Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Kamerbrief over adviesaanvraag fondsen

Datum nieuwsfeit: 22-02-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

ocw00000.256 brief sts ocw t.g.v. adviesaanvraag fondsen
Gemaakt: 24-2-2000 tijd: 9:34


56

De Voorzitter van de

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Zoetermeer, 22 februari 2000

Onderwerp

Adviesaanvraag fondsen

Geachte Voorzitter,

Hierbij zend ik u een afschrift van de adviesaanvraag fondsen zoals ik die onlangs aan de Raad voor Cultuur heb gezonden Daarachter zend ik tevens in afschrift mijn brieven aan de fondsen van dit najaar met de beleidskaders voor hun aanvragen.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

(dr. F. van der Ploeg).

Aan het Fonds voor Bijzondere Journalistieke Projecten

Korte Leidsedwarsstraat 12


1017 RC Amsterdam

Geacht bestuur,

In mijn brief aan de Tweede Kamer over de Fondsen van 29 april jl. heb ik aangegeven meer recht te willen doen aan de bijzondere positie die de fondsen innemen in het cultuurbeleid, met name door in een vroegtijdig stadium de uitgangspunten van het cultuurbeleid en de beleidsvorming van de fondsen beter op elkaar te betrekken.

In dat kader heb ik onlangs aan alle fondsen uit het cultuurbeleid een brief gezonden. Daarin geef ik weer wat naar mijn opvatting de uitgangspunten van het cultuurbeleid betekenen voor het beleid van de fondsen. Tevens nodig ik de fondsen uit om vanuit hun eigen deskundigheid en ervaringen constructief mee te denken over de veranderingen die ik voorsta. Die uitnodiging wil ik ook aan het Fonds BJP richten.

Ik ben mij bewust van de specifieke doelstelling van het Fonds BJP, alsmede van de financiering uit de `subsidies mediabeleid'. In die opzichten wijkt uw Fonds wezenlijk af van de andere fondsen in het cultuurbeleid.

Het plan dat ik van u vraag, is in feite een meerjarig beleidsplan dat nadrukkelijk is geschreven in het licht van mijn uitgangspunten voor het cultuurbeleid in de periode 2001-2004: resultaatgericht en zo concreet mogelijk. Ik zal uw Beleidsplan ter advisering voorleggen aan de Raad voor Cultuur. Ik verzoek u in dit Beleidsplan nader in te gaan op de volgende vragen, die ik ook de Raad zal voorleggen als richtsnoer bij het uit te brengen advies:

? Een aantal jaren geleden is de doelstelling van het Fonds BJP verruimd: met handhaving van de journalistieke doelstelling is het verruimd tot een non-fictie fonds. Aparte aandacht is er voor de (niet-literaire) biografie.

In alle gevallen moet het gaan om projecten van bijzondere aard en kwaliteit.

Hoe beoordeelt u deze verbreding van de werkingssfeer ?

Hoe beoordeelt u de taakverdeling met het Fonds voor de Letteren op terrein van literaire biografieën ?

? Hoe beoordeelt u de aanvraag-procedure van het Fonds ?

Hoe oordelen aanvragers daarover ?

? Zijn er terreinen en/of thema's die extra aandacht behoeven ?

Zo ja, hoe denkt u die extra aandacht te geven ?

? Hebt u opmerkingen/suggesties ten aanzien van het budget voor het Fonds ?

Wilt u het beschikbare budget relateren aan het aantal (toegewezen) aanvragen c.q. aan het gemiddeld bedrag dat per project gemoeid is.

? Ziet u een rol weggelegd voor het Fonds als stimulans/begeleider van beginnende journalisten of auteurs ? Zo ja, welke ? Zo neen, waarom niet ?

In verband met het voorafgaande wijs ik op de evaluatie van het Fonds die binnenkort zal plaats vinden. De voorbereidingen daarvoor zijn inmiddels in gang gezet.

Ik ga er van uit dat daarbij - naast een kwantitatieve en kwalitatieve terugblik op de afgelopen jaren - ook zal worden ingegaan op de bovenstaande vragen. Op die manier kan de evaluatie dienen als `opmaat' voor het Beleidsplan van het Fonds BJP.

Teneinde het Beleidsplan mee te kunnen nemen in de advies-procedure van de Raad voor Cultuur, dien ik uiterlijk 15 december 1999 over evaluatie en Beleidsplan te beschikken.

Ik vertrouw erop dat ik u hiermee vooralsnog voldoende heb geïnformeerd.

Hoogachtend,

de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur enWetenschappen,

dr. F. van der Ploeg

Aan het bestuur van het Stimuleringsfonds Nederlandse culturele omroepproducties

T.a.v. de heer J.Th.M. Bank, voorzitter

Korte Leidsedwarsstraat 12


1017 RC Amsterdam

Onderwerp

Voorbereiding Cultuurnota

Geacht bestuur,

In mijn brief van 29 april jl. aan de Tweede Kamer over de fondsen, heb ik aangegeven meer recht te willen doen aan de bijzondere positie die de fondsen in het cultuurbeleid innemen, met name door in een vroegtijdig stadium de uitgangspunten van het cultuurbeleid en de beleidsvorming van de fondsen beter op elkaar te betrekken.

In dat kader heb ik onlangs aan alle fondsen in het cultuurbeleid een brief gezonden. Daarin geef ik weer wat naar mijn opvatting de uitgangspunten van het cultuurbeleid betekenen voor het beleid van de fondsen. Tevens nodig ik de fondsen uit om vanuit hun eigen deskundigheid en ervaringen constructief mee te denken over de veranderingen die ik voorsta. Die uitnodiging wil ik ook aan het Stimuleringsfonds richten.

Ik ben mij bewust van de specifieke doelstelling - primair gericht op publieke omroeporganisaties - en de financiering van het Stimuleringsfonds uit de STER-inkomsten. In dit opzicht wijkt het Stimuleringsfonds af van de andere fondsen in het cultuurbeleid. Dit verschil neemt echter niet weg dat ik ook van uw Fonds vraag rekening te houden met de uitgangspunten van mijn cultuurbeleid zoals uiteengezet in mijn nota Cultuur als Confrontatie en daarmee bij te dragen aan de realisering van de prioriteiten en speerpunten in mijn beleid. Het plan dat ik van u vraag is in feite een meerjarig beleidsplan, dat nadrukkelijk is geschreven in het licht van mijn uitgangspunten voor het cultuurbeleid in de periode 2001-2004: resultaatgericht en zo concreet mogelijk. Ik zal uw Beleidsplan ter advisering voorleggen aan de Raad voor Cultuur. Ik verzoek u in dit Beleidsplan nader in te gaan op de volgende vragen, die ik ook de Raad zal voorleggen als richtsnoer bij het uit te brengen advies:

? Verschillende onderdelen van het wetsvoorstel voor de Concessiewet zijn, zoals ik heb aangegeven in de nota Cultuur als confrontatie voor het cultuurbereik. In dit verband verneem ik graag welke positie het Stimuleringsfonds voor zichzelf weggelegd ziet in relatie tot de voorstellen in de (concept)concessiewet om het programmavoorschrift voor kunst en cultuur te verhogen en de verhoging van het programmaversterkend budget van de Raad van Bestuur van de NOS.

? Ook verzoek ik u aan te geven op welke wijze het Stimuleringsfonds kan bijdragen aan de totstandkoming van multicultureel programma-aanbod en de ontwikkeling van allochtoon programmatalent binnen de landelijke publieke omroep.

? Ik verneem graag welke activiteiten het Stimuleringsfonds wil gaan vervullen ten aanzien van het stimuleren van de kwaliteit van nieuwe, innovatieve (hybride) programma's voor zowel televisie als internet. Ziet het fonds aanleiding deze activiteiten, die mede zijn gefinancierd uit een tijdelijk budget voor experimentele kunstuitingen (`Wolffensperger-gelden'), in de toekomst als reguliere activiteit voortzetten?

? De optie om op bepaalde terreinen gezamenlijk op te trekken, zou ik behalve voor de digitale media, ook voor andere onderwerpen willen bepleiten, met name voor onderwerpen die een interdisciplinair karakter hebben, de reikwijdte en draagkracht van afzonderlijke fondsen overstijgen en een gespecialiseerd soort deskundigheid vereisen. Tegen deze achtergrond verneem ik graag welke positie het Stimuleringsfonds voor zich ziet weggelegd bij de financiering van speciaal voor televisie gemaakte films (Telefilms) respectievelijk speelfilms die met cofinanciering van c.q. coproductie door de publieke omroep gemaakt zijn voor bioscoopvertoning.

? Welke maatregelen treft het Stimuleringsfonds om de afstemming van de besluitvorming van de verschillende audiovisuele fondsen (Nederlands Fonds voor de Film, CoBo-fonds en het Stimuleringsfonds zelf) en de besluitvorming binnen de publieke omroep te bevorderen, zodanig dat de totale periode die nodig is voor het maken van financieringsafspraken aanzienlijk wordt verkort?

Teneinde het Beleidsplan mee te kunnen nemen in de adviesprocedure van de Raad voor Cultuur, dien ik uiterlijk 15 december 1999 over evaluatie en Beleidsplan te beschikken.

Ik vertrouw erop dat ik u hiermee vooralsnog voldoende heb geïnformeerd.

Hoogachtend,

de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

dr. F. van der Ploeg

Aan Stichting Nederlands Literair

produktie en vertalingenfonds

Singel 464


1017 AW AMSTERDAM

Onderwerp

Fondsenstructuur

Geacht bestuur,

Hierbij bevestig ik dat in mijn brief met kenmerk MLB/LB/1999/47.755 in het specifieke gedeelte dat betrekking heeft op uw fonds, per abuis niet de uwerzijds voorgestelde wijziging is verwerkt in de formulering van vraag 3.

U gelieve de eerste zin van de vraag als volgt te lezen: Uitgangspunt voor het NLPVF is dat die werken van Nederlandstalige literaire auteurs gepromoot worden, waarvoor aantoonbaar of potentieel een buitenlandse belangstelling bestaat.

Ik ga ervan uit dat hiermee overeenstemming bestaat over de aan u voorgelegde vragen.

Hoogachtend,

de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

dr. F. van der Ploeg,

namens deze,

het Hoofd van de directie Media, Letteren en Bibliotheken,

mr. H.Y. Kramer.

Aan de Raad voor Cultuur,

R.J. Schimmelpennincklaan 3,


2517 JN DEN HAAG.

Onderwerp

concept adviesaanvraag fondsen

Geachte Raad,

Hierbij zend ik u de beleidsplannen die de fondsen conform de afgesproken procedure hebben ingediend. Ik verzoek u mij over deze plannen te adviseren. Over de inhoud van de plannen wil ik hierbij enkele algemene en waar nodig per fonds enkele specifieke opmerkingen maken.

Vooraf wil ik het nog het volgende opmerken. Op 24 november heb ik de fondsen een brief gestuurd waarin ik hen uitnodig met voorstellen te komen om de uitgangspunten van de nota's Ruim baan voor culturele diversiteit, Cultuur als confrontatie en Cultureel ondernemen, te vertalen en uit te werken voor hun beleid. Ik heb daarbij, in het algemeen en per fonds, concrete suggesties en voorstellen gedaan. De fondsen zijn in wisselende mate op die uitnodiging ingegaan. Ik vraag de raad bij de afzonderlijke plannen te beoordelen of dat op de goede manier en in voldoende mate is gedaan, en zoniet, of daarvoor goede argumenten worden aangevoerd. Ik voeg de brieven hierbij. Voor mij vormen deze brieven aan de fondsen het inhoudelijke kader aan de hand waarvan ik de fondsplannen wil beoordelen. Het advies van de raad speelt uiteraard bij die beoordeling een richtinggevende rol, maar gelet op de bijzondere positie van de fondsen als uitvoerders van beleid, een andere dan de artistiek-inhoudelijke adviezen. De directe politieke verantwoordelijkheid voor het beleid van de fondsen impliceert een andere rol mijnerzijds.


1. CULTUREEL ONDERNEMEN

De wijze waarop de fondsen subsidies verstrekken, raakt direct aan de positie van de kunstenaar of de culturele instelling als cultureel ondernemer. Het krachtig ontwikkelen van het opdrachtgeverschap, het stimuleren van de ondernemerszin, de tijdelijkheid van inkomenssteun en het faciliteren van kunstenaars in hun artistieke bedrijvigheid waren elementen in mijn brief aan de fondsen die tot doel hebben de kunstenaar beter toe te rusten. Er zijn interessante voorstellen in die richting gedaan. Toch lijkt bij de fondsen de opvatting te overheersen dat kwaliteit niet alleen een noodzakelijke maar ook een voldoende voorwaarde is om langdurige inkomenssteun te verstrekken. Dit op grond van de veronderstelling dat hoogwaardige kunst nooit helemaal door de markt zal kunnen worden gedragen. Mijn vraag hierbij is of het subsidiestelsel niet juist aan die situatie bijdraagt.


2. INVESTEREN IN JEUGD

In mijn brief aan de fondsen heb ik speciale aandacht gevraagd voor innovatieve projecten die mede tot doel hebben de cultuureducatie stevig in het onderwijs te verankeren. Tevens heb ik daarbij gewezen op de speciale rol daarin van de lokale en regionale centra voor kunstzinnige vorming.

Verschillende fondsen hebben hierop cultuureducatieve activiteiten tot prioriteit verklaard. Het Fonds voor de Podiumkunsten en het Fonds voor Amateurkunst willen innovatieve kunsteducatieve activiteiten honoreren. De Mondriaan Stichting wil extra aandacht geven aan projecten die zich richten op de participatie van jongeren waarbij de prioriteit ligt op onder meer voorbeeldwerking en samenwerking met het onderwijs. Het Stimuleringsfonds voor Architectuur wil in samenwerking met lokale en regionale architectuurcentra vorm geven aan de omgevingseducatie in het kader van het vak culturele en kunstzinnige vorming. Ik vraag de raad om voor elk fonds afzonderlijk stil te staan bij de voornemens die met betrekking tot educatie zijn geformuleerd. Belangrijke uitgangspunten zijn voor mij innovatie, landelijke voorbeeldwerking en structurele samenwerking met het onderwijs. Speciale aandacht verdient ook de ontwikkeling van digitale vormen van cultuureducatie. Projecten van lokale en regionale betekenis dienen uit decentrale gelden te worden gefinancierd.


3. CULTURELE DIVERSITEIT

Vrijwel alle fondsen hebben zich serieus afgevraagd hoe hun beleid beter aan zou kunnen sluiten bij de multiculturele samenleving. Enkele fondsen oormerken een deel van het budget voor culturele diversiteit. Opvallend zijn pro-actieve voornemens zoals dat van het Fonds voor de Podiumkunsten en het Fonds voor Amateurkunst, die een laagdrempelige voorpost willen inrichten, en het gezamenlijke plan van een aantal fondsen om de Phenix Foundation op te richten. Daar staat tegenover dat enkele fondsen volstaan met de aankondiging van een onderzoek naar de stimulering van culturele diversiteit en de mogelijke rol die het fonds daarbij kan spelen.Vindt de raad dat de prioriteit culturele diversiteit op een dergelijke wijze voldoende wordt vertaald in beleid?

Daar waar culturele diversiteit in het beleid van de fondsen tot concrete projecten leidt, worden de kosten soms opgevoerd op een wensbegroting. Is er aanleiding om de fondsen te vragen dit als belangrijke prioriteit binnen het budget te houden?

The Phenix Foundation

De Mondriaan Stichting, het Fonds voor de Podiumkunsten, de stichting PodiumKunstWerk en het Fonds voor Amateurkunst willen de Phenix Foundation oprichten, een soort ontwikkelplaats voor culturele diversiteit. Ook het Nederlands Fonds voor de Film en het Fonds voor de Letteren geven blijk van aandacht voor deze ontwikkelfunctie door respectievelijk de aanstelling van een scout/makelaar en de coaching van niet-westerse auteurs.

Het Phenixplan is een interessant en ambitieus plan. Het gaat echter over veel meer dan de aan de fondsen gestelde vraag. Het is een grootschalig project dat overal probeert aan te haken. Naast een ontwikkelplaats voor verschillende typen cultuurmakers wil Phenix bijvoorbeeld ook «collectieve culturele herinneringen» documenteren en een adviserende functie naar culturele instellingen vervullen. Die veelheid van taken lijkt tevens de zwakte van het plan. De omvang en de samenballing van taken en functies binnen een apart instituut kan in het slechtste geval leiden tot een afzondering van het onderwerp. Ik zie bijvoorbeeld voor een aantal functies, waarover ik uw advies heb gevraagd in de adviesaanvraag, veeleer een rol weggelegd voor het culturele veld, bijvoorbeeld via de brancheorganisaties. Zou de Phenix Foundation niet een (ook financieel) bescheidener opzet moeten hebben en zich beter kunnen beperken tot een ontwikkel- en doorgeleidingsfunctie voor cultuurmakers en een adviesfunctie naar de fondsen?

Omdat Phenix in de vier grote steden wordt ingericht, is samenwerking en afstemming met die steden van groot belang. Dat geldt ook voor de relatie met lokale cultuurscouts en kunstvakopleidingen, die kunnen doorgeleiden naar Phenix. Biedt het plan voldoende waarborgen voor deze samenwerking en/of afstemming?

samenstelling adviescommissies

Het Nederlands Fonds voor de Film heeft het voornemen om adviseurs op te leiden om zo het reservoir aan potentiële adviseurs te verbreden. Is de raad met mij van mening dat dit voornemen navolging verdient, maar dat daarmee niet voorbij moet worden gegaan aan het feit dat er onder jongeren, culturele minderheden en vrouwen ook capabele adviseurs voor handen zijn die geen opleiding behoeven, maar wel actief opgezocht moeten worden? De aandacht voor de samenstelling van adviescommissies, zowel in termen van deskundigheden als in termen van representatie, acht ik voor het overige vrij mager in veel fondsenplannen. Wat is het oordeel van de raad hierover en hoe valt hier concreet iets aan te doen?


4. NIEUWE MEDIA

In mijn brief aan de fondsen heb ik de suggestie gedaan een gezamenlijke regeling te ontwerpen voor de ondersteuning van projecten gericht op research en innovatie op het gebied van nieuwe media. Het Nederlands Fonds voor de Film, de Mondriaan Stichting en het Fonds voor de Podiumkunsten willen op dit terrein samenwerken met een gezamenlijk budget en een afzonderlijke adviescommissie. Samenwerking vindt ook plaats tussen het Fonds voor de Beeldende Kunsten, Vormgeving en Bouwkunst en het Nederlands Fonds voor de Film. Met een gezamenlijk budget voor nieuwe mediaprojecten willen zij projecten van individuele kunstenaars en filmmakers ondersteunen. Graag uw oordeel over deze plannen, met name ook over de vraag of het Stimuleringsfonds voor Architectuur hierbij betrokken zou moeten zijn.


5. CULTUREEL VERMOGEN

In het kader van het vergroten van de zichtbaarheid van de collectie Nederland streef ik naar een integrale aankoopregeling met een breed museaal karakter waarvan de uitvoering in eerste aanleg is toegedacht aan de Mondriaan Stichting. Het is de bedoeling dat in deze regeling ook plaats is voor de aankoop en presentatie van het werk van hedendaagse moderne kunst van jonge Nederlandse kunstenaars. Ik zie dit als een goede mogelijkheid om meer mensen in contact te brengen met het werk van moderne Nederlandse kunstenaars. Een aantrekkelijk aspect is bovendien dat de regeling niet primair is gericht op inkomensvorming, maar op het verwerven van inkomsten uit verkoop en langs die weg een goed middel is ter stimulering van cultureel ondernemerschap. Naar verwachting zal de Mondriaan Stichting mij in de loop van 2001 een voorstel voorleggen. Daarop vooruitlopend, zou ik al graag de algemene visie van de raad op een dergelijke opzet vernemen.


6. INTERNATIONALE ASPECTEN

Een aantal fondsen heeft, anders dan ik had aangegeven, ook subsidies uit het HGIS-cultuurprogramma opgenomen in zijn aanvraag. Ik wil vasthouden aan scheiding tussen beide financieringsstromen, ook omdat de HGIS-middelen vooralsnog tot en met 2002 beschikbaar zijn. Dat staatssecretaris Benschop en ik het voornemen hebben een gedeelte van de HGIS-middelen naar fondsen te decentraliseren, is bekend. Dit zal gebeuren op basis van de HGIS-criteria. Ik verzoek u in uw advies rekening te houden met de scheiding van beide financieringsstromen.

De fondsen hebben veel aandacht voor activiteiten in het buitenland (export). Vindt u dat de fondsen ook aandacht zouden moeten besteden aan import van buitenlandse activiteiten?

Het Fonds voor de Podiumkunsten stelt in zijn aanvraag dat structureel gesubsidieerde instellingen die internationale activiteiten tot hun kerntaak rekenen, dit uit hun reguliere begroting zouden moeten financieren. Ik kan mij voorstellen dat deze instellingen bij onvoorziene activiteiten toch een beroep kunnen doen op subsidieregelingen van het fonds, echter hooguit voor de direct toe te rekenen extra kosten. Ik verzoek uw advies hierover, ook in de context van uw afzonderlijke adviezen over de instellingen zelf.

Ten slotte wil ik de culturele samenwerking met de Nederlandse Antillen en Aruba onder uw aandacht brengen. Enkele instellingen en fondsen hebben hiervoor tot nog toe aparte middelen ontvangen van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Het is thans niet duidelijk of en hoe de financiering door dat ministerie wordt voortgezet.


7. SPECIFIEKE ONDERWERPEN

Fonds voor beeldende kunst, vormgeving en bouwkunst

Het Fonds voor beeldende kunst, vormgeving en bouwkunst doet voorstellen de subsidieregelingen aan te passen: een verruiming van de regeling basisstipendia, een verruiming van de toelating tot startstipendia (tot vier jaar na afstuderen), invoering van productiesubsidies, investeringssubsidies projectsubsidies en bemiddelaarsubsidies Verder wil het fonds in plaats van een intendant een commissie innovatiesubsidies invoeren.

Het fonds constateert terecht dat het merendeel van de beeldende kunstenaars onvoldoende inkomen genereert om een renderende beroepspraktijk te ontwikkelen. De voorgestelde wijzigingen interpreteer ik als een streven het vangnet fijnmaziger en groter te maken, waarbij kwaliteit de doorslag geeft. Wat mij betreft gaat de discussie over de vraag of er voldoende elementen zijn ingebouwd die het ondernemerschap stimuleren, dus over de veerkracht van het vangnet. Deze vraag geldt met name de verruiming van de basisstipendia, de productiesubsidies voorzover die zullen worden toegekend in de vorm van een lumpsum en de startstipendia, waarbij het cultureel ondernemerschap naar de mening van het fonds soms wel en soms niet een rol zou moeten spelen.

Mondriaan Stichting

Een van de belangrijkste issues uit mijn brief aan de Mondriaan Stichting van 24 november jl. was het verzoek om tot vereenvoudiging te komen van het fijnmazige stelsel van subsidieregelingen dat de stichting onder zijn hoede heeft. Ik heb daarbij expliciet aangegeven wat ik met een dergelijke vereenvoudiging beoog. De Mondriaan Stichting geeft, althans vooralsnog, een zeer beperkte invulling aan dit verzoek door aan te kondigen dat hij de subsidieregelingen zal beoordelen op onderlinge consistentie e.d. Ik vraag de raad of de Mondriaan Stichting wel voldoende serieus inspeelt op mijn verzoek en of op dit punt nadere voorwaarden moeten worden verbonden aan het subsidie aan de stichting?

De Mondriaan Stichting stelt enerzijds voor het budget voor de kunstkoopregeling particulieren te verlagen en wil anderzijds bezien hoe de rol van galeries als schakel tussen kunstaanbod en publiek, kan worden versterkt. Wat vindt de raad van dit voornemen van de Mondriaan Stichting en ziet de raad mogelijkheden om ook de kunstuitleen bij dit streven te betrekken?

De Mondriaan Stichting stelt voor om de museale aankoopregeling niet langer te beperken tot aankopen van Nederlandse kunst. Deze beperking is destijds ingesteld om musea te stimuleren werk van Nederlandse beeldende kunstenaars van na 1900 aan te kopen, enerzijds als tegenwicht tegen de neiging van vooral grote musea om alleen buitenlandse kunst aan te kopen, anderzijds om inkomenseffecten te realiseren. De Mondriaan Stichting schrijft nu dat het bij dit onderdeel van de regeling primair zou gaan om het ondersteunen van internationaal opererende musea. Wat vindt de raad hiervan? Is de positie van de Nederlandse kunstenaars zodanig versterkt dat het oorspronkelijke doel van de regeling niet langer behoeft te worden nagestreefd?

De Mondriaan Stichting is in de afgelopen jaren verantwoordelijk geweest voor de organisatie van de beeldende kunst biënnale van Venetië. Nu ook de Stichting Rietveldpaviljoen Venetië een beleidsplan heeft ingediend voor de Nederlandse bijdrage aan de Biënnale van Venetië, dringt de vraag zich op op welke wijze de Biënnale Venetië het best georganiseerd kan worden.

Specifiek vragen op het erfgoedterrein

? Mijn streven om het cultureel vermogen beter zichtbaar te maken heeft betrekking op alle instellingen die collecties beheren. Ik vind dan ook dat regelingen die (mede) dit doel beogen, in beginsel open moeten staan voor alle musea. Kan de raad zich hierin vinden? En ziet de raad mogelijkheden om de regelingen zodanig te verbreden dat ook projecten van instellingen op de terreinen archieven, monumentenzorg en archeologie hiervoor in aanmerking komen?

? Vanuit de museumwereld wordt soms betoogd dat het beleid te weinig oog heeft voor kleine musea. Hoe beoordeelt de raad de kansen van kleine musea binnen het geheel van subsidieregelingen van de Mondriaan Stichting?

? Besteedt de Mondriaan Stichting voldoende aandacht aan het aspect van het intercultureel verzamelen?

? In 2001 wordt het project behoud en selectie universitaire collecties afgerond. Wat zijn uw opvattingen over continuering en aanpassing van de regeling na 2001?

? In het plan van de Mondriaan Stichting ontbreekt een (klein) onderhoudsfonds voor objecten op de lijst van de Wet Behoud Cultuurbezit. Wat is de mening van de raad over de vorming van een dergelijk fonds?

? In het beleidsplan wordt gewezen op de relatie met het ICN en de DEN. Ik vraag de raad in zijn advies, gelet op de beleidsplannen van ICN, DEN en Mondriaan Stichting, in te gaan op de onderlinge verhouding en taakafbakening.

Fonds voor de Podiumkunsten

Het Fonds voor de Podiumkunsten, het Fonds voor Amateurkunst en de Stichting Podiumkunstwerk hebben hun beleidsplannen in nauw onderling overleg opgesteld, zoals ik ook gevraagd heb.

Aan de fondsen heb ik de aandacht gevraagd voor jong talent. Graag verneem ik het oordeel van de raad over de wijze waaraan hieraan uitwerking is gegeven, zoals door het Fonds voor de Podiumkunsten in de vorm van het individuele startstipendium. Meer in het algemeen legt het fonds prioriteit bij de individuele ontwikkelingsfunctie van het fonds, onder meer door een aanzienlijke uitbreiding van de nu al bestaande stipendiumregeling voor choreografen naar categorieën als ervaren regisseurs, vormgevers en muzikaal leiders. Deze prioriteit van het fonds onderschrijf ik.

Tegelijk signaleert het fonds het gevaar van te weinig doorstroom. Het wil de informatievoorziening verbeteren en daarmee een vermindering van het aantal aanvragen bereiken. Daar staat tegenover dat het ook door mij gewenste maatwerk in theorie de druk op het fonds nog aanmerkelijk kan verzwaren. Over de volle breedte van het subsidie-instrumentarium van het fonds zullen dus steeds zware selectiecriteria moeten worden gehanteerd, juist ook bij de meerjarige subsidieprojecten. Graag verneem ik het advies van de raad hierover.

In mijn adviesaanvraag aan de raad van 17 januari heb ik aangekondigd dat ik de raad nog enkele nadere vragen zou stellen over de distributie in de podiumkunsten en de wenselijkheid van een centraal stimuleringsbeleid. Het fonds stelt voor om in samenwerking met de Organisatie Podiumkunsten i.o. en het Nederlands Popinstituut de middelen voor de programmeringsimpuls in te zetten bij het stimuleren van podia. Ik ga er van uit dat dit specifieke budget met ingang van de nieuwe cultuurnota zoveel mogelijk rechtstreeks ten goede komt van de podia via het decentrale gedeelte van het Actieplan Cultuurbereik. Het vergroten van het publieksbereik voor de ad hoc-producties zal in belangrijke mate langs deze weg bereikt moeten worden. Wel acht ik het gewenst om een beperkt instrument te handhaven voor het ondersteunen van de distributie van het kwetsbare, kleinschalige podiumkunstenaanbod. Dit zou uitgewerkt moeten worden in samenhang met de Organisatie Podiumkunsten i.o.

Het fonds stelt voor de repriseregeling aanzienlijk uit te breiden. Uitgebreide reprisetournees vormen een belangrijke stimulans voor het publieksbereik en voor de spreiding van voorstellingen over het land. Ik verneem graag het oordeel van de raad hierover. In dit kader is ook te bezien of de huidige plus-vijf regeling voor grote zaal voorstellingen in een of andere vorm voortgezet zou moeten worden. Het is in elk geval nodig eerst de huidige regeling te evalueren.

Fonds voor de Scheppende Toonkunst

In mijn brief van 24 november aan het Fonds voor de Scheppende Toonkunst heb ik voorstellen gedaan om de wisselwerking tussen het componeren, de uitvoeringspraktijk en het publiek te versterken. Het fonds heeft deze voorstellen niet tot de zijne gemaakt. Het ziet in een stimulering van het opdrachtgeverschap, zoals door mij voorgestaan, voornamelijk bezwaren. Deelt de raad deze bezwaren, daarbij het plan van MuziekGroep Nederland/Donemus betrekkend, waarin een opdrachtenregeling voor composities is opgenomen? Het fonds heeft wel van mijn uitnodiging gebruik gemaakt om eventueel met alternatieve voorstellen te komen. Het fonds doet voorstellen voor `composers in residence' (met het Nederlands Philharmonisch Orkest en met ensembles), educatieve projecten en werkbeurzen voor vernieuwende muziekvormen. Voor deze plannen vraagt het fonds extra geld. Is de raad van mening dat deze voorstellen met extra geld of uit de bestaande middelen moeten worden gefinancierd Ziet de raad aanleiding om het fonds te vragen de op zichzelf interessante voorstellen voor `composers in residence' en educatie een bredere opzet te geven? Is er behoefte aan een jaarlijkse prijs voor een uitzonderlijke compositie en een oeuvreprijs? Zijn er bijzondere redenen of nieuwe inzichten die de herinvoering van eregelden in het kunstbeleid rechtvaardigen nadat deze eerder in de jaren tachtig zijn afgeschaft?

Stimuleringsfonds voor architectuur

Bij het stimuleringsfonds voor architectuur vraag ik uw oordeel over de wijze waarop het fonds kan bijdragen aan een culturele planologie. Daarbij denk ik aan een stimuleringsbeleid gericht op de betrokken overheden en de opdrachtgevers in de markt. Een belangrijk aandachtspunt is het bevorderen van integrale ontwerpvisies door verschillende ontwerpende disciplines op verschillende schaalniveaus. Wordt met de voorgestelde tijdelijke studio's daarin op een goede manier voorzien? Ook vraag ik de opvatting van de raad over de wijze waarop het fonds voorstelt de cultuurhistorische invalshoek bij het ruimtelijk ontwerp te versterken, gelet op de nota Belvedère

Nederlands Fonds voor de Film

Met de introductie van de fiscale maatregelen is de vraag actueel of het Nederlands Fonds voor de Film meer prioriteit zou moeten leggen bij de productie van (artistieke) kwaliteitsfilms en minder op de steun aan commerciële projecten en meer bij de uitbreng, de promotie en marketing van de Nederlandse film en minder bij de verbreding van de financiële basis. Ook vraag ik aandacht voor de samenwerking die het Nederlands Fonds voor de Film wil aangaan met het Stimuleringsfonds voor Culturele Omroepproducties om gezamenlijk scenario's te ontwikkelen door talentvolle auteurs. Wat zou de raad ervan vinden om die samenwerking te richten op een vorm van meerjarige financiering van «productiehuizen» met een `trackrecord' voor het ontwikkelen van scenario's en projecten? Verder vraag ik de aandacht voor de integratie van het fonds met de stichting Holland Film Promotion.

Binnenkort verwacht ik de evaluatie van het Telefilmproject door CoBo. Dit project is tot nu toe met extra incidentele middelen gefinancierd. Wanneer het project wordt voortgezet, zal dit uit de budgetten van de betrokken instellingen en fondsen moeten worden gefinancierd. Zodra ik het evaluatierapport heb ontvangen, zal ik het aan de raad sturen.

In het beleidsplan zijn ten onrechte geen middelen gereserveerd voor beurzen aan deelnemers van het Nederlands Instituut voor Animatiefilm en het Maurits Binger Filminstituut.

Het experiment van het fonds met een intendant heeft een beperkte looptijd. Per september 2000 worden zijn werkzaamheden geëvalueerd

Fonds voor de Letteren

Het Fonds voor de Letteren wil het huidige subsidiestelsel vervangen door het instrument van de projectgebonden werkbeurs. Ik beoordeel deze vereenvoudiging en het afstand nemen van het inkomensvormende uitgangspunt van het vigerende stelsel als positief. De specifieke aandachtspunten voor de raad zijn:


1. de toegankelijkheid van het fonds voor beginnende auteurs, gelet op het voorstel de referte-eis van twee publicaties voor niet-debuterende auteurs te handhaven


2. de doelmatigheid van het nieuwe subsidiebeleid. Ongewenste instroom en onvoldoende doorstroming kunnen resulteren in budgetoverschrijdingen en /of te weinig ruimte voor nieuw talent. Door de afschaffing van de inkomensgrens zouden ook deeltijdauteurs met een goedgehonoreerde nevenbetrekking in aanmerking komen voor projectbeurzen. Door het ontbreken van concrete normen voor de vaststelling van subsidiebedragen is moeilijk te bepalen in welke mate het nieuwe stelsel de doorstroming zal bevorderen.


3. de overgangsregeling van een miljoen gulden ten laste van de algemene reserve voor reeds aangegane werkbeursverplichtingen. In beginsel zou een beroep op de algemene reserve uitsluitend noodzakelijk zijn voorzover de betreffende auteurs hogere werkbeurzen zijn toegekend dan die waarvoor zij volgens het nieuwe subsidieregime in aanmerking zouden komen.

Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten

Het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten heeft als `nieuwe aanvrager' een beleidsplan 2001-2004 ingediend voor de komende cultuurnota. Het fonds werd tot dusverre gesubsidieerd uit de rente op de omroepreserve. In de aanvraag wordt onder meer ingegaan op de afspraken die in 1997 gemaakt zijn met het Fonds voor de Letteren omtrent de taakverdeling (non-fictie versus literaire aanvragen) en omtrent biografieën. Ik verzoek u bij de advisering over de aanvraag van het fonds in het bijzonder aandacht te besteden aan de eind 1996 tot stand gekomen verruiming van de werkingssfeer naar non-fictie, alsmede aan de taakverdeling met het Fonds voor de Letteren.

Inmiddels is een evaluatie van het fonds uitgevoerd. Een exemplaar van die evaluatie is bijgevoegd, evenals een reactie van het fonds daarop. Ik verzoek u deze bij uw advisering te betrekken.

Stimuleringsfonds voor Nederlandse Culturele Omroepproducties

Het Stimuleringsfonds neemt temidden van de andere fondsen een bijzondere positie in. Het richt zich vooral op publieke omroeporganisaties, het wordt gefinancierd uit STER-inkomsten en het beleidsplan begint in september 2000, tegelijk met de nieuwe concessieperiode. Vanwege de vele raakvlakken met het culturele leven, met name de filmproductie en de podiumkunsten, verzoek ik u ook dit plan inhoudelijk te beoordelen. Ik verzoek u in ieder geval aandacht te besteden aan het voornemen van het fonds niet langer steun te geven aan de registratie van opera- en dansvoorstellingen, omdat het fonds ervan uitgaat dat de publieke omroep deze taak thans zonder extra stimulans naar behoren zal vervullen. Het fonds veronderstelt impliciet dat de Raad van Bestuur van de NOS deze taak zal overnemen in het kader van de programmaversterking. In het wetsvoorstel voor de Concessiewet heb ik aangegeven dat het programmaversterkingsbudget ook ingezet zou moeten worden voor de bevordering van een dergelijke kunstprogrammering.

Ik verzoek de raad de prioriteitstelling van het fonds te bezien en daarbij speciale aandacht te geven aan de vraag of ook financiële steun van het fonds gerechtvaardigd is aan voorzieningen die een regulier karakter hebben, maar waarvan niettemin een stimulerende en vernieuwende werking uit gaat. In ieder geval moet voorkomen worden dat zulke activiteiten bestuurlijk en financieel tussen de wal en het schip raken.


8. FINANCIËN

Wat het financiële kader voor de advisering betreft verwijs ik naar wat ik daarover heb gemeld in de adviesaanvraag van 17 januari. Ik voeg daar het volgende aan toe. In het Actieplan Cultuurbereik is, zoals u kunt opmaken uit de brief aan de TK van 12 november 1999, een bedrag van 10 miljoen gulden aangemerkt voor jonge kunstenaars en nieuwe media. Deze post hangt samen met de 10 miljoen aan de dekkingskant, `Motie Tweede Kamer 1998'. Uit deze middelen zijn in
1998, 1999 en 2000 incidentele bijdragen verleend aan enkele fondsen en instellingen op het terrein van de nieuwe media (een bestedingsoverzicht wordt nog nagezonden). In de voorliggende aanvragen gaan fondsen uit van continuering van dat beleid. In principe is het dus mogelijk om bij de advisering over fondsaanvragen delen van deze 10 miljoen te betrekken, echter met dien verstande dat ik er vanuit ga dat daarbij evenzeer gekeken wordt naar aanvragen van andere instellingen op het vlak van jonge kunstenaars en nieuwe media.

De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen

Dr F. van der Ploeg

Aan het bestuur van het Fonds BKVB

Postbus 773


1000 AT AMSTERDAM

Onderwerp

Fondsenstructuur

Geacht bestuur,

In mijn brief aan de Tweede Kamer over de fondsenstructuur, heb ik aangegeven meer recht te willen doen aan de bijzondere positie die de fondsen in het cultuurbeleid innemen, met name door in een vroegtijdig stadium de uitgangspunten van het cultuurbeleid en de beleidsvorming van de fondsen beter op elkaar te betrekken. Deze brief dient daartoe.

Gezien de datum waarop de meerjarige beleidsplannen voor de cultuurnota 2001-2004 uiterlijk ingediend moeten zijn - 15 december
1999 -, kan deze brief echter moeilijk nog bijdragen aan de gewenste, vroegtijdige afstemming. Daarom heb ik besloten de bijzondere positie van de fondsen in ieder geval óók recht te doen door de datum waarop uw beleidsplan door mij ontvangen moet zijn, te bepalen op 28 januari
2000. De Raad voor Cultuur houdt inmiddels rekening met deze datum in de procedure die moet leiden tot zijn advies.

In deze brief geef ik weer wat naar mijn opvatting de uitgangspunten van het cultuurbeleid, zoals vervat in de nota's Ruim baan voor culturele diversiteit en Cultuur als confrontatie en de brieven over cultureel ondernemerschap en het internationaal cultuurbeleid, betekenen voor het beleid van de fondsen. Wat daarover wordt opgemerkt, is niet bedoeld als het laatste woord hierover. Wil deze brief vooral lezen als een voorzet en als een uitnodiging om vanuit uw eigen deskundigheid en ervaringen constructief mee te denken over de veranderingen die ik voorsta.

Deze brief bevat een algemeen deel, voor alle fondsen gelijk, en een specifiek deel dat alleen op uw fonds betrekking heeft. De brief sluit af met het specifieke deel.

De onderwerpen die ik hieronder aan de orde stel, hebben tenminste een aspect gemeen, namelijk dat ze van de fondsen een meer actieve, stimulerende, ondernemende en initiërende rol vragen. Dat is een rol die vervuld zou moeten worden aanvullend op die van subsidieloket: afwachten wat er binnenkomt, in commissieverband de kwaliteit ervan beoordelen en vervolgens subsidie geven. Voor alle duidelijkheid: die loketfunctie blijft natuurlijk van groot belang, veel fondsen zijn primair daarvoor opgericht. De actievere rol die ik bepleit is geen doel op zichzelf, maar beschouw ik als noodzakelijke voorwaarde om enkele belangrijke prioriteiten te realiseren:

? Een groter maatschappelijke bereik en rendement voor het aanbod

? Meer doorstroming en diversiteit in het aanbod

? Betere aansluiting op (potentiële) vraag in de markt

? Toerusten van kunstenaars naar meer zelfstandigheid.

Mijn voorstellen zijn daarop gericht, maar met nadruk zeg ik erbij dat ik ideeën en voorstellen van de fondsen zelf om dat te bereiken, verwelkom.

Cultureel ondernemerschap

In mijn brief over cultureel ondernemerschap heb ik betoogd dat, in plaats van beschutting te bieden aan een imperfecte markt, het beleid er meer op gericht zou moeten zijn de markt te stimuleren en de kunstenaar toe te rusten om zich op die markt een plek te veroveren. Dat uitgangspunt zou mijns inziens het volgende betekenen:


1. de markt zou veel krachtiger kunnen worden ontwikkeld onder meer door het opdrachtgeverschap te stimuleren;


2. de kunstenaar zou beter kunnen worden ondersteund en toegerust om zich succesvol op de markt te kunnen bewegen; subsidies hebben in die visie bij voorkeur een tijdelijk karakter en bevatten prikkels die de ondernemerszin aanwakkeren en belonen;


3. er moeten betere facilitaire voorzieningen komen die de kunstenaar bijstaan bij meer praktische zaken als acquisitie van opdrachten, opbouwen van netwerken, verkoop aan het buitenland, tentoonstellingen e.d.

Ik voeg hier twee kanttekeningen aan toe. In de eerste plaats mag hieruit niet worden opgemaakt dat het kwaliteitscriterium geen rol meer speelt. Kwaliteit is en blijft een noodzakelijke voorwaarde om voor subsidie in aanmerking te komen. Maar bij de beoordeling zou aan die criteria een zwaarder gewicht kunnen worden toegekend, die het maatschappelijk bereik en rendement vergroten. Bovendien hoeft de kwaliteitstoets niet exclusief bij adviescommissies te liggen, maar kunnen, zoals in het opdrachtgeverschap, ook andere partijen die rol vervullen.

In de tweede plaats moeten er natuurlijk speciale voorzieningen blijven voor research & development en voor kunstenaars die van eminent belang zijn voor de Nederlandse cultuur en die met een soort staatsstipendium of een bijzondere opdracht worden vrijgesteld om zich volledig aan hun werk te wijden.

In het specifieke deel doe ik suggesties hoe deze meer marktgerichte benadering kan worden uitgewerkt voor de afzonderlijke fondsen.

Actieplan cultuurbereik: positie van de fondsen

Onlangs is met u overleg gevoerd, onder meer over de uitwerking van het zogenaamde Actieplan Cultuurbereik, zoals dat in de nota Cultuur als confrontatie is opgenomen, en de rol van de fondsen daarin. Daarbij is van mijn kant opgemerkt dat de speciale aandacht voor jongeren/educatie en culturele minderheden, wat betreft de fondsen vorm kan krijgen door vooral het aanbod van cultuuruitingen met een incidenteel karakter te ondersteunen. Ik vraag met name uw aandacht voor innovatieve projecten die mede tot doel hebben de cultuureducatie stevig in het onderwijs te verankeren en voor de speciale rol daarin van de lokale en regionale centra voor kunstzinnige vorming. Aanvullend is subsidiëring mogelijk van zeer specifieke (voorbeeld-)projecten van culturele instellingen die gericht zijn op de afname. Voor niet-instellingsgebonden projecten gericht op de afnamekant wordt gedacht aan een decentrale aanpak waarin aan gemeenten, al dan niet door tussenkomst van hun provincie, een belangrijke rol toekomt. In die decentrale aanpak hebben de fondsen in beginsel geen rol.

Wel is denkbaar dat de toetsing van projecten in het decentrale traject, die in enigerlei vorm zal moeten plaatsvinden, indicaties oplevert voor de fondsen. Er is op dit moment geen aanleiding om daar in uw beleidsplan op te anticiperen.

Bredere deskundigheid bij beoordeling

Bij de beoordeling van kwaliteit is het niet alleen van belang hoe er geoordeeld wordt, maar ook wie beoordeelt. Juist omdat kwaliteit geen absoluut gegeven is, is het belangrijk dat het intersubjectieve oordeel vanuit alle denkbare invalshoeken tot stand komt, zowel in termen van representativiteit als van deskundigheden.

In de nota Ruim baan voor culturele diversiteit heb ik een lans gebroken voor een diverse samenstelling van besturen en commissies, in leeftijd, sexe en herkomst. Dat wil zeggen, diverser dan nu doorgaans het geval is. Voorzover ik zelf bevoegd ben, zal ik daar bij de benoemingen sterk rekening mee houden. Ik vraag de fondsen dat ook te doen bij de benoeming van commissieleden.

In Cultuur als confrontatie heb ik er bovendien voor gepleit om naast de vakinhoudelijke deskundigheid ook steeds andere, meer algemene deskundigheden in de beoordelingscommissies te betrekken. Het breder trekken van de deskundigheid voorkomt dat eenzijdig de nadruk komt te liggen op de smaak van professionals.

Doorstroming en jonge kunstenaars

Meer ruimte voor starters, ook uit culturele minderheden, en meer doorstroming en dynamiek in het aanbod zijn voor mij belangrijke prioriteiten. Ik onderscheid daarin drie aspecten. (1) Bestaande regelingen kunnen dichtslibben en moeilijk toegankelijk worden voor nieuwkomers, wanneer subsidies in de praktijk voor onbepaalde tijd verstrekt worden. (2) Soms kunnen nieuwe regelingen voor starters nodig zijn. Zo zou het Fonds voor de Podiumkunsten jonge kunstenaars kunnen helpen bij het ontwikkelen van een project, dus in het stadium voordat een projectaanvraag wordt ingediend. (3) Ook kan een actieve opstelling nodig zijn om talent op te sporen, te begeleiden en te coachen, in de vorm van `cultuurverkenners' of `makelaars' voor culturele diversiteit.

INTENDANTSCHAP

Voor een actievere rol van de fondsen kan de figuur van de intendant in sommige gevallen nuttig zijn. Het Nederlands Fonds voor de Film doet daarmee ervaringen op. Voorstellen daartoe zal ik met belangstelling tegemoet zien. Daarbij wil ik, gelet ook op de discussies in de Tweede Kamer hierover, drie randvoorwaarden stellen.


1. De intendant werkt onder directe verantwoordelijkheid van het bestuur en heeft dus geen eigen beslissingsbevoegdheid over het toekennen van subsidies.


2. Het moet mogelijk blijven om zonder inschakeling van de intendant subsidie aan te vragen, ook voor het terrein waarop de intendant werkzaam is.


3. Een intendant wordt voor een beperkte periode benoemd.

Digitale media en kunsten

In de uitgangspuntennotitie heb ik gemeld dat de ontwikkelingen in de digitale media niet zozeer een nieuwe sector als wel een nieuwe dimensie toevoegen aan de kunsten. Die ontwikkeling wil ik stimuleren en ik zie hierin een belangrijke taak weggelegd voor de fondsen. Het hybride, pluriforme en interdisciplinaire karakter van de digitale media/kunsten maakt dat projecten op dit gebied dwars door de sectoren en institutionele kaders heen snijden. Daarom acht ik het denkbaar dat er meer nodig is dan wat de fondsen ieder voor zich zouden kunnen bijdragen. Een onderlinge afstemming van regelingen lijkt me in ieder geval nodig om te voorkomen dat interdisciplinaire projecten tussen wal en schip geraken. Maar ik leg u ook de optie voor om verder te gaan en een gezamenlijke regeling en financiering te ontwerpen voor de ondersteuning van projecten op dit terrein. Dat heeft ook als voordeel dat gebruik gemaakt kan worden van een gezamenlijke pool van deskundigen. Het gaat om projecten die zich op research en innovatie richten en nadrukkelijk niet op technologische toepassingen.

Samenwerking en afstemming tussen fondsen onderling

De optie om op bepaalde terreinen gezamenlijk op te trekken, zou ik behalve voor de digitale media, ook voor andere onderwerpen willen bepleiten, met name voor onderwerpen die een interdisciplinair karakter hebben, de reikwijdte en draagkracht van afzonderlijke fondsen overstijgen en een gespecialiseerd soort deskundigheid vereisen. Ik denk aan cultuureducatieve projecten voor het onderwijs en aan projecten gericht op jongeren en culturele minderheden. De aanvankelijke plannen van de Mondriaanstichting en het Fonds voor de Podiumkunsten gezamenlijk voor het aanstellen van makelaars, vind ik daarvan een goed voorbeeld.

Internationaal cultuurbeleid

Juli j.l. heb ik - samen met mijn collega van Buitenlandse Zaken - een brief aan de Tweede Kamer doen toekomen over het internationaal cultuurbeleid en de besteding van de HGIS-Cultuur middelen. Daarnaast ben ik in een aparte brief aan de Tweede Kamer, in aansluiting op mijn uitgangspuntenbrief, ingegaan op het internationaal beleid dat ik in dat verband zal voeren. Een afschrift daarvan heeft u, als het goed is, ontvangen. Ik vraag hier uw aandacht voor twee zaken.

In de eerste plaats wil ik het prioriteitslandenbeleid versterken. Ik vraag u bij de internationale activiteiten die u wilt ondersteunen, rekening te houden met de regionale prioriteiten. Dit laat onverlet dat er artistiek-inhoudelijke overwegingen kunnen zijn om van deze gedragsregel af te wijken. Voor wat betreft de eerder aangegeven verplichting advies in te winnen bij de buitenlandse posten deel ik u mede hierover nog in overleg te zijn met mijn collega van Buitenlandse zaken, zulks mede na het kamerdebat van 18 november jl. U zult zo spoedig mogelijk nader worden geïnformeerd over de uitkomst van dit overleg.

In de tweede plaats wijs ik u erop dat activiteiten die nu met HGIS-middelen worden gefinancierd, niet opnieuw uit deze middelen kunnen worden gefinancierd. Voortzetting van deze activiteiten is dus alleen mogelijk als u hiervoor middelen reserveert in uw beleidsplan in het kader van de cultuurnota.

Flexibiliteit tijdens de planperiode

In de nota Cultuur als confrontatie en het overleg met u, heb ik aangegeven dat ik tijdens de cultuurplanperiode enige ruimte wil behouden om flexibel te kunnen inspelen op nieuwe beleidsontwikkelingen, ook budgettair. Ik heb zelf de suggestie gedaan van een `vereveningskas' van circa 5 procent van de fondsbudgetten. Ik heb u in het overleg uitgenodigd eventueel andere suggesties te doen. Die suggesties wacht ik af; ik zal daarover te zijner tijd opnieuw met u overleggen.

Hieronder volgt het deel dat alleen op uw fonds betrekking heeft.

Wat het Fonds voor beeldende kunst, vormgeving en bouwkunst betreft, vind ik het gewenst het cultureel ondernemerschap langs drie wegen te bevorderen.


1. Individuele subsidies zouden niet als lumpsumbedragen, maar als project- of investeringssubsidies moeten worden toegekend, dat wil zeggen op basis van een plan met begroting en een verantwoording achteraf.


2. Voor de meest getalenteerde kunstenaars zou het instrument van werkbeurzen beschikbaar moeten blijven, maar het aantal te verstrekken werkbeurzen kan veel lager liggen.


3. Bij de basisstipendia zou naast de kwaliteit van het werk het ondernemerschap niet alleen expliciet als criterium in de beoordeling moeten worden betrokken: is er belangstelling voor het werk van de kunstenaar, heeft de kunstenaar inkomen uit verkoop of opdrachten en dergelijke. Ook zou goed cultureel ondernemerschap een voldoende voorwaarde voor een basisstipendium moeten kunnen zijn.

Mede afhankelijk van de resultaten van het onderzoek naar de effectiviteit van de basisstipendia (dat momenteel wordt uitgevoerd door de onderzoeksbureaus KPMG/BEA en SEO) moet tevens worden nagegaan of en zo ja op welke wijze de doelmatigheid van de Regeling basisstipendia kan worden verhoogd.

Zoals u weet, wil ik nieuwe impulsen geven aan het opdrachtgeverschap in de openbare ruimte. De nieuwe Stichting Kunst en Openbare Ruimte zal daartoe binnenkort zijn werkzaamheden beginnen. Voor de financiering van de activiteiten van deze stichting wil ik in eerste instantie een bedrag van 2 miljoen, afhankelijk van de ontwikkeling van deze nieuwe stichting oplopend tot 4 miljoen gulden ten laste brengen van het budget voor individuele subsidies.

In dit verband verzoek ik u tevens aan te geven of en op welke wijze de individuele subsidie als beleidsinstrument een rol kan spelen bij de stimulering van de uitvoering van opdrachten door beeldend kunstenaars, vormgevers en architecten.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

(dr. F. van der Ploeg)

Stimuleringsfonds voor Architectuur

Rochussenstraat 15


3015 EA ROTTERDAM

Onderwerp

Fondsenstructuur

Geacht bestuur,

In mijn brief aan de Tweede Kamer over de fondsenstructuur, heb ik aangegeven meer recht te willen doen aan de bijzondere positie die de fondsen in het cultuurbeleid innemen, met name door in een vroegtijdig stadium de uitgangspunten van het cultuurbeleid en de beleidsvorming van de fondsen beter op elkaar te betrekken. Deze brief dient daartoe.

Gezien de datum waarop de meerjarige beleidsplannen voor de cultuurnota 2001-2004 uiterlijk ingediend moeten zijn - 15 december
1999 -, kan deze brief echter moeilijk nog bijdragen aan de gewenste, vroegtijdige afstemming. Daarom heb ik besloten de bijzondere positie van de fondsen in ieder geval óók recht te doen door de datum waarop uw beleidsplan door mij ontvangen moet zijn, te bepalen op 28 januari
2000. De Raad voor Cultuur houdt inmiddels rekening met deze datum in de procedure die moet leiden tot zijn advies.

In deze brief geef ik weer wat naar mijn opvatting de uitgangspunten van het cultuurbeleid, zoals vervat in de nota's Ruim baan voor culturele diversiteit en Cultuur als confrontatie en de brieven over cultureel ondernemerschap en het internationaal cultuurbeleid, betekenen voor het beleid van de fondsen. Wat daarover wordt opgemerkt, is niet bedoeld als het laatste woord hierover. Wil deze brief vooral lezen als een voorzet en als een uitnodiging om vanuit uw eigen deskundigheid en ervaringen constructief mee te denken over de veranderingen die ik voorsta.

Deze brief bevat een algemeen deel, voor alle fondsen gelijk, en een specifiek deel dat alleen op uw fonds betrekking heeft. De brief sluit af met het specifieke deel.

De onderwerpen die ik hieronder aan de orde stel, hebben tenminste een aspect gemeen, namelijk dat ze van de fondsen een meer actieve, stimulerende, ondernemende en initiërende rol vragen. Dat is een rol die vervuld zou moeten worden aanvullend op die van subsidieloket: afwachten wat er binnenkomt, in commissieverband de kwaliteit ervan beoordelen en vervolgens subsidie geven. Voor alle duidelijkheid: die loketfunctie blijft natuurlijk van groot belang, veel fondsen zijn primair daarvoor opgericht. De actievere rol die ik bepleit is geen doel op zichzelf, maar beschouw ik als noodzakelijke voorwaarde om enkele belangrijke prioriteiten te realiseren:

? Een groter maatschappelijke bereik en rendement voor het aanbod

? Meer doorstroming en diversiteit in het aanbod

? Betere aansluiting op (potentiële) vraag in de markt

? Toerusten van kunstenaars naar meer zelfstandigheid.

Mijn voorstellen zijn daarop gericht, maar met nadruk zeg ik erbij dat ik ideeën en voorstellen van de fondsen zelf om dat te bereiken, verwelkom.

Cultureel ondernemerschap

In mijn brief over cultureel ondernemerschap heb ik betoogd dat, in plaats van beschutting te bieden aan een imperfecte markt, het beleid er meer op gericht zou moeten zijn de markt te stimuleren en de kunstenaar toe te rusten om zich op die markt een plek te veroveren. Dat uitgangspunt zou mijns inziens het volgende betekenen:


4. de markt zou veel krachtiger kunnen worden ontwikkeld onder meer door het opdrachtgeverschap te stimuleren;


5. de kunstenaar zou beter kunnen worden ondersteund en toegerust om zich succesvol op de markt te kunnen bewegen; subsidies hebben in die visie bij voorkeur een tijdelijk karakter en bevatten prikkels die de ondernemerszin aanwakkeren en belonen;


6. er moeten betere facilitaire voorzieningen komen die de kunstenaar bijstaan bij meer praktische zaken als acquisitie van opdrachten, opbouwen van netwerken, verkoop aan het buitenland, tentoonstellingen e.d.

Ik voeg hier twee kanttekeningen aan toe. In de eerste plaats mag hieruit niet worden opgemaakt dat het kwaliteitscriterium geen rol meer speelt. Kwaliteit is en blijft een noodzakelijke voorwaarde om voor subsidie in aanmerking te komen. Maar bij de beoordeling zou aan die criteria een zwaarder gewicht kunnen worden toegekend, die het maatschappelijk bereik en rendement vergroten. Bovendien hoeft de kwaliteitstoets niet exclusief bij adviescommissies te liggen, maar kunnen, zoals in het opdrachtgeverschap, ook andere partijen die rol vervullen.

In de tweede plaats moeten er natuurlijk speciale voorzieningen blijven voor research & development en voor kunstenaars die van eminent belang zijn voor de Nederlandse cultuur en die met een soort staatsstipendium of een bijzondere opdracht worden vrijgesteld om zich volledig aan hun werk te wijden.

In het specifieke deel doe ik suggesties hoe deze meer marktgerichte benadering kan worden uitgewerkt voor de afzonderlijke fondsen.

Actieplan cultuurbereik: positie van de fondsen

Onlangs is met u overleg gevoerd, onder meer over de uitwerking van het zogenaamde Actieplan Cultuurbereik, zoals dat in de nota Cultuur als confrontatie is opgenomen, en de rol van de fondsen daarin. Daarbij is van mijn kant opgemerkt dat de speciale aandacht voor jongeren/educatie en culturele minderheden, wat betreft de fondsen vorm kan krijgen door vooral het aanbod van cultuuruitingen met een incidenteel karakter te ondersteunen. Ik vraag met name uw aandacht voor innovatieve projecten die mede tot doel hebben de cultuureducatie stevig in het onderwijs te verankeren en voor de speciale rol daarin van de lokale en regionale centra voor kunstzinnige vorming. Aanvullend is subsidiëring mogelijk van zeer specifieke (voorbeeld-)projecten van culturele instellingen die gericht zijn op de afname. Voor niet-instellingsgebonden projecten gericht op de afnamekant wordt gedacht aan een decentrale aanpak waarin aan gemeenten, al dan niet door tussenkomst van hun provincie, een belangrijke rol toekomt. In die decentrale aanpak hebben de fondsen in beginsel geen rol. Wel is denkbaar dat de toetsing van projecten in het decentrale traject, die in enigerlei vorm zal moeten plaatsvinden, indicaties oplevert voor de fondsen. Er is op dit moment geen aanleiding om daar in uw beleidsplan op te anticiperen.

Bredere deskundigheid bij beoordeling

Bij de beoordeling van kwaliteit is het niet alleen van belang hoe er geoordeeld wordt, maar ook wie beoordeelt. Juist omdat kwaliteit geen absoluut gegeven is, is het belangrijk dat het intersubjectieve oordeel vanuit alle denkbare invalshoeken tot stand komt, zowel in termen van representativiteit als van deskundigheden.

In de nota Ruim baan voor culturele diversiteit heb ik een lans gebroken voor een diverse samenstelling van besturen en commissies, in leeftijd, sexe en herkomst. Dat wil zeggen, diverser dan nu doorgaans het geval is. Voorzover ik zelf bevoegd ben, zal ik daar bij de benoemingen sterk rekening mee houden. Ik vraag de fondsen dat ook te doen bij de benoeming van commissieleden.

In Cultuur als confrontatie heb ik er bovendien voor gepleit om naast de vakinhoudelijke deskundigheid ook steeds andere, meer algemene deskundigheden in de beoordelingscommissies te betrekken. Het breder trekken van de deskundigheid voorkomt dat eenzijdig de nadruk komt te liggen op de smaak van professionals.

Doorstroming en jonge kunstenaars

Meer ruimte voor starters, ook uit culturele minderheden, en meer doorstroming en dynamiek in het aanbod zijn voor mij belangrijke prioriteiten. Ik onderscheid daarin drie aspecten. (1) Bestaande regelingen kunnen dichtslibben en moeilijk toegankelijk worden voor nieuwkomers, wanneer subsidies in de praktijk voor onbepaalde tijd verstrekt worden. (2) Soms kunnen nieuwe regelingen voor starters nodig zijn. Zo zou het Fonds voor de Podiumkunsten jonge kunstenaars kunnen helpen bij het ontwikkelen van een project, dus in het stadium voordat een projectaanvraag wordt ingediend. (3) Ook kan een actieve opstelling nodig zijn om talent op te sporen, te begeleiden en te coachen, in de vorm van `cultuurverkenners' of `makelaars' voor culturele diversiteit.

INTENDANTSCHAP

Voor een actievere rol van de fondsen kan de figuur van de intendant in sommige gevallen nuttig zijn. Het Nederlands Fonds voor de Film doet daarmee ervaringen op. Voorstellen daartoe zal ik met belangstelling tegemoet zien. Daarbij wil ik, gelet ook op de discussies in de Tweede Kamer hierover, drie randvoorwaarden stellen.


4. De intendant werkt onder directe verantwoordelijkheid van het bestuur en heeft dus geen eigen beslissingsbevoegdheid over het toekennen van subsidies.


5. Het moet mogelijk blijven om zonder inschakeling van de intendant subsidie aan te vragen, ook voor het terrein waarop de intendant werkzaam is.


6. Een intendant wordt voor een beperkte periode benoemd.

Digitale media en kunsten

In de uitgangspuntennotitie heb ik gemeld dat de ontwikkelingen in de digitale media niet zozeer een nieuwe sector als wel een nieuwe dimensie toevoegen aan de kunsten. Die ontwikkeling wil ik stimuleren en ik zie hierin een belangrijke taak weggelegd voor de fondsen. Het hybride, pluriforme en interdisciplinaire karakter van de digitale media/kunsten maakt dat projecten op dit gebied dwars door de sectoren en institutionele kaders heen snijden. Daarom acht ik het denkbaar dat er meer nodig is dan wat de fondsen ieder voor zich zouden kunnen bijdragen. Een onderlinge afstemming van regelingen lijkt me in ieder geval nodig om te voorkomen dat interdisciplinaire projecten tussen wal en schip geraken. Maar ik leg u ook de optie voor om verder te gaan en een gezamenlijke regeling en financiering te ontwerpen voor de ondersteuning van projecten op dit terrein. Dat heeft ook als voordeel dat gebruik gemaakt kan worden van een gezamenlijke pool van deskundigen. Het gaat om projecten die zich op research en innovatie richten en nadrukkelijk niet op technologische toepassingen.

Samenwerking en afstemming tussen fondsen onderling

De optie om op bepaalde terreinen gezamenlijk op te trekken, zou ik behalve voor de digitale media, ook voor andere onderwerpen willen bepleiten, met name voor onderwerpen die een interdisciplinair karakter hebben, de reikwijdte en draagkracht van afzonderlijke fondsen overstijgen en een gespecialiseerd soort deskundigheid vereisen. Ik denk aan cultuureducatieve projecten voor het onderwijs en aan projecten gericht op jongeren en culturele minderheden. De aanvankelijke plannen van de Mondriaanstichting en het Fonds voor de Podiumkunsten gezamenlijk voor het aanstellen van makelaars, vind ik daarvan een goed voorbeeld.

Internationaal cultuurbeleid

Juli j.l. heb ik - samen met mijn collega van Buitenlandse Zaken - een brief aan de Tweede Kamer doen toekomen over het internationaal cultuurbeleid en de besteding van de HGIS-Cultuur middelen. Daarnaast ben ik in een aparte brief aan de Tweede Kamer, in aansluiting op mijn uitgangspuntenbrief, ingegaan op het internationaal beleid dat ik in dat verband zal voeren. Een afschrift daarvan heeft u, als het goed is, ontvangen. Ik vraag hier uw aandacht voor twee zaken.

In de eerste plaats wil ik het prioriteitslandenbeleid versterken. Ik vraag u bij de internationale activiteiten die u wilt ondersteunen, rekening te houden met de regionale prioriteiten. Dit laat onverlet dat er artistiek-inhoudelijke overwegingen kunnen zijn om van deze gedragsregel af te wijken. Voor wat betreft de eerder aangegeven verplichting advies in te winnen bij de buitenlandse posten deel ik u mede hierover nog in overleg te zijn met mijn collega van Buitenlandse zaken, zulks mede na het kamerdebat van 18 november jl. U zult zo spoedig mogelijk nader worden geïnformeerd over de uitkomst van dit overleg.

In de tweede plaats wijs ik u erop dat activiteiten die nu met HGIS-middelen worden gefinancierd, niet opnieuw uit deze middelen kunnen worden gefinancierd. Voortzetting van deze activiteiten is dus alleen mogelijk als u hiervoor middelen reserveert in uw beleidsplan in het kader van de cultuurnota.

Flexibiliteit tijdens de planperiode

In de nota Cultuur als confrontatie en het overleg met u, heb ik aangegeven dat ik tijdens de cultuurplanperiode enige ruimte wil behouden om flexibel te kunnen inspelen op nieuwe beleidsontwikkelingen, ook budgettair. Ik heb zelf de suggestie gedaan van een `vereveningskas' van circa 5 procent van de fondsbudgetten. Ik heb u in het overleg uitgenodigd eventueel andere suggesties te doen. Die suggesties wacht ik af; ik zal daarover te zijner tijd opnieuw met u overleggen.

Hieronder volgt het deel dat alleen op uw fonds betrekking heeft.

Voor het Stimuleringsfonds voor Architectuur zie ik een belangrijke plaats weggelegd in de discussie over de ruimtelijke inrichting van Nederland, die onder meer in het kader van de Vijfde Nota over de Ruimtelijke Ordening zal plaatsvinden. Het SFA kan daaraan bijdragen door projecten die de culturele invalshoek bij ruimtelijke ordenings-vraagstukken centraal stellen te ondersteunen (zowel de ontwerpkant als de historische dimensie), maar ook door zelf - binnen de daarvoor afgesproken budgettaire marges - initiatieven te nemen en daarmee in meer actieve zin sturing te geven aan het debat.

Aandachtsgebieden daarbij zijn:


- het stimuleren van meer consumentenzeggenschap


- het bevorderen van fundamentele aandacht voor de sociaal-culturele betekenis van naoorlogse stadsuitbreidingen


- de transformatie van agrarische productiegebieden en


- de inpassing van nieuwe infrastructuur in landelijk en stedelijk gebied.

Tevens acht ik het van belang dat het SFA meewerkt aan impulsen naar opdrachtgevers, ontwerpers en locale bestuurders, gericht op het onderzoeken, formuleren en realiseren van ontwerpkwaliteit. Het verankeren van kwaliteitsopvattingen over architectuur in brede lagan van de samenleving, met bijzondere aandacht voor allochtonen en jongeren, is daarbij uitgangspunt.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

(dr. F. v.d. Ploeg)

Aan het bestuur van het

Nederlands Fonds voor de Film

Jan Luykenstraat 2


1071 CM AMSTERDAM

Onderwerp

Fondsenstructuur

Geacht bestuur,

In mijn brief aan de Tweede Kamer over de fondsenstructuur, heb ik aangegeven meer recht te willen doen aan de bijzondere positie die de fondsen in het cultuurbeleid innemen, met name door in een vroegtijdig stadium de uitgangspunten van het cultuurbeleid en de beleidsvorming van de fondsen beter op elkaar te betrekken. Deze brief dient daartoe.

Gezien de datum waarop de meerjarige beleidsplannen voor de cultuurnota 2001-2004 uiterlijk ingediend moeten zijn - 15 december
1999 -, kan deze brief echter moeilijk nog bijdragen aan de gewenste, vroegtijdige afstemming. Daarom heb ik besloten de bijzondere positie van de fondsen in ieder geval óók recht te doen door de datum waarop uw beleidsplan door mij ontvangen moet zijn, te bepalen op 28 januari
2000. De Raad voor Cultuur houdt inmiddels rekening met deze datum in de procedure die moet leiden tot zijn advies.

In deze brief geef ik weer wat naar mijn opvatting de uitgangspunten van het cultuurbeleid, zoals vervat in de nota's Ruim baan voor culturele diversiteit en Cultuur als confrontatie en de brieven over cultureel ondernemerschap en het internationaal cultuurbeleid, betekenen voor het beleid van de fondsen. Wat daarover wordt opgemerkt, is niet bedoeld als het laatste woord hierover. Wil deze brief vooral lezen als een voorzet en als een uitnodiging om vanuit uw eigen deskundigheid en ervaringen constructief mee te denken over de veranderingen die ik voorsta.

Deze brief bevat een algemeen deel, voor alle fondsen gelijk, en een specifiek deel dat alleen op uw fonds betrekking heeft. De brief sluit af met het specifieke deel.

De onderwerpen die ik hieronder aan de orde stel, hebben tenminste een aspect gemeen, namelijk dat ze van de fondsen een meer actieve, stimulerende, ondernemende en initiërende rol vragen. Dat is een rol die vervuld zou moeten worden aanvullend op die van subsidieloket: afwachten wat er binnenkomt, in commissieverband de kwaliteit ervan beoordelen en vervolgens subsidie geven. Voor alle duidelijkheid: die loketfunctie blijft natuurlijk van groot belang, veel fondsen zijn primair daarvoor opgericht. De actievere rol die ik bepleit is geen doel op zichzelf, maar beschouw ik als noodzakelijke voorwaarde om enkele belangrijke prioriteiten te realiseren:

? Een groter maatschappelijke bereik en rendement voor het aanbod

? Meer doorstroming en diversiteit in het aanbod

? Betere aansluiting op (potentiële) vraag in de markt

? Toerusten van kunstenaars naar meer zelfstandigheid.

Mijn voorstellen zijn daarop gericht, maar met nadruk zeg ik erbij dat ik ideeën en voorstellen van de fondsen zelf om dat te bereiken, verwelkom.

Cultureel ondernemerschap

In mijn brief over cultureel ondernemerschap heb ik betoogd dat, in plaats van beschutting te bieden aan een imperfecte markt, het beleid er meer op gericht zou moeten zijn de markt te stimuleren en de kunstenaar toe te rusten om zich op die markt een plek te veroveren. Dat uitgangspunt zou mijns inziens het volgende betekenen:


7. de markt zou veel krachtiger kunnen worden ontwikkeld onder meer door het opdrachtgeverschap te stimuleren;


8. de kunstenaar zou beter kunnen worden ondersteund en toegerust om zich succesvol op de markt te kunnen bewegen; subsidies hebben in die visie bij voorkeur een tijdelijk karakter en bevatten prikkels die de ondernemerszin aanwakkeren en belonen;


9. er moeten betere facilitaire voorzieningen komen die de kunstenaar bijstaan bij meer praktische zaken als acquisitie van opdrachten, opbouwen van netwerken, verkoop aan het buitenland, tentoonstellingen e.d.

Ik voeg hier twee kanttekeningen aan toe. In de eerste plaats mag hieruit niet worden opgemaakt dat het kwaliteitscriterium geen rol meer speelt. Kwaliteit is en blijft een noodzakelijke voorwaarde om voor subsidie in aanmerking te komen. Maar bij de beoordeling zou aan die criteria een zwaarder gewicht kunnen worden toegekend, die het maatschappelijk bereik en rendement vergroten. Bovendien hoeft de kwaliteitstoets niet exclusief bij adviescommissies te liggen, maar kunnen, zoals in het opdrachtgeverschap, ook andere partijen die rol vervullen.

In de tweede plaats moeten er natuurlijk speciale voorzieningen blijven voor research & development en voor kunstenaars die van eminent belang zijn voor de Nederlandse cultuur en die met een soort staatsstipendium of een bijzondere opdracht worden vrijgesteld om zich volledig aan hun werk te wijden.

In het specifieke deel doe ik suggesties hoe deze meer marktgerichte benadering kan worden uitgewerkt voor de afzonderlijke fondsen.

Actieplan cultuurbereik: positie van de fondsen

Onlangs is met u overleg gevoerd, onder meer over de uitwerking van het zogenaamde Actieplan Cultuurbereik, zoals dat in de nota Cultuur als confrontatie is opgenomen, en de rol van de fondsen daarin. Daarbij is van mijn kant opgemerkt dat de speciale aandacht voor jongeren/educatie en culturele minderheden, wat betreft de fondsen vorm kan krijgen door vooral het aanbod van cultuuruitingen met een incidenteel karakter te ondersteunen. Ik vraag met name uw aandacht voor innovatieve projecten die mede tot doel hebben de cultuureducatie stevig in het onderwijs te verankeren en voor de speciale rol daarin van de lokale en regionale centra voor kunstzinnige vorming. Aanvullend is subsidiëring mogelijk van zeer specifieke (voorbeeld-)projecten van culturele instellingen die gericht zijn op de afname. Voor niet-instellingsgebonden projecten gericht op de afnamekant wordt gedacht aan een decentrale aanpak waarin aan gemeenten, al dan niet door tussenkomst van hun provincie, een belangrijke rol toekomt. In die decentrale aanpak hebben de fondsen in beginsel geen rol. Wel is denkbaar dat de toetsing van projecten in het decentrale traject, die in enigerlei vorm zal moeten plaatsvinden, indicaties oplevert voor de fondsen. Er is op dit moment geen aanleiding om daar in uw beleidsplan op te anticiperen.

Bredere deskundigheid bij beoordeling

Bij de beoordeling van kwaliteit is het niet alleen van belang hoe er geoordeeld wordt, maar ook wie beoordeelt. Juist omdat kwaliteit geen absoluut gegeven is, is het belangrijk dat het intersubjectieve oordeel vanuit alle denkbare invalshoeken tot stand komt, zowel in termen van representativiteit als van deskundigheden.

In de nota Ruim baan voor culturele diversiteit heb ik een lans gebroken voor een diverse samenstelling van besturen en commissies, in leeftijd, sexe en herkomst. Dat wil zeggen, diverser dan nu doorgaans het geval is. Voorzover ik zelf bevoegd ben, zal ik daar bij de benoemingen sterk rekening mee houden. Ik vraag de fondsen dat ook te doen bij de benoeming van commissieleden.

In Cultuur als confrontatie heb ik er bovendien voor gepleit om naast de vakinhoudelijke deskundigheid ook steeds andere, meer algemene deskundigheden in de beoordelingscommissies te betrekken. Het breder trekken van de deskundigheid voorkomt dat eenzijdig de nadruk komt te liggen op de smaak van professionals.

Doorstroming en jonge kunstenaars

Meer ruimte voor starters, ook uit culturele minderheden, en meer doorstroming en dynamiek in het aanbod zijn voor mij belangrijke prioriteiten. Ik onderscheid daarin drie aspecten. (1) Bestaande regelingen kunnen dichtslibben en moeilijk toegankelijk worden voor nieuwkomers, wanneer subsidies in de praktijk voor onbepaalde tijd verstrekt worden. (2) Soms kunnen nieuwe regelingen voor starters nodig zijn. Zo zou het Fonds voor de Podiumkunsten jonge kunstenaars kunnen helpen bij het ontwikkelen van een project, dus in het stadium voordat een projectaanvraag wordt ingediend. (3) Ook kan een actieve opstelling nodig zijn om talent op te sporen, te begeleiden en te coachen, in de vorm van `cultuurverkenners' of `makelaars' voor culturele diversiteit.

INTENDANTSCHAP

Voor een actievere rol van de fondsen kan de figuur van de intendant in sommige gevallen nuttig zijn. Het Nederlands Fonds voor de Film doet daarmee ervaringen op. Voorstellen daartoe zal ik met belangstelling tegemoet zien. Daarbij wil ik, gelet ook op de discussies in de Tweede Kamer hierover, drie randvoorwaarden stellen.


7. De intendant werkt onder directe verantwoordelijkheid van het bestuur en heeft dus geen eigen beslissingsbevoegdheid over het toekennen van subsidies.


8. Het moet mogelijk blijven om zonder inschakeling van de intendant subsidie aan te vragen, ook voor het terrein waarop de intendant werkzaam is.


9. Een intendant wordt voor een beperkte periode benoemd.

Digitale media en kunsten

In de uitgangspuntennotitie heb ik gemeld dat de ontwikkelingen in de digitale media niet zozeer een nieuwe sector als wel een nieuwe dimensie toevoegen aan de kunsten. Die ontwikkeling wil ik stimuleren en ik zie hierin een belangrijke taak weggelegd voor de fondsen. Het hybride, pluriforme en interdisciplinaire karakter van de digitale media/kunsten maakt dat projecten op dit gebied dwars door de sectoren en institutionele kaders heen snijden. Daarom acht ik het denkbaar dat er meer nodig is dan wat de fondsen ieder voor zich zouden kunnen bijdragen. Een onderlinge afstemming van regelingen lijkt me in ieder geval nodig om te voorkomen dat interdisciplinaire projecten tussen wal en schip geraken. Maar ik leg u ook de optie voor om verder te gaan en een gezamenlijke regeling en financiering te ontwerpen voor de ondersteuning van projecten op dit terrein. Dat heeft ook als voordeel dat gebruik gemaakt kan worden van een gezamenlijke pool van deskundigen. Het gaat om projecten die zich op research en innovatie richten en nadrukkelijk niet op technologische toepassingen.

Samenwerking en afstemming tussen fondsen onderling

De optie om op bepaalde terreinen gezamenlijk op te trekken, zou ik behalve voor de digitale media, ook voor andere onderwerpen willen bepleiten, met name voor onderwerpen die een interdisciplinair karakter hebben, de reikwijdte en draagkracht van afzonderlijke fondsen overstijgen en een gespecialiseerd soort deskundigheid vereisen. Ik denk aan cultuureducatieve projecten voor het onderwijs en aan projecten gericht op jongeren en culturele minderheden. De aanvankelijke plannen van de Mondriaanstichting en het Fonds voor de Podiumkunsten gezamenlijk voor het aanstellen van makelaars, vind ik daarvan een goed voorbeeld.

Internationaal cultuurbeleid

Juli j.l. heb ik - samen met mijn collega van Buitenlandse Zaken - een brief aan de Tweede Kamer doen toekomen over het internationaal cultuurbeleid en de besteding van de HGIS-Cultuur middelen. Daarnaast ben ik in een aparte brief aan de Tweede Kamer, in aansluiting op mijn uitgangspuntenbrief, ingegaan op het internationaal beleid dat ik in dat verband zal voeren. Een afschrift daarvan heeft u, als het goed is, ontvangen. Ik vraag hier uw aandacht voor twee zaken.

In de eerste plaats wil ik het prioriteitslandenbeleid versterken. Ik vraag u bij de internationale activiteiten die u wilt ondersteunen, rekening te houden met de regionale prioriteiten. Dit laat onverlet dat er artistiek-inhoudelijke overwegingen kunnen zijn om van deze gedragsregel af te wijken. Voor wat betreft de eerder aangegeven verplichting advies in te winnen bij de buitenlandse posten deel ik u mede hierover nog in overleg te zijn met mijn collega van Buitenlandse zaken, zulks mede na het kamerdebat van 18 november jl. U zult zo spoedig mogelijk nader worden geïnformeerd over de uitkomst van dit overleg.

In de tweede plaats wijs ik u erop dat activiteiten die nu met HGIS-middelen worden gefinancierd, niet opnieuw uit deze middelen kunnen worden gefinancierd. Voortzetting van deze activiteiten is dus alleen mogelijk als u hiervoor middelen reserveert in uw beleidsplan in het kader van de cultuurnota.

Flexibiliteit tijdens de planperiode

In de nota Cultuur als confrontatie en het overleg met u, heb ik aangegeven dat ik tijdens de cultuurplanperiode enige ruimte wil behouden om flexibel te kunnen inspelen op nieuwe beleidsontwikkelingen, ook budgettair. Ik heb zelf de suggestie gedaan van een `vereveningskas' van circa 5 procent van de fondsbudgetten. Ik heb u in het overleg uitgenodigd eventueel andere suggesties te doen. Die suggesties wacht ik af; ik zal daarover te zijner tijd opnieuw met u overleggen.

Hieronder volgt het deel dat alleen op uw fonds betrekking heeft.

In aanvulling op wat eerder in deze brief is gesteld over cultuurbereik zou ik het op prijs stellen als u in uw activiteitenplan voor de komende jaren ingaat op de gerichte activiteiten die u kunt ontwikkelen om de promotie en marketing van Nederlandse films verder te stimuleren.

In uw jaarverslag 1998 geeft u aan dat Nederlandse films nog steeds te weinig publiek trekken. De jongste ervaringen geven aan dat de vertelde verhalen het bredere publiek kennelijk nog onvoldoende aanspreken.

Mede door de betrokkenheid van de intendant bij scenario- en projectontwikkeling mag worden verwacht dat in de komende periode meer aansprekende producties tot ontwikkeling komen. Uw beleid op dit vlak zou verder aangevuld kunnen worden door de inzet van instrumenten gericht op het verruimen van de bedrijfscontinuïteit van met name kleine productiehuizen. Daarbij valt te denken aan meerjarige bedrijfskredieten, `matching funding' en `slate funding'.

Gelet op het belang van omroepfinanciering bij de ontwikkeling van projecten en ook gelet op het belang van diversificatie in de productiepakketten van bedrijven kan ik mij voorstellen dat u voor de uitwerking van voorstellen voor de inzet van deze instrumenten op dit terrein samenwerkt met andere av-fondsen.

Wat betreft de samenwerking tussen uw fonds en Fine BV merk ik het volgende op. Oorspronkelijk was het idee dat door de instelling van Fine BV er op termijn voor uw instelling meer ruimte zou ontstaan voor verhoogde aandacht voor de artistieke kwaliteitsfilm. Enige nuancering van deze gedachte vind ik gewenst. Uw fonds richt zich op de kwaliteit en diversiteit van het filmaanbod in Nederland: de artistieke kwaliteitsfilm én de duurdere films gericht op het bredere publiek. Dat blijft ook in de toekomst zo.

De evaluatie van uw samenwerking met Fine BV kan uiteraard leiden tot concretere werkafspraken tussen u en deze organisatie, waarbij ik ervan uitga dat uw fonds zich ook in de toekomst blijft richten op de ontwikkeling van grotere `publieksfilms'. Ik verwacht in uw activiteitenplan een uiteenzetting van uw actuele visie op de koers die u - uiteraard vanuit de cultuurpolitieke doelstelling van uw fonds
- in de komende periode op dit terrein voorstelt.

Mede in dit verband verneem ik graag uw opvatting over mogelijkheden ter verruiming van de internationale coproductiemogelijkheden voor Nederlandse bedrijven.

Ik ga ervan uit dat u in uw activiteiten bovendien prioriteit geeft aan projecten van vooral jonge filmteams, met name als deze met relatief lage fondsbijdragen in staat worden gesteld in commercieel opzicht rendabele projecten te ontwikkelen.

Om het strategisch management in de filmsector te verbeteren is in
1999 door het Maurits Binger Film Instituut een managementtraining voor producenten ontwikkeld. Ik verzoek u in uw activiteitenplan in te gaan op de samenwerking tussen dit Instituut en uw fonds op dit vlak.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

(dr. F. van der Ploeg)

Aan het bestuur van het

Fonds voor de Podiumkunsten

Onderwerp

Fondsenstructuur

Geacht bestuur,

In mijn brief aan de Tweede Kamer over de fondsenstructuur, heb ik aangegeven meer recht te willen doen aan de bijzondere positie die de fondsen in het cultuurbeleid innemen, met name door in een vroegtijdig stadium de uitgangspunten van het cultuurbeleid en de beleidsvorming van de fondsen beter op elkaar te betrekken. Deze brief dient daartoe.

Gezien de datum waarop de meerjarige beleidsplannen voor de cultuurnota 2001-2004 uiterlijk ingediend moeten zijn - 15 december
1999 -, kan deze brief echter moeilijk nog bijdragen aan de gewenste, vroegtijdige afstemming. Daarom heb ik besloten de bijzondere positie van de fondsen in ieder geval óók recht te doen door de datum waarop uw beleidsplan door mij ontvangen moet zijn, te bepalen op 28 januari
2000. De Raad voor Cultuur houdt inmiddels rekening met deze datum in de procedure die moet leiden tot zijn advies.

In deze brief geef ik weer wat naar mijn opvatting de uitgangspunten van het cultuurbeleid, zoals vervat in de nota's Ruim baan voor culturele diversiteit en Cultuur als confrontatie en de brieven over cultureel ondernemerschap en het internationaal cultuurbeleid, betekenen voor het beleid van de fondsen. Wat daarover wordt opgemerkt, is niet bedoeld als het laatste woord hierover. Wil deze brief vooral lezen als een voorzet en als een uitnodiging om vanuit uw eigen deskundigheid en ervaringen constructief mee te denken over de veranderingen die ik voorsta.

Deze brief bevat een algemeen deel, voor alle fondsen gelijk, en een specifiek deel dat alleen op uw fonds betrekking heeft. De brief sluit af met het specifieke deel.

De onderwerpen die ik hieronder aan de orde stel, hebben tenminste een aspect gemeen, namelijk dat ze van de fondsen een meer actieve, stimulerende, ondernemende en initiërende rol vragen. Dat is een rol die vervuld zou moeten worden aanvullend op die van subsidieloket: afwachten wat er binnenkomt, in commissieverband de kwaliteit ervan beoordelen en vervolgens subsidie geven.

Voor alle duidelijkheid: die loketfunctie blijft natuurlijk van groot belang, veel fondsen zijn primair daarvoor opgericht. De actievere rol die ik bepleit is geen doel op zichzelf, maar beschouw ik als noodzakelijke voorwaarde om enkele belangrijke prioriteiten te realiseren:

? Een groter maatschappelijke bereik en rendement voor het aanbod

? Meer doorstroming en diversiteit in het aanbod

? Betere aansluiting op (potentiële) vraag in de markt

? Toerusten van kunstenaars naar meer zelfstandigheid.

Mijn voorstellen zijn daarop gericht, maar met nadruk zeg ik erbij dat ik ideeën en voorstellen van de fondsen zelf om dat te bereiken, verwelkom.

Cultureel ondernemerschap

In mijn brief over cultureel ondernemerschap heb ik betoogd dat, in plaats van beschutting te bieden aan een imperfecte markt, het beleid er meer op gericht zou moeten zijn de markt te stimuleren en de kunstenaar toe te rusten om zich op die markt een plek te veroveren. Dat uitgangspunt zou mijns inziens het volgende betekenen:


10. de markt zou krachtiger kunnen worden ontwikkeld onder meer door het opdrachtgeverschap te stimuleren;


11. de kunstenaar zou beter kunnen worden ondersteund en toegerust om zich succesvol op de markt te kunnen bewegen; subsidies hebben in die versie bij voorkeur een tijdelijk karakter en bevatten prikkels die de ondernemerszin aanwakkeren en belonen;


12. er moeten betere facilitaire voorzieningen komen die de kunstenaar bijstaan bij meer praktische zaken als acquisitie van opdrachten, opbouwen van netwerken, verkoop aan het buitenland, tentoonstellingen e.d.

Ik voeg hier twee kanttekeningen aan toe. In de eerste plaats mag hieruit niet worden opgemaakt dat het kwaliteitscriterium geen rol meer speelt. Kwaliteit is en blijft een noodzakelijke voorwaarde om voor subsidie in aanmerking te komen. Maar bij de beoordeling zou aan die criteria een zwaarder gewicht kunnen worden toegekend, die het maatschappelijk bereik en rendement vergroten. Bovendien hoeft de kwaliteitstoets niet exclusief bij adviescommissies te liggen, maar kunnen, zoals in het opdrachtgeverschap, ook andere partijen die rol vervullen.

In de tweede plaats moeten er natuurlijk speciale voorzieningen blijven voor research & development en voor kunstenaars die van eminent belang zijn voor de Nederlandse cultuur en die met een soort staatsstipendium of een bijzondere opdracht worden vrijgesteld om zich volledig aan hun werk te wijden.

In het specifieke deel doe ik suggesties hoe deze meer marktgerichte benadering kan worden uitgewerkt voor de afzonderlijke fondsen.

Actieplan cultuurbereik: positie van de fondsen

Onlangs is met u overleg gevoerd, onder meer over de uitwerking van het zogenaamde Actieplan Cultuurbereik, zoals dat in de nota Cultuur als confrontatie is opgenomen, en de rol van de fondsen daarin. Daarbij is van mijn kant opgemerkt dat de speciale aandacht voor jongeren/educatie en culturele minderheden, wat betreft de fondsen vorm kan krijgen door vooral het aanbod van cultuuruitingen met een incidenteel karakter te ondersteunen. Ik vraag met name uw aandacht voor innovatieve projecten die mede tot doel hebben de cultuureducatie stevig in het onderwijs te verankeren en voor de speciale rol daarin van de lokale en regionale centra voor kunstzinnige vorming. Aanvullend is subsidiëring mogelijk van zeer specifieke (voorbeeld-)projecten van culturele instellingen die gericht zijn op de afname. Voor niet-instellingsgebonden projecten gericht op de afnamekant wordt gedacht aan een decentrale aanpak waarin aan gemeenten, al dan niet door tussenkomst van hun provincie, een belangrijke rol toekomt. In die decentrale aanpak hebben de fondsen in beginsel geen rol. Wel is denkbaar dat de toetsing van projecten in het decentrale traject, die in enigerlei vorm zal moeten plaatsvinden, indicaties oplevert voor de fondsen. Er is op dit moment geen aanleiding om daar in uw beleidsplan op te anticiperen.

Bredere deskundigheid bij beoordeling

Bij de beoordeling van kwaliteit is het niet alleen van belang hoe er geoordeeld wordt, maar ook wie beoordeelt. Juist omdat kwaliteit geen absoluut gegeven is, is het belangrijk dat het intersubjectieve oordeel vanuit alle denkbare invalshoeken tot stand komt, zowel in termen van representativiteit als van deskundigheden.

In de nota Ruim baan voor culturele diversiteit heb ik een lans gebroken voor een diverse samenstelling van besturen en commissies, in leeftijd, sexe en herkomst. Dat wil zeggen, diverser dan nu doorgaans het geval is. Voorzover ik zelf bevoegd ben, zal ik daar bij de benoemingen sterk rekening mee houden. Ik vraag de fondsen dat ook te doen bij de benoeming van commissieleden.

In Cultuur als confrontatie heb ik er bovendien voor gepleit om naast de vakinhoudelijke deskundigheid ook steeds andere, meer algemene deskundigheden in de beoordelingscommissies te betrekken. Het breder trekken van de deskundigheid voorkomt dat eenzijdig de nadruk komt te liggen op de smaak van professionals.

Doorstroming en jonge kunstenaars

Meer ruimte voor starters, ook uit culturele minderheden, en meer doorstroming en dynamiek in het aanbod zijn voor mij belangrijke prioriteiten. Ik onderscheid daarin drie aspecten. (1) Bestaande regelingen kunnen dichtslibben en moeilijk toegankelijk worden voor nieuwkomers, wanneer subsidies in de praktijk voor onbepaalde tijd verstrekt worden. (2) Soms kunnen nieuwe regelingen voor starters nodig zijn. Zo zou het Fonds voor de Podiumkunsten jonge kunstenaars kunnen helpen bij het ontwikkelen van een project, dus in het stadium voordat een projectaanvraag wordt ingediend. (3) Ook kan een actieve opstelling nodig zijn om talent op te sporen, te begeleiden en te coachen, in de vorm van `cultuurverkenners' of `makelaars' voor culturele diversiteit.

INTENDANTSCHAP

Voor een actievere rol van de fondsen kan de figuur van de intendant in sommige gevallen nuttig zijn. Het Nederlands Fonds voor de Film doet daarmee ervaringen op. Voorstellen daartoe zal ik met belangstelling tegemoet zien. Daarbij wil ik, gelet ook op de discussies in de Tweede Kamer hierover, drie randvoorwaarden stellen.


10. De intendant werkt onder directe verantwoordelijkheid van het bestuur en heeft dus geen eigen beslissingsbevoegdheid over het toekennen van subsidies.


11. Het moet mogelijk blijven om zonder inschakeling van de intendant subsidie aan te vragen, ook voor het terrein waarop de intendant werkzaam is.


12. Een intendant wordt voor een beperkte periode benoemd.

Digitale media en kunsten

In de uitgangspuntennotitie heb ik gemeld dat de ontwikkelingen in de digitale media niet zozeer een nieuwe sector als wel een nieuwe dimensie toevoegen aan de kunsten. Die ontwikkeling wil ik stimuleren en ik zie hierin een belangrijke taak weggelegd voor de fondsen. Het hybride, pluriforme en interdisciplinaire karakter van de digitale media/kunsten maakt dat projecten op dit gebied dwars door de sectoren en institutionele kaders heen snijden. Daarom acht ik het denkbaar dat er meer nodig is dan wat de fondsen ieder voor zich zouden kunnen bijdragen. Een onderlinge afstemming van regelingen lijkt me in ieder geval nodig om te voorkomen dat interdisciplinaire projecten tussen wal en schip geraken. Maar ik leg u ook de optie voor om verder te gaan en een gezamenlijke regeling en financiering te ontwerpen voor de ondersteuning van projecten op dit terrein. Dat heeft ook als voordeel dat gebruik gemaakt kan worden van een gezamenlijke pool van deskundigen. Het gaat om projecten die zich op research en innovatie richten en nadrukkelijk niet op technologische toepassingen.

Samenwerking en afstemming tussen fondsen onderling

De optie om op bepaalde terreinen gezamenlijk op te trekken, zou ik behalve voor de digitale media, ook voor andere onderwerpen willen bepleiten, met name voor onderwerpen die een interdisciplinair karakter hebben, de reikwijdte en draagkracht van afzonderlijke fondsen overstijgen en een gespecialiseerd soort deskundigheid vereisen. Ik denk aan cultuureducatieve projecten voor het onderwijs en aan projecten gericht op jongeren en culturele minderheden. De aanvankelijke plannen van de Mondriaanstichting en het Fonds voor de Podiumkunsten gezamenlijk voor het aanstellen van makelaars, vind ik daarvan een goed voorbeeld.

Internationaal cultuurbeleid

Juli j.l. heb ik - samen met mijn collega van Buitenlandse Zaken - een brief aan de Tweede Kamer doen toekomen over het internationaal cultuurbeleid en de besteding van de HGIS-Cultuur middelen. Daarnaast ben ik in een aparte brief aan de Tweede Kamer, in aansluiting op mijn uitgangspuntenbrief, ingegaan op het internationaal beleid dat ik in dat verband zal voeren. Een afschrift daarvan heeft u, als het goed is, ontvangen. Ik vraag hier uw aandacht voor twee zaken.

In de eerste plaats wil ik het prioriteitslandenbeleid versterken. Ik vraag u bij de internationale activiteiten die u wilt ondersteunen, rekening te houden met de regionale prioriteiten. Dit laat onverlet dat er artistiek-inhoudelijke overwegingen kunnen zijn om van deze gedragsregel af te wijken. Voor wat betreft de eerder aangegeven verplichting advies in te winnen bij de buitenlandse posten deel ik u mede hierover nog in overleg te zijn met mijn collega van Buitenlandse zaken, zulks mede na het kamerdebat van 18 november jl. U zult zo spoedig mogelijk nader worden geïnformeerd over de uitkomst van dit overleg.

In de tweede plaats wijs ik u erop dat activiteiten die nu met HGIS-middelen worden gefinancierd, niet opnieuw uit deze middelen kunnen worden gefinancierd. Voortzetting van deze activiteiten is dus alleen mogelijk als u hiervoor middelen reserveert in uw beleidsplan in het kader van de cultuurnota.

Flexibiliteit tijdens de planperiode

In de nota Cultuur als confrontatie en het overleg met u, heb ik aangegeven dat ik tijdens de cultuurplanperiode enige ruimte wil behouden om flexibel te kunnen inspelen op nieuwe beleidsontwikkelingen, ook budgettair. Ik heb zelf de suggestie gedaan van een `vereveningskas' van circa 5 procent van de fondsbudgetten. Ik heb u in het overleg uitgenodigd eventueel andere suggesties te doen. Die suggesties wacht ik af; ik zal daarover te zijner tijd opnieuw met u overleggen.

Hieronder volgt het deel dat alleen op uw fonds betrekking heeft.

Ik nodig de besturen van het Fonds voor de Podiumkunsten, het Fonds voor Amateurkunst en de Stichting Podiumkunstwerk uit hun beleidsplannen in nauw onderling overleg op te stellen, zodanig dat de facto sprake zal zijn van één onderling samenhangende visie vanuit de hoofdlijnen van het door mij in de uitgangspuntenbrief geformuleerde beleid.

In het bijzonder gaat het daarbij om de ontplooiing van jong talent, het actief benaderen van kunstenaars uit allochtone bevolkingsgroepen en het leggen van verbindingen tussen de amateurkunst en de professionele kunst. Ook van het flankerend beleid en het inzetten van Arbeidsmarkt Impuls gelden verwacht ik dat zij zullen bijdragen aan de realisering van deze doelstellingen.

Met betrekking tot de middelen die beschikbaar worden gesteld ten behoeve van de podiumkunsten en de amateurkunst verwacht ik dat de bestedingsvoorstellen en de reglementen een grote flexibiliteit zullen hebben, zodat ruimte bestaat voor ontwikkelingen op de korte termijn en de meest betekenisvolle projecten kunnen worden gehonoreerd, ongeacht de discipline binnen de podiumkunsten. Wat betreft het Fonds voor de Amateurkunst verzoek ik u in het bijzonder aandacht te besteden aan andere disciplines dan de podiumkunsten. Voorkomen moet worden dat de winst van een beleidsmatige verbinding met de professionele ten koste gaat van de aandacht voor de amateur-kunstenaars die die andere disciplines, zoals de beeldende, beoefenen.

Van de Fondsen wordt ook een actieve opstelling verwacht in die zin dat talentvolle jonge kunstenaars kunnen worden geholpen bij het ontwikkelen van hun project vóórdat tot het beoordelen van een projectaanvraag is gekomen. Het instrument van individuele stipendia kan daarvoor zijn aangewezen.

Wat betreft de tweejarige subsidies ga ik er vanuit dat deze met uiterste terughoudendheid worden toegekend, en dat deze ook daadwerkelijk tweejarig zullen zijn. Slechts bij hoge uitzondering zou een dergelijk tweejarig subsidie voor een tweede maal mogen worden verstrekt. Dit subsidie-instrument moet nadrukkelijk niet worden beschouwd als een opmaat voor een rechtstreeks vierjarig subsidie in het kader van de Cultuurnota.

Hiertegenover staat dat ik graag meer ruimte zou zien voor het honoreren van subsidieaanvragen voor reprises van voorstellingen die zeer succesvol zijn gebleken en waarnaar een evidente vraag is door de podia.

De versterking van de podia die ik voorsta brengt met zich mee dat van die zijde ook reëlere uitkoopsommen kunnen worden geboden. Het zou dan wel mogelijk moeten worden gemaakt dat geslaagde producties langer kunnen worden uitgespeeld of worden hernomen.

Ik beraad mij thans over de wijze waarop de positie van de podia kan worden versterkt. De middelen die u thans ter beschikking worden gesteld ten behoeve van de «Programmeringsimpuls» zullen in dat kader worden ingezet. In verband hiermee wijs ik u er op dat u er niet van kunst uitgaan dat deze middelen in de komende periode opnieuw aan uw Fonds beschikbaar worden gesteld. Over de toekomstige rol van het Fonds voor de Podiumkunsten in het kader van de afname versterking zal ik mij nog met u verstaan.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

(dr. F. van der Ploeg)

Het bestuur van het

Fonds voor De Scheppende Toonkunst

Paulus Potterstraat 16


1071 CZ AMSTERDAM

Onderwerp

Fondsenstructuur

Geacht bestuur,

In mijn brief aan de Tweede Kamer over de fondsenstructuur, heb ik aangegeven meer recht te willen doen aan de bijzondere positie die de fondsen in het cultuurbeleid innemen, met name door in een vroegtijdig stadium de uitgangspunten van het cultuurbeleid en de beleidsvorming van de fondsen beter op elkaar te betrekken. Deze brief dient daartoe.

Gezien de datum waarop de meerjarige beleidsplannen voor de cultuurnota 2001-2004 uiterlijk ingediend moeten zijn - 15 december
1999 -, kan deze brief echter moeilijk nog bijdragen aan de gewenste, vroegtijdige afstemming. Daarom heb ik besloten de bijzondere positie van de fondsen in ieder geval óók recht te doen door de datum waarop uw beleidsplan door mij ontvangen moet zijn, te bepalen op 28 januari
2000. De Raad voor Cultuur houdt inmiddels rekening met deze datum in de procedure die moet leiden tot zijn advies.

In deze brief geef ik weer wat naar mijn opvatting de uitgangspunten van het cultuurbeleid, zoals vervat in de nota's Ruim baan voor culturele diversiteit en Cultuur als confrontatie en de brieven over cultureel ondernemerschap en het internationaal cultuurbeleid, betekenen voor het beleid van de fondsen. Wat daarover wordt opgemerkt, is niet bedoeld als het laatste woord hierover. Wil deze brief vooral lezen als een voorzet en als een uitnodiging om vanuit uw eigen deskundigheid en ervaringen constructief mee te denken over de veranderingen die ik voorsta.

Deze brief bevat een algemeen deel, voor alle fondsen gelijk, en een specifiek deel dat alleen op uw fonds betrekking heeft. De brief sluit af met het specifieke deel.

De onderwerpen die ik hieronder aan de orde stel, hebben tenminste een aspect gemeen, namelijk dat ze van de fondsen een meer actieve, stimulerende, ondernemende en initiërende rol vragen. Dat is een rol die vervuld zou moeten worden aanvullend op die van subsidieloket: afwachten wat er binnenkomt, in commissieverband de kwaliteit ervan beoordelen en vervolgens subsidie geven. Voor alle duidelijkheid: die loketfunctie blijft natuurlijk van groot belang, veel fondsen zijn primair daarvoor opgericht. De actievere rol die ik bepleit is geen doel op zichzelf, maar beschouw ik als noodzakelijke voorwaarde om enkele belangrijke prioriteiten te realiseren:

? Een groter maatschappelijke bereik en rendement voor het aanbod

? Meer doorstroming en diversiteit in het aanbod

? Betere aansluiting op (potentiële) vraag in de markt

? Toerusten van kunstenaars naar meer zelfstandigheid.

Mijn voorstellen zijn daarop gericht, maar met nadruk zeg ik erbij dat ik ideeën en voorstellen van de fondsen zelf om dat te bereiken, verwelkom.

Cultureel ondernemerschap

In mijn brief over cultureel ondernemerschap heb ik betoogd dat, in plaats van beschutting te bieden aan een imperfecte markt, het beleid er meer op gericht zou moeten zijn de markt te stimuleren en de kunstenaar toe te rusten om zich op die markt een plek te veroveren. Dat uitgangspunt zou mijns inziens het volgende betekenen:


13. de markt zou veel krachtiger kunnen worden ontwikkeld onder meer door het opdrachtgeverschap te stimuleren;


14. de kunstenaar zou beter kunnen worden ondersteund en toegerust om zich succesvol op de markt te kunnen bewegen; subsidies hebben in die visie bij voorkeur een tijdelijk karakter en bevatten prikkels die de ondernemerszin aanwakkeren en belonen;


15. er moeten betere facilitaire voorzieningen komen die de kunstenaar bijstaan bij meer praktische zaken als acquisitie van opdrachten, opbouwen van netwerken, verkoop aan het buitenland, tentoonstellingen e.d.

Ik voeg hier twee kanttekeningen aan toe. In de eerste plaats mag hieruit niet worden opgemaakt dat het kwaliteitscriterium geen rol meer speelt. Kwaliteit is en blijft een noodzakelijke voorwaarde om voor subsidie in aanmerking te komen. Maar bij de beoordeling zou aan die criteria een zwaarder gewicht kunnen worden toegekend, die het maatschappelijk bereik en rendement vergroten. Bovendien hoeft de kwaliteitstoets niet exclusief bij adviescommissies te liggen, maar kunnen, zoals in het opdrachtgeverschap, ook andere partijen die rol vervullen.

In de tweede plaats moeten er natuurlijk speciale voorzieningen blijven voor research & development en voor kunstenaars die van eminent belang zijn voor de Nederlandse cultuur en die met een soort staatsstipendium of een bijzondere opdracht worden vrijgesteld om zich volledig aan hun werk te wijden.

In het specifieke deel doe ik suggesties hoe deze meer marktgerichte benadering kan worden uitgewerkt voor de afzonderlijke fondsen.

Actieplan cultuurbereik: positie van de fondsen

Onlangs is met u overleg gevoerd, onder meer over de uitwerking van het zogenaamde Actieplan Cultuurbereik, zoals dat in de nota Cultuur als confrontatie is opgenomen, en de rol van de fondsen daarin. Daarbij is van mijn kant opgemerkt dat de speciale aandacht voor jongeren/educatie en culturele minderheden, wat betreft de fondsen vorm kan krijgen door vooral het aanbod van cultuuruitingen met een incidenteel karakter te ondersteunen. Ik vraag met name uw aandacht voor innovatieve projecten die mede tot doel hebben de cultuureducatie stevig in het onderwijs te verankeren en voor de speciale rol daarin van de lokale en regionale centra voor kunstzinnige vorming. Aanvullend is subsidiëring mogelijk van zeer specifieke (voorbeeld-)projecten van culturele instellingen die gericht zijn op de afname. Voor niet-instellingsgebonden projecten gericht op de afnamekant wordt gedacht aan een decentrale aanpak waarin aan gemeenten, al dan niet door tussenkomst van hun provincie, een belangrijke rol toekomt. In die decentrale aanpak hebben de fondsen in beginsel geen rol. Wel is denkbaar dat de toetsing van projecten in het decentrale traject, die in enigerlei vorm zal moeten plaatsvinden, indicaties oplevert voor de fondsen. Er is op dit moment geen aanleiding om daar in uw beleidsplan op te anticiperen.

Bredere deskundigheid bij beoordeling

Bij de beoordeling van kwaliteit is het niet alleen van belang hoe er geoordeeld wordt, maar ook wie beoordeelt. Juist omdat kwaliteit geen absoluut gegeven is, is het belangrijk dat het intersubjectieve oordeel vanuit alle denkbare invalshoeken tot stand komt, zowel in termen van representativiteit als van deskundigheden.

In de nota Ruim baan voor culturele diversiteit heb ik een lans gebroken voor een diverse samenstelling van besturen en commissies, in leeftijd, sexe en herkomst. Dat wil zeggen, diverser dan nu doorgaans het geval is. Voorzover ik zelf bevoegd ben, zal ik daar bij de benoemingen sterk rekening mee houden. Ik vraag de fondsen dat ook te doen bij de benoeming van commissieleden.

In Cultuur als confrontatie heb ik er bovendien voor gepleit om naast de vakinhoudelijke deskundigheid ook steeds andere, meer algemene deskundigheden in de beoordelingscommissies te betrekken. Het breder trekken van de deskundigheid voorkomt dat eenzijdig de nadruk komt te liggen op de smaak van professionals.

Doorstroming en jonge kunstenaars

Meer ruimte voor starters, ook uit culturele minderheden, en meer doorstroming en dynamiek in het aanbod zijn voor mij belangrijke prioriteiten. Ik onderscheid daarin drie aspecten. (1) Bestaande regelingen kunnen dichtslibben en moeilijk toegankelijk worden voor nieuwkomers, wanneer subsidies in de praktijk voor onbepaalde tijd verstrekt worden. (2) Soms kunnen nieuwe regelingen voor starters nodig zijn. Zo zou het Fonds voor de Podiumkunsten jonge kunstenaars kunnen helpen bij het ontwikkelen van een project, dus in het stadium voordat een projectaanvraag wordt ingediend. (3) Ook kan een actieve opstelling nodig zijn om talent op te sporen, te begeleiden en te coachen, in de vorm van `cultuurverkenners' of `makelaars' voor culturele diversiteit.

INTENDANTSCHAP

Voor een actievere rol van de fondsen kan de figuur van de intendant in sommige gevallen nuttig zijn. Het Nederlands Fonds voor de Film doet daarmee ervaringen op. Voorstellen daartoe zal ik met belangstelling tegemoet zien. Daarbij wil ik, gelet ook op de discussies in de Tweede Kamer hierover, drie randvoorwaarden stellen.


13. De intendant werkt onder directe verantwoordelijkheid van het bestuur en heeft dus geen eigen beslissingsbevoegdheid over het toekennen van subsidies.


14. Het moet mogelijk blijven om zonder inschakeling van de intendant subsidie aan te vragen, ook voor het terrein waarop de intendant werkzaam is.


15. Een intendant wordt voor een beperkte periode benoemd.

Digitale media en kunsten

In de uitgangspuntennotitie heb ik gemeld dat de ontwikkelingen in de digitale media niet zozeer een nieuwe sector als wel een nieuwe dimensie toevoegen aan de kunsten. Die ontwikkeling wil ik stimuleren en ik zie hierin een belangrijke taak weggelegd voor de fondsen. Het hybride, pluriforme en interdisciplinaire karakter van de digitale media/kunsten maakt dat projecten op dit gebied dwars door de sectoren en institutionele kaders heen snijden. Daarom acht ik het denkbaar dat er meer nodig is dan wat de fondsen ieder voor zich zouden kunnen bijdragen. Een onderlinge afstemming van regelingen lijkt me in ieder geval nodig om te voorkomen dat interdisciplinaire projecten tussen wal en schip geraken. Maar ik leg u ook de optie voor om verder te gaan en een gezamenlijke regeling en financiering te ontwerpen voor de ondersteuning van projecten op dit terrein. Dat heeft ook als voordeel dat gebruik gemaakt kan worden van een gezamenlijke pool van deskundigen. Het gaat om projecten die zich op research en innovatie richten en nadrukkelijk niet op technologische toepassingen.

Samenwerking en afstemming tussen fondsen onderling

De optie om op bepaalde terreinen gezamenlijk op te trekken, zou ik behalve voor de digitale media, ook voor andere onderwerpen willen bepleiten, met name voor onderwerpen die een interdisciplinair karakter hebben, de reikwijdte en draagkracht van afzonderlijke fondsen overstijgen en een gespecialiseerd soort deskundigheid vereisen. Ik denk aan cultuureducatieve projecten voor het onderwijs en aan projecten gericht op jongeren en culturele minderheden. De aanvankelijke plannen van de Mondriaanstichting en het Fonds voor de Podiumkunsten gezamenlijk voor het aanstellen van makelaars, vind ik daarvan een goed voorbeeld.

Internationaal cultuurbeleid

Juli j.l. heb ik - samen met mijn collega van Buitenlandse Zaken - een brief aan de Tweede Kamer doen toekomen over het internationaal cultuurbeleid en de besteding van de HGIS-Cultuur middelen. Daarnaast ben ik in een aparte brief aan de Tweede Kamer, in aansluiting op mijn uitgangspuntenbrief, ingegaan op het internationaal beleid dat ik in dat verband zal voeren. Een afschrift daarvan heeft u, als het goed is, ontvangen. Ik vraag hier uw aandacht voor twee zaken.

In de eerste plaats wil ik het prioriteitslandenbeleid versterken. Ik vraag u bij de internationale activiteiten die u wilt ondersteunen, rekening te houden met de regionale prioriteiten. Dit laat onverlet dat er artistiek-inhoudelijke overwegingen kunnen zijn om van deze gedragsregel af te wijken. Voor wat betreft de eerder aangegeven verplichting advies in te winnen bij de buitenlandse posten deel ik u mede hierover nog in overleg te zijn met mijn collega van Buitenlandse zaken, zulks mede na het kamerdebat van 18 november jl. U zult zo spoedig mogelijk nader worden geïnformeerd over de uitkomst van dit overleg.

In de tweede plaats wijs ik u erop dat activiteiten die nu met HGIS-middelen worden gefinancierd, niet opnieuw uit deze middelen kunnen worden gefinancierd. Voortzetting van deze activiteiten is dus alleen mogelijk als u hiervoor middelen reserveert in uw beleidsplan in het kader van de cultuurnota.

Flexibiliteit tijdens de planperiode

In de nota Cultuur als confrontatie en het overleg met u, heb ik aangegeven dat ik tijdens de cultuurplanperiode enige ruimte wil behouden om flexibel te kunnen inspelen op nieuwe beleidsontwikkelingen, ook budgettair. Ik heb zelf de suggestie gedaan van een `vereveningskas' van circa 5 procent van de fondsbudgetten. Ik heb u in het overleg uitgenodigd eventueel andere suggesties te doen. Die suggesties wacht ik af; ik zal daarover te zijner tijd opnieuw met u overleggen.

Hieronder volgt het deel dat alleen op uw fonds betrekking heeft.

In de nota's Cultuur als confrontatie en Een ondernemende Cultuur en de gesprekken die naar aanleiding daarvan zijn gevoerd met uw bestuur en directeur, is uiteengezet waarom en in welke richting ik de huidige subsidiesystematiek voor het totstandkomen van composities wil aanpassen. Ik nodig het Fonds graag uit hieraan op de volgende punten uitwerking te geven.

Dankzij subsidies van het fonds is er een relatief hoge productie van nieuwe composities, die bovendien door deskundige adviseurs van het fonds kwalitatief hoogwaardig bevonden zijn.

Voor een gunstig muziekklimaat is echter meer nodig. Componisten, uitvoerders van muziek en publiek zijn in de loop der jaren teveel uit elkaar gegroeid. Deels heeft dit te maken met de eigen programmering van orkesten en ensembles, deels met de voorkeuren van componisten, maar ook de werkwijze die het fonds heeft ontwikkeld speelt hierin een rol.

Een vitaal muziekleven wordt gestimuleerd door een levendige wisselwerking tussen componisten, uitvoerders en een geïnteresseerd publiek. Die wisselwerking, de kennismaking van het Nederlandse publiek met nieuwe composities hoeft zich daarbij niet alleen te beperken tot de concertzaal, ook via muziek bij balletproducties, films of theaterproducties kan het publiek op een andere manier bij nieuwe muziek worden betrokken.

Ik zie hierin voor het fonds een belangrijke rol weggelegd en nodig het fonds graag uit om een instrumentarium te ontwikken dat deze wisselwerking stimuleert. Bij het ontwikkelen van dit instrumentarium vraag ik u aandacht te besteden aan de volgende aspecten.

Opdrachtgeverschap: het zou de wisselwerking tussen componisten en uitvoerders en het publiek ten goede komen, wanneer de uitvoerders opdrachten zouden verstrekken. Ik nodig u uit een subsidieregeling te ontwerpen waarbij orkesten, ensembles of operahuizen die een opdracht verstrekken en daarin zelf investeren, een deel van de kosten te vergoeden. Ook compositieopdrachten voor films, theater- en dansproducties, of bijzondere kunstevenementen zouden in aanmerking kunnen komen. Belangrijke opdrachtgevers zijn ook de amateur-orkesten en koren. Zij hebben grote behoefte aan nieuwe muziek van hoog niveau. Ook de overheid zelf zou vaker als opdrachtgever moeten fungeren, bijvoorbeeld bij bijzondere gelegenheden.

Bijzondere projecten van componisten: ik denk hierbij aan een regeling om projecten van componisten te honoreren die van bijzondere kwaliteit zijn, niet direct een uitvoerder hebben en bijvoorbeeld meer een laboratoriumfunctie vervullen.

Ondersteuning van componisten bij het ontwikkelen van een zelfstandige beroepspraktijk. Ik denk aan een impresariaatachtige functie: steun bij het opbouwen van een netwerk van opdrachtgevers en uitvoerders (orkesten, dirigenten ensembles, festivals, dansgezelschappen, amateur-muziekwereld, opera, filmmakers, omroepen, bedrijven), acquisitie, vergroten naamsbekendheid van componisten o.a. bij recensenten (ook buitenlandse), promoten van heruitvoeringen, promoten voor radio en tv registraties.

Voor het ontwikkelen van een instrumentarium is het heel wel denkbaar dat het Fonds samenwerking zoekt met andere partners. Te denken valt hierbij aan samenwerking met andere Fondsen (Podiumkunsten, Filmfonds) voor uitwerking van een opdrachtenregeling en Donemus voor de impresariaatfunctie. Uw voorstellen op deze punten wacht ik eveneens met belangstelling af.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

(dr. F. van der Ploeg)

De directeur van het Fonds

voor de Amateurkunst

dhr. drs. B. Hurkmans

Postbus 85471


2508 CD DEN HAAG

Onderwerp

Fondsenstructuur

Geachte heer Hurkmans,

In mijn brief aan de Tweede Kamer over de fondsenstructuur, heb ik aangegeven meer recht te willen doen aan de bijzondere positie die de fondsen in het cultuurbeleid innemen, met name door in een vroegtijdig stadium de uitgangspunten van het cultuurbeleid en de beleidsvorming van de fondsen beter op elkaar te betrekken. Deze brief dient daartoe.

Gezien de datum waarop de meerjarige beleidsplannen voor de cultuurnota 2001-2004 uiterlijk ingediend moeten zijn - 15 december
1999 -, kan deze brief echter moeilijk nog bijdragen aan de gewenste, vroegtijdige afstemming. Daarom heb ik besloten de bijzondere positie van de fondsen in ieder geval óók recht te doen door de datum waarop uw beleidsplan door mij ontvangen moet zijn, te bepalen op 28 januari
2000. De Raad voor Cultuur houdt inmiddels rekening met deze datum in de procedure die moet leiden tot zijn advies.

In deze brief geef ik weer wat naar mijn opvatting de uitgangspunten van het cultuurbeleid, zoals vervat in de nota's Ruim baan voor culturele diversiteit en Cultuur als confrontatie en de brieven over cultureel ondernemerschap en het internationaal cultuurbeleid, betekenen voor het beleid van de fondsen. Wat daarover wordt opgemerkt, is niet bedoeld als het laatste woord hierover. Wil deze brief vooral lezen als een voorzet en als een uitnodiging om vanuit uw eigen deskundigheid en ervaringen constructief mee te denken over de veranderingen die ik voorsta.

Deze brief bevat een algemeen deel, voor alle fondsen gelijk, en een specifiek deel dat alleen op uw fonds betrekking heeft. De brief sluit af met het specifieke deel.

De onderwerpen die ik hieronder aan de orde stel, hebben tenminste een aspect gemeen, namelijk dat ze van de fondsen een meer actieve, stimulerende, ondernemende en initiërende rol vragen. Dat is een rol die vervuld zou moeten worden aanvullend op die van subsidieloket: afwachten wat er binnenkomt, in commissieverband de kwaliteit ervan beoordelen en vervolgens subsidie geven. Voor alle duidelijkheid: die loket-functie blijft natuurlijk van groot belang, veel fondsen zijn primair daarvoor opgericht. De actievere rol die ik bepleit is geen doel op zichzelf, maar beschouw ik als noodzakelijke voorwaarde om enkele belangrijke prioriteiten te realiseren:

? Een groter maatschappelijke bereik en rendement voor het aanbod

? Meer doorstroming en diversiteit in het aanbod

? Betere aansluiting op (potentiële) vraag in de markt

? Toerusten van kunstenaars naar meer zelfstandigheid.

Mijn voorstellen zijn daarop gericht, maar met nadruk zeg ik erbij dat ik ideeën en voorstellen van de fondsen zelf om dat te bereiken, verwelkom.

Cultureel ondernemerschap

In mijn brief over cultureel ondernemerschap heb ik betoogd dat, in plaats van beschutting te bieden aan een imperfecte markt, het beleid er meer op gericht zou moeten zijn de markt te stimuleren en de kunstenaar toe te rusten om zich op die markt een plek te veroveren. Dat uitgangspunt zou mijns inziens het volgende betekenen:


16. de markt zou krachtiger kunnen worden ontwikkeld onder meer door het opdrachtgeverschap te stimuleren;


17. de kunstenaar zou beter kunnen worden ondersteund en toegerust om zich succesvol op de markt te kunnen bewegen; subsidies hebben in die visie bij voorkeur een tijdelijk karakter en bevatten prikkels die de ondernemerszin aanwakkeren en belonen;


18. er moeten betere facilitaire voorzieningen komen die de kunstenaar bijstaan bij meer praktische zaken als acquisitie van opdrachten, opbouwen van netwerken, verkoop aan het buitenland, tentoonstellingen e.d.

Ik voeg hier twee kanttekeningen aan toe. In de eerste plaats mag hieruit niet worden opgemaakt dat het kwaliteitscriterium geen rol meer speelt. Kwaliteit is en blijft een noodzakelijke voorwaarde om voor subsidie in aanmerking te komen. Maar bij de beoordeling zou aan die criteria een zwaarder gewicht kunnen worden toegekend, die het maatschappelijk bereik en rendement vergroten. Bovendien hoeft de kwaliteitstoets niet exclusief bij adviescommissies te liggen, maar kunnen, zoals in het opdrachtgeverschap, ook andere partijen die rol vervullen.

In de tweede plaats moeten er natuurlijk speciale voorzieningen blijven voor research & development en voor kunstenaars die van eminent belang zijn voor de Nederlandse cultuur en die met een soort staatsstipendium of een bijzondere opdracht worden vrijgesteld om zich volledig aan hun werk te wijden.

In het specifieke deel doe ik suggesties hoe deze meer marktgerichte benadering kan worden uitgewerkt voor de afzonderlijke fondsen.

Actieplan cultuurbereik: positie van de fondsen

Onlangs is met u overleg gevoerd, onder meer over de uitwerking van het zogenaamde Actieplan Cultuurbereik, zoals dat in de nota Cultuur als confrontatie is opgenomen, en de rol van de fondsen daarin. Daarbij is van mijn kant opgemerkt dat de speciale aandacht voor jongeren/educatie en culturele minderheden, wat betreft de fondsen vorm kan krijgen door vooral het aanbod van cultuuruitingen met een incidenteel karakter te ondersteunen. Ik vraag met name uw aandacht voor innovatieve projecten die mede tot doel hebben de cultuureducatie stevig in het onderwijs te verankeren en voor de speciale rol daarin van de lokale en regionale centra voor kunstzinnige vorming. Aanvullend is subsidiëring mogelijk van zeer specifieke (voorbeeld-)projecten van culturele instellingen die gericht zijn op de afname. Voor niet-instellingsgebonden projecten gericht op de afnamekant wordt gedacht aan een decentrale aanpak waarin aan gemeenten, al dan niet door tussenkomst van hun provincie, een belangrijke rol toekomt. In die decentrale aanpak hebben de fondsen in beginsel geen rol. Wel is denkbaar dat de toetsing van projecten in het decentrale traject, die in enigerlei vorm zal moeten plaatsvinden, indicaties oplevert voor de fondsen. Er is op dit moment geen aanleiding om daar in uw beleidsplan op te anticiperen.

Bredere deskundigheid bij beoordeling

Bij de beoordeling van kwaliteit is het niet alleen van belang hoe er geoordeeld wordt, maar ook wie beoordeelt. Juist omdat kwaliteit geen absoluut gegeven is, is het belangrijk dat het intersubjectieve oordeel vanuit alle denkbare invalshoeken tot stand komt, zowel in termen van representativiteit als van deskundigheden.

In de nota Ruim baan voor culturele diversiteit heb ik een lans gebroken voor een diverse samenstelling van besturen en commissies, in leeftijd, sexe en herkomst. Dat wil zeggen, diverser dan nu doorgaans het geval is. Voorzover ik zelf bevoegd ben, zal ik daar bij de benoemingen sterk rekening mee houden. Ik vraag de fondsen dat ook te doen bij de benoeming van commissieleden.

In Cultuur als confrontatie heb ik er bovendien voor gepleit om naast de vakinhoudelijke deskundigheid ook steeds andere, meer algemene deskundigheden in de beoordelingscommissies te betrekken. Het breder trekken van de deskundigheid voorkomt dat eenzijdig de nadruk komt te liggen op de smaak van professionals.

Doorstroming en jonge kunstenaars

Meer ruimte voor starters, ook uit culturele minderheden, en meer doorstroming en dynamiek in het aanbod zijn voor mij belangrijke prioriteiten. Ik onderscheid daarin drie aspecten. (1) Bestaande regelingen kunnen dichtslibben en moeilijk toegankelijk worden voor nieuwkomers, wanneer subsidies in de praktijk voor onbepaalde tijd verstrekt worden. (2) Soms kunnen nieuwe regelingen voor starters nodig zijn. Zo zou het Fonds voor de Podiumkunsten jonge kunstenaars kunnen helpen bij het ontwikkelen van een project, dus in het stadium voordat een projectaanvraag wordt ingediend. (3) Ook kan een actieve opstelling nodig zijn om talent op te sporen, te begeleiden en te coachen, in de vorm van `cultuurverkenners' of `makelaars' voor culturele diversiteit.

Intendantschap

Voor een actievere rol van de fondsen kan de figuur van de intendant in sommige gevallen nuttig zijn. Het Nederlands Fonds voor de Film doet daarmee ervaringen op. Voorstellen daartoe zal ik met belangstelling tegemoet zien. Daarbij wil ik, gelet ook op de discussies in de Tweede Kamer hierover, drie randvoorwaarden stellen.


16. De intendant werkt onder directe verantwoordelijkheid van het bestuur en heeft dus geen eigen beslissingsbevoegdheid over het toekennen van subsidies.


17. Het moet mogelijk blijven om zonder inschakeling van de intendant subsidie aan te vragen, ook voor het terrein waarop de intendant werkzaam is.


18. Een intendant wordt voor een beperkte periode benoemd.

Digitale media en kunsten

In de uitgangspuntennotitie heb ik gemeld dat de ontwikkelingen in de digitale media niet zozeer een nieuwe sector als wel een nieuwe dimensie toevoegen aan de kunsten. Die ontwikkeling wil ik stimuleren en ik zie hierin een belangrijke taak weggelegd voor de fondsen. Het hybride, pluriforme en interdisciplinaire karakter van de digitale media/kunsten maakt dat projecten op dit gebied dwars door de sectoren en institutionele kaders heen snijden. Daarom acht ik het denkbaar dat er meer nodig is dan wat de fondsen ieder voor zich zouden kunnen bijdragen. Een onderlinge afstemming van regelingen lijkt me in ieder geval nodig om te voorkomen dat interdisciplinaire projecten tussen wal en schip geraken. Maar ik leg u ook de optie voor om verder te gaan en een gezamenlijke regeling en financiering te ontwerpen voor de ondersteuning van projecten op dit terrein. Dat heeft ook als voordeel dat gebruik gemaakt kan worden van een gezamenlijke pool van deskundigen. Het gaat om projecten die zich op research en innovatie richten en nadrukkelijk niet op technologische toepassingen. Ik denk aan een bedrag van drie à vier miljoen gulden.

Samenwerking en afstemming tussen fondsen onderling

De optie om op bepaalde terreinen gezamenlijk op te trekken, zou ik behalve voor de digitale media, ook voor andere onderwerpen willen bepleiten, met name voor onderwerpen die een interdisciplinair karakter hebben, de reikwijdte en draagkracht van afzonderlijke fondsen overstijgen en een gespecialiseerd soort deskundigheid vereisen. Ik denk aan cultuureducatieve projecten voor het onderwijs en aan projecten gericht op jongeren en culturele minderheden. De aanvankelijke plannen van de Mondriaanstichting en het Fonds voor de Podiumkunsten gezamenlijk voor het aanstellen van makelaars, vind ik daarvan een goed voorbeeld.

Internationaal cultuurbeleid

Juli j.l. heb ik - samen met mijn collega van Buitenlandse Zaken - een brief aan de Tweede Kamer doen toekomen over het internationaal cultuurbeleid en de besteding van de HGIS-Cultuur middelen. Daarnaast ben ik in een aparte brief aan de Tweede Kamer, in aansluiting op mijn uitgangspuntenbrief, ingegaan op het internationaal beleid dat ik in dat verband zal voeren. Een afschrift daarvan heeft u, als het goed is, ontvangen. Ik vraag hier uw aandacht voor twee zaken.

In de eerste plaats wil ik het prioriteitslandenbeleid versterken. Ik vraag u bij de internationale activiteiten die u wilt ondersteunen, rekening te houden met de regionale prioriteiten en advies in te winnen bij de cz-functionaris in het betreffende land. Dat advies zou vooral moeten gaan over de omstandigheden ter plaatse, de partner in dat land, het mogelijke publieksbereik en dergelijke.

Dit laat onverlet dat er artistiek-inhoudelijke overwegingen kunnen zijn om van deze gedragsregel af te wijken.

In de tweede plaats wijs ik u erop dat activiteiten die nu met HGIS-middelen worden gefinancierd, niet opnieuw uit deze middelen kunnen worden gefinancierd. Voortzetting van deze activiteiten is dus alleen mogelijk als u hiervoor middelen reserveert in uw beleidsplan in het kader van de cultuurnota.

Flexibiliteit tijdens de planperiode

In de nota Cultuur als confrontatie en het overleg met u, heb ik aangegeven dat ik tijdens de cultuurplanperiode enige ruimte wil behouden om flexibel te kunnen inspelen op nieuwe beleidsontwikkelingen, ook budgettair. Ik heb zelf de suggestie gedaan van een `vereveningskas' van circa 5 procent van de fondsbudgetten. Ik heb u in het overleg uitgenodigd eventueel andere suggesties te doen. Die suggesties wacht ik af; ik zal daarover te zijner tijd opnieuw met u overleggen.

Hieronder volgt het deel dat alleen op uw fonds betrekking heeft.

Ik nodig de besturen van het Fonds voor de Podiumkunsten, het Fonds voor Amateurkunst en de Stichting Podiumkunstwerk uit hun beleidsplannen in nauw onderling overleg op te stellen, zodanig dat de facto sprake zal zijn van één onderling samenhangende visie vanuit de hoofdlijnen van het door mij in de uitgangspuntenbrief geformuleerde beleid.

In het bijzonder gaat het daarbij om de ontplooiïng van jong talent, het actief benaderen van kunstenaars uit allochtone bevolkingsgroepen en het leggen van verbindingen tussen de amateurkunst en de professionele kunst. Ook van het flankerend beleid en het inzetten van Arbeidsmarkt Impuls gelden verwacht ik dat zij zullen bijdragen aan de realisering van deze doelstellingen.

Met betrekking tot de middelen die beschikbaar worden gesteld ten behoeve van de podiumkunsten en de amateurkunst verwacht ik dat de bestedingsvoorstellen en de reglementen een grote flexibiliteit zullen hebben, zodat ruimte bestaat voor ontwikkelingen op de korte termijn en de meest betekenisvolle projecten kunnen worden gehonoreerd, ongeacht de discipline binnen de podiumkunsten. Wat betreft het Fonds voor de Amateurkunst verzoek ik u in het bijzonder aandacht te besteden aan andere disciplines dan de podiumkunsten. Voorkomen moet worden dat de winst van een beleidsmatige verbinding met de professionele ten koste gaat van de aandacht voor de amateurkunstenaars die die andere disciplines, zoals de beeldende, beoefenen.

Van de Fondsen wordt ook een actieve opstelling verwacht in die zin dat talentvolle jonge kunstenaars kunnen worden geholpen bij het ontwikkelen van hun project vóórdat tot het beoordelen van een projectaanvraag is gekomen. Het instrument van individuele stipendia kan daarvoor zijn aangewezen.

Wat betreft de tweejarige subsidies ga ik er vanuit dat deze met uiterste terughoudendheid worden toegekend, en dat deze ook daadwerkelijk tweejarig zullen zijn. Slechts bij hoge uitzondering zou een dergelijk tweejarig subsidie voor een tweede maal mogen worden verstrekt. Dit subsidie-instrument moet nadrukkelijk niet worden beschouwd als een opmaat voor een rechtstreeks vierjarig subsidie in het kader van de Cultuurnota.

Hiertegenover staat dat ik graag meer ruimte zou zien voor het honoreren van subsidieaanvragen voor reprises van voorstellingen die zeer succesvol zijn gebleken en waarnaar een evidente vraag is door de podia.

De versterking van de podia die ik voorsta brengt met zich mee dat van die zijde ook reëlere uitkoopsommen kunnen worden geboden. Het zou dan wel mogelijk moeten worden gemaakt dat geslaagde producties langer kunnen worden uitgespeeld of worden hernomen.

Ik beraad mij thans over de wijze waarop de positie van de podia kan worden versterkt. De middelen die u thans ter beschikking worden gesteld ten behoeve van de «Programmeringsimpuls» zullen in dat kader worden ingezet. In verband hiermee wijs ik u er op dat u er niet van kunst uitgaan dat deze middelen in de komende periode opnieuw aan uw Fonds beschikbaar worden gesteld. Over de toekomstige rol van het Fonds voor de Podiumkunsten in het kader van de afname versterking zal ik mij nog met u verstaan.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur enWetenschappen,

(dr. F. van der Ploeg)

Nederlands Literair Productie- en

Vertalingenfonds

Singel 464


1017 AW Amsterdam

Geacht bestuur,

In mijn brief aan de Tweede Kamer over de fondsenstructuur, heb ik aangegeven meer recht te willen doen aan de bijzondere positie die de fondsen in het cultuurbeleid innemen, met name door in een vroegtijdig stadium de uitgangspunten van het cultuurbeleid en de beleidsvorming van de fondsen beter op elkaar te betrekken. Deze brief dient daartoe.

Gezien de datum waarop de meerjarige beleidsplannen voor de cultuurnota 2001-2004 uiterlijk ingediend moeten zijn - 15 december
1999 -, kan deze brief echter moeilijk nog bijdragen aan de gewenste, vroegtijdige afstemming. Daarom heb ik besloten de bijzondere positie van de fondsen in ieder geval óók recht te doen door de datum waarop uw beleidsplan door mij ontvangen moet zijn, te bepalen op 28 januari
2000. De Raad voor Cultuur houdt inmiddels rekening met deze datum in de procedure die moet leiden tot zijn advies.

In deze brief geef ik weer wat naar mijn opvatting de uitgangspunten van het cultuurbeleid, zoals vervat in de nota's Ruim baan voor culturele diversiteit en Cultuur als confrontatie en de brieven over cultureel ondernemerschap en het internationaal cultuurbeleid, betekenen voor het beleid van de fondsen. Wat daarover wordt opgemerkt, is niet bedoeld als het laatste woord hierover. Wil deze brief vooral lezen als een voorzet en als een uitnodiging om vanuit uw eigen deskundigheid en ervaringen constructief mee te denken over de veranderingen die ik voorsta.

Deze brief bevat een algemeen deel, voor alle fondsen gelijk, en een specifiek deel dat alleen op uw fonds betrekking heeft. De brief sluit af met het specifieke deel.

De onderwerpen die ik hieronder aan de orde stel, hebben tenminste een aspect gemeen, namelijk dat ze van de fondsen een meer actieve, stimulerende, ondernemende en initiërende rol vragen. Dat is een rol die vervuld zou moeten worden naast die van subsidieloket: afwachten wat er binnenkomt, in commissieverband de kwaliteit ervan beoordelen en vervolgens subsidie geven. Voor alle duidelijkheid: die loket-functie blijft natuurlijk van groot belang, veel fondsen zijn primair daarvoor opgericht. De actievere rol die ik bepleit is geen doel op zichzelf, maar beschouw ik als noodzakelijke voorwaarde om enkele belangrijke prioriteiten te realiseren:

? Een groter maatschappelijke bereik en rendement voor het aanbod

? Meer doorstroming en diversiteit in het aanbod

? Betere aansluiting op (potentiële) vraag in de markt

? Toerusten van kunstenaars naar meer zelfstandigheid.

MLB/LB/1999/47.755

Mijn voorstellen zijn daarop gericht, maar met nadruk zeg ik erbij dat ik ideeën en voorstellen van de fondsen zelf om dat te bereiken, verwelkom.

Cultureel ondernemerschap

In mijn brief over cultureel ondernemerschap heb ik betoogd dat, in plaats van beschutting te bieden aan een imperfecte markt, het beleid er meer op gericht zou moeten zijn de markt te stimuleren en de kunstenaar toe te rusten om zich op die markt een plek te veroveren. Dat uitgangspunt zou mijns inziens het volgende betekenen:


19. de markt moet veel krachtiger worden ontwikkeld onder meer door het opdrachtgeverschap te stimuleren;


20. de kunstenaar moet worden ondersteund en toegerust om zich succesvol op de markt te kunnen bewegen; subsidies hebben een tijdelijk karakter en bevatten prikkels die de ondernemerszin aanwakkeren en belonen;


21. er moeten betere facilitaire voorzieningen komen die de kunstenaar bijstaan bij meer praktische zaken als acquisitie van opdrachten, opbouwen van netwerken, verkoop aan het buitenland, tentoonstellingen e.d.

Ik voeg hier twee kanttekeningen aan toe. In de eerste plaats mag hieruit niet worden opgemaakt dat het kwaliteitscriterium geen rol meer speelt. Kwaliteit is en blijft een noodzakelijke voorwaarde om voor subsidie in aanmerking te komen. Maar bij de beoordeling zou aan die criteria een zwaarder gewicht moeten worden toegekend, die het maatschappelijk bereik en rendement vergroten. Bovendien hoeft de kwaliteitstoets niet exclusief bij adviescommissies te liggen, maar kunnen, zoals in het opdrachtgeverschap, ook andere partijen die rol vervullen.

In de tweede plaats moeten er speciale voorzieningen blijven voor research & development en voor kunstenaars die van eminent belang zijn gebleken voor de Nederlandse cultuur en die met een soort staatsstipendium of een bijzondere opdracht worden vrijgesteld om zich volledig aan hun werk te wijden.

In het specifieke deel doe ik suggesties hoe deze meer marktgerichte benadering kan worden uitgewerkt voor de afzonderlijke fondsen.

Actieplan cultuurbereik: positie van de fondsen

Onlangs is met u overleg gevoerd, onder meer over de uitwerking van het zogenaamde Actieplan Cultuurbereik, zoals dat in de nota Cultuur als confrontatie is opgenomen, en de rol van de fondsen daarin. Daarbij is van mijn kant opgemerkt dat de speciale aandacht voor jongeren/educatie en culturele minderheden, wat betreft de fondsen vorm kan krijgen door vooral het aanbod van cultuuruitingen met een incidenteel karakter te ondersteunen. Ik vraag met name uw aandacht voor innovatieve projecten die mede tot doel hebben de cultuureducatie stevig in het onderwijs te verankeren en voor de speciale rol daarin van de lokale en regionale centra voor kunstzinnige vorming. Aanvullend is subsidiëring mogelijk van zeer specifieke (voorbeeld-)projecten van culturele instellingen die gericht zijn op de afname. Voor niet-instellingsgebonden projecten gericht op de afnamekant wordt gedacht aan een decentrale aanpak waarin aan gemeenten, al dan niet door tussenkomst van hun provincie, een belangrijke rol toekomt. In die decentrale aanpak hebben de fondsen in beginsel geen rol. Wel is denkbaar dat de toetsing van projecten in het decentrale traject, die in enigerlei vorm zal moeten plaatsvinden, indicaties oplevert voor de fondsen. Er is op dit moment geen aanleiding om daar in uw beleidsplan op te anticiperen.

Bredere deskundigheid bij beoordeling

Bij de beoordeling van kwaliteit is het niet alleen van belang hoe er geoordeeld wordt, maar ook wie beoordeelt. Juist omdat kwaliteit geen absoluut gegeven is, is het belangrijk dat het intersubjectieve oordeel vanuit alle denkbare invalshoeken tot stand komt, zowel in termen van representativiteit als van deskundigheden.

In de nota Ruim baan voor culturele diversiteit heb ik een lans gebroken voor een diverse samenstelling van besturen en commissies, in leeftijd, sexe en herkomst. Dat wil zeggen, diverser dan nu doorgaans het geval is. Voorzover ik zelf bevoegd ben, zal ik daar bij de benoemingen sterk rekening mee houden. Ik vraag de fondsen dat ook te doen bij de benoeming van commissieleden.

In Cultuur als confrontatie heb ik er bovendien voor gepleit om naast de vakinhoudelijke deskundigheid ook steeds andere, meer algemene deskundigheden in de beoordelingscommissies te betrekken. Het breder trekken van de deskundigheid voorkomt dat eenzijdig de nadruk komt te liggen op de smaak van professionals.

Doorstroming en jonge kunstenaars

Meer ruimte voor starters, ook uit culturele minderheden, en meer doorstroming en dynamiek in het aanbod zijn voor mij belangrijke prioriteiten. Ik onderscheid daarin drie aspecten. (1) Bestaande regelingen kunnen dichtslibben en moeilijk toegankelijk worden voor nieuwkomers, wanneer subsidies in de praktijk voor onbepaalde tijd verstrekt worden. (2) Soms kunnen nieuwe regelingen voor starters nodig zijn. Zo zou het Fonds voor de Podiumkunsten jonge kunstenaars kunnen helpen bij het ontwikkelen van een project, dus in het stadium voordat een projectaanvraag wordt ingediend. (3) Ook kan een actieve opstelling nodig zijn om talent op te sporen, te begeleiden en te coachen, in de vorm van `cultuurverkenners' of `makelaars' voor culturele diversiteit.

Intendantschap

Voor een actievere rol van de fondsen kan de figuur van de intendant in sommige gevallen nuttig zijn. Het Nederlands Fonds voor de Film doet daarmee ervaringen op. Voorstellen daartoe zal ik met belangstelling tegemoet zien. Daarbij wil ik, gelet ook op de discussies in de Tweede Kamer hierover, drie randvoorwaarden stellen.


19. De intendant werkt onder directe verantwoordelijkheid van het bestuur en heeft dus geen eigen beslissingsbevoegdheid over het toekennen van subsidies.


20. Het moet mogelijk blijven om zonder inschakeling van de intendant subsidie aan te vragen, ook voor het terrein waarop de intendant werkzaam is.


21. Een intendant wordt voor een beperkte periode benoemd.

Digitale media en kunsten

In de uitgangspuntennotitie heb ik gemeld dat de ontwikkelingen in de digitale media niet zozeer een nieuwe sector als wel een nieuwe dimensie toevoegen aan de kunsten. Die ontwikkeling wil ik stimuleren en ik zie hierin een belangrijke taak weggelegd voor de fondsen. Het hybride, pluriforme en interdisciplinaire karakter van de digitale media/kunsten maakt dat projecten op dit gebied dwars door de sectoren en institutionele kaders heen snijden. Daarom acht ik het denkbaar dat er meer nodig is dan wat de fondsen ieder voor zich zouden kunnen bijdragen. Een onderlinge afstemming van regelingen lijkt me in ieder geval nodig om te voorkomen dat interdisciplinaire projecten tussen wal en schip geraken. Maar ik leg u ook de optie voor om verder te gaan en een gezamenlijke regeling en financiering te ontwerpen voor de ondersteuning van projecten op dit terrein. Dat heeft ook als voordeel dat gebruik gemaakt kan worden van een gezamenlijke pool van deskundigen. Het gaat om projecten die zich op research en innovatie richten en nadrukkelijk niet op technologische toepassingen. Ik denk aan een bedrag van drie à vier miljoen gulden.

Samenwerking en afstemming tussen fondsen onderling

De optie om op bepaalde terreinen gezamenlijk op te trekken, zou ik behalve voor de digitale media, ook voor andere onderwerpen willen bepleiten, met name voor onderwerpen die een interdisciplinair karakter hebben, de reikwijdte en draagkracht van afzonderlijke fondsen overstijgen en een gespecialiseerd soort deskundigheid vereisen. Ik denk aan cultuureducatieve projecten voor het onderwijs en aan projecten gericht op jongeren en culturele minderheden. De aanvankelijke plannen van de Mondriaanstichting en het Fonds voor de Podiumkunsten gezamenlijk voor het aanstellen van makelaars, vind ik daarvan een goed voorbeeld.

Internationaal cultuurbeleid

Juli j.l. heb ik - samen met mijn collega van Buitenlandse Zaken - een brief aan de Tweede Kamer doen toekomen over het internationaal cultuurbeleid en de besteding van de HGIS-Cultuur middelen. Daarnaast ben ik in een aparte brief aan de Tweede Kamer, in aansluiting op mijn uitgangspuntenbrief, ingegaan op het internationaal beleid dat ik in dat verband zal voeren. Een afschrift daarvan heeft u, als het goed is, ontvangen. Ik vraag hier uw aandacht voor twee zaken.

MLB/LB/1999/47.755

In de eerste plaats wil ik het prioriteitslandenbeleid versterken. Ik vraag u bij de internationale activiteiten die u wilt ondersteunen, rekening te houden met de regionale prioriteiten en advies in te winnen bij de cz-functionaris in het betreffende land. Dat advies zou vooral moeten gaan over de omstandigheden ter plaatse, de partner in dat land, het mogelijke publieksbereik en dergelijke.

Dit laat onverlet dat er artistiek-inhoudelijke overwegingen kunnen zijn om van deze gedragsregel af te wijken.

In de tweede plaats wijs ik u erop dat activiteiten die nu met HGIS-middelen worden gefinancierd, niet opnieuw uit deze middelen kunnen worden gefinancierd. Voortzetting van deze activiteiten is dus alleen mogelijk als u hiervoor middelen reserveert in uw beleidsplan in het kader van de cultuurnota.

Flexibiliteit tijdens de planperiode

In de nota Cultuur als confrontatie en het overleg met u, heb ik aangegeven dat ik tijdens de cultuurplanperiode enige ruimte wil behouden om flexibel te kunnen inspelen op nieuwe beleidsontwikkelingen, ook budgettair. Ik heb zelf de suggestie gedaan van een `vereveningskas' van circa 5 procent van de fondsbudgetten. Ik heb u in het overleg uitgenodigd eventueel andere suggesties te doen. Die suggesties wacht ik af; ik zal daarover te zijner tijd opnieuw met u overleggen.

Hieronder volgt het deel dat alleen op uw fonds betrekking heeft.

Met betrekking tot de doelmatigheid van het vertalingenbeleid heb ik behoefte aan een evaluatieve terugblik aan de hand van enkele principiële thema's.

Ik vind het gewenst dat u in uw beleidsplan nader ingaat op de volgende vragen die ik ook de Raad zal voorleggen als onderdeel van de adviesaanvraag :


1. De verhouding tussen de private sector en de publieke sector.

Hoe zijn de taken en de inzet van financiële middelen verdeeld tussen het commerciële kanaal (uitgevers/agenten) enerzijds en het Produktiefonds anderzijds bij het opwekken van belangstelling van buitenlandse uitgevers voor de uitgave van Nederlandse auteurs ? Beantwoordt deze taakverdeling aan de publieke opdracht van het Nlpvf?


2. De verhouding kosten/baten

Is uitspraak mogelijk over de vraag of de geïnvesteerde publieke middelen opwegen tegen de baten, in meer kwalitatieve zin ( scheppen gunstig klimaat voor Nederlandse literatuur en cultuur) én kwantitatief afgemeten aan het aantal vertaalde

werken ?


3. De verhouding aanbodskwaliteit/ marktvraag

Uitgangspunt voor het Nlpvf is dat het uitsluitend zin heeft om die werken van Nederlandse literaire auteurs te promoten waarvoor een buitenlandse vraag bestaat. Deze pragmatische aanpak kán ertoe leiden dat goede auteurs vanwege gebrek aan marktpotentieel buiten beeld blijven en de promotie zich richt op een beperkt aantal van steeds dezelfde auteurs .Is bij de selectie van auteurs een goede balans gevonden tussen `markt' en `kwaliteit', hoe groot is het bereik van het vertalingenbeleid ?


4.Vertalingenbeleid en cultureel ondernemerschap

Is er sprake van positieve effecten van het vertalingenbeleid op de ontwikkeling van het cultureel ondernemerschap van auteurs ?

Tevens vraag ik uw aandacht voor mijn beleidsvoornemens met betrekking tot de ondersteuning van literaire produkties in gebarentaal.

Met ingang van de nieuwe Cultuurnota wordt de totstandkoming van cultuuruitingen in gebarentaal onderdeel van het reguliere cultuurbeleid. De betrokken cultuurfondsen zijn het Fonds voor de Podiumkunsten (theaterprodukties in gebarentaal) en de beide letterenfondsen.

U dient hiermee rekening te houden in uw beleidsplan. Ik verzoek u daarin te omschrijven welke subsidiecriteria u voorstelt te hanteren voor produkties in gebarentaal.

Hoogachtend,

de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur enWetenschappen,

dr. F. van der Ploeg,

Het Bestuur van de Mondriaanstichting

Jacob Obrechtstraat 56


1071 KN AMSTERDAM

Onderwerp

Fondsenstructuur

Geacht bestuur,

In mijn brief aan de Tweede Kamer over de fondsenstructuur, heb ik aangegeven meer recht te willen doen aan de bijzondere positie die de fondsen in het cultuurbeleid innemen, met name door in een vroegtijdig stadium de uitgangspunten van het cultuurbeleid en de beleidsvorming van de fondsen beter op elkaar te betrekken. Deze brief dient daartoe.

Gezien de datum waarop de meerjarige beleidsplannen voor de cultuurnota 2001-2004 uiterlijk ingediend moeten zijn - 15 december
1999 -, kan deze brief echter moeilijk nog bijdragen aan de gewenste, vroegtijdige afstemming. Daarom heb ik besloten de bijzondere positie van de fondsen in ieder geval óók recht te doen door de datum waarop uw beleidsplan door mij ontvangen moet zijn, te bepalen op 28 januari
2000. De Raad voor Cultuur houdt inmiddels rekening met deze datum in de procedure die moet leiden tot zijn advies.

In deze brief geef ik weer wat naar mijn opvatting de uitgangspunten van het cultuurbeleid, zoals vervat in de nota's Ruim baan voor culturele diversiteit en Cultuur als confrontatie en de brieven over cultureel ondernemerschap en het internationaal cultuurbeleid, betekenen voor het beleid van de fondsen. Wat daarover wordt opgemerkt, is niet bedoeld als het laatste woord hierover. Wil deze brief vooral lezen als een voorzet en als een uitnodiging om vanuit uw eigen deskundigheid en ervaringen constructief mee te denken over de veranderingen die ik voorsta.

Deze brief bevat een algemeen deel, voor alle fondsen gelijk, en een specifiek deel dat alleen op uw fonds betrekking heeft. De brief sluit af met het specifieke deel.

De onderwerpen die ik hieronder aan de orde stel, hebben tenminste een aspect gemeen, namelijk dat ze van de fondsen een meer actieve, stimulerende, ondernemende en initiërende rol vragen. Dat is een rol die vervuld zou moeten worden aanvullend op die van subsidieloket: afwachten wat er binnenkomt, in commissieverband de kwaliteit ervan beoordelen en vervolgens subsidie geven. Voor alle duidelijkheid: die loketfunctie blijft natuurlijk van groot belang, veel fondsen zijn primair daarvoor opgericht. De actievere rol die ik bepleit is geen doel op zichzelf, maar beschouw ik als noodzakelijke voorwaarde om enkele belangrijke prioriteiten te realiseren:

? Een groter maatschappelijke bereik en rendement voor het aanbod

? Meer doorstroming en diversiteit in het aanbod

? Betere aansluiting op (potentiële) vraag in de markt

? Toerusten van kunstenaars naar meer zelfstandigheid.

Mijn voorstellen zijn daarop gericht, maar met nadruk zeg ik erbij dat ik ideeën en voorstellen van de fondsen zelf om dat te bereiken, verwelkom.

Cultureel ondernemerschap

In mijn brief over cultureel ondernemerschap heb ik betoogd dat, in plaats van beschutting te bieden aan een imperfecte markt, het beleid er meer op gericht zou moeten zijn de markt te stimuleren en de kunstenaar toe te rusten om zich op die markt een plek te veroveren. Dat uitgangspunt zou mijns inziens het volgende betekenen:


22. de markt zou veel krachtiger kunnen worden ontwikkeld onder meer door het opdrachtgeverschap te stimuleren;


23. de kunstenaar zou beter kunnen worden ondersteund en toegerust om zich succesvol op de markt te kunnen bewegen; subsidies hebben in die visie bij voorkeur een tijdelijk karakter en bevatten prikkels die de ondernemerszin aanwakkeren en belonen;


24. er moeten betere facilitaire voorzieningen komen die de kunstenaar bijstaan bij meer praktische zaken als acquisitie van opdrachten, opbouwen van netwerken, verkoop aan het buitenland, tentoonstellingen e.d.

Ik voeg hier twee kanttekeningen aan toe. In de eerste plaats mag hieruit niet worden opgemaakt dat het kwaliteitscriterium geen rol meer speelt. Kwaliteit is en blijft een noodzakelijke voorwaarde om voor subsidie in aanmerking te komen. Maar bij de beoordeling zou aan die criteria een zwaarder gewicht kunnen worden toegekend, die het maatschappelijk bereik en rendement vergroten. Bovendien hoeft de kwaliteitstoets niet exclusief bij adviescommissies te liggen, maar kunnen, zoals in het opdrachtgeverschap, ook andere partijen die rol vervullen.

In de tweede plaats moeten er natuurlijk speciale voorzieningen blijven voor research & development en voor kunstenaars die van eminent belang zijn voor de Nederlandse cultuur en die met een soort staatsstipendium of een bijzondere opdracht worden vrijgesteld om zich volledig aan hun werk te wijden.

In het specifieke deel doe ik suggesties hoe deze meer marktgerichte benadering kan worden uitgewerkt voor de afzonderlijke fondsen.

Actieplan cultuurbereik: positie van de fondsen

Onlangs is met u overleg gevoerd, onder meer over de uitwerking van het zogenaamde Actieplan Cultuurbereik, zoals dat in de nota Cultuur als confrontatie is opgenomen, en de rol van de fondsen daarin. Daarbij is van mijn kant opgemerkt dat de speciale aandacht voor jongeren/educatie en culturele minderheden, wat betreft de fondsen vorm kan krijgen door vooral het aanbod van cultuuruitingen met een incidenteel karakter te ondersteunen. Ik vraag met name uw aandacht voor innovatieve projecten die mede tot doel hebben de cultuureducatie stevig in het onderwijs te verankeren en voor de speciale rol daarin van de lokale en regionale centra voor kunstzinnige vorming. Aanvullend is subsidiëring mogelijk van zeer specifieke (voorbeeld-)projecten van culturele instellingen die gericht zijn op de afname. Voor niet-instellingsgebonden projecten gericht op de afnamekant wordt gedacht aan een decentrale aanpak waarin aan gemeenten, al dan niet door tussenkomst van hun provincie, een belangrijke rol toekomt. In die decentrale aanpak hebben de fondsen in beginsel geen rol. Wel is denkbaar dat de toetsing van projecten in het decentrale traject, die in enigerlei vorm zal moeten plaatsvinden, indicaties oplevert voor de fondsen. Er is op dit moment geen aanleiding om daar in uw beleidsplan op te anticiperen.

Bredere deskundigheid bij beoordeling

Bij de beoordeling van kwaliteit is het niet alleen van belang hoe er geoordeeld wordt, maar ook wie beoordeelt. Juist omdat kwaliteit geen absoluut gegeven is, is het belangrijk dat het intersubjectieve oordeel vanuit alle denkbare invalshoeken tot stand komt, zowel in termen van representativiteit als van deskundigheden.

In de nota Ruim baan voor culturele diversiteit heb ik een lans gebroken voor een diverse samenstelling van besturen en commissies, in leeftijd, sexe en herkomst. Dat wil zeggen, diverser dan nu doorgaans het geval is. Voorzover ik zelf bevoegd ben, zal ik daar bij de benoemingen sterk rekening mee houden. Ik vraag de fondsen dat ook te doen bij de benoeming van commissieleden.

In Cultuur als confrontatie heb ik er bovendien voor gepleit om naast de vakinhoudelijke deskundigheid ook steeds andere, meer algemene deskundigheden in de beoordelingscommissies te betrekken. Het breder trekken van de deskundigheid voorkomt dat eenzijdig de nadruk komt te liggen op de smaak van professionals.

Doorstroming en jonge kunstenaars

Meer ruimte voor starters, ook uit culturele minderheden, en meer doorstroming en dynamiek in het aanbod zijn voor mij belangrijke prioriteiten. Ik onderscheid daarin drie aspecten. (1) Bestaande regelingen kunnen dichtslibben en moeilijk toegankelijk worden voor nieuwkomers, wanneer subsidies in de praktijk voor onbepaalde tijd verstrekt worden. (2) Soms kunnen nieuwe regelingen voor starters nodig zijn. Zo zou het Fonds voor de Podiumkunsten jonge kunstenaars kunnen helpen bij het ontwikkelen van een project, dus in het stadium voordat een projectaanvraag wordt ingediend. (3) Ook kan een actieve opstelling nodig zijn om talent op te sporen, te begeleiden en te coachen, in de vorm van `cultuurverkenners' of `makelaars' voor culturele diversiteit.

INTENDANTSCHAP

Voor een actievere rol van de fondsen kan de figuur van de intendant in sommige gevallen nuttig zijn. Het Nederlands Fonds voor de Film doet daarmee ervaringen op. Voorstellen daartoe zal ik met belangstelling tegemoet zien. Daarbij wil ik, gelet ook op de discussies in de Tweede Kamer hierover, drie randvoorwaarden stellen.


22. De intendant werkt onder directe verantwoordelijkheid van het bestuur en heeft dus geen eigen beslissingsbevoegdheid over het toekennen van subsidies.


23. Het moet mogelijk blijven om zonder inschakeling van de intendant subsidie aan te vragen, ook voor het terrein waarop de intendant werkzaam is.


24. Een intendant wordt voor een beperkte periode benoemd.

Digitale media en kunsten

In de uitgangspuntennotitie heb ik gemeld dat de ontwikkelingen in de digitale media niet zozeer een nieuwe sector als wel een nieuwe dimensie toevoegen aan de kunsten. Die ontwikkeling wil ik stimuleren en ik zie hierin een belangrijke taak weggelegd voor de fondsen. Het hybride, pluriforme en interdisciplinaire karakter van de digitale media/kunsten maakt dat projecten op dit gebied dwars door de sectoren en institutionele kaders heen snijden. Daarom acht ik het denkbaar dat er meer nodig is dan wat de fondsen ieder voor zich zouden kunnen bijdragen. Een onderlinge afstemming van regelingen lijkt me in ieder geval nodig om te voorkomen dat interdisciplinaire projecten tussen wal en schip geraken. Maar ik leg u ook de optie voor om verder te gaan en een gezamenlijke regeling en financiering te ontwerpen voor de ondersteuning van projecten op dit terrein. Dat heeft ook als voordeel dat gebruik gemaakt kan worden van een gezamenlijke pool van deskundigen. Het gaat om projecten die zich op research en innovatie richten en nadrukkelijk niet op technologische toepassingen.

Samenwerking en afstemming tussen fondsen onderling

De optie om op bepaalde terreinen gezamenlijk op te trekken, zou ik behalve voor de digitale media, ook voor andere onderwerpen willen bepleiten, met name voor onderwerpen die een interdisciplinair karakter hebben, de reikwijdte en draagkracht van afzonderlijke fondsen overstijgen en een gespecialiseerd soort deskundigheid vereisen. Ik denk aan cultuureducatieve projecten voor het onderwijs en aan projecten gericht op jongeren en culturele minderheden. De aanvankelijke plannen van de Mondriaanstichting en het Fonds voor de Podiumkunsten gezamenlijk voor het aanstellen van makelaars, vind ik daarvan een goed voorbeeld.

Internationaal cultuurbeleid

Juli j.l. heb ik - samen met mijn collega van Buitenlandse Zaken - een brief aan de Tweede Kamer doen toekomen over het internationaal cultuurbeleid en de besteding van de HGIS-Cultuur middelen. Daarnaast ben ik in een aparte brief aan de Tweede Kamer, in aansluiting op mijn uitgangspuntenbrief, ingegaan op het internationaal beleid dat ik in dat verband zal voeren. Een afschrift daarvan heeft u, als het goed is, ontvangen. Ik vraag hier uw aandacht voor twee zaken.

In de eerste plaats wil ik het prioriteitslandenbeleid versterken. Ik vraag u bij de internationale activiteiten die u wilt ondersteunen, rekening te houden met de regionale prioriteiten. Dit laat onverlet dat er artistiek-inhoudelijke overwegingen kunnen zijn om van deze gedragsregel af te wijken. Voor wat betreft de eerder aangegeven verplichting advies in te winnen bij de buitenlandse posten deel ik u mede hierover nog in overleg te zijn met mijn collega van Buitenlandse zaken, zulks mede na het kamerdebat van 18 november jl. U zult zo spoedig mogelijk nader worden geïnformeerd over de uitkomst van dit overleg.

In de tweede plaats wijs ik u erop dat activiteiten die nu met HGIS-middelen worden gefinancierd, niet opnieuw uit deze middelen kunnen worden gefinancierd. Voortzetting van deze activiteiten is dus alleen mogelijk als u hiervoor middelen reserveert in uw beleidsplan in het kader van de cultuurnota.

Flexibiliteit tijdens de planperiode

In de nota Cultuur als confrontatie en het overleg met u, heb ik aangegeven dat ik tijdens de cultuurplanperiode enige ruimte wil behouden om flexibel te kunnen inspelen op nieuwe beleidsontwikkelingen, ook budgettair. Ik heb zelf de suggestie gedaan van een `vereveningskas' van circa 5 procent van de fondsbudgetten. Ik heb u in het overleg uitgenodigd eventueel andere suggesties te doen. Die suggesties wacht ik af; ik zal daarover te zijner tijd opnieuw met u overleggen.

Hieronder volgt het deel dat alleen op uw fonds betrekking heeft. Wat de Mondriaan Stichting zelf betreft, zou ik nog drie zaken onder uw aandacht willen brengen.

De vele subsidieregelingen die het fonds kent, roepen de vraag op of op enigerlei manier tot een vereenvoudiging van dat stelsel kan worden gekomen. Door vereenvoudiging van het stelsel kan de doelmatigheid en flexibiliteit van de beleidsuitvoering worden verhoogd. Belangrijk is dat in dat geval ook anderen dan specialisten gemakkelijker bij de advisering kunnen worden betrokken en de beleidsuitvoering soepeler kan aansluiten bij de beleidsontwikkeling op het departement en adequater kan reageren op veranderingen in de omgeving.

Voorstellen daartoe zou ik zeer toejuichen.

Zoals u weet zal het opdrachtenbeleid van het Praktijkbureau Beeldende kunstopdrachten en de opdrachten op het terrein van de volksgezondheid en het onderwijs bij de Stichting Kunst en Openbare Ruimte worden ondergebracht. De in dat verband concreet te nemen maatregelen zullen in nauw overleg met de Mondriaan Stichting worden genomen.

Tenslotte vraag ik uw aandacht voor mijn prioriteit inzake de collectiemobiliteit en presentatie.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

(dr. F. van der Ploeg)

Aan het bestuur van het Fonds voor de Letteren

Huddestraat 7


1018 HB Amsterdam

Onderwerp

Fondsenstructuur

Geacht bestuur,

In mijn brief aan de Tweede Kamer over de fondsenstructuur, heb ik aangegeven meer recht te willen doen aan de bijzondere positie die de fondsen in het cultuurbeleid innemen, met name door in een vroegtijdig stadium de uitgangspunten van het cultuurbeleid en de beleidsvorming van de fondsen beter op elkaar te betrekken. Deze brief dient daartoe.

Gezien de datum waarop de meerjarige beleidsplannen voor de cultuurnota 2001-2004 uiterlijk ingediend moeten zijn - 15 december
1999 -, kan deze brief echter moeilijk nog bijdragen aan de gewenste, vroegtijdige afstemming. Daarom heb ik besloten de bijzondere positie van de fondsen in ieder geval óók recht te doen door de datum waarop uw beleidsplan door mij ontvangen moet zijn, te bepalen op 28 januari
2000. De Raad voor Cultuur houdt inmiddels rekening met deze datum in de procedure die moet leiden tot zijn advies.

In deze brief geef ik weer wat naar mijn opvatting de uitgangspunten van het cultuurbeleid, zoals vervat in de nota's Ruim baan voor culturele diversiteit en Cultuur als confrontatie en de brieven over cultureel ondernemerschap en het internationaal cultuurbeleid, betekenen voor het beleid van de fondsen. Wat daarover wordt opgemerkt, is niet bedoeld als het laatste woord hierover. Wil deze brief vooral lezen als een voorzet en als een uitnodiging om vanuit uw eigen deskundigheid en ervaringen constructief mee te denken over de veranderingen die ik voorsta.

Deze brief bevat een algemeen deel, voor alle fondsen gelijk, en een specifiek deel dat alleen op uw fonds betrekking heeft. De brief sluit af met het specifieke deel.

De onderwerpen die ik hieronder aan de orde stel, hebben tenminste een aspect gemeen, namelijk dat ze van de fondsen een meer actieve, stimulerende, ondernemende en initiërende rol vragen. Dat is een rol die vervuld zou moeten worden aanvullend op die van subsidieloket: afwachten wat er binnenkomt, in commissieverband de kwaliteit ervan beoordelen en vervolgens subsidie geven. Voor alle duidelijkheid: die loket-functie blijft natuurlijk van groot belang, veel fondsen zijn primair daarvoor opgericht. De actievere rol die ik bepleit is geen doel op zichzelf, maar beschouw ik als noodzakelijke voorwaarde om enkele belangrijke prioriteiten te realiseren:

? Een groter maatschappelijke bereik en rendement voor het aanbod

? Meer doorstroming en diversiteit in het aanbod

? Betere aansluiting op (potentiële) vraag in de markt

? Toerusten van kunstenaars naar meer zelfstandigheid.

Mijn voorstellen zijn daarop gericht, maar met nadruk zeg ik erbij dat ik ideeën en voorstellen van de fondsen zelf om dat te bereiken, verwelkom.

Cultureel ondernemerschap

In mijn brief over cultureel ondernemerschap heb ik betoogd dat, in plaats van beschutting te bieden aan een imperfecte markt, het beleid er meer op gericht zou moeten zijn de markt te stimuleren en de kunstenaar toe te rusten om zich op die markt een plek te veroveren. Dat uitgangspunt zou mijns inziens het volgende betekenen:


25. de markt zou krachtiger kunnen worden ontwikkeld onder meer door het opdrachtgeverschap te stimuleren;


26. de kunstenaar zou beter kunnen worden ondersteund en toegerust om zich succesvol op de markt te kunnen bewegen; subsidies hebben in die versie bij voorkeur een tijdelijk karakter en bevatten prikkels die de ondernemerszin aanwakkeren en belonen;


27. er moeten betere facilitaire voorzieningen komen die de kunstenaar bijstaan bij meer praktische zaken als acquisitie van opdrachten, opbouwen van netwerken, verkoop aan het buitenland, tentoonstellingen e.d.

Ik voeg hier twee kanttekeningen aan toe. In de eerste plaats mag hieruit niet worden opgemaakt dat het kwaliteitscriterium geen rol meer speelt. Kwaliteit is en blijft een noodzakelijke voorwaarde om voor subsidie in aanmerking te komen. Maar bij de beoordeling zou aan die criteria een zwaarder gewicht kunnen worden toegekend, die het maatschappelijk bereik en rendement vergroten. Bovendien hoeft de kwaliteitstoets niet exclusief bij adviescommissies te liggen, maar kunnen, zoals in het opdrachtgeverschap, ook andere partijen die rol vervullen.

In de tweede plaats moeten er natuurlijk speciale voorzieningen blijven voor research & development en voor kunstenaars die van eminent belang zijn voor de Nederlandse cultuur en die met een soort staatsstipendium of een bijzondere opdracht worden vrijgesteld om zich volledig aan hun werk te wijden.

In het specifieke deel doe ik suggesties hoe deze benadering kan worden uitgewerkt voor de afzonderlijke fondsen.

Actieplan cultuurbereik: positie van de fondsen

Onlangs is met u overleg gevoerd, onder meer over de uitwerking van het zogenaamde Actieplan Cultuurbereik, zoals dat in de nota Cultuur als confrontatie is opgenomen, en de rol van de fondsen daarin. Daarbij is van mijn kant opgemerkt dat de speciale aandacht voor jongeren/educatie en culturele minderheden, wat betreft de fondsen vorm kan krijgen door vooral het aanbod van cultuuruitingen met een incidenteel karakter te ondersteunen. Ik vraag met name uw aandacht voor innovatieve projecten die mede tot doel hebben de cultuureducatie stevig in het onderwijs te verankeren en voor de speciale rol daarin van de lokale en regionale centra voor kunstzinnige vorming. Aanvullend is subsidiëring mogelijk van zeer specifieke (voorbeeld-)projecten van culturele instellingen die gericht zijn op de afname. Voor niet-instellingsgebonden projecten gericht op de afnamekant wordt gedacht aan een decentrale aanpak waarin aan gemeenten, al dan niet door tussenkomst van hun provincie, een belangrijke rol toekomt. In die decentrale aanpak hebben de fondsen in beginsel geen rol. Wel is denkbaar dat de toetsing van projecten in het decentrale traject, die in enigerlei vorm zal moeten plaatsvinden, indicaties oplevert voor de fondsen. Er is op dit moment geen aanleiding om daar in uw beleidsplan op te anticiperen.

Bredere deskundigheid bij beoordeling

Bij de beoordeling van kwaliteit is het niet alleen van belang hoe er geoordeeld wordt, maar ook wie beoordeelt. Juist omdat kwaliteit geen absoluut gegeven is, is het belangrijk dat het intersubjectieve oordeel vanuit alle denkbare invalshoeken tot stand komt, zowel in termen van representativiteit als van deskundigheden.

In de nota Ruim baan voor culturele diversiteit heb ik een lans gebroken voor een diverse samenstelling van besturen en commissies, in leeftijd, sexe en herkomst. Dat wil zeggen, diverser dan nu doorgaans het geval is. Voorzover ik zelf bevoegd ben, zal ik daar bij de benoemingen sterk rekening mee houden. Ik vraag de fondsen dat ook te doen bij de benoeming van commissieleden.

In Cultuur als confrontatie heb ik er bovendien voor gepleit om naast de vakinhoudelijke deskundigheid ook steeds andere, meer algemene deskundigheden in de beoordelingscommissies te betrekken. Het breder trekken van de deskundigheid voorkomt dat eenzijdig de nadruk komt te liggen op de smaak van professionals.

Doorstroming en jonge kunstenaars

Meer ruimte voor starters, ook uit culturele minderheden, en meer doorstroming en dynamiek in het aanbod zijn voor mij belangrijke prioriteiten. Ik onderscheid daarin drie aspecten. (1) Bestaande regelingen kunnen dichtslibben en moeilijk toegankelijk worden voor nieuwkomers, wanneer subsidies in de praktijk voor onbepaalde tijd verstrekt worden. (2) Soms kunnen nieuwe regelingen voor starters nodig zijn. Zo zou het Fonds voor de Podiumkunsten jonge kunstenaars kunnen helpen bij het ontwikkelen van een project, dus in het stadium voordat een projectaanvraag wordt ingediend. (3) Ook kan een actieve opstelling nodig zijn om talent op te sporen, te begeleiden en te coachen, in de vorm van `cultuurverkenners' of `makelaars' voor culturele diversiteit.

Intendantschap

Voor een actievere rol van de fondsen kan de figuur van de intendant in sommige gevallen nuttig zijn. Het Nederlands Fonds voor de Film doet daarmee ervaringen op. Voorstellen daartoe zal ik met belangstelling tegemoet zien. Daarbij wil ik, gelet ook op de discussies in de Tweede Kamer hierover, drie randvoorwaarden stellen.


25. De intendant werkt onder directe verantwoordelijkheid van het bestuur en heeft dus geen eigen beslissingsbevoegdheid over het toekennen van subsidies.


26. Het moet mogelijk blijven om zonder inschakeling van de intendant subsidie aan te vragen, ook voor het terrein waarop de intendant werkzaam is.


27. Een intendant wordt voor een beperkte periode benoemd.

Digitale media en kunsten

In de uitgangspuntennotitie heb ik gemeld dat de ontwikkelingen in de digitale media niet zozeer een nieuwe sector als wel een nieuwe dimensie toevoegen aan de kunsten. Die ontwikkeling wil ik stimuleren en ik zie hierin een belangrijke taak weggelegd voor de fondsen. Het hybride, pluriforme en interdisciplinaire karakter van de digitale media/kunsten maakt dat projecten op dit gebied dwars door de sectoren en institutionele kaders heen snijden. Daarom acht ik het denkbaar dat er meer nodig is dan wat de fondsen ieder voor zich zouden kunnen bijdragen. Een onderlinge afstemming van regelingen lijkt me in ieder geval nodig om te voorkomen dat interdisciplinaire projecten tussen wal en schip geraken. Maar ik leg u ook de optie voor om verder te gaan en een gezamenlijke regeling en financiering te ontwerpen voor de ondersteuning van projecten op dit terrein. Dat heeft ook als voordeel dat gebruik gemaakt kan worden van een gezamenlijke pool van deskundigen. Het gaat om projecten die zich op research en innovatie richten en nadrukkelijk niet op technologische toepassingen.

Samenwerking en afstemming tussen fondsen onderling

De optie om op bepaalde terreinen gezamenlijk op te trekken, zou ik behalve voor de digitale media, ook voor andere onderwerpen willen bepleiten, met name voor onderwerpen die een interdisciplinair karakter hebben, de reikwijdte en draagkracht van afzonderlijke fondsen overstijgen en een gespecialiseerd soort deskundigheid vereisen. Ik denk aan cultuureducatieve projecten voor het onderwijs en aan projecten gericht op jongeren en culturele minderheden. De aanvankelijke plannen van de Mondriaanstichting en het Fonds voor de Podiumkunsten gezamenlijk voor het aanstellen van makelaars, vind ik daarvan een goed voorbeeld.

Internationaal cultuurbeleid

Juli j.l. heb ik - samen met mijn collega van Buitenlandse Zaken - een brief aan de Tweede Kamer doen toekomen over het internationaal cultuurbeleid en de besteding van de HGIS-Cultuur middelen. Daarnaast ben ik in een aparte brief aan de Tweede Kamer, in aansluiting op mijn uitgangspuntenbrief, ingegaan op het internationaal beleid dat ik in dat verband zal voeren. Een afschrift daarvan heeft u, als het goed is, ontvangen. Ik vraag hier uw aandacht voor twee zaken.

In de eerste plaats wil ik het prioriteitslandenbeleid versterken. Ik vraag u bij de internationale activiteiten die u wilt ondersteunen, rekening te houden met de regionale prioriteiten. Dit laat onverlet dat er artistiek-inhoudelijke overwegingen kunnen zijn om van deze gedragsregel af te wijken. Voor wat betreft de eerder aangegeven verplichting advies in te winnen bij de buitenlandse posten deel ik u mede hierover nog in overleg te zijn met mijn collega van Buitenlandse zaken, zulks mede na het kamerdebat van 18 november jl. U zult zo spoedig mogelijk nader worden geïnformeerd over de uitkomst van dit overleg.

In de tweede plaats wijs ik u erop dat activiteiten die nu met HGIS-middelen worden gefinancierd, niet opnieuw uit deze middelen kunnen worden gefinancierd. Voortzetting van deze activiteiten is dus alleen mogelijk als u hiervoor middelen reserveert in uw beleidsplan in het kader van de cultuurnota.

Flexibiliteit tijdens de planperiode

In de nota Cultuur als confrontatie en het overleg met u, heb ik aangegeven dat ik tijdens de cultuurplanperiode enige ruimte wil behouden om flexibel te kunnen inspelen op nieuwe beleidsontwikkelingen, ook budgettair. Ik heb zelf de suggestie gedaan van een `vereveningskas' van circa 5 procent van de fondsbudgetten. Ik heb u in het overleg uitgenodigd eventueel andere suggesties te doen. Die suggesties wacht ik af; ik zal daarover te zijner tijd opnieuw met u overleggen.

Hieronder volgt het deel dat alleen op uw fonds betrekking heeft.

In mijn visie zou het Fonds voor de Letteren een meer sturende en initiërende rol mogen spelen bij de totstandkoming van literaire publicaties, wat minder nadruk kunnen leggen op het inkomensvormende uitgangspunt van het huidige subsidiestelsel en auteurs/vertalers beter kunnen toerusten voor het functioneren als zelfstandig ondernemer. Van groot belang is dat de toegankelijkheid van het fonds voor beginnende, jonge auteurs wordt vergroot. De functie van literaire tijdschriften als opdrachtgever zou u daarbij nadrukkelijk kunnen betrekken.

Ik pleit voor het ontwerp van een vereenvoudigde en doelmatige subsidieregeling met als uitgangspunten :


1. het voorfinancieren van literair oorspronkelijk en vertaald werk op een wijze die rekening houdt met de uiteenlopende beroepspraktijken van (typen) auteurs en vertalers door middel van


2. de invoering van projectgebonden subsidies, toe te kennen (op aanvraag of in opdracht) op basis van een werkplan en begroting van de benodigde middelen/ tijd met


3. een redelijke verhouding tussen markt- en subsidieinkomsten per project

De voorgestelde investeringen vooraf impliceren de afschaffing van de aanvullende honoraria. Dit raakt met name de vertalers.Indien u handhaving van dit instrument voor een beperkte groep vertalers/auteurs wilt bepleiten, zie ik graag een motivering tegemoet.

Tevens vraag ik uw aandacht voor het segment non-fictie en mijn beleidsvoornemens met betrekking tot de ondersteuning van literaire produkties in gebarentaal.

Ik acht het gewenst het recente non-fictie beleid van uw fonds te intensiveren en verzoek u om voorstellen, gericht op de stimulering van met name de essayistiek en de biografie, bijvoorbeeld in de vorm van een opdrachtenbeleid.

Met ingang van de nieuwe Cultuuurnota wordt de totstandkoming van cultuuruitingen in gebarentaal onderdeel van het reguliere cultuurbeleid. De betrokken cultuurfondsen zijn het Fonds voor de Podiumkunsten

(theaterprodukties in gebarentaal) en de beide letterenfondsen. U dient hiermee rekening te houden in uw beleidsplan. Ik verzoek u daarin te omschrijven welke subsidiecriteria u voorstelt te hanteren voor producties in gebarentaal.

de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur enWetenschappen,

(dr. F. van der Ploeg)

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie