Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Brief EZ inzake liberaliseringstempo energiemarkt

Datum nieuwsfeit: 17-02-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal


26898000.004 brief min ez inzake liberaliseringstempo gas- en elektric iteitsmarkt

Gemaakt: 22-2-2000 tijd: 13:41


8


26898 Energierapport 1999

nr. 4 Brief van de minister van Economische Zaken

Aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 17 februari 2000

Samenvatting en conclusies

In het Energierapport 1999 is aangekondigd dat de ontwikkelingen op de energiemarkt aanleiding geven het tempo van de liberalisering van de gas- en elektriciteitsmarkt te versnellen. Daarbij is tevens aangegeven dat een tweetal aspecten in beschouwing dient te worden genomen:


1 technische en organisatorische haalbaarheid;


2 de positie van de consument;

Beide aandachtspunten zijn nader onderzocht.

In het Energierapport is tevens aangegeven dat er mogelijkheden zijn de markt voor duurzame energie eerder vrij te maken.

Door middel van deze brief wordt u geïnformeerd over de belangrijkste resultaten uit de gedane onderzoeken en de conclusies die daaruit zijn getrokken. De belangrijkste conclusies worden in het eerste deel van deze brief beschreven. In de toelichting worden deze conclusies nader onderbouwd.

ad. 1 Technische en organisatorische randvoorwaarden

Aan PA Consulting Group is gevraagd een studie te verrichten naar de technische en organisatorische randvoorwaarden waaronder liberalisering versneld zou kunnen worden ingevoerd. De aanbevelingen van de PA Consulting Group, de consultaties met relevante belangenorganisaties en het overleg dat is gevoerd met EnergieNed en Gasunie leiden ertoe dat ten aanzien van het tempo van de liberalisering van de gas- en elektriciteitsmarkt wordt voorgesteld:

de middengroep

Gas:

middengroep: jaarverbruik tussen 170.000 en 10 mln m3 per jaar;

kleinverbruiker: onder de 170.000 m3 per jaar.

Elektriciteit:

middengroep: totale max. doorlaatwaarde > 3 * 80 Ampère en max. 2 MW per aansluiting;

kleinverbruikers: totale max. doorlaatwaarde max. 3*80 Ampère voor elektriciteit vrij te maken per 1 januari 2002;

de middengroep voor gas vrij te maken per 1 januari 2002. Alle inspanningen zullen er op gericht zijn dit technisch mogelijk te maken. Mocht onverhoopt gedurende de voorbereiding van de implementatie blijken dat liberalisering niet realiseerbaar is per 1 januari 2002, dan wordt de mogelijkheid opengehouden deze datum eventueel te verschuiven, maar de liberalisering van de middengroep voor gas zeker niet later te laten plaatsvinden dan 1 januari
2003;

de kleinverbruikers voor gas en elektriciteit gelijktijdig vrij te maken per
1 januari 2004, waarbij middels een wettelijke regeling de mogelijkheid wordt opengehouden deze groep van verbruikers in 2003 te liberaliseren.

de markt voor groene energie te liberaliseren per 1 januari 2001. Deze datum kan echter nog niet met zekerheid vastgesteld worden omdat invoering ook afhankelijk is van de voortgang die marktpartijen zelf maken op dit gebied. Daarbij is een goed werkend groencertificatensysteem een noodzakelijke conditie. Zonder dit systeem is een verantwoorde liberalisering van dit deel van de markt niet mogelijk.

Uit het overleg dat is gevoerd met EnergieNed en Gasunie is gebleken dat binnen de sector voldoende draagvlak voor de bovengenoemde invoeringsdata bestaat. Ten aanzien van het voorbereidingstraject richting deze invoeringsdata is afgesproken dat het Ministerie van Economische Zaken en de marktpartijen (waaronder EnergieNed en Gasunie) in gezamenlijke verantwoordelijkheid via een stuurgroep zullen optrekken.

Voorgesteld wordt dan de liberalisering van de gas- en elektriciteitsmarkt en de groene energiemarkt op hiervoor genoemde data wettelijk te regelen. De eerstvolgende mogelijkheid daartoe zie ik bij de behandeling van de ontwerp-Gaswet. Na het Algemeen Overleg over het Energierapport op 24 februari zal op korte termijn een Nota van Wijziging op de ontwerp-Gaswet gereed zijn.

ad. 2 Positie van de consument in een volledig geliberaliseerde markt

Het is van groot belang dat de consument als niet-zakelijke verbruiker zo spoedig mogelijk volledig kan profiteren van de voordelen van een geliberaliseerde markt voor gas en elektriciteit. In dat verband is de positie van deze consument in een volledig geliberaliseerde markt nader bekeken.

Daarbij is van de volgende uitgangspunten uitgegaan:

aanbod- en leveringszekerheid,

transparant en evenwichtig contract,

geschillenbeslechting.

Geconcludeerd is onder meer dat de positie van de consument in een volledig geliberaliseerde energiemarkt in grote mate gewaarborgd wordt door bestaande wettelijke regelingen en bepalingen zoals de artikelen
6: 231-247 van het Burgerlijk Wetboek, de Colportagewet en niet in de laatste plaats de Mededingingswet. Daarnaast is uit het consultatieoverleg waarin beide onderwerpen zijn besproken met belangenorganisaties (VNO-NCW, MKB-Nederland, de Stichting Geschillencommissies Consumentenzaken, de Consumentenbond, de Vereniging Voor Energie, Milieu en Water, EnergieNed en het Productschap Tuinbouw) gebleken dat zij bereid zijn om gezamenlijk initiatieven te nemen ten aanzien van aanbod- en leveringszekerheid, transparante en evenwichtige contracten en geschillenbeslechting.

Aanbod- en leveringszekerheid, transparante en evenwichtige contracten en geschillenbeslechting blijven van groot belang in een geliberaliseerde energiemarkt. Er wordt vanuit gegaan dat door marktpartijen gezamenlijk een aantal maatregelen is getroffen vóór het moment dat de energiemarkt voor de kleinverbruiker is vrijgemaakt. Uiterlijk bij de evaluatie van de Elektriciteitswet in 2002 zal daarom expliciet aandacht worden besteed aan de vraag of de marktpartijen op deze punten zowel wat betreft gas als elektriciteit adequate voorzieningen hebben getroffen.

In een geliberaliseerde energiemarkt kan de consument te maken krijgen met allerlei partijen, ook buitenlandse, en daarmee met buitenlands recht. De rechtspositie van de consument kan daardoor onzeker worden en daarom wil ik wettelijk voorschrijven dat Nederlands recht altijd van toepassing is op de algemene voorwaarden in contracten.

In apart overleg met EnergieNed is intensief gesproken over zowel de bovengenoemde data als ook de punten met betrekking tot de positie van de consument. Ten aanzien van het voorbereidingstraject richting volledige liberalisering wordt een stuurgroep in de vorm van een programmamanagementgroep opgericht waarin het Ministerie van Economische Zaken tezamen met de verantwoordelijke marktpartijen samenwerkt om ervoor te zorgen dat adequate maatregelen zijn getroffen voor een verantwoorde overgang van de groep van niet-zakelijke kleinverbruikers naar een geliberaliseerde energiemarkt. In het programma zullen alle relevante partijen, dus ook de afnemers, rechtstreeks worden betrokken. Deze gezamenlijke aanpak is met EnergieNed overeengekomen.

Aan de Dienst uitvoering en toezicht Elektriciteitswet (Dte) is gevraagd advies te geven over de wijze waarop op de voortgang van het liberaliseringsproces toegezien zou kunnen worden en welke positie Dte in dit proces zou kunnen hebben. Aan de Dte is ook gevraagd haar adviezen met betrekking tot gas af te stemmen met de Nederlandse Mededingingsautoriteit. De adviezen van Dte worden verwacht te zijn ontvangen voor


23 februari a.s.

De positie van de tuinders

Doel van de versnelling van de liberalisering is, zoals is aangegeven in het Energierapport, een versterking van de positie van afnemers en consumenten. De tuinders verwachten echter geen positieve effecten van marktopening. Zij bepleiten voor de hele sector tot 2005 een overgangsregime te creëren waardoor de sector voldoende tijd krijgt om zich voor te bereiden op de effecten van een geliberaliseerde markt en de vereiste aanpassingen en investeringen door te voeren. De geliberaliseerde markt zal voor de tuinbouw niet positief uitvallen, omdat in die marktomstandigheden separaat betaald moet worden voor capaciteit, zoals dit ook in het CDS (Commodity Diensten Systeem) van Gasunie tot uitdrukking komt. Dat tariefsysteem betekent namelijk dat aan gebruik van gas (door bedrijfstijden voornamelijk) tijdens piekuren extra kosten zijn verbonden, omdat dit tariefsysteem kostengerelateerd is en de tuinders in dat systeem niet langer kunnen profiteren van een gunstig tarief. Contractueel is voorzien dat de tuinders (Productschap Tuinbouw), de distributiebedrijven (EnergieNed) en Gasunie tijdig in overleg zullen treden om te bezien welke contractstructuren vanaf 2002 van toepassing zouden kunnen zijn voor de tuinbouw. Daarnaast heeft de Land- en Tuinbouworganisatie (LTO) het initiatief genomen met Gasunie te overleggen over de gevolgen van de geliberaliseerde markt. Gasunie op haar beurt heeft zich bereid verklaard om met de sector in onderhandeling te treden over nieuwe gascontracten op basis van het CDS en daarbij ook de overgangsproblematiek van de sector in beschouwing te willen nemen.

Ik zie echter geen aanleiding of redenen om wettelijk een uitzonderingspositie te creëren voor een specifieke sector in de markt.

Onderstaand volgt een nadere toelichting en onderbouwing op de hierboven aangegeven conclusies.

Toelichting

De Elektriciteitswet 1998 en de ontwerp-Gaswet noemen de data 1 januari 2002 en


1 januari 2007 waarop respectievelijk de middengroep en de kleinverbruikers de mogelijkheid krijgen zelf eigen leveranciers te kiezen. In het Energierapport wordt een aantal redenen genoemd waarom bij de voorbereidingen van deze wetten is gekozen voor de relatief lange overgangstermijn en een volledige marktopening in een periode van


10 jaar.

Tegelijkertijd noemt het Energierapport een aantal ontwikkelingen in Nederland én in de ons omringende landen die het wenselijk maken deze termijnen opnieuw te bezien:

De wens bij het bedrijfsleven en de consument om sneller volledig te kunnen profiteren van de voordelen van een geliberaliseerde energiemarkt.

Energiebedrijven bemerken een achterstand ten opzichte van nieuwkomers uit landen die al eerder zijn geliberaliseerd en daardoor veel ervaring hebben op een geliberaliseerde energiemarkt .

Groeiende dynamiek leidt tot knelpunten rond de scheiding tussen vrije en gebonden afnemers.

Ervaringen elders leren dat versnelde liberalisering technisch mogelijk is.

Nederland loopt achter op het liberaliseringstempo in andere EU-landen, zoals het Verenigd Koninkrijk en Duitsland. In België (Vlaanderen) is de liberaliserings- en versnellingsdiscussie in volle gang.

Ervaring in andere landen wijst uit dat liberalisering een duidelijk voordeel heeft voor alle afnemers.

Een versnelling van het liberaliseringstempo is echter alleen dan gewenst wanneer de betrokken ondernemingen daarop technisch en organisatorisch adequaat zijn voorbereid. Voor afnemers is het immers van belang dat indien er formeel wettelijk keuzevrijheid bestaat dit ook feitelijk tot uitdrukking komt in het eenvoudig en zonder problemen kunnen overstappen van de ene naar de andere leverancier.

Voor de consument als niet-zakelijke gebruiker is het wenselijk dat hij zo spoedig mogelijk volledig van de liberalisering kan profiteren. In dat verband is de positie van de consument in een geliberaliseerde markt nader onderzocht. Naast een onderzoek naar de technische en organisatorische randvoorwaarden waaronder liberalisering versneld kan worden ingevoerd, is bekeken of aanvullende maatregelen voor de consument noodzakelijk zijn.

Bij mijn oordeelsvorming over beide aspecten zijn ook de ervaringen met liberalisering in andere landen betrokken, m.n. Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en de Scandinavische landen. Daarnaast zijn de ervaringen bekeken die zijn opgedaan bij de liberalisering van de telecommunicatiesector. De bevindingen ten aanzien van de liberaliseringsdata en ten aanzien van de positie van de consument in een geliberaliseerde markt zijn in een consultatieoverleg voorgelegd aan VNO-NCW, MKB-Nederland, de Stichting Geschillencommissies Consumentenzaken, de Consumentenbond, de Vereniging Voor Energie, Milieu en Water (VEMW), EnergieNed en het Productschap Tuinbouw. Uit het overleg bleek een groot draagvlak bij de genoemde partijen voor het versneld liberaliseren van de gas- en elektriciteitsmarkt. Ze hebben nadrukkelijk aangegeven zelf de nodige initiatieven te willen nemen om dit proces geordend te laten verlopen. Aan de positie van de tuinders in deze werd reeds in het eerste deel van deze brief aandacht geschonken.


1 Technische en organisatorische randvoorwaarden

PA Consulting Group heeft het onderzoek naar de technische en organisatorische randvoorwaarden van het versneld liberaliseren van de gas en elektriciteitsmarkt versnelling uitgevoerd Voor de Nederlandse samenvatting zie de bijlage ( ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie ). Op internet is een volledige (Engelstalige) versie van het rapport beschikbaar (info.minez.nl/energie).. De belangrijkste aanbevelingen luiden als volgt:

Het is mogelijk om de tweede fase (middengroep) voor elektriciteit per 1 januari 2002 vrijheid van leverancierskeuze te geven. Er is tot dan toe voldoende tijd om de noodzakelijke technische en organisatorische randvoorwaarden te realiseren, mits nu op een gecoördineerde wijze een aanvang wordt gemaakt om de noodzakelijke voorbereidingen te treffen. Het gaat dan om het zodanig ontwikkelen en testen van IT-systemen dat informatieoverdracht bij het wisselen van leverancier adequaat plaats kan vinden. Hiertoe zullen netbeheerders onderling en in hun relaties met leveranciers afspraken moeten maken.

Het is aan te bevelen om de tweede fase voor gas per 1 juli 2002 vrij te maken. Dan kunnen de bedrijven technisch en organisatorisch klaar zijn voor een geliberaliseerde markt. De stand van zaken met betrekking tot de regelgeving rondom de gasmarkt leidt ertoe dat de ontwikkeling van de gasmarkt ongeveer een half jaar achter loopt op de elektriciteitsmarkt. Spoedige behandeling van de ontwerp-Gaswet in de Tweede Kamer zal de nodige duidelijkheid verschaffen ten aanzien van partijen om voorbereidingen te treffen voor het vrijmaken van deze markt. De sector is op dit moment al wel bezig de eerste voorbereidingen te treffen.
Gelijktijdige opening van de middengroep voor gas en elektriciteit is niet nodig gezien de aard van de bedrijven die vrij worden. Deze hebben een zelfstandig beleid voor de inkoop van elektriciteit en gas.

Gezamenlijke opening van de gas- en elektriciteitsmarkt voor de niet bedrijfsmatige kleinverbruikers per 1 juli 2003 is mogelijk volgens PA Consulting Group. Gelijktijdige opening van zowel de gas- als elektriciteitsmarkt verdient voorkeur boven een achtereenvolgende marktopening van elektriciteit en gas. Dit is voordelig voor alle partijen. De consument wordt slechts één keer geconfronteerd met dezelfde verandering op twee markten. De leveranciers kunnen veranderingen in de organisatie en in marketingactiviteiten bundelen en daardoor synergie bereiken. De tijd tussen de opening van de tweede fase en de derde fase voor elektriciteit komt hiermee op anderhalf jaar. Dat is voldoende om van de ervaringen uit de tweede fase te leren, de IT-systemen aan te passen en zonodig verder te ontwikkelen.
Voor gas zit er één jaar tussen de opening van tweede en derde fase. Dat is mogelijk omdat de eerder getrokken lessen bij elektriciteit ook bruikbaar zijn bij gas. De benodigde tijd tussen de tweede en derde fase kan daardoor bij gas verkort worden.

Over de data van de liberalisering van de markt is afzonderlijk gesproken met EnergieNed en Gasunie. Mijn voorstel is de data voor de liberalisering van de gas- en elektriciteitsmarkt op de volgende data vast te stellen:

de middengroep

Gas:

middengroep: jaarverbruik tussen 170.000 en 10 mln m3 per jaar;

kleinverbruiker: onder de 170.000 m3 per jaar.

Elektricteit:

middengroep: totale max doorlaatwaarde > 3 * 80 Ampère en max. 2 MW per aansluiting;

kleinverbruikers: totale max. doorlaatwaarde max. 3*80 Ampère voor elektriciteit vrij te maken per 1 januari 2002;

de middengroep voor gas vrij te maken per 1 januari 2002. Alle inspanningen zullen er op zijn gericht dit technisch mogelijk te maken. Mocht onverhoopt gedurende de voorbereiding van de implementatie blijken dat liberalisering niet realiseerbaar is per 1 januari 2002, dan wordt de mogelijkheid opengehouden in goed overleg met de betrokken marktpartijen deze datum eventueel te verschuiven, maar de liberalisering van de middengroep gas zeker niet later te laten plaatsvinden dan 1 januari 2003;

de kleinverbruikers voor gas en elektriciteit gelijktijdig vrij te maken per
1 januari 2004, waarbij middels een wettelijke regeling de mogelijkheid wordt opengehouden deze groep van verbruikers in 2003 te liberaliseren.

Ten opzichte van de invoeringsdata voor de liberalisering van de middengroep voor gas en de liberalisering voor kleinverbruikers voor gas en elektriciteit wordt hier afgeweken van de door PA Consulting Group voorgestelde data in overleg met de relevante marktpartijen.

Aangezien voor de liberalisering van de middengroep voor gas de datum
1 januari 2002 al eerder bekend was en partijen daarop deels al geanticipeerd hebben, achten partijen het wenselijk om hieraan vast te houden en alle inspanningen erop te richten dit ook daadwerkelijk te realiseren.

Voor de volledige liberalisering van de kleinverbruikersmarkt heeft EnergieNed aangegeven dat meer tijd nodig is om de liberalisering voor deze groep van gebruikers ordentelijk te kunnen voorbereiden en te organiseren. Daarnaast zijn er marktpartijen die vinden dat de liberalisering van de groep van kleinverbruikers eerder plaats zou moeten vinden.

In het belang van de afnemers dient evenwel zorg gedragen te worden voor een geordende overgang naar een volledig geliberaliseerde markt. Het moet niet onderschat worden hoeveel maatregelen er op technisch en organisatorisch vlak nog moeten worden genomen om het daadwerkelijk wisselen van leverancier door kleinverbruikers op een inzichtelijke en transparante manier mogelijk te maken. Hierbij moet gedacht worden aan allerlei werkzaamheden op het gebied van bijvoorbeeld IT- en administratiesystemen. Het is zeer belangrijk dat er met deze overgang geen risico's worden genomen en dat de marktpartijen voldoende tijd hebben om zich adequaat voor te bereiden. Derhalve heb ik een voorkeur voor volledige vrijmaking van de gas- en elektriciteitsmarkt voor de kleinverbruikers per 1 januari 2004. Ik merk daarbij op dat ik de wettelijke mogelijkheid wil behouden deze datum te vervroegen naar
2003, indien blijkt dat de partijen slagen in het streven eerder gereed zijn om de markt voor de kleinverbruikers vrij te geven.

Bij liberalisering van deze groepen van verbruikers op deze data is er voldoende tijd om de voorbereidingen en maatregelen te treffen om de markt vrij te maken. Hierbij wordt belang gehecht aan het eerder genoemde platform waarin het Ministerie van Economische Zaken en de marktpartijen gezamenlijk zullen optrekken om het voorbereidingstraject richting volledige liberalisering vorm te geven.


1 Groene energie
Het is volgens PA Consulting mogelijk om de markt voor groene elektriciteit per


1 januari 2001 vrij te maken. Dat zou betekenen dat gebonden afnemers vrij zijn om stroom te kopen bij een ander dan zijn huidige vergunninghouder indien deze stroom «groen» is, dat wil zeggen vergezeld gaat van een zogenaamd «groencertificaat». Zijn vergunninghouder dient dat mogelijk te maken. Daartoe dienen de bedrijven een eenvoudig werkend systeem op te zetten, zonder dat daar complexe, nieuwe IT-systemen voor nodig zijn. Met deze oplossing wordt bereikt dat afnemers vanaf 1 januari 2001 ook elders groene energie kunnen afnemen. De condities waaronder dit zou kunnen plaatsvinden zijn nog onduidelijk. Het is van groot belang dat de vrijmaking van de markt voor groene energie zo spoedig mogelijk plaatsvindt. Het is wenselijk dit dan ook wettelijk mogelijk te maken. Er wordt naar gestreefd de markt voor groene energie te liberaliseren per 1 januari
2001. Deze datum kan echter niet met zekerheid worden vastgesteld omdat invoering ook afhankelijk is van de voortgang die marktpartijen zelf maken op dit gebied. Daarbij is een goed werkend groencertificatensysteem een belangrijke conditie om op een verantwoorde wijze dit deel van de markt te liberaliseren. De qua fysieke stroom nog gebonden afnemer kan er voor kiezen deze groencertificaten bij een ander dan zijn huidige energieleverancier te kopen. Ik streef ernaar om dit per


1 januari 2001 mogelijk te maken, waarbij ook hier een goed werkende groencertificatensystematiek een noodzakelijke voorwaarde is. Zonder deze systematiek is liberalisering van dit deel van de markt niet mogelijk. Tevens is van belang een sluitende koppeling aan de fiscale stimulering van groene elektriciteit in het kader van de Regulerende Energiebelasting. Ook nieuwe marktpartijen kunnen dan stroom aanbieden, indien deze vergezeld gaat van een certificaat.

Dit kan geregeld worden in de Nota van Wijziging bij de ontwerp-Gaswet.


3 De positie van de consument na vrijmaking van de markt voor kleinverbruikers

Liberalisering van de energiemarkt brengt voor de consument als niet-bedrijfsmatige gebruiker voordelen met zich mee. De consument moet dan ook zo snel mogelijk ten volle van deze voordelen kunnen profiteren. Consumenten worden vrij in hun keuze bij welke aanbieder zij energie betrekken. Aanbieders worden daarom geprikkeld een voor de consument zo aantrekkelijk mogelijk aanbod te doen. De consument zal van marktwerking profiteren door ruimere keuzemogelijkheden, diversiteit van producten, lagere prijzen (excl. heffingen) en verhoging van de dienstverlening. De consument wordt in beginsel in staat geacht zelfstandig een keuze te maken uit de verschillende aanbiedingen en daarbij behorende tarieven. Gezien het belang van energievoorziening voor de consument dient wel de vraag te worden beantwoord of een volledig geliberaliseerde energiemarkt voor de consument op bepaalde punten toch risico's met zich meebrengt waardoor de consument in een kwetsbare positie wordt gebracht na


1 januari 2004. Als dat het geval is, dan dient bezien te worden op welke wijze deze punten kunnen worden geredresseerd.

Bij de beantwoording van deze vraag is zelfregulering door de marktpartijen als uitgangspunt genomen. Zelfregulering heeft de voorkeur boven wetgeving. Overeenstemming tussen marktpartijen zal leiden tot meer flexibiliteit, minder verstarring en zal bovendien door de marktpartijen als minder belastend worden ervaren. In het consultatieoverleg hebben genoemde belangenorganisaties, inclusief de Consumentenbond, de wens tot zelfregulering uitgesproken. Ik stem daarmee in, mits dit gebeurt binnen de grenzen van de Mededingingswet en hiervoor tijdig voorzieningen worden getroffen, uiterlijk bij de evaluatie van de Elektriciteitswet in 2002.

Het eerder genoemde samenwerkingsverband tussen het Ministerie van Economische Zaken en alle betrokken marktpartijen zal in het voorbereidingstraject naar de liberalisering van de energiemarkt ook actief zijn ten aanzien van de positie van de consument. Taken zullen voornamelijk liggen op het vlak van communicatie en voorlichting.

Gezien de afhankelijkheid van de consument van een betrouwbare energievoorziening, wordt ervan uitgegaan dat marktpartijen op de volgende punten zodanige voorzieningen treffen dat de consument in ieder geval verzekerd is van:

aanbod en daadwerkelijke levering van energie,

een transparant contract tegen redelijke voorwaarden,

een eenvoudige procedure om een klacht voor te leggen aan een daartoe bevoegde instantie.

ad a) Aanbod- en Leveringszekerheid

Een geliberaliseerde markt houdt in dat de consument vrij is in zijn keuze van aanbieders. Dit impliceert ook dat een leverancier niet verplicht is met iedere consument een contract af te sluiten voor de levering van energie. Het moet een leverancier vrij staan zich op bepaalde marktsegmenten te richten. Tegelijkertijd is energie een goed dat voor de consument van groot belang is. Wanneer een consument een gas- of elektriciteitsaansluiting heeft dient hij ook verzekerd te zijn van de mogelijkheid om geleverd te krijgen. Er kunnen bijvoorbeeld problemen ontstaan op het gebied van aanbod- en leveringszekerheid bij het faillissement van de leverancier of wanneer een leverancier niet wenst te leveren omdat de consument om bepaalde redenen commercieel minder aantrekkelijk is.

Ik acht het dan ook van belang dat er een basisaanbod tegen redelijke prijzen (universele dienstverlening) beschikbaar is voor de consument die om niet verwijtbare redenen verstoken blijft van leverantie. Uit de gesprekken met de belangenorganisaties is gebleken dat zij hiertoe voorzieningen willen treffen. Ik vertrouw er nu dan ook op dat de markt haar verantwoordelijkheid op het punt van aanbod- en leveringszekerheid op zich neemt en voorzieningen treft die voor iedere consument beschikbaar zijn. Het is van groot belang dat maatregelen hiertoe zijn getroffen vóór de evaluatie van de Elektriciteitswet in 2002.

ad b) Contract

Het is van belang dat de consument bij het afsluiten van een contract in staat is een weloverwogen keuze te maken. Goede voorlichting en verkoopmethodes zullen de consument daartoe in staat stellen. De consument dient de mogelijkheid te krijgen om een transparant contract tegen redelijke voorwaarden af te sluiten. Deze voorwaarden hoeven niet per definitie bij iedere aanbieder van even hoog niveau te zijn. Aanbieders kunnen immers met de prijs, maar ook met de voorwaarden concurreren.

De vraag wat redelijke voorwaarden zijn, zal in de praktijk moeten worden uitgemaakt. De artikelen 6: 231-247 van het Burgerlijke Wetboek, de regeling van de algemene voorwaarden, geven hier al de nodige duidelijkheid. In de huidige, niet-geliberaliseerde markt gelden reeds voorwaarden die tussen marktpartijen (EnergieNed en de Consumentenbond) zijn afgesproken en die de consument een goed afgewogen pakket bieden. Ook in een geliberaliseerde markt dient een goed en transparant pakket van algemene leveringsvoorwaarden te bestaan.

Op vier punten wil ik mijn visie geven waaraan in een transparant contract aandacht dient te worden besteed:


1 De tarieven dienen in een contract op een begrijpelijke wijze geformuleerd te zijn. Transparantie voor de consument in de tarieven is een vereiste.


2 Duidelijke bepalingen over contractbeëindiging. De drempel om van leverancier te wisselen dient voor de consument zo laag mogelijk te zijn, opdat hij optimaal kan profiteren van de geliberaliseerde markt. Dit betekent bijvoorbeeld dat na beëindiging van een contract alleen feitelijke administratiekosten in rekening zouden moeten worden gebracht, dat opzegtermijnen niet onredelijk lang zouden moeten zijn en dat een eventuele boete bij tussentijdse opzegging niet buiten proporties zou moeten zijn.


3 Bepalingen ten aanzien van wanbetaling. Ook in de huidige, niet-geliberaliseerde markt hebben leveranciers de mogelijkheid om consumenten die hun rekening niet betalen, niet meer van energie te voorzien. In de praktijk wordt hiervan op een zorgvuldige en terughoudende wijze gebruik gemaakt. Ook in een geliberaliseerde markt dient even zo grote zorgvuldigheid betracht te worden. De procedures zouden dan ook zo helder mogelijk geformuleerd moeten zijn.


4 Toepasselijkheid van het Nederlands recht.

Met het laatste punt dient de positie van de niet-zakelijke energiegebruikende consument zeker te worden gesteld. In een geliberaliseerde energiemarkt kan de consument te maken krijgen met allerlei partijen, ook buitenlandse, en daarmee met buitenlands recht. De rechtspositie van de consument kan daardoor onzeker worden en daarom wil ik wettelijk voorschrijven dat Nederlands recht altijd van toepassing is op de algemene voorwaarden in contracten tussen leveranciers en consumenten, tenzij consument en leverancier hier nadrukkelijk in een onderlinge afspraak van afwijken.

Ik ga ervan uit dat marktpartijen, inclusief de consumenten, zelf een voorstel voor leveringsvoorwaarden uitwerken. Partijen hebben hun bereidheid daartoe aangegeven en zien op dit punt ook een duidelijke relatie met de Geschillencommissie Openbare Nutsbedrijven die onder de Stichting Geschillencommissies Consumentenzaken ressorteert. Ook hier geldt dat bezien zal worden of partijen hierover afspraken hebben gemaakt uiterlijk in 2002 bij de evaluatie van de Elektriciteitswet.

ad c) Klachten - geschillen

Voor de consument is het van belang gezien de afhankelijkheid van energie dat hij op een eenvoudige, snelle en goedkope manier zijn klacht kwijt kan. Zeker bij conflicten over leveringsweigering is een snelle uitspraak noodzakelijk. Een procedure voor de civiele rechter is niet alleen een kostbaar, maar vaak ook een langdurig proces. Een geschillencommissie biedt hier uitkomst. Hierbij wordt gewezen op het bestaan van de Geschillencommissie Openbare Nutsbedrijven waarin EnergieNed en de Consumentenbond participeren. Van bijzondere waarde hier is de mogelijkheid voor de consument om bij een dreigende leveringsstop een verkorte procedure te volgen. Per jaar behandelt deze commissie ongeveer 180 zaken en doet zij over 100 zaken uitspraak.

Het is van groot belang dat ook in een geliberaliseerde markt deze geschillencommissie zal worden voortgezet, dat partijen zich aan zullen sluiten bij deze commissie en zich aan de uitspraken van de geschillencommissie zullen onderwerpen. Verwacht wordt dan ook dat de markt haar in het consultatieoverleg toegezegde verantwoordelijkheid neemt door ervoor te zorgen dat alle marktpartijen -ook de nieuwe toetreders- de mogelijkheid hebben en aangespoord worden om zich bij de Geschillencommissie aan te sluiten. Uiterlijk in oktober 2002 zal bekeken worden of de markt zijn verantwoordelijkheid op dit punt heeft opgepakt.

Graag wil ik mijn bevindingen en conclusies ten aanzien van het liberaliseringstempo van de gas- en elektriciteitswet en de groene markt met u bespreken tijdens het Algemeen Overleg over het Energierapport op 24 februari a.s. in de Tweede Kamer.

minister van Economische Zaken

A. Jorritsma-Lebbink

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie