Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Antwoorden Borst na overleg orgaandonatie en brief stichting

Datum nieuwsfeit: 16-02-2000
Vindplaats van dit bericht
Vindplaats 2
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

vws00000.236 brief min vws t.g.v. antwoorden schr. overleg orgaandonat ie en afschrift brief ned transplantatie stichting Gemaakt: 18-2-2000 tijd: 9:17

27

De Voorzitter van de Vaste Commissie voor

Volksgezondheid, Welzijn en Sport

van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 16 februari 2000

Onderwerp

orgaandonatie

Hierbij ontvangt u de antwoorden naar aanleiding van het verslag van een schriftelijk overleg betreffende orgaandonatie.

De Minister van Volksgezondheid,

Welzijn en Sport,

dr. E. Borst-Eilers

VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Ter voorbereiding van een op 23 februari 2000 te houden algemeen overleg over orgaandonatie bleek er in de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport bij enkele fracties behoefte te bestaan een aantal vragen ter beantwoording voor te leggen aan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Vragen PvdA-fractie Vraag 1. Is sinds de invoering van de W.O.D. het aantal donoren daadwerkelijk gedaald? Antwoord vraag 1.

In 1999 waren er 165 postmortale orgaandonoren tegenover 195 in 1998, hetgeen een daling van 15% ten opzichte van 1998 inhoudt. Daartegenover staat een stijging van het aantal postmortale weefseldonoren van ongeveer 1100 in 1998 naar ongeveer 1300 in 1999. Een stijging van 18%.

Vraag 2.

Is sinds de invoering van de W.O.D. het aantal wachtenden op een orgaan of weefsel daadwerkelijk gestegen? Kan dit worden gespecificeerd naar patiëntencategorieën? Zo ja, wat zijn daarvan de oorzaken?

Antwoord vraag 2.

Wachtlijst in Nederland op 31 december in het aangegeven jaar


1997(voor WOD)


1998 (4 maanden WOD geïmplementeerd)


1999 (16 maanden WOD geïmplementeerd)

nier


997


1169


1306

pancreas


0


0


2

nier + pancreas


4


8


14

hart


28


22


30

long


62


53


58

hart-long


1


2


0

lever


27


34


46

hartklep


15


15


16

cornea


378


442


464

botweefsel

?


58


1

Het aantal wachtenden op een orgaan is gestegen, het aantal wachtenden op een weefsel is gedaald. De groei van de nierwachtlijst nam met 17% toe van 1997 naar 1998 en nam het afgelopen jaar 1999 met 12% toe. De nierwachtlijst nam in 1999 dus iets minder toe dan het jaar ervoor, de reden hiervoor is waarschijnlijk de toename van het aantal transplantaties uitgevoerd met de nieren van levende donoren (1998; 108, 1999; 132) en het aantal uit het buitenland gekregen nieren (+29).

Het aantal wachtenden voor bot en/of peesweefsel is gedaald tot 1 persoon. Doordat er in 1999 een toename van 45% was van het aantal botdonoren (1998; 69, 1999, 100 donoren) is de wachtlijst sterk afgenomen. Diegenen die op de wachtlijst stonden, wachtten op een specifiek heel bot of peesmateriaal. Voor kleine botproducten die gebruikt worden in de kaak-, wervel- en revisiechirurgie bestond een voldoende voorraad om aan die vraag te voldoen.

Vraag 3.

Kunnen de kosten en de baten van de registratie nauwkeurig in beeld worden gebracht?

Antwoord vraag 3.

De kosten van de donorregistratie (exclusief voorlichting en raadpleging) bedragen ongeveer f 5 mln. in 1999. De verwachting is dat bij gelijkblijvende omstandigheden deze kosten in de komende jaren ongeveer hetzelfde zullen zijn. In deze kosten zijn onder andere begrepen de personele en materiële kosten van het benodigde personeel , de exploitatiekosten van het registratiesysteem (Odysis) , PTT-kosten en raadpleegkosten van het GBA-net. Niet alle kosten zijn exact aan de registratie toe te rekenen. Baten van de registratie zijn op zichzelf louter immaterieel en kunnen om die reden niet worden gekwantificeerd.

Vraag 4.

Klopt het dat de informatietelefoon voor personen die te kennen hebben gegeven zich als donor te willen inschrijven de beller geld kost? Klopt het dat de bereikbaarheid van deze telefooncentrale veel te wensen overlaat?

Antwoord vraag 4.

Het klopt dat de informatielijn een betaald telefoonnummer heeft, het tarief is gelijk aan het normale interlokale tarief van 22 cent per minuut. Inmiddels wordt onderzocht of er mogelijkheden zijn dit goedkoper te maken.

Het informatienummer is bereikbaar van maandag tot en met vrijdag van 8.00 tot 21.30, en op zaterdag van 09.00 tot 16.00. Buiten deze uren is er, 24 uur per dag, een voice response systeem ingeschakeld, waarop bellers hun gegevens kunnen inspreken zodat zij teruggebeld kunnen worden. Tijdens genoemde uren is dit nummer, volgens mijn informatie, zonder problemen bereikbaar. De enige uitzondering hierop vormde helaas het incidenteel moeizaam kunnen bereiken van de informatielijn in de periode tussen kerst en oudejaarsdag van 1999. Dit werd veroorzaakt door personele krapte bij het callcentre gedurende deze periode.

Vraag 5.

Is het de minister bekend of, en zo ja en in welke mate, afzonderlijke ziekenhuizen aan postmortale transplantatieprogramma's bijdragen? Wordt door het Staatstoezicht voor de volksgezondheid in het kader van de uitvoering van de Kwaliteitswet controle uitgeoefend op de naleving van de W.O.D.? Zo ja, op welke wijze en wat zijn de eventuele resultaten van een dergelijk onderzoek?

Antwoord vraag 5.

Het aantal postmortale orgaandonaties is bekend per ziekenhuis. Ik heb aan de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) gevraagd een onderzoek te verrichten naar de mogelijke knelpunten die de ziekenhuizen ervaren bij de uitvoering van de Wet op de orgaandonatie.

Voorts heb ik de IGZ gevraagd te onderzoeken in hoeverre de ziekenhuizen de wettelijke bepalingen ten aanzien van het protocol orgaandonatie naleven. In het protocol moet zijn vastgelegd hoe binnen de instelling wordt nagegaan of een overledene in aanmerking komt om donor te worden, de wijze waarop wordt nagegaan of de overledene een wilsbeschikking in het Donorregister heeft laten registreren en de wijze waarop de nabestaanden worden geraadpleegd en welke procedure gevolgd moet worden bij de melding van een orgaan bij het orgaancentrum. De IGZ heeft inmiddels een eerste inventariserend onderzoek verricht in een paar ziekenhuizen en de belangrijkste factoren welke van belang zijn voor de orgaandonaties in Nederlandse ziekenhuizen in kaart gebracht. Binnenkort verwacht ik hierover een tussenrapportage. Op basis van het vooronderzoek zal de IGZ een steekproef verrichten onder een aantal ziekenhuizen. Daarbij zal ook het overzicht van het aantal orgaandonaties per ziekenhuis worden betrokken. De verwachting is dat het onderzoek medio 2000 zal zijn afgerond.

Vraag 6.

Is de minister van oordeel dat ziekenhuizen gehouden zijn medewerking te verlenen aan de uitvoering van de Wet op Orgaandonatie? Acht u het denkbaar dat, zo mocht blijken, bepaalde ziekenhuizen niet werkelijk uitvoering geven aan de W.O.D. sanctionerend wordt opgetreden?

Antwoord vraag 6.

Op basis van artikel 23 van de Wet op de orgaandonatie is het bestuur van een ziekenhuis verplicht ervoor te zorgen dat er een protocol met betrekking tot het ter beschikking komen van organen wordt vastgesteld. Het bestuur van een ziekenhuis dient erop toe te zien dat het protocol wordt nageleefd. De WOD bevat echter geen strafbepalingen ten aanzien van het niet naleven van het protcol. De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) kan echter zonodig op basis van de Kwaliteitswet zorginstellingen het ziekenhuis aanwijzingen geven. Vooralsnog acht ik de mogelijkheden van de IGZ in het kader van het toezicht voldoende om op de toepassing van het protocol toe te zien.

Vraag 7.

Is de minister van mening dat, gegeven het dalend aantal transplantaties in de laatste jaren, er op zeer korte termijn passende maatregelen genomen dienen te worden, waarbij gedacht kan worden aan het bevorderen van familiedonaties en het intensiveren van het gebruiken van non-heart-beating donoren?

Deelt de minister in dit verband de mening dat strikte regulering van familiedonatie moet plaatsvinden? Is de minister bereid financieel bij te dragen aan de door de Nierstichting Nederland geïndiceerde projecten op het terrein van familiedonatie?

Antwoord vraag 7.

Bij brief van 7 oktober 1999 heb ik de Gezondheidsraad verzocht mij te informeren over de ontwikkelingen op het gebied van orgaantransplantatie, in het bijzonder ook ten aanzien van orgaandonatie bij leven en non-heart-beating donatie. Hoewel familiedonatie in een aantal gevallen een mooi alternatief is dat bovendien soms ook nog betere resultaten heeft, blijft het een keuze waaraan toch ook bezwaren kleven. Ook ten aanzien van non-heart-beating-procedures wil ik niet zonder een advies van de Gezondheidsraad beslissingen nemen. De WOD heeft voor die procedures reeds bepaalde belemmeringen weggenomen. Daarom verdient het aanbeveling dat er nu een nadere invulling plaatsvindt in de vorm van richtlijnen of een protocol. Non-heart-beatingprocedures vinden plaats in situaties waarin per definitie met spoed invasieve handelingen moeten worden verricht, bovendien meestal aansluitend op een mislukte resuscitatie. Zorgvuldigheid moet hierbij bij uitstek voorop staan. Ik heb de Raad dan ook gevraagd een dergelijk protocol op te stellen. Tevens heb ik gevraagd ten aanzien van deze vormen van donatie naast de wetenschappelijke ook de relevante ethische, juridische en maatschappelijke aspecten in ogenschouw te nemen.

Ik heb daarbij aangegeven mij te kunnen voorstellen dat beantwoording van mijn verzoek gefaseerd plaats zou hebben, maar ook het laatste deel van het advies graag nog in het jaar 2000 te willen ontvangen. Het lijkt mij aangewezen om een besluit over het bevorderen van familiedonatie of non-heart-beating donatie, mede te baseren op het advies ter zake van de Gezondheidsraad.

Het is mij bekend dat de Nierstichting gestart is met een plan van aanpak om het aantal transplantaties met nieren van levende donoren te vergroten. Naar ik heb begrepen is het project onder andere erop gericht de ethische, juridische, emotionele en financiële aspecten van familiedonatie in kaart te brengen. Dit laatste acht ik zeer zinvol. Op dit moment weet ik echter nog niet voldoende over het initiatief van de Nierstichting om een uitspraak te kunnen doen over een eventuele financiële ondersteuning. Zolang het advies van de Gezondheidsraad nog niet is uitgebracht wil ik een zekere terughoudendheid in acht nemen.

Vraag 8.

Is de minister bereid te laten onderzoeken welk juridisch systeem de vraagsituatie in ziekenhuizen kan verbeteren? Zou naar het oordeel van de minister nu al gedacht moeten worden aan de invoering (op termijn) van een bezwaarsysteem; een mogelijkheid die door de minister tijdens de behandeling van de Wet op de Orgaandonatie als serieus alternatief werd aangegeven voor het geval de doelstelling van een toename van het aantal uitgevoerde orgaandonaties niet gehaald mocht worden?

Antwoord vraag 8.

Bij het evaluatieonderzoek dat Zorgonderzoek Nederland (ZON) laat uitvoeren zal ook het gekozen toestemmingssysteem betrokken worden. Op de conclusies van dat onderzoek
die eind 2001 beschikbaar zullen komen kan ik nu niet vooruitlopen. Wel wil ik nog eens bevestigen dat de resultaten van de evaluatie eventueel ook aanleiding kunnen zijn om over te gaan tot wijziging van het wetssysteem. Hierbij moeten we er ons wel van bewust zijn dat ook in een geen-bezwaarsysteem een register geraadpleegd moet worden.

Vraag 9.

Acht de minister het mogelijk te komen tot de instelling van een permanente begeleidingsgroep uitvoering Wet op de Orgaandonatie, die dagelijks zou moeten toezien op de uitvoering van de wet, niet alleen in de richting van de beroepsbeoefenaren maar ook in de richting van het eigen ministerie? Is het de minister in dit verband bekend dat eind 1999 nog altijd geen regeling tot stand was gekomen door of vanwege het ministerie met betrekking tot de verzekeringsproblematiek bij living donors, terwijl zulks al tijdens de behandeling van de W.O.D. in deze kamer werd toegezegd als een oplossing op korte termijn, waarbij één van de taken van een dergelijke begeleidingsgroep zou zijn het houden van de vinger aan de pols, waardoor verslapping voorkomen wordt?

Antwoord vraag 9

Het beleid is enerzijds gericht op de voorlichting (zowel gericht op publiek als beroepsgroep) en anderzijds op het bewerkstelligen van een betere inbedding van de orgaandonatie in de ziekenhuizen. Daartoe heb ik ten behoeve van de ziekenhuizen een aantal faciliterende maatregelen genomen. Ook heb ik de Inspectie voor de gezondheidszorg gevraagd het toezicht op de uitvoering van de Wet op de orgaandonatie te verscherpen. Voorts heb ik aan de Nederlandse Transplantatie Stichting gevraagd een onderzoek te verrichten naar de oorzaken van de daling van het aantal beschikbare donororganen. Ik ben dan ook van mening dat er geen sprake is van verslapping en vooralsnog acht ik het dan ook niet nodig te komen tot de instelling van een permanente begeleidingsgroep uitvoering Wet op de orgaandonatie. Overigens heb ik het iniatief genomen tot het houden van een periodiek overleg over orgaandonatie met verschillende organisaties die met dit onderwerp te maken hebben.

Het is juist dat er eind 1999 nog geen oplossing was gerealiseerd voor de verzekeringsproblematiek die aan de orde is bij donatie door levende donoren. Het College Tarieven Gezondheidszorg (CTG) behandelt, in eerste aanleg op 21 februari aanstaande het verzoek van de betrokken verantwoordelijke partijen uit het veld, in casu de Vereniging van Academische Ziekenhuizen (als koepelorganisatie van de instellingen waarin nieruitname bij levende donoren wordt toegepast) en Zorgverzekeraars Nederland (als koepelorganisaties van degenen die de kosten van dergelijke uitname ten behoeve van transplantatie bij een verzekerde vergoeden) om in het tarief voor nieruitname ook een component voor de kosten van de verzekering op te nemen. Als het CTG zoals ik verwacht positief besluit, betekent dat de zo gewenste oplossing voor verzekeringsproblematiek zal zijn gerealiseerd.

Vraag 10.

Welke mogelijkheden ziet de minister om tot een verbetering van de situatie t.a.v. orgaandonatie te komen? Welk beleid is daar op ingezet?

Antwoord vraag 10.

In algemene zin is het beleid gericht op voorlichting (zowel publiek als beroepsgroep) en op het bewerkstelligen van een betere inbedding van de orgaandonatie in de ziekenhuizen.

Overzicht van acties en ingezet beleid:

Onderzoek NTS. De oorzaken van de daling van het aantal beschikbare organen zijn op dit moment niet voldoende duidelijk. Veel factoren kunnen een rol spelen. NTS is gevraagd hier een onderzoek naar in te stellen. Medio dit jaar verwachten we de eerste resultaten.

Voorlichting en communicatiebeleid; vanuit de overheid zullen de positieve kanten van orgaandonatie duidelijker dan tot nu toe naar voren worden gebracht.

Stimulering gebruik protocol orgaandonatie door de ziekenhuizen (o.a. door verscherping toezicht IGZ; uit onderzoek blijkt de er een grotere kans is dat de arts toestemming krijgt van de nabestaanden indien het modelprotocol wordt gebruikt)

Subsidiëring Pro Donor (Pro Donor ondersteunt de ziekenhuizen op het gebied van kennis en vaardigheden o.a. training artsen voor het voeren van gesprekken met nabestaanden)

Subsidiëring medische vraagbaak. Dit is een centraal informatiepunt voor de medische beroepsbeoefenaren en de ziekenhuizen;

Facilitering landelijke uitname teams. Hierdoor wordt een belangrijk deel van de rompslomp die de ziekenhuizen ondervinden uit handen genomen.

Om meer donoren te werven werkt NTS aan een nieuwe organisatie Donorwerving.

Regelmatig bezoek door IGZ van ziekenhuizen met een laag dan wel onregelmatig donatiepatroon.

Onderzoek naar de mogelijkheden van continue registratie en periodieke evaluatie van de geschiktheid voor donatie van de overledene. Op basis daarvan zou bijvoorbeeld NTS de ziekenhuizen spiegelinformatie kunnen verstrekken; cq organiseren van regionale vergelijkende bijeenkomsten (benchmarking)
Vragen VVD-fractie Vraag 11. In de brief van 26 oktober 1999 over de evaluatiecampagne orgaandonatie1999 en de adviesaanvrage aan de Gezondheidsraad concludeert de minister dat «het aangewezen zou kunnen zijn om naast een massamediale aanpak de aandacht te richten op specifieke doelgroepen anders dan die van de 18-jarigen.» Bij de begrotingsbehandeling 1998 reeds werd een motie-Van Blerck c.s. (26 200 XVI nr. 30 over doelgroepgericht onderzoek en op basis daarvan herhaling van aanschrijving van niet-geregistreerden) aangenomen die eveneens pleitte voor een specifieke doelgroepbenadering. Welke concrete actie is er sinds het aannemen van die motie ondernomen? Antwoord vraag 11. Naar aanleiding van de motie-Van Blerck heb ik toegezegd te bezien of het mogelijk was een gedeelte van de evaluatie van de WOD naar voren zou worden getrokken, namelijk het onderzoek naar de voorlichting. Dit onderzoek is inmiddels door een extern bureau uitgevoerd en heeft als invalshoek de oorzaken van de zogenaamde non-respons. De resultaten die over enkele weken worden verwacht kunnen worden betrokken bij besluitvorming over vervolgactiviteiten. Verder is het zo dat in oktober 1999 de uitkomsten beschikbaar zijn gekomen van een in opdracht van de Stichting Donorvoorlichting (die in belangrijke mate door mij wordt gefinancierd) uitgevoerd pilot-onderzoek over allochtonen en orgaandonatie. In vervolg daarop start in februari 2000 de SDV de voorlichtingscampagne voor allochtonen `Donor worden, dat doe je voor elkaar'. Met de campagne die gericht is op Turken, Marokkanen, Surinamers en Antillianen wil de SDV het belang van orgaan- weefseldonatie onder de aandacht van allochtone groepen brengen (agendasetting). Op deze wijze wordt onder de aandacht van grote groepen allochtonen gebracht dat orgaan- en weefseldonatie ook hen aangaat. Met de campagne wordt beoogd dat deze allochtonen met elkaar over het onderwerp gaan praten en op den duur bereid zijn een besluit te nemen over het al dan niet afstaan van organen en weefsels na overlijden, en dit besluit in het Donorregister te laten opnemen. Vraag 12. Kan de eindrapportage over het deelonderzoek van het ZON nog steeds eind februari 2000 worden verwacht? Zo ja, kan een proefdruk van die eindrapportage nog voor het algemeen overleg van 23 februari a.s. voor de Kamer beschikbaar zijn? Antwoord vraag 12. De concept-eindrapportage wordt op 28 februari besproken in de betreffende begeleidingscommissie van de ZON. Ik verwacht dat de ZON niet al te lang daarna mij de eindrapportage zal toezenden. Uiteraard zal ik op mijn beurt deze rapportage zo spoedig mogelijk aan de Kamer doen toekomen. Toezending aan de Kamer van een proefdruk van de eindrapportage terwijl de begeleidingscommissie daarover nog moet oordelen, vind ik niet juist. Ik sluit niet uit dat het mij op 23 februari wel mogelijk zal zijn mondeling enige indicaties te geven over de verwachte inhoud. Vraag 13. In hoeverre is een Doelgroepenonderzoek Donorregistratie Jongeren en Ouders, onder enige tientallen jongeren slechts, representatief? Antwoord vraag 13. Dit onderzoek is niet representatief en ook niet als zodanig bedoeld, doch verkennend. In de methodologie van communicatieonderzoek worden kwantitatieve en daarmee representatieve onderzoeken vaak aangevuld met kwalitatief, verkennend onderzoek. Dit wordt gedaan om meer inzicht in de motieven en beweegredenen van mensen te verkrijgen dan kwantitatief onderzoek kan bieden. Zoals u weet is voorafgaand aan de introductie van het donorformulier een nulmeting gehouden naar kennis, houding en gedrag ten aanzien van orgaandonatie en donorregistratie. Na de grootscheepse aanschrijving heeft een eenmeting plaatsgevonden. Nog meer kwantitatief onderzoek zou op dit ogenblik weinig toegevoegde waarde hebben, doelgroepgericht kwalitatief onderzoek daarentegen wel. Vraag 14. Hoe verklaart de minister dat, ondanks het feit dat er eind 1998 al bijna een half miljoen meer mensen zelf toestemming hebben gegeven voor orgaandonatie na overlijden, er in 1999 desalniettemin een drastische daling van het aantal orgaantransplantaties is geboekt? Antwoord vraag 14.

Ondanks het feit dat van 4.5 miljoen inwoners van Nederland de wens omtrent donatie is geregistreerd in het Donorregister, waarbij 55% toestemming geeft voor orgaan/weefseluitname, is er een daling in het aantal orgaandonoren. Het aantal weefseldonoren is wel toegenomen van 1098 naar 1293. Verder blijkt uit de cijfers van het aantal raadplegingen en de koppeling met een donormelding dat 82% van de met ja-geregistreerden (weefsel)donor wordt. Als er geen wilsbeschikking is geregistreerd in het Donorregister dan geven de nabestaanden slechts in 32% van de gevallen toestemming voor donatie. Wanneer de nabestaanden de aangewezen personen waren in het Donorregister dan gaven zij in 58% van de gevallen toestemming. De registratie van de overledene lijkt op zich op zich een gunstig effect op het toestemming krijgen van de nabestaanden (58% versus 32%).

In algemene zin is het aanbod van donororganen en -weefsels afhankelijk van de volgende factoren:

het aanbod van medisch gezien geschikte donoren (donorpotentieel)

het aantal toestemmingen voor donatie

mogelijkheden van en bereidheid bij artsen om tot donatieprocedures over te gaan.

Ad 1 Het aanbod van medisch gezien geschikte orgaandonoren is in grote mate (voor meer dan 80%) afhankelijk van het aantal overleden CVA-patiënten en het aantal patiënten met hersenletsel door een trauma. De daling van het aantal overleden verkeersslachtoffers kan zeker een rol spelen in het verminderde aanbod. Zo is het aantal verkeersdoden in 1998 ten opzichte van 1997 met ruim 8% gedaald. In 1998 zijn er 1066 personen om het leven gekomen ten gevolge van een verkeersongeval. In 1997 waren dat er nog 1163. In 1998 zien we dat bij het aantal nierdonoren het aandeel van de donoren overleden aan de gevolgen van een verkeersongeval sterk is teruggelopen van 90 in 1997 tot 57 in 1998. Of er ook in 1999 een dergelijk effect te zien is kan nog niet worden gezegd omdat het CBS nog niet beschikt over de cijfers van 1999.

Ad 2 Het aantal toestemmingen voor donatie is afhankelijk van kennis, houding en gedrag van de Nederlandse burger ten aanzien van orgaandonatie in zijn algemeenheid en van de WOD (met name de gevolgen van het (niet) registreren) in het bijzonder. In zijn algemeenheid is er een discrepantie tussen houding en gedrag. Vrijwel iedereen heeft in principe een positieve grondhouding, maar de daadwerkelijke beslissing wordt tegengehouden door angst en twijfel.

In geval een potentiële donor niet geregistreerd is zullen de nabestaanden toestemming voor donatie moeten geven. Een mogelijk negatief effect van het Donorregister zou kunnen zijn dat bij niet-registratie de nabestaanden (op wellicht onjuiste gronden) weigeren toestemming te geven omdat ze er, waarschijnlijk ten onrechte, vanuit gaan dat de overledene negatief staat ten opzichte van donatie.

Ad 3 In ziekenhuizen bepalen artsen in hoge mate of er aandacht wordt gegeven aan orgaandonatie. Ze spelen met name een rol bij het raadplegen van het register, bespreken van donatie en toestemming krijgen van nabestaanden. Het in gang zetten van donatieprocedures zal in zijn algemeenheid afhangen van houding, inzet en kennis van de arts. Uit recent onderzoek is bijvoorbeeld gebleken dat niet elke potentiële donor als donor herkend wordt. Een van de oorzaken is een kennistekort over contra-indicaties voor orgaan- en weefseldonatie. Pro Donor, een door VWS gesubsidieerd ondersteuningsprogramma voor de ziekenhuizen, tracht daarin verbetering te brengen.

Op dit moment zijn de oorzaken van de daling van het aantal beschikbare organen niet voldoende duidelijk. Zoals uit het bovenstaande blijkt kunnen veel factoren een rol spelen. Het onderzoek van NTS en ook het onderzoek van de IGZ zal op een aantal van de mogelijke oorzaken helderheid moeten geven. Het is nu nog te vroeg om definitieve conclusies te trekken. Vooralsnog zal ik mijn beleid dat in belangrijke mate gericht is op voorlichting (zowel publiek als beroepsgroep) en op het bewerkstelligen van een betere inbedding van de orgaandonatie in de ziekenhuizen voortzetten

Vraag 15.

Halverwege 1999 heeft de Nierstichting besloten uit eigen middelen ziekenhuizen mede te financieren in hun orgaantransplantatieprogramma. Welke concrete resultaten heeft dit opgeleverd?

Antwoord vraag 15.

Het stimuleringsprogramma van de Nierstichting is nog niet daadwerkelijk van start gegaan. Wel heeft de Nierstichting inmiddels zes ziekenhuizen bereid gevonden deel te nemen aan het programma. Inmiddels zijn de betreffende ziekenhuizen begonnen met de werving van donatiecoördinatoren.

Vraag 16.

Mede naar aanleiding van de aangekondigde actie van de Nierstichting heeft de minister opdracht gegeven te onderzoeken of, en zo ja waarom, ziekenhuizen zich niet (kunnen) houden aan het protocol dat ertoe moet leiden dat er juist meer in plaats van minder orgaantransplantaties plaatsvinden. Wat heeft het aangekondigde onderzoek tot op heden opgeleverd?

Antwoord vraag 16.

De aanleiding van mijn verzoek aan de Inspectie voor de gezondheidszorg (IGZ) was niet zozeer de aangekondigde actie van de Nierstichting maar de terugloop in het aantal beschikbare donororganen.

Hoewel het onderzoek van de IGZ nog niet is afgerond is en nog geen conclusies kunnen worden getrokken is het voorlopige beeld uit gesprekken met de IGZ dat het protocol orgaandonatie vermoedelijk in alle ziekenhuizen is ingevoerd. De directies lijken echter de toepassing ervan niet actief te bewaken. Zo lijken de betrokken specialisten maar matig bekend te zijn met het protocol. Ook de donatiecommissies die in ongeveer de helft van de ziekenhuizen aanwezig zijn lijken niet overal even actief. De IGZ komt binnenkort met een tussenrapportage en zal naar verwachting medio dit jaar het definitieve onderzoeksrapport uitbrengen.

Vraag 17.

Op basis van het recent uitgevoerde kwalitatieve jongerenonderzoek lijkt de conclusie gerechtvaardigd dat er een permanente positieve voorlichting nodig is over het doen registreren als orgaandonor na overlijden. Kan worden meegedeeld of bij de ontwikkeling van een jongerencampagne voor de aanschrijving in het jaar 2000 ook de interactieve mogelijkheden van Internet en het «gebruik» van jongerenprogramma's op tv worden betrokken?

Antwoord vraag 17.

Internet als interactief medium is in 1999 al ingezet voor de jongerencampagne. De bevindingen daarmee waren toen zeer gunstig; door middel van banner-advertenties op bij jongeren populaire internetsites kon worden 'doorgeklikt' naar de internetsite van de Stichting Donorvoorlichting, waarvan een apart gedeelte speciaal was ingericht ten behoeve van jongeren. Van deze 'doorklikmogelijkheid' is veelvuldig gebruik gemaakt. De jongerensite heeft inmiddels een vaste plek gekregen binnen de internetsite van de Stichting Donorvoorlichting. Ook dit jaar zal internet weer een belangrijke rol vervullen in de jongerencampagne.

Voor jongerenprogramma's op de televisie geldt dat zij binnen de perscontacten behorende bij de campagne informatie zullen ontvangen over de aanschrijving van de 18-jarigen. De redacties daavan zijn vrij om daar wel of niet iets mee te doen. Een andere mogelijkheid is in een coproductie samen te werken met redacties van jongerenprogramma's. Hiervoor geldt dat dient te worden geopereerd binnen de daarvoor geldende richtlijnen van de Rijksvoorlichtingsdienst.

Vraag 18.

Uit de adviesaanvraag aan de Gezondheidsraad van 7 oktober 1999 spreekt een positieve attitude ten aanzien van nierdonatie door levende donoren. Kan inzicht worden gegeven in de internationale ontwikkeling ter zake? Kan tevens worden ingegaan op de morele dilemma's wanneer juist familieleden c.q. partners of mensen met een emotionele binding aan de patiënt zich min of meer «verplicht» gaan voelen een nier af te staan?

Antwoord vraag 18.

Vrijwel overal ter wereld neemt het aantal niertransplantaties met organen van levende donoren toe: dit is vooral het gevolg van de groeiende wachtlijsten voor transplantatie en het stagnerend aanbod van postmortale donorganen. In sommige landen hangt de ruime toepassing van levende-donortransplantatie samen met de geografische omstandigheden: zo zijn dialysefaciliteiten in Noorwegen en VS vaak slechts op grote afstand van de patiënt aanwezig. In Japan belemmeren de religieuze/culturele opvattingen rond dood en begrafenis het verkrijgen van postmortale organen, met als gevolg dat ruim 90% van alle niertransplantaties via een levende donor plaatsvindt. In India bestaat geen organisatie voor het verkrijgen van postmortale donororganen en kan alleen van een levende donor gebruik worden gemaakt.

Internationaal liggen de cijfers als volgt.

In de Eurotransplant-regio hebben in 1998 526 niertransplantaties plaats gevonden met nieren van levende donoren. Het was als volgt over de landen verdeeld:

Nederland 108

België 26

Luxemburg 0

Duitsland 343

Oostenrijk 49

Voor 1995 gelden de volgende getallen:

land aantal transplantaties per miljoen inwoners

levende donoren

Nederland 96 6.0

Eurotransplant 230 1.8

Frankrijk 66 1.2

Italië 107 1.9

Spanje 35 0.9

Scandinavië 187 8.1

Zwitserland 41 5.8

GB+ Ierland 143 2.3

Portugal 2 0.3

Griekenland 85 8.5

Hongarije 3 0.3

USA 3095 12.1

Canada 229 7.7

Australië 79 4.4

Zoals ook aangeven in mijn antwoord op vraag 7 is er sprake van morele dilemma's wanneer familieleden, partners of mensen met een emotionele binding aan de patiënt een orgaan afstaan. De morele druk waaronder zij kunnen staan kan inderdaad groot zijn. Ook zonder dat kan de machteloosheid die zij voelen bij het lijden van hun naaste ertoe leiden dat zij tamelijk lichtvaardig tot hun besluit komen, zonder zich voldoende de consequenties voor de eigen gezondheid te realiseren. Het is daarom van belang dat de betrokken arts zich ervan vergewist dat het aanbod om een orgaan af te staan in overeenstemming is met de voorwaarden zoals opgenomen in de Wet op de orgaandonatie. Hij moet er dus voldoende van overtuigd zijn dat het aanbod vrijelijk en na de vereiste informatieverstrekking wordt gedaan, en er geen financiële contraprestaties zijn aangeboden die in strijd zijn met de wet.

Vraag 19.

In het boekje «Orgaan- en weefseldonatie, de balans na een jaar WOD» worden met name de ziekenhuizen als een belangrijke bottleneck geïdentificeerd die verantwoordelijk zijn voor het tegenvallend aantal transplantaties. Kan in dit verband inzicht worden gegeven in de financiële (on)mogelijkheden voor het bijscholen van artsen en verpleegkundig personeel (om daarmee de emotionele drempel te verlagen), beschikbaar stellen c.q. inroepen van een uitname team en het gebruik van ziekenhuis faciliteiten voor de daadwerkelijke transplantatie?

Antwoord vraag 19

In principe zijn beroepsbeoefenaren zelf verantwoordelijk voor de bij- en nascholing die zij volgen. Vanwege het belang van het onderwerp heb ik echter met de invoering van de Wet op de orgaandonatie geld ter beschikking gesteld ten behoeve van opleidingsfaciliteiten. Dit heeft geresulteerd in het Pro Donorprogramma dat bij de NTS is ondergebracht. In 2000 zal NTS een bedrag van f 745.604,- ontvangen ten behoeve van Pro Donor. Dit voor ziekenhuizen gratis scholingsprogramma beoogt knelpunten in donatie-procedures bij de deelnemende ziekenhuizen te detecteren en op te lossen, en bevat daartoe modules die ingaan op kennis en vaardigheden omtrent het uitvoeren van donatieprocedures.

Voor het inzetten van orgaanuitnameteams is een bedrag beschikbaar van ruim een miljoen gulden per jaar ter vergoeding van de extra personele kosten. De uitnameteams hebben een dienstrooster opgesteld waardoor zij in heel Nederland gedurende 24 uur per dag beschikbaar zijn.

Voor orgaanuitnames is voor de ziekenhuizen een tarief vastgesteld. Dit tarief wordt vastgesteld door het CTG en komt tot stand in overleg tussen de Nederlandse Transplantatie Stichting en Zorgverzekeraars Nederland en is om de kosten te dekken die gemaakt worden ten behoeve van orgaandonaties. Voorgaande neemt echter niet weg dat ziekenhuizen een extra belasting kunnen ervaren bij het uitvoeren van donatieprocedures, doordat deze procedures altijd naast de normale werkzaamheden en vaak op ongunstige tijdstippen uitgevoerd worden. Vragen CDA-fractie Vraag 20. De Stuurgroep uitvoering WOD heeft zich vorig jaar niet beziggehouden met de vraag of de WOD aan haar doelstellingen voldoet. Als reden hiervoor werd toen -januari 1999- opgegeven dat de WOD pas sinds 1-9-1998 volledig in werking was getreden. Zijn er inmiddels (tussentijdse) resultaten bekend van het onderzoek dat ZON hiernaar uitvoert? Zo ja, welke? Antwoord vraag 20. Het evaluatieonderzoek dat TNO-Leiden in opdracht van de ZON verricht is eind vorig jaar gestart. Als eerste deelonderzoek daarvan is in gang gezet het onderzoek naar de non-respons van ingezetenen na de aanschrijving. Dit deel onderzoek wordt uitgevoerd door Ipso-Facto te Houten. Weliswaar beschikken de onderzoekers al wel over voorlopige resultaten van het onderzoek, maar zoals ook is aangegeven in het antwoord op vraag 12 moet het concept-eindrapport nog worden besproken in de begeleidingscommissie. De andere deelonderzoeken verkeren nog in een voorbereidend stadium. Vraag 21. Bestaat er een verklaring, ondanks de WOD, voor het grote tekort aan donororganen? Antwoord vraag 21. In zijn algemeenheid zal er waarschijnlijk altijd wel een tekort aan donororganen zijn doordat het aanbod van beschikbare donororganen niet kan voldoen aan de vraag. In de Verenigde Staten stonden er in 1988 16000 patiënten op de wachtlijst voor een donororgaan, in 1998 waren dat er 64000. Waarom in Nederland het aanbod van beschikbare donororganen in 1999 zo is gedaald, ondanks de inspanningen die in het kader van de WOD zijn gedaan, is op dit moment onvoldoende duidelijk. Zie verder antwoord vraag 14. Vraag 22. Gesproken wordt over de geformuleerde productiedoelstellingen. Zijn deze inmiddels allen gehaald? Antwoord vraag 22. Hier wordt gedoeld op de operationele doelstellingen van het projectbureau orgaandonatie met betrekking tot het oprichten van het Donorregister, de verzending van donorformulieren en het registratieproces. Het verzenden van donorformulieren was gebonden aan de termijn die in artikel 43 van de Wet op de orgaandonatie genoemd wordt: binnen twee jaar na inwerking treding van de wet moest aan iedere ingezetene die toen ouder was dan achttien jaar, het donorformulier zijn toegezonden. In de eindrapportage uitvoering WOD (13-1-99,CSZ/ZT/9820257) concludeert de stuurgroep dat de vooraf geformuleerde productiedoelstellingen in grote lijnen gehaald zijn. Het Donorregister is tijdig opgericht, op 1 januari 1998 is het officieel als zelfstandige organisatie van start gegaan. 0,4 miljoen burgers van de in totaal 12,2 miljoen aangeschrevenen hebben hun registratieformulier later dan voorgenomen ontvangen. De oorzaak hiervan was dat enkele gemeenten die met herindelingen te maken hadden, niet alle persoonsgegevens op tijd aan het Donorregister hebben doorgegeven. In juni 1998 is deze laatste groep burgers aangeschreven waarmee de volledige productiedoelstelling voor wat betreft de aanschrijving gehaald werd. Dit is dus ruimschoots binnen de wettelijke termijn. Rondom het registratieproces van de initiële aanschrijving zijn de werkzaamheden afgerond, namelijk het registreren van alle retour gezonden ingevulde donorformulieren, het registreren van de formulieren waarop men bezwaar tegen wetenschappelijk onderzoek (in het geval dat een al uitgenomen orgaan alsnog ongeschikt blijkt te zijn voor transplantatie) kan aantekenen, en het verzenden van registratiebevestigingen. Het registratieproces heeft in enkele gevallen meer tijd in beslag genomen dan voorzien was, waardoor in de eindrapportage uitvoering WOD niet gesproken kon worden over volledig gehaalde productiedoelstellingen. Vraag 23.

Kan er inmiddels iets meer worden gezegd over de effectiviteit van de voorlichting?

Antwoord vraag 23.

In de eindrapportage uitvoering WOD meldde ik dat nog afgewacht moet worden of de voorlichtingsinspanningen op het gebied van de artsen, verpleegkundigen en instellingen in de gezondheidszorg effectief zijn.

Inmiddels is het Donorregister ongeveer anderhalf jaar operationeel, namelijk vanaf september 1998. Het aantal raadplegingen liet in de eerste periode dat het Donorregister geraadpleegd kon worden een geleidelijke stijging zien. In de zomermaanden van 1999 was er een daling maar de laatste maanden herstelt het aantal raadplegingen zich weer. We moeten echter zeer voorzichtig zijn om dit gegeven als een indicatie te zien over de effecten van voorlichting, omdat we deze cijfers niet rechtstreeks kunnen relateren aan het donorpotentieel.

Vraag 24.

Zijn de vertragingen met betrekking tot het onderwerp opleidingen inmiddels opgelost?

Antwoord vraag 24.

Ja, genoemde vertraging had betrekking op het uitvoeren van een inventariserend onderzoek naar het aanbod van bij- en nascholingen op het gebied van orgaandonatie. Dit onderzoek is niet eind 1998 gereed gekomen zoals aanvankelijk de bedoeling was, maar in april 1999.

Vraag 25.

In januari 1999 was 36% van de bevolking als donor geregistreerd. Is dit percentage inmiddels gestegen en zo ja, met welk resultaat? Zo nee, welke oorzaken liggen daaraan ten grondslag?

Antwoord vraag 25.

Ja. In januari 1999 was 36 % van de aangeschreven ingezetenen van Nederland (achttien jaar en ouder) in het Donorregister geregistreerd. Per 1 januari 2000 is 37 % van het totale aantal aangeschrevenen in het Donorregister geregistreerd. Ondanks het feit dat er ten gevolge van overlijden en verhuizingen naar het buitenland jaarlijks zo'n 50.000 vermeldingen uit het Donorregister verwijderd danwel opgeschort worden, betekent dit een netto toename van 1%.

Vraag 26.

Is reeds een oplossing gevonden voor het probleem van de ondertekening zodat burgers zich ook via internet kunnen gaan aanmelden als donor?

Antwoord vraag 26.

Nee. Voor zover bekend biedt internet vooralsnog onvoldoende waarborgen voor een gegarandeerd veilige doorgave van gevoelige gegevens. Leveranciers van goederen en diensten en organisaties, werkzaam op het gebied van onder andere doorgave van financiële gegevens, verrichten thans onderzoek naar de wijze waarop het doorgeven van privacygevoelige gegevens via internet afdoende beveiligd kan worden.

Vraag 27.

Is de aanbeveling waargemaakt om in de voorlichting meer aandacht aan medisch-ethische vraagstukken te besteden? Op welke wijze heeft dat gestalte gekregen?

Antwoord vraag 27.

Inmiddels zijn door het Donorregister aparte nieuwsbrieven vervaardigd over onderwerpen als donorregistratie en homoseksualiteit. Daarnaast is SDV bezig met het ontwikkelen van speciale themafolders over de verschillende levensbeschouwelijke visies op orgaan en weefseldonatie, hoe artsen omgaan met allochtonen tijdens een donatieprocedure, een nieuwsbrief ten behoeve van uitvaartondernemers met informatie over de donatieprocedure en aandacht voor nabestaanden na een donatieprocedure.

Vraag 28.

Is de situatie met betrekking tot de transplantatiecapaciteit sinds januari 1999 verbeterd? Kan daarvan een overzicht worden gegeven?

Antwoord vraag 28.

Deze vraag suggereert dat er een tekort is aan
transplantatiecapaciteit. Vanuit de transplantatiecentra, voor wat betreft de transplantaties waarvoor zij reeds vergunningen hebben, heb ik tot nu toe geen signalen hebben bereikt dat er capaciteitstekorten zijn. Ook van de zijde van de Begeleidingscommissie orgaantransplantatie van het College voor zorgverzekeringen, die toezicht houdt op een verantwoorde ontwikkeling van de tranplantatiegeneeskunde in ons land, heb ik geen berichten in die zin ontvangen.

Overigens zijn capaciteitsuitbreidingen binnen het stelsel van de bestaande vergunningen ook volledig een zaak van de centra zelf, mits er geen sprake is van bouw. Hiervan wordt bij het departement dan ook geen overzicht bijgehouden. De reden hiervan is dat in het aantal transplantaties per centrum, voor die vormen van transplantatie waarvoor een vergunning is verleend, geen plafond is aangebracht en uitbreidingen dus ook niet behoeven te worden gemeld. Wel is mij bekend dat het Academisch Ziekenhuis Groningen medio vorig jaar een capaciteitsuitbreiding ten behoeve van levertransplantatie heeft gerealiseerd zodat daar, mits het aanbod van donorlevers dit toelaat, 80 levertransplantaties per jaar kunnen worden uitgevoerd.

Overigens is in het planningsbesluit orgaantransplantatie voorzien in een uitbreiding van transplantatiecapaciteit doordat dit planningsbesluit aan vier centra (de academische ziekenhuizen van Groningen, Utrecht, Leiden en Rotterdam) in principe de mogelijkheid geeft om alle vormen van orgaantransplantatie uit te voeren. Het gaat hierbij dus om uitbreiding van het aantal vergunningen voor diverse (nieuwe) vormen van transplantatie. In dat kader zijn van het Academisch Ziekenhuis Groningen reeds vergunningaanvragen ontvangen. Ook het Leids Universitair Medisch Centrum heeft aangegeven met vergunningaanvragen te komen. Een forse uitbreiding van de transplantatiecapaciteit, met name ten behoeve van nieuwe vormen van transplantatie, kan dan ook dit jaar nog worden verwacht.

Vraag 29.

Is er inmiddels meer zicht op de effecten van de WOD op de rechtvaardige internationale verdeling van donororganen? Zo ja, wat zijn die effecten?

Antwoord vraag 29.

Een essentieel uitgangspunt van de WOD is dat de verdeling van donororganen plaatsvindt op basis van de medische en patiëntgeoriënteerde criteria. Zoals ik de Kamer reeds heb bericht heb ik het initiatief genomen om met mijn collega's uit de andere betrokken EU-landen tot afstemming van beleid op gebied van de toewijzing van organen te komen. Inmiddels is tussen de betrokken landen overeenstemming over de uitgangspunten en heb ik een gemeenschappelijke verklaring ter ondertekening aangeboden aan de betrokken bewindslieden. Een belangrijk uitgangspunt in deze verklaring is dat met betrekking tot de toewijzing van donororganen een objectief allocatiesysteem geldt volgens medische criteria. De verwachting is dat in mei van dit jaar alle betrokken bewindslieden het document ondertekend zullen hebben. Over de mogelijke effecten hiervan op de rechtvaardige internationale verdeling van donororganen kan op dit moment nog niets worden gezegd. Ik heb ZorgOnderzoek Nederland gevraagd de verdeling van donororganen in het evaluatieprogramma van de WOD op te nemen.

Vraag 30.

In het Eurotransplantgebied werd in januari 1999 een daling geconstateerd in het aantal orgaan- en weefseldonoren. Welke oorzaken liggen daaraan ten grondslag? Is er daarbij nog een onderscheid waar te nemen tussen landen die uitgaan van het geen bezwaar-systeem en zij die uitgaan van het toestemmingssysteem? Is die situatie inmiddels verbeterd. Zo ja, waardoor? Zo nee, waarom niet?

Antwoord vraag 30.

In 1999 waren er in het Eurotransplantgebied 1578 postmortale orgaandonoren. In 1998 waren er 1636 donoren. De redenen van de daling van het aantal beschikbare donororganen zijn niet duidelijk.

In de landen waar een geen- bezwaarsysteem aanwezig was, steeg in 1999 het aantal orgaandonoren met respectievelijk 19% in Oostenrijk en 25% in België. In Duitsland waar ook een toestemmingssyteem vigeert, daalde het percentage met 5%. Het aantal orgaandonoren per miljoen inwoners ligt aanzienlijk hoger in Oostenrijk (1998; 20,1999; 25), en in België (1998;18, 1999; 23) dan in Duitsland (1998; 13, 1999; 12) en in Nederland (1998;12, 1999; 10). Overigens wordt in België aan de nabestaanden toestemming voor donatie gevraagd ook in het geval dat er geen wilsbeschikking is van de overledene.

Het is echter niet mogelijk om de verschillen in aantallen donoren in landen met verschillende wetssystemen zonder meer aan de verschillen in wetgeving toe te schrijven. Het is immers niet bekend of er tussen de landen verschillen bestaan in de verhouding tussen het aantal geëffectueerde donoren en het aantal potentiële donoren.

Vraag 31.

De steeds hogere eisen die aan de kwaliteit van donororganen worden gesteld hebben een beperkende invloed op het aanbod van medisch geschikte donororganen en -weefsels. In hoeverre zijn die steeds hogere eisen reëel? Zouden minder hoge eisen ook in voldoende mate de veiligheid van de patiënt kunnen waarborgen?

Antwoord vraag 31.

Uit oogpunt van veiligheid en resultaat dienen er hoge eisen te worden gesteld aan de kwaliteit van donororganen. In zijn algemeenheid is het echter niet zo dat er steeds hogere eisen aan de kwaliteit van donororganen worden gesteld. Ook wordt er steeds vaker naar nieuwe categorieën donoren gekeken. Het Eurotransplant senioren programma (oudere donor voor oudere ontvanger) is hiervan een goed voorbeeld, het aantal oudere wachtende nierpatiënten wordt minder en de resultaten (transplantaatoverleving) zijn zeer acceptabel.

Vraag 32.

Wat is de inzet om de bestaande transplantatiepraktijk te verbeteren? Wordt er extra geïnvesteerd in het (nog) beter onderdrukken van de afstotingsverschijnselen?

Antwoord vraag 32.

Afstotingsverschijnselen na een transplantatie kunnen met de momenteel beschikbare medicijnen goed onderdrukt worden. Deze middelen hebben echter veel bijwerkingen. Daarom wordt door wetenschappers wereldwijd, ook in Nederland, voortdurend gezocht naar verbeteringen op het gebied van nieuwe immunosuppresiva en combinaties van bestaande middelen. Continu vinden onderzoeken en clinical trials plaats. Door de voorzitter van de Nederlandse Transplantatie Vereniging werd mij meegedeeld dat, bijvoorbeeld, in Nederlandse in Nijmegen, Rotterdam en Utrecht gerandomiseerd prospectief multicenter onderzoek van immunosuppressieve medicatie gedaan wordt.

Vraag 33.

In zeer veel gevallen wordt er vanaf gezien om aan de familie van een overledene toestemming te vragen. Wat zijn hiervan de redenen? Hoe verhoudt dit zich tot de in de WOD voorgeschreven protocollen? Liggen hier mogelijkheden om de situatie met betrekking tot het aantal donororganen te verbeteren?

Antwoord vraag 33.

Uit het Don Quichotonderzoek, dat dateert uit de periode voordat het Donorregister operationeel werd (gegevensverzameling in 1997), is een percentage bekend van 23% van de overlijdens-gevallen waarbij met de nabestaanden over orgaandonatie gesproken wordt. De redenen die artsen daarbij noemden om orgaandonatie niet ter sprake te brengen zijn voor een belangrijk deel medische contra-indicaties, namelijk in de helft van de gevallen. Vervolgens waren afwezigheid van de familie (13%), overige redenenen (12%) - dit zijn bijvoorbeeld "moeilijke situatie" of "ander sprak met de familie" - en geen tijd (10%) andere redenen die relatief vaak genoemd werden om donatie niet te bespreken. In 5% van de gevallen was er niet aan gedacht, bij 3% kwam als antwoord "geen zin" en bij 12% van de overlijdens bestonden er bij de arts logistieke en emotionele redenen om de donatie niet aan de orde te stellen.

Het in de Wet op de orgaandonatie bedoelde protocol stelt dat ziekenhuizen verplicht zijn een protocol te hebben en na te leven. In het protocol moeten de volgende regels rondom donatieprocedures zijn opgenomen: de wijze waarop wordt nagegaan of een overledene in aanmerking komt donor te zijn, de wijze waarop het Donorregister en/of de nabestaanden geraadpleegd worden, en de procedures rondom de melding van een beschikbaar komend orgaan aan het orgaancentrum. Bovendien moet het protocol regels bevatten over de verslaglegging van deze drie onderdelen en met betrekking tot de voorlichting in het ziekenhuis over de regels van het protocol . Tenslotte moeten de regels zijn opgenomen van het bij amvb vastgestelde Hersendoodprotocol als in de betreffende instelling de mogelijkheidbestaat de hersendood vast te stellen.

Uit de gegevens van het Don Quichotonderzoek blijkt dat in een aantal van de gevallen dat de arts donatie niet ter sprake heeft gebracht, dit waarschijnlijk wel zou zijn gebeurd indien er een protocol omtrent donatie gevolgd was. Met het invoeren van de Wet op de orgaandonatie is de situatie ten opzichte van de onderzoekssituatie veranderd in die zin dat er nu een protocol gevolgd moet worden en dat bij overlijden van een potentiële donor het Donorregister moet worden geraadpleegd, waarna een eventuele donatie met nabestaanden wordt besproken in geval de overledene toestemming voor donatie had laten registreren. In het geval dat in het Donorregister geen wilsbeschikking wordt aangetroffen, of wanneer de overledene had laten registreren dat zijn (of een specifieke) nabestaande toestemming moet worden gevraagd, wordt de nabestaanden hierom gevraagd. De procedures voor het raadplegen van het register en de nabestaanden moeten in het protocol worden omschreven.

Aan de eis die artikel 23 stelt dat in het protocol moet worden aangegeven hoe wordt nagegaan of een overledene in aanmerking komt als donor (artikel 23, 1e lid, onder a) én de eis hiervan verslag te maken (onder c) is het eenvoudigst te voldoen door gebruik te maken van het donatieformulier zoals opgenomen in het standaardprotocol dat alle ziekenhuizen als handreiking is toegezonden. Gebruik van het formulier zal de routine bevorderen om standaard bij ieder overlijden de vraag te stellen of betrokkene orgaan- of weefseldonor kan zijn.

Vraag 34.

Heeft ZON inmiddels onderzoek gedaan naar de redenen waarom veel mensen zich niet als donor laten registreren? Zijn hiervan reeds onderzoeksresultaten bekend?

Antwoord vraag 34.

Zoals aangegeven in het antwoord op de vragen 12 en 20, zijn er nog geen onderzoeksresultaten gepubliceerd, maar zal de concept-eindrapportage van het eerste deelonderzoek, het onderzoek naar de redenen voor non-respons van ingezetenen na de aanschrijving op 28 februari besproken worden in de betreffende begeleidingscommissie van de ZON. Na ontvangst van de eindrapportage zal ik deze zo spoedig mogelijk aan de Kamer doen toekomen.

Vraag 35.

Wat is de laatste stand van zaken met betrekking tot de landelijke organisatie van uitnameteams?

Antwoord vraag 35.

De landelijke organisatie van uitnameteams is operationeel vanaf mei vorig jaar. Tot op heden zijn de procedures goed verlopen en lijkt de beschikbaarheid van een landelijke organisatie van uitnameteams te voorzien in een behoefte.

Ik heb het College voor zorgverzekeringen gevraagd de landelijke organisatie te evalueren na een periode van twee jaar. In zijn algemeenheid zal het experiment antwoord moeten geven op de vraag of de gekozen opzet voldoet en onder welke randvoorwaarden en condities een landelijk netwerk van orgaanuitnameteams moet worden georganiseerd.

Vraag 36.

Zijn de medische en patiëntgeoriënteerde criteria voor het orgaancentrum geformuleerd? Zo ja, welke zijn dat?

Antwoord vraag 36.

De Nederlandse Transplantatie Stichting (NTS) heeft het ministerie zeer onlangs voorstellen voor een vernieuwd patiënt-georiënteerd allocatiesysteem voorgelegd. Deze voorstellen zijn het resultaat van langdurige discussies tussen NTS en de betrokken ziekenhuizen. De voorstellen voldoen echter nog niet op alle punten aan de eisen van de WOD. In het periodiek overleg tussen het bestuur van NTS en het ministerie is gebleken dat NTS de nodige inspanningen verricht om ervoor te zorgen dat aan de WOD wordt voldaan. De inschatting is thans dat een periode van één jaar voldoende is voor NTS om aan die wettelijke criteria te voldoen.

Vraag 37.

Voldoet het NTS inmiddels wel aan de gestelde vergunningsvoorwaarden? Zo ja, is de tijdelijke vergunning omgezet in een vergunning voor onbepaalde tijd?

Antwoord vraag 37

De NTS voldoet nog niet aan alle vergunningsvoorwaarden. Derhalve heb ik de tijdelijke vergunning van NTS als orgaancentrum verlengd tot 1 maart 2001. Het verkrijgen van een vergunning als orgaancentrum per 1 maart 2001 zal afhangen van het feit of NTS aan de criteria voldoet. Mijn brief terzake van 2 februari jl. aan NTS heb ik ter informatie bijgevoegd.

Vraag 38.

Hebben de aanvullende benaderingen, zoals 'non-heartbeating', nierdonaties en donatie bij leven al tot zichtbare resultaten geleid? Kunt u uw antwoord motiveren?

Antwoord vraag 38.

Transplantaties met een levende donor spelen een steeds groter rol. In 1998 waren er 108 levende nierdonoren, in 1999 waren dat er 128 (een toename van 19%). Het aantal non-heartbeating donaties is in 1998 duidelijk toegenomen. In 1997 waren 28 nieren (7%) afkomstig van 15 donoren, in 1998 nam dit aantal toe tot 61 nieren (16%) van 33 donoren. Hoewel de definitieve cijfers nog niet bekend zijn ziet het er naar uit dat het aantal non-heartbeating donaties in 1999 het niveau van 1998 zal evenaren.

Vraag 39.

Is de opleidingssyllabus inmiddels gereed en heeft de brief van de minister aan de universiteiten, HBO-instellingen voor verpleegkunde, het College voor Huisarts- en Verpleeghuisartsgeneeskunde en het Centraal College voor de Erkenning en Registratie van medische specialisten inderdaad geleid tot meer aandacht voor het onderwerp donatie in het onderwijscurriculum?

Antwoord vraag 39.

Bij brief van 2 juli 1998 heb ik aan onderwijsinstellingen en opleidingscolleges gevraagd om in de opleidingen tot arts en verpleegkundige expliciet het onderwerp orgaan- en weefseldonatie op te nemen. Hoewel het de eigen verantwoordelijkheid van opleidingsinstituten is om te bepalen hoe zij de opleiding invullen, hecht ik er belang aan dat dit onderwerp aan de orde komt. Daarom heb ik het voornemen om dit jaar door middel van een schriftelijke enquête na te gaan welke maatregelen de opleidingsinstituten genomen hebben naar aanleiding van mijn brief uit 1998.

Vraag 40.

Er wordt gesproken over een jaarlijks potentieel aantal weefseldonoren van circa 26.000, en 600 voor wat betreft het aantal orgaandonoren in Nederland. In hoeverre wordt dit potentieel daadwerkelijk benut?

Antwoord vraag 40.

Bovengenoemde cijfers zijn afkomstig uit het Don Quichotonderzoek, dat gebaseerd is op onderzoeksgegevens uit 1997. De berekening van het donorpotentieel is gemaakt door extrapolatie van de onderzoeksgegevens naar de Nederlandse situatie. Volgens de onderzoekers zou het donorpotentieel voor wat betreft weefseldonoren in Nederland 11,9 maal groter zijn dan het aantal overledenen dat werkelijk weefsel gedoneerd heeft. Het aantal potentiële orgaandonoren zou 2,8 maal groter dan zijn dan het aantal overledenen dat werkelijk orgaandonor is geworden. Hieruit blijkt dat niet het volledige donorpotentieel benut wordt.

Vraag 41.

Pro Donor is op aanvraag voor alle ziekenhuizen beschikbaar. Het programma Pro Donor verscherpt de alertheid van artsen bij het detecteren van potentiële donoren. Wat is het percentage van het totale aantal ziekenhuizen dat Pro Donor heeft aangevraagd? Is het niet beter, gezien het tekort aan donororganen en -weefsel, om het Pro Donor integraal aan ziekenhuizen aan te bieden of voor te schrijven?

Antwoord vraag 41.

Pro Donor is aanwezig in 65 van de 123 ziekenhuizen. Bij het invoeren van Pro Donor is uitgegaan van een groeimodel waarbij op termijn het programma in alle ziekenhuizen aangeboden kan worden. Hierbij moet wel de kanttekening gemaakt worden dat het donorpotentieel in de ziekenhuizen met minder dan 600 bedden niet groot is, waardoor de verwachtingen voor wat betreft resultaten in termen van meer orgaandonoren niet te hooggespannen moeten zijn. In de kleinere ziekenhuizen bevinden zich vooral potentiële weefseldonoren. Pro Donor is echter ook beschikbaar voor de kleinere ziekenhuizen.

Vraag 42.

Kan ZON reeds resultaten melden inzake haar onderzoek naar het niet registreren?

Zo ja, kunt u aangeven of de resultaten hiervan aanleiding geven tot een herinneringsmailing?

Antwoord vraag 42.

Zoals aangegeven in het antwoord op vragen 12, 20 en 34 zal op 28 februari aanstaande de concept-eindrapportage van het eerste deelonderzoek naar de redenen voor non-respons van ingezetenen dat door Ipso-Facto wordt uitgevoerd, besproken worden in de betreffende begeleidingscommissie van de ZON. Na ontvangst van de eindrapportage zal ik deze zo spoedig mogelijk aan de Kamer doen toekomen. Deze rapportage zal uiteraard ook in moeten gaan op (de argumenten voor en tegen) een herinneringsmailing.

Vraag 43.

De Inspectie voor de Gezondheidszorg heeft het toezicht op de naleving van de donatieprocedures inzake de protocollen van ziekenhuizen opgenomen in haar werkprogramma voor het jaar 1999. Zijn hiervan al resultaten bekend? Worden in ziekenhuizen de eisen uit de protocollen over het algemeen goed nageleefd? Zijn er nog belangrijke knelpunten geconstateerd?

Antwoord vraag 43.

Hoewel het onderzoek van de IGZ nog niet is afgerond is en nog geen conclusies kunnen worden getrokken is het voorlopige beeld uit gesprekken met de IGZ dat het protocol orgaandonatie vermoedelijk in alle ziekenhuizen is ingevoerd. Vermoedelijke knelpunten zijn dat de directies de naleving van het protocol niet actief lijken te bewaken. Zo lijken de betrokken specialisten maar matig bekend te zijn met het protocol. Ook de donatiecommissies die in ongeveer de helft van de ziekenhuizen aanwezig zijn lijken niet overal actief. De IGZ komt binnenkort met een tussenrapport en zal naar verwachting medio dit jaar het onderzoeksrapport uitbrengen.

Vraag 44.

Een protocol schrijft o.a. voor op welke wijze de nabestaanden om toestemming voor orgaandonatie moet worden gevraagd. In de brief van
19 januari 1999 (VWS-99-80) staat op blz. 5 dat dit in één op de vier gevallen gebeurt en met een succespercentage van 25%. Moet hieruit worden geconcludeerd dat de in de protocollen geformuleerde procedures niet werkzaam of niet hanteerbaar zijn?

Antwoord vraag 44.

Nee. De verplichting voor ziekenhuizen om een protocol te voeren bestaat pas sinds de Wet op de orgaandonatie. De gegevens waarop ik mij in genoemde brief baseer, zijn afkomstig uit onderzoek dat dateert uit de periode voordat de Wet op de orgaandonatie was ingevoerd, namelijk het Don Quichotonderzoek van het Academisch Ziekenhuis Groningen uit 1998. Overigens wordt in datzelfde onderzoek geconcludeerd dat door het gebruik van een protocol de kans op het verkrijgen op toestemming voor donatie toeneemt.

Vraag 45.

Kan worden geconcludeerd dat de Inspectie voor de Volksgezondheid geen dwangmiddelen heeft om een ziekenhuis te dwingen zich aan een protocol te houden? Wat is dan de diepere zin van de aanwezigheid van een dergelijk protocol? Is het daarom niet beter om een sanctiebeleid vast te stellen?

Antwoord vraag 45.

Artikel 23 van de WOD verplicht de het bestuur van een ziekenhuis te zorgen voor de vastelling van een protocol. In het protocol moeten onder andere regels worden gesteld over de wijze waarop wordt nagegaan of een overledene in aanmerking komt als donor, de wijze waarop de nabestaanden worden geraadpleegd en de procedure die daarbij gevolgd wordt. Belangrijk is dat het bestuur van het ziekenhuis verplicht is de gang van zaken rond bovengenoemde onderdelen van het protocol in een verslag vast te leggen. In het modelprotocol dat door het ministerie naar alle betrokken ziekenhuizen en verpleeghuizen is gezonden wordt het gebruik van een donatieformulierin de standaardprocedure aanbevolen . Dit formulier vormt een leidraad voor de toestemmings- en aanmeldingsprocedure bij orgaan- en weefseldonatie en kan tevens door zowel het ziekenhuis als de Inspectie voor de Gezondheidszorg worden gebruikt ter toetsing van de toepassing van het protocol.

De strafbepalingen van de WOD zijn niet van toepassing op artikel artikel 23 van de WOD. De Inspectie voor de Gezondheidszorg kan echter zonodig op basis van de Kwaliteitswetzorginstellingen het ziekenhuis aanwijzingen geven. Vooralsnog acht ik de mogelijkheden van de IGZ in het kader van het toezicht voldoende om op de toepassing van het protocol toe te zien.

Vraag 46.

Wanneer kan het toegezegde advies van de Gezondheidsraad inzake de nieuwe medische strategieën tegemoet worden gezien?

Antwoord vraag 46.

Zoals vermeld in het antwoord op vraag 7 heb ik in mijn verzoek aan de Gezondheidsraad om mij te informeren over nieuwe ontwikkelingen op het gebied van orgaantransplantatie aangegeven het laatste deel van het advies graag nog in het jaar 2000 te ontvangen. Tot op heden heb ik nog geen signalen van de Gezondheidsraad ontvangen dat zulks niet mogelijk lijkt.

Vraag 47.

In juni 1999 heeft de minister aan de Inspectie voor de Gezondheidszorg de opdracht gegeven om een onderzoek te verrichten naar de mate waarin de ziekenhuizen de wettelijke bepalingen ten aanzien van het protocol naleven. Wanneer kan de Kamer de resultaten van dit onderzoek tegemoet zien? Kunt u al mededelingen doen over mogelijke tussentijdse resultaten? Zo ja, welk (voorlopig) beeld maakt u daaruit op?

(brief VWS-99-1542)

Antwoord vraag 47.

Hoewel het onderzoek van de IGZ nog niet is afgerond is en nog geen conclusies kunnen worden getrokken is het voorlopige beeld uit gesprekken met de IGZ dat het protocol orgaandonatie vermoedelijk in alle ziekenhuizen is ingevoerd. Echter de directies lijken de werking niet actief te bewaken. Zo lijken de betrokken specialisten maar matig bekend te zijn met het protocol. Ook de donatiecommissies die in ongeveer de helft van de ziekenhuizen aanwezig zijn lijken niet overal actief. De IGZ komt binnenkort met een tussenrapport en zal naar verwachting medio dit jaar het definitieve onderzoeksrapport uitbrengen.

Vraag 48.

Het rapport geeft de volgens de minister aan dat de aanschrijving van 18-jarigen op hun omgeving niet werkt als een soort herinneringscampagne. Kan hieruit de conclusie worden getrokken dat een herinneringsmailing, zoals voorgesteld in uw brief van 13 januari 1999 (zie VWS-99-80, blad 5), weinig zinvol is? Zo ja, welke alternatieve mogelijkheden zijn er naar uw mening nog? (brief VWS-99-1607)

Antwoord vraag 48.

Op basis van de eerste aanschrijving van de 18-jarigen is het te vroeg om de conclusie te trekken dat een herinneringsactie weinig zinvol zou zijn. Bij de behandeling van de motie-Van Blerck is toegezegd dat het onderzoek naar de non-respons dat inzicht zou moeten verschaffen in de wenselijkheid van een herinneringsmailing en/of herinneringscampagne in het kader van de evaluatie van de WOD naar voren kon worden getrokken. De resultaten van dit onderzoek zijn naar verwachting binnen enkele weken bekend.

Vraag 49.

De positieve houding ten opzichte van de registratie in het donorregister neemt niet af in vergelijking met 1998. Moet hieruit worden geconcludeerd dat de positieve houding ook niet toeneemt? Zo ja, wat zijn, volgens u, hiervan de belangrijkste oorzaken? (Evaluatie jongerencampagne 1999)

Antwoord vraag 49.

Uit de nulmeting die is uitgevoerd in 1997 en de eenmeting in 1998 is gebleken dat de positieve houding ten opzichte van orgaandonatie in die periode is afgenomen. In 1999 is de positieve houding niet verder afgenomen. Bij een onderwerp als orgaandonatie blijkt steeds weer dat het verstrekken van informatie de kloof tussen houding en gedrag niet verkleint. Integendeel, hoe meer informatie wordt gegeven, hoe meer de positieve houding overgaat in een houding van twijfel. Bij de toch al twijfelenden is de behoefte aan informatie groot, zonder dat het verschaffen van informatie overigens leidt tot een duidelijk waarneembare wijziging in de houding. Voor wat betreft het gedrag, zien we dat de kloof tussen positieve houding en het zich daadwerkelijk laten registreren als orgaandonor groot is. Ook hier spelen angst en twijfel weer een grote rol. Deze worden versterkt door informatie die twijfelbevorderend werkt.

De discrepantie tussen houding en gedrag bestond overigens ook al in de periode voor de WOD, ten tijde van het donorcodicil.

Het systeem van donorregistratie, waarbij in de communicatie moet worden duidelijk gemaakt dat gekozen kan worden te laten registen met één van vier mogelijkheden die elkaar uitsluiten, vergt veel bereidheid bij de ontvanger om zich in deze gecompliceerde materie te verdiepen.

Vraag 50.

De respons van de 18-jarigen in 1999 is slechts 2% hoger dan in 1998. Dit ondanks een speciaal op de jongeren gerichte campagne waarbij de voorlichtingsmiddelen van te tevoren werden getest. Vindt u in dit licht dat de campagne feitelijk heeft gefaald? Kon door middel van de pretest niet worden vastgesteld wat de respons onder de jongeren zou zijn?

Antwoord vraag 50.

De respons op de aanschrijving in 1999 is lager dan die van 18-jarigen in 1998. In 1998 liet 39% van de 18-jarigen zich registreren in het Donorregister (tegen gemiddeld 36%), in 1999 was het uiteindelijk 34%. In 1998 was er sprake van een landelijke voorlichtingscampagne en een landelijke aanschrijving van meer dan 12 miljoen mensen, waarover in de Nederlandse samenleving veel is gesproken. In 1999 werden circa
190.000 18-jarigen aangeschreven, een actie die in de samenleving minder losmaakte. In dat licht bezien is het niet verwonderlijk dat minder 18-jarigen dan in 1998 uiteindelijk het formulier hebben teruggestuurd en kan dus niet worden gezegd dat de campagne heeft gefaald.

Het uitgangspunt dat het donorregister tot doel heeft de mensen in de gelegenheid te stellen hun wil - positief of negatief - vast te leggen heeft voorlichtingstechnisch het nadeel dat er geen eenduidigheid is in de over te brengen boodschap. Het enerzijds mensen aanmoedigen om donor te worden en het anderzijds tegelijkertijd aangeven dat nee zeggen even acceptabel is, blijkt in de praktijk een zeer moeilijk overdraagbare boodschap.

De in 1999 onder jongeren gebruikte voorlichtingsmiddelen zijn getest in twee gemeenten: Utrecht en Deventer. De pretest was bedoeld om te onderzoeken of het gekozen creatief concept de jongeren aansprak, begrijpelijk was en aanmoedigde tot nadenken over het onderwerp. Door middel van een pretest wordt dus niet onderzocht wat de respons onder de jongeren zou zijn.

Vraag 51.

Hoe waren de resultaten van de response uit de pretest in vergelijking met de daadwerkelijk resultaten uit de campagne. Hoe verklaart u de verschillen?

Antwoord vraag 51.

Zoals in antwoord op vraag 50 ook wordt aangegeven kon door middel van de pretest dus niet worden getest wat de respons onder de jongeren zou zijn. Overigens was de pretest daar ook niet voor bedoeld. Zelfs al was deze vraagstelling in het onderzoek betrokken geweest, dan nog was het bijna onmogelijk geweest de respons van de jongeren te voorspellen. Ook op basis van grootschalig kwantitatief onderzoek (nulmeting 1997) is het niet mogelijk gebleken de respons op de aanschrijving van 1998 te voorspellen, juist vanwege het feit dat de discrepantie tussen positieve houding en feitelijk gedrag zo groot is.

Vraag 52.

Op welke termijn kunt u uitsluitsel geven over de verschillen in de respons tussen Groningen en Delft enerzijds en Rotterdam en Amsterdam anderzijds? Waren er belangrijke verschillen in de wijze waarop de campagnes in de genoemde steden zijn gevoerd? Zo ja, wat waren deze verschillen en op welke wijze denkt u dat deze verschillen de resultaten mogelijkerwijs hebben beïnvloed?

Antwoord vraag 52.

Er waren geen verschillen in de wijze waarop de campagnes in de genoemde steden zijn gevoerd. Wel valt op dat het gaat om studentensteden enerzijds en grote steden anderzijds. Het is niet uitgesloten dat er verschillen in registratiebereidheid bestaan tussen studenten en werkende jongeren, eveneens als tussen hoger opgeleiden en lager opgeleiden. Mogelijk spelen de verschillende bevolkingssamenstellingen hier een rol. Ik wil het Donorregister laten onderzoeken of het mogelijk is om een beter onderbouwd inzicht te krijgen in de relatie tussen de bevolkingssamenstelling en de repons.

Vraag 53.

Veel aangeschreven potentiële donoren zeggen geen 'ja' uit angst of twijfel. Bent u van zins een campagne te starten om deze angst en twijfel weg te nemen? Is reeds onderzocht wat precies de achtergrond en herkomst van die angst en twijfel is?

Antwoord vraag 53.

In het onderzoek dat in het kader van de evaluatie van de WOD naar de non-respons is de verdere analyse van angsten en twijfels een belangrijk onderwerp. Het is dan ook van belang de resultaten van dit onderzoek af te wachten.

Het zal overigens niet eenvoudig zijn in een voorlichtingscampagne adequaat in te spelen op deze angsten en twijfels, die immers vaak persoonlijk en, gelet op het onderwerp, per definitie emotioneel van aard zijn.

Vraag 54.

Op blz. 4 zegt u dat meer informatie vrijwel geen rol lijkt te spelen bij het besluit om wel of geen donor te worden. Hangt dit niet ook samen met de aard van de verstrekte informatie? Wilt u onderzoeken of het wellicht zin heeft informatie te ontwikkelen die er op gericht is om de specifieke angsten en twijfels die bij mensen klaarblijkelijk leven, weg te nemen?

Antwoord vraag 54.

Angsten en twijfels spelen zich bij orgaandonatie af op een diepliggend emotioneel en zelfs existentieel niveau. Het is heel moeilijk om deze angsten en twijfels door middel van uitsluitend voorlichting weg te nemen, temeer daar de verstrekte informatie uit zorgvuldigheidsoverwegingen genuanceerd van aard is. Het onderwerp orgaandonatie sluit het gebruik van al te stellige uitspraken uit. Hierdoor, evenals door de complexe boodschap die verbonden is aan de dubbele doelstelling van de WOD (enerzijds stimuleren van donorschap, anderzijds respect voor een afwijzende keuze) wordt bij sommige mensen een zekere besluiteloosheid in de hand gewerkt.

Vraag 55.

Hoe kunt u garanderen dat er geen handel in nieren zal ontstaan? Hoe kan een commerciële ontwikkeling met betrekking tot orgaandonatie überhaupt worden gekeerd? Welke rol behoort de overheid naar uw mening hierbij te spelen?

Antwoord vraag 55.

In de Wet op de orgaandonatie is - onder meer via strafbepalingen - een aantal regels opgenomen die de handel moeten tegengaan. De structuur van de verplichte
toewijzing door een orgaancentrum draagt er eveneens toe bij dat handel in ons land onwaarschijnlijk is. Het in voorbereiding zijnde aanvullend protocol over orgaantransplantatie bij het Verdrag van de Raad van Europa inzake biogeneeskunde en mensenrechten zal naar het zich nu laat aanzien bovendien een apart op de handel toegesneden verbodsbepaling bevatten. Dit laatste is van belang omdat risico's van commercie in het bijzonder een rol spelen als er een aanbod is van over de grenzen. Ook internationaal is er dus aandacht voor dit vraagstuk. «Garanderen» kan geen bewindspersoon, maar het beleid is er wel op gericht.

Vraag 56.

Hoe denkt u over het opstarten van een actieve wervingscampagne om donoren te werven? Zouden hierbij ook de ziekenhuizen kunnen worden betrokken?

Antwoord vraag 56.

Het in Nederland gekozen systeem in de Wet op de orgaandonatie biedt burgers door middel van registratie in het Donorregister vier verschillende mogelijkheden die elkaar uitsluiten. De voorlichting die door het Ministerie wordt gegeven moet dan ook aan alle vier die mogelijkheden (ja toestemming voor donatie, nee geen toestemming voor donatie, beslissing door nabestaanden, beslissing door aangewezen persoon) evenveel recht doen. Een actieve wervingscampagne met de overheid als afzender was in strijd met de uitgangspunten van het kabinet en die kamerbreed werden gesteund bij de behandeling van het wetsvoorstel op de orgaandonatie. Ik wil uiteraard wel trachten om het aantal (met toestemming) geregistreerden te verhogen. Zo heb ik onlangs via de Stichting Patiëntenfonds een subsidie ter beschikking gesteld aan de Stichting Transplantatie Nu!, die vanuit het patiëntenperspectief voorlichting zal gaan geven. De Stichting Transplantatie Nu! heeft het voornemen zich ook op zorg- en hulpverleners te gaan richten. Daarmee worden ook de ziekenhuizen bij het plan betrokken.

Vraag 57.

Acht de minister het medisch-ethisch verantwoord -mede met het oog op het gevaar voor commercialisering en medische complicaties- dat levende mensen organen beschikbaar kunnen stellen aan niet direct gerelateerden?

Antwoord vraag 57

Voor donatie bij leven in het algemeen, en dus ook voor het doneren van een nier, gelden de voorwaarden die zijn opgenomen in de Wet op de orgaandona-tie. Op zich zelf genomen verzet de Wet op de orgaandonatie zich er niet tegen dat levende mensen organen beschikbaar stellen aan niet direct gerelateerden, de wet spreekt van «een bepaald persoon». Daarmee is oorspronkelijk bedoeld dat donatie bij leven niet zou plaatsvinden als abstracte daad maar alleen ten behoeve van iemand met wie de donor een persoon-lijke relatie heeft op grond waarvan deze tot zijn daad komt. Dan wordt het gevaar vermin-derd dat louter financiële overwegin-gen bij de donor een rol spelen. Wanneer er niet te verwaarlozen medi-sche risico's verbonden zijn aan het bij leven verwijderen van organen bij de donor pleit dat voor een te-rughouden-de opstelling ten aanzien van dergelijke donaties. Ik verwijs naar de wetsgeschiedenis. In oktober vorig jaar heb ik de Gezondheidsraad om advies gevraagd gevraagd over nierdonatie bij leven waarbij sprake is van een emotionele band met de ontvanger op grond van bloedverwantschap, huwelijk of partnerrelatie, dan wel een vriendschapsrelatie. Ik ben echter geen voorstander van donatie bij leven, door niet- genetisch verwanten die ook geen emotionele band met elkaar hebben. In de eerste plaats is, anders dan bij donatie bij leven tussen genetisch verwante personen, de kans op medisch succes minder vanwege minder weefselovereenkomst. Maar vooral is het risico van commercialisering aanwezig. Met name daar waar emotionele banden ontbreken kan een geldelijke beloning voor de donatie een rol spelen. Vragen van de D66-fractie Vraag 58. Uit berichten in de media blijkt dat het aantal organen dat ter beschikking komt veel hoger zou kunnen zijn indien ziekenhuizen, artsen en verpleegkundigen hier meer aandacht voor zouden hebben en tijd aan besteden. Hoe denkt de minister ziekenhuizen, artsen en verpleegkundigen te stimuleren om meer te letten op orgaandonatie? Antwoord vraag 58.

In ziekenhuizen bepalen artsen in hoge mate of er aandacht wordt gegeven aan orgaandonatie. Ze spelen met name een rol bij het raadplegen van het register, bespreken van donatie en toestemming krijgen van nabestaanden. Het in gang zetten van donatieprocedures zal in zijn algemeenheid afhangen van houding, inzet en kennis van de betrokken hulpverlener. Uit recent onderzoek is gebleken dat niet elke potentiële donor als donor herkend wordt. Een van de oorzaken is een kennistekort over contra-indicaties voor orgaan- en weefseldonatie. Pro Donor tracht daarin verbetering te brengen. Pro Donor is een instrument voor de donorwerving dat gesubsidieerd is door het ministerie en uitgevoerd wordt door de Nederlandse Transplantatie Stichting. Per ziekenhuis wordt een programma op maat opgesteld. Het is onder andere gericht op: het verhogen van de detectie van donoren, het verder professionaliseren van de structuur in ziekenhuizen door het instellen van een Commissie Orgaan- en Weefseldonatie, het verhogen kennis en vaardigheden onder andere door training voor het voeren van gesprekken met nabestaanden. Pro Donor is nu ingevoerd in circa 65 ziekenhuizen.

Vraag 59.

Wordt de oproep aan mensen om zich te laten registreren nog eens herhaald? Zo nee, waarom niet? Kan hierbij tevens meer aandacht worden besteed aan de voorlichting over feiten en het bespreekbaar maken van de emoties bij orgaandonatie?

Antwoord vraag 59.

In het onderzoek naar de non-respons, waarvan de resultaten binnen enkele weken beschikbaar komen, wordt onderzocht of een herinneringsmailing en/of een herinneringscampagne zinvol zouden kunnen zijn. Op het moment dat gekozen zou worden voor een herinneringsmailing en/of -aanschrijving is het zeker aanbevelenswaardig dat de informatie die hierbij wordt verstrekt, net als bij de campagne van 1998, ingaat op de feiten en aanknopingspunten biedt voor het bespreekbaar maken van gedachten en emoties. Vragen van de SP-fractie Vraag 60. Wat is uw reactie op de stelling uit het promotieonderzoek van Kompanje dat de vervanging van het codicil-systeem door het systeem van centrale registratie per jaar hooguit `ten minste twee' extra organen oplevert? Wat is uw reactie op zijn stelling uit het proefschrift dat het al dan niet mogen preserveren los gekoppeld zou moeten worden van de dood en dat je openbaarheid moet verschaffen aan de familie? Is het in de praktijk haalbaar om bij het ontbreken van een wilsverklaring of als de beslissing wordt overgelaten aan de nabestaanden, de voorbereidende maatregelen pas na het intreden van de dood te treffen? Antwoord vraag 60. Ik heb veel waardering voor het proefschrift van de heer Kompanje en de inzichten waartoe het leidt. Desalniettemin komt het mij voor dat de uitspraak dat de vervanging `tenminste twee extra donoren alleen voor hart, lever en pancreas is het aantal postmortale donoren equivalent met het aantal postmortaal te verkrijgen organen; het waargenomen gemiddelde aantal voor transplantatie bruikbare nieren van 1,9 per donor betekent dat twee extra postmortale donoren gemiddeld leiden tot 3,8 extra postmortaal verkregen nieren oplevert` () oplevert eerder een onderschatting dan een overschatting betreft van de bijdrage die het donorregister levert aan de realisatie van de doelstelling van het bevorderen van het beschikbaar komen van organen voor transplantatie komen. In de eerste plaats leiden de aannames van de heer Kompanje voor het percentage codicildragers van 24 en het percentage medische geschiktheid als orgaandonor van 0,4 er toe dat het codicilsysteem `rechtstreeks' tot maximaal 53 donoren zou kunnen leiden. Dat zou betekenen dat binnen de totale groep in ziekenhuizen overleden personen, dus inclusief degenen die geen codicil hebben ingevuld, maximaal (100/24*53=) 221 hersendode donoren zouden kunnen worden gevonden. Bij het aantal voor transplantatie bruikbare nieren van 1,9 per donor, zou dat slechts hebben kunnen leiden tot maximaal 420 bruikbare nieren. In dat geval zouden we zeker in de jaren 1995, 1996 en 1997 met de toen feitelijk beschikbaar gekomen aantallen nieren van 384, 408 en 401 al bijna het maximaal mogelijk aantal donoren hebben gerealiseerd. En hoewel naar mijn mening de sterfte aan doodsoorzaken, zoals verkeersongelukken, waarbij donatie van organen als hart, nier en lever wel degelijk lager ligt dan bijvoorbeeld in een land als België, moet er vrijwel zeker sprake zijn van een onderschatting van het percentage medisch geschiktheid, zoals dat gebruikt is in de berekening van het extra aantal donoren van de heer Kompanje. In de tweede plaats gaat de berekening ervan uit dat voor wat betreft de mensen die een codicil hebben ingevuld, in 75 procent van de gevallen toestemming voor orgaandonatie na overlijden wordt verkregen van de familie omdat deze op de hoogte was van de wens tot orgaandonatie. Uitgaande van de juistheid van dat laatste percentage, zou dat betekenen dat in 100 procent van de relevante gevallen de arts ook daadwerkelijk om toestemming moet hebben gevraagd of de familie uit zichzelf over de wens tot donatie hebben moeten beginnen. En hoewel het ook in een klassiek codicilsysteem op zichzelf de bedoelding zou moeten zijn een vraagpercentage te realiseren van 100, kan ik mij moeilijk voorstellen dat dat in een codicilsysteem in de praktijk ook haalbaar is (geweest). Overigens is het percentage geregistreerden dat - al dan niet met beperkingen- toestemming geeft 5 procent gestegen, en bedraagt het nu ongeveer 20 procent. De stijging van 5 procent zou betekenen dat voor het registratiesysteem de berekening van het aantal hersendode donoren uitkomt op 44, hetgeen zou leiden tot 4 extra donoren of 7,6 extra nieren ten opzichte van het codicilsysteem. De wet maakt onderscheid tussen maatregelen die worden getroffen en onderzoek dat wordt gedaan ter voorbereiding van de transplantatie en maatregelen die uitsluitend getroffen worden om het orgaan of de organen geschikt te houden voor transplantatie, de preserverende maatregelen. Tot de maatregelen die worden getroffen om het orgaan geschikt te houden voor transplantatie behoren in-situ-preservatie als sprake is van hartdood en, als sprake is van (naderende) hersendood, handelingen gericht op stabilisatie van de patiënt, zoals beademing en het toedienen van bloedrukverhogende medicijnen. Tot de voorbereidende handelingen behoren bovendien bijvoorbeeld het onderzoek naar contra-indicaties, onderzoek ten behoeve van de bepaling van bloed- weefselovereenkomst, eventueel een thoraxfoto. Voorbereidende en preserverende maatregelen houden een inbreuk in op de lichamelijke integriteit van de betrokkene, een inbreuk die bovendien uitsluitend plaatsvindt in het belang van een ander. Artikel 22 van de wet is dan ook terughoudend geformuleerd: handelingen die al daadwerkelijk een voorbereiding vormen op de voorgenomen transplantatie zijn voor het intreden van de dood uitsluitend geoorloofd met toestemming van de betrokkene zelf: een positieve wilsbeschikking in het register of eventueel een positief codicil. De handelingen zijn dan geoorloofd voor zover zij niet strijdig zijn met de geneeskundige behandeling van de stervende en in verband met de voorgenomen transplantatie uitstel tot na het overlijden niet mogelijk is. Als de dood is ingetreden -in het geval van een hersendoodprocedure wil dat zeggen als klinisch de hersendood is geconstateerd, maar verificatie nog plaats moet vinden- en betrokkene geen positieve wil heeft vastgelegd of de beslissing aan de nabestaanden overlaat mogen preserverende handelingen worden verricht om de tijd te overbruggen die nodig is om toestemming te verkrijgen van de nabestaanden (en van de officier van justitie in geval van een niet-natuurlijke doodsoorzaak). Ten behoeve van de formulering van artikel 22 is het belang van stervenden bij het respecteren van hun lichamelijk integriteit afgewogen tegen het belang van patiënten bij het ontvangen van een orgaan. Gekozen is voor een middenweg. Dit houdt uiteraard in dat bij een keuze die meer gewicht toekent aan het belang van de orgaanbehoevende ontvanger er meer potentiële donoren daadwerkelijk orgaandonor zullen worden. Nu brengt de wettekst immers met zich mee dat in een aantal gevallen zo lang moet worden gewacht met voorbereidende handelingen dat donatie van de vitale organen niet meer mogelijk is. Dat er daarna in de praktijk nog onvoldoende alertheid is voor de mogelijkheden van non-heart-beating nierdonatie of van weefseldonatie is een zaak van voorlichting en informatie aan de betrokken beroepsgroep. Vraag 61. Uit cijfers van Eurotransplant blijkt dat het aantal donororganen opnieuw fors is teruggelopen. Wat is uw reactie op de uitlatingen van de medisch directeur van Eurotransplant dat transplantatiecoördinatoren ervaren dat indien de naam van een overledene niet voorkomt in het donorregister, nabestaanden vaak niet bereid blijken diens orgaan voor transplantatie af te staan?

Antwoord vraag 61.

Het signaal van de transplantatiecoördinatoren lijkt te wijzen op een onverwacht en onbedoeld effect van de invoering van het Donorregister. De wettelijke situatie is dat indien een overledene zich niet had laten registreren in het Donorregister, aan de nabestaanden toestemming gevraagd moet worden voor donatie. Nabestaanden lijken niet-registratie echter te interpreteren als de wens van de overledene om geen donor te worden. Dit wijst eens te meer op het belang van registratie van iemands wil over orgaandonatie na overlijden. In ieder geval is het belangrijk dat mensen met elkaar spreken over hun opvatting over orgaandonatie, vooral ook als iemand besluit zich niet te laten registreren. Deze beide punten worden in de voorlichting overigens steeds naar voren gebracht. Hoewel op dit moment geen gegevens beschikbaar zijn over hoe vaak dit verschijnsel zich voordoet, neem ik dit signaal zeer serieus en zal ik het ook in de voorlichting aan de beroepsbeoefenaren en aan het publiek de nodige aandacht geven.

Vraag 62.

Is het juist dat uit een onderzoek van het Academisch Ziekenhuis Groningen in 1998 is gebleken dat 60% van de nabestaanden nee zegt als gevraagd wordt mee te werken aan orgaandonatie van overleden familieleden?

Antwoord vraag 62.

Uit onderzoek van het Academisch Ziekenhuis Groningen dat in 1998 gepubliceerd is (Het Don Quichot onderzoek. Donortekort of donatietekort?) wordt een hoger percentage, namelijk 73% genoemd. De onderzoeksgegevens zijn afkomstig uit 1997, dus voordat de WOD werd ingevoerd.

Vraag 63.

Wat is momenteel het percentage niet geregistreerden en het percentage van de geregistreerden orgaandonoren die de beslissing aan de familie overlaat?

Antwoord vraag 63.

Per 1 januari 2000 is het percentage niet geregistreerden 63% van het totaal tot dan toe aantal aangeschrevenen (12.400.000). Van het aantal geregistreerden (37 % van het aantal aangeschrevenen, dat wil zeggen 4.600.000) laat 10,2 % de beslissing over aan de nabestaanden en 1,7% laat de beslissing over aan een specifieke persoon.

Vraag 64.

Hoeveel uitnameteams zijn er tot nu toe werkzaam, in welke regio's en wat zijn de ervaringen hiermee?

Antwoord vraag 64.

De landelijke organisatie van uitnameteams houdt in dat tegelijkertijd twee teams in Nederland op afroep beschikbaar zijn gedurende 24 uur en 7 dagen per week. Het is in feite een samenwerking tussen de academische ziekenhuizen van Nijmegen, Groningen, Leiden en Rotterdam. De opzet is dat beide teams naast elkaar functioneren in twee geografische afgebakende landsdelen waarbij Nederland verdeeld is in een regio west en in een regio oost.

Vraag 65.

Zijn er inmiddels donatiecoördinatoren van start gegaan die door de Nierstichting worden gefinancierd? Zo ja, kan hier meer inzicht in gegeven worden en bent u bereid de financiering over te nemen indien dit project tot positieve resultaten leidt?

Antwoord vraag 65.

Het stimuleringsprogramma van de Nierstichting is nog niet daadwerkelijk van start gegaan. Wel heeft de Nierstichting inmiddels zes ziekenhuizen bereid gevonden deel te nemen aan het programma. Inmiddels zijn de betreffende ziekenhuizen begonnen met de werving van donorcoördinatoren. Indien dit project tot duidelijk positieve resultaten leidt ben ik in beginsel bereid de financiering van het project over te nemen dan wel te bezien of een structurele financiering tot de mogelijkheden behoort. Ik wil bij mijn beslissing echter ook een relatie leggen met het stimuleringsprogramma dat door VWS gesubsidieerd wordt: het project Pro Donor.

Vraag 66.

De Nederlandse Transplantatiestichting is gevraagd onderzoek te doen naar de oorzaken van de terugloop van het aanbod van beschikbare donororganen. Wanneer is dit onderzoek gereed, kan de Kamer voor het algemeen overleg over orgaandonatie reeds (voorlopige) resultaten verwachten?

Antwoord vraag 66.

De eerste gegevens uit dit onderzoek verwacht ik rond mei van dit jaar. Het is dus helaas niet mogelijk om u voor het algemeen overleg orgaandonatie hierover te informeren.

Vraag 67.

De inspectie voor de Gezondheidszorg doet onderzoek naar de naleving van protocollen. Begin 2000 wordt hierover rapportage verwacht. Kan de Kamer voor het algemeen overleg over orgaandonatie reeds (voorlopige) resultaten verwachten?

Antwoord vraag 67.

Hoewel het onderzoek van de IGZ nog niet is afgerond is en nog geen conclusies kunnen worden getrokken is het voorlopige beeld dat het protocol orgaandonatie vermoedelijk in alle ziekenhuizen is ingevoerd. De directies lijken echter de toepassing ervan niet actief te bewaken. Zo lijken de betrokken specialisten maar matig bekend te zijn met het protocol. Ook de donatiecommissies die in ongeveer de helft van de ziekenhuizen aanwezig zijn lijken niet overal actief. De IGZ komt binnenkort met een tussenrapport en zal naar verwachting medio dit jaar het onderzoeksrapport uitbrengen. Ik zal de Kamer zowel de tussenrapportage als de eindrapportage van de IGZ doen toekomen, maar dit zal dus pas na het algemeen overleg kunnen gebeuren.

Vraag 68.

Zal de terugloop van beschikbare donornieren de druk op de dialyse doen toenemen?

Is de capaciteit van de hemodialyse inmiddels uitgebreid? Welke invloed heeft de toepassing van de meldingsregeling hierop gehad?

Hoever is het COTG met het aanpassen van de beleidsregels inzake peritoneale dialyse en kinderdialyse, wanneer kan de Kamer hierover voorstellen verwachten?

Antwoord vraag 68.

Ad a.

Een tegenvallende toename van het aantal organen zal niet direct tot gevolg hebben dat de behoefte aan het aantal dialyseplaat-sen toeneemt, immers patiënten die een nierinsufficientie hebben, maken reeds gebruik van de bestaande voorzieningen voor dialyse. Bij een niertransplantatie zal uiteraard - als alles naar wens verloopt- door de getransplanteerde de behoefte aan dialysebehandelingen voor deze patiënten evenwel tot een minimum beperkt worden of zelfs geheel verdwijnen.

Ad b.

Voor wat betreft de capaciteit van de hemodialyse, heb ik reeds eerder vermeld dat het de verantwoordelijkheid van de besturen van de dialysecentra is om knelpunten in de dialysebehoefte en de daarmee samenhangende uitbreiding van het aantal dialyseplaatsen op te vangen. Ik heb in de afgelopen periode maatregelen genomen om te bewerkstelligen dat de bouwkundige consequenties van een dergelijke uitbreiding door middel van een melding gerealiseerd kunnen worden en met de in het kader van de WTG opgebouwde instandhoudingsmiddelen kunnen worden gefinancierd. Daarnaast heb ik goedkeuring verleend aan de oprichting van een nieuw dialysecentrum in Amsterdam, te weten in het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis. Verder is nog een aanvraag voor de oprichting van een nieuw dialysecentrum in Almere in behandeling. Daarnaast zijn nog enkele aanvragen voor uitbreidingen met bouw in behandeling. Diverse dialyse-instellingen hebben van de verruimde mogelijkheden voor uitbreidingen via de meldingsregeling gebruik gemaakt en hebben hun dialysecapaciteit uitgebreid. Met bovengenoemde maatregelen is de dialysecapaciteit in belangrijke mate uitgebreid.

Ad c.

Het CTG heeft na overleg met betrokken partijen een enquête opgesteld met het doel vast te stellen in hoeverre de beleidsregels voor hemodialyse en peritoneale dialyse kostendekkend zijn, waarbij ook aandacht wordt besteed aan de kinderdialyse. Het gaat met name om de materiële kosten bij de hemo- en peritoneale dialyse en de personele kosten bij de kinderdialyse. Het CTG verwacht per 1 maart a.s. de ingevulde formulieren te ontvangen. De beleidsregels voor dialyse zullen -indien nodig- op basis van de resultaten van deze enquête worden aangepast. Ik zal u hierover informeren.

Het bestuur van de Nederlandse

Transplantatie Stichting

Postbus 2304


2301 CH LEIDEN

's-Gravenhage, 2 februari 2000

Onderwerp

tijdelijke vergunning orgaancentrum

Geacht bestuur,

In vervolg op mijn besluit van 1 september 1999 (CSZ/ZT/9911167) waarbij u een tijdelijke vergunning is verleend tot 1 maart 2000 voor het fungeren als orgaancentrum in de zin van hoofstuk 4 van de Wet op de orgaandonatie meld ik u het volgende.

Hoewel al enige tijd overleg gaande is over de voorwaarden waaronder de vergunning verleend kan worden is nog geen situatie ontstaan waarin een vergunning voor onbepaalde tijd verstrekt kan worden. Twee van deze punten, te weten de contracten met BIS en ETI en de allocatiecriteria werden in bovengenoemde brief reeds genoemd. Inmiddels zijn voor wat betreft deze punten door NTS voorstellen aan VWS ter beoordeling voorgelegd. Daarnaast is uit een bezoek van de Inspectie voor de Gezondheidszorg gebleken dat de inrichting en uitwerking van een kwaliteitssysteem nog niet voldoende is uitgewerkt. Naar aanleiding van het definitieve rapport zal in overleg met de Inspectie worden bezien op welke wijze de aanbevelingen uitgewerkt dienen te worden. Uit periodiek overleg tussen het bestuur van NTS en ambtenaren van VWS is gebleken dat NTS inspanningen verricht om voor wat betreft alle drie genoemde punten aan de voorwaarden te voldoen. De inschatting is dat in een periode van één jaar deze drie punten voldoende uitgewerkt kunnen worden.

Gelet op het bovenstaande besluit ik een tijdelijke vergunning voor het fungeren als orgaancentrum in de zin van hoofdstuk 4 van de Wet op de orgaandonatie, te verstrekken voor de periode van één jaar, ingaande op 1 maart 2000. De vergunning eindigt derhalve op 1 maart
2001. Voor het overige blijven de bepalingen zoals in beide voorgaande tijdelijke vergunningen (CSZ/ZT/9911167 en CSZ/ME-9813778) gesteld alsmede de afspraken in correspondentie waarnaar deze vergunningen verwijzen, van kracht. Het verkrijgen van een vergunning voor het fungeren als orgaancentrum per 1 maart 2001 zal afhankelijk zijn van het feit of NTS aan de criteria voldoet.

Ik wijs u erop, dat op grond van artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken daartegen binnen zes weken na de dag waarop het besluit bekend is gemaakt, een bezwaarschrift kan indienen bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen.

Een dergelijk bezwaarschrift dient u te richten aan de Directie Wetgeving en Juridische Zaken van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Postbus 20350, 2500 EJ Den Haag.

Voor de goede orde deel ik u mede dat ook na het verlenen van de vergunning daaraan door mij beperkingen kunnen worden gesteld of voorschriften kunnen worden verbonden (art. 26, lid 2 Wet op de orgaandonatie).

Tenslotte meld ik u dat dit besluit in de Staatscourant zal worden geplaatst.

Hoogachtend,

de Minister van Volksgezondheid,

Welzijn en Sport,

dr. E. Borst-Eilers

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie