Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Voorstellen minister Hermans onderwijs-CAO

Datum nieuwsfeit: 25-02-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Algemene Onderwijsbond

CAO-voorstellen minister Hermans

1. Vooraf
De huidige cao voor de sector onderwijs (primair onderwijs, voortgezet onderwijs en het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie) loopt af op 29 februari 2000. Met deze brief stuur ik u mijn voorstellen voor de cao die vanaf 1 maart 2000 van kracht moet worden. Over deze voorstellen wil ik graag op korte termijn met u overleggen. Voorafgaand aan mijn voorstellen wil ik evenwel stilstaan bij het bredere kader waarbinnen de voorstellen passen en bij de uitgangspunten waaraan ik de afspraken in de nieuwe cao wil toetsen.

2. Onderwijs: investeren in duurzame economische groei Nederland ontwikkelt zich steeds meer in de richting van een kennisintensieve samenleving. Om in een dergelijke samenleving effectief te kunnen functioneren, moeten mensen relatief hoog zijn opgeleid. Veel beroepsgroepen stellen immers steeds hogere opleidingseisen vanwege de toegenomen rol van informatie- en communicatietechnologie. Naast specifieke vakbekwaamheden worden ook steeds bredere vaardigheden van werknemers verwacht. Eenmaal verworven kennis veroudert relatief snel doordat de technologie zich voortdurend vernieuwt. Dit stelt hoge eisen aan het aanpassingsvermogen van mensen. 'Een leven lang leren' is noodzakelijk voor iedereen die wil (blijven) deelnemen aan het arbeidsproces.

In een kennisintensieve samenleving vervult kwalitatief hoogwaardig onderwijs een sleutelrol. Om mensen optimaal toe te rusten voor de arbeidsmarkt en maatschappelijke participatie is in het verlengde van de ontwikkelingen in de samenleving ook in het onderwijs een aantal noodzakelijke vernieuwingen doorgevoerd. Deze vernieuwingen stellen hoge eisen aan onderwijsinstellingen en de mensen die daar werken. Goede en gemotiveerde werknemers zijn, naast een professioneel schoolmanagement en een moderne schoolorganisatie, van doorslaggevend belang voor het succes van de ingezette vernieuwingen binnen het onderwijs.

Door de huidige en voorziene tekorten aan hoger opgeleiden op de arbeidsmarkt is het niet vanzelfsprekend dat het onderwijs ook in de toekomst kan beschikken over voldoende goed en gemotiveerd personeel. Het onderwijs is voor haar personeelsvoorziening immers voor een belangrijk deel afhankelijk van hoger opgeleiden. De concurrentie van andere werkgevers op de arbeidsmarkt is groot. Om ook in de toekomst verzekerd te zijn van voldoende gekwalificeerd en gemotiveerd personeel acht ik versterking van het imago van het leraarschap en daarmee van de uitstraling van het onderwijs als werkgever van groot belang.

Met de huidige cao is een belangrijke eerste stap gezet om het onderwijs als werkgever aantrekkelijker te maken. Ik wil hieraan in de nieuwe cao een krachtig vervolg geven. Daarbij denk ik bijvoorbeeld aan meer promotiemogelijkheden voor leraren, waardoor het onderwijs ook voor mensen die al enige jaren in het onderwijs werken aantrekkelijker wordt. Dit verkleint het risico op 'burn-out' en voortijdige uitval in de vorm van ziekte en arbeidsongeschiktheid.

De onderwijsarbeidsmarkt moet eveneens een meer open karakter krijgen, waardoor het wederzijds verkeer tussen sectoren binnen het onderwijs en tussen het onderwijs en andere sectoren groter wordt. Dit maakt het onderwijs als werkgever aantrekkelijker voor een

bredere doelgroep. Jongeren hoeven niet langer bang te zijn dat een keuze voor een baan in het onderwijs een keuze voor het leven is, terwijl er tevens meer mogelijkheden ontstaan een baan buiten het onderwijs te combineren met een deeltijdbaan als leraar. Een bijkomend effect van dit laatste is dat de inbreng van mensen met buitenschooise ervaring in het onderwijs groter wordt, waardoor de diversiteit van de beroepsgroep toeneemt. Dit draagt in positieve zin bij aan de kwaliteit van onderwijs in een heterogene samenleving.

In het kader van de onderhandelingen over een nieuwe cao wil ik eveneens samen met u en de werkgeversorganisaties stilstaan bij de wijze waarop wij in het onderwijs met elkaar overleggen. Dit overleg vindt plaats in veel verschillende gremia en is derhalve sterk gefragmenteerd. Ik zou de onderhandelingen over de nieuwe cao willen gebruiken voor een gezamenlijke herbezinning op dat punt.

3. Ruimte voor de school en voor persoonlijke keuzen Om de wervingspositie van het onderwijs op de arbeidsmarkt te versterken zijn moderne arbeidsvoorwaarden nodig en moeten de arbeidsomstandigheden binnen het onderwijs worden verbeterd. Dit zijn de twee speerpunten waarover ik met u in de onderhandelingen over een nieuwe cao afspraken wil maken. Daarbij vind ik het belangrijk dat de cao- afspraken passen binnen de uitgangspunten zoals de staatssecretaris en ik die hebben verwoord in onze brief over het onderwijsbeleid op middellange en langere termijn. Dit betekent dat de afspraken vooral een kader moeten bieden dat op het niveau van instellingen concreet wordt ingevuld. Het is van belang dat deze instellingen daar dan ook voor zijn toegerust. Zo ontstaat maatwerk bij de vormgeving van arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden in het onderwijs. Maatwerk voor de instelling én voor individuele werknemers. Werknemers verlangen steeds meer arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden die zijn toegesneden op hun persoonlijke situatie en daarmee samenhangende behoeften. Deze behoeften verschillen niet alleen tussen werknemers, maar ook tijdens de levens- en loopbaanfase van een werknemer.

Als het onderwijs concurrerend wil blijven met andere sectoren op de arbeidsmarkt, zal de komende jaren ook binnen de arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden van onderwijspersoneel meer ruimte moeten worden geschapen voor maatwerk. Dit draagt bij aan het beeld van een moderne werkgever, die aantrekkelijk is voor verschillende doelgroepen. De onderwijswerknemer bestaat immers niet. Voor de beslissing van schoolverlaters om al dan niet voor een lerarenopleiding te kiezen, geven andere

overwegingen de doorslag dan voor mensen die reeds enige jaren in het onderwijs werken of voor herintreders en zij-instromers.

4. Looptijd van de nieuwe cao
Mijn voorstellen voor de nieuwe cao hebben betrekking op de periode 1 maart 2000 tot 1 november 2001. De belangrijkste reden voor een cao van 20 maanden is dat hiermee voor zittende en potentiële onderwijswerknemers gedurende een langere periode duidelijkheid ontstaat over de arbeidsvoorwaarden. Deze duidelijkheid is zowel voor de overheid als voor sociale partners van belang om het imago van het onderwijs als werkgever te versterken. Dit streven is niet gediend met korte cao's, omdat dan vrij kort na het afsluiten van een cao alweer begonnen moet worden met de onderhandelingen over de nieuwe cao. Hierdoor ontstaat het beeld van een sector waarin de arbeidsvoorwaarden voortdurend ter discussie staan. Overigens ben ik bereid om samen met u de voor- en nadelen van een cao met een andere looptijd te verkennen.

5. Reikwijdte van de nieuwe cao
Mijn voorstellen hebben betrekking op de sectoren primair onderwijs (po), voortgezet onderwijs (vo) en het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie (bve). De voorstellen voor het voortgezet onderwijs en het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie scheppen kaders, die bij de onderhandelingen over de sectorale cao's nader moeten worden uitgewerkt.

Naast de voorstellen die op alle drie de genoemde sectoren betrekking hebben, bevat mijn brief tevens een aantal specifieke voorstellen voor het primair onderwijs.

6. De generieke loonontwikkeling
Wat betreft de generieke salarisverbetering stel ik de volgende maatregelen voor:

- Met ingang van 1 maart 2000 worden de salarissen van het onderwijspersoneel met 2,25% verhoogd.

- Met ingang van 1 maart 2001 worden de salarissen van het onderwijspersoneel met 1,50% verhoogd.

7.
Overige voorstellen voor po, vo en bve

7.1 Differentiatie salarispatronen, stimuleren persoonlijke ontwikkeling
Om de wervingspositie van het onderwijs op de arbeidsmarkt te verbeteren is de afgelopen jaren veel geïnvesteerd in het verhogen van de beginsalarissen van leraren. Deze kunnen op dit moment zonder meer concurreren met die van beginnende werknemers met een hbo-of wo-opleiding in andere sectoren. Onderwijs moet als werkgever echter niet alleen aantrekkelijk zijn voor starters op de arbeidsmarkt. Ook voor mensen die al enige jaren in het onderwijs werken en voor herintreders of zij-instromers moeten de arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden voldoende aantrekkelijk zijn en stimuleren tot persoonlijke ontwikkeling. Een manier om dat te bereiken is het verbeteren van het carrièreperspectief en de promotiemogelijkheden van leraren. In de huidige cao zijn daartoe belangrijke stappen gezet door de periodiekenstop te schrappen en afspraken te maken over de invoering van integraal personeelsbeleid in het onderwijs. Daarmee is een begin gemaakt met het oplossen van de knelpunten in het loon- en functiegebouw van het onderwijs. Deze knelpunten hebben te maken met het nagenoeg ontbreken van promotiemogelijkheden binnen de kernfunctie van leraar, de relatief lange carrièrepatronen van leraren en het rigide karakter van deze carrièrepatronen door de automatische toekenning van periodieke verhogingen voor eik ervaringsjaar.

Ik stel daarom voor om samen met u bij de onderhandelingen over de nieuwe cao te onderzoeken op welke wijze de afspraak in de huidige cao over de herziening van het loongebouw in het onderwijs nader kan worden uitgewerkt. De invoering van differentiatie binnen de leraarsfunctie is daarbij voor mij een belangrijk uitgangspunt. Tevens vind ik het van belang dat instellingen voldoende beleidsvrijheid krijgen om eventueel in de cao op te nemen afspraken op instellingsniveau concreet in te vullen.

7.2 Individuele keuzemogelijkheden
Onder invloed van maatschappelijke trends - waaronder een toenemende individualisering - is ook in het proces van arbeidsvoorwaardenvorming een ontwikkeling zichtbaar naar het vergroten van individuele keuzemogelijkheden binnen cao's. Werknemers blijken steeds meer behoefte te hebben aan arbeidsvoorwaarden die passen bij hun persoonlijke loopbaan- en levensfase. Werkgevers komen hieraan tegemoet door in een cao naast collectieve afspraken, die voor iedereen gelden, ook ruimte in te bouwen voor werknemers om een deel van de arbeidsvoorwaarden naar hun eigen voorkeur in te vullen. In de sector onderwijs zijn eveneens voorzichtige stappen in die richting gezet. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de individuele keuzemogelijkheden in het kader van de FPU-regeling en aan de regeling spaarverlof.

Om de aantrekkelijkheid van het onderwijs als werkgever te vergroten en concurrerend te blijven met andere sectoren in de samenleving, stel ik voor om de individuele keuzemogelijkheden van onderwijswerknemers ten aanzien van hun arbeidsvoorwaarden te verruimen. Ik denk daarbij met name aan de volgende modaliteiten:

a) Flexibilisering van de arbeidsduur
Werknemers die volgens een normbetrekking werkzaam zijn, krijgen naast de keuze voor jaar- of spaarverlof tevens de mogelijkheid in onderling overleg met de werkgever de arbeidsduur uit te breiden zonder dat dit leidt tot aanspraak op verlof. Deze keuze geldt zolang de schoolorganisatie dit toelaat en er geen sprake is van verdringing van zittend personeel. Het is aan de werkgever te bepalen of hij hier een tijdelijke persoonlijke toelage tegenover wil stellen.

b) Flexibilisering takenpakket
Ik denk hierbij aan een flexibilisering van de verhouding tussen lestaken, scholing, onderwijsvernieuwingstaken en overige taken, door per jaar leraren de keuzevrijheid te geven om af te wijken van de maximale lessentaak. Het is aan de werkgever te bepalen of hij hier een tijdelijke persoonlijke toelage tegenover wil stellen.

c) Ziektekosten
De afgelopen jaren is er weinig of niets gebeurd aan 'groot onderhoud' van de ziektekostenregelingen ZKOO en ZVOO. Nu alle zeilen worden bijgezet om de wervingspositie van het onderwijs op peil te houden, kan dit deel van het arbeidsvoorwaardenpakket echter niet buiten beschouwing blijven. Ik stel daarom voor samen met u bij de onderhandelingen over de nieuwe cao na te gaan op welke wijze de tegemoetkoming ziektekosten een meer marktconform karakter kan krijgen. Hierbij dient het rapport van de SCOW-werkgroep ziektekosten als vertrekpunt.

Ik wil in dit verband eveneens gezamenlijk onderzoeken of een deel van de middelen die nu omgaan in de ziektekostenregelingen niet elders in het arbeidsvoorwaardenpakket zodanig kan worden aangewend, dat dit per saldo de aantrekkelijkheid van het onderwijs als werkgever ten goede komt. Ik denk daarbij onder meer aan de mogelijkheid om onderwijspersoneel keuzevrijheid te bieden bij de besteding van eventuele uit de ZKOO en ZVOO vrijvallende middelen. Dit zou in de vorm van een nominale uitkering kunnen (bijvoorbeeld voor het op peil houden van de persoonlijke iet-uitrusting), of via een fiscale (premiespaar)regeling. Voor mij is een belangrijk uitgangspunt bij de herijking van de ziektekostenregelingen dat de regelingen zodanig worden vormgegeven dat ze ook op de lange termijn houdbaar en evenwichtig zijn.

7.3 Kwaliteitsimpuls arbeidsorganisatie
Het is van groot belang dat scholen en leraren optimaal zijn toegerust voor hun reguliere taken en voor de implementatie van de in het onderwijs doorgevoerde vernieuwingen. Scholen en leraren moeten voldoende middelen, tijd, energie en motivatie hebben om de school als arbeidsorganisatie te innoveren.

Ik stel voor om in de nieuwe cao met u te verkennen op welke wijze de school als arbeidsorganisatie beter toegerust kan worden voor de eisen die aan haar worden gesteld. Bij de vormgeving van een eventueel in de cao op te nemen afspraak is voor mij van belang dat scholen voldoende ruimte houden om deze via concrete maatregelen gedifferentieerd in te vullen.

In de sfeer van concrete maatregelen op instellingsniveau kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het bieden van scholingsfaciliteiten. Daarbij kan het gaan om scholing in het belang van de schoolorganisatie tijdens werktijd, maar ook om compensatie van de loonderving waarmee zij-instromers te maken kunnen krijgen zolang ze nog niet volledig in het onderwijsproces ingezet kunnen worden. Het is in dat verband denkbaar dat de in relatie tot zij-instroom benodigde middelen worden ondergebracht in een scholingsfonds.

Het is ook denkbaar dat instellingen de oplossing zoeken in het inzetten van meer ondersteunend personeel. Met dit laatste worden inmiddels positieve ervaringen opgedaan in het kader van een aantal experimenten. Via de inzet van ondersteunend personeel kunnen taken worden overgenomen die niet noodzakelijkerwijs door leraren hoeven te worden vervuld. Het kan daarbij gaan om relatief eenvoudige taken als kopiëren en het in facilitair opzicht voorbereiden van lessen, maar eveneens om meer gespecialiseerde
werkzaamheden in de sfeer van ict of maatschappelijk werk. In alle gevallen is het resultaat dat leraren zich meer kunnen concentreren op hun kerntaken, terwijl de betreffende taken die worden overgenomen meer komen te liggen bij werknemers die hiervoor in beginsel het beste zijn toegerust.

Tot slot zouden instellingen ook kunnen kiezen voor een gedifferentieerde verlaging van het aantal lesuren. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het verlagen van de lessentaak voor beginnende leraren.

7.4 Terugdringing ziekteverzuimen arbeidsongeschiktheid Het relatief hoge ziekteverzuim binnen het onderwijs vormt een reden tot zorg. Als voortijdige uitval in de vorm van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid via goed preventief beleid kan worden voorkomen en het tegelijkertijd lukt om eenmaal uitgevallen onderwijswerknemers te reïntegreren, levert dit een substantiële bijdrage aan de oplossing van arbeidsrnarktknelpunten binnen het onderwijs. Naar verwachting zullen de cao-afspraken over een betere toerusting van de school als arbeidsorganisatie eveneens een bijdrage leveren aan de preventie van ziekteverzuim. Ik stel voor in aanvulling hierop in de nieuwe cao een afspraak te maken over een gezamenlijke inzet ten behoeve van de reïntegratie van zieke werknemers bij de eigen of een andere werkgever in een eerder stadium van het verzuimtraject.

7.5 Arbeid en zorg
Als gevolg van het toenemen van het aantal huishoudens waarin beide partners werken, hebben steeds meer werknemers behoefte aan faciliteiten die het mogelijk maken arbeid en zorgtaken te combineren. Kinderopvang is daarbij een belangrijke voorziening. Met het oog op de stijgende vraag naar onderwijspersoneel in de komende jaren en de in het verlengde hiervan noodzakelijke verbetering van de wervingspositie van onderwijs op de arbeidsmarkt, is een goede voorziening voor kinderopvang ook voor het onderwijs van groot belang. Voor veel potentiële herintreders is de beschikbaarheid van kinderopvang een voorwaarde om weer voor de klas te gaan staan.

In de afgelopen jaren is de bestaande regeling voor kinderopvang van onderwijspersoneel verschillende malen verbeterd. Recent heeft het kabinet nog extra middelen voor de jaren 2000 en 2001 beschikbaar gesteld. Hiermee zijn de bestaande wachtlijsten voor kinderopvang van onderwijspersoneel opgeheven. De kosten van deze investering dienen vanaf 2002 uit de beschikbare arbeidsvoorwaardenruimte te worden betaald.

Ik stel voor samen met u te verkennen in hoeverre het wenselijk is in de nieuwe cao aanvullende afspraken over kinderopvang te maken. Daarbij kunnen de resultaten worden betrokken van het onderzoek dat Research voor Beleid heeft verricht naar de behoefte aan buitenschoolse opvang binnen het onderwijs.

7.6 Bevordering arbeidsparticipatie oudere werknemers De stijgende vraag naar onderwijspersoneel in de komende jaren is voor een deel het gevolg van het huidige relatief grote aandeel oudere werknemers, dat binnen enkele jaren het onderwijs zal verlaten. Indien het lukt deze categorie werknemers geheel of ten dele langer voor het onderwijs te behouden, levert dit een substantiële bijdrage aan het oplossen van toekomstige arbeidsmarktknelpunten in het onderwijs. Ik stel daarom voor samen met u bij de komende cao-onderhandelingen te onderzoeken op welke wijze de arbeidsparticipatie van oudere werknemers binnen het onderwijs kan worden bevorderd. Daarbij zijn verschillende varianten denkbaar. Zo kan het voor ouderen financieel aantrekkelijker worden gemaakt om langer door te werken. Tevens wil ik samen met u de mogelijkheden onderzoeken post-actieven die daarvoor voelen in het onderwijs in te schakelen voor vervangingswerkzaamheden.

8. Voorstellen die specifiek betrekking hebben op het prirnair onderwijs
In de huidige cao zijn belangrijke stappen gezet voor de versterking van de positie van het bestuur en management in het primair onderwijs. Daarbij gaat het concreet om de volgende maatregelen:

a) Met ingang van 1 januari 2000 wordt een toelage toegekend aan directieleden van basisscholen.

b) Er wordt een instrument ontwikkeld waarmee op bestuurs- en instellingsniveau kan worden gekomen tot een heldere taak- en verantwoordelijkheidsverdeling tussen bestuur, management en team.

c) Er wordt een onderzoek verricht naar de taakbesteding en taakbelasting van schoolleiders in onder meer het primair onderwijs.

d) Vanaf het jaar 2000 worden middelen aan de instellingen toegekend voor de bevordering van de deskundigheid van schoolleiders met het oog op de invoering van integraal personeelsbeleid.

In de huidige cao is al geconstateerd dat de diversiteit in het primair onderwijs groot is, zowel qua omvang van de scholen als qua bestuurlijke constellatie. Voor de verdeling van bevoegdheden en verantwoordelijkheden tussen bestuur en management worden uiteenlopende modellen gehanteerd. Deze diversiteit vindt zijn weerslag in de wijze waarop de functie van schoolleider wordt uitgeoefend binnen instellingen (van bouwcoördinator tot locatieleider en bovenschools manager) en in de wijze waarop de beloning van deze functies
plaatsvindt. In de onderwijsbeleidsbrief is het streven naar sterkere instellingen opgenomen. De beleidsruimte voor instellingen moet zodanig worden vormgegeven dat beslissingen op lokaal niveau kunnen worden) genomen waar dat het meest voor de hand ligt. De praktijk van vandaag vraagt immers om maatwerk. Maatwerk kan pas worden geleverd als op bestuurs- en instellingsniveau beleidsvrijheid bestaat bij de aanwending van middelen.

Om deze ruimte te scheppen, staat mij de invoering van een budget'bestuur en management' voor ogen. De besteding van dit budget kan worden afgestemd op de specifieke behoeften van bestuurders en managers. Daarbij zullen afspraken gemaakt moeten worden over de bestedingsmogelijkheden van dit geïntegreerde budget (bijvoorbeeld investeringen in taakrealisatie, beloning of ondersteuning van het management). Deze afspraken moeten de ruimte laten om op bestuur- en instellingsniveau verschillende
accenten te kunnen leggen, bijvoorbeeld in de wijze van beloning van de directeur versus de benoeming van ondersteunend personeel.

In het verlengde hiervan stel ik tevens voor te bezien welke wijzigingen in de wet- en regelgeving moeten worden aangebracht om maatwerk op bestuur- en instellingsniveau te kunnen realiseren. Daarbij denk ik onder meer aan:
a) Het schrappen van arbeidsvoorwaardelijke onderwerpen in de wet- en regelgeving die sociale partners en/ of instellingsbesturen ook zelf kunnen regelen.
b) Het zoveel mogelijk wegnemen van beperkingen voor zelfregulering op (onder andere) arbeidsvoorwaardelijk terrein, die voortvloeien uit de bekostigingssystematiek.

9. Slot
Het versterken van het imago van het leraarschap en de uitstraling van het onderwijs als werkgever is een gezamenlijk belang. In een samenleving waarin kennis een steeds belangrijkere productiefactor wordt en waarin technologische ontwikkelingen elkaar in hoog tempo opvolgen, vervult kwalitatief hoogwaardig onderwijs immers een sleutelrol. Om deze sleutelrol te kunnen vervullen, zijn verschillende vernieuwingen in het onderwijs in gang gezet. De veranderingen die deze vernieuwingen met zich meebrengen stellen hoge eisen aan zowel scholen als leraren. Deze dienen in voldoende mate te zijn toegerust om aan deze eisen te kunnen voldoen. De voorstellen in mijn brief zijn vanuit die invalshoek geformuleerd.

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, (drs. L. M. L. H. A. Hermans)

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie