Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Verslag Alegemeen Overleg allochtone levende talen

Datum nieuwsfeit: 22-02-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal


26800VIII.088 vao allochtone levende talen

Gemaakt: 24-2-2000 tijd: 14:59


26800 VIII Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (VIII) voor het jaar 2000

nr. 88 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 22 februari 2000

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen<1> heeft op 3 februari 2000 overleg gevoerd met staatssecretaris Adelmund van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen over het actieprogramma onderwijs in allochtone levende talen (OALT) aan de hand van:


- de brief van de staatssecretaris d.d. 22 juni 1999 inzake invoering van het onderwijs in allochtone levende talen (OCW-99-631);


- de brief van de staatssecretaris d.d. 9 november 1999 inzake onderwijs in allochtone levende talen (OCW-99-1079);


- de brief van de staatssecretaris d.d. 11 november 1999 inzake OALT in de gemeente Hoorn (OCW-99-1097).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissie

Mevrouw Kortram (PvdA) stelde het op prijs dat een klankbordgroep in het leven is geroepen om oplossingen te zoeken voor de problemen die zich voordoen sinds de implementatie van de wet inzake het onderwijs in allochtone levende talen (OALT), die is gericht op zowel taalondersteuning als cultuuronderwijs. In de praktijk komen de circa
160 nieuwe taalgroepen, waarvoor 10 mln. beschikbaar is, nauwelijks aan bod. Volgens de Vereniging van openbare en algemeen toegankelijke scholen (VOS/ABB) zetten de meeste gemeenten OALT-middelen uitsluitend in voor taalondersteuning in de onderbouw, terwijl een meerderheid van de Kamer ervoor heeft gekozen om OALT primair te richten op cultuuronderwijs aan allochtone leerlingen. Hierdoor wordt niet alleen de wet niet geheel overeenkomstig de intentie van de wetgever uitgevoerd, maar wordt ook niet voldaan aan gewekte verwachtingen.

De wachtgelden voor leerkrachten onderwijs in de eigen taal en cultuur (OETC) komen vooralsnog voor rekening van de gemeenten zelf. Van gemeenten en de VNG komen dringende signalen dat dit financieel niet is op te brengen. Gevolg is dat deze leerkrachten nauwelijks in dienst worden genomen vanwege de mogelijke wachtgeldverplichtingen en het wetsvoorstel inzake gelijkschakeling rechtspositie OALT-onderwijsgevenden. De wet voorziet erin dat wachtgelden ten laste komen van het Rijk indien het ontstaan ervan in redelijkheid aan het Rijk is toe te rekenen. Hoe moet deze regeling in deze concrete situatie worden uitgelegd? Ziet de staatssecretaris mogelijkheden om de gemeenten tegemoet te komen in hun financiële problemen? Kan de wettelijke regeling in een beleidsregel worden vertaald, zodat partijen weten waar zij aan toe zijn? Kunnen de nieuwe groepen via het actieplan beter worden bediend en zo ja, hoe? Wordt er een sociaal plan opgesteld voor de OETC-leerkrachten die niet als OALT-leerkracht kunnen worden ingeschakeld?

Veel ouders zijn niet tevreden over de nieuwe wet. Komt er vanuit het ministerie extra voorlichting voor de ouders en de kinderen? Worden of zijn er behalve de ouders ook OALT-leerlingen gepeild? Mevrouw Kortram was van mening dat het actieplan onvoldoende oplossingen biedt voor de financiële en organisatorische problemen die zijn ontstaan in het kader van OALT binnen en/of buiten schooltijd. Onduidelijk is hoe de onderwijsinspectie op kwaliteit kan controleren, als buiten schooltijd OALT wordt gegeven in talen die bij de inspectie niet worden beheerst. De overschakeling naar OALT buiten school levert problemen op. Kunnen de scholen hierin tegemoet worden gekomen?

De problemen sinds de implementatie van OALT zijn deels veroorzaakt door de ambivalente uitwerking van de wet, deels door de ontoereikende middelen, deels door het grote aantal taalgroepen die in principe in aanmerking komen voor OALT-gelden en deels door het gebrek aan gekwalificeerde leerkrachten. Het lijkt erop dat OALT in de praktijk langzaam wordt afgebouwd. Het aantal leerlingen dat OALT buiten schooltijd volgt neemt af. Gezien de praktische problemen is de termijn tot 2001 te kort om OALT te beoordelen. De gemeenten zullen mede met het oog op de financiële consequenties massaal kiezen voor onderwijsachterstandenbeleid. De nieuwe taalgroepen hebben nauwelijks kansen. Scholen zullen het moeilijk krijgen om leerkrachten te motiveren om zich om te scholen voor een periode van twee jaar; pas in
2001 komt er meer duidelijkheid over hun positie. OALT-leerkrachten worden al tot groepsleerkracht omgeschoold en zullen wellicht geneigd zijn om eerder te kiezen voor het reguliere onderwijs dan voor OALT. Het verdient dan ook aanbeveling om in te steken op een langetermijnvisie op OALT. Mevrouw Kortram vroeg of de staatssecretaris bereid is om op korte termijn een fundamentele discussie over OALT te voeren waarin de uitgangspunten van OALT nogmaals kritisch worden bekeken. Wie kan het beste worden ingeschakeld om een langetermijnadvies uit te brengen over OALT?

De heer Cornielje (VVD) vroeg of de onderwijsinspectie zelfstandig heeft gerapporteerd aan de staatssecretaris over de implementatie van OALT en zo ja, of deze rapportage aan de Kamer kan worden toegezonden. Komen de maatregelen ter ondersteuning van OALT ten laste van het totale budget voor OALT dan wel een ander budget? Hij achtte het niet acceptabel dat er nog steeds OALT-leerkrachten zijn die geen verplichte cursus Nederlands hebben gevolgd. Hoeveel leerkrachten moeten nog worden bijgeschoold?

Hij was bezorgd over de passage in de brief van 9 november 1999 over het bieden van meer tijd en ruimte voor het creëren van oplossingen voor de knelpunten. Wat moet worden verstaan onder de "lokale leermiddelenontwikkeling OALT"? Komt dit ten laste van het budget voor OALT of van een ander budget? Volgens het actieplan mag OALT in de groepen 5 tot en met 8 in het basisonderwijs worden gegeven, terwijl het oorspronkelijk de bedoeling was dat OALT buiten schooltijd wordt gegeven aan de leerlingen in de bovenbouw. De heer Cornielje wilde geen ruimte bieden om OALT binnen schooltijd te geven. Hij hield vast aan het uitgangspunt dat de OALT-middelen overeenkomstig de wettelijke doeleinden moeten worden ingezet.

Ten opzichte van OETC wordt met OALT het idee losgelaten dat allochtone leerlingen beter Nederlands leren als zij eerst de eigen taal beheersen. OALT-leerkrachten kunnen wel een brugfunctie vervullen tussen de situatie thuis en op school, alsmede tussen de groepsleerkracht en de leerling. De heer Cornielje zag in een artikel in de Volkskrant over de kwaliteit van zwarte scholen een bevestiging dat de kwaliteit van het Nederlandse taalonderwijs nog steeds onder de maat is. Dat blijkt ook uit de bevindingen van de onderwijsinspectie in de onderwijsverslagen van 1994 tot en met 1998. Hij concludeerde dat het goed is dat er een onafhankelijke inspectie is die onafhankelijk van het beleid feiten op tafel legt. Naar aanleiding van het negatieve oordeel van de inspectie over een aantal specifieke scholen vroeg hij of er een standaardnorm bestaat. Hij was een voorstander van het invoeren van de door de Onderwijsraad aangereikte standaardnorm Nederlandse taal voor zowel autochtone als allochtone leerlingen van vier tot twaalf en wellicht zestien jaar. Een dergelijke landelijke onderwijsstandaard biedt scholen de mogelijkheid om hun taalmethoden te toetsen. De vraag is gerechtvaardigd of de schaarse middelen niet beter kunnen worden ingezet om de onderwijskansen te vergroten voor de leerlingen die de basisschool binnenkomen en verlaten met een achterstand in de Nederlandse taal.

De heer Cornielje stelde een aanscherping van de OALT-wetgeving voor in die zin dat in de onderbouw van de basisschool in plaats van OALT uitsluitend taalondersteunend onderwijs wordt gegeven, gericht op het leren van de Nederlandse taal ter bevordering van betere onderwijskansen voor allochtone leerlingen. Ook stelde hij voor om te bekijken of taalondersteuning in een voorschools traject kan worden aangeboden. Een dilemma is of voor de leerlingen in de bovenbouw ook prioriteit wordt gegeven aan het leren van de Nederlandse taal dan wel of de mogelijkheid van OALT buiten schooltijd intact blijft. Daarbij moet in het oog worden gehouden dat een betere beheersing van de Nederlandse taal betere kansen biedt in het vervolgonderwijs en op de arbeidsmarkt. De heer Cornielje verzocht eveneens om een langetermijnvisie van de staatssecretaris op OALT, die kan worden betrokken bij de evaluatie in 2002. Dan kan er wellicht definitief voor worden gekozen om de Nederlandse taal centraal te stellen.

De heer Cornielje verwees naar een artikel van Paul Scheffer uit de NRC van 29 januari jl., waarin wordt gesteld dat gelaten wordt gereageerd op het achterblijven van hele generaties allochtonen en op de vorming van een etnische onderklasse en dat het wellicht zinvoller is om de achterstand in beheersing van het Nederlands met alle mogelijke middelen op te heffen dan onderwijs te geven in de eigen taal en cultuur.

Mevrouw Ross-van Dorp (CDA) benadrukte dat scholen goede resultaten hebben behaald met ondersteuning in het leren van de eigen taal en de Nederlandse taal. Het leek haar beter dat deze verworvenheden worden gedeeld met andere scholen dan dat al in deze fase van de implementatie van OALT nieuwe wettelijke regelingen worden getroffen, al doen zich enorme knelpunten voor. Ook met het oog op het vervolgonderwijs en de maatschappelijk toekomst moet de vaardigheid in de Nederlandse taal van leerlingen in het basisonderwijs op een zo hoog mogelijk peil worden gebracht. Daarvoor zijn gemotiveerde en goed geschoolde leerkrachten nodig die de Nederlandse taal beheersen. Mevrouw Ross deelde de zorg over OALT-leerkrachten die geen cursussen Nederlands hebben gevolgd en vroeg nadere informatie over de kosten van en de aanmelding voor cursussen, alsmede over het aantal cursisten. Hoe staat het met de uitvoering van de motie inzake de ontwikkeling van een afstudeerrichting in de reguliere lerarenopleiding gericht op het omgaan met leerlingen met een onderwijsachterstand?

Gemeenten en scholen moeten meer ruimte krijgen om beleid te ontwikkelen gericht op taalondersteuning en ervaringen uit te wisselen. Pas als bij partijen de wil ontbreekt, zullen er dwangmaatregelen moeten worden genomen. Mevrouw Ross stond op zichzelf niet afwijzend tegenover het advies van de Onderwijsraad inzake een onderwijsstandaard, maar was vooralsnog geen voorstander van een aanscherping van de OALT-wetgeving. Zij kon zich voorstellen dat de inspectie tussentijds meet of er sprake is van grote onderwijsachterstanden. Over de uitwerking hiervan en over de toepassing van de meetresultaten zal evenwel nog een discussie moeten plaatsvinden.

Mevrouw Ross vroeg of de positie van de OALT-leerkrachten op de langere termijn kan worden gegarandeerd. Zij was van mening dat er voor een goede implementatie van OALT een extra jaar nodig is. Zij ondersteunde het voorstel van de staatssecretaris om in 2000 in overleg met de gemeenten een voorstel te ontwikkelen ter ondersteuning en stimulering van leermiddelen. Dit zal wel zo spoedig mogelijk moeten gebeuren.

Mevrouw Ross noemde de 20 mln. voor het onderwijsachterstandenbeleid een druppel op een gloeiende plaat. Zijn er beleidsinitiatieven te verwachten op het punt van de taalondersteuning om de beheersing van de Nederlandse taal te stimuleren, zowel voor autochtone als allochtone achterstandsleerlingen?

Mevrouw Lambrechts (D66) vroeg naar de stand van zaken rond de implementatie van de OALT-wetgeving. Worden de middelen inderdaad ondoelmatig gebruikt, zoals door de VNG is geconstateerd? Het is destijds niet gelukt om OETC-leerkrachten cursussen Nederlands te laten volgen. Volgens het Sociaal en cultureel planbureau (SCP) is de beheersing van de Nederlandse taal nog steeds onvoldoende. Naar aanleiding van het voorstel om opnieuw te investeren in extra bijscholing in de Nederlandse taal, vroeg mevrouw Lambrechts of er zodanige afspraken zijn gemaakt dat men over een aantal jaren niet opnieuw met eenzelfde situatie zal worden geconfronteerd. Of is er sprake van een vrijblijvend aanbod dat niet zal bijdragen tot een werkelijke verbetering van de situatie? In principe was zij er een voorstander van dat de aandacht vooral wordt gericht op taalondersteuning. Daartoe zullen ook de leerkrachten de Nederlandse taal goed moeten beheersen. Mevrouw Lambrechts wilde zekerheid dat de taalondersteuning de moeite waard is. In hoeverre belemmert de vrees voor wachtgeldaanspraken een goede uitvoering van de wet? Naar aanleiding van het verzet van ouders tegen OALT buiten schooltijd plaatste zij vraagtekens bij de behoefte aan OALT. Is het zonder wetswijziging mogelijk dat, zoals in Arnhem, ervoor wordt gekozen om geen OALT buiten schooltijd meer te geven en alleen taalondersteuning te bieden? Wat houdt het voorstel in om tijdelijk andere oplossingen toe te staan? Het mag er in ieder geval niet toe leiden dat er OALT onder schooltijd wordt gegeven.

Mevrouw Lambrechts vroeg naar de kosten van de bijscholing en het investeren in de methoden voor OALT. Zij gaf er de voorkeur aan dat eerst wordt geïnvesteerd in goede methodes Nederlandse taal. Alle scholen moeten beschikken over goede methodes; slechte methodes moeten van de markt worden gehaald. Voorts vroeg zij om de scholen ruimte te bieden om meer tijd en aandacht te besteden aan de Nederlandse taal, desnoods ten koste van andere kerndoelen.

De heer Rabbae (GroenLinks) schetste dat deze vorm van onderwijs vanaf het begin onder druk heeft gestaan van een deel van de politiek en van de samenleving en dat er weinig waardering en affiniteit vanuit de politiek is geweest voor de cultuurpolitieke waarde van dit onderwijs. Hij noemde het buiten de school en zelfs buiten het onderwijs plaatsen van deze onderwijsvorm een salamitactiek op termijn. Hij benadrukte dat de discussie moet gaan over het onderwijs in eigen taal en cultuur en niet over zwarte scholen, de Nederlandse taal of onderwijsstandaarden. De vraag is of de samenleving bereid is het belang te erkennen van het verwerven van een eigen identiteit en taal voor leerlingen uit minderheidsgroeperingen. In plaats van te benadrukken dat zwarte scholen onvoldoende presteren op het gebied van de Nederlandse taal, moet er juist worden gewerkt aan het wegwerken van de aanwezige achterstanden.

De heer Rabbae sprak over een diffuus beeld van de uitvoering van de wet door gemeenten, scholen en leerkrachten, zelfs na het overgangsjaar 1998-1999. Volgens zijn inventarisatie was Rotterdam de enige stad waar men redelijk op koers ligt. Ten opzichte van OETC is OALT een belangrijke onderwijsvernieuwing voorzover het is gericht op de ondersteuning ten behoeve van de Nederlandse taal. De gemeenten, scholen en leerkrachten worden echter nog niet optimaal begeleid en ondersteund om deze nieuwe opdracht uit te voeren. Hij vroeg hoe de staatssecretaris staat tegenover de wens van een aantal gemeenten en scholen tot verlenging van de overgangsperiode met een jaar. Voorts vroeg hij hoe de gemeenten worden geïnformeerd over de taakverdeling tussen het Rijk en de gemeenten inzake de rechtspositie van de leerkrachten. Is de staatssecretaris bereid om de organisatie en het proces van de implementatie van OALT door de gemeenten en de scholen beter te begeleiden?

Antwoord van de staatssecretaris

De staatssecretaris gaf aan dat er in de loop van het jaar een serie voorstellen aan de orde zal komen die betrekking hebben op allochtone kinderen. Zij benadrukte de broosheid van de OALT-wetgeving en de wijze waarop de discussie over het wetsvoorstel is gevoerd. Zij zegde toe de rapporten van het SCP en de inspectie voorzien van een beleidsreactie aan de Kamer te doen toekomen, waaronder een rapport van de inspectie dat in maart uitkomt. Weliswaar is de start van OALT weerbarstig, maar er wordt vooruitgang geboekt en de gemeenten zijn op de goede weg.

De implementatie van de wet wordt gevolgd en ondersteund, ook al is de uitvoering van het beleid gedecentraliseerd. Hiertoe wordt ruimte geboden in de eerste planperiode OALT. Bij een groot aantal onderwijsvraagstukken moet zowel op gemeentelijk niveau als op centraal niveau sprake zijn van een verantwoordelijke overheid. In de tweede planperiode vanaf 2002 zal het OALT-beleid door de gemeenten en scholen verder moeten worden vormgegeven. De wet geldt ook na 2002: alleen de huidige financieringssystematiek loopt tot 2002. In die zin kan ook voor de periode vanaf 2002 zekerheid worden gegeven.

Het eerste jaar is door de meeste gemeenten benut als overgangsjaar ten behoeve van het inrichten en uitvoeren van de planprocedure. Er zijn dan ook weinig beleidsmatige wijzigingen; wel wordt een aantal overgangsproblemen zichtbaar. Het ministerie van OCW heeft ter ondersteuning niet alleen een voorlichtingscampagne gevoerd, maar ook de scholing van gemeenteambtenaren gesubsidieerd. Inmiddels is het overleg met de werkgevers- en werknemersorganisaties en de VNG opnieuw gestart en wordt gesproken over de knelpunten en de mogelijke oplossingen.

De beperkte inzetbaarheid van de OALT-leerkrachten is een belangrijk aandachtpunt. Volgens de inspectie beheerst 80% het Nederlands voldoende, 10% gedeeltelijk en 10% niet; 150 tot 200 leerkrachten spreken onvoldoende Nederlands. Een aantal OALT-leerkrachten kan niet worden ingezet als groepsleerkracht. Schoolbesturen en gemeenten zijn verantwoordelijk voor het vinden van oplossingen, maar er wordt ook voortdurend geïntervenieerd vanuit OCW. Op lokaal niveau zullen oplossingen op maat moeten worden gevonden ter vergroting van de inzetbaarheid van de OALT-leerkrachten. De inspanningen van de rijksoverheid ter ondersteuning van de schoolbesturen en gemeenten zijn niet gering. Door middel van scholing moet worden voorkomen dat OALT-leerkrachten verloren gaan voor het onderwijs. Voor degenen die niet kunnen worden ingezet als groepsleerkracht of onderwijsassistent, wordt elders binnen en zo nodig buiten het onderwijs een plaats gezocht. Er is een cursus Nederlands en taalondersteuning ontwikkeld. In Utrecht wordt een pilot gesubsidieerd om OALT-leerkrachten om te scholen tot groepsleerkracht. In het overleg met de werkgevers- en werknemersorganisaties en de VNG worden de mogelijkheden verkend om te voorkomen dat OALT-leerkrachten instromen in de wachtgeldregeling.

De staatssecretaris wilde vermijden dat van het overleg met de Kamer een signaal uitgaat dat OALT opnieuw ter discussie wordt gesteld. Weliswaar kan dit beleidsonderdeel worden betrokken bij het onderwijskansenbeleid, maar de ontwikkelingen op het gebied van OALT moeten doorgaan, op onderdelen worden versneld en verder worden ondersteund, bijvoorbeeld de uitbreiding van het aanbod naar nieuwe taalgroepen. Zij zegde toe de Kamer regelmatig op de hoogte te houden van deze ontwikkelingen. Met het oog op de broze wetgeving zal extra worden gelet op de implementatie. Het SCP zal in 2000 een dieptestudie verrichten naar een aantal gemeenten en de planprocedure OALT en de uitkomsten daarvan breed evalueren. Ook dit rapport zal aan de Kamer worden gezonden. In het onderwijsverslag 2001 zal door de inspectie afzonderlijk worden ingegaan op de kwaliteit van en taalondersteuning in OALT. Voor de zomer zal het PMPO ingaan op de methodes.

De OALT-wetgeving bevat stimulansen voor de gemeenten om zich maximaal in te spannen om ontslag en instroom in de wachtgeldregeling van OALT-leerkrachten te voorkomen. Het Rijk is bereid om die inspanningen te ondersteunen, hoofdzakelijk in financiële zin ten behoeve van scholingstrajecten. De eerste verantwoordelijkheid voor het voorkomen van ontslagen ligt bij de lokale partners. Wanneer rijksbeleid ertoe leidt dat er wachtgeldverplichtingen ontstaan, komen die voor rekening van het Rijk.

De Kamer heeft in 1995 besloten om de beheersing van de Nederlandse taal verplicht te stellen voor nieuwe leerkrachten vanaf 1995. De zittende leerkrachten in 1995 werden daartoe niet verplicht, maar wel gestimuleerd. Aan een specifieke cursus Nederlands voor OALT-leerkrachten is sinds 1998 door 300 leerkrachten deelgenomen. Het Rijk subsidieert een bedrag per cursusdeel; het restant komt uit het nascholingsbudget van de scholen en eventueel uit het budget van de gemeenten. Uit onderzoek is gebleken dat het financiële aspect niet of nauwelijks een rol heeft gespeeld. De staatssecretaris onderschrijft de wenselijkheid van de beheersing van de Nederlandse taal door leerkrachten in de Nederlandse samenleving. De arbeidsvoorwaarden van de OALT-leerkrachten die het Nederlands niet beheersen vormen nog onderwerp van onderhandelingen. De gegevens in de onderwijsverslagen van 1994 tot en met 1998 over de taalproblematiek hebben te maken met de verhouding tussen de scholen en de inspectie. Er kan pas worden ingegrepen, als de inspectie kan aangeven bij welke scholen er zich problemen voordoen. Hierover wordt formeel overleg gevoerd met de betrokken partijen. De Kamer zal worden geïnformeerd over de resultaten hiervan.

Naar aanleiding van de motie-Ross-van Dorp zijn met de PABO's gesprekken begonnen over een opleidingstraject voor het lesgeven aan achterstandsleerlingen en wel over een initiële opleiding lesgeven aan achterstandsleerlingen en een postinitieel traject voor zittende leraren. Bij de totstandkoming van dit traject wordt alle expertise gebundeld. De Kamer zal voor de zomer worden geïnformeerd over de voortgang.

Over de inzet van de extra middelen voor voor- en vroegschoolse educatie zal de Kamer op korte termijn worden geïnformeerd. Aangezien het merendeel van de scholen in de praktijk taalondersteuning inzet in de onderbouw, lijkt een wetswijziging in deze richting onnodig. De gemeentelijke budgetten bieden hiertoe ook ruimte.

Uit de inzet in de eerste fase van het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid (GOA-beleid) blijkt dat de gemeenten prioriteit geven aan taal. Ook in het onderwijskansenplan, dat in de loop van februari aan de Kamer wordt gezonden, is taal een prioriteit. Over het advies van de Onderwijsraad over standaardisatie zal in april worden gediscussieerd. De implementatie van NT2 wordt voortgezet; ook wordt gewerkt aan de taalmethodes. Eerder heeft de Kamer uitgesproken dat de overheid zich vanwege de vrijheid van onderwijs niet behoort te bemoeien met de inhoud en keuze van methodes en materialen. Wel kan de overheid in het implementatietraject voorlichting en advies geven over het geven van de methodes. De staatssecretaris hechtte meer aan een mogelijk instrument via de inspectie en verwees in dit verband naar "Variëteit en waarborg". De OALT-leermiddelen worden betaald uit een additioneel budget. De overheid kan via de financiering impulsen geven, maar zij kan niet bepalen welke methodes door de scholen wordt gebruikt. De inspectie heeft kort na de invoering van de wet een inventarisatie gehouden, toen veel gemeenten nog bezig waren met de knelpunten. De inventarisatie zal in maart worden herhaald, waarna het rapport zo spoedig mogelijk aan de Kamer wordt gestuurd.

De staatssecretaris zoekt in eerste instantie een oplossing voor de knelpunten binnen de kaders van de wet met de nadrukkelijke ruimte voor de gemeenten om het GOA-budget in te zetten voor taalondersteuning in de onderbouw. Ook als het voor een goede implementatie nodig is onder toezicht van de inspectie om tijdelijk toe te staan dat soepeler wordt omgegaan met de wet, moet uiteindelijk worden voldaan aan de doelstellingen van de wet. Daarvan zal voortdurend verslag worden gedaan. Zij was geen voorstander van een langetermijnvisie, omdat daarvan een verkeerd signaal kan uitgaan. Wel stelde zij zich voor dat de Kamer nadrukkelijk op de hoogte wordt gebracht van de praktijkervaringen met de implementatie.

Bij de behandeling van het wetsvoorstel heeft de Kamer nadrukkelijk ruimte gecreëerd voor taalondersteuning in het kader van OALT. Niet alleen in Rotterdam, maar ook elders zijn er goede ontwikkelingen overeenkomstig de intenties van de wet. Bij de invoering zijn regionale voorlichtings- en ondersteuningsbijeenkomsten gehouden, waarop de handreikingen zijn gebaseerd. De ontwikkelingen worden gevolgd door een regiegroep. De staatssecretaris was bereid het traject scherper te volgen en met de Kamer te bespreken. De opleidingstrajecten worden ontwikkeld met financiële steun van OCW. Op zeer korte termijn wordt een nieuwe voorlichtingsronde gestart waarbij modellen voor de aanpak van de taalondersteuning worden gepresenteerd die zullen worden gevolgd door financiële injecties voor leermiddelen.

Nadere gedachtewisseling

Mevrouw Kortram (PvdA) deelde de visie van de staatssecretaris dat er een weerbarstige start is gemaakt met OALT. Zij had de indruk dat men op de goede weg is en constateerde dat de implementatie nauwkeurig wordt gevolgd. Geruststellend is dat de wet ook na 2002 blijft voortbestaan. Het is weliswaar de bedoeling dat nieuwe taalgroepen gebruik kunnen maken van het OALT-budget, maar de signalen op dit punt zijn niet geruststellend. Zij beschikte evenwel niet over systematische gegevens en was op dit punt nog bezorgd.

De heer Cornielje (VVD) stelde vast dat op een aantal feitelijke vragen niet is beantwoord; wellicht kan hierop schriftelijk worden ingegaan. Hij ging ervan uit dat in de eerste planperiode OALT buiten de reguliere schooltijd zal plaatsvinden, opdat binnen de reguliere tijd alle aandacht naar de Nederlandse taal kan gaan. Hij herhaalde zijn pleidooi om de wet zodanig aan te scherpen dat alle scholen worden verplicht om OALT-leerkrachten in de onderbouw in te zetten voor taalondersteuning in de Nederlandse taal ter vergroting van de onderwijskansen voor de zwakste groep leerlingen. Hij benadrukte dat het landelijk beleidskader gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid topprioriteit moet toekennen aan de Nederlandse taal, zoals in het regeerakkoord is opgenomen. Voorts nodigde hij de staatssecretaris opnieuw uit een heldere langetermijnvisie te geven, ook met het oog op de samenhang met andere onderwerpen.

Mevrouw Ross-van Dorp (CDA) achtte het onvoldoende als het arbeidsvoorwaardenoverleg niet resulteert in een verplichting voor OALT-leerkrachten om de Nederlandse taal te beheersen. Welke oplossing ziet de staatssecretaris in dat geval? Zij was nog niet toe aan de door de heer Cornielje bepleite aanscherping van de wet. Scholen moeten de middelen en mogelijkheden krijgen om de wet uit te voeren, maar ze moeten niet onnodig in problemen worden gebracht doordat niet kan worden voldaan aan een dergelijke wettelijke verplichting. Eerst moet een oplossing worden gevonden voor de beperkte inzetbaarheid van leerkrachten en moeten taalachterstanden worden weggewerkt. Zij verzocht de staatssecretaris om de samenhang tussen de diverse onderwerpen aan te geven. Zij benadrukte dat het een zeer groot maatschappelijk probleem is dat zoveel allochtone en autochtone kinderen de Nederlandse taal onvoldoende beheersen.

Mevrouw Lambrechts (D66) was op een aantal punten niet gerustgesteld door de beantwoording van de staatssecretaris. De Kamer zal in staat moeten zijn om steeds een relatie te leggen tussen de verschillende onderwerpen die worden besproken. Vanwege de broosheid van de wetgeving moet worden voorkomen dat er verwachtingen worden gewekt. Duidelijk moet worden dat niet alle nieuwe taalgroepen aan bod kunnen komen, gezien het relatief kleine budget.

Als de wet van 1995 niet de mogelijkheid biedt om OALT-leerkrachten te verplichten tot bijscholing in de Nederlandse taal, zal een aanscherping de staatssecretaris daartoe een instrument moeten verschaffen. Mevrouw Lambrechts kon zich voorstellen dat hierover een Kameruitspraak wordt gevraagd.

Zij vroeg welke consequenties het tijdelijk soepeler omgaan met de wet zal hebben voor het percentage scholen dat zal doorgaan met het geven van onderwijs in allochtone talen onder schooltijd. Zij was hiertegen, omdat er binnen het schoolprogramma meer aandacht en ruimte moet zijn voor de Nederlandse taal. Zij benadrukte in navolging van de inspectie het belang van goede methodes en stelde zich voor dat alle scholen op zo kort mogelijke termijn een goede methode krijgen. Aan de inzet van OALT voor uitsluitend taalondersteuning stelde zij de voorwaarde dat absoluut duidelijk is dat het een goed bestede inzet is en dat men zich vooral richt op het Nederlands onder schooltijd en niet buiten schooltijd.

De heer Rabbae (GroenLinks) vroeg zich af waarom leerlingen op de basisschool wel Engels kunnen leren, maar het allochtone leerlingen niet wordt gegund om op school de eigen taal te leren. Een inconsistentie is dat een mogelijkheid om te kiezen voor allochtone talen zou betekenen dat het onderwijs in deze talen binnen de school moet worden gegeven om ook de autochtone kinderen te bereiken. Een andere inconsistentie is dat de voorstanders van een verplichting voor OALT-leerkrachten om de Nederlandse taal te beheersen er destijds mee hebben ingestemd dat OALT buiten schooltijd wordt gegeven, bijvoorbeeld via een moskee of een zelforganisatie.

Het geven van OALT op lespunten buiten de scholen kan ertoe leiden dat de animo bij leerlingen terugloopt en dat leerkrachten geen leerlingen meer hebben. Is er sprake van een verantwoordelijkheid van de school, de gemeente of het Rijk? De heer Rabbae vroeg of het zinvol is om de overgangsperiode met een jaar te verlengen.

De staatssecretaris stelde een debat in het vooruitzicht over een verandering van de rol van de inspectie. Om een aantal vraagstukken te kunnen aanpakken moet de inspectie kunnen aangeven waar zich problemen voordoen, bijvoorbeeld door de gehanteerde methodes. Zij sprak tegen dat er sprake is van "staatspedagogiek". De voorstellen van OCW bevestigen de autonomie van de scholen en de professionaliteit van de leerkrachten. Als er een cumulatie van problemen wordt geconstateerd, zal daarvoor een extra programma nodig zijn via het bevoegd gezag en zo nodig uiteindelijk via de minister.

Naar aanleiding van het artikel in de NRC merkte zij op dat niet elk maatschappelijk vraagstuk als een onderwijsvraagstuk moet worden gezien. Zij was geschokt door de cijfers in de Volkskrant over de omvang van de problemen bij autochtonen met een onderwijsachterstand in de plattelandsgebieden. Om dit vraagstuk te kunnen aanpakken is een anders functionerende inspectie nodig, waarbij de discussie zal moeten gaan over de vraag is of er mag worden geoordeeld over deugdelijkheid en kwaliteit. Hoewel het OALT-instrumentarium niet is bedoeld om dergelijke vraagstukken aan te pakken, kunnen gemeenten dit toevoegen aan het taalachterstandenbeleid. De staatssecretaris was bereid om in het kader van het GOA-beleid en de motie-Passtoors terug te komen op de gewichtenregeling en de wijze waarop GOA-budgetten worden ingezet. Zij zegde toe dat op nog niet beantwoorde feitelijke vragen schriftelijk wordt ingegaan.

Het invoeren van een verplichting voor de gehele categorie leerkrachten om de Nederlandse taal te beheersen en het met terugwerkende kracht veranderen van de bevoegdheid is niet alleen een bijzondere situatie, maar zal ook gevolgen hebben voor de zittende OALT-leerkrachten en een sociaal plan noodzakelijk maken. De staatssecretaris noemde het ondenkbaar dat in de onderbouw taalondersteuning wordt gegeven door leerkrachten die het Nederlands niet beheersen. Zij nam de voorgestelde aanscherping over dat dergelijke leerkrachten Nederlands moeten spreken met de kanttekening dat niet met terugwerkende kracht in bevoegdheidsregelingen kan worden ingegrepen. Een dergelijke verplichting zal zeker niet met terugwerkende kracht worden ingevoerd voor activiteiten buiten schooltijd. Over de rechtspositie van de leerkrachten zal binnenkort een afzonderlijk overleg plaatsvinden.

De regel dat OALT buiten schooltijd moet plaatsvinden moet onverkort van kracht blijven. De vraag is in hoeverre extra stimulansen mogelijk zijn om OALT in de onderbouw te vervangen door taalonderricht op school. De souplesse op dit punt heeft ook te maken met de inzetbaarheid van leerkrachten.

De voorzitter van de commissie,

Van der Hoeven

De griffier van de commissie,

Mattijssen


1 Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), Schutte (GPV), Van de Camp (CDA), Van der Hoeven (CDA), voorzitter, De Vries (VVD), Rabbae (GroenLinks), Lambrechts (D66), Dittrich (D66), Cornielje (VVD), Dijksma (PvdA), Cherribi (VVD), Van Zuijlen (PvdA), Rehwinkel (PvdA), ondervoorzitter, Passtoors (VVD), Wijn (CDA), Ross-van Dorp (CDA), Örgü (VVD), Nicolaï (VVD), Kortram (PvdA), Halsema (GroenLinks), Eurlings (CDA), Belinfante (PvdA), Van Bommel (SP), Barth (PvdA), Hamer (PvdA)

Plv. leden: Schimmel (D66), Stellingwerf (RPF), Mosterd (CDA), Atsma (CDA), Van Baalen (VVD), Harrewijn (GroenLinks), Bakker (D66), Ravestein (D66), E. Meijer (VVD), Valk (PvdA), Udo (VVD), De Cloe (PvdA), Van der Hoek (PvdA), Blok (VVD), Verhagen (CDA), Schreijer-Pierik (CDA), Rijpstra (VVD), Brood (VVD), Middel (PvdA), Vendrik (GroenLinks), Visser-van Doorn (CDA), Gortzak (PvdA), Poppe (SP), Arib (PvdA), Spoelman (PvdA)

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie