Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Verslag overleg kamercommissie over Fonds werk en inkomen

Datum nieuwsfeit: 24-02-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

26800XV.067 vao fonds werk en inkomen
Gemaakt: 1-3-2000 tijd: 11:2

26800 XV Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) voor het jaar 2000

nr. 67 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 24 februari 2000

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid<1> heeft op 3 februari 2000 overleg gevoerd met minister De Vries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over diens brieven inzake het Fonds werk en inkomen (SOZA-99-883 en -923).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissie

Mevrouw Noorman-den Uyl (PvdA) was het eens met de door de regering bewandelde weg inzake het niet verder doorzetten van het toeslagensysteem en het vormen van een fonds waarin 25% van de bijstandskosten volgens een zo goed mogelijk objectief verdeelmodel worden ondergebracht en waarbij de gemeenten in bescheiden mate risicodragend zijn. Het daartoe ontwikkelde model riep bij haar evenwel vragen, aarzelingen en kritiek op onderdelen op.

Het Rijk wenst financiële prikkels voor de gemeente in de verwachting dat de gemeente dan meer haar best zal doen om de Algemene bijstandswet (ABW) goed uit te voeren, waarbij het de vraag is wat in dit geval "goed uitvoeren" is. Zo min mogelijk mensen in het bestand? Dat kan ertoe leiden dat mensen voor wie de bijstand is bedoeld, geen bijstand krijgen. Niet alleen moet worden getracht te voorkomen dat mensen ten onrechte bijstand krijgen, maar ook dat mensen ten onrechte geen bijstand krijgen. Goed bijstandsbeleid kan geld kosten en geen geld opleveren. Dat geldt bijvoorbeeld voor intensieve begeleiding van mensen in de bijstand (sociale activering, hulp bij schuldsanering en dergelijke), ook al is duidelijk dat zij nooit uit de bijstand zullen komen. Het gaat daarbij om eenderde van het bijstandsbestand. Het voorgestane verdeelmodel bevat dergelijke kenmerken niet. Ook intensieve begeleiding om via scholing te bereiken dat mensen in de toekomst onafhankelijk kunnen zijn, kost jarenlang geld zonder iets op te leveren.

Mevrouw Noorman wees er ook op dat gemeenten door buiten hun competentie vallende negatieve regionale arbeidsmarktfactoren geconfronteerd kunnen worden met meer eigen risico. Een objectief verdeelmodel is lastig in te vullen.

De meetpunten van het model besprekend, constateerde zij dat het aantal gescheiden vrouwen wél en het aantal alleenstaande en alleenwonende ouders níét is opgenomen, terwijl de bijstand juist veel alleenstaande en alleenwonende ouders telt. Zij wees ook op het verschil tussen platteland en stad. Het percentage huurwoningen wordt als meetpunt gebruikt en het percentage huursubsidie niet, terwijl dát juist een goede indicator zou zijn, omdat dat staat voor een laag inkomen en een huurwoning. Arbeidsmarktkenmerken in percentages van de beroepsbevolking zeggen ook niet voldoende op regionaal of gemeentelijk niveau. Ook het aandeel van handel en horeca in de werkgelegenheid is onvoldoende om te definiëren of er extra risico in een gemeente is.

De gemiddelde woningbezetting, die iets zegt over het aantal alleenwonende alleenstaanden, ontbreekt, terwijl er in de bijstand een groot kostenverschil is tussen alleenstaanden en inwonenden.

Mevrouw Noorman bestreed dat een gemeente met veel kinderen hogere bijstandslasten heeft. Immers, voor de hoogte van de uitkering maakt het niet uit of een bijstandsgerechtigde een kind heeft of tien kinderen.

Al deze punten maakten dat mevrouw Noorman het ontwikkelde model niet voldoende transparant en de maatstaven niet goed gedefinieerd achtte. Terecht noemt de gemeente Den Haag het model niet begrijpelijk en voorspelbaar. Mevrouw Noorman ging ervan uit dat er, waar er sprake is van een opzet tot fondsvorming en nog niet van een concreet voorstel, alle ruimte is om het model meer toe te snijden op de werkelijkheid. Het leek haar wenselijk ook andere meetinstrumenten voor de verdeling van geld tussen gemeenten te bezien. Ook zou in het oog gehouden moeten worden dat het objectief verdeelmodel is gebaseerd op verouderde cijfers en beginselen, zoals het aantal studenten in een gemeente, terwijl sinds de verandering van de kwalificatie "passende arbeid" bij toeleiding naar de arbeidsmarkt, schoolverlaters niet langer bijstand krijgen, uitzonderingen daargelaten.

De komst van het fonds en het uit het Gemeentefonds halen van de vergoeding van de bijstandskosten, zullen tot grote herverdeeleffecten leiden. De eerste jaren zal de verdeling geschieden op basis van de meest recente historische uitgaven. Dat betekent dat gemeenten die de afgelopen jaren niets hebben gedaan om mensen uit de bijstand te helpen, veel geld krijgen en de gemeenten die zich daarvoor wel hebben ingespannen veel minder krijgen, wat een desincentive is. Bij de keuze van de wegingsfactoren, in wezen politiek-strategische keuzes, is een afweging gemaakt die haaks staat op het doel van de ABW. Zou naast het objectief verdeelmodel niet moeten worden gewerkt met een incentivemodel, waarin gemeenten die de ABW goed uitvoeren, wat geld kan kosten, meer krijgen en gemeenten die dat niet doen, minder? In dat model zal moeten worden verwerkt hoe wordt omgegaan met bijstandsmoeders, met mensen die lang in de bijstand zitten en met andere instrumenten van de ABW. Benchmarking, over het ontwikkelen waarvan de regering in reactie op moties uit de Kamer toezeggingen heeft gedaan, zou een goed instrument zijn om positieve prikkels te geven.

Mevrouw Noorman vroeg of de WIW gaat "meelopen" in dit verdeelmodel en wat de effecten zijn van de uitname uit het Gemeentefonds. Zij wees erop dat als men het Fonds werk en inkomen (FWI) per 1 januari 2001 wil invoeren, bedacht moet worden dat de deadline voor wijzigingen in de verdeelstructuur van het Gemeentefonds 1 april a.s. is. Zorgwekkend is dat nieuwkomers niet als meetpunt worden opgevoerd, terwijl zij tot grote bijstandsuitgaven kunnen leiden. Voorts is zorglijk dat de effecten van de Vreemdelingenwet niet zijn verwerkt en dat ook de onvolledige AOW, een relatief dure bijstandsfactor, niet in het verdeelmodel is opgenomen, terwijl bovendien de nog maar net ingevoerde debiteurenincentive afgeschaft dreigt te worden. De VNG heeft interessante vragen gesteld over de werking van het fonds.

Wordt het fonds ook op landelijk niveau gebudgetteerd en dan alleen op basis van werkloosheidscijfers? Gaat het bij verdere verfijning alleen om het verschuiven van geld tussen gemeenten? Klopt de redenering in de stukken dan wel?

In de Wet inschakeling werkzoekenden (WIW) zitten de reïntegratiegelden, die voor een deel niet meer zijn geoormerkt. Toch staat in de plannen over de SUWI dat er een landelijke sturing is op budgetten voor reïntegratie, dat onderzoek moet plaatsvinden naar de wijze waarop de reïntegratiegelden zijn benut, waarbij de fasering en de indicatiestelling van het centrum voor werk en inkomen (CWI) een rol speelt en dat daarvan verantwoording moet worden afgelegd. In het voorliggende model verdwijnt dat bij de gemeenten, wat niet de bedoeling lijkt.

Mevrouw Noorman bleef het de moeite waard vinden om te zoeken naar een model dat beter is toegesneden op de realiteit, waardoor op wat langere termijn een objectieve verdeling van het geld tussen de gemeenten mogelijk is en waarbij via benchmarking gemeenten worden beloond voor het goed uitvoeren van de ABW.

De heer Harrewijn (GroenLinks) formuleerde het dilemma waarvoor hij stond: aan de ene kant het grote goed van het vergroten van de beleidsvrijheid van gemeenten, zodat die meer op maat kunnen werken, en aan de andere kant het voorkomen van te grote rechtsongelijkheid in de uitvoering van de ABW, zowel in inkomen als in kansen. Hij zei positief te staan tegenover het idee van het Fonds werk en inkomen, maar opheldering op enkele punten noodzakelijk te achten alvorens hij ermee zou kunnen instemmen. Zijns inziens moeten ook in het vervolgtraject doel en noodzaak van het FWI worden beoordeeld tegen de achtergrond van de actuele stand van zaken. Het is bijvoorbeeld de vraag of de prikkels om mensen te reïntegreren of sociaal te activeren nog net zo hard nodig zijn als enkele jaren geleden. Hebben de gemeenten niet al een grote inspanning verricht op het gebied van uitstroming en sociale activering? Welke effecten worden, gekwantificeerd in geld en uitstroom, daadwerkelijk van het FWI verwacht?

Enerzijds wil het kabinet financiële prikkels voor gemeenten invoeren en anderzijds wil het onverantwoorde risico's voor gemeenten beperken. Het is dan ook de vraag wat de effectiviteit is van deze balans.

De heer Harrewijn vroeg zich af of de mogelijk negatieve effecten van het FWI voldoende verkend zijn. In dat kader wees hij op de perikelen rond de WULPZ. Of gemeenten voldoende gemotiveerd worden om zich in te spannen om cliënten zo goed mogelijk te helpen, is de vraag. Kan het geen belemmering zijn voor de vestiging van bepaalde categorieën mensen, zoals daklozen, psychiatrische patiënten, kunstenaars en asielzoekers, die vaak een beroep doen op de bijstand? De heer Harrewijn wees in dit kader op de huidige problemen in de regio Utrecht bij de uitvoering van het gemeenschappelijke beleid om mensen, afkomstig uit de maatschappelijke opvang of de psychiatrie, bij voorrang aan een woning te helpen. Gemeenten wijzen daklozen en anderen door naar buurgemeenten. Hij vreesde voor afwenteling op andere regelingen, bijvoorbeeld de I/D-banen of de WSW, en voor het zo snel mogelijk plaatsen van iemand, terwijl het verstandiger zou kunnen zijn betrokkene langer te scholen, maar dus ook langer bijstand te verlenen. Een zuinige in plaats van een royale uitvoering van de ABW zou wel eens kunnen worden beloond.

De WIW is bijgevoegd, wat betekent dat plaatsing in de WIW niet wordt beloond, terwijl het een stimulans zou zijn iemand in de WIW te plaatsen, wanneer daarvoor voor 90% mag worden gedeclareerd in plaats van voor 75%, zoals ook voor de bijstandskosten gaat gelden. De voorgenomen maatregelen prikkelen niet tot het vergroten van de uitstroom uit I/D-banen en WSW-banen naar reguliere banen.

Mag uitgespaard geld uit die 25% door de gemeente ook worden besteed aan bijvoorbeeld minimabeleid of lantaarnpalen? De heer Harrewijn zou de mogelijkheid om met dat geld iets extra's te doen in het minimabeleid in plaats van voor activering, niet willen afwijzen. Wat heeft deze verandering van de uitvoering te betekenen voor de uitvoeringskosten?

In de meest recente brief wordt het voornemen vermeld toepassing van dienstbetrekkingen en werkervaringsplaatsen te beperken tot de eigenlijke doelgroep. Gebeurt dat nu dan niet?

De heer Harrewijn vroeg of bijstandsverlening aan mensen ouder dan 65 jaar niet buiten de systematiek van 25:75 moet worden gelaten. Zullen de gemeenten in de toekomst kunnen kiezen voor een andere procentuele verhouding en een groter risico, omdat zij zich volledig willen inzetten?

Ook de heer Harrewijn had heel wat vragen omtrent de objectiviteit van het objectief verdelingsmodel. Hij vroeg bijvoorbeeld welke definitie van werkloosheid wordt gehanteerd. Bij de verdeling wordt ter bescherming van gemeenten een bandbreedte opgenomen door het afromen van negatieve effecten, terwijl die er niet is voor het afromen van voordeel. Verdwijnt dat voordeel al na een jaar in een algemene herindeling? Wanneer het huidige verdeelmodel van het Gemeentefonds wordt gehandhaafd, heeft al een kleine aantal werklozen een negatief effect bij de verdeling van gelden.

Tot slot vroeg de heer Harrewijn of er nog gelden geoormerkt blijven voor specifieke doelen, zoals allochtonenbeleid en SUWI-inspanningen.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD) betoogde dat het voorstel geheel in de lijn is van de wens van de VVD om de gemeenten meer verantwoordelijkheid te geven. Bundeling van geldstromen, een zo groot mogelijke budgettering en meer eigen financiële verantwoordelijkheid geven gemeenten de mogelijkheid en een financiële prikkel om zelf keuzes te maken voor een zo efficiënt mogelijke inzet van de beschikbare middelen om cliënten te laten uitstromen en het geld in te zetten daar waar dat noodzakelijk is. Vermindering van het aantal mensen in de bijstand vergemakkelijkt de gemeenten het voeren van een goed minimabeleid.

Uiteraard dient deze ingreep in de financieringssystematiek zowel voor de gemeenten als voor het Rijk zorgvuldig en verantwoord te gebeuren. Voorgesteld wordt dat het Rijk per 1 januari 2001 25% van de kosten van de uitkeringsregelingen toekent als budget aan de gemeenten en 75% vergoedt op declaratiebasis. Mevrouw Snijder kwalificeerde dit voorstel als een goede start op weg naar nog meer verantwoordelijkheid voor de gemeenten en vroeg of de minister al ideeën had over andere punten waarop de budgetverantwoordelijkheid voor gemeenten zou kunnen worden vergroot, als dit systeem goed blijkt te werken. Hoe staat de minister tegenover het verzoek dat naar verluidt door enkele gemeenten, waaronder Groningen en Alkmaar, is gedaan om bij wijze van experiment te mogen opereren op basis van 50% budgettering en 50% declaratie? Mevrouw Snijder was ervoor om gemeenten deze mogelijkheid te bieden.

Zij betreurde het dat de discussie over meer verantwoordelijkheid en financiële prikkels voor de gemeenten zo lang duurt, terwijl de gemeenten de afgelopen twee jaar (veel) meer mogelijkheden hebben gehad om met deze nieuwe financieringsstructuur proef te draaien, omdat zij gebruik hadden kunnen maken van de grote economische groei en dus een grotere mogelijkheid van uitstroom uit de bijstand. Onder de bijstandsgerechtigden komen steeds meer mensen in fase 3 en 4 terecht en dus verder van de arbeidsmarkt af te staan dan in fase 1 en
2, wat betekent dat er veel meer sociale activering, scholing en intensieve begeleiding nodig is om hen weer aan het werk te krijgen. Krijgen gemeenten in het huidige voorstel voldoende financiële middelen en tijd om voor die mensen goede trajecten op te zetten en uit te voeren? Is er niet een nog sterkere deregulering en ontschotting nodig, zodat gemeenten meer mogelijkheden ter beschikking krijgen?

Ook mevrouw Snijder vermeldde het uitgangspunt voor de budgettering en zei dat om inzicht te krijgen in de herverdeeleffecten, het nieuwe budget zal moeten worden teruggekoppeld naar de gemeenten. Is er voldoende informatie om het noodzakelijke inzicht te krijgen? Zijn gemeenten in staat eventuele negatieve herverdeeleffecten te beïnvloeden?

Mevrouw Snijder was ook de mening toegedaan dat er meer factoren moeten meewegen in het geheel van objectieve criteria, bijvoorbeeld de eenzijdige werkgelegenheidsstructuur in een regio of gemeente die van eminente invloed zal zijn op het behoud respectievelijk de groei van het aantal arbeidsplaatsen aldaar. Hoe kan hierop worden ingespeeld? Zal in de vervolgafspraken rekening worden gehouden met wat er moet gebeuren bij een eventuele terugval in de economie, met als gevolg bedrijfssluitingen en een groter aantal bijstandsgerechtigden?

Het macrobudget zal worden vastgesteld in het jaar voorafgaande aan het uitkeringsjaar. Het budget voor 2001 zal op korte termijn bekend moeten zijn, zodat Rijk en gemeenten de financiële gegevens in de begroting kunnen implementeren. Hoe snel kan een en ander worden gerealiseerd en kan het worden meegenomen in vervolgafspraken? Mevrouw Snijder meende te weten dat in het regeerakkoord is uitgegaan van een bezuiniging op de bijstandsuitkeringen van om te beginnen 250 mln. en later meer. Wordt met dit bedrag rekening gehouden, ook nu het FWI later wordt ingevoerd?

Tot slot vroeg mevrouw Snijder in verband met de relatie tussen het FWI en SUWI naar de visie op de relatie met de CWI's.

De heer Mosterd (CDA) memoreerde dat in de visie van het CDA de uitvoering van de Algemene bijstandswet een overheidstaak is en blijft. Het gaat om een voorziening voor mensen die niet zelf in hun inkomen kunnen voorzien en om een taak die maatwerk vereist, toegesneden op de individuele situatie, terwijl tegelijkertijd een nauwgezette toetsing een verantwoorde besteding van publieke middelen moet garanderen. Van de bijstandsgerechtigde wordt verwacht dat deze zich inspant om zo snel mogelijk (weer) zelfstandig in het eigen levensonderhoud te voorzien. Kortom, het gaat om een ingewikkelde problematiek.

De heer Mosterd ondersteunde van harte het meer verschuiven van verantwoordelijkheid van Rijk naar gemeente en de ontschotting. Ontschotting stelt gemeenten in staat te schuiven met geld om dit zo doelmatig mogelijk te besteden. Hij stond in principe positief tegenover de verschuiving van 90:10 naar 75:25, maar wel afhankelijk van de invoering. Het is goed de financiële verantwoordelijkheid voor de uitgaven te leggen bij degene die de uitgaven doet.

Uiteraard wordt begonnen op basis van het historisch model, maar wat levert dit in combinatie met de 75% op declaratiebasis op als incentive voor de gemeente? Hoe wil het Rijk bij een meer gedecentraliseerde ABW-uitvoering nog alert reageren op de situatie waarin gemeenten voor onvermijdbare ABW-uitgaven komen te staan in geval van toenemende werkloosheid bij een laagconjunctuur? Een operatie als deze vereist grote zorgvuldigheid en voorzichtigheid. Terecht wordt dan ook gesteld dat het FWI stapsgewijs en beheersbaar wordt ingevoerd. Maar de vraag is naar welk percentage budgettering het kabinet uiteindelijk streeft. Controle en effectmeting zijn belangrijk, maar wat verandert er aan het controlebeleid van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bij verdergaande budgettering? Een nulmeting op dit moment zou het mogelijk maken over enige tijd de huidige en de nieuwe situatie met elkaar te vergelijken. Als een gemeente het minder goed doet dan het ministerie wenst, welke mogelijkheden heeft Sociale Zaken en Werkgelegenheid dan nog om in te grijpen, afgezien van de korting?

De bandbreedte is volgens het ministerie zodanig dat gemeenten er niet meer dan 3,75% op voor- of achteruit kunnen gaan. Toch blijkt in het eerste jaar, hoewel wordt uitgegaan van het historisch model, al voor zo'n 9% van de gemeenten de afwijking groter te zijn in bovenwaartse of neerwaartse richting. Bovendien wordt vermeld dat 40 gemeenten het risico lopen buiten de bandbreedte te komen en dat het Rijk in de overgangssituatie het verschil zal opvangen. Om welk type gemeenten gaat het dan? Is dat risico niet vermijdbaar?

Vervolgens ging de heer Mosterd in op de objectieve maatstaven en maakte hij kritische kanttekeningen bij de meetpunten huurwoningen, koopwoningen, centrumgemeentefunctie en grote en kleine gemeenten. Hij vroeg of het verschil tussen grote en kleine gemeenten niet al voor een belangrijk deel in de andere indicatoren is terug te vinden. Graag kreeg hij bijvoorbeeld via een proefuitdraai duidelijkheid over hoe een en ander in elkaar steekt. Zal het objectief verdeelmodel op tijd klaar zijn? Kan gegarandeerd worden dat de uitvoering van de wet ter invoering van het FWI zorgvuldig kan geschieden, wanneer het fonds per 1 januari 2001 in werking moet treden en de verdeling in mei-juni 2000 bekend is?

De sluis tussen het inkomensdeel en het werkdeel van het fonds kan positief zijn, omdat er in deze tijd meer kan worden gedaan met geld uit het werkdeel dat sterk wordt ontschot. Kan worden voorkomen dat in een slechte werkgelegenheidssituatie het werkdeel wordt leeggezogen door het inkomensdeel?

Toen het ging om de wijziging van de ABW in verband met de wijziging van de Toeslagenwet werd gemeld dat het kabinet die wet met ingang van 1 januari 2000 van kracht wilde doen zijn, mede gelet op de met de wijziging van de financiering beoogde uitgavenbeperking. Biedt het FWI eenzelfde voordeel of is er toch al sprake van een voordeel door de verbeterde arbeidsmarktsituatie? De heer Mosterd benadrukte dat hij de WSW niet in het FWI opgenomen wilde hebben, omdat de WSW een speciale doelgroep betreft.

Bestaat er bij het niet meer apart verslaan van de normkosten en de toeslagen nog inzicht in het verschil in toeslagenbeleid per gemeente? Welke invloed heeft dat toeslagenbeleid dan op het budget dat een gemeente ontvangt? Bestaat niet het gevaar dat de toeslagen onder druk komen te staan wanneer de zaak voor de gemeente financieel moeilijk wordt en de gemeente zoekt naar een bezuinigingsmogelijkheid?

De heer Mosterd sloot zich aan bij het verzoek van de heer Harrewijn om opheldering van de passage over werkervaringsplaatsen en dienstbetrekkingen.

De heer Mosterd zei in principe te zijn voor budgettering van de uitkeringslasten van de ABW, maar wel onder een aantal randvoorwaarden. Ook in de meer gedecentraliseerde situatie moet voor iedere ABW-cliënt waar dan ook in Nederland rechtens een adequate bijstandsuitkering verkrijgbaar zijn. Niemand moet buiten zijn schuld onder een bestaansminimum worden gedwongen. De rijksoverheid moet ook in de toekomst garant staan voor een voldoend hoog macrobudget om te voorkomen dat gemeenten in de problemen komen bij toenemende werkloosheid. Tot slot stelde de heer Mosterd dat zijn fractie de evaluatie van de ABW wil betrekken bij de bepaling van haar definitieve standpunt over deze operatie.

De heer Van der Staaij (SGP) kon zich erin vinden dat de regering zoekt naar een optimalisering van de effectiviteit van reïntegratiegelden en gelden in het kader van inkomensvoorzieningen. De weg van bundeling en budgettering lijkt een goede. In het regeerakkoord zijn afspraken gemaakt over het FWI.

De vernieuwde opzet door middel van bundeling van geldstromen wekt de indruk dat de huidige systematiek onbevredigend is. Wat zijn in de visie van de regering de nadelen van de huidige financieringssystematiek? Wat zijn de belangrijkste voordelen van de nieuwe systematiek? Wat zal de doelmatigheid het meest bevorderen? Functioneert het huidige toezicht van het ministerie niet toereikend? Immers, daarbij zijn toch de nodige inspanningen gedaan om de uitgaven kritisch te volgen. Wat is de betekenis van het toezicht in de nieuwe systematiek en hoe wordt dat ingevuld?

Ingaand op de financiering van het FWI, vroeg de heer Van der Staaij of het budgetteringspercentage van het fonds (25) na de eerste drie jaar zal worden opgeschroefd en of de bijstandskosten altijd voor een deel declarabel zullen blijven. Hoe ziet de minister de verantwoordelijkheid van de gemeenten op de langere termijn?

Ook de heer Van der Staaij uitte twijfel over het objectief verdeelmodel en vroeg zich af, of het wel mogelijk is alle indicatoren in beeld te krijgen. Is voorzien in de procedure waarin gemeenten bezwaar kunnen aantekenen tegen onbillijkheden die uit het model voortvloeien in hun specifieke situatie? Met andere woorden, is het mogelijk in concrete gevallen van het model af te wijken?

Overtollige gelden uit het inkomensdeel van het fonds zullen kunnen worden ingezet in het werkdeel. Zijn gelden voor het werkdeel wel geoormerkt?

De VNG heeft gemeld dat gemeenten die uitstroom realiseren, maar onder het landelijk gemiddelde blijven, door bijstelling van het macrobudget en de daarop gebaseerde verdeelsystematiek worden geconfronteerd met een lager budget, terwijl zij het geld juist nodig hebben. De VNG stelt dat op onderdelen gemeenten gestraft kunnen worden voor goed beleid. Is de systematiek volgens de minister voldoende om te voorkomen dat gemeenten die door lokale omstandigheden achterblijven, een lager budget krijgen?

Het FWI moet gemeenten meer in de gelegenheid stellen een eigen beleid te voeren. Welke gevolgen kan dit hebben voor de bereidheid van gemeenten om te participeren in de CWI's?

Tot slot wees de heer Van der Staaij op de door de gemeenten zelf aangevoerde beperkte verandercapaciteit van gemeenten. Het is belangrijk ook in dit opzicht ontschot te denken en oog te hebben voor alle veranderingen, onder andere op het gebied van de Vreemdelingenwet, waarmee de gemeenten worden geconfronteerd. Hij steunde dan ook de gedachte van de bewindsman aan een gefaseerde en beheersbare invoering van het FWI.

Mevrouw Schimmel (D66) wees op een aantal rapporten die ophanden zijn en op het komende hoofdlijnendebat over structuur in werk en inkomen, maar was van oordeel dat een debat over het FWI toch mogelijk was, omdat al jaren de gedachte is dat gemeenten die een goed activeringsbeleid voeren, geen last mogen ondervinden van de financieringsystematiek. Op hoofdlijnen kon zij zich vinden in het voorgelegde, maar dat zal wel op een aantal punten moeten worden gewijzigd, wil zij met het geheel kunnen instemmen.

Mevrouw Schimmel betreurde het, net als de VNG dat er nog geen overzicht is van de budgetten die de gemeenten bij de nieuwe systematiek kunnen verwachten, zodat duidelijk is wat de herverdeeleffecten zijn en of de gemeenten die voldoende kunnen beïnvloeden. Zij vroeg of haar veronderstelling juist is dat er tijdens de driejarige stapsgewijze invoering van de budgettering mogelijkheden zijn om bij te sturen. De informatie over de verdeling van de budgetten en de verdeeleffecten leek haar van groot belang voor de vaststelling van de gewenste bandbreedte.

Het objectief verdeelmodel leidt in sommige gevallen niet alleen tot herverdeeleffecten als gevolg van het model, maar ook tot fluctuaties in de tijd als gevolg van het activeringsbeleid. Mevrouw Schimmel vroeg, refererend aan de berekeningen en conclusies van de gemeente Den Haag, of dit econometrische model inderdaad leidt tot ondoorzichtigheid, oncontroleerbaarheid en onbegrijpelijkheid. Zij vroeg om een reactie op het bezwaar van de wethouders van de vier grote gemeenten dat een aantal niet door de gemeenten te beïnvloeden factoren niet in het objectief verdeelmodel zijn opgenomen, zoals de aantrekkingskracht van de vier grote gemeenten op nieuwkomers, waaraan de nieuwe Vreemdelingenwet nog zelfs een nieuwe dynamiek geeft, en de afwijkende cliëntenbestanden van de grote steden. De gemeenten zouden daarvan dan de rekening gepresenteerd krijgen.

Ook wenste mevrouw Schimmel een reactie op de stelling van de VNG dat de vaststelling van het macrobudget geschiedt aan de hand van macro-uitgaven ABW, IOAW en IOAZ en dat als gemeenten veel uitstroom realiseren, het totale budget FWI in de toekomst lager zal zijn, zodat het voordeel van gemeenten bij een efficiënt uitstroombeleid per definitie eenmalig is. Het is de vraag of dat dan wel een duurzame prikkel is om zich voor uitstroom in te spannen. Bovendien kan een gemeente die uitstroom realiseert, maar achterblijft bij het landelijk uitstroompercentage door de verdeelsystematiek een lager budget krijgen voor het inkomensdeel dan op grond van het lokale bijstandsvolume noodzakelijk is. Ook hierover zou mevrouw Schimmel graag het oordeel van de minister vernemen.

Het kabinet komt kennelijk nog met voorstellen voor een grotere beleidsvrijheid en vermindering van administratieve lasten voor gemeenten binnen het werkdeel.

Mevrouw Schimmel was het ermee eens dat het beleid sterk moet worden gericht op ontschotting, zodat instrumenten al naar gelang de behoefte daaraan kunnen worden ingezet. Via het FWI zal de beleidsvrijheid van gemeenten inderdaad kunnen worden vergroot, evenals de financiële verantwoordelijkheid voor het bijstandsbeleid, maar de risico's voor de gemeenten mogen niet van dien aard worden dat ongewilde effecten worden opgeroepen, aldus mevrouw Schimmel tot slot.

Antwoord van de regering

De minister stelde vast dat over het onderhavige onderwerp al een jaar of tien wordt gesproken, met als leidende gedachte dat gemeenten meer verantwoordelijkheid moeten krijgen voor het voeren van beleid. De vraag was of het mogelijk is verantwoordelijkheid en financiën dichter bij elkaar te brengen en gemeenten te stimuleren tot het op een goede wijze bevorderen van de uitstroom uit de bijstand. De huidige systematiek, waarbij bijna alle kosten kunnen worden gedeclareerd, is daarvoor niet geschikt. Econometristen hebben vastgesteld dat het mogelijk is te komen tot een objectief verdeelmodel. Het kabinet heeft hierover goede gesprekken gevoerd met de gemeenten, met als leidmotief dat het niet de bedoeling van het kabinet is gemeenten in de problemen te brengen door onredelijke eisen te stellen. Het kabinet wil wel dat de gemeenten verantwoordelijkheid nemen voor de grote bedragen aan bijstand en de zorg voor de mensen in de bijstand op een goede manier invullen. Na veel overleg met de VNG en de G25 is geconcludeerd dat deze stap moet worden gewaagd, daarbij in aanmerking nemend dat het risico beperkt is bij een exercitie over slechts 25%.

Over het perspectief op langere termijn wilde de minister geen uitspraak doen. Hij wilde eerst een evaluatie waarbij scherp voor alle elementen ervan in kaart wordt gebracht hoe het nieuwe structuurmodel in de praktijk werkt. In zijn uitwerking zal dit waarschijnlijk geen majeure verandering zijn, maar het zal wel de goede kant uitgaan bij het toedelen van verantwoordelijkheid. De komende jaren zal de gang van zaken grondig moeten worden gemonitord. Mocht er algemeen tevredenheid over bestaan, wellicht na enkele bijstellingen, waarover wel met de commissie zal worden gesproken, dan kan worden bezien hoe het verder moet.

De minister beaamde dat er gemeenten zijn die naar de 50% willen, maar hij was daartegen en verwees in dat verband naar de ervaringen bij de invoering van de nieuwe ABW. Men moet de kans hebben op zulke grote ingewikkelde operaties in te spelen, omdat van tevoren niet helemaal duidelijk is hoe een en ander zal gaan. Er is sprake van een fantastische omslag bij de gemeenten inzake de uitvoering van de ABW door het activeren van mensen. Blijkens de evaluatie, waarvan het rapport samen met het kabinetsstandpunt binnenkort aan de Kamer voorgelegd zal worden, is er de afgelopen jaren door de gemeenten zeer veel goeds verricht. Nu er een volgend stapje wordt genomen, moet er rekening mee worden gehouden dat veranderingsprocessen een zware last leggen op de vele mensen die ervan op de hoogte moeten zijn en repercussies hebben niet alleen bij de GSD, maar in het gehele apparaat, tot en met de afdeling financiën. De minister was van mening dat beter achteraf kan blijken dat het sneller had gekund, dan dat achteraf reparaties nodig zijn. Hij ging er wel van uit dat deze stap niet zo geweldig groot is, gegeven de beperkte omvang van de budgettering, het bestaande eigen risico voor de gemeente van 10% en de overeenstemming over budgettering in verband met de Toeslagenwet. De bewindsman was niet bereid nu al te zeggen dat na drie jaar die 25% wordt opgetrokken naar 50%. Hij voelde er evenmin voor om bij de invoering van dit traject meteen maar met nog verdergaande experimenten te beginnen. Tenslotte zullen eventuele problemen in belangrijke mate weer van bovenaf moeten worden opgelost. Laat iedereen het eerst maar eens goed doen binnen dit systeem en in het traject waarvoor kan worden gedeclareerd, aldus de minister. Hij voegde daaraan toe dat gemeenten over het algemeen niet worden gemotiveerd door geld, maar door de wens om goede dingen te doen voor mensen in de bijstand. Experimenten zouden het ook te ingewikkeld maken, doordat dan voor een beperkt aantal gemeenten in de wetgeving, begeleiding, toezicht en dergelijke dingen anders zouden moeten worden geregeld dan voor de andere gemeenten. Uit een oogpunt van prudentie en zorgvuldigheid is het zijns inziens gewenst om het te beperken tot dit traject, waarbij gedurende de looptijd op allerlei punten de vinger aan de pols zal worden gehouden en intensief overleg met de gemeenten en de Kamer zal worden gevoerd, waarna op basis van de evaluatie zal worden bekeken hoe het verder moet.

De minister veronderstelde dat er geen volledig sluitend model te verzinnen is. Met de VNG heeft hij afgesproken de komende tijd intensief overleg te voeren over wat er precies in het POV moet worden opgenomen. Daar is ook voldoende tijd voor, omdat op 1 januari 2001 wordt begonnen met een historisch uitgangspunt, wat verstandig is, omdat men de techniek nog niet onder de knie heeft en nog niet weet hoe het gaat lopen als zaken anders aangepakt worden, zodat men risico's loopt bij een ander uitgangspunt. De gemeenten krijgen in 2001 hun historisch procentueel aandeel in de uitgaven van 1998. Er zullen dus in vergelijking met 2000 herverdeeleffecten optreden.

De bewindsman achtte het weinig zinvol uitvoerig in te gaan op de afzonderlijke criteria van het POV-model, omdat die op het ogenblik elders besproken en bestudeerd worden. Na afronding van de gesprekken met de gemeenten zal het resultaat met de commissie worden besproken. Een aantal punten behoeft extra aandacht. Hoe bijvoorbeeld het verschil tussen platteland en steden in de criteria kan worden gevangen, kon de minister niet zeggen.

In de loop van de tijd zijn er enorme verschillen opgetreden in de uitvoering van de ABW. De veranderingen op de arbeidsmarkt maken het lastig cijfers te vergelijken, zeker wanneer die van vóór de nieuwe ABW dateren. De cijfers worden geüpdatet. Het is de bedoeling tegemoet te komen aan datgene wat de gemeenten nodig hebben voor een goede uitvoering van de ABW, maar dan moeten de gemeenten wel zelf een prestatie leveren. Veel gemeenten denken het al onder de knie te hebben en vragen een hogere budgettering, maar in een gemeente als Groningen moet de sociale dienst nog het een en ander doen om alle problemen uit het verleden op te lossen.

In het macrobudget moeten algemene factoren waarop gemeenten geen invloed hebben, zoals de algemene economische situatie, op een goede wijze verdisconteerd worden. Het macrobudget wordt volgens dezelfde methodieken berekend als thans wordt gehanteerd en kan ook gedurende een jaar naar boven bijgesteld worden. In het overleg over het verdeelmodel zal ook een goede oplossing gevonden moeten worden voor het gegeven dat factoren regionaal tot verstoring aanleiding kunnen geven. Ook zal rekening moeten worden gehouden met de verschillen die verband houden met verschil in populatie. De minister was ervan overtuigd dat de gemeenten er ook in geloven dat het Rijk in overleg met de gemeenten tot goede oplossingen wil komen voor allerlei problemen. Mocht een gemeente door factoren buiten haar invloed in de problemen komen, dan moeten die worden opgevangen, wat overigens voor een belangrijk deel al gebeurt via de bandbreedtes. Misschien zou de bij interruptie gesuggereerde vorming van een hardheidsfonds een oplossing zijn, aldus de minister.

De bewindsman beaamde dat het starten met historische uitgangspunten ten dele een premiëring inhoudt van gemeenten die het bij de uitstroombevordering slechter hebben gedaan dan andere gemeenten. Gemeenten die het beter hadden kunnen doen, zullen de komende jaren snel moeten komen met verbeterplannen en veranderingen in de organisatie. Het geld dat zij teveel krijgen in het licht van de geschiedenis, zullen zij daarvoor nodig hebben.

De minister zei naar aanleiding van een interruptie dat bij de budgettering niet wordt teruggegrepen naar cijfers van tien jaar geleden. In de stukken wordt vermeld dat er oude cijfers in zijn opgenomen. Uiteraard wordt bij de historische verdeling teruggegrepen naar de cijfers van de laatste meting.

Het ontwikkelen van de benchmark is een buitengewoon ingewikkeld proces. De gemeenten moet de gelegenheid worden gegeven de performance van de uitvoering van de ABW vergelijkbaar te maken met die van andere gemeenten. De VNG heeft de werkzaamheden van de taskforce overgenomen om de benchmark te ontwikkelen. Voor het project is 6 mln beschikbaar gesteld. De minister rekende erop dat het project dit jaar wordt afgerond, zodat de benchmark z'n rol kan gaan vervullen. Ook hij had een aantal zaken, zoals het SUWI, liever eerder gerealiseerd gezien.

Het bezwaar van de huidige WIW, die in het werkdeel wordt opgenomen, zijn de schotten die daarin zijn aangebracht. In overleg met de gemeenten wordt daarvoor een oplossing gezocht.

Dat allerlei zaken niet zijn opgenomen, heeft in belangrijke mate te maken met prudentie. Het is heel goed denkbaar dat op termijn wordt besloten om het geld voor I/D-banen ook in het werkfonds onder te brengen en om een verbinding te maken met de WSW, maar dat vergt een zeer zorgvuldige afweging, omdat gewaarborgd moet zijn dat het geld wordt besteed aan de categorieën waarvoor het bestemd is. Schotten worden tenslotte aangebracht om met een regeling bepaalde doelen te bereiken. De WSW-gelden zijn specifiek geoormerkt voor een bepaalde categorie werknemers.

Het is de bedoeling dat er in het kader van het SUWI-plan dat eind maart door de Kamer zal worden besproken, verdeelplannen komen voor de meest gewenste inzet van reïntegratiegelden. De Raad voor werk en inkomen zal komen met een voorstel over de inzet van gelden. De raad zal ongetwijfeld nagaan hoeveel geld er nodig is voor de UWV, voor de gemeenten en voor welke doeleinden, voor welke faseringen en voor welke bijzondere groepen. Het gaat met de sluitende aanpak veel beter dan een paar jaar geleden werd verwacht, zodat er meer geld besteed zal kunnen worden aan zittend bestand. De minister zei dat hij beslist over het voorstel en natuurlijk bereid is tot overleg met de VNG. Hij ging ervan uit dat de raad aan de hand van objectieve criteria en gegeven de arbeidsmarkt tot een goed voorstel zal komen.

Er komt een heldere taakafbakening tussen CWI's en gemeenten. De gemeente heeft belang bij een goed functioneren van het CWI, omdat zij dan van het werk dat daar gebeurt, kan profiteren. Zij zal er dan ook in investeren.

De meetinstrumenten zijn een punt van zorg, maar de minister verwachtte dat daarmee de komende jaren veel voortgang zal worden geboekt. Zijn Engelse collega heeft overigens het idee dat Nederland op dat stuk mijlen voorligt op Engeland.

De al geruime tijd bestaande zorgen over processen als dit kunnen alleen maar worden weggenomen door in zo'n proces te stappen. Het doel van deze operatie is ervoor te zorgen dat gemeenten bewuster bijstandsbeleid voeren en geconcentreerder bezig zijn met uitstroombevordering en met het aanbieden van sociale activeringstrajecten. Het is daartoe nuttig om als gemeente meer verantwoordelijk te zijn voor de gelden die worden ingezet. Het huidige systeem van medebewind bij de verantwoordelijkheid, maar declareren bij het Rijk werkt niet goed. Aan de hand van de laatste cijfers zal blijken dat met het inbouwen van bepaalde instrumenten onverantwoorde risico's worden beperkt. Het Rijk heeft zich goed rekenschap gegeven van negatieve effecten, maar of dat voldoende is, zal de praktijk leren. Mocht dat niet het geval zijn, dan zullen er correcties moeten worden aangebracht. De komende jaren zal een zekere flexibiliteit aan de dag moeten worden gelegd als problemen het gevolg blijken te zijn van het systeem.

De minister vond een vergelijking met de privatisering van de uitvoering van de Ziektewet onterecht. Het gaat om een geheel andere zaak. Er wordt op geen enkele manier in het voorstel getornd aan uitkeringsrechten. Het gaat alleen om de bevordering van een adequate inspanning van gemeenten ten bate van uitstroom en goede begeleiding, iets waarvoor de gemeenten de middelen krijgen. Naar de mate waarin een gemeente in staat is om op een goede manier te werken, krijgt zij gelegenheid om gedurende een zekere periode extra middelen in te zetten voor goede doelen. Het is absoluut de bedoeling dat het budget dat wordt bespaard door goede reïntegratie, weer in het werkdeel van het FWI ingezet wordt, zodat er een vliegwieleffect mogelijk is op het gebied van de reïntegratie. Armoedebestrijding geschiedt via bijzondere bijstand en vooral via rijksbeleid. De minister bestreed dat, zoals bij interruptie werd gesteld, bijvoorbeeld Wassenaar problemen zal kunnen afwentelen op Den Haag.

Het is zijns inziens belangrijk om in de nabije toekomst het doelgroepenbeleid nog eens goed onder de loep te nemen. Vandaar dat er zeker geoormerkte gelden zullen blijven. De bedoeling bij de inzet van reïntegratiemiddelen is dat er reguliere geldstromen ontstaan naar gemeenten en uitkeringsgerechtigden op grond van werknemersverzekeringen. Van de Raad voor werk en inkomen wordt verwacht dat hij voor bijzondere groepen gelden oormerkt en ervoor zorgt dat gemeenten zich daarvoor inzetten. De minister was voornemens erop toe te zien dat dit oormerken gebeurt waar dat nodig is.

In het regeerakkoord zijn besparingen, niet bezuinigingen voorzien, aldus de bewindsman. Bij zijn aantreden heeft hij gevraagd hoe sterk in het regeerakkoord de relatie is gelegd met het FWI, omdat hij niet geloofde dat door de instelling van zo'n fonds een dergelijke besparing te realiseren is. Geantwoord is dat de komende jaren door volumebeperking waarschijnlijk een besparing zal kunnen worden gerealiseerd die is vertaald in een taakstelling. De taakstelling van 500 mln. werd in de huidige omstandigheden en de huidige praktijk haalbaar geacht. Vandaar dat hij ermee kon instemmen. Het FWI zal in dat kader alleen maar kunnen helpen om de aandacht van alle gemeenten hierop te concentreren.

De minister betoogde dat het nu voorgestelde veel beter is dan het voorstel van tien jaar geleden om over te gaan op een verdeling van 80:20, waarbij de gemeenten het zelf maar moesten uitzoeken. In dit voorstel is sprake van een poging tot objectivering, benchmarking en beperking van de risico's door bandbreedtes.

De regering denkt door een combinatie van algemene macro-ontwikkelingen en goed beleid te bereiken dat de economische situatie niet verslechtert. In het theoretische geval dat het slechter gaat, wordt uiteraard meteen het macrobudget bijgesteld als blijkt dat bepaalde cijfers niet langer een neerwaartse, maar een opwaartse tendens vertonen. Als dat lopende een jaar moet worden gecorrigeerd, zal dat ook gebeuren. Daarover is ook met de gemeenten gesproken. In die zin speelt het systeem in op de algemene economische ontwikkeling. Dit heeft betrekking op de uitkeringen. Tegelijkertijd zal het oog gericht moeten worden op de zeer substantiële bedragen die ook in slechtere tijden nodig zijn voor reïntegratieactiviteiten en socialeactiveringsactiviteiten.

Als gemeenten het minder goed doen dan gewenst, zullen die bij zichzelf te rade moeten gaan hoe dat komt. De benchmark zal daarbij een hulpmiddel moeten zijn. In de tweede plaats zal de rijksoverheid die gemeenten proberen te helpen. Er blijft natuurlijk toezicht van rijkswege. In de derde plaats kan er sprake blijken te zijn van belangrijke externe oorzaken waaraan de gemeenten zelf niets kunnen doen. In die gevallen zal het Rijk voor voldoende middelen moeten zorgen.

De minister zou niet weten waarom de toeslagen onder druk zouden komen te staan met het fonds. Het onderscheid tussen normen en toeslagen is voor de budgettering niet interessant, omdat het betrekking heeft op het geheel van de uitkeringslasten en de uitkeringsvoorwaarden niet worden gewijzigd. De minister kon geen antwoord geven op de vraag of een gemeente die een dakloze geen toeslag geeft, daarvan voordeel heeft. In het komende wetsvoorstel zullen dergelijke vragen aan de orde kunnen komen.

Het dossier van de inkomensafhankelijke regelingen wordt momenteel ook publiek besproken. Bij de begrotingsbehandeling is er al het nodige over gezegd. Er is een werkgroep mee bezig. De minister verwachtte in maart een brief aan de Kamer te kunnen zenden met de zienswijze van het kabinet op deze problematiek. Inkomensafhankelijke regelingen zijn in het leven geroepen om inkomensproblemen op te vangen. Men kan natuurlijk nu niet die problemen miskennen en de regelingen maar afschaffen. De vorm van de regelingen leidt tot wat men de armoedeval noemt. Het is technisch mogelijk andere vormen te kiezen die werk lonender maken, zonder dat op enigerlei wijze de inkomenspolitieke doeleinden van de inkomensafhankelijke regelingen worden aangetast. Dat houdt wel een ommezwaai in van specifiek naar generiek beleid, wat altijd tamelijk kostbaar is. Als er in het traject actieven-inactieven iets gebeurt, zal dat inkomensneutraal moeten zijn en niet ten nadele van de inactieven mogen zijn, maar wel het een en ander moeten uitmaken voor de aantrekkelijkheid van arbeid, net als de arbeidskorting in het fiscale traject. Deze richting wordt door de Vereniging van uitkeringsgerechtigden ook toegejuicht.

De doelmatigheid zal het meest moeten worden vergroot door het besef van bestuurders en ambtenaren dat het mogelijk is dingen beter te doen dan in het verleden is gebeurd en het besef dat de gemeente daardoor meer armslag krijgt voor extra activiteiten.

De minister ging ervan uit dat alle gemeenten proberen de ABW optimaal uit te voeren, maar duidelijk is dat een zekere verantwoordelijkheid voor de financiën gemeenten scherper maakt. Uit de toezichtrapportages uit de afgelopen jaren en de noodzaak om bij veel gemeenten verbetertrajecten op te zetten, is gebleken dat er hier en daar wat schortte aan de uitvoering. De doelmatigheid van de uitvoering van de ABW wordt inderdaad door de uiteindelijke kwaliteit bepaald, maar kwaliteit heeft ook veel te maken met de inspanning die wordt geleverd. Er zijn CWI's die taken uitvoeren voor verschillende gemeenten. Daarbij blijkt dat een verschil in beleidsperspectief van gemeenten enorme gevolgen kan hebben voor de uitstroom. Het leek de bewindsman van belang om er landelijk binnen zekere grenzen voor te zorgen dat gemeenten zich ervan op de hoogte stellen hoe andere gemeenten de ABW uitvoeren en hoe het komt dat die het beter doen. De gemeenten die bezig zijn met verbetertrajecten zouden gebaat zijn geweest met een goed voorbeeld. Een probleem is dat elke gemeente op het gebied van de bijstand het wiel kan en wil uitvinden. Budgettering kan ertoe leiden dat gemeenten elkaar vragen of zij een betere werkmethode hebben. De VNG is niet bij machte een bepaalde aanpak voor te schrijven. Dat geldt vanwege de staatsrechtelijke verhoudingen ook voor de bewindsman. Mede op aandrang van de Kamer zal de aanpak de komende jaren op het gebied van IT van rijkswege worden verbeterd.

De VNG stelt zich constructief op in dezen en heeft uitgesproken er vertrouwen in te hebben dat met het incentivemodel vooruitgang zal worden geboekt. De gemeenten zijn voornemens dit voorstel op z'n eigen merites te bekijken, ook al is er een aantal grote operaties gaande. Dat is in lijn met de lange geschiedenis van dit voorstel. De minister was het eens met de suggestie om de problematiek van de inkomensafhankelijke regelingen en de knelpunten op de arbeidsmarkt los van dit traject te zien. Hem is gebleken dat er geen sprake is van contra-indicaties. In maart zal de Kamer een nota over knelpunten op de arbeidsmarkt ontvangen, waarin diepgaand op deze materie en de oplossing ervan zal worden ingegaan. De rijksoverheid zal in maart-april moeten bekijken welke consequenties dit specifiek heeft voor een aantal overheidssectoren. Hiermee zal de samenhang in het beleid worden verbeterd.

Naar aanleiding van de kritiek van de wethouders op het POV wees de minister erop dat niet wordt gezocht naar één alomvattend criterium, maar naar een samenstel van criteria. Het kabinet hoopt te bereiken dat die tezamen een redelijk beeld opleveren. De bewindsman stelde voor nog eens met de commissie te overleggen als de besprekingen met de gemeenten hebben geleid tot een bruikbaar resultaat en als er betere cijfers beschikbaar zijn.

Er wordt gewerkt aan maatregelen tot ontschotting van het werkdeel van het FWI. Waarschijnlijk zullen die de komende maanden in een AMvB kunnen worden neergelegd.

Nadere gedachtewisseling

Mevrouw Noorman-den Uyl (PvdA) was het eens met de minister dat 25% mooi genoeg is en misschien wel voor altijd. Zij had begrepen dat het verdeelmodel dat er nu ligt, meer een vingeroefening is en dat de verdere verdeelfactoren zullen worden ingevuld in overleg met de VNG. Aangezien zij meende dat de Kamer er uiteindelijk over moet beslissen, was zij van oordeel dat er een wet voor nodig is. Op welk moment zal dat wetsvoorstel de Kamer bereiken? Dat zal moeten gebeuren op een zodanig moment dat de Kamer de tijd heeft om haar oordeel daarover uit te spreken.

Wanneer het FWI met ingang van 1 januari 2001 van kracht wordt, zal moeten worden gewerkt met een historisch uitgangspunt. Hoe lang duurt het voordat de Kamer beschikt over een eerste uitdraai van de daaruit voortvloeiende herverdeeleffecten? Uitgangspunt is dat de herverdeeleffecten niet meer mogen bedragen f.15 per inwoner. De Raad voor de financiële verhoudingen acht f.25 per inwoner het maximum voor de effecten van én de Wet waardering onroerende zaken én de herijking van het Gemeentefonds, die beide ook op 1 januari 2001 ingaan én de uitname uit het Gemeentefonds voor het FWI én de effecten van deze regeling voor het verdeelmodel. Heeft de minister afspraken gemaakt met zijn collega's van Financiën en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over die f.25? Sluit hij uit dat het historisch verdeelmodel niet volledig zal kunnen worden ingevoerd per 1 januari?

Mevrouw Noorman vroeg vervolgens de verzekering dat de benchmark die de VNG op dit moment ontwikkelt, van een zodanige kwaliteit zal zijn en zodanige informatie zal geven dat de Kamer op grond daarvan inzicht krijgt in de kwaliteit van de prestaties van de gemeenten bij de uitvoering van de ABW en de componenten die in eerdere debatten daarover aan de orde zijn geweest. Kan worden verzekerd dat het geen benchmark is over managementuitvoering?

Het leek de heer Harrewijn (GroenLinks) goed dat het objectief verdeelmodel nogmaals aan de orde komt na de samenspraak met de gemeenten. Hij bleef zorgen houden over het door de ene gemeente afwentelen van bijstandszaken op de andere, bijvoorbeeld door het weren van bepaalde groepen bijstandscliënten en het niet proberen te bevorderen van uitstroom van mensen uit I/D-banen en uit de WIW. Dat soort afwentelingsmechanismen en de effecten van het niet-geven van toeslagen of het geven van lagere toeslagen moeten bekend zijn, wil de heer Harrewijn enthousiast kunnen worden over het voorstel.

Een gemeente die het aantal bijstandsgerechtigden op een oneigenlijke manier weet terug te dringen, ontvangt nog het budget op grond van de objectieve criteria. Dat probleem doet zich ook op andere terreinen voor bij decentralisatie. Vandaar dat de heer Harrewijn erop aandrong dit goed te bekijken.

Hij vroeg alsnog antwoord op zijn vraag over de samenhang met het Gemeentefonds en zijn vraag of het objectief verdeelmodel elke keer aan de nieuwe cijfers wordt aangepast.

Wordt de algemene maatregel van bestuur over de ontschotting van de WIW voorgehangen bij de Kamer?

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD) herhaalde dat haar fractie het voorstel ondersteunt, al had zij een grotere snelheid wenselijker geacht.

Dat er geen proefprojecten komen, vond mevrouw Snijder jammer, omdat die een uitdaging zouden zijn. Zij vroeg of het niet toch mogelijk is de twee gemeenten die dat willen, een kans te geven. Misschien kunnen die gemeenten wat meer dan andere. De ervaring die daarmee zou worden opgedaan, zou aanleiding kunnen zijn om een andere richting in te slaan.

De heer Mosterd (CDA) voelde zich aangesproken door de voorzichtigheid waarmee de minister in dit kader opereert. Het kan beter te voorzichtig blijken te zijn geweest, dan dat er brokken vallen door een te hoog tempo. Wanneer de nieuwe cijfers inzake het objectief verdeelmodel aan de Kamer worden voorgelegd, zal de CDA-fractie haar oordeel over de verdere gang van zaken bepalen. Natuurlijk is het belangrijk dat gemeenten een financiële prikkel krijgen voor het voeren van goed beleid, maar het is inderdaad voor een gemeentebestuurder nog veel mooier om te zien dat een aantal mensen effectief aan een baan kan worden geholpen.

Voorziet de minister dat het controle- en toezichtsinstrumentarium van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid grote wijzigingen zal ondergaan?

De heer Van der Staaij (SGP) zag met belangstelling uit naar het wetsvoorstel dat hij positief kritisch zou benaderen.

Hij was het eens met de beperking tot 25% budgettering, maar vroeg of de minister ingeval van positieve effecten uitbreiding van dit percentage in de rede vindt liggen.

Ook hij wilde nadere informatie over de gevolgen voor toezicht en controle vanuit het Rijk in de nieuwe systematiek.

De heer Van der Staaij vroeg alsnog een reactie op het door de VNG genoemde belangrijke nadeel dat als gemeenten veel uitstroom realiseren, het totale budget in de toekomst lager zal worden, omdat het wordt vastgesteld aan de hand van de macro-uitgaven. Is het voordeel van gemeenten van een efficiënt uitstroombeleid dan niet van korte duur?

Hij bleef zorgen houden over het objectief verdeelmodel en vroeg zich af of dat niet een te idealistische poging is om alle indicatoren te omvatten. Hij noemde het positief dat de minister openstaat voor een flexibele benadering op dit punt.

Mevrouw Schimmel (D66) merkte op dat de ingeslagen route haar instemming heeft en dat 25% haar voorlopig voldoende lijkt om te kunnen bekijken of het systeem gaat werken.

Zij concludeerde dat de minister aandacht gaat besteden aan alle kritiek op het objectief verdeelmodel en dat bijsturing mogelijk is op alle punten, die 25% uitgezonderd. Dat percentage lijkt voldoende, omdat bij de behandeling van de begroting van SZW al is geconstateerd dat de huidige groep bijstandsgerechtigden een moeilijke groep is om de uitstroomdoelstellingen op toe te passen. De vraag is dan ook of de besparing voldoende geld oplevert om die mensen aan het werk te krijgen. In de reïntegratiebudgetten moet dus een duidelijk deel voor sociale activering worden opgenomen, maar dat lijkt de minister al voornemens te zijn.

De minister constateerde veel steun in de commissie voor een prudente aanpak en de 25%.

Wat het verzoek om een experiment betreft, merkte hij nogmaals op dat tot de gemeenten die om 50% hebben gevraagd, ook de gemeente Groningen behoort, waarvan hij al heeft vermeld dat die nog bezig is met het oplossen van problemen uit het verleden. Het is wel aardig dat Groningen wordt aangetrokken door de uitdaging, maar het is de vraag of het wel verstandig is wat Groningen wil doen.

De bewindsman stelde dat het voorgestelde geen vingeroefening is, maar nog wel afronding behoeft. Hij was van oordeel dat er geen wet moet worden gemaakt van het POV-model, omdat wijziging ervan dan weer jaren vergt. Hij was benieuwd hoe snel het wetsvoorstel met een kleine reparatie van de WVG kan worden afgedaan. De bewindsman had er geen problemen mee de criteria neer te leggen in een AMvB en die bij de Kamer voor te hangen.

Het wetsvoorstel over het FWI komt over enkele weken naar de Kamer. Het POV zal nog geruime tijd vergen. In mei zal de gemeenten en de Kamer bekend worden waartoe de historische toedeling per 1 januari a.s. zal leiden.

Bij interruptie werd erop gewezen dat dit een probleem is, omdat tussen het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Kamer is afgesproken dat de Kamer uiterlijk in april alle gegevens krijgt over zaken die per 1 januari voor de gemeenten gaan veranderen. Gebeurt dit niet, dan zal moeten worden besloten dat álles een jaar opschuift.

De minister zei hierop te zullen nagaan wat er is afgesproken, maar cijfers pas te kunnen geven als ze er zijn.

Hij zegde de heer Harrewijn toe dat het kabinet een zo goed mogelijke regeling zal maken. Wat de afwenteling van de ene op de andere gemeente betreft, wees hij erop dat de criteria per gemeente worden toegepast, zodat als iets van de ene gemeente naar de andere verdwijnt, het geld daarvoor ook naar die andere gemeente gaat, mits het onder de criteria valt.

Bij interruptie werd tegengeworpen dat dit historisch gezien misschien wel zo is, maar dat het in een objectief verdeelmodel gunstig kan zijn om het aantal uitkeringsgerechtigden op een oneigenlijke manier terug te dringen, omdat de gemeente dan toch het budget op grond van de objectieve criteria ontvangt. Gevraagd werd dit nog eens grondig te bekijken, omdat dit verschijnsel zich ook op andere terreinen voordoet bij decentralisatie.

De minister merkte op dat de criteria in het POV-model jaarlijks tot nieuwe cijfers zullen leiden, zodat er elk jaar een nieuwe verdeling komt, waarbij rekening wordt gehouden met wat er tussen de gemeenten is gebeurd. Gemeenten kunnen bijstandsgerechtigden overigens niet naar een andere gemeente sturen omdat zij problemen hebben met de bijstand. Veelal gaan bijstandsgerechtigden zelf om andere redenen naar een andere gemeente.

In beginsel blijven controle en toezicht hetzelfde, alhoewel de toets wat globaler zal moeten worden naarmate de beleidsruimte van de gemeenten groter wordt. Verantwoording van het gemeentebestuur richting gemeenteraad zal een grotere plaats gaan innemen dan controle vanuit Den Haag.

Als iedereen het systeem fantastisch vindt, zal die 25% wel hoger worden, maar het is zeer wel mogelijk dat men hierin de goede maatvoering ziet. Het effect van dit percentage zal natuurlijk groter zijn dan 25, omdat de werkwijze die men gaat ontwikkelen niet betrekking zal hebben op 25% van het ABW-bestand, maar op het ABW-beleid van de gemeente. Of een hoger percentage veel zou uitmaken, is de vraag. Aangenomen mag immers worden dat wat de gemeente declareert in lijn zal zijn met datgene wat zij via het budget voor haar rekening neemt.

De ontstane onderuitputting als gevolg van een grotere uitstroom kan in hetzelfde jaar elders in het werkdeel worden gebruikt, wat de kwaliteit ten goede zal komen. In de loop van het jaar kan de gemeente zich voorbereiden op het geld dat zij het daarop volgende jaar extra ter besteding heeft. Het is natuurlijk niet de bedoeling gemeenten geld te laten behouden dat niet meer nodig is voor het doel waarvoor het bestemd was. De rijksoverheid moet de budgetten die met uitkeringen te maken hebben, goed blijven volgen.

De minister beaamde dat van de huidige groep bijstandsgerechtigden 60% tot 70% in de fase 4 verkeert, wat betekent dat bemiddeling naar de arbeidsmarkt moeilijker is. Via arbeidsvoorziening zullen die bestanden nog eens goed bekeken worden. Naar verwachting zal het voor een aanzienlijk aantal mensen met fase 4-indicatie goed mogelijk zijn om met adequate begeleiding weer aan het werk te komen. Het is wel waar dat de natuurlijke grens van uitstroom naar werk zal worden benaderd, zodat op een gegeven moment een belangrijke groep bijstandsgerechtigden niet meer de arbeidsmarkt op kan en afhankelijk is van sociale activeringstrajecten. Naarmate de natuurlijke grenzen van wat met de bestanden kan worden gedaan, worden benaderd, zullen de budgetten een zekere stabiliteit gaan vertonen. Diegenen die vanuit de bestanden naar de arbeidsmarkt zouden kunnen, moet die kans ook worden geboden. Immers, voor 82% van de bevolking blijkt het hebben van arbeid de geluksfactor bij uitstek te zijn.

De bewindsman zei tot slot ervan uit te gaan dat de VNG inzake de benchmark voldoet aan de hoge eisen van mevrouw Noorman, waarvan hij de VNG overigens op de hoogte zal stellen. De minister benadrukte dat hij niet de baas is van de VNG of de gemeenten en dat de VNG haar eigen werk moet doen. Hij sprak de wens uit dat vaste commissie en VNG dit onderwerp en andere onderwerpen eens samen gaan bespreken.

De voorzitter van de commissie,

Terpstra

De griffier van de commissie,

Van Dijk


1 Samenstelling:

Leden: Terpstra (VVD), voorzitter, Biesheuvel (CDA), Schimmel (D66), Van Zijl (PvdA), Bijleveld-Schouten (CDA), Kalsbeek (PvdA), Noorman-den Uyl (PvdA), ondervoorzitter, Kamp (VVD), Essers (VVD), Van Dijke (RPF), Bakker (D66), Visser-van Doorn (CDA), De Wit (SP), Verburg (CDA), Smits (PvdA), Spoelman (PvdA), Van der Staaij (SGP), Örgü (VVD), Harrewijn (GroenLinks), Van Gent (GroenLinks), Bussemaker (PvdA), Balkenende (CDA), Wilders (VVD), Santi (PvdA), Snijder-Hazelhoff (VVD)

Plv. leden: Meijer (VVD), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Giskes (D66), Van der Hoek (PvdA), Dankers (CDA), Hamer (PvdA), Kortram (PvdA), Blok (VVD), Van Blerck-Woerdman (VVD), Van Middelkoop (GPV), Van Vliet (D66), Stroeken (CDA), Marijnissen (SP), Eisses-Timmerman (CDA), Schoenmakers (PvdA), Middel (PvdA), Van Walsem (D66), Weekers (VVD), Vendrik (GroenLinks), Rosenmöller (GroenLinks), Wagenaar (PvdA), Mosterd (CDA), De Vries (VVD), Oudkerk (PvdA), Klein Molekamp (VVD)

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie