Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

CBS: De conjunctuur in 1999

Datum nieuwsfeit: 24-02-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten

CBS


CBS:Conjunctuurbericht februari

De conjunctuur in 1999

Algemeen: economische groei houdt aan in 1999
In 1999 zet de sterke economische groei van de afgelopen jaren door. Afgemeten aan de volume-ontwikkeling van het bruto binnenlands product (BBP) groeit de Nederlandse economie met 3,5%. Met dit groeicijfer presteert Nederland internationaal gezien opnieuw bovengemiddeld. In de eerste helft van het jaar was vooral de binnenlandse vraag belangrijk voor de economische groei. De exporterende bedrijven - vooral te vinden in de industrie - hadden te kampen met ongunstige internationale omstandigheden. In de tweede helft van 1999 ligt de groei wat hoger dan in de eerste helft. De werkgelegenheid ontwikkelt zich in 1999 opnieuw bijzonder gunstig. Dit gaat zowel gepaard met een daling van de werkloosheid als met een verdere stijging van de arbeidsparticipatie. De Nederlandse inflatie blijft vrijwel stabiel. In het buitenland daarentegen begint het prijspeil juist sneller te stijgen, vooral in de laatste maanden van het jaar. De rente is in het begin van het jaar historisch laag, maar begint gaandeweg op te lopen.

Bestedingen: accentverschuiving van consumptie naar uitvoer De economische groei wordt in 1999 zowel gedragen door de binnenlandse bestedingen als door de uitvoer. In de eerste helft van het jaar ligt het accent vooral bij de consumptie en investeringen. De consumptiegroei wordt onder andere gestimuleerd door een aanhoudende uitbreiding van de werkgelegenheid. Het belang van de consumptie voor de Nederlandse economie is groot. Ongeveer 60% van het BBP bestaat uit consumptieve bestedingen door gezinnen. Het groeitempo van de uitvoer is in de eerste helft van het jaar relatief laag. Gaandeweg het jaar neemt de economische groei in een aantal belangrijke industriële landen toe en begint de uitvoertoename te versnellen. De consumptiegroei zwakt juist iets af, maar blijft wel op een hoog niveau. De hoge groei van de consumptie van duurzame goederen valt wat terug. In de loop van het jaar is er dus een accentverschuiving van de binnenlandse bestedingen naar de uitvoer.
Banen en vacatures: sterke toename
Het aantal banen is in de eerste drie kwartalen van het jaar 1999 ongeveer 190 duizend groter dan in dezelfde periode van het jaar ervoor. In vergelijking met voorgaande jaren is dit een zeer sterke toename. Het totaalcijfer verhult verschillen tussen de bedrijfstakken. Bij de zakelijke dienstverlening (inclusief uitzendkrachten) wordt in absolute zin in 1999 de grootste groei waargenomen. Al sinds het midden van de jaren negentig is de toename van het aantal banen in deze bedrijfstak groot. Wel tonen de groeicijfers een dalende tendens. Ook in de sector handel en transport is het aantal banen in de eerste drie kwartalen van 1999 veel groter dan in dezelfde periode van het jaar ervoor. In de industrie is de toename in vergelijking met deze twee bedrijfstakken bescheiden. Wel is er de laatste drie jaar sprake van groei. In de periode 1992-1996 daalde het aantal banen in de industrie. Deze ontwikkelingen wijzen op een geleidelijke verdere overgang van een goedereneconomie naar een diensteneconomie.
Het aantal vacatures is in de eerste drie kwartalen veel groter dan in dezelfde periode van 1998. Eind september zijn er 157 duizend openstaande vacatures. Het aantal openstaande vacatures per duizend banen geeft een indicatie van de krapte op de arbeidsmarkt. Gemiddeld over alle particuliere bedrijven zijn er 30 openstaande vacatures per duizend banen. De krapte op de arbeidsmarkt verschilt tussen sectoren. De commerciële dienstverlening, en met name de IT-sector, heeft de meeste moeite met het vinden van personeel. Bij de particuliere bedrijven binnen de niet-commerciële dienstverlening en in de landbouw en visserij is het aantal vacatures kleiner dan gemiddeld.

Overige ontwikkelingen

Productie: herstel industrie
Het volume van de totale toegevoegde waarde in 1999 is 3,5% groter dan in 1998. In bijna alle bedrijfstakken is het productievolume groter dan in het jaar ervoor. Alleen in de delfstoffenwinning ligt de productie in 1999 lager (-5,5%). Dit is voor een belangrijk deel toe te schrijven aan de zachte winter. De ontwikkelingen in deze bedrijfstak zijn erg gevoelig voor weersomstandigheden en fluctueren daarom ook meer dan die in andere sectoren. In de overige bedrijfstakken ligt de bedrijvigheid hoger dan in 1998. Het productievolume in de industrie is 2,3% groter dan in het jaar ervoor. Dit groeicijfer is in vergelijking met andere bedrijfstakken vrij bescheiden. Het jaarcijfer verhult dat de productie in de loop van 1999 sterk aantrekt. In het eerste kwartaal van vorig jaar lag de productie nog lager dan in het eerste kwartaal in 1998. Daarentegen ligt de industriële productie in het vierde kwartaal 6,4% hoger dan in de overeenkomstige periode van het jaar ervoor. Vooral in de chemie en de elektrotechnische industrie groeide de productie in het vierde kwartaal sterk. De chemie profiteert van de in de loop van 1999 aantrekkende wereldhandel.
Het grootst is de productietoename bij de financiële instellingen (6,7%) en in de landbouw, bosbouw en visserij (6,7%). De groei in de laatstgenoemde sector is voor een belangrijk deel toe te schrijven aan het lage productieniveau van 1998. Dit had te maken met het zeer natte najaar van 1998 dat met name de aardappeloogst negatief beïnvloedde. Een derde bedrijfstak waar de productie in 1999 flink hoger ligt dan in het jaar ervoor is vervoer, opslag en communicatie (6,2%). Door de sterke opkomst van mobiele telecommunicatie kende deze bedrijfstak de afgelopen twee jaar een forse toename van de productie. In 1999 ligt het groeicijfer wel iets lager, maar het blijft hoog in vergelijking met de andere bedrijfstakken. Het volume van de toegevoegde waarde in de bouwnijverheid was vorig jaar 5,4% groter dan in 1998. Dit is het hoogste groeicijfer van de jaren negentig.

Bestedingen: consumptiegroei zwakt af
De consumptie door gezinnen in 1999 ligt 3,8% hoger dan in het jaar ervoor. Dit is maar een fractie lager dan het hoge groeicijfer van 1998. Wel daalt het tempo van de groei in de loop van het jaar. Met name de bestedingen aan duurzame goederen nemen in de loop van het jaar minder fors toe. Door sterke toenames in het eerste halfjaar is de jaargroei voor deze categorie historisch gezien nog hoog (6,7%). Aan voedings- en genotmiddelen wordt in 1999 amper meer besteed dan in 1998 (0,2%). Al geruime tijd staan de bestedingen van deze groep onder druk. De categorie diensten en overige goederen heeft het grootste aandeel in de bestedingen van de consument. Vorig jaar lagen de bestedingen daaraan 3,4% hoger dan in het jaar ervoor. Sinds 1996 schommelt de groei rond de drie procent.
Het volume van de uitvoer van goederen en diensten in 1999 is 4,7% groter dan in het jaar ervoor. In het perspectief van de jaren negentig is dit een bescheiden groei. Wel trekt de export in de loop van het jaar aan. Daarmee wordt de terugval van de consumptiegroei gecompenseerd. In 1999 is het volume van de bruto investeringen in vaste activa 5,8% groter dan in het jaar ervoor. Dit is een hogere groei dan gemiddeld over de jaren negentig is gemeten. De overheid investeerde in 1999 meer (5,4%). Dit is een scherp contrast met de twee jaren ervoor toen de investeringen van de overheid nauwelijks toenamen. De groei van de overheidsinvesteringen toont een grillig verloop. Ook de investeringen van bedrijven liggen in 1999 hoger dan in het jaar ervoor (5,8%). Opmerkelijk is het verschil tussen de eerste en de tweede helft van de jaren negentig. In de eerste helft is de groei bescheiden of ligt het investeringsvolume zelfs onder dat van het jaar ervoor. Sinds 1995 nemen de investeringen bij bedrijven met gemiddeld vijf procent of meer toe.

Prijzen en rente: inflatie stabiel
Het consumentenprijsindexcijfer ligt in 1999 gemiddeld 2,2% hoger dan in het jaar ervoor. De inflatie is 0,2%-punt hoger dan in 1998, maar blijft historisch gezien bescheiden. Opvallend is de stabiliteit van de prijsontwikkeling. Alleen in augustus week het maandelijkse inflatiecijfer meer dan 0,1%-punt af van het jaargemiddelde. In tegenstelling tot de consumentenprijzen tonen de producentenprijzen in de loop van 1999 een duidelijk stijgende tendens. Zowel de afzet- als de verbruiksprijzen worden sterk beïnvloed door de prijsontwikkeling van ruwe aardolie. Gemeten in guldens is een vat ruwe aardolie in december 1999 ruim 180% duurder dan in dezelfde maand van het jaar ervoor. De dollar is ten opzichte van de gulden ongeveer 15% meer waard dan in december 1998, terwijl de prijs van ruwe aardolie in dollars met ruim 140% toeneemt. Ook de rente toont in de loop van het jaar een stijgende tendens. Het rendement op staatsobligaties, de lange rente, neemt toe sinds april. Alleen in november daalde deze vergeleken met de maand ervoor. Wel is de lange rente nog steeds historisch laag. In het kielzog van de lange rente is ook de hypotheekrente in de loop van 1999 gestegen. Dit lijkt invloed te hebben op het aantal afgesloten hypotheken. In het vierde kwartaal van 1999 daalt het aantal nieuw ingeschreven woninghypotheken vergeleken met het derde kwartaal van vorig jaar. De opgaande lijn van 1999 slaat in het laatste kwartaal dus om.

Arbeidsmarkt: gunstige ontwikkelingen
Het jaar 1999 is opnieuw een gunstig jaar voor de arbeidsmarkt. Voor het derde achtereenvolgende jaar stijgt de werkgelegenheid, het aantal mensen met een baan van ten minste twaalf uur per week, met ongeveer 200 duizend. Veel meer vrouwen dan mannen hebben vorig jaar een baan gekregen. Bijna tweederde van de mensen die een baan kregen was van het vrouwelijk geslacht. Sinds het midden van de jaren zeventig bieden vrouwen zich in toenemende mate aan op de arbeidsmarkt. Mede door de sterke toename van vorig jaar ligt de arbeidsparticipatie van vrouwen voor het eerst boven de 50%. Een ander opvallend aspect van de werkgelegenheidsgroei is de afname van het aantal mensen met een flexibel dienstverband. Het is voor het eerst sinds 1994 dat het aantal flexwerkers daalt.
De toename van de werkgelegenheid vertaalt zich in een afname van het aantal werklozen. Werkloosheid kan op verschillende manieren worden gedefinieerd. Een indicator is het aantal mensen dat staat ingeschreven bij het arbeidsbureau. Het aantal geregistreerde werklozen komt voor 1999 gemiddeld uit op 221 duizend. Dit is 66 duizend lager dan in het jaar ervoor. In het laatste kwartaal van vorig jaar lag de geregistreerde werkloosheid voor het eerst sinds 1980 beneden de 200 duizend. Niet iedereen die werkloos is en werk zoekt staat ingeschreven bij het arbeidsbureau. Vooral werkzoekende vrouwen schrijven zich vaak niet in. Een andere relevante indicator voor de ontwikkeling van de werkloosheid is daarom de omvang van de werkloze beroepsbevolking. De werkloze beroepsbevolking bestaat uit mensen tussen de 15 en 64 jaar die actief zoeken naar een baan van ten minste twaalf uur per week. Doordat mensen bij het gebruik van deze definitie eerder worden geteld als werkloos, is de omvang van de werkloze beroepsbevolking groter dan die van de geregistreerde werkloosheid. De ontwikkeling van de twee indicatoren loopt over het algemeen echter tamelijk parallel. De werkloze beroepsbevolking bestaat in 1999 uit 292 duizend personen. Dit is een afname van 56 duizend in vergelijking met het jaar ervoor.
Een relevante grootheid bij de analyse van de werkloosheid is de omvang van de niet-beroepsbevolking. De bevolking tussen de 15 en 64 jaar kan worden onderverdeeld in diegenen die kunnen en willen werken, de beroepsbevolking, en zij die dat om één of andere reden niet kunnen of willen, de niet-beroepsbevolking. De omvang van de niet-beroepsbevolking is een indicatie voor het niet-gebruikte potentiële arbeidsreservoir. In 1999 neemt de niet-beroepsbevolking af met 81 duizend.

INTERNATIONALE ONTWIKKELINGEN: Nederland presteert goed

Economische groei
In 1999 is het volume van het bruto binnenlands product in Nederland 3,5% groter dan in 1998. Hiermee presteert ons land internationaal gezien bovengemiddeld. Voor Nederland is dit het vierde achtereenvolgende jaar dat de economie met minstens 3% groeit. In de Europese Unie (EU) bedraagt de economische groei, afgemeten aan de volume-ontwikkeling van het BBP, in het afgelopen jaar gemiddeld 1,9%. Met onder andere Zweden (3,7%) en Spanje (3,4%) behoort Nederland binnen de EU tot de groep van landen met de hoogste economische groei. Van de belangrijkste industrielanden is de Verenigde Staten (VS) absolute koploper. De toename van het volume van het BBP in 1999 bedraagt daar 4,1%. In Japan groeide in deze periode de economie met een bescheiden 0,4%, volgend op een krimp in 1998 met 2,6%. Op een enkele uitzondering na blijft de groei van de economie in de meeste landen in 1999 achter bij die van 1998. De toename van het volume van het BBP lag toen in de EU gemiddeld op 2,7%. De grootste afname van de groei deed zich voor in Denemarken, waar de economische groei meer dan halveerde. In Duitsland, voor ons land de belangrijkste handelspartner, nam de groei van de economie af van 2,0% in 1998 naar 1,0% in 1999.

Consumptie
Evenals in 1998 kan de consumptie door gezinnen in Nederland ook in 1999 gezien worden als de belangrijkste motor achter de voorspoedige economische ontwikkelingen. Het volume van de gezinsconsumptie is in 1999 vergeleken met het jaar daarvoor met 3,8% toegenomen. Deze stijging ligt ruim 1%-punt boven het gemiddelde van de EU. Internationaal gezien blijven in 1999 voor wat betreft de groei van de consumptieve bestedingen de VS (5,3%), Spanje (4,1%) en Zweden (4,0%) ons land voor. Ook in de VS levert de aanhoudende groei van de consumptie door gezinshuishoudingen de belangrijkste bijdrage aan de gunstige economische ontwikkelingen. Dit is naast de sterke banengroei en de ontwikkeling van de inflatie een andere overeenkomst tussen de VS en Nederland. Voor de Europese Unie in zijn geheel is de groei van de consumptie in 1999 (2,7%) iets lager dan die in 1998 (3,0%). In Zweden valt een forse toename van de groei te constateren. Daarentegen zakt in Denemarken de consumptiegroei in tot een schamele 0,8%, terwijl in 1998 het consumptievolume nog groeide met 3,5%.

Inflatie
In Nederland ligt de geharmoniseerde consumentenprijsindex in 1999 gemiddeld 2,0% hoger dan een jaar eerder. Dat is gelijk aan de bovengrens die door de Europese Centrale Bank (ECB) wordt gehanteerd als definitie van prijsstabiliteit voor het eurogebied. Spanje en Ierland zijn de enige landen binnen dit gebied waarvan de inflatie verleden jaar boven deze grens van twee procent uitkomt. Voor het eurogebied als geheel ligt de inflatie op 1,1%. In de Verenigde Staten, Spanje, Nederland en Denemarken komt het inflatiecijfer over 1999 hoger uit dan in 1998. In de eerste drie landen groeit de economie al drie jaar in een tempo van ruim boven de drie procent. De hogere inflatie in Denemarken gaat echter samen met een economische groei die in 1999 fors lager is dan in 1998. In Canada en Zwitserland loopt de prijsstijging in 1999 in vergelijking met 1998 met de helft terug. Japan is een land waar het leven in 1999 gemiddeld iets goedkoper is geworden. Dat was in 1995 ook het geval.

Werkloosheid
De werkloosheid is in 1999 ten opzichte van een jaar eerder in Nederland met 23% afgenomen. Dat is ongeveer gelijk aan de procentuele afname in 1998. Van de elf oude EU-lidstaten is de werkloosheid bij ons verreweg het meest gedaald. Het dalingspercentage van de werkloosheid in Nederland wordt de laatste twee jaren overtroffen door Zwitserland. In dat land steeg de werkloosheid in 1996 en 1997 echter nog met 10% en 12%. Een daling van de werkloosheid in 1999 met meer dan 10% heeft zich ook voorgedaan in Spanje, Zweden en Denemarken. In de VS ligt de laatste zeven jaar de afname van het aantal mensen zonder baan tussen de vijf en tien procent (uitgezonderd in 1996). Vanaf 1992 is de werkloosheid in de VS met bijna 40% gedaald, wat inhoudt dat ongeveer 3,5 miljoen mensen een baan hebben gevonden. In de VS zijn er in totaal in de periode 1992-1999 ongeveer 20 miljoen banen bijgekomen, een gemiddelde jaarlijkse stijging van 2%. Ook voor Nederland komt de banengroei in dat tijdvak ongeveer uit op dit percentage.

Noot voor redacties

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie