Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Lijst vragen en antwoorden clientenbeleid kinderbescherming

Datum nieuwsfeit: 28-02-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal


26800VI.058 lijst vr-antw inzake clientenbeleid door de kinderbescherm ing

Gemaakt: 9-3-2000 tijd: 10:46


11


26 800 VI Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Justitie (VI) voor het jaar 2000 Nr. 58

Lijst van vragen en antwoorden
Vastgesteld 28 februari 2000

Op 30 november 1999 heeft de minister van Justitie de Tweede Kamer door middel van een brief (26 800 VI, nr. 46) geïnformeerd inzake het cliëntbeleid bij de Raad voor de kinderbescherming. De vaste commissie voor Justitie *)heeft naar aanleiding van deze brief de navolgende vragen aan de regering gesteld. De vragen en de door de minister van Justitie gegeven antwoorden zijn hieronder afgedrukt. De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie, Van Heemst De griffier voor deze lijst , Fenijn VRAGEN

Blz. 1


1.

De wetten houdende medezeggenschap en klachtrecht met betrekking tot de jeugdhulpverlening beogen onder meer de wensen, behoeften en rechtspositie van de cliënt te waarborgen. In hoeverre zijn met betrekking tot de Raad voor de Kinderbescherming en de jeugdhulpverlening belevingsenquêtes gehouden onder cliënten en betrokken ouders of verzorgers? Wat zijn daarvan de resultaten?


2.

Op welke wijze wordt uitvoering gegeven aan de bevindingen van de provinciale klachtencommissies met betrekking tot de jeugdhulpverlening? De indruk bestaat dat de Raad voor de Kinderbescherming in alle vrijheid een interpretatie aan de betreffende uitspraken kan geven. Is dat juist? Wil de regering deze situatie ook voor de toekomst handhaven?

Blz. 2


3.

Kan via een tijdpad worden aangegeven op welke termijn (onderdelen van) de vormgeving van de medezeggenschap binnen de Raad voor de Kinderbescherming tot ontwikkeling zal komen zal worden geïmplementeerd? En kan daaraan worden toegevoegd wie precies verantwoordelijk is voor de diverse stappen die zullen worden ondernomen?


4.

Kan worden aangegeven waarin het bestaande overleg tussen de algemeen directeur van de Raad voor de Kinderbescherming met het bestuur van het Platform van Samenwerkende Cliëntenorganisaties in Jeugdzorg en Familierecht zich zal onderscheiden van de op te richten cliëntenraden en cliëntenpanels? Is er niet het risico van overlap of betreft het genoemde bestaande overleg louter en alleen het algemene beleid?


5.

Wie wordt verantwoordelijk voor de totstandkoming inzake nadere voorstellen op het terrein van Cliënteninformatie, -communicatie, en -feedback?


6.

Waaraan wordt gedacht bij de methodische redenen die er kunnen zijn om minderjarigen wel of niet bij een bepaalde fase van onderzoek te betrekken? Zijn hiervoor objectieve criteria ontwikkeld? Zo ja, welke?


7.

Hoeveel klachten zijn er de afgelopen vier jaar over het functioneren van de Raad voor de Kinderbescherming ingediend? Hoeveel daarvan zijn respectievelijk gegrond, ongegrond dan wel niet ontvankelijk verklaard?


8.

Is de verwachting gerechtvaardigd dat invoering van de voorgestelde vormen van medezeggenschap het aantal klachten zal doen afnemen?


9.

Welke rol zal bij de naleving van medezeggenschap bij de Raad voor de Kinderbescherming zijn weggelegd voor de Inspectie Jeugdhulpverlening?


10.

Zijn er ook financiële consequenties gemoeid met de invoering van medezeggenschap bij de Raad voor de Kinderbescherming? Zo ja, kan hierover mee duidelijkheid worden verstrekt?


11.

Wat houdt de algemene visie op cliëntenbeleid bij de Raad voor Kinderbescherming in? In hoeverre bestaat er in die visie ruimte voor pro-actief optreden van de Raad voor de Kinderbescherming in de eerste lijn?


12.

Vele klachten van cliënten richten zich op de inhoud van de rapportages van de Raad voor Kinderbescherming en de bejegening door de raadsmedewerkers. Is de regering bereid mee te werken - in het kader van een open professionele houding van de Raad - aan een protocol voor rapportages van de Raad? Daarin zou het beginsel van hoor en wederhoor kunnen worden vastgelegd, de termijnstelling en het noodzakelijk onderscheid tussen vastgestelde feiten en eigen indrukken van de raadsmedewerkers. Wordt het uitgangspunt van gelijkwaardige inbrengen van man en vrouw bij de rapportage door de Raad door de minister beaamd?


13.

Wat regelt de huidige klachtenregeling? In welke opzichten is de landelijke regeling voor klachtbehandelingsbeleid een uitbreiding van de klachtenregeling?


14.

Hoe wordt bevorderd dat de Raadsmedewerkers cliënten `vanuit een open en professionele houding objectief, respectvol en oplossingsgericht' tegemoet treden?

Blz. 3


15.

Op welke termijn zal invulling worden gegeven aan het voornemen tot het invoeren van medezeggenschap bij de Raad voor de Kinderbescherming? Waar zullen de pilots worden gestart? Hoe lang zullen die lopen voordat kan worden geconcludeerd? Is de regering bereid voor de bezetting mede een beroep te doen op leden van het Platform van Samenwerkende Cliëntenorganisatie in Jeugdzorg en Familierecht?


16.

Welke voorstellen zullen volgen op het terrein van cliënteninformatie, communicatie en feedback en op welke termijn? Ziet de regering ruimte voor een (wrakings)regeling, inhoudende dat een wisseling van raadsmedewerkers plaats kan vinden, indien de communicatie tussen raadsmedewerkers en cliënt uit de hand loopt? Hoe stelt de Raad zich voor de communicatie met cliënten(organisaties) op respectvolle en zorgvuldige wijze te verbeteren. Kan dit bijvoorbeeld betekenen dat een cliëntenorganisatie als de Dwaze Vaders rechtstreeks de gelegenheid krijgen over een knelgeval op openhartige wijze met de Raad te communiceren?


17.

Waarom wordt bij jongerenparticipatie met name gedacht aan methoden als, gericht onderzoek onder jongeren door jongeren. Is het niet eenvoudiger en effectiever om ook in het geval van jongeren te werken met cliëntraden, zoals schoolraden en dergelijke. Zijn thans in voldoende mate vertrouwenspersonen beschikbaar waar jongeren die op enigerlei wijze bij de jeugdhulp betrokken zijn, onafhankelijk over de wijze waarop zij worden bejegend, kunnen klagen? Hoe dient een jongere bij gebrek daaraan anderszins te klagen?


18.

Wanneer zal een begin gemaakt worden met de pilots voor cliëntenraden?


19.

In hoeverre worden de opvattingen van het Platform van Samenwerkende Cliëntenorganisaties in Jeugdzorg en Familierecht bij de uitwerking van de cliëntraden betrokken?


20.

Zal de Kamer op termijn resultaten van de feedback van cliënten tegemoet kunnen zien?

ANTWOORDEN


1.

De wetten tot wijziging van de Wet op de jeugdhulpverlening in verband met medezeggenschap en klachtrecht die op 1 september 1997 in werking zijn getreden, zien op de jeugdhulpverlening en op de jeugdbescherming, voor zover het de (gezins-)voogdij-instellingen betreft. Deze wetten zijn derhalve niet van toepassing op de Raad voor de Kinderbescherming. Niettemin is conform de toezegging van de toenmalige Staatssecretaris van Justitie bezien of ook bij de Raad voor de Kinderbescherming vorm kan worden gegeven aan medezeggenschap en ook eventuele andere vormen van cliëntenbeleid. In de brief van 30 november 1999, nr. 807595/99/PJS wordt aangegeven op welke wijze de Raad voor de Kinderbescherming voornemens is een integraal cliëntenbeleid bij de Raad nader vorm te geven.

Op dit moment zijn nog geen belevingsenquêtes gehouden onder cliënten (en betrokken ouders en verzorgers) van de Raad. Zoals op blz. 1 en 2 van de brief van 30 november 1999 is aangegeven zijn wel vertegenwoordigers van het Platform van Samenwerkende Cliëntenorganisaties in Jeugdzorg en Familierecht betrokken bij de tot standkoming van het thans geformuleerde beleid. Voorts merk ik op dat in het kader van kwaliteitsbeleid de Raad het zgn. INK-model volgens het Instituut Nederlandse Kwaliteit tweejaarlijks toepast. In dat verband wordt thans een instrument ontwikkeld om de klantwaardering te kunnen meten. Dit instrument zal in 2000 en 2001 in alle ressorten van de Raad worden toegepast.


2.

Onder verwijzing naar het antwoord op vraag 1, zijn de bevindingen van de provinciale klachtencommissies met betrekking tot de jeugdhulpverlening niet van toepassing op behandeling van klachten ten aanzien van de Raad voor de Kinderbescherming. Op de Raad is het Besluit van 24 juni 1996, houdende regels ter zake van de behandeling van klachten bij de Raad voor de Kinderbescherming (Besluit klachtbehandeling Raad voor de Kinderbescherming) van toepassing.

Bij brieven van 19 maart 1998, 3 augustus 1998 (Kamerstukken TK 1997 en
1998, 25 952, nrs. 1en 2; antwoord op vraag 30), alsmede bij brief van 19 augustus 1999 (Kamerstukken TK 1998/1999, 25 952, nr 3) informeerde ik u over de klachtbehandeling over de jaren 1992 t/m 1996, respectievelijk 1997 en 1998.

De Raad voor de Kinderbescherming heeft niet alle vrijheid om een interpretatie van de betreffende uitspraken te geven van de vijf onafhankelijke klachtencommissies. In de analyse over de jaren 1997 en 1998 is wel geconstateerd dat nog niet door alle directies consequent uitvoering wordt gegeven aan het schriftelijk en gemotiveerd informeren van de klager over de mogelijke gevolgen die door de organisatie worden verbonden aan een (gedeeltelijke) gegrondverklaring van een klacht. Met de directeuren is overeengekomen dat hieraan expliciet aandacht zal worden besteed. Voor zover er sprake is van enig verschil in werkwijze rond de behandeling van klachten per ressort, dan valt dit binnen de ruimte die geboden wordt door het voornoemde Besluit klachtbehandeling Raad voor de Kinderbescherming.

Zoals op blz. 2 van de brief van 30 november 1999 staat aangekondigd, is de Raad wel voornemens om binnen en in aanvulling op het besluit klachtbehandeling te komen tot een landelijke richtlijn voor klachtbehandelings(beleid), teneinde te realiseren dat op een eenduidige en uniforme wijze met zowel uitingen van ongenoegen van cliënten in algemene zin, als met klachten in formele zin wordt omgegaan.


3.

Voor de verdere vormgeving van cliëntenbeleid, waaronder medezeggenschap, heeft de Raad recent een werkgroep ingesteld van raadsmedewerkers . De werkgroep heeft de opdracht om voor de verschillende onderdelen van cliëntenbeleid een plan van aanpak op te stellen. In het plan van aanpak wordt aandacht besteed aan de volgende aspecten: in welke volgorde worden de verschillende onderdelen uitgevoerd, hoe, door wie, tijdpad, `kostenplaatje'; welke rol kan het Platform Samenwerkende Cliëntenorganisaties in Jeugdzorg en Familierecht (SCJF) bij ieder onderdeel spelen. Dit plan van aanpak zal voor de zomer 2000

aan het Landelijk Management Team (LMT) van de Raad worden aangeboden.

De planning is dat nog in 2000:

? gestart zal worden met een pilot cliëntenraad in het ressort Zuid-West en een pilot cliëntenpanel in het arrondissement Alkmaar. Afhankelijk van de resultaten zal besluitvorming en landelijke invoering in 2001/2002 plaatsvinden;

? een voorstel tot vormgeving van jongerenparticipatie bij de Raad zal worden ontwikkeld, waarbij,

jongeren, afhankelijk van hun leeftijd, een structurele inbreng krijgen bij de beleidsvorming van de Raad (als deelnemers aan cliëntenraden en/of anderszins) en een duidelijker inbreng in de casuïstiek.

Een door de werkgroep op te stellen voorstel zal nog dit jaar door het LMT worden behandeld;

? een nadere regeling voor de behandeling van klachten zal worden opgesteld, als aanvulling op het Besluit klachtbehandeling Raad voor de Kinderbescherming en gericht op een zo gelijk mogelijke behandeling van klachten in de vijf ressorten. De inwerkingtreding is voorzien op 1 januari
2001;

? op de gebieden cliënteninformatie, -communicatie en -feedback, waar nodig, verdere verbeteringen worden doorgevoerd, ondersteund door de afdelingen Communicatie en Personeel, Vorming & Opleiding van het Hoofdkantoor. Voorbeelden hiervan zijn: beknopte folders in begrijpelijke taal; een training ter verbetering van de communicatie tussen raadsmedewerkers en cliënten, zowel mondeling als schriftelijk.

Voor het thema cliënten-feedback zal het klantwaarderingsonderzoek, dat in
2000/2001 in alle ressorten gehouden wordt, een belangrijke input vormen.

4.

Het bestaande overleg van de algemeen directeur met het bestuur van het Platform SCJF onderscheidt zich in ieder geval qua samenstelling en doelstelling van de op te richten cliëntenraden en -panels. Het overleg met het bestuur van het Platform SCJF betreft het overleg met vertegenwoordigers van een deel van de cliënten van de Raad, nl. die cliënten, die lid zijn van een cliëntenorganisatie, die op haar beurt bij het Platform is aangesloten. Eén van de kenmerken van de op te richten cliëntenraden is, dat ze qua samenstelling representatief voor alle cliënten van de Raad dienen te zijn. Of er qua te bespreken onderwerpen een overlap zal zijn tussen het overleg Platform SCJF-Hoofdkantoor Raad én het overleg op hofressortsniveau met de cliëntenraden en cliëntenpanels, vormt één van de aandachtspunten voor de pilots cliëntenraad en cliëntenpanel.


5.

Voor het totstandkomen van nadere voorstellen op het terrein van cliënteninformatie, -communicatie en -feedback is formeel de algemeen directeur verantwoordelijk. Inhoudelijk verantwoordelijk zijn de leden van de bij het antwoord op vraag drie genoemde werkgroep cliëntenbeleid, waarbij de beleidsmedewerker cliëntenbeleid en het hoofd van de afdeling communicatie van het Hoofdkantoor van de Raad een voortrekkersrol vervullen.


6.

Uitgangspunt is, dat de jongere bij het raadsonderzoek betrokken wordt. De notitie Jongerenparticipatie voegt hieraan toe: «In de casuïstiek kunnen er methodisch redenen zijn om een minderjarige, afhankelijk van zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, bij een bepaalde fase van het onderzoek niet te betrekken». Hierbij kan gedacht worden aan situaties, waarin de jongere door die onderzoeksfase onnodig belast zou worden. Hiervoor zijn, anders dan leeftijd en ontwikkelingsniveau, door de Raad geen objectieve criteria ontwikkeld. Bij de besluitvorming om een jongere, bij uitzondering, in een bepaalde fase niet bij het onderzoek te betrekken, is naast de raadsonderzoeker altijd de praktijkleider betrokken en waar nodig, de interne gedragsdeskundige.


7.

Aantal door directies en klachtencommissies besliste klachten over 1997 t/m
1999.

Jaar Aantal door directies besliste klachten Waarvan (gedeeltelijk) gegrond verklaard


1997 99 40 (= 40%)


1998 80 42 (= 53%)


1999 76 35 (= 46%)

Jaar Aantal door klachtencommissies besliste klachten Waarvan (gedeeltelijk) gegrond verklaard


1997 42 15 (= 36%)


1998 44 20 (= 45%)


1999 33 18 (= 55%)

N.B. Ten gevolge van de overdracht van de analyse van de cijfers met betrekking tot de klachtbehandeling door het Ministerie van Justitie aan de Raad is de analyse over 1996 tussen wal en schip geraakt. Volstaan wordt met een overzicht van de afgelopen drie jaar.

Voorts verwijs ik u in dit verband naar mijn brieven van 19 maart 1998, 3 augustus 1998 (kamerstukken 25 952 1997 - 1998 nrs 1 en 2) en de brief van
19 augustus 1999 (Kamerstuk 25 952, 1998 - 1999, nr 3).

8.

Of de verwachting gerechtvaardigd is, dat invoering van de voorgestelde vormen van medezeggenschap het aantal klachten zal doen afnemen, zal moeten blijken. Op korte termijn lijkt dit niet erg waarschijnlijk, omdat klachten betrekking hebben op de individuele casuïstiek, terwijl medezeggenschap betrekking heeft op het algemene beleid. Op de langere termijn zou er wel sprake kunnen zijn van een afname van het aantal klachten, omdat de invloed van cliënten op het beleid van de Raad door zal werken in de individuele casuïstiek.


9.

De Raad voor de Kinderbescherming valt niet onder de reikwijdte van de Wet op de Jeugdhulpverlening en Jeugdbescherming en evenmin onder de Inspectie Jeugdhulpverlening en Jeugdbescherming.


10.

Er zijn zeker financiële én personele consequenties gemoeid met de invoering van medezeggenschap bij de Raad. Het meest springt hierbij in het oog de invoering van cliëntenraden en -panels (afhankelijk van de uitkomsten van de pilots in 2000, die op zich al tijd van raadsmedewerkers en kosten met zich meebrengen), maar ook het verbeteren en uitbreiden van informatiemateriaal voor cliënten, vormen van jongerenparticipatie etc. kosten tijd en geld.

Over de omvang van de voor het cliëntenbeleid benodigde financiën kan op dit moment nog onvoldoende worden gezegd. Zoals bij het antwoord op vraag 3 al is aangegeven, wordt door de werkgroep cliëntenbeleid op dit moment per onderdeel van cliëntenbeleid een begroting opgesteld. Wel is voor het jaar
2000 in de begroting van de Raad een bedrag van f 200.000,- opgevoerd voor de uitvoering van het klantwaarderingsonderzoek.


11.

De Raad heeft de volgende visie op cliëntenbeleid geformuleerd:

«De missie en het algemene beleid van de Raad, het kwaliteitsbeleid daaronder begrepen, vormen de grondslag voor het cliëntenbeleid van de Raad. De Raad ziet op grond daarvan de cliënt als participant in het proces, dat de Raad en cliënt met elkaar zijn aangegaan. Concreet betekent dit, dat de Raad steeds aantoonbaar rekening houdt met redelijke wensen en behoeften van de cliënt. Dit zowel op individueel niveau als op het niveau van de gezamenlijke belangen van cliënten en/of cliëntengroepen. De Raad is duidelijk naar de eigen medewerkers met betrekking tot de opstelling en de wijze van communiceren, die hij van hen verwacht ten opzichte van cliënten. Hij legt dit vast in taakomschrijvingen, functieprofielen en relevante beleidsregels. Voor de uitvoering van het cliëntenbeleid maakt de Raad gebruik van middelen als: een klachtregeling, een cliënten-inspraakorgaan, leesbare en begrijpelijke informatiemiddelen.

De Raad draagt zorg voor het voortdurend bewaken, ontwikkelen en verbeteren van het cliëntenbeleid.»

Zoals in de brief van 30 november 1999 is aangegeven zijn kernbegrippen hierbij dat de cliënt vanuit een open en professionele houding objectief, respectvol en oplossingsgericht wordt tegemoet getreden. In díe zin kan dit aangeduid worden als pro-actief optreden. De Raad opereert echter niet als een organisatie in de eerste lijn, zeker niet nu de intakefunctie van de Raad is/wordt overgedragen aan de bureaus jeugdzorg en advies- en meldpunten kindermishandeling. Wel geeft de Raad vanuit een afgeleide van de kerntaken uit preventief oogpunt voorlichting over de taken van de Raad aan ketenpartners en beroepsgroepen, zoals huisartsen en onderwijzers.

In het kader van het kwaliteitstraject bij de Raad wordt momenteel de algemene visie van de Raad aangepast. Als gevolg hiervan zal ook de hierboven geformuleerde visie op cliëntenbeleid opnieuw worden bezien en zonodig daaraan aangepast.


12.

Het rapport van de Raad is erop gericht om de situatie van het kind helder te krijgen om op basis daarvan te kunnen adviseren wat de beste oplossing voor het kind is. Het gaat er dus niet om, om het beginsel van hoor en wederhoor of de gelijkwaardige inbreng van man en vrouw tijdens het raadsonderzoek te garanderen en in een protocol of anderszins vast te leggen. Wel gelden voor de werkwijze en rapportage van de Raad een aantal landelijke richtlijnen, zoals het door het Landelijk Management Team van de Raad vastgestelde rapportagerichtlijn, het zgn. normen II rapport, waarin kwaliteitsregels en beleidsaanwijzingen zijn vastgelegd, de WOPP-rapporten (beschrijving van werkwijze en organisatie van het primair proces per taak van de Raad) en het materiaal van de opleiding Jeugdbescherming voor nieuwe raadsonderzoekers (module methoden van raadsonderzoek). In die zin is er reeds langere tijd sprake van een `protocol' voor rapportages van de Raad. De in de vraag genoemde termijnstelling en het noodzakelijke onderscheid tussen vastgestelde feiten en eigen indrukken van de raadsonderzoekers komen in deze richtlijnen uitdrukkelijk aan de orde. Tenslotte dient in dit verband vermeld te worden, dat de betrokkenen, uitzonderingssituaties daargelaten, in de gelegenheid worden gesteld om het concept-rapport te bestuderen en eventueel correcties of aanvullingen naar voren te brengen. De correcties worden in het rapport verwerkt; de aanvullingen als bijlage aan het rapport toegevoegd.


13.

Kort gezegd vormt de landelijke regeling voor klachtbehandelingsbeleid een aanvulling op het Besluit klachtbehandeling Raad voor de Kinderbescherming van 24 juni 1996 en een nadere invulling binnen het raam van dat besluit ter vergroting van de uniformiteit en eenduidigheid in werkwijze tussen de vijf directies van de Raad. De voorgestelde landelijke richtlijn behelst een aanvulling in twee richtingen:

a. nadere regelgeving (waar nodig) voor de behandeling door de directeur en
- op diens verzoek - door de unitmanager;

b. aanvulling van het begrip `klacht' volgens het Besluit klachtbehandeling met het begrip `uiting van ongenoegen' en regelgeving voor de behandeling van `uitingen van ongenoegen' . Dit laat de behandeling van `klachten' volgens het Besluit klachtbehandeling onverlet.


14.

Dit wordt ondermeer bevorderd door:


- hieraan aandacht aan te besteden in de opleiding Jeugdbescherming voor nieuwe raadsonderzoekers;


- de reguliere praktijkleiding voor alle uitvoerend werkers en het beschikbaar stellen van supervisie en intervisie;


- het stelselmatig agenderen van dit onderwerp in team- en unitvergaderingen, in het kader van de voortgang van het cliëntenbeleid en van de evaluatie van de klachtbehandeling in de afgelopen periode.

15.

Verwezen wordt naar het antwoord op vraag 3. Ten behoeve van het starten van de pilots is de werkgroep cliëntenbeleid samen met medewerkers van de Directie Zuid-West en die te Alkmaar bezig aan een plan van aanpak voor de pilots, inclusief tijdpad. Na goedkeuring van het voorstel van de werkgroep cliëntenbeleid door het Landelijk Management Team van de Raad (voor de zomer) kan met de feitelijke invoering worden begonnen, waarbij een representatieve samenstelling van cliëntenraad en cliëntenpanel een belangrijk en, naar de ervaring bij andere instellingen leert, tijdrovend onderdeel zal zijn. Het streven is erop gericht beide pilots nog dit jaar van start te laten gaan. De Raad, die verantwoordelijk is voor de pilots, is bereid om voor de bezetting van de pilots mede een beroep te doen op het Platform SCJF.


16.

Voor de vraag welke voorstellen zullen volgen op het terrein van cliënteninformatie, -communicatie en -feedback wordt verwezen naar het antwoord op vraag 3. Er is niet voorzien in een afzonderlijke wrakingsregeling. Doel van het raadsonderzoek is een oplossing te vinden voor de knelsituatie waarin het kind zich bevindt. Als de communicatie tussen de raadsonderzoeker en de cliënt uit de hand loopt en herstel op korte termijn niet mogelijk is, zal dit wellicht het vinden van een oplossing voor het kind bemoeilijken. Ook nu bestaat de mogelijkheid om in voorkomende gevallen en ter beoordeling van het management, een andere raadsonderzoeker in te zetten.

Met betrekking tot communicatie met cliëntenorganisaties wordt opgemerkt, dat het op respectvolle en zorgvuldige wijze verbeteren van de communicatie niet een eenzijdige inspanning van de Raad kan zijn. Ook van de cliëntenorganisaties mag daartoe een reële inspanning worden verwacht.

Het is niet de bedoeling dat afzonderlijke cliëntenorganisaties, zoals de Dwaze Vaders, rechtstreeks over een `knelgeval' met de Raad communiceren. Immers, bij een `knelgeval' gaat het om een individuele zaak en de privacy van betrokkenen verzet zich ertegen. Wel kunnen cliënten zich in het onderzoeksproces door een vertrouwenspersoon laten bijstaan en dit kan ook een lid van een cliëntenorganisatie zijn.

Natuurlijk kunnen cliëntenorganisaties aandacht van de Raad vragen voor beleid en werkwijze in één of meer (geanonimiseerde) zaken. Richt de organisatie zich hiermee tot de algemeen directeur van de Raad, dan is behandeling van het aangekaarte onderwerp altijd mogelijk. Weliswaar niet rechtstreeks, maar wel in het reguliere overleg met het Platform SCJF als `koepel' van de cliëntenorganisaties.


17.

Het onderdeel jongerenparticipatie is op dit moment nog het minst uitgewerkt Onderzoek onder jongeren door jongeren is een methode die door professor De Winter is gehanteerd en tot goede resultaten heeft geleid en om die reden als voorbeeld is genoemd. Ook de door u genoemde suggesties zullen bij de nadere uitwerking van jongerenparticipatie worden betrokken. Van belang is dat bij jongerenparticipatie díe jongeren kunnen worden benaderd of gevonden die tot de (specifieke) cliënten van de Raad voor de Kinderbescherming behoren. Op voorhand is de Raad van oordeel dat het niet eenvoudiger en effectiever is om naast cliëntenraden met speciale jongerenraden te werken, omdat op die wijze de noodzakelijk geachte integratie van jongeren in het cliëntenbeleid van de Raad niet wordt bereikt. Wel zal speciale aandacht worden besteed aan de vertegenwoordiging door of namens jongeren in de pilot cliëntenraad. Immers de jongeren zijn de primaire cliënten van de Raad.

De Raad kent in structurele zin niet de figuur van de «cliëntenvertrouwenspersoon». Wel participeert de Raad in Brabant samen met de gezinsvoogdij-instelling en een instelling voor jeugdzorg in het experiment «cliëntenvertrouwenspersoon» binnen de ambulante jeugdzorg. Dit experiment wordt gefinancierd door de provincie Noord-Brabant en mijn ministerie. De resultaten hiervan zullen in 2001 bekend worden. De Raad voor de Kinderbescherming beschouwt dit experiment als een pilot; bij positieve resultaten zullen ook elders bij de Raad cliëntenvertrouwenspersonen worden geïntroduceerd. Overigens kan ook de jongere, die met de Raad te maken heeft (gehad), als belanghebbende gebruik maken van de klachtregeling, die voor de Raad voor de Kinderbescherming geldt.


18.

Verwezen wordt naar de antwoorden op vraag 3 en 15.


19.

De opvattingen van het Platform SCJF worden bij de nadere uitwerking van de cliëntenraden betrokken. De werkgroep cliëntenbeleid besteedt momenteel aandacht aan de vorm waarin dit het beste zou kunnen gebeuren. Overigens is het Platform ook in een eerdere fase bij de gedachtenvorming over cliëntenbeleid betrokken geweest. Tijdens een themabijeenkomst voorjaar 1999 was een lid van het Platform één van de inleiders. Ook heeft het Platform de discussienota `Naar een integraal cliëntenbeleid' van augustus 1999 besproken en van commentaar voorzien. Dit commentaar wordt door de werkgroep cliëntenbeleid bij de uitwerking van de verschillende deelonderwerpen meegenomen.


20.

De Kamer kan de resultaten van het onderdeel cliënten-feedback tegemoet zien, naar verwachting in 2001.

Belangrijk onderdeel hiervan zullen de resultaten van het klantwaarderingsonderzoek zijn.


1) Samenstelling:

Leden

Van de Camp (CDA)

Biesheuvel (CDA)

Swildens-Rozendaal (PvdA)

Scheltema-de Nie (D66)

Kalsbeek-Jasperse (PvdA)

Zijlstra (PvdA)

Apostolou (PvdA)

Middel (PvdA)

Van Heemst (PvdA), voorzitter

Dittrich (D66), ondervoorzitter

Rabbae (GL)

Rouvoet (RPF)

Van Oven (PvdA)

O.P.G. Vos (VVD)

Van Wijmen (CDA)

Patijn (VVD)

De Wit (SP)

Ross-van Dorp (CDA)

Niederer (VVD)

Nicolaï (VVD)

Halsema (GL)

Weekers (VVD)

Van der Staaij (SGP)

Wijn (CDA)

Brood (VVD)

Plv. leden

Balkenende (CDA)

Verhagen (CDA)

Wagenaar (PvdA)

Van Vliet (D66)

Arib (PvdA)

Duijkers (PvdA)

Kuijper (PvdA)

Albayrak (PvdA)

Barth (PvdA)

Hoekema (D66)

Karimi (GL)

Schutte (GPV)

Santi (PvdA)

Van den Doel (VVD)

Rietkerk (CDA)

Rijpstra (VVD)

Marijnissen (SP)

Buijs (CDA)

Van Baalen (VVD)

Van Blerck-Woerdman (VVD)

Oedayraj Singh Varma (GL)

De Vries (VVD)

Van Walsem (D66)

Eurlings (CDA)

Kamp (VVD)

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie