Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

CDA over nota Variëteit en Waarborg

Datum nieuwsfeit: 21-02-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
CDA

: Tweede Kamer : Variëteit en Waarborg (210200)

Variëteit en Waarborg (210200)

Den Haag, 21 februari 2000

MdV,

1. Ter voorbereiding van dit overleg belde ik met de Heer Gé Janssen, oud directeur van het KPC te s Hertogenbosch. Wat was zijn commentaar op de nota Variëteit en Waarborg? Wat de Inspectie (c.q. de minister) wil kan niet (gezien de Grondwet e.d.) maar de maatschappij en de ouders willen het
, zie dus maar dat je het kloppend maakt (terzake wetgeving e.d.)!! Ziet hier het dilemma waar ik vandaag in verkeer.


2. De Nota Variëteit en Waarborg handelt over de toekomst van de Onderwijs inspectie. Zo op het eerste gezicht geen smaakmakend onderwerp, maar bij nadere bestudering blijkt deze nota tal van elementen te bevatten die raken aan de kern van het Nederlandse onderwijsbeleid, en zeker ook aan de kern van het Nederlandse onderwijsbestel.
Een aantal uitgangspunten speelt hierbij een rol. Ik noem er vier:

==In het regeerakkoord van Paars II lezen wij:
De publieke verantwoording over de kwaliteit van het onderwijs zal worden versterkt. De school zal zich tegenover ouders en overheid moeten verantwoorden over de met de beschikbare middelen bereikte resultaten. Hiermee samenhangend zal de rol van de inspectie worden versterkt ter wille van een onafhankelijk oordeel. Waar blijven overigens de, ook in het Regeerakkoord toegezegde, positieversterking van de ouders en de medezeggenschap in het onderwijs?

==Ouders en in het voortgezet onderwijs (inclusief de BVE sector) ook de leerlingen / studenten ontwikkelen zich meer en meer tot kritische consumenten die scholen en instellingen onderling op kwaliteit willen vergelijken. Daartoe dienen de prestaties van de scholen, en dat, wat de CDA fractie betreft, in brede zin kenbaar en vergelijkbaar te zijn en derhalve openbaar.
In een moderne en transparante samenleving is niet veel in te brengen tegen deze ontwikkelingen. Maar de onderwijssector kent deze onderlinge vergelijkbaarheid nog maar nauwelijks en niet alle scholen zijn te vergelijken: zij verkeren immers in verschillende omstandigheden (rijke en arme wijken, witte en zwarte scholen) en ook de leerlingenpopulaties verschillen onderling sterk.

==In de Nederlandse onderwijsverhoudingen (van met name Artikel 23 Grondwet) past een terughoudende overheid en derhalve een terughoudende Onderwijsinspectie.
Daar komt met de Nota Variëteit en Waarborg bepaaldelijk verandering in: naast de klassieke deugdelijkheideisen wil de Onderwijsinspectie nu aanvullende eigen kwaliteitskenmerken gaan ontwikkelen. Om de zaak eenvoudig te houden kan thans bij het niet voldoen aan de deugdelijkheideisen een bekostigingssanctie volgen, aan de in te voeren kwaliteitskenmerken is deze bekostigingssanctie niet verbonden. Dit lijkt sympathiek, maar het zal juist de rubricering van de kwaliteitskenmerken zijn die in de dagbladen (Trouw en Volkskrant met name) de ranking van de diverse scholen weergeeft.

== Een vierde punt betreft het feit dat de Onderwijsinspectie in hoge mate zelf de diverse kwaliteitskenmerken opstelt. Dat is vreemd: de Onderwijsinspectie gaat in een later stadium de eigen toetsingskaders inspecteren. Dit moet wel tot problemen leiden. Maar ook om Grondwettelijke redenen is een dergelijke vergaande bemoeienis van de Onderwijsinspectie ongewenst. De vrijheid van onderwijs wordt primair gekenmerkt door een terughoudende overheid.


3. MdV, velen zijn de overtuiging toegedaan dat het school toezicht in Nederland gemoderniseerd en uitgebreid dient te worden. Overheid, samenleving en ouders stellen andere eisen aan het onderwijs dan pak weg 50 jaar geleden.
Natuurlijk zal er altijd discussie blijven bestaan over de diverse meet methoden, maar er is toch in toenemende mate sprake van eenduidigheid en professionalisering.


4. De onder punt 3 geschetste ontwikkeling hangt ten nauwste samen met de evolutie van het begrip kwaliteit. In het verleden werd vooral geprobeerd scholen af te rekenen op leerprestaties in enge zin (taal, rekenen en eindexamens), maar het laatste decennium is het kwaliteitsbegrip sterk verbreed: spraken we bij de vaststelling van de kerndoelen basisonderwijs reeds over de sociaal emotionele ontwikkeling van het kind, waaraan aandacht dient te worden besteed, tegenwoordig spreken we nadrukkelijk ook over het pedagogisch didactisch klimaat in combinatie bijvoorbeeld met de ontwikkeling van sociale vaardigheden en het begrip veilige school. Deze verbreding van het kwaliteitsbegrip en het toezicht daarop wordt in principe door de CDA Tweede Kamerfractie gedeeld. Mits dat nieuwe toezicht in afdoende mate wettelijk kan worden verankerd. Het is in onze ogen tijd een scheef kwaliteitsbeeld van enkel taal en rekenen te verlaten.

Daarnaast moeten wij de bereidheid hebben de kwaliteit van scholen te omschrijven op waarde te schatten en te toetsen. Sommige scholen zakken wat de kwaliteit betreft gewoon door het ijs. Er is een te groot verschil in kwaliteit tussen scholen die min of meer in dezelfde omstandigheden verkeren.


5. Een afzonderlijke opmerking wil ik maken over de functie van toezicht in het onderwijs. Wie de nota Variëteit en Waarborg leest krijgt het idee dat toezicht op het onderwijs het ultieme doel van dat onderwijs is. De voorgestelde afzonderlijke toezichtwet versterkt dat idee nog eens. De CDA fractie vindt dit een verkeerd beeld: toezicht is het sluitstuk van het onderwijs, weliswaar wezenlijk en van toenemend belang, maar uiteindelijk gaat het om het leer - c.q. instructieproces. In de loop van mijn betoog kom ik nog terug op deze eenzijdige benadering.


6. In de aanvankelijke uitwerking van het regeerakkoord lag een geheel verzelfstandigde inspectie in het verschiet. (bijvoorbeeld in de vorm van een zelfstandig bestuursorgaan dat ook rechtstreeks aan de Tweede Kamer zou kunnen rapporteren over de staat van het onderwijs ((Artikel 23 lid 8 GrW.)
Deze gedachte is in de diverse voorstellen verlaten: De inspectie blijft volledig onder de ministeriele verantwoordelijkheid van de minister van OCW. Dat is van belang opdat de minister van OCW de oordelen van de inspectie niet zonder meer naast zich neer kan leggen, zeker niet als die, meer generieke oordelen bekostigingsconsequenties zouden hebben.
Er zijn nog wel de nodigde vragen te stellen over de praktische gang van zaken: een toch meer zelfstandige inspectie en een volledig verantwoordelijke minister.


7. Het in de nota Variëteit en Waarborg omschreven inspectie model: regulier toezicht (eerste orde toezicht) en bij problemen integraal toezicht (het tweede orde toezicht) behoeft niet op principiële bezwaren te stuiten.
Maar waarom is dit het enig acceptabele toezichtmodel? In de nota wordt dit model met grote stelligheid gebracht. Wat is er over van aanvankelijk ontwikkelde alternatieven modellen? Ik zou zeggen waar blijft de varieteit van de nota Varieteit en Waarborg? Er wordt bijvoorbeeld in het geheel niet meer gesproken over zelfevaluatie of intervisie ten behoeve van het primair en voortgezet onderwijs. Als er geen bevredigende formele regeling van de hierna te bespreken kwaliteitskenmerken wordt gevonden vindt de CDA fractie dat opnieuw moet worden nagedacht over alternatieve toezichtmodellen.

Er is veel verwarring over de in gebruik zijn terminologie: Regulier School Toezicht heeft naar mijn informatie in het P.O. (eerste orde toezicht) een andere betekenis dan in het V.O. (tweede orde toezicht). Hebben de bewindslieden het voornemen een en ander te harmoniseren?

Bestaat de kans dat het eerste orde toezicht enkel virtueel wordt, dat wil zeggen op basis van enkel en alleen gegevensbestanden? De CDA fractie wil vasthouden aan het klassieke idee dat de school en dan met name het schoolmanagement de eigen inspecteur kent en dat deze laatste de school minimaal éénmaal per jaar bezoekt.
Naar onze informatie is dat in de huidige praktijk reeds niet meer het geval. En hangt een en ander niet opnieuw samen met het eenzijdige toezichtmodel: alleen controle in plaats van naast controle ook monitoring en een soort van mentoraat?
In dit licht zou ik aandacht willen vragen voor de zogenaamde realiteitstoets. De inspecteurs moeten in de gelegenheid zijn een reëel beeld van de school te schetsen waarbij context en proportionaliteit (niet iedere school bevindt zich in dezelfde omstandigheden, niet iedere school bevindt zich in éénzelfde stadium van ontwikkeling) een rol spelen. Daadwerkelijk schoolbezoek is daarvoor nodig.


8. Een permanente bron van zorg blijft de presentatie van de onderwijs
c.q. inspectieresultaten. Gezien mijn voorgaande opmerkingen zou ik niet zo zeer de discussie over de openbaarheid van deze gegevens willen voeren, maar veeleer de vraag wie presenteert en de wijze waarop? Ook gezien de incidenten rondom de Trouw en Volkskrant lijstjes in meer zorgvuldigheid geboden. Is het niet beter om de inspectieresultaten door de scholen zelf in de schoolgids op te laten nemen en van (context-) commentaar te laten voorzien?


9. De gehele nota spreekt over de inspectie. De mens inspecteur (m/v)' wordt in het geheel niet genoemd. In hoeverre is het huidige korps van inspecteurs voorbereid op de nieuwe taakstelling? En is de huidige bezetting zowel qua capaciteit als kennis voldoende toegerust om de nieuwe taken op te pakken? Een specifiek punt, zeker gezien de discussies van de afgelopen weken betreft het aantal allochtone inspecteurs. Hoe ontwikkelt zich dit aantal?

10. In aansluiting op punt 9: de nota Variëteit en Waarborg kent geen financiële paragraaf? Wat betekent de implementatie van deze nota voor de begroting van het departement OCW en voor de begroting van de Inspectie?

11. Een groot probleem, ook in de commentaren van de afgelopen weken vormt het beoogde onderscheid tussen klassieke deugdelijkheideisen (bestaand, met mogelijke bekostigingsconsequenties als je er niet aan voldoet!) en kwaliteitskenmerken (op te stellen door de inspectie, geen directe bekostigingsconsequentie).

12. Voor scholen zal dit onderscheid tussen deugdelijkheideisen en kwaliteitskenmerken verwarrend werken. Waarom de één wel en de ander zonder bekostigingsconsequentie?

13. In zijn advies Deugdelijk Toezicht betoogt de Onderwijsraad terecht dat niet wettelijke deugdelijkheideisen op gespannen voet kunnen staan met Artikel 23 van de Grondwet. De Onderwijsraad bepleit dan ook dat eventueel nieuw aan scholen op te leggen kwaliteitskenmerken geformuleerd dienen te worden als moderne deugdelijkheideis (onder andere wetenschappelijk verantwoord en voldoend aan het noodzakelijkheidbeginsel).

14. De CDA fractie wenst met nadruk deze basisbenadering van de Onderwijsraad te volgen.
(EVENTUEEL MOTIE).
Ook de door de Onderwijsraad voorgestelde leerstandaarden zouden als deugdelijkheideis in de wet vertaald kunnen worden. Uit de rondetafelgesprekken over (taal -) achterstanden in het onderwijs blijkt dat de decentralisatie van het onderwijsbeleid in de afgelopen jaren ook nadelen kent; versnippering van expertise, te veel los staande innovaties en het in toenemende mate ontbreken van één nationaal kennisniveau. Met het opnemen van de leerstandaarden als deugdelijkheideis in de formele wet zou hiertegen een kader kunnen worden geboden.

15. Alle deugdelijkheideisen ( klassieke, herziene en moderne) regelen bij wet in formele zin kan echter tot verstarring en overbelasting van het wetgevingsproces leiden. Wellicht zijn en er vormen van delegatie mogelijk, ook op dit gevoelige terrein. Ik denk bijvoorbeeld aan een Algemene Maatregel van Bestuur (op te stellen door de Regering, na advies van de Inspectie) met een zogenaamde Voorhangbepaling. De Tweede Kamer kan in deze constructie desgewenst invloed uitoefenen op de inhoud van de AMvB.

Ik verwijs hierbij ook naar het huidige artikel 22 van de Wet op het voortgezet onderwijs waarin reeds een dergelijke constructie is vastgelegd. En waarom het wiel opnieuw uitvinden als deze constructie reeds geaccepteerd is in de organieke wet?

Een ander model is het model zoals thans neergelegd in de WEB. moderne deugdelijkheideisen vastgelegd in de sector wet, na overleg met het onderwijsveld en andere actoren vervolgens uitgewerkt in een toetsingskader wat uiteindelijk is vastgesteld door de E. B. Kamer. Wat is er zo slecht aan dat model en waarom daar niet voor gekozen ten behoeve van de andere onderwijssectoren?

16. De inspectie mag geen dubbelrol vervullen: de deugdelijkheideisen nieuwe stijl ontwikkelen en formuleren en tegelijkertijd het toezicht er op uitoefenen. Deze taken dienen expliciet gescheiden te worden. De minister, daarbij gecontroleerd door de Tweede Kamer, dient in onze ogen de nieuwe toetsingscriteria op c.q. vast te stellen, de Inspectie toetst deze vervolgens.
( EVENTUEEL MOTIE).

17. Mede gezien punt 16 is het naar onze mening raadzaam een, met name wetenschappelijk gefundeerde, Raad van Advies te installeren die toezicht houdt op de inhoud van de diverse deugdelijkheideisen nieuwe stijl.
Wordt, en dat in meer algemene zin, deze Raad van Advies ingesteld ten behoeve van de minister, of ten behoeve van de Inspecteur Generaal? (Zie Naar een stimulerend toezicht blz. 18).

18. het verdient zonder meer de voorkeur om de nieuwe deugdelijkheideisen in de diverse sector wetten op te nemen. Over de te onderzoeken mogelijkheid tot uitwerking van deze nieuwe deugdelijkheideisen in een zogenaamde Voorhang AmvB sprak ik reeds. Toezicht is een wezenlijk onderdeel van de diverse onderwijsprocessen en er dient, nogmaals, voor gewaakt te worden dat toezicht via een afzonderlijke toezichtwet te veel een eigen leven gaat leiden.

19. Van belang is voorts de klachtenregeling voor scholen bij verschil van mening tussen de school en de inspectie over het oordeel van de inspectie. Deze klachtenregeling ziet er op papier goed uit, een aantal praktische vragen, zeker wat de termijnen betreft, zijn echter te stellen.

20. Ook wanneer er geen (inhoudelijke) toezichtwet komt is er wellicht behoefte aan een (kleine) afzonderlijke wet ter positionering van de inspectie, de gang van zaken rond de diverse (toezicht -) procedures, klacht- en beroepsprocedures,de Inspecteur Generaal, het Onderwijsverslag en dergelijke.

21. MdV. Ik rond af, scholen lijken van deze discussie tussen bestuurders niet echt waker te liggen. Zij vinden een indringende bemoeienis van de inspectie best, richten zich er zelfs naar, als het maar niet te veel bureaucratische en papieren rompslomp met zich brengt. Dat laatste is bij sommige vormen van I.S.T. en I.I.T. zeker het geval. Naast harmonisatie van de terminologie dient er absoluut administratieve vereenvoudiging voor de scholen bepleit te worden.

Kamerlid: Wim van de Camp

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie