Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Verslag overleg commissie en minister over situatie Kaukasus

Datum nieuwsfeit: 23-02-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

26837 De situatie in Tsjetsjenië en de noordelijke Kaukasus als geheel

Nr. 6 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 23 februari 2000

De vaste commissie voor Buitenlandse Zaken<1> heeft op 9 februari 2000 overleg gevoerd met minister Van Aartsen van Buitenlandse Zaken over:

- de actuele situatie in de Kaukasus (26837, nr. 2);

- de brief van de minister d.d. 17 januari 2000 inzake de situatie in Tsjetsjenië.

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissie

De heer Van Baalen (VVD) vond het in het algemeen van belang om na te denken over de dilemma's die ontstaan bij het aan de orde stellen van de mensenrechten in de dialoog met grote mogendheden, zoals de Russische federatie en de Chinese volksrepubliek. Sommige staten lijken meer gelijk dan andere. Hij verzocht de minister om hierover een brief naar de Kamer te sturen, die dan ook kan worden gezien als een soort startnotitie voor de recent benoemde
mensenrechtenambassadeur. Daarmee wordt dan duidelijk welke afwegingen in dezen worden gemaakt en kan worden bereikt dat het beleid niet louter berust op Realpolitik of ad-hocmaatregelen.

Voorts informeerde hij naar de consequenties in OVSE-verband van het door de Russische federatie weigeren van toestemming voor de vestiging van een OVSE-hulpverleningskantoor in Nazran (Ingoesjetië). De reactie van de EU op de ontwikkelingen in Tsjetsjenië zijn toe te juichen, maar op welke wijze toetst de regering of de maatregelen van de EU jegens Rusland ook effectief zijn gebleken? Heeft de Russische federatie in het kader van artikel 52 van het Europees verdrag inzake de rechten van de mens (EVRM) voor 10 januari 2000 gerapporteerd over de toepassing van dat verdrag in Tsjetsjenië? Zo niet, welke actie dient de Raad van Europa dan te ondernemen? Wat vindt de minister van de mogelijkheid om de Russische federatie haar stemrecht te ontnemen? Wat is het resultaat van het aanbod van de voorzitter van de OVSE om te bemiddelen bij het bereiken van een oplossing in de Tsjetsjeense kwestie? Wat zijn de bevindingen van de missie van lord Russell Johnston?

Tot slot vroeg hij of en zo ja, welke concrete signalen de minister heeft ontvangen dat waarnemend president Poetin aan de gerechtvaardigde verlangens van de internationale gemeenschap inzake Tsjetsjenië tegemoet wenst te komen. Welke internationale consequenties verbindt de minister aan het ontbreken van dit soort signalen?

De heer Koenders (PvdA) constateerde allereerst dat, terwijl de Europese Unie zich terecht grote zorgen maakt over de regeringsdeelname van extreem rechts in Oostenrijk, de aandacht voor de humanitaire tragedie in Tsjetsjenië sterk is verminderd. Het lijkt erop dat de strategische relatie met Rusland prioriteit krijgt boven de discussie over mensenrechten in Tsjetsjenië. Ondanks de ladder van opeenvolgende sancties jegens de Russische federatie is in Tsjetsjenië eerder sprake van een verslechtering dan van een verbetering van de situatie.

Op zichzelf had hij wel begrip voor de spanning tussen het belang van de strategische relatie met de Russische federatie enerzijds en de risico's van het aan de orde stellen van de mensenrechten in Tsjetsjenië anderzijds. De Russische federatie bestaat evenwel uit verschillende regio's en republieken. De verschillende actoren zijn ook wel degelijk gevoelig voor wat er in internationaal verband gebeurt, ook al wordt bij tijd en wijle een anti-Westers rookgordijn opgetrokken. Dat mag evenwel niet uitmonden in een verkeerde analyse in het Westen om ten faveure van het steunen van personen, zoals in het verleden president Jeltsin en nu waarnemend president Poetin, de kritiek op de achtergrond te schuiven. Wel zal het Westen aandacht dienen te schenken aan de al dan niet terechte vrees binnen de Russische federatie voor het omsingelingscomplex, in het bijzonder als het gaat om de handhaving van het ABM-verdrag en bij de oliediplomatie in de Kaukasus. Derhalve is het gewenst om in het beleid ook positieve elementen op te nemen, waarbij kan worden gedacht aan een pakket maatregelen ter bevordering van de politiek-economische stabilisatie van de Kaukasus en aan het verlenen van assistentie bij het bestrijden van Tsjetsjeense terroristen. Wanneer zijn daarbij concrete acties te verwachten? Dergelijke positieve elementen mogen echter nooit leiden tot een compromisloze houding inzake de mensenrechten.

Hoewel hij waardering had voor de aanvankelijke inzet van de minister in EU-verband ten aanzien van Tsjetsjenië, was hij ervoor bevreesd dat de formulering "een evenwicht tussen het belang van de langetermijnrelatie met Rusland en de noodzaak om tot een acceptabele aanpak van het probleem van Tsjetsjenië te komen" weinigzeggend is. Ten eerste kan zowel het een als het ander worden nagestreefd en ten tweede is onduidelijk hoe zich dit verhoudt tot de voorgestane ladder van opeenvolgende sancties bij een verslechterende situatie. De OVSE-chairman in office, Vollebaek, is na de OVSE-top in Istanboel door de Russische federatie vernederd. Welke toegang heeft de internationale gemeenschap ten behoeve van het verlenen van humanitaire hulp? Welke gelden worden daarvoor ingezet en welke vluchtelingen betreft het dan in de Russische federatie zelf en ook in de buurstaten? Ook voor de Russische federatie wordt de oorlog in Tsjetsjenië problematischer, aangezien thans sprake lijkt te zijn van een guerrilla in de bergen. Mede daarom is het van belang om opnieuw met kracht op te roepen tot het aangaan van een politieke dialoog. Eveneens is het cruciaal om te komen tot een stabilisatie in Georgië en Armenië, met name in het kader van de conflictpreventie die daarvan uitgaat. Volgens de minister voor Ontwikkelingssamenwerking doet Nederland vrij veel op dat punt, maar waar gaat het dan precies om?

De heer Koenders waardeerde de poging van de minister om steun bij andere EU-lidstaten te verkrijgen voor het indienen van een statenklacht tegen de Russische federatie. Het bezoek van het Iers voorzitterschap van de Raad van Europa, de ingestelde artikel 52-procedure ingevolge het EVRM en het bezoek van de voorzitter van de parlementaire assemblee hebben niets opgeleverd. Is de minister ook van opvatting dat Nederland, gezien de principes die aan de orde zijn, thans zelf tot het indienen van een statenklacht moet overgaan? Is het thans niet vereist om over te gaan tot een "challenge inspection" in het kader van het CSE-verdrag (verdrag inzake conventionele strijdkrachten in Europa)?

Tot slot informeerde hij naar de plannen van de minister inzake een bezoek aan Moskou. Timing is daarbij van groot belang. Gezien de ernstige situatie in Tsjetsjenië vond hij het thans nog te vroeg voor een dergelijk bezoek. Verder vernam hij graag of het mogelijk is om in de nabije toekomst een ambassade van Nederland te vestigen in de regio van de Kaukasus, mede met het oog op het Nederlandse bilaterale beleid voor conflictpreventie in Georgië en Armenië.

De heer Hoekema (D66) wees er allereerst op dat waarnemend president Poetin aardig op weg is om het doel te realiseren dat in een krant werd omschreven als "eerst Grozny veroveren en dan het Kremlin". "Moskou zit met Grozny in zijn maag" lijkt echter evenzeer een juiste krantenkop te zijn, want thans lijkt sprake te zijn van een guerrilla. Het politieke probleem Tsjetsjenië is voor Moskou dus nog niet opgelost. Het blijft derhalve van belang om ook na de val van Grozny de politieke dialoog tussen Tsjetsjenië en de Russische federatie aan te bevelen.

Voorts informeerde hij ernaar of het Russische optreden in Tsjetsjenië aan de kaak kan worden gesteld in de internationale organen die over de Geneefse verdragen inzake het humanitaire oorlogsrecht gaan. Het is immers duidelijk dat de Russische federatie dit recht in Tsjetsjenië heeft geschonden. Tevens gaf hij te kennen nog steeds voorstander te zijn van het indienen van een statenklacht als signaal aan de Russische federatie, ook als Nederland daarin alleen optreedt. Het zou evenwel beter zijn als meer EU-lidstaten hieraan deelnemen. Was hiervoor bij geen van de EU-lidstaten of van andere Raad van Europaleden steun te verkrijgen? Verder was hij van mening dat in NAVO-verband in de dialoog met de Russische federatie ook het onderwerp Tsjetsjenië aan de orde moet worden gesteld. Eveneens stelde hij de vraag of het, gezien het zeer magere resultaat van de OVSE-activiteiten na de top van Istanboel, mogelijk is om maatregelen tegen de Russische federatie te nemen op basis van de schending van het CSE-verdrag, bijvoorbeeld door een "challenge inspection" uit te voeren. Het verdient aanbeveling om dit verdrag inderdaad niet eerder te ratificeren dan nadat een oplossing is bereikt voor het conflict in Tsjetsjenië.

Ook de heer Hoekema attendeerde op het dilemma tussen enerzijds het belang van het behoud van contacten met de Russische federatie en anderzijds het zoeken naar mogelijkheden om het gedrag van de Russische federatie in Tsjetsjenië enigszins te beïnvloeden. Dat laatste is tot op heden nog niet gelukt. Toch moet ook in de toekomst op verschillende manieren worden getracht om dat gedrag te beïnvloeden, maar veel optimisme is daarbij niet op zijn plaats. Tegelijkertijd is een isolement van de Russische federatie niet in het belang van de internationale gemeenschap.

Daarnaast vernam hij graag of de in Helsinki gemaakte afspraken over sancties tegen de Russische federatie inmiddels allemaal zijn uitgevoerd. De belangrijkste afspraak in dezen is de herziening van de gemeenschappelijke strategie met de Russische federatie om aldus te komen tot een alomvattende aanpak van de EU voor enerzijds het uitoefenen van politieke druk en anderzijds het aanbieden van betrokkenheid bij het nemen van maatregelen in Rusland, zoals voor terrorismebestrijding, het oplossen van etnische tegenstellingen en het bevorderen van regionale stabiliteit door samenwerking en ontwikkeling. Dat klinkt heel mooi, maar het is ook buitengewoon ambitieus. Op welke manier wordt deze omzetting van de strategie vormgegeven en welke instrumenten worden daarvoor ingezet? Op zichzelf had hij geen bezwaar tegen een bezoek van de minister aan Moskou, maar hij gaf er de voorkeur aan dat dit wordt voorafgegaan door een bezoek van de EU-trojka. Het is van groot belang dat de Europese Unie er via de gemeenschappelijke strategie alles aan doet om te voorkomen dat het conflict in Tsjetsjenië overslaat naar de buurlanden, zoals Georgië en Armenië. Is de Russische federatie nog steeds van plan om maatregelen tegen Georgië te nemen en dus de politieke integriteit van dit land aan te tasten?

Tot slot vroeg de heer Hoekema naar de hoogte van de Nederlandse financiële bijdrage in 2000 voor de opvang van de honderdduizenden ontheemden in de regio. Is er al een nieuw inter-agency appeal ontwikkeld? Hoe is het in het algemeen gesteld met de toegang tot het gebied en met de samenwerking tussen de verschillende hulpverlenende instanties?

Mevrouw Vos (GroenLinks) realiseerde zich ook dat het van belang is om de dialoog met de Russische federatie gaande te houden. De schrijnende situatie voor met name de burgerbevolking in Tsjetsjenië noopt evenwel tot een veel hardere opstelling van de Nederlandse regering, de Europese Unie en overige internationale gremia. In dat verband vond zij het onbegrijpelijk dat in de Veiligheidsraad niet over de gebeurtenissen in Tsjetsjenië wordt gesproken. Heeft Nederland nog gepoogd om dit onderwerp wel voor de Veiligheidsraad te agenderen?

Met de heren Koenders en Hoekema vond zij het noodzakelijk dat nu een statenklacht tegen Rusland wordt ingediend, ook als Nederland daartoe alleen moet overgaan. Zij gaf er ook de voorkeur aan dat het bezoek van de minister aan Moskou pas plaatsvindt als deze statenklacht is ingediend. Afgezet tegenover de op zichzelf zeer terechte maatregelen van de EU tegen Oostenrijk, zijn de acties van de EU tegen de Russische federatie wel bijzonder mager. Is er op dit punt meer mogelijk? In aansluiting op de heer Hoekema vond zij het eveneens noodzakelijk om een klacht tegen Rusland in te dienen in het kader van de Geneefse conventies, gezien de schending van het humanitaire oorlogsrecht in Tsjetsjenië. Hoe is het, gelet op de situatie in Tsjetsjenië, mogelijk dat het IMF in januari 2000 nog een krediet aan de Russische federatie heeft verstrekt ten behoeve van mijnbouw? Is de regering niet ook van mening dat alle kredietverlening aan de Russische federatie moet worden stopgezet, omdat daarmee ook indirect de oorlogsinspanningen worden gefinancierd?

Ook informeerde zij naar de inzet van de regering ten aanzien van de verdwenen journalist Babitski. Komt er een scherp protest of wordt er om opheldering gevraagd? Een en ander is immers een duidelijke illustratie van het schenden van het recht op vrije meningsuiting in de Russische federatie.

Zij benadrukte vervolgens dat humanitaire hulpverlening aan de regio zeer noodzakelijk is. Wat zijn de plannen op dit punt van de Europese Unie en van Nederland in het bijzonder? Welke conclusies trekt de OVSE uit het feit dat zij door de Russische federatie voor schut is gezet? Internationale acties hebben tot op heden nog geen indruk op de Russen gemaakt, want zij denken alles te kunnen doen.

Vervolgens gaf zij te kennen dat het inderdaad noodzakelijk is om de anti-Westerse gevoelens in de Russische federatie enigszins de kop in te drukken. In dat opzicht sloot zij zich aan bij de opmerking van de heer Koenders over het van kracht blijven van het ABM-verdrag. Wellicht dat dit ook een goed moment is om de uitbreidingsstrategie van de NAVO enigszins aan te passen, gezien de negatieve reacties die deze strategie in de Russische federatie oplevert. De plannen voor deze uitbreiding van de NAVO zouden wat meer kunnen worden getemporiseerd.

Ook mevrouw Vos vond het van belang om de gemeenschappelijke strategie van de EU met Rusland in te zetten voor het bevorderen van een samenhangend beleid in de regio. Wat is de inzet van de regering bij zo'n stabiliteitspact voor de Kaukasus? Wordt dit een integraal plan waarin ook Ingoesjetië en Dagestan worden betrokken? Er zal toch op zijn minst stabiliteit in de regio dienen te zijn voordat impulsen aan de regio enig effect sorteren, hetgeen impliceert dat daarvoor een overeenkomst tussen de Russische federatie en Tsjetsjenië noodzakelijk is. Daarbij zou dan eventueel een derde partij, bijvoorbeeld de EU of de OVSE, als toezichthouder kunnen optreden. Wat zijn de initiatieven op dat gebied en hoe schat de regering de kansen daarop in? Wordt in internationaal kader gesproken over de bouw van Russische versterkingen in de Argounvallei?

Tot slot wees zij op de uitermate gevaarlijke situatie die in een aantal buurlanden van Tsjetsjenië ontstaat, met name ook in Georgië. Wat is de inzet van de Nederlandse regering ter ondersteuning van de Georgische regering en ter bevordering van de politieke stabiliteit in de regio? De Russische federatie is voortdurend bezig met een zeer laakbare verdeel- en heerspolitiek via het destabiliseren van regeringen en het steunen van separatistische bewegingen. Dat plaatst de opmerkingen van de federatie over de inmenging van het Westen in binnenlandse aangelegenheden wel in een vreemd daglicht.

Mevrouw Van Ardenne-van der Hoeven (CDA) constateerde ook dat er, ondanks alle inspanningen van de internationale gemeenschap, weinig is bereikt in de kwestie Tsjetsjenië. In zijn brief stelt de minister dat een oplopend gebruik van beschikbare drukmiddelen niet uit de weg moet worden gegaan. Betekent dit dat er na het in Helsinki afgesproken pakket maatregelen nog alternatieve mogelijkheden zijn? Aan welke initiatieven denkt de minister in de sfeer van bestrijding van het terrorisme, het terugdringen van de etnische spanningen en het bevorderen van de stabiliteit in de Kaukasus? Beide sporen blijven immers ook de komende tijd van belang. De vraag is evenwel of de Russische regering überhaupt belangstelling heeft voor strategische samenwerking met de EU ten behoeve van een soort stabiliteitspact voor de Kaukasus. Als daarover nog geen enkel positief signaal is afgegeven, lijkt een bezoek van de minister aan Moskou op dit moment niet opportuun. Komt dit, gelet op de aanstaande presidentsverkiezingen, wel op de agenda van waarnemend president Poetin? Wat zal de OVSE op dit punt ondernemen? Wordt gewerkt aan de organisatie van een internationale conferentie over een regionaal pact, zoals het Europees Parlement voorstelde?

Zij begreep dat de minister een verdere verharding van de militaire campagne in Tsjetsjenië niet uitsloot in verband met de komende presidentsverkiezingen. Wat zou dat betekenen voor de al uiterst instabiele regio rond Tsjetsjenië? Welke aanvullende maatregelen zijn er in dat geval voor de EU-lidstaten mogelijk? Gezien de extreem sterke troepenmacht van de Russische federatie binnen de Tsjetsjeense grenzen, is het sowieso de vraag waarom thans al niet wordt opgeroepen tot terugtrekking van de militairen. Het kan evenwel ook een optie zijn om deze militairen in te zetten bij de wederopbouw van Tsjetsjenië, want de vluchtelingen zullen toch ook weer moeten terugkeren. Is de minister bereid om dat in Europees verband te bepleiten?

Vervolgens informeerde mevrouw Van Ardenne naar de situatie in de filtratiekampen waarin mannen van tussen de 10 en 60 jaar worden vastgehouden. Heeft het Internationale Rode Kruis toegang tot die kampen? Is het mogelijk om daar humanitaire hulp te verlenen? Is de minister bereid om zich eveneens in te zetten voor toegang van de internationale media tot de regio, alsmede voor de vrijlating van de wiskundige Neverovsky, die tot twee jaar gevangenisstraf is veroordeeld vanwege zijn protest tegen de oorlog?

Zij sloot zich aan bij de opmerkingen over het hulpverleningskantoor van de OVSE. Het is immers ondenkbaar dat een dergelijk kantoor in de huidige precaire situatie niet kan worden ingesteld. Het is evenzeer ondenkbaar dat de hulpverlening nog zo uiterst gebrekkig is en zo moeizaam verloopt. Tevens sloot zij zich aan bij de vragen naar de Statenklacht, die ook zij van zeer groot belang achtte. Zij vond het op dit moment nog te vroeg voor een Nederlandse "Alleingang" op dat punt. Met het oog daarop verzocht zij de minister om het pleidooi hiervoor nogmaals in EU-verband aan de orde te stellen. Het is immers buitengewoon merkwaardig en ook te betreuren dat er op dit punt tot nu toe blijkbaar nog geen beweging is bij de andere EU-lidstaten. Mocht evenwel bij een nieuwe consultatieronde blijken dat er absoluut geen zicht is op steun van andere lidstaten, dan is het geen begaanbare weg dat Nederland zelfstandig een statenklacht indient. Mevrouw Van Ardenne wilde hier graag een reactie van de minister op.

Tot slot constateerde zij dat het bezoek van minister Albright aan waarnemend president Poetin niet erg succesvol is geweest, want de Russische federatie antwoordde met "njet" op de vraag naar onderhandelingen met Tsjetsjenië en de herziening van het ABM-verdrag. Een bijzonder zorgelijke ontwikkeling in dat verband is dat het Kremlin volgens zijn nieuwe veiligheidsconcept, dat overigens nog niet is geratificeerd, het recht heeft om gewapende agressie af te slaan met kernwapens. Dat vormt een duidelijke breuk met het verleden, want toen moest er voor de inzet van kernwapens nog sprake zijn van een bedreiging van de soevereiniteit van het land. Is het juist dat met dit nieuwe veiligheidsconcept ook het "partnership for peace" van de NAVO op de tocht komt te staan? Wat is de mening van de minister over deze ontwikkelingen?

De heer Van Dijke (RPF) verzuchtte dat het een onmogelijke opgave is om adequaat op de schrijnende situatie in Tsjetsjenië te reageren. Van alle kanten zal er immers altijd kritiek mogelijk blijven. Er zijn ook grote zorgen geuit over de situatie in de regio van de Kaukasus. Worden er van de zijde van het ministerie van Economische Zaken activiteiten ondernomen om de contacten met de landen in deze regio te bevorderen, zoals ook met de Oekraïne heeft plaatsgevonden? Via het aangaan van economische relaties kan immers ook worden gepoogd om het isolement van de landen in de regio te doorbreken.

Met de heer Hoekema constateerde hij dat de Russische federatie met Grozny in zijn maag zit, maar de vraag is ook in hoeverre de minister c.q. de internationale gemeenschap in zijn maag zit met Poetin. Is Moskou voornemens om Grozny als een monument van puin op de overwinning te bestempelen of zijn er wel plannen voor herbouw van de stad? Als er krachtige signalen komen over een herbouw van deze stad, is de minister dan bereid om daarbij onder zekere voorwaarden hulp toe te zeggen? In 1999 heeft Nederland, in vergelijking met de 500 mln. voor hulp aan Bosnië, met zijn bijdrage van 3,2 mln. een relatief erg klein bedrag ingezet voor hulp aan ontheemden in de regio. Wat zijn de mogelijkheden om meer en effectievere hulp te verlenen aan de regio, bijvoorbeeld via de niet-gouvernementele organisaties? Werpt Moskou belemmeringen op voor private initiatieven op dit punt?

Vervolgens vroeg de heer Van Dijke wie het nu feitelijk in het oorlogsgebied van Tsjetsjenië voor het zeggen heeft: de militairen of Moskou zelf? Is het juist dat militairen, in afwijking van de aanvankelijke voornemens van Poetin, eigenstandig hebben besloten om verder Tsjetsjenië binnen te trekken?

Ook wenste hij te vernemen wat nu precies het effect kan zijn van het indienen van een statenklacht tegen de Russische federatie. Is de minister überhaupt bereid om op dat punt alleen op te trekken?

Het antwoord van de minister

De minister van Buitenlandse Zaken gaf allereerst te kennen dat de aandacht van de Europese Unie in het algemeen en de Nederlandse regering in het bijzonder voor Tsjetsjenië de afgelopen periode bepaald niet is afgenomen. Nederland kan zich goed vinden in de lijn, vastgesteld in de Algemene Raad van 24 januari 2000, om het uitoefenen van politieke druk te verbinden met het aanbieden van een bredere betrokkenheid van de EU bij het nemen van maatregelen in de Russische federatie, bijvoorbeeld inzake internationale terrorismebestrijding. Rusland is immers een belangrijk land op het continent Europa. Met het oog daarop en gelet op de gedachten die in Rusland leven ten aanzien van de NAVO en de EU, is het voor de EU van wezenlijk belang om een strategisch partnerschap te ontwikkelen met de Russische federatie. Dat impliceert ook het in alle openheid en, waar nodig, met alle hardheid aangaan van een politieke dialoog.

In dat kader vond hij het ook passend om een bezoek te brengen aan zijn collega Ivanov in Moskou, waarbij overigens ook met andere vertegenwoordigers uit de Russische samenleving zal worden gesproken. Tijdens dat bezoek zal Rusland er ook wel degelijk op worden gewezen dat in Tsjetsjenië disproportioneel geweld is gebruikt en dat de Nederlandse regering zich grote zorgen maakt over ontwikkelingen in Tsjetsjenië en binnen de Russische federatie zelf. De verslagen van de gesprekken in Moskou die andere vertegenwoordigers van de internationale gemeenschap recent hebben gevoerd, indiceren dat Rusland wel degelijk gevoelig is voor deze boodschap en dat het dus nuttig is om dit soort bezoeken af te leggen. Het partnerschap tussen de EU en Rusland kan immers alleen succesvol zijn als dit ook gebaseerd is op de gemeenschappelijke waarden op het gebied van mensenrechten, de rechtsstaat, de vrijheid van meningsuiting en de rol van de media. De EU poogt tevens duidelijk te maken dat een deëscalatie van het conflict in Tsjetsjenië wenselijk is en dat zij steun blijft verlenen aan de rol die de Raad van Europa en de OVSE in dezen kunnen vervullen, bijvoorbeeld als het gaat om het opzetten van liaisonkantoren in de regio. Ook is het belangrijk om de boodschap over te brengen dat de Russische federatie haar verplichtingen volgens het internationale (humanitaire) recht dient na te komen. Hij zegde toe serieus te zullen bezien wat de mogelijkheden zijn om de schending van het humanitaire oorlogsrecht in Tsjetsjenië aan de orde te stellen in het kader van de Geneefse verdragen.

Vervolgens memoreerde de minister dat Nederland in het kader van de OVSE het Berlijnmechanisme aan de orde heeft gesteld. Nederland heeft eveneens gepoogd om het vraagstuk Tsjetsjenië in de Veiligheidsraad aan de orde te stellen, zelfs tijdens het Russische voorzitterschap van de raad in december 1999. Het moge duidelijk zijn waarom dit niet is gelukt. En marge van een debat over de bestrijding van het internationale terrorisme heeft Nederland ook duidelijk overgebracht dat Rusland wel eens mag nadenken over de manier waarop het nu het "terrorisme" in Tsjetsjenië bestrijdt. Ook heeft Nederland zich de afgelopen maand ervoor ingezet dat de besluitvorming van Helsinki over een herijking van het Partnerschaps- en samenwerkingsakkoord met Rusland echt wordt geëffectueerd. Het Portugese voorzitterschap is nu dan ook met een werkplan gekomen dat op basis van de discussie in Helsinki is aangepast, hetgeen bijvoorbeeld betekent dat er thans geen macro-economische dialoog tussen de EU en de Russische federatie zal worden gevoerd. Het is op dit moment ook het beleid van het IMF om de begrotingssteun aan de Russische federatie op te schorten. Nederland heeft tevens naar voren gebracht dat met de Russische federatie wel een politieke dialoog moet worden gevoerd over de ontwikkelingen in de noordelijke Kaukasus, hetgeen ook tijdens het bezoek aan Moskou zal worden overgebracht. Dat betekent dat moet worden gesproken over duurzame oplossingen voor de problematiek in de Kaukasus, over de criminaliteit in het gebied, over het vraagstuk van etnische minderheden en over de bevordering van de rechtsstaat in de desbetreffende delen van de Russische federatie.

Voorts deelde hij mede dat de Russische federatie inmiddels in het kader van de artikel 52-procedure heeft gerapporteerd over de toepassing van het EVRM in Tsjetsjenië. In januari heeft hierover in de Raad van Europa ook een debat plaatsgevonden. Daarbij is de gedachte geopperd om een conferentie te houden over een versterking van de democratie en de mensenrechten in de noordelijke Kaukasus. De Raad van Europa heeft de Russische federatie tot begin april 2000 de tijd gegeven om substantieel te rapporteren over schendingen van mensenrechten en van het humanitair recht in Tsjetsjenië en om op dit punt aantoonbaar voortgang te boeken. De criteria in dezen zijn het stopzetten van de militaire operatie in Tsjetsjenië en het aangaan van de regionale dialoog over een vreedzame oplossing van het conflict met leiders uit Tsjetsjenië en de aangrenzende republieken. Ook dit onderwerp zal tijdens het bezoek aan Moskou aan de orde worden gesteld. Het leek hem met het oog daarop niet verstandig dat Nederland thans als enige tot het indienen van een statenklacht overgaat. Het is sowieso onwenselijk dat Nederland een dergelijke klacht alleen indient, want het is beter om dit samen met andere EU-lidstaten te doen vanwege de kracht van het signaal dat daarvan uitgaat. Er zijn bij andere EU-lidstaten ook geen handen op elkaar te krijgen voor het indienen van zo'n klacht, gelet op de eventuele schade die dit kan toebrengen aan de strategische relatie met Rusland. Tevens meent een aantal lidstaten dat de timing op dit moment niet goed zou zijn. Daar komt bij dat een statenklachtprocedure twee jaar in beslag neemt en in juridisch opzicht zeer gecompliceerd is, waardoor het niet is uit te sluiten dat de statenklacht uiteindelijk ongegrond wordt verklaard.

Hij zegde toe te zullen nadenken over de vestiging van een Nederlandse ambassade in de Kaukasusregio, hetgeen samenhangt met de ontwikkelingen inzake de gemeenschappelijke strategie voor het creëren van een samenhangend beleid voor deze regio. Ten aanzien van het eventueel overslaan van het conflict in Tsjetsjenië naar buurlanden in de regio wijst een voorlopige analyse uit dat Ingoesjetië en Dagestan geen afscheidingsbeweging kennen en in die zin geen extra complicatie vormen bij andere problemen die zich in de regio voordoen. De rol en de positie van Georgië vormen voor de EU in dit kader een belangrijk punt, zeker ook omdat Moskou Georgië beschuldigt van het verlenen van steun aan de Tsjetsjeense rebellen. Dat wordt op een goede manier ontzenuwd door de Georgische autoriteiten. In het grensgebied tussen Tsjetsjenië en Georgië is een "monitoring mission" van de OVSE actief om dit soort verdachtmakingen te voorkomen en te weten wat er gebeurt. Deze missie ontmoedigt niet alleen eventuele wapenleveranties via Georgië aan Tsjetsjeense rebellen, maar kan ook eventuele inbreuken op de soevereiniteit van Georgië constateren. Nederland onderhoudt met Armenië en Georgië geen structurele ontwikkelingsrelatie, maar met beide landen wordt wel samengewerkt op het gebied van de opbouw van de samenleving en de mensenrechten. In het kader van het PSO-fonds zijn er ook contacten tussen het ministerie van Economische Zaken en landen in de Kaukasusregio.

Minister Van Aartsen gaf ook te kennen dat de UNHCR toegang heeft tot de regio ten behoeve van humanitaire hulpverlening, zij het dat de belabberde veiligheidssituatie aan de medewerkers van de UNHCR beperkingen oplegt. Veel vluchtelingen bevinden zich in Ingoesjetië, met name ook bij familieleden, en ook Georgië heeft enkele duizenden vluchtelingen opgevangen. Er zijn praktisch geen vluchtelingen in Bakoe en Armenië. Er is nog geen nieuw inter-agency appeal van de Verenigde Naties. De EU beschikt via het ECHO-programma over ruim voldoende financiële middelen om humanitaire hulp aan de ontheemden te verlenen, althans als de middelen in het oorlogsgebied effectief kunnen worden ingezet. De Russische federatie heeft in de contacten met internationale vertegenwoordigers ook herhaalde malen toegezegd dat humanitaire hulpverleners toegang tot het gebied krijgen om hun werk te kunnen doen. Commissaris Nielson zal ten behoeve van de Algemene Raad van 14 februari aanstaande rapporteren over de situatie ter plekke. Verder is het de bedoeling dat komend voorjaar een nieuwe VN-missie naar het gebied gaat, waarop ongetwijfeld een nieuw appeal zal volgen.

In maart 2000 zal Buitenlandse Zaken een openbaar debat organiseren met als doel de recent benoemde Nederlandse mensenrechtenambassadeur te presenteren. Uiteraard komt dan ook haar rol en taak aan de orde. Aan de Adviesraad voor internationale vraagstukken is advies gevraagd over het thema "humanitaire interventie" om de discussie daarover op gang te brengen. Na ommekomst van de adviezen op dit punt zal de Kamer nog voor de zomer een notitie hierover ontvangen.

Nederland heeft zich samen met Zweden de afgelopen tijd intensief beziggehouden met de positie van de heer Babitski. Er was onduidelijkheid over het lot van Babitski, maar vanochtend is meer bekend geworden over zijn verblijfplaats. Als op basis van de feiten van de laatste uren blijkt dat de onbevredigende situatie rond Babitski voortduurt, zullen Nederland en Zweden niet schromen om dit aan de orde te stellen en eventueel gezamenlijk een demarche te ondernemen in Moskou. Mede naar aanleiding van deze zaak zal Nederland erop aandringen dat in de verklaring van de Algemene Raad van maandag aanstaande aandacht wordt besteed aan de persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting in het algemeen.

Ten aanzien van de aanscherping van het veiligheidsconcept van de Russische federatie wees de minister erop dat dit niet zozeer voortvloeit uit gevoelens van toenemende dreiging als wel uit de mate waarin de effectiviteit van het staande Russische leger afneemt. Men ziet een en ander als een onderdeel van de normale defensiepolitiek van de Russische federatie. Volgens deze analyse moet de aanscherping dan ook niet worden gezien als een verslechtering van de relatie tussen de NAVO en de Russische federatie. Het bezoek van de secretaris-generaal van de NAVO aan Moskou zal helaas voorlopig geen doorgang vinden, omdat de heer Robertson te kennen heeft gegeven, ook te willen spreken over de kwestie Tsjetsjenië, terwijl de Russische federatie zeer uitvoerig wenst in te gaan op wat naar haar inzicht tijdens de Kosovocrisis is misgegaan. Tijdens de laatste NAVO-raad heeft de Nederlandse regering verzocht om een debat met de Verenigde Staten over de vraag waarom het noodzakelijk is om de herziening van het ABM-verdrag in dit kader aan de orde te stellen en of er geen andere mogelijkheden zijn om de veiligheid van de VS te waarborgen.

Nadere gedachtewisseling

De heer Van Baalen (VVD) verzocht de minister andermaal om in de mensenrechtennotitie aandacht te besteden aan de dialoog met grote mogendheden in relatie tot de mensenrechten.

De heer Koenders (PvdA) was met de minister van opvatting dat het in het algemeen bij zaken als het indienen van een statenklacht of het ondernemen van demarches altijd beter is om gezamenlijk met andere lidstaten op te trekken. De afweging is echter ook of het op een gegeven moment toch effectief kan zijn om voor een "Alleingang" te kiezen. In dat opzicht bleef hij van mening dat Nederland ook alleen een statenklacht moet indienen. Is de minister bereid om de gevoelens in het Nederlandse parlement ten aanzien van de statenklacht tijdens zijn bezoek aan Moskou aan de orde te stellen? Het Westen in het algemeen en de Europese Unie in het bijzonder kiezen ervoor om het nemen van echt forse maatregelen tegen de Russische federatie enerzijds ondergeschikt te maken aan het in stand houden van de dialoog anderzijds. Is de minister bereid te overwegen om zijn bezoek aan Moskou uit te stellen tot na de presidentsverkiezingen in Rusland? Ondanks bezoeken van andere internationale vertegenwoordigers is de situatie in Tsjetsjenië immers eerder verslechterd dan verbeterd.

Ook de heer Hoekema (D66) bleef erbij dat Nederland thans alleen een statenklacht tegen de Russische federatie moet indienen. Hij was verheugd over de toezegging van de minister inzake de schending van het humanitaire oorlogsrecht. Van belang is dat daarbij zoveel mogelijk concrete casusposities worden gebruikt, want dat verhoogt de kans op een concrete veroordeling van de Russische federatie in dezen. Is de minister bereid om de Kamer schriftelijk te informeren over de voortgang op dit punt? Verder informeerde hij ernaar of in de "joint permanent council" van de NAVO ook het onderwerp Tsjetsjenië kan worden geagendeerd. Tot slot gaf hij te kennen met de heer Koenders van mening te zijn dat het bezoek van de minister aan Moskou beter kan worden uitgesteld tot na de Russische presidentsverkiezingen.

Mevrouw Vos (GroenLinks) was ook van mening dat het bezoek van de minister tot na de verkiezingen in Moskou zou moeten worden uitgesteld. Tevens bleef zij van opvatting dat Nederland nu een statenklacht moet indienen. Verder bepleitte zij dat Nederland wederom pogingen zal doen om de problematiek van de Kaukasusregio in het algemeen en die van Tsjetsjenië in het bijzonder te agenderen voor de Veiligheidsraad. Zijn er eventueel mogelijkheden om dit in andere organen van de VN aan de orde te stellen? Tot slot bevestigde zij dat niet het IMF een krediet aan Rusland heeft verstrekt, maar dat het ging om een krediet van de Wereldbank. Heeft Nederland tegen deze kredietverlening geprotesteerd? Is de regering bereid om daarover het politieke debat aan te gaan?

Mevrouw Van Ardenne-van der Hoeven (CDA) had begrip voor het bezoek van de minister aan Moskou in het kader van het in stand houden van de dialoog tussen de Europese Unie en de Russische federatie. Dat leek haar een betere onderbouwing dan de vermeende gemeenschappelijke opvatting van de EU en Rusland over normen en waarden, want daarvan is thans absoluut geen sprake.

Zij kreeg graag nog antwoord op haar vraag naar het oplopend gebruik van beschikbare drukmiddelen. Om welke middelen gaat het dan? Liggen er nog andere drukmiddelen in het verschiet die nog niet aan de orde zijn geweest? Ook kreeg zij graag nog een toelichting op de macro-economische beperkingen, want de handelsrelaties met Rusland zijn nog niet stopgezet. Er is wel wijziging gebracht in de inzet van de TACIS-middelen, maar dat houdt geen verband met het macro-economisch beleid.

Ten aanzien van het indienen van de statenklacht kon zij zich volledig vinden in de opvatting van de minister.

De minister van Buitenlandse Zaken releveerde dat in de humanitaire-interventienotitie aandacht zal worden besteed aan de dialoog met de grote mogendheden. Nederland probeert het debat hierover ook van de grond te krijgen. In het voorjaar zal hierover ook een seminar worden gehouden, terwijl ook is geopperd om het thema aan de orde te stellen tijdens de millenniumbijeenkomst van de algemene vergadering van de VN.

Hij bleef bij zijn argumentatie inzake de indiening van een statenklacht. Zijn bezoek aan Moskou zal rond half maart plaatsvinden, dus vóór het toetsingsmoment dat in het kader van de Raad van Europa is afgesproken. Het onderwerp Tsjetsjenië zal daarbij volop aan de orde worden gesteld. De NAVO heeft er geen enkel bezwaar tegen om dit thema in de "joint permanent council" en ook anderszins aan de orde te stellen, maar op dat punt blijkt een impasse te zijn ontstaan. Dat leidt ertoe dat het overleg tussen de NAVO en Rusland hierover voorlopig niet zal plaatsvinden.

Hij vond het niet verstandig om opnieuw te pogen het onderwerp Tsjetsjenië voor de Veiligheidsraad te agenderen, want dat is gegeven de verhoudingen onmogelijk gebleken. Wat het krediet van de Wereldbank aan Rusland betreft, wees hij erop dat de Wereldbank in dit soort zaken op basis van haar eigen financiële overwegingen tot besluitvorming komt.

Tot slot benadrukte hij dat de internationale gemeenschap met Rusland in verschillende kaders en gremia optreedt, zoals de Raad van Europa en de OVSE. Daarbij wordt steeds uitgesproken dat men gezamenlijk zekere waarden wil delen. Juist daarom moet de Russische federatie op dat punt worden aangesproken. In de komende Algemene Raad van de EU zal worden gesproken over vervolgstappen in het kader van het partnerschaps- en samenwerkingsakkoord met Rusland. Dat betreft dan een aantal aspecten uit de handelsrelatie met Rusland.

De voorzitter van de commissie,

De Boer

De griffier van de commissie,

Hommes

1 Samenstelling:

Leden: Blaauw (VVD), Weisglas (VVD), Van den Berg (SGP), Ter Veer (D66), Van Middelkoop (GPV), Valk (PvdA), Apostolou (PvdA), Hillen (CDA), M.B. Vos (GroenLinks), Verhagen (CDA), ondervoorzitter, Marijnissen (SP), Hessing (VVD), Hoekema (D66), Dijksma (PvdA), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Van den Doel (VVD), Koenders (PvdA), Timmermans (PvdA), Ross-van Dorp (CDA), Remak (VVD), Van der Knaap (CDA), Karimi (GroenLinks), Bussemaker (PvdA), Wilders (VVD), De Boer (PvdA), voorzitter

Plv. leden: Dijkstal (VVD), Van Baalen (VVD), De Graaf (D66), Van 't Riet (D66), Rouvoet (RPF), Zijlstra (PvdA), Belinfante (PvdA), Visser-van Doorn (CDA), Harrewijn (GroenLinks), Eurlings (CDA), Van Bommel (SP), Cherribi (VVD), Scheltema-de Nie (D66), Gortzak (PvdA), De Haan (CDA), Snijder-Hazelhoff (VVD), Albayrak (PvdA), Feenstra (PvdA), Leers (CDA), Patijn (VVD), Van den Akker (CDA), Rosenmöller (GroenLinks), Duivesteijn (PvdA), Balemans (VVD), Van Oven (PvdA)

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie