing is geregeld, nader te bezien. De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering uitvoering aan deze aanbeveling kan geven door de verschillen tussen de verschillende regimes weer te geven. Kan de regering een integraal overzicht verschaffen met verschillen in opsporingsbevoegdheden in de nieuwe WIVD en de bevoegdheden die zijn neergelegd in Wet Bijzondere Opsporingsbevoegdheden. Deze leden verzoeken de regering voorts in te gaan op verschillen in bevoegdheden, terminologie en controlemogelijkheden. Daarbij vragen zij een onderscheid te maken naar parlementaire controlemogelijkheden.

De leden van de PvdA-fractie kunnen zich vinden in het besluit geen rol vooraf toe te kennen aan de commissie Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (commissie IVD), voor wat betreft de aanwending van bevoegdheden. Het «terstond» inlichten van voornoemde commissie achten deze leden een verbetering, en zij vragen of dit in de wettekst kan worden verankerd.

De coördinator van inlichtingen- en veiligheidsdiensten coördineert de uitvoering van de taken van de diensten en bereidt het overleg tussen betrokken ministers voor. De minister-president zou de coördinator kunnen machtigen bepaalde informatie rechtstreeks aan de commissie IVD te doen toekomen. De leden van de PvdA-fractie vinden dit geen wenselijke ontwikkeling. De commissie is gesprekspartner van de regering en zij zijn van mening dat dit zo behoort te blijven. Ten aanzien van het incidentele gegevensverstrekking wordt gesteld dat het denkbaar zou kunnen zijn dat een geheim jaarverslag geen aanvullende betekenis meer heeft. Deze leden geven in deze de voorkeur aan een imperatieve bepaling, waarin het uitbrengen van een verslag wordt voorgeschreven en waarbij de mogelijkheid bestaat van het uitbrengen van een blanco verslag.

De MIVD en de AIVD zullen belast worden met de nieuwe inlichtingentaak buitenland. De leden van de PvdA-fractie hebben begrepen dat naar verwachting eind 1999 meer duidelijkheid zou komen over de werkwijze, de organisatiestructuur en de personele formatie van de AIVD ten behoeve van deze taak. Ook zou worden bezien in hoeverre extra uitbreiding benodigd zou zijn. Is er inmiddels meer zicht op de toekomstige wijze van functioneren van de afdeling Operaties? Kan de Kamer op de hoogte worden gebracht van de nieuwe taakuitvoering van de afdeling?

In de taakomschrijvingen van de AIVD en de MIVD wordt het criterium «de nationale veiligheid» geïntroduceerd, in de plaats van «het belang van de staat». De leden van de VVD-fractie wijzen op de mogelijkheid dat de huidige werkzaamheden van voornoemde diensten eventueel onvoldoende door het nieuwe criterium worden gedekt. Volgens de memorie van toelichting wordt, onder verwijzing naar jurisprudentie, aan de nationale wetgever een «wide margin of appreciation» geboden. Deze leden vragen de regering of het aanbeveling verdient om de nationale veiligheid meer expliciet in de wet of in de memorie van toelichting te beschrijven. In hoeverre is de nationale veiligheid aan de orde, indien bijvoorbeeld een derde (buitenlandse) groepering initiatieven zou ontplooien om stelselmatig directieleden van cruciale industrieën te corrumperen? Wanneer vallen de openbare veiligheid en de bescherming van rechten en vrijheden van anderen onder de nationale veiligheid? Valt het opsporen van buitenlandse oorlogsmisdadigers ook onder de taakomschrijving van de AIVD en de MIVD?

De leden van de CDA-fractie constateren dat het criterium «belang van de staat» wordt vervangen door het begrip «nationale veiligheid». In de ogen van deze leden wordt dat begrip leidend voor de activiteiten van de AIVD en de MIVD. Leidt dit niet tot een beperking van de taakstelling? Ondanks de uitgebreide toelichting, is het de leden van de CDA-fractie onduidelijk wat de reikwijdte van dit begrip is. Het moet, zo blijkt uit de toelichting, uitgebreid worden geïnterpreteerd, maar hoe uitgebreid blijft onduidelijk. In art. 8, tweede lid, EVRM is het begrip «nationale veiligheid» terug te vinden. Het wordt daar gehanteerd als een beperkingsgrond. Deze leden vragen de regering hoe dit zich verhoudt tot de voorgestane uitgebreide interpretatie? Wie bepaalt de inhoud van dit begrip? In tegenstelling tot de Raad van State, is de regering van mening dat het begrip «nationale veiligheid» een optimale behartiging van de belangen van het Koninkrijk niet in de weg staat. Toch is dit, in de ogen van de leden van de CDA-fractie, niet geheel eenduidig. Aspecten van «nationale veiligheid» hoeven lang niet altijd parallel te lopen met de belangen van het Koninkrijk als geheel, of met de belangen van delen van het Koninkrijk. Zij kunnen er zelfs mee op gespannen voet staan. Hoe wordt met een dergelijk dilemma omgegaan en wat heeft in een dergelijk geval dan de prioriteit?

De leden van de CDA-fractie constateren dat ten aanzien van het verrichten van onderzoeken die gerelateerd zijn aan vitale economische belangen van Nederland, het zekere voor het onzekere is genomen, ondanks het feit dat de regering het begrip «nationaal belang» ruim uitlegt. Deze taak wordt expliciet genoemd en leidt dus tot een taakuitbreiding. Welke criteria worden aangelegd om te bepalen of een belang als vitaal economisch belang moet worden beschouwd? Klopt het dat het oorspronkelijk de bedoeling was dat deze taak niet meer zou worden uitgevoerd, en waarom dan deze expliciete aanvulling? Hoe krijgen de andere «gestopte» activiteiten op het terrein van wetenschap, techniek en politiek gestalte? Met welke argumentatie vallen deze zaken wel onder het begrip «nationaal belang», zo vragen deze leden?

De leden van de D66-fractie zijn er vooralsnog niet van overtuigd dat de het voor de algemene taakomschrijving van de AIVD en van de MIVD nieuw gekozen criterium «nationale veiligheid» daadwerkelijk een verbetering is. Zij vrezen dat het begrip enerzijds te ruim zal kunnen zijn en anderzijds tot een niet gewenste beperking van de taken kan leiden. Deze leden wijzen hierbij naar de discussie die in het kader van de verklaringsvoorstellen inzake het huisrecht en het briefgeheim werd gevoerd. Met name speelde daarbij een rol de verschillende inhoud die aan het begrip staatsbelang kon worden gegeven in de zin van art. 68 Grondwet, en bij de omschrijving van de taken van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. De vrees bestond dat het belang van de staat te ruim zou kunnen worden geïnterpreteerd, waardoor de notificatieplicht te zeer zou kunnen worden gereduceerd. Met betrekking tot de algemene taakomschrijving voor inlichtingen - en veiligheidsdiensten stelt de regering in beginsel geen verandering te beogen, behoudens de nieuwe inlichtingen buitenland taken, doch te willen aansluiten bij de formulering van art. 8, tweede lid, EVRM. De leden van de D66-fractie stellen, dat hoe aantrekkelijk dat op het eerste gezicht ook lijkt, dat de daartegen aan te voeren bezwaren toch niet gering zijn. Allereerst, maakt de regering zich op deze wijze voor de interpretatie afhankelijk van een mogelijk toekomstig oordeel van het EHRM dat, als het al tot een uitspraak komt, een interpretatie zal geven in het kader van aantasting van privacy van individuen. Dat is, naar de mening van deze leden, toch iets anders dan een algemene taakomschrijving voor diensten. Bovendien, en dat weegt voor de leden van de D66-fractie zwaarder, wordt in art. 8 EVRM, naast de nationale veiligheid, onder meer ook de openbare veiligheid, het economisch welzijn en het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten genoemd. Deze leden vragen of dat op zich al niet impliceert dat deze begrippen in ieder geval niet tot de nationale veiligheid worden gerekend. Impliciet erkent de regering dat ook door vitale economische belangen apart te benoemen, zo stellen zij. Werd er tot nu toe niet vanuit gegaan dat de inlichtingendiensten zich ook bezig zouden kunnen houden met andere gewichtige belangen van de staat, en niet alleen als die van economische aard zijn? Voorts stellen deze leden dat de taakuitoefening op internationaal terrein niet altijd onder het begrip nationale veiligheid zal zijn te vatten, behalve bij oprekking van dit begrip. De leden van de D66-fractie concluderen dat tot nu toe Europees rechtelijk nog geen vaste omlijning is gegeven aan het begrijp en dat de lid-staten bij de invulling een ruime marge wordt gelaten. Enige zekerheid voor de toekomst is echter niet te geven, en deze leden zijn van mening dat de argumentatie dan ook een hoog gehalte aan «wishful thinking» heeft. De Raad van State uitte eveneens twijfel en wees er, in de ogen van deze leden, terecht op dat ook decentrale belangen soms aanleiding kunnen geven tot taakuitoefening door de veiligheidsdiensten. Deze activiteiten zouden mogelijk wel onder de reikwijdte van art. 8, tweede lid, EVRM kunnen worden gebracht, bijvoorbeeld op grond van het criterium «openbare veiligheid», maar moeilijk onder het begrip nationale veiligheid. De leden van de D66-fractie zijn er dan ook nog niet van overtuigd dat de introductie van het nieuwe taakcriterium niet zal kunnen leiden tot een niet-gewenste verandering in de taken van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Het feit dat de omlijning van het begrip plaatsvindt in het kader van wat in een democratische samenleving noodzakelijk is, doet daar weinig aan af. Deze leden zijn van mening dat het een beoordelingsmarge geeft, die ook verkeerd kan uitpakken.

De motivering van de noodzaak tot herintroductie van een offensieve inlichtingentaak, biedt ruimte voor een wel uiterst ruime taakopvatting, zo stellen de leden van de fractie van D66. Het lijkt erop dat de dienst meer mogelijkheden zal krijgen dan de vroegere inlichtingendienst buitenland. Is dat inderdaad het geval? Zou een dergelijke actieve, wereldwijde inlichtingenrol niet veel meer menskracht vergen dan de nu op termijn voorziene vijf tot tien mensen per dienst. Of zal er naar een spreiding van inzet van menskracht worden gestreefd in overleg met andere, bevriende landen?

De leden van de D66-fractie vragen om een toelichting met betrekking tot een eigen inlichtingencapaciteit om vitale economische belangen veilig te stellen. Zal er een heus economisch spionagenet worden opgezet, teneinde de kansen voor onze nationale economie te vergroten? Is de verkenning van mogelijkheden voor opkomende markten een taak voor inlichtingendiensten? Ligt hier niet vooral een taak voor het bedrijfsleven zelf?

De leden van de D66-fractie vragen waarom, met betrekking tot de uitoefening van de d-taak van de AIVD en de e-taak van de MIVD, wel overwogen kan worden het belang van de staat in de wet op te nemen, maar niet de daarvoor in de plaats komende criterium «belang van de nationale veiligheid».

De leden van de fractie van GroenLinks constateren een wildgroei aan aandachtsgebieden van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Sinds het einde van de koude oorlog worstelt de BVD met de vraag waarmee zij zich nog bezig dient te houden. Ter legitimatie van haar bestaan is de BVD zich gaan richten op taken die normaliter toebehoren aan andere overheidsdiensten. In het algemeen vinden deze leden het vreemd dat er ruim tien jaar na het einde van de koude oorlog nog steeds zoveel inlichtingen- en veiligheidstaken bestaan. Meer specifiek begrijpen zij niet waarom er een aparte dienst moet bestaan om taken, die in het verlengde liggen van wat elders reeds gebeurt, uit te voeren. Met name de uitbreiding van taken op het gebied van de openbare orde en de internationale georganiseerde en geweldscriminaliteit, ingezet ten tijde van de IRT-affaire en het parlementair onderzoek van de commissie Van Traa, baart deze leden zorgen. Ten eerste dreigt het onderscheid met politie- en recherchetaken in het kader van het reguliere opsporingsonderzoek, meer en meer te verdwijnen. Ten tweede dreigen de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, met hun ruimere taken en bevoegdheden en beperktere controlemogelijkheden, in toenemende mate te worden ingezet op terreinen waarvan het parlement meent dat een democratische overheid daarin geen taken heeft te vervullen, zoals uitlokking en infiltratie en het gecontroleerd doorvoeren van wapens en drugs. Volgens de leden van de GroenLinks fractie wordt het takenpakket van de AIVD alleen maar ondoorzichtiger. Het valt deze leden daarbij op dat in de opsomming van de taken van de AIVD, de internationale georganiseerde, zware criminaliteit en de hierboven aangehaalde zaken waarmee de BVD zich nu al bezighoudt, in het wetsvoorstel ontbreken. Waarom wordt een en ander in het wetsvoorstel niet expliciet verwoord?

De leden van de fractie van GroenLinks hebben altijd gesteld dat de begrippen «veiligheid van de staat» en «het belang van de staat» niet specifiek genoeg waren, omdat inlichtingen- en veiligheidsdiensten er zo goed als alles onder konden laten vallen. Zij vinden de nieuwe terminologie geen verbetering. In de literatuur, bijvoorbeeld, is weinig overeenstemming over wat allemaal onder de term «nationale veiligheid» kan vallen, behalve dat externe mili-taire veiligheid er in elk geval toe behoort. In de ogen van deze leden suggereert het kernbe-grip «natie» een bredere bunde-ling van belan-gen dan het begrip «staat». Zo zouden namelijk kwesties van regionale en lokale veilig-heid er zonder meer onder kunnen vallen. Aangezien de bevoegdheden van de diensten in art. 18 gekoppeld worden aan de taken, betekent een te ruime taakomschrijving volgens hen een te ruime bevoegdheid. De beoogde normering van de taken en bevoegdheden van de AIVD wordt daarmee inhoudsloos. De leden van de fractie van GroenLinks stellen dat het voorliggend wetsvoorstel desondanks nog het begrip «ande-re gewichtige belangen van de staat» handhaaft als crite-rium voor de AIVD om in actie te komen. Vanouds was het doel van dit begrip zaken die wat moeilijk pasten binnen de doelstellingen onder de veiligheid van de staat en voortbestaan van de democratische rechtsorde te laten vallen. Gaat de regering hiermee niet voor twee ankers liggen, omdat zowel een nog vager begrip als algemeen criterium geïntroduceerd wordt, als dat het oude vangnetbegrip gehandhaafd wordt?

De leden van de fractie van GroenLinks stellen dat de overname van verscheidene taken van de Inlichtingendienst buitenland (IDB), met name de economische spionage, een van de meest in het oog springende taakuitbreidingen van de AIVD en de MIVD is. Wat kan onder vitale belangen worden verstaan? De aan het woord zijnde leden begrijpen dat Nederland als gevolg van de globalisering gevolgen ondervindt van economische beslissingen die overal ter wereld genomen worden. Om deze ontwikkelingen het hoofd te bieden moet de Nederlandse informatie-positie verbeterd worden en daar zou economische spionage voor nodig zijn. Een vanuit die redenering opgezette economische spionagetaak van de AIVD of MIVD strookt echter op geen enkele manier met het streven naar verdergaande Europese samenwerking en economische integratie. Dat Nederland niet bij andere, Europese, landen mag achterblijven is naar de mening van de leden van de fractie van GroenLinks een schijnargument, die deze voorstellen op geen enkele wijze kan rechtvaardigen. Waarom heeft Nederland speciaal een inlichtingen- en veiligheidsdiensten nodig om econo-mische analyses te maken? Deze leden vragen hoe Nederland met een zeer beperk-te inzet in dit opzicht internatio-naal mee kan spelen. Het gaat immers om in het begin maximaal vijf, oplopend tot tien perso-nen: het totale bestand voor de buitenlandse spionageactiviteiten van de BVD. De leden van de fractie van GroenLinks begrijpen dat de afluistercentra van het ministerie van Defensie, zoals het TIVC te Amsterdam, bij de economische informatievergaring een grote rol zullen spelen. Is het TIVC wel voor dat doel opgericht? Deze leden stellen dat uit de ervaringen van de voormalige IDB blijkt, dat bedrijven en inlichtingen- en veiligheidsdiensten wederzijds afhankelijk worden van informatie en contacten, op een manier die het opereren van de Nederlandse overheid in het buitenland bepaald ondoorzichtig maakt. Moet de overheid zich voor het karretje van het Nederlandse bedrijfsleven laten spannen, en kan een overheid, die grossiert in economische informatie, zich op lange termijn nog wel verantwoorden? Bepaalde taken van de IDB worden door de AIVD overgenomen. Daarbij is het denkbaar en waarschijnlijk dat Nederlandse agenten in het buitenland zullen gaan opereren. De leden van de fractie van GroenLinks vragen wat daarbij mag en wat daarbij niet mag. Momenteel wordt er niet gelimiteerd, en ook in het voorliggende wetsvoorstel gebeurt dat niet, hetgeen deze leden te ver gaat.

Openbaarheid en inlichtingen- en veiligheidsdiensten vormen een contradictio in terminus. Toch dient een democratische en transparante samenleving naar het oordeel van de leden van de fractie van GroenLinks te streven naar zo veel mogelijk openbaarheid, juist waar het gaat om de minder doorzichtige zijden van het openbaar bestuur. Een van de vereisten voor het optreden van een inlichtingendienst is het voorzienbaarheidsvereiste, vastgelegd in het EVRM, waaraan in het voorliggende wetsvoorstel niet aan wordt voldaan, zo stellen deze leden. Zij vragen of, met de jaarlijkse melding van de interessegebieden van de AIVD en de MIVD in het jaarverslag, voldaan wordt aan het in de EVRM bedoelde. Een «wide margin of appreciation» blijft mogelijk, omdat een jaarlijks overzicht van de invulling van het begrip «nationale veiligheid» onvoldoende inzicht biedt voor de burger in de taakvelden van de diensten, waarmee niet wordt voldaan aan het kenbaarheidvereiste. Deze leden zijn niet overtuigd door de argumenten die tot nu toe in verweer tegen dit standpunt door de regering zijn aangedragen. De leden van de fractie van GroenLinks constateren dat de regering afwijzend staat tegenover de maatschappelijke wens tot meer openbaarheid ten aanzien van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Zij vinden dan ook dat de voorzieningen en middelen van openbaarheid moeten worden aangepast aan die ontwikkelingen. In de Verenigde Staten regelt de Freedom Of Information Act (FOIA) een automatische openbaarmaking na een bepaald aantal jaren, in Groot Brittannië wordt vrijgegeven, wat vrijgegeven kan worden. Nederland staat met de Wet Openbaarheid van Bestuur (WOB) wat dit betreft achteraan in de rij en het eigen openbaarheidregime voor de inlichtingen- en veiligheidsdiensten is wat dat betreft een verslechtering ten opzichte van de huidige situatie, zo stellen deze leden.

De leden van de fracties van RPF, SGP en GPV hebben met instemming kennisgenomen van de vervanging van het criterium «belang van de staat» door «nationale veiligheid», naar aanleiding van de eigen betekenis van dit begrip in art. 68 Grondwet. Dat wil niet zeggen, dat aan de nationale veiligheid als criterium geen problemen verbonden zijn. Met name de associatie met art. 8 EVRM kan, in de ogen van deze leden, vragen oproepen. De Raad van State heeft in haar advies daarop gewezen. De reactie van de regering hierop vinden de genoemde fracties niet in alle opzichten overtuigend. Zo menen zij dat er spanning blijft bestaan tussen de noodzakelijke ruime interpretatie van het begrip, en het feit dat het is ontleend aan een beperkingsgrond op het grondwettelijke recht op privacy. Weliswaar biedt de huidige jurisprudentie voldoende ruimte om het begrip «nationale veiligheid» te hanteren als criterium voor de taakomschrijving van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, maar is het principieel juist om de reikwijdte van de taakomschrijving van deze belangrijke diensten afhankelijk te maken van ontwikkelingen van de jurisprudentie van het Europese Hof? De leden van de fracties van RPF, SGP en GPV hebben moeite met de uitspraak in het nader rapport, dat de introductie van het begrip «nationale veiligheid» in de voorstellen tot herziening van art. 12 en 13 Grondwet ook gevolgen zou moeten hebben voor de taakuitoefening van de diensten. Zij vragen de regering of het niet beter is het criterium te gebruiken, dat zorgvuldig wordt aangegeven waarover het gaat in het takenpakket van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Hierbij kan genoemd worden dat het ook geen problemen oplevert in relatie tot grondrechten, waarop inbreuken moeten worden gemaakt. De leden van de fracties van RPF, SGP en GPV stemmen in met een inlichtingentaak voor de diensten. Zij vragen echter wat er op dit punt gaat veranderen als het voorliggende wetsvoorstel kracht van wet krijgt, mede met hetgeen gesteld is bij de behandeling van het voorstel tot opheffing van de IDB. De strikt offensieve taak van de IDB in de toenmalige vorm was niet meer noodzakelijk, en volstaan kon worden met intensivering van activiteiten door de andere diensten. Voor deze strikt offensieve taak zou geen bijzondere wettelijke grondslag nodig zijn. Deze leden vragen de regering naar de bedoeling van de mededeling dat het onderzoek betreffende andere landen, voor zover het gaat om de strikt offensieve taak, sinds de opheffing van de IDB niet meer wordt verricht. De genoemde leden vragen voorts hoe de onderzoekstaak van de diensten zich verhoudt tot de reguliere taken van andere onderzoeksinstellingen op dit gebied, zoals het Centraal Planbureau, als het gaat om vitale economische belangen van Nederland. Worden met deze instellingen werkafspraken gemaakt?


2.4. Enkele aspecten van de taakuitvoering door diensten


2.4.1. Algemeen

De leden van de CDA-fractie vragen of de integriteit van gemeentelijke of provinciale bestuurders en ambtenaren, gelet op de autonomie van gemeenten en provincies, wordt gerekend tot een zaak van «nationaal belang»? Zij vinden een nadere onderbouwing op dit punt gewenst. Ten aanzien van het Koninkrijk wordt voorgesteld om in de WOB het begrip «staten» te vervangen door «landen», om zo een zelfstandige mogelijkheid te hebben om in voorkomende gevallen informatie te weigeren. Deze leden vragen de regering naar de reacties hierop vanuit de andere delen van het Koninkrijk.

Het voorliggende wetsvoorstel houdt een niet geringe uitbreiding van de bevoegdheden van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten in. De leden van de fractie van GroenLinks maken zich grote zorgen over de voorgestelde uitbreiding van bevoegdheden. In hun ogen mogen AIVD en MIVD agenten in principe zelfstandig hun bevoegdheden uitbreiden, totdat zij later worden teruggefloten. Deze leden stellen dat het voorliggende wetsvoorstel aan de AIVD en de MIVD werkelijk alle bevoegdheden toebedeelt. De leden van de fractie van GroenLinks stellen dat de taakomschrijving van de AIVD en MIVD in het voorliggend wetsvoorstel onvoldoende taakgerelateerd is. Zij zijn van mening dat de bevoegdheden zoveel mogelijk beperkt dienen te worden tot de taken die expliciet voor een bepaalde dienst nodig zijn. Welke bevoegdheden zijn voor welke dienst nodig, voor het uitoefenen van welke taken? De leden van de fractie van GroenLinks stellen dat het gelijkstellen van de bevoegdheden van de MIVD aan die van de AIVD een enorme uitbreiding van bevoegdheden, die nergens in de het voorliggende wetsvoorstel of de memorie van toelichting gefundeerd is. Zij zien niets in deze uitbreiding, als daarvoor geen dringende en overtuigende argumenten kunnen worden aangedragen. Wat zijn de redenen voor de uitbreiding, afgezien van formele harmonisatie? Deze leden stellen dat het jaarlijks achteraf goedkeuren door de commissie IVD, van de uitbreiding van bevoegdheden van agenten van de BVD, verkeerd is. Het toebedelen van nieuwe bevoegdheden aan de AIVD en MIVD dient vooraf, en door de wetgever te geschieden. Zij zijn van mening dat hetzelfde geldt ten aanzien van het gebruik van nieuwe methoden en middelen. Alleen in uitzonderlijke gevallen met betrekking tot het belang van de nationale veiligheid, zou daarvan afgeweken kunnen worden, mits er geregeld is onder welke omstandigheden daarvan sprake is. De wetgever dient daarnaast op de kortst mogelijke termijn van het ontstaan van een dergelijke situatie worden ingelicht. Wat is de reactie van de regering op deze stelling?


2.5 Overige onderwerpen

De leden van de fractie van GroenLinks stellen dat de onduidelijke verhouding tussen de BVD en de lokale politie hen zorgen baart. Het gaat hierbij om de takenscheiding, en de wettelijke bevoegdheden die aan de onderscheiden diensten zijn toegekend. De scheiding van de taken van Regionale inlichtingen- en veiligheidsdiensten (RID) voor enerzijds de lokale politie en anderzijds de BVD is een academische scheiding: in de uitvoering lopen de politie en BVD-opdrachten door elkaar heen. Bovendien zijn ook de archieven fysiek onvoldoende gescheiden. Deze conclusie wordt ondersteund door het rapport van de commissie Kalsbeek. Ook een medewerker van de Registratiekamer stelde dit in 1993 vast. Het verbod tot opsporing van strafbare feiten zou voor de AIVD een waarborg moeten zijn binnen het omschreven taakgebied te blijven. De praktijk leert evenwel dat de BVD in toenemende mate, soms zelfs door het parlement expliciet verboden, politiewerk uitvoert: infiltratie, uitlokking, inbraak, afluisteren, aanzetten tot criminele activiteiten et cetera. Naast betere onderlinge samenwerking, is ten tijde van het onderzoek van de commissie Van Traa ook vanuit de BVD aangedrongen op het overnemen van dergelijke taken. Deze leden vragen, ten aanzien van de in hun ogen feitelijk academische scheiding tussen BVD, lokale politie en RID in relatie tot de opsporing van strafbare feiten, wat er gebeurt met informatie van inlichtingen- en veiligheidsdiensten in het strafproces. Wat is de positie ten aanzien van toetsing van dit materiaal middels ambtsberichten van de inlichtingendienst of het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties? De leden van de fractie van GroenLinks wijzen erop dat de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor activiteiten van de RID al jaren een probleem is. Deze leden concluderen uit de antwoorden van vragen over de handelswijze van de diensten, dat de verantwoordelijkheid telkens heen en weer geschoven wordt tussen de burgemeester /korpsbeheerder en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Het voorliggende wetsvoorstel brengt geen duidelijkheid op dit punt. Wat is de reactie van de regering, ten aanzien van het standpunt van de aan het woord zijnde leden dat de politieke en maatschappelijke verantwoordelijkheid voor de regionale inlichtingen- en veiligheidsdiensten eenduidig bij óf de regionale korpsbeheerder, óf de desbetreffende bewindspersoon moet komen liggen. In het kader van een toezegging naar aanleiding van het debat over het rapport van de Commissie Kalsbeek heeft de minister samen met zijn ambtgenoot van Justitie toegezegd te zullen onderzoeken in hoeverre het wenselijk is te komen tot wetgeving ter zake het creëren van nieuwe bevoegdheden tot het verzamelen van inlichtingen ten behoeve van de handhaving van de openbare orde. Kan de minister aangeven hoe ver hij is met dat onderzoek? Welke bevoegdheden verwacht de minister in het kader van de wet BOB te zullen toevoegen aan de RID-en, en in welke verhouding staan die bevoegdheden tot de taken van de RID in de onderhavige WIV?


3. GEGEVENSVERWERKING DOOR DE DIENSTEN


3.3.2. De regeling van de bijzondere bevoegdheden van de diensten

Het achterhalen van de aard en afzender van telecommunicatie via het verkennen van niet-kabelgebonden telecommunicatie met oorsprong of bestemming in andere landen, het zogenaamde searchen zal middels een nieuw toegevoegd artikel geregeld worden. De leden van de PvdA-fractie vragen hoe dit kan plaatsvinden zonder, althans incidenteel, kennis te nemen van de inhoud van het gecommuniceerde. Searchen is er op gericht vast te stellen of het gaat om telecommunicatie waarvan kennisneming voor goede taakuitvoering van de diensten noodzakelijk is. Er is geen toestemmingvereiste en deze leden zetten vraagtekens bij de afgrenzing van deze bevoegdheid ten opzichte van het «gewone» afluisteren. Kan de regering deze begrenzing nader duiden en kan zij daarbij ingaan op de kennisneming en inzage van e-mail berichtenverkeer?

Wanneer de identiteit bekend is en opname van de communicatie belangrijk is voor de dienst, wordt binnen twee dagen toestemming gevraagd aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. De leden van de PvdA-fractie vinden politieke verantwoordelijkheid van groot belang. Zij vragen de regering waarom een termijn van twee dagen wordt gehanteerd en er niet is gekozen voor het terstond vragen van toestemming. Hoe wordt ontaarding gedurende deze dagen voorkomen? Deze leden kunnen vooralsnog niet inzien waarom niet één lijn wordt gehanteerd met de andere vormen van telecommunicatie en er een nadere aanduiding en invulling wordt gegeven wanneer dat wenselijk is. Naast een eenmalig toestemmingsverzoek wordt jaarlijks een overzicht van vastgestelde trefwoorden ter kennis gebracht aan de minister. Aan de hand hiervan worden gegevens geselecteerd. De leden van de PvdA-fractie vragen aan wie de bevoegdheid toekomt deze trefwoorden op te stellen en in te vullen.

De leden van de VVD-fractie wijzen de regering op de bevindingen van onderzoeksbureau Jansen en Janssen, zoals verwoord in hun boek «Luisterrijk». Hierin wordt gesteld dat door het voorliggende wetsvoorstel een Nederlandse search-variant op het Amerikaanse Echolon netwerk dreigt te ontstaan. Het risico zou bestaan dat het filteren van berichtenverkeer op trefwoorden niet alleen gebruikt gaat worden voor militaire of criminele inlichtingen, maar ook voor politieke en economische spionage. Wat is de reactie van de regering ten aanzien van dit al of niet aanwezige risico? De leden van de VVD-fractie delen de opvatting dat searchen van een andere orde is dan het inluisteren op telefoongesprekken. Dat laat onverlet dat searchen op de juiste trefwoorden, in potentie, veel informatie kan opleveren. Deze leden hadden daarom begrip voor de regel dat de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties toestemming moet geven voor de trefwoorden die bij het searchen worden gehanteerd. Waarom wordt thans van dit vereiste afgezien? De leden van de VVD-fractie kunnen zich voorstellen dat sleutelwoorden die worden gehanteerd wel degelijk voorafgaand aan de aanwending aan de minister worden voorgelegd, zodat hij beter op de hoogte komt van de richting van het searchen. Zij vragen de regering waarom versleutelde informatie om meerdere redenen interessant is en bewaard dient te worden. Hoe lang zal deze versleutelde informatie bewaard moeten blijven, volgens de regering? Welk artikel vormt de juridische grondslag voor dit voornemen? Deze leden krijgen de indruk dat de regering hoe dan ook versleutelde berichtgeving wil kraken. Is dat juist, en hoe weet de regering dat de versleutelde informatie de moeite van de inspanning waard is? De leden van de VVD-fractie begrijpen dat tot uitvoering van een handeling, die niet is te herleiden tot een wettelijke bevoegdheid, en waarvan de uitvoering kan leiden tot beperking van het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer als bedoeld in de Grondwet, mag worden overwogen nadat toestemming is verkregen van de betrokken minister. Uit de uitspraak inzake Leander, en de arresten inzake Klass en Malone, kan men afleiden dat het EHRM van mening is dat in een wettelijke regeling, met betrekking tot het functioneren van inlichtingen- en veiligheidsdiensten, onder meer geregeld dient te zijn onder welke omstandigheden en met welke middelen het verzamelen mag plaatsvinden, en ten aanzien van welke personen deze activiteiten mogen geschieden. Deze leden vragen of het wetsvoorstel op dit onderdeel de toets van het EHRM zal kunnen doorstaan. In hoeverre wordt aan het voorzienbaarheidsvereiste in relatie tot veiligheidsdiensten voldaan. De leden van de VVD-fractie betwijfelen of de beoogde jaarverslagen van de diensten hiertoe toereikend zijn.

De leden van de CDA-fractie vragen wat de samenhang is tussen art. 25, 25a en 26, met name ten aanzien van het aspect «toestemmingsvereiste». Zij zien niet goed in waarom searchen niet gebonden kan worden aan een toestemmingsvereiste. Volgens deze leden wordt niet geheel terecht gesteld dat searchen niet beschouwd moet worden als een gerichte interceptie. De vergelijking met het inluisteren op telefoongesprekken, ten einde vast te stellen of een verbinding goed verloopt, gaat volgens deze leden mank. Bij searchen wil men achterhalen wat de aard van de telecommunicatie is en welke persoon of organisatie de afzender is. Daarbij blijkt ook wie de ontvanger is. searchen is dus in feite wel gericht. De gegevens afkomstig uit opgenomen telecommunicatie mogen hoogstens een jaar worden bewaard, met uitzondering van versleutelde informatie. Deze kan bewaard worden tot de mogelijkheid er is om de versleuteling ongedaan te maken. Er wordt dus geen relatie gelegd tussen het bewaren en lopend onderzoek. De leden van de CDA-fractie vragen waarom niet.

De leden van de fractie van D66 vragen of het monitoren van militair berichtenverkeer niet kan leiden tot spanningen tussen staten, waardoor het van belang is dat in ieder geval de minister van Defensie op de hoogte moet zijn gesteld van het feit dat er militaire berichten gemonitord worden. Zoals ook de Raad van State opmerkt, brengt de formulering van art. 13, tweede lid, Grondwet met zich mee dat, indien het telefoongeheim wordt geschonden, daarvoor toestemming dient te zijn verleend door een wettelijke autoriteit. De regering stelt dat niet iedere kennisneming van de inhoud van telecommunicatie kan worden aangemerkt als inbreuk op het telefoongeheim. De leden van de D66-fractie vragen waar precies de grens en wanneer kennisnemen van de inhoud van een telefoongesprek wel een inbreuk op het telefoongeheim is, en wanneer niet. Hoe lang mag bijvoorbeeld het kennisnemen duren? Wat gebeurt er met de informatie die vrijkomt bij searchen? Wat gebeurt er, als er gedurende searchen een gesprek plaatsvindt met informatie over een criminele activiteit? Mag dit gebruikt worden, of niet? Waarom wordt searchen binnen Nederland wel gezien als interceptie in de zin van art. 25, en searchen waarbij de telecommunicatie oorsprong of bestemming in het buitenland heeft, niet?

De leden van de D66-fractie zijn er, ook na de beantwoording van de regering, niet van overtuigd dat een melding vooraf aan de commissie IVD, van het gebruik van nieuwe bevoegdheden door de inlichtingendiensten, niet gewenst zou zijn. Het vereiste van een wettelijke verankering na een jaar maakt dat, naar de mening van deze leden, niet overbodig en brengt de commissie ook niet in een oneigenlijke positie. Juist bij de inzet van nieuwe bevoegdheden is een wat breder draagvlak vooraf gewenst, zo stellen de leden van de D66-fractie.

De leden van de fracties van RPF, SGP en GPV fracties hebben moeite met de conclusies die de regering trekt uit de geschiedenis van totstandkoming van art. 13, tweede lid, Grondwet. De vergelijking van het opvangen van gesprekken met het oog op technische controle en herstelwerkzaamheden, met het searchen gaat naar hun mening mank. Bij de grondwetsherziening van 1983 ging het niet om de mogelijke inhoud van gesprekken, maar was deze inhoud een niet beoogd, maar technisch onvermijdbaar, gevolg van de werkzaamheden. Bij het searchen gaat het echter wel degelijk om de inhoud, die mogelijk aanknopingspunten kan bieden voor verder onderzoek. Dat het daarbij in dat stadium niet gaat om de volledige inhoud van de telecommunicatie doet minder ter zake.


3.3.2.1. Bijzondere bevoegdheden

Geheime diensten kunnen door de privatisering van nutsbedrijven niet langer een beroep doen op de ambtelijke status van medewerkers om gegevens te verstrekken. De beoordeling van proportionaliteit en subsidiariteit door de toezichthoudende instanties is daarom niet gemakkelijk. De leden van de PvdA-fractie vragen de regering of hier op enigerlei wijze in voorzien is. Op welke wijze worden deze principes in de huidige praktijk beoordeeld?

De toename van het aantal middelen dat de AIVD en de MIVD ter beschikking staan, is niet verrassend, omdat de methoden die de inlichtingen- en veiligheidsdiensten ter beschikking staan nauw samenhangen met hun bevoegdheden. De leden van de fractie van GroenLinks zijn van mening dat, ondanks dat de in het voorliggende wetsvoorstel genoemde methoden misschien grotendeels al in de praktijk worden gebruikt, de voorstellen te ver gaan. Alle middelen die de AIVD en de MIVD ter beschikking staan, moeten naar het oordeel van deze leden voldoen aan de voorwaarden van doelmatigheid, effectiviteit, legitimiteit, proportionaliteit, subsidiariteit en kenbaarheid. Daarbij moet een onderscheid worden gemaakt tussen reguliere en uitzonderlijke middelen. Waar er voor reguliere middelen toestemming vooraf van de minister voldoende is, zou voor uitzonderlijke middelen toestemming van de rechter vooraf noodzakelijk moeten zijn, zo stellen zij. De leden van de fractie van GroenLinks hebben het idee dat er in het voorliggende wetsvoorstel onvoldoende op deze aspecten wordt ingegaan. Wat is het oordeel van de regering hierover? Deze leden wijzen hierbij op een aantal, in hun ogen, uitzonderlijke methoden en middelen. Er zijn in het voorliggende wetsvoorstel geen expliciete beperkingen opgenomen ten aanzien van het plegen van strafbare feiten. De leden van de fractie van GroenLinks stellen dat in beginsel door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten alle mogelijke strafbare feiten kunnen worden gepleegd. Dat is in de ogen van deze leden zeer onwenselijk. Zij vragen de regering een opsomming van de strafbare feiten die de diensten ter beschikking moeten staan, om naar behoren te kunnen functioneren. De leden van de fractie van GroenLinks stellen dat de nieuwe bevoegdheid tot inbreken, inkijken en stelen, er een is waarvoor vooraf toestemming van de rechter voor nodig is. Zij pleiten daarbij ook voor een gelijkstelling van de benodigde toestemming vooraf voor woningen en niet-woningen. De notificatieverplichting van het inbreken door een dienst moet eveneens gelijkgetrokken worden, wat in de optiek van deze leden inhoudt dat elke inbraak, inkijkoperatie of ontvreemding aan de betreffende burger of organisatie moet worden gemeld. Computervredebreuk is enkele jaren geleden strafbaar gesteld. De leden van de fractie van GroenLinks menen dat voor inlichtingen- en veiligheidsdiensten een rechterlijke last vereist dient te zijn, in de vorm van een onafhankelijke rechterlijke toetsing vooraf. Hetzelfde stellen zij in verband met het op een andere wijze verkrijgen van gegevens die in een computer opgeslagen zijn, zoals het afkijken, het middels elektronische middelen opvangen van beeldschermsignalen, of het middels een informant inwinnen van gegevens die op een computer staan. Naar de mening van de leden van de fractie van GroenLinks is onvoldoende aangegeven onder welke voorwaarden en omstandigheden de inzet van microfoons en/ of videoapparatuur geoorloofd is. Wat mag worden afgeluisterd en wat niet, wie moeten aan het gesprek deelnemen, hoelang mag er worden afgeluisterd, wie maakt de procesverbalen, en wanneer worden de banden gewist? Deze leden maken bezwaar tegen de inperking tot de mogelijkheid tot controle vooraf door het vereiste van de handtekening van uitsluitend de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, waar er momenteel nog drie of vier handtekeningen nodig zijn. Zij pleiten voor een restrictie van het gebruik van dit middel, door rechterlijke toestemming vooraf te vereisen, een notificatieverplichting voor het gebruik in te stellen, en achteraf hoger beroep tegen de rechterlijke toestemming mogelijk te maken. Hetzelfde bezwaar tegen het vereiste van één handtekening maken deze leden ten aanzien van het afluisteren en opslaan van telecommunicatie. Nederland heeft momenteel al het hoogste aantal telefoontaps per inwoner ter wereld. De AIVD en MIVD mogen alles tappen, opnemen en afluisteren wat kan worden ontvangen, waaronder «uit de lucht geplukte» telecommunicatie, en alle afgetapte info mag een jaar worden opgeslagen. Versleutelde berichten mogen net zolang bewaard worden, totdat ze alsnog kunnen worden ontsleuteld. Cryptografie, hoewel in toenemende mate «gewoon» in het dataverkeer, is daarmee per definitie verdacht. Zij pleiten dan ook voor een restrictie van het gebruik van afluisteren en opslaan, door rechterlijke toestemming vooraf te vereisen, een notificatieverplichting voor het opslaan van data-informatie tegenover de eigenaar in te stellen, en achteraf hoger beroep tegen de rechterlijke toestemming mogelijk te maken. Internationale telecommunicatie die niet via kabels loopt mag worden opgevangen en worden doorgelopen op voor de inlichtingen- en veiligheidsdiensten interessante gegevens betreffende personen, onderwerpen of trefwoorden. Hiermee sluit het voorliggende wetsvoorstel nauw aan bij het Echelon-programma van de Amerikaanse National Security Agency (NSA), waarover de Europese Unie zich nogal kritisch heeft uitgelaten. In de memorie van toelichting wordt een vergelijking gemaakt met het inluisteren op telefoongesprekken, om vast te stellen of een verbinding goed verloopt. Volgens de leden van de fractie van GroenLinks gaat de uitzondering op afluisteren voor technische controle op het verbod in de Grondwet hier niet op, omdat er systematisch moet worden gescand, en omdat het middel een geheel ander doel dient dan een technische controle. Zij bepleiten een restrictie van het gebruik van dit artikel door rechterlijke toestemming vooraf te vereisen, een notificatieverplichting in te stellen en achteraf hoger beroep tegen de rechterlijke toestemming mogelijk te maken. Waar de inlichtingen- en veiligheidsdiensten nu nog een rechterlijke machtiging nodig hebben voor het schenden van het briefgeheim, voldoet straks een handtekening van de minister. Deze leden hebben moeite in te zien dat de BVD sinds haar aantreden zonder een dergelijke bevoegdheid heeft kunnen functioneren, terwijl zij in een tijd van toenemende elektronische datacommunicatie ineens dringend behoefte heeft aan het schenden van het briefgeheim. Is het dan niet het geval dat óf de BVD zich reeds langer van deze methode bedient, zonder de benodigde bevoegdheid te hebben, óf dat uitleg nodig is waarom de inlichtingen- en veiligheidsdiensten deze bevoegdheid nu wel nodig hebben. Hierbij gaat het argument van de wetstechnische harmonisatie naar het oordeel van deze leden niet op; de noodzaak ervan wordt voor hen in elk geval onvoldoende aangetoond. Waarom hebben de inlichtingen- en veiligheidsdiensten in deze tijd van telecommunicatie zo nodig behoefte aan schending van het briefgeheim? De aan het woord zijnde leden stellen dat het vervangen van een rechterlijke machtiging door een ministeriele machtiging verontrustend is: de rechtmatigheid wordt dan alleen achteraf getoetst. Wederom bepleiten zij een restrictie van het gebruik van dit artikel door rechterlijke toestemming vooraf te vereisen, een notificatieverplichting in te stellen en achteraf hoger beroep tegen de rechterlijke toestemming mogelijk te maken. Naast de notificatieplicht is een effectief toezichtmechanisme eveneens noodzakelijk, om te voorkomen dat diensten het briefgeheim schenden zonder te voldoen aan de hierboven vermelde vereisten.

De leden van de fractie van GroenLinks stellen dat infiltranten in veel gevallen blijken te worden gerekruteerd in het criminele milieu. Deze infiltranten verrichten strafbare feiten in opdracht van de BVD en/ of de RID, lokken uit, en zetten aan tot geweldpleging door politieke groepen, en plegen in sommige gevallen zelfs aanslagen, zo stellen deze leden. Toch weigert de regering een regeling ten aanzien van deze groep agent-provocateurs, omdat zij anders uit te testen zouden zijn. De leden van de fractie van GroenLinks willen een verbod op het gebruik van infiltranten en agent-provocateurs. Zij vragen of de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, die al gebruik kunnen maken van vele technische voorzieningen, nog wel behoefte hebben aan ouderwetse infiltratie. Het gevaar dat het inzetten van een infiltrant en/ of een agent-provocateur met zich meebrengt, weegt, gezien de ervaringen met infiltranten in de jaren tachtig en negentig, naar de mening van deze leden niet op tegen de voordelen. Kunnen de diensten naar behoren blijven functioneren, wanneer infiltraties niet meer tot hun bevoegdheden behoren? Met betrekking tot die gevallen waar infiltratie absoluut noodzakelijk is, pleiten de leden van de fractie van GroenLinks ook hier voor een verplichte rechterlijke toestemming vooraf, een notificatieverplichting en de mogelijkheid van hoger beroep tegen de rechterlijke toestemming achteraf.


3.3.2.2.1. De inzet van <> en het oprichten en de inzet van rechtspersonen

De oprichting van een rechtspersoon door de Staat is, ingevolge de Comptabiliteitswet (CW), onderworpen aan een openbare procedure bij beide Kamers. Uiteraard zien de leden van de PvdA-fractie in dat, indien de veiligheidsdiensten ten behoeve van operationele activiteiten overgaan tot het (mede-)oprichten van een rechtspersoon, een dergelijke openbare procedure achterwege dient te blijven. Desalniettemin vragen deze leden waarom geen melding daarvan bij de commissie van toezicht zou kunnen geschieden.

De leden van de CDA-fractie constateren dat aan art. 21 een nieuw lid wordt toegevoegd waarbij art. 29, eerste en tweede lid CW buiten toepassing worden verklaard. Welke andere controle mogelijkheden worden toegepast om te voorkomen dat ongewenste zaken plaatsvinden ten aanzien van het doen, of mede doen, oprichten van een rechtspersoon door de Staat middels een van beide diensten?

De leden van de RPF, SGP en GPV vinden het vanzelfsprekend, dat in te zetten agenten aan hoge eisen van betrouwbaarheid moeten voldoen. Zij begrijpen dat het moeilijk is hiervoor algemene criteria te formuleren. Is het echter niet mogelijk en nodig toch een ondergrens te stellen? Met betrekking tot de politie heeft de Kamer uitgesproken dat zogenaamde criminele burgerinfiltranten niet mogen worden ingezet (Kamerstukken II, 1998 - 1999, 25 403, nr. 33). Deze leden gaan ervan uit dat de regering zich hieraan ook zal houden met betrekking tot agenten van de genoemde diensten. Volgens de aan het woord zijnde leden, wordt niet erg consistent gehandeld, met betrekking tot het openen van brieven en andere geadresseerde zendingen, wat betreft het vooruitlopen op komende grondwetsherziening.


3.3.2.2.2. Openen van brieven en andere geadresseerde zendingen

Het gericht ontvangen, aftappen, opnemen en afluisteren van elke vorm van gesprek, telecommunicatie, of gegevensoverdracht is alleen mogelijk wanneer daarvoor toestemming is verleend door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Deze toestemming is niet noodzakelijk wanneer deze telecommunicatie betrekking heeft op militair berichtenverkeer. De leden van de PvdA-fractie vragen de regering wat de wezenlijke verschillen zijn, tussen het aftappen van communicatiemiddelen en het opvangen van militaire berichten uit de ether? De nota van wijziging vermeldt dat militaire eenheden, die gebruik maken van radioverbindingen in verband met de aard van hun opdracht, er naar zullen streven hun operatie of oefeningen te versluieren. Met dit gegeven is het de leden van de PvdA-fractie onduidelijk in welke fase, en op welke wijze, onderscheid wordt gemaakt of het militair berichtenverkeer betreft, wat zonder toestemming afgetapt kan worden, danwel dat het burgerlijk berichtenverkeer betreft, waar toestemming voor is vereist? Hoe zal dit onderscheid in de praktijk waarneembaar zijn? De leden van de PvdA-fractie vragen naar de wijze waarop versleuteling van gegevens wordt bepaald. De voorgestelde wijziging maakt het mogelijk de verzamelde onversleutelde gegevens, die niet noodzakelijk zijn voor een goede taakuitoefening, ten hoogste een jaar te bewaren ten behoeve van een nadere selectie. Deze leden vragen wie bepaalt of, en wanneer de versleuteling ongedaan wordt gemaakt.

De bevoegdheden van art. 23 blijven beperkt tot brieven en andere geadresseerde zendingen, omdat voor een uitbreiding tot «elektronisch briefgeheim» nog niet kan worden gesproken, omdat hiervoor wijziging van art. 13 Grondwet nodig is. De leden van de fracties van RPF, SGP en GPV vragen of dit een belemmering is voor de uitbreiding van de werkingssfeer van art. 23 tot elektronisch briefverkeer. Waar het de notificatieplicht betreft loopt de regering namelijk wel vooruit op een herziening van de Grondwet. Waarom in het ene geval wel en in het andere niet, zo vragen deze leden. De regering wijst terecht op het feit dat het niet zo is dat e-mail verkeer thans geen enkele bescherming zou genieten. Wat zal er veranderen als ook dit verkeer de bescherming van art. 23 gaat genieten? De leden van de fracties van RPF, SGP en RPF zijn het ermee eens, dat het voor de diensten van belang is dat de wet een mogelijkheid biedt om in bijzondere gevallen handelingen te verrichten die nog niet te herleiden zijn tot een wettelijk geregelde bevoegdheid. Voldoet een regeling als in het voorliggende art. 30 aan het voorzienbaarheidsvereiste, dat in de jurisprudentie van het Europese Hof een rol speelt? In de ogen van deze leden is actieve rol van het parlement onmisbaar. Zij delen het standpunt van de regering dat dit in onze staatsrechtelijke verhouding niet voorafgaande aan de besluitvorming kan. De aan het woord zijnde leden menen echter dat het voorschrift dat altijd binnen een jaar een voorstel van wet moet worden ingediend, tot vreemde gevolgen kan leiden wanneer de ervaring heeft geleerd dat de handeling niet voor herhaling vatbaar is. Wat voor voorstel moet de regering dan indienen? Het toch wettelijk mogelijk maken van de handeling, volgens art. 30, derde lid, schept in de ogen van deze leden alleen maar verwarring. De leden van de fracties van RPF, SGP en GPV herhalen daarom hun suggestie om in de wet op te nemen, dat een dergelijke nieuwe bevoegdheid niet opnieuw mag worden gebruikt, in het geval dat niet binnen een jaar een voorstel van wet is ingediend.


3.4 De verstrekking van gegevens door de diensten

Ten aanzien van de gegevensverstrekking aan personen of instanties met een publieke taak meent de Raad van State dat er sprake is van een wel heel erg ruim criterium. De leden van de PvdA-fractie delen deze kritiek en vragen de regering met betrekking tot deze kring criteria van nadere begrenzing te geven. De categorie personen die voor verstrekking in aanmerking komen, behoort toch concreet begrensd te worden, zo menen deze leden.


3.5 De verwijdering, vernietiging en overbrenging van gegevens

De leden van de VVD-fractie vragen de regering wie erop toeziet dat de ingevolge art. 26, negende lid, gereserveerde gegevens alsnog na één jaar worden vernietigd. Wat is de status van de gegevens, indien de vernietiging onverhoopt niet na die termijn heeft plaats gevonden? Deze leden stemmen in met het uitgangspunt dat het niet wenselijk is dat de hier bedoelde gegevens ook beschikbaar komen voor selectie ten behoeve van onderzoek van een dienst, die op het moment van het ontvangen en opnemen van de communicatie niet actueel waren. Wie houdt op de handhaving van dit uitgangspunt toezicht? De aan het woord zijnde leden kunnen zich bij bedreiging van de nationale veiligheid ook uitzonderingen op voornoemd uitgangspunt voorstellen. Hoe staat de regering daar tegenover?

De leden van de fractie van GroenLinks stemmen in met het voorstel van de Raad voor Cultuur tot een moratorium van 100 jaar in relatie tot de archieven van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Documenten van de diensten worden volgens het voorliggende wetsvoorstel onttrokken aan het voorschrift om na 20 jaar naar een algemene bewaarplaats gebracht te worden. Deze leden vrezen dat dit eigen archiefregime voor de inlichtingen- en veiligheidsdiensten in de praktijk zal betekenen, dat onderzoek doen, en geschiedenis schrijven, pas na 75 jaar mogelijk wordt, wat voor hen een veel te lange termijn is. In het licht van het advies van de Raad voor Cultuur moet alsnog op korte termijn een voorziening worden getroffen voor een adequate en degelijke archivering van de BVD-archieven, zo stellen de leden van de fractie van GroenLinks. Zij hopen van harte dat de regering dit advies zal opvolgen. Wat is het standpunt van de regering ten aanzien van het advies van de Raad voor Cultuur. Deze leden wijzen hierbij op het feit dat bij andere landen, die momenteel parlementair historisch onderzoek doen naar inlichtingen- en veiligheidsdiensten, blijkt dat onderzoek voornamelijk gebaseerd is op de archieven van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten zelf. De leden van de fractie van GroenLinks verzoeken de regering haast te maken met een regeling die het bewaren van een deugdelijk en representatief erfgoed verzekert, opdat ook toekomstige historici zich een volledig beeld over de twintigste eeuw zullen kunnen vormen.


4. KENNISNEMING VAN DOOR OF TEN BEHOEVE VAN DE DIENSTEN VERWERKTE GEGEVENS


4.1 Algemeen

De mogelijkheden voor onafhankelijk historisch onderzoek worden onder het nieuwe regime nog beperkter, zo stellen deze leden. Ten aanzien van persoonsgegevens geldt dat deze pas geraadpleegd kunnen worden na overbrenging naar een archiefbewaarplaats. Voor andere gegevens dan persoonsgegevens gaat de WIVD eveneens gelden. Het voorliggende wetsvoorstel lijkt per saldo een grotere beperking te leggen op onafhankelijke onderzoekers, onder andere vanwege de langere behandelingstermijn van verzoeken tot inzage. De leden van de PvdA-fractie zien vooralsnog niet in waarom het WOB-regime niet algemeen van toepassing zou kunnen zijn. Op recente wetgeving, zoals de WOB, zou niet te gemakkelijk bij wijze van wettelijke regeling moeten kunnen worden afgeweken. Daarnaast kent de WOB voldoende behoorlijke bepalingen die in overeenstemming zijn met de strekking van voorliggend wetsvoorstel. Het is bovendien de vraag of een streng openbaarheidsregime, zoals voorgesteld, niet in strijd is met art. 110 Grondwet. Met betrekking tot dit artikel is bovendien een studiecommissie bezig en afzwakking is daarom zeker niet te verwachten.


4.2 Recht op kennisneming van persoonsgegevens

Alleen personen waarop gegevens betrekking hebben, krijgen inzage in hun persoonsgegevens. Partners en nabestaanden, ook directe familie, worden in het voorliggende wetsvoorstel nog steeds beschouwd als «derden». In de zaak Baggum (RvS, juni 1994) is uitgemaakt dat met betrekking tot inzage de WOB van toepassing is, voor zover het de direct betrokkene betreft. In de zaak Reydon / de Jager (RvS, december1995), in welk geval door «volstrekte buitenstaanders» inzage werd gevraagd, is bepaald dat deze uitzondering zeer beperkt moet worden opgevat en dat deze enkel van toepassing is op diegene over wie zelf gegevens zijn opgeslagen. Sedertdien gaat de regering er, in de ogen van de leden van de PvdA-fractie, kennelijk van uit wettelijk verplicht te zijn de uitzondering voor direct betrokkenen uiterst restrictief te interpreteren. Deze leden twijfelen er sterk aan of dit een gewenste ontwikkeling is en zij achten de passage in de nota van wijziging hieromtrent onbevredigend. Bepaald schrijnend, zo stellen zij, is de situatie voor nabestaanden van personen wier overlijden verband zou kunnen houden met ontwikkelingen waarover de nabestaanden zelf niet, maar de dienst wel over is geïnformeerd. Het onthouden van inzage aan personen, als overigens ook geen weigeringsgrond bestaat, zou zelfs op gespannen voet kunnen staan met de bescherming van het privé leven, zoals verwoord in art. 8, EVRM. Zeker als geen weigeringsgronden zoals in de wet opgenomen van toepassing zijn, valt niet in te zien waarom aan naaste verwanten (bijvoorbeeld tot in de tweede graad) inzage zou moeten worden onthouden, zo stellen de leden van de PvdA-fractie.

Het voorliggende wetsvoorstel gaat uit van een eigen verstrekkingstelsel en verklaart de WOB niet langer van toepassing op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, waarbij het uitgangspunt niet openbaarheid maar geheimhouding is. Hierdoor wordt, zo stellen de leden van de fractie van GroenLinks, het gat van het Baggum en het Valkenier arrest gedicht, waarin werd uitgesproken dat de inlichtingen- en veiligheidsdiensten inzageverzoeken moesten honoreren op basis van de WOB, en sluit de regering aan bij de uitspraak van de Raad van State uit 1995 dat de WIV een lex specialis met een eigen openbaarheidregime is. Deze leden pleiten echter voor een incorporatie in de WIV van de uitzonderingen uit de WOB: een regime van openbaarheid, «tenzij». De leden van de fractie van GroenLinks staan positief tegenover het vervallen van het verbod op vastlegging van gegevens door een aan-vrager van inzage in persoonsgegevens. Hiermee komt de weg vrij voor het, naast inzage in het eigen dossier, mogelijk maken van kopiëren, fotograferen, aantekeningen maken, en opnemen op video. Deze leden waarderen het eveneens dat hiermee de mogelijkheid tot bijstand van een raadsman en/ of vertrouwenspersoon tijdens inzage ontstaat, of dat deze in plaats van de aanvragende persoon het dossier mag komen inzien. De mogelijk-heid voor de minister om te stipuleren dat inzage alleen door de aan-vragende persoon mag plaatsvinden, vervalt namelijk. De leden van de fractie van GroenLinks pleiten voor het schrappen van het in het voorliggende wetsvoorstel aanwezige contextvereiste. Alle dossiers die door een inlichtingen- en veiligheidsdienst zijn aangelegd over een persoon zijn relevant. Als de persoon die om inzage verzoekt daarvoor toestemming heeft, moeten deze ook vallen onder het inzageregime. Er ligt in dit geval een inspanningsvereiste aan de kant van de AIVD, die ervoor zal moeten zorgen dat alle dossiers betreffende een inzageverzoek op tafel komen, zie bijvoorbeeld de bestaande uitzonderingen op de medische geheimhoudingsplicht. Het voorliggende wetsvoorstel stelt het nationaal belang boven de termijn van vijf en meer jaar voor inzage. Naar de mening van deze leden moet vijf jaar na afronding van een dossier in beginsel alles toegankelijk zijn, behalve bij zwaarwegende gronden. Zij vragen de regering ter overweging te nemen een rechterlijke toetsing te introduceren van de weigering op grond van nationaal belang. In het licht van de eerdergenoemde arresten menen deze leden dat het huidige voorstel onaanvaardbaar is. Voorts vragen de leden van de fractie van GroenLinks de toevoeging van een correctieplicht. De emotionele waarde voor betrokken burgers blijkt dermate groot, dat correctie van foute en/ of misleidende registraties een belangrijke toevoeging op het wetsvoorstel betekent.

Naar de mening van de leden van de fractie van GroenLinks schiet het voorliggende wetsvoorstel tekort op het punt van het informatie- en inzagerecht van derden. Eerstegraads familie dient naar het oordeel van deze leden, met instemming van de betrokkene, toegang tot niet actuele inlichtingen- en veiligheidsdienstdossiers te krijgen. Na het overlijden van de betrokkene, zou eerstegraads familie in deze optiek eveneens de mogelijkheid tot inzage moeten worden geboden. De leden van de fractie van GroenLinks verzoeken de regering de mogelijkheden voor derden inzage te onderzoeken. Zij stellen dat het ontbreken van elke vorm van inzage voor wetenschappelijk of journalistiek onderzoek een groot manco in het voorliggende wetsvoorstel is. De WOB is niet langer van toepassing op het openbaarheidregime van de AIVD. Het doen van onafhankelijk journalistiek en wetenschappelijk onderzoek wordt daardoor ernstig bemoeilijkt. In het bijvoorbeeld Denemarken en Zweden zijn diverse parlementaire en wetenschappelijke onderzoeksteams bezig met het schrijven van de geschiedenis van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Nederland steekt daarbij schraal af met een enkele officiële onderzoeker, die bovendien zelf directe banden met de inlichtingen- en veiligheidsdiensten heeft. Een andere onderzoeker die een proefschrift over de jaren dertig probeert te schrijven, en waarbij de inlichtingen- en veiligheidsdiensten waardevol materiaal kunnen aanleveren, kreeg onder het regime van de WOB aanvankelijk inzage in 80% van de dossiers, maar krijgt helemaal niets meer bij inwerkingtreding van het voorliggende wetsvoorstel. De leden van de fractie van GroenLinks vragen de regering mogelijkheden te creëren voor het uitvoeren van onafhankelijke journalistiek en wetenschappelijk onderzoek, en concrete stappen in die richting te maken.


4.5 Notificatie

De leden van de PvdA-fractie zijn verheugd met de invoering van een notificatieplicht. De regering is van oordeel dat uit de artikelen 8 en 13 van het EVRM geen notificatieplicht als zodanig voortvloeit. Deze leden zijn hiervan vooralsnog niet overtuigd. De wijze van inwerkingtreding van de notificatieplicht, waarbij deze enkel van toepassing is op de bijzondere bevoegdheden die zich pas na de inwerkingtreding van de notificatieplicht zullen voordoen, bevreemdt hen. Ligt het niet méér voor de hand de notificatieplicht zonder meer van kracht te laten zijn op al die vormen van aanwending van bijzondere bevoegdheden die op het moment van inwerkingtreding worden uitgeoefend? Kan de regering dit besluit nader motiveren?

Met betrekking tot de notificatieplicht, die zal gelden voor bevoegdheden die kunnen leiden tot beperking van de art. 12 en 13 Grondwet, vragen de leden van de VVD-fractie waarom, middels art. 95a van het voorliggende wetsvoorstel, gesteld wordt dat de notificatieplicht niet geldt voor bevoegdheden die vóór de inwerkingtreding van het artikel zijn uitgeoefend. Deze leden vragen voorts of er, ten aanzien van de uitoefening van diverse bevoegdheden die niet hoeven te worden genotificeerd, geen sprake is van een even grote schending van de persoonlijke levenssfeer als in gevallen waarvoor wel een notificatieplicht wordt voorgesteld. Hierbij denken zij onder andere aan observatie en registratie van de inzet van informanten, het doorzoeken van gebouwen die niet als woning kunnen worden aangemerkt en het binnendringen in een computer. De leden van de VVD-fractie vragen wanneer het uitbrengen van een verslag redelijkerwijs niet mogelijk is, en vragen de regering hierbij om een feitelijke uitleg. Zonder duidelijke kaders vrezen deze leden dat van deze mogelijkheid te snel gebruik zal worden gemaakt. In verband met de mogelijkheid de afstelgrond voor notificatie reeds bij gelegenheid van de uitoefening van de bevoegdheid vast te leggen, stellen de leden van de VVD-fractie dat zij de voorkeur geven aan het pas vastleggen van een afstelgrond bij toetsing na vijf jaar of later. Dit voorkomt dat ruimte wordt gegeven aan de waan van de dag. Deze leden vragen hoe de regering hier tegenover staat. Wat is het verschil tussen de notificatieplicht ingevolge de Wet Bijzondere opsporingsbevoegdheden en die ingevolge het voorliggende wetsvoorstel? Waarop zijn deze verschillen gebaseerd?

De leden van de CDA-fractie constateren met instemming dat de nota van wijziging een notificatieplicht invoert. Een, beperkte, verplichting tot notificatie, die alleen voor nieuwe gevallen zal gelden, is voorzien in het toekomstige art. 12 GW. Gedurende een aantal jaar behoeft de notificatieplicht niet geëffectueerd te worden en deze zal een slapend bestaan leiden. Deze leden vragen naar de reden van deze beperking. Zowel bij notificatie als bij inzage wordt een termijn van vijf jaar gehanteerd. Pas vijf jaar na beëindiging van de toepassing van een bijzondere bevoegdheid jegens een bepaalde persoon ontstaat de onderzoeksverplichting, wat in de praktijk heel lang kan duren. Bij de toepassing van meerdere bijzondere bevoegdheden ten aanzien van een en dezelfde persoon, zal telkens afzonderlijk verslag moeten worden uitgebracht. Hierbij is de laatst uitgeoefende bijzondere bevoegdheid bepalend voor het antwoord op de vraag of ook ten aanzien van andere, eerder uitgeoefende, bijzondere bevoegdheden tot het uitbrengen van een verslag kan worden overgegaan. De leden van de CDA-fractie vragen of de notificatieplicht op deze manier niet erg beperkt wordt, wat toch eigenlijk niet de bedoeling was. De voorgestelde uitstel- en afstelgronden versterken deze indruk. Deze leden vinden het overigens opmerkelijk dat voor beide diensten tezamen een extra personeelsuitbreiding is voorzien van 18 fte, juist op grond van het feit dat de notificatieplicht wordt ingevoerd. Waarom is dat nodig? Wat betekent het volledig nakomen van de notificatieplicht op termijn, voor de personele bezetting?

De leden van de D66-fractie kunnen zich er in vinden om, ten aanzien van het notificeren, het te voeren beleid een wettelijke basis te bieden. Hiermee wordt dan wel voor een deel vooruitgelopen op de discussie over grondrechten in het digitale tijdperk in het algemeen, en het briefgeheim en de telecommunicatie in het bijzonder. Houdt de regering er rekening mee dat de wet als gevolg van die discussie mogelijk opnieuw gewijzigd zal moeten worden? De leden van de D66-fractie hebben zich bij de discussie over de grondwettelijke vormgeving van het huisrecht reeds sterk gemaakt voor het behoud van een notificatieplicht voor inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Met name voor betrokken individuen is het belangrijk na verloop van tijd te weten of, en in welke mate, door inlichtingendiensten inbreuk is gemaakt op grondwettelijke rechten. Deze leden vragen waarom zoveel extra menskracht nodig wordt geacht voor het onderhouden van deze notificatieplicht, met name waar deze slechts voor nieuwe gevallen geldt, en overwegend pas na vijf jaar zal werken. Het is toch nu reeds normaal dat van bijvoorbeeld binnentreden in een woning buiten medeweten van de bewoner, dan wel van schending van het briefgeheim, verslag wordt opgemaakt? De leden van de D66-fractie begrijpen de termijn van vijf jaren, die immers ook voor het inzagerecht wordt gehanteerd. Als er nu geen reden is om notificatie zolang uit te stellen, dan zou een eerdere notificatie naar het oordeel van deze leden wel mogelijk zijn, althans niet verboden hoeven te worden. Het lijkt erop dat dit laatste wel het geval is. Zij vragen de regering om een toelichting op dit punt. De leden van de D66-fractie vragen de regering hoe het standpunt met betrekking tot het inzagerecht in het algemeen zich verdraagt met het advies van de Raad voor Cultuur, van 2 november 1999, ten aanzien van de plannen tot vernietiging van het archief van de BVD. Op blz. 12 van dat advies wordt gewag gemaakt van de behoefte, ook van latere generaties, in het kader van recht- en bewijszoeking, dan wel in het kader van historisch onderzoek, aan inzage in persoonsgegevens. De raad acht in dit verband de vernietigingstermijn van tien jaren te kort. Deze leden vragen een reactie van de regering, met betrekking tot de relevante aspecten van dit advies. Wat is het standpunt van de regering ten aanzien van de aanbeveling van de Raad voor Cultuur om ten aanzien van de vernietiging van de BVD archieven een moratorium van 100 jaar in acht te nemen?

De leden van de fractie van GroenLinks steunen in algemene zin de notificatieverplichting voor de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. De doelstelling om burgers, die onderwerp van onderzoek zijn geweest, daarover in te lichten, vinden zij een stap vooruit in de openbaarheid over het optreden van inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Zij constateren dat dit ook aansluit bij art 8 EVRM. Als sluitstuk van de persoonlijke rechtsbescherming vinden deze leden het zeer wenselijk dat burgers na beëindiging van de surveillance op de hoogte worden gesteld. Is het echter niet zo dat in de huidige voorstellen de verplichting kan worden uitgesteld, door middel van een jaarlijkse verlenging, waardoor ook afstel mogelijk wordt? De plicht vervalt namelijk op het moment dat is vastgesteld dat de verplichting redelijkerwijs niet mogelijk is. Naar de verwachting van deze leden zal dit leiden tot een invulling, waarbij uit angst voor notificatie van alles als relevant voor de dienst geoormerkt blijft, en er van het doel van notificatie niet veel meer overblijft. Zij vragen de regering of de termijn waarbinnen notificatie verplicht is, kan worden aangescherpt. Het niet uitbrengen van een verslag, zo stellen deze leden, staat bovendien op gespannen voet met de uitleg en toepassing van art. 8 EVRM. De leden van de fractie van GroenLinks zijn van mening dat de reikwijdte van de notificatieverplichting te beperkt is. Van de ter beschikking staande middelen zijn alleen het binnentreden van woningen, het openen van brieven en het aftappen van telefoons aan notificatieverplichting onderhevig. Afluisteren op andere manieren, (stelselmatige) observatie en/ of cameratoezicht, registratie, het gebruik van informanten, doorzoeken van gebouwen anders dan woningen, het binnendringen of op ander wijze uitlezen van data in computers, het hacken van e-mail vallen, en dergelijke vallen er niet onder. Deze leden vragen de regering de reikwijdte te verbreden, en de verplichting niet te beperken tot art. 12 en 13 Grondwet. De leden van de fractie van GroenLinks zijn van mening dat de notificatieplicht een instrument kan zijn bij het toezicht op de eerder genoemde vereisten van effectiviteit, legitimiteit, proportionaliteit, subsidiariteit en kenbaarheid van het optreden van inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Door per geval te vermelden welke middelen zijn ingezet, kan bovendien achteraf door de rechter getoetst worden of de inlichtingendienst zich aan zijn wettelijk omschreven taken en bevoegdheden heeft gehouden. Is het niet het geval dat de voorwaarde dat notificatie niet mag leiden tot inzicht in de operationele kanten van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten of het onthullen van bronnen, mogelijk leidt tot de situatie dat zo goed als alle van de potentiële notificatiegevallen niet zal behoeven te worden verstrekt? Deze leden geven hierbij ter overweging dat een oplossing van dat probleem gezocht zou kunnen worden in extern toezicht op de notificatieverplichting, door bijvoorbeeld de commissie van toezicht. Wat is de reden voor het voorzien in 18 nieuwe fte bij de AIVD in het kader van de notificatieplicht, terwijl tegelijkertijd de verwachting bestaat dat de notificatieplicht de eerste vijf jaar niet volwaardig zal bestaan?

De leden van de fracties van RPF, GPV en SGP menen dat de regering terecht heeft gekozen voor het opnemen van een regeling van de notificatieplicht in het voorliggende wetsvoorstel. Los van het feit of het EVRM ertoe noopt, art. 12 Grondwet verplicht ertoe, terwijl aannemelijk is dat deze verplichting zal ontstaan met betrekking tot inbreuken op het in art. 13 Grondwet gegarandeerde grondrecht. Waarom geldt de notificatieregeling echter alleen voor de uitoefening van de in art. 33a genoemde bijzondere bevoegdheden? Zal bij de uitoefening van andere bijzondere bevoegdheden niet evenzeer sprake kunnen zijn van ernstige inbreuken op grondrechten? Deze kunnen gerechtvaardigd zijn, maar de vraag of op enig moment notificatie dient plaats te vinden, vergt afzonderlijke beantwoording. Welke afwegingen heeft de regering op dit punt gemaakt? De genoemde leden vragen of de beperking van de notificatieplicht tot nieuwe gevallen, hoe zeer daarvoor uit praktische overwegingen veel te zeggen is, in het licht van de Grondwet wel kan stand houden? Immers, de regering erkent dat in art. 12 Grondwet reeds nu een ongeclausuleerde notificatieplicht is opgenomen. Kan dit bij wet uitgewerkt worden door de effectuering ervan te beperken tot nieuwe gevallen? Een zelfde vraag kan gesteld worden ten aanzien van de voorgenomen inwerkingtreding van de notificatieverplichting, nadat de nodige organisatorische voorzieningen zijn getroffen en de aanhangige wijziging van art. 12 in werking is getreden. Het feit dat de grondwetswijziging de mogelijkheid van afstel zal bieden, kan, in de ogen van deze leden, toch geen argument zijn om niet aan een reeds geldende grondwettelijke verplichting te voldoen? De argumentatie van de regering om de onderzoeksverplichting vijf jaar na de beëindiging van de uitoefening van een bijzondere bevoegdheid te laten ingaan is, volgens de leden van de fracties van RPF, SGP en GPV, vooral praktisch. Is dit voor wat betreft het binnentreden in een woning echter wel in overeenstemming met de strekking van art. 12 Grondwet? Deze leden stellen dat het toch de hoofdregel is, de notificatie zo spoedig mogelijk plaats te laten vinden. Betekent dit ook niet, dat als in het belang van de nationale veiligheid uitstel nodig is, dat uitstel niet langer behoort te duren dan in de concrete situatie nodig is? Kan dit wel wettelijk worden gesteld op tenminste vijf jaren? De leden van de fracties van RPF, SGP en GPV vragen een motivering van het voorstel tot mogelijkheid van het reeds bij de uitoefening van een bevoegdheid vaststellen van het vervallen van de verplichting tot onderzoek. Past dit bij de strekking van art. 12 Grondwet, aangezien het gaat om een uitzondering op een regel die rechtstreeks voortvloeit uit een grondrecht? Moet die uitzondering dan niet met terughoudendheid worden toegepast? Deze leden vragen of daarbij wel past dat bij voorbaat wordt vastgesteld dat het belang van de nationale veiligheid zich tegen notificatie verzet. Hoe kan worden gecontroleerd, dat in de praktijk geen oneigenlijk gebruik van deze mogelijkheid wordt gemaakt? Het is de leden van de fracties van RPF, SGP en GPV onduidelijk waarop de raming van de extra benodigde personeelssterkte is gebaseerd. De invoering van de notificatieplicht wordt als argument genoemd voor een uitbreiding bij de diensten met tenminste 15 fte, respectievelijk 3 fte. Hoe verhoudt zich dit tot het voorstel de verplichting pas na tenminste vijf jaren te effectueren?


4.6 Rechtsbescherming

De leden van de PvdA-fractie hebben ernstige bezwaren tegen de beperking tot één instantie van de beroepsmogelijkheden. Zij wijzen hierbij op soortgelijke bezwaren in de discussie rondom de wijziging van de Vreemdelingenwet in 1992. Afschaffing van het hoger beroep vormt een aantasting van de rechtsbescherming en is vanuit het oogpunt van rechtseenheid en rechtsontwikkeling niet gewenst, zo stellen deze leden. Voorts vragen zij of werkelijk principiële geschilpunten op dit gebied in één instantie kunnen worden afgedaan. Hierbij wijzen de leden van de PvdA-fractie op het zevende protocol bij het EVRM, waarin het hoger beroepsrecht is gegarandeerd. Uit de nota van wijziging blijkt dat praktische voordelen als snelheid en veiligheid van doorslaggevend belang zijn. Naar de mening van de PvdA-fractie heeft de Staat als zodanig de verplichting er voor te zorgen dat rechterlijke beslissingen binnen een redelijke termijn worden genomen. Wanneer gebrek aan snelheid als argument wordt gehanteerd om het hoger beroep af te schaffen, is dat het paard achter de wagen spannen, zo stellen deze leden. Er wacht ons dan een erosie van het hoger beroep. De regering stelt in de nota van wijziging dat, ten aanzien de vertrouwelijke terbeschikkingstelling van gegevens, in het kader van rechterlijke procedures voorkomen moet worden dat gegevens op een niet voor de diensten controleerbare wijze buiten hun macht geraken. Daarom zou de zorgplicht het best geëffectueerd worden wanneer het aantal instanties tot een minimum worden beperkt. De leden van de PvdA-fractie stellen dat het niet zo zou moeten zijn dat men bij rechterlijke instanties hier vanuit gaat. Zij vragen of de regering aanwijzingen heeft dat de zorgplicht in geval van twee beroepsmogelijkheden niet goed geëffectueerd kan worden of verwacht de regering dat het aantal zaken niet groot genoeg zal zijn om de leden van de zittende magistratuur ervaring en kennis met onder andere de omgang met vertrouwelijke gegevens op te laten doen? Voorts vragen deze leden of het verstandig is de rechtspraak onder te brengen bij de Afdeling bestuursrechtspraak, in plaats van bij de Centrale raad beroep of bij een aantal gerechtshoven. Zij stellen dat in ieder geval voorkomen moet worden dat op oneigenlijke wijze op de derde fase van de voorgenomen rechterlijke reorganisatie wordt vooruitgelopen.

Eind 1995 bepaalde de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat de Wet Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten een lex specialis was die een eigen openbaarheidregime kende, dat inzage door derden in tot natuurlijke personen herleidbare gegevens niet toestond. Daarmee kwam een einde aan de mogelijkheid tot historisch onderzoek dat door de BVD werd toegestaan voor gegevens ouder dan 25 jaar. De regering verankert voornoemde uitspraak thans in de wet. De leden van de VVD-fractie vragen de regering, naar aanleiding van het door het voorliggende wetsvoorstel niet toestaan van historisch onderzoek voor gegevens ouder dan 25 jaar, welke mogelijkheden voor historisch onderzoek resteren. Hoe kenmerkt de regering de huidige mate van openbaarheid op grond van het voorliggende wetsvoorstel?

Momenteel staat tegen besluiten op verzoeken tot inzage, na bezwaar, beroep in twee instanties open bij de bestuursrechter. Het voorstel is om dit te beperken tot één instantie, zodat de duur van de totale procedure beperkt wordt. De beperking wordt, in de ogen van de leden van de CDA-fractie, niet gevonden in het bekorten van de beslistermijn van de minister, maar in het beperken van de rechten van de burger. Aangezien de beslistermijnen niet worden bekort is het nog maar zeer de vraag of dit leidt tot bekorting van de procedure. Het is voor deze leden niet helder waarom aan de rechten van burgers wordt getornd, mede ingegeven door het feit dat bij kennisneming door, gewezen, werknemers wél rechtspraak in twee instanties mogelijk blijft. Rechtspositionele argumenten zijn zeker valide, maar argumenten van andere betrokkenen, niet werknemers, zijn dat eveneens, zo stellen de aan het woord zijnde leden.


5. DE SAMENWERKING TUSSEN DE DIENSTEN EN MET ANDERE INSTANTIES


5.1 Samenwerking met inlichtingen- en veiligheidsdiensten van andere landen

De leden van de PvdA-fractie vragen wat buitenlandse inlichtingendiensten voor Nederland doen, en wat voor methoden daarbij worden gehanteerd. Wat voor consequenties worden getrokken uit op die manier verkregen gegevens? Worden, voor wat betreft de samenwerking met buitenlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten, bepaalde criteria gehanteerd? Voorst vragen deze leden welke methoden de AIVD en MIVD in het buitenland hanteren. Is daarbij een nadere regeling vereist?

De leden van de VVD-fractie vragen de regering of, en zo ja in hoeverre, van Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten wordt verwacht dat zij, bij de uitwisseling van informatie met zusterorganisaties, actief informeren naar de methoden die voor het verkrijgen van de informatie zijn toegepast. In welke gevallen kunnen de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten dan niet van die informatie gebruik maken? Wanneer verzet een goede taakuitoefening van de Nederlandse veiligheidsdienst zich tegen verlening van deze zijde van de gewenste ondersteuning? In hoeverre kan die ondersteuning ertoe leiden dat buitenlandse agenten al dan niet op Nederlandse bodem worden ingezet? Bij wie ligt de controle daarop?

De leden van de fractie van GroenLinks vragen wat de mogelijkheid tot technische en andere ondersteuning van zusterdiensten door Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten inhoudt. In de memorie van toelichting worden volg- en observatieacties genoemd, maar op welke schaal komen deze tot nu toe voor? Gaat het hierbij ook om afluisteren? De zusterdiensten zouden volgens de memorie van toelichting niet zelfstandig op Nederlands grondgebied kunnen optreden, maar waar blijkt dat uit de tekst van het voorliggende wetsvoorstel? Deze leden zijn geen voorstander van het internationaal uitwisselen van informatie van inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Welk doel dient de uitwisseling, en om wat voor een informatie gaat het daarbij? De leden van de fractie van GroenLinks pleiten voor de invoering van een materieel criterium, waarbij gesteld wordt in welke gevallen gegevensuitwisseling mogelijk is. Zij geven hierbij de voorkeur aan de beperking tot inlichtingenanalyses, en in geen geval aan de uitwisseling van informatie uit zaken- of persoonsdossiers. Dit zou naar de mening van deze leden verboden moeten zijn, vanwege de oncontroleerbare vervolggang van informatie via zusterdiensten, hoe betrouwbaar deze overigens ook mogen zijn. De gegevensuitwisseling met binnenlandse bestuursorganen wordt in het voorliggende wetsvoorstel eveneens geregeld. De aan het woord zijnde leden geven ook hier de voorkeur aan een materieel criterium: in welke gevallen is gegevensuitwisseling mogelijk, en wat kan dan worden uitgewisseld? Kan de minister een aanzet geven tot een gesloten stelsel met limitatieve opsomming van instanties waarmee informatie kan worden uitgewisseld.

De leden van de fracties van RPF, SGP en GPV zijn nog niet overtuigd van de noodzaak en juistheid van de zeer algemene termen waarin de criteria voor samenwerking met zusterdiensten zijn geformuleerd. Zij denken hierbij met name aan de clausule dat de door zusterdiensten te behartigen belangen niet onverenigbaar mogen zijn met de belangen die de Nederlandse diensten hebben te behartigen. Kan bijvoorbeeld worden volgehouden dat het Nederlandse mensenrechtenbeleid behoort tot de door de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten te behartigen belangen? Welk onderdeel van de taakomschrijving van de diensten in art. 6 en 7 biedt hiervoor de noodzakelijke aanknopingspunten?


6. TOEZICHT EN KLACHTBEHANDELING


6.1 Algemeen

De leden van de fracties van PvdA, VVD, GroenLinks, RPF, SGP en GPV vragen of het in het leven roepen van een commissie van toezicht, die geen bevoegdheid heeft tot het nemen van bindende besluiten, voldoende voldoet aan de eisen van art. 13 EVRM. Hoe denkt de regering om te gaan met een eventuele negatieve uitspraak, mocht de zaak aanhangig worden gemaakt bij het EHRM?

De leden van de fractie van GroenLinks stellen dat met betrekking tot het toezicht- en controleregime, meer van het voorliggende wetsvoorstel verwacht had mogen worden. Goedkeuring vooraf van taken, bevoegdheden, middelen en acties, een effectieve toetsing en controle op het optreden van inlichtingen- en veiligheidsdiensten door een onafhankelijke instantie die in staat is bindende besluiten te nemen, toetsing en controle op grond van rechtmatigheid, doelmatigheid, subsidiariteit, proportionaliteit en het kenbaarheidvereiste, en een effectieve nationale rechtsbescherming behoren hier allemaal toe. Momenteel is toezicht en controle mogelijk door de vaste parlementaire commissie, de bestuursrechter en de Nationale ombudsman (NOB). De huidige parlementaire controle, die een eenzijdige informatievoorziening aan vier overbezette fractievoorzitters inhoudt, blijft middels het voorliggende wetsvoorstel in stand. De leden van de fractie van GroenLinks pleiten voor een commissie bestaande uit specialisten, met verdergaande bevoegdheden en een minder stringent geheimhoudingsregime. Zij stellen dat de instelling van een aanvullende commissie van toezicht onvoldoende is, en vrezen dat de Tweede Kamer in het vervolg het nakijken heeft. Wat is de reactie van de regering op deze stelling?

De betrokkenheid van de Tweede Kamer bij de benoeming van de leden van de commissie van toezicht vinden de leden van de fracties van RPF, SGP en GPV terecht, evenals het feit dat de betrokken ministers bij de voordracht aan de kroon niet gebonden zijn aan deze voordracht. Het is naar hun mening echter geenszins nodig te bepalen dat, in de voordracht van de Tweede Kamer, geen rangorde tussen personen wordt aangebracht. Dit is een vorm van onnodige betutteling van de Kamer, zo stellen de aan het woord zijnde leden. Omdat over een dergelijke voordracht in de praktijk gestemd zal kunnen worden, is het voorschrift niet realistisch, omdat het resultaat van de stemming toch een zekere rangorde zal aangeven. De instelling van een commissie van toezicht mag dan een waardevolle aanvulling zijn van de mogelijkheden tot controle op de diensten, de verantwoording aan de Staten-Generaal blijft naar de mening van de leden van de fracties van RPF, SGP en GPV gebrekkig. Zij wijzen nogmaals op art. 68 Grondwet, dat uitgaat van een individueel recht tot het vragen van inlichtingen. Een lid, dat geen deel uitmaakt van de commissie IVD, heeft dus het recht buiten deze commissie de regering vragen te stellen. De strekking van dit recht brengt volgens deze leden met zich mee, dat deze vragen dan ook beantwoord worden, tenzij in de concrete situatie een beroep kan worden gedaan op het belang van de staat. Deelt de regering het standpunt, dat het bestaan van de commissie IVD op zichzelf onvoldoende argument is, om van een inhoudelijke beantwoording van het individuele lid van de Kamer af te zien?


6.2 Gronden voor versterking van het toezicht

De leden van de fractie van GroenLinks zijn van mening dat de Nationale Ombudsman geen zinvolle rol kan spelen bij het toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten in de zin van het EVRM, omdat deze niet bevoegd tot bindende uitspraken en geen daadwerkelijke rechtsmiddelen kent. De procedure ten aanzien van de Nationale Ombudsman moet gezien worden als een aanvullende weg voor burgers, maar zeker niet als een van de primaire middelen van toezicht.


6.3 De commissie van toezicht betreffende de inlichtingen- en veiligheidsdiensten

De leden van de fracties van VVD, CDA en D66 vragen welke status de commissie van toezicht krijgt, ervan uitgaande dat het niet als Hoog College van Staat of als zelfstandig bestuursorgaan (zbo) zal worden aangemerkt. De leden van de fractie van D66 merken daarbij op, dat de vorm van zbo daarbij niet bij voorbaat ongeschikt is, en dat het afhangt van de vormgeving van het bestuursorgaan. Zij vragen tevens of, voor de toezichtuitoefening in het algemeen, er geen precedentwerking van de keuze zal uitgaan. Zo ja, is dat wat de regering voor ogen staat, en bestaat het gevaar dan niet dat er een bonte mengeling ontstaat van toezichtstructuren, die noch onder de Aanwijzingen voor de rijksdienst, noch onder de toekomstige Kaderwet zelfstandige bestuursorganen vallen?

De leden van de VVD-fractie vragen welke feitelijke situaties, volgens de regering, aanleiding kunnen geven een lid van de commissie van toezicht te doen ontslaan. Waarom acht de regering het wenselijk om de Kamer bij deze rechtspositionele aangelegenheden te betrekken? Hoe onderscheiden de werkzaamheden van de commissie van toezicht zich inhoudelijk van de bestuurlijke werkzaamheden waarop de AWB toeziet? Hoe functioneren vergelijkbare commissies in bijvoorbeeld Engeland en Frankrijk, zo vragen deze leden tenslotte.

De leden van de CDA-fractie stellen dat de veranderingen in de nota van wijziging leiden tot een verbetering voor wat betreft de onafhankelijkheid van de commissie van toezicht. Zij vragen wat de noodzaak is van het voordragen van tenminste drie personen bij elke vacature. Voorts vragen zij wat de reden is van het feit dat er feitelijk geen sprake is van een voordracht, aangezien er geen rangorde mag worden aangegeven. De betrokken ministers mogen uit de voorgedragen kandidaten een keuze maken. Kan dit betekenen dat er een ander persoon wordt benoemd, dan de minimaal drie voorgedragen personen?

De leden van de D66-fractie kunnen zich vinden in een grotere mate van onafhankelijkheid van de commissie van toezicht, in de verplichting van de commissie tot een jaarlijkse, openbare rapportage aan de Kamer, en de mogelijkheid tot het verzoek van bepaalde onderzoeken. Waarom, zo vragen deze leden, is er gekozen voor een constructie suis generis?

Een commissie van toezicht verdient de steun van de fractie van GroenLinks, maar bij de invulling missen deze leden de slagkracht die een commissie van toezicht zou moeten hebben. Behoort het, met betrekking tot de benoeming van leden voor de commissie van toezicht, niet tot de mogelijkheden, dat de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, ook als de Tweede Kamer een evenwichtige voordracht doet, steeds de meest gezagsgetrouwe kandidaat kiest, en daarmee een kriti-sche controle op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten afweert? Deze leden pleiten voor een bindende voordracht door de Tweede Kamer, waarbij zij een keuze moet kunnen maken van drie leden uit zes of meer voorgedragen leden. Het toezicht van de commissie van toezicht is beperkt tot de rechtmatigheid van het optreden van de AIVD en MIVD. Aangezien, naar de mening van de leden van de fractie van GroenLinks, middels het voorliggende wetsvoorstel alles mag, verwachten zij dat de commissie van toezicht niet zo heel veel te doen zal krijgen. Toezicht op de doelmatigheid, op wat de doelen en targets van de AIVD en MIVD zijn, is niet mogelijk. Is het niet zo dat voor het beoordelen van de noodzaak van bijvoorbeeld een vertrouwensfunctie, en de daarbij behorende veiligheidsonderzoeken en beroepsverboden, moeilijk om een doelmatigheidscontrole heengegaan kan worden? Ook voor een oordeel over de proportionaliteit, de subsidiariteit en het kenbaarheidvereiste is het nodig te weten waar inlichtingen- en veiligheidsdiensten mee bezig zijn, en welke middelen en methoden daarbij op welk moment zijn overwogen en/ of ingezet. De leden van de fractie van GroenLinks vragen of de commissie van toezicht niet gemachtigd moet zijn opdrachten aan de inlichtingen- en veiligheidsdiensten te geven en moet zij niet de mogelijkheid hebben, bijvoorbeeld naar aanleiding van klachten, onderzoeken of acties van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten stop te zetten? Het achteraf toezicht houden is naar het oordeel van deze leden niet voldoende. Dient er geen regime van toezicht en controle gevormd worden, waarin de commissie mag inzien, controleren, inspecteren en rapporteren, en een voor de diensten bindende uitspraak kan doen? De commissie van toezicht moet in staat zijn, zelfstandig en in opdracht, onderzoek naar het functioneren van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten uit te voeren, waarbij de commissie over middelen moet kunnen beschikken. Deze leden vragen of het daarbij mogelijk is dat de Tweede Kamer kan vragen om een onderzoek, een constructie die ook bekend is ten aanzien van onderzoek door de Algemene Rekenkamer. Zij wijzen het idee van een deeltijdfunctie af, in verband met de vele werkzaamheden, en pleiten voor een fulltime secretariaat, aangevuld met enkele specialistische staf- en onderzoeksmedewerkers. De leden van de fractie van GroenLinks begrijpen uit de protocolplicht dat de AIVD en MIVD vrijwel de enige informatiebronnen worden voor het werk van de commissie van toezicht. Is een dergelijke, eenzijdige informatievoorziening wel bevorderlijk voor de onafhankelijkheid van de controlerende instanties? Van het toezichtrapport zal het geheime gedeelte naar de commissie IVD gaan. Beide Kamers kunnen aan de commissie van toezicht vragen een onderzoek te verrichtten. Kan de Kamer een onderzoek laten verrichten naar een onderdeel uit de geheime rapportage?


6.4 De taakuitoefening door de commissie van toezicht en de behandeling van klachten

De leden van de PvdA-fractie stellen dat de nota van wijziging niet duidelijk is ten aanzien van de beoordelingsgronden van een weigering, indien in beroep wordt gegaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Is de rol van de rechter beperkt tot het nagaan of er een afweging heeft plaatsgevonden, of kan de rechter ook de inhoud van de overweging beoordelen? Zo ja, in hoeverre?

De leden van de fractie van GroenLinks zien rechterlijke toetsing van het overheidsoptreden tegen individuele burgers als een fundamenteel onderdeel van de Nederlandse rechtsstaat. Zij kunnen zich niet vinden in de creatie van een bijzonder regime binnen deze toetsing. Deze leden vragen de regering of de beperking van het hoger beroep tot een enkele instantie, namelijk de Raad van State, niet vooral een gevolg is van het feit dat bij de bestaande inzage praktijk de BVD meer en meer met kritische rechters wordt geconfronteerd. Is de Raad van State bovendien wel een geschikt orgaan voor dergelijk feitelijk onderzoek? Voorts vragen zij waarom de normale rechtsgang van de AWB in het geval van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten niet zou kunnen worden gehanteerd. De leden van de fractie van GroenLinks achten het op voorhand en op politieke gronden doorkruisen van de normale rechtsgang een kwalijk voorstel. Zij stellen eveneens dat het argument van onveilige rechtbanken onzinnig is, aangezien bij rechtbanken kluizen aanwezig zijn, de BVD bij ieder vervoer en proces aanwezig is en er ervaring is met tientallen zaken, waarbij nog nooit stukken zoekgeraakt zijn. Wat is het standpunt van de regering in deze? Deze leden constateren dat de rijksrecherche regelmatig onderzoek doet naar het functioneren van overheidsdiensten, of naar individuele ambtenaren werkzaam bij dergelijke diensten. Ziet de regering een rol voor de rijksrecherche met betrekking tot het toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten?

ARTIKELSGEWIJZE BEHANDELING

Artikel 14

In het voorliggende artikel wordt geregeld dat de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verantwoordelijk is aangaande de archieven van de AIVD. Een dergelijk artikel ontbreekt ten aanzien van de MIVD. De leden van de CDA-fractie vragen hoe hier de verantwoordelijkheid voor de archieven geregeld is?

Artikel 22

De leden van de fracties van RPF, SGP en GPV vragen of de beperking van de werking van het vierde lid tot woningen wel terecht is. Opent de jurisprudentie van het Europese Hof niet de mogelijkheid onder omstandigheden ook bedrijfsruimten onder de bescherming te brengen van art. 8 EVRM?

Artikel 24

Het derde lid van het voorliggende artikel stelt dat een ieder die kennis draagt ter zake van het ongedaan maken van de versleuteling van gegevens verplicht is het hoofd van de dienst, op diens schriftelijk verzoek, alle noodzakelijke medewerking te verlenen om deze versleuteling ongedaan te maken. Weigering is strafbaar met maximaal twee jaar gevangenisstraf. Opmerkelijk is dat het begrip «een ieder» wordt gebruikt terwijl de memorie van toelichting dit niet nader belicht. De leden van de PvdA-fractie vragen wie hier nu in het bijzonder worden bedoeld. Zijn hierop uitzonderingen en zo ja, welke?

Artikel 37, onderdeel a

Met betrekking tot dit artikel stelt de regering dat ook door personen of instanties die bij de uitvoering van de publieke taak zijn betrokken gegevens kunnen worden verstrekt. Als voorbeeld worden politieke partijen genoemd. Voor welke andere instanties en personen geldt deze uitleg? De leden van de CDA-fractie plaatsen enkele vraagtekens hierbij vanuit privacyoverwegingen, en met betrekking tot de mogelijk toch ruime interpretatie van «betrokken personen of instanties». Welke beoordelingscriteria worden hierbij gehanteerd en waarom is niet gekozen voor een limitatieve opsomming? Hoe is het inzagerecht van betrokkenen in een dergelijk geval geregeld? Is het overigens mogelijk dat personen of instanties die betrokken zijn bij de publieke taak zelf vragen om gegevens of zelf vragen om een onderzoek te doen plaatsvinden? Welke regels worden hierbij gehanteerd?

De leden van de fracties van RPF, SGP en GPV vinden dat er erg ruime mogelijkheden worden geboden tot het verstrekken van gegevens aan personen of instanties, betrokken bij de uitvoering van een publieke taak. Of politieke partijen hieronder vallen staat te bezien, gelet op hun onafhankelijke positie. Dat zij een functie vervullen die van belang is voor de publieke zaak is waar, maar dat geldt op uiteenlopende manieren voor tal van particuliere personen en organisaties.

Artikel 50

De leden van de fracties van RPF, SGP en GPV vragen of de formulering van het tweede lid het recht van beroep niet tot een fictie maakt, als de aanvrager zelfs niet weet of de afwijzing plaatsvond om een van de redenen onder a. vermeld, dan wel omdat betreffende hem geen gegevens zijn verwerkt.

De voorzitter van de commissie,

De Cloe

De griffier voor dit verslag,

Kroes


1) Samenstelling:

Leden

Schutte (GPV)

Te Veldhuis (VVD), ondervoorzitter

De Cloe (PvdA), voorzitter

Van den Berg (SGP)

Van de Camp (CDA)

Scheltema-de Nie (D66)

Van der Hoeven (CDA)

Van Heemst (PvdA)

Noorman-den Uyl (PvdA)

Oedayraj Singh Varma (GL)

Dankers (CDA)

Hoekema (D66)

Rijpstra (VVD)

Cornielje (VVD)

O.P.G. Vos (VVD)

Rehwinkel (PvdA)

Luchtenveld (VVD)

Wagenaar (PvdA)

De Boer (PvdA)

Duijkers (PvdA)

Verburg (CDA)

Rietkerk (CDA)

Halsema (GL)

Kant (SP)

Balemans (VVD)

Plv. leden

Rouvoet (RPF)

Van Beek (VVD)

Zijlstra (PvdA)

Ravestein (D66)

Van Wijmen (CDA)

Augusteijn-Esser (D66)

Balkenende (CDA)

Barth (PvdA)

Gortzak (PvdA)

Rabbae (GL)

Wijn (CDA)

Dittrich (D66)

Cherribi (VVD)

Nicolaï (VVD)

Van den Doel (VVD)

Van Oven (PvdA)

Brood (VVD)

Apostolou (PvdA)

Kuijper (PvdA)

Belinfante (PvdA)

Mosterd (CDA)

Eurlings (CDA)

Van Gent (GL)

Poppe (SP)

Essers (VVD

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie