Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Financien: Voorlopige Rekening 1999

Datum nieuwsfeit: 29-02-2000
Vindplaats van dit bericht
Vindplaats 2
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Financien

Titel: Voorlopige Rekening 1999

de Voorzitter van de Tweede Kamer der

Staten-Generaal

Uw brief van/kenmerk

Ons kenmerk

Den Haag

BZ 2000-00330 M

29 februari 2000

Onderwerp

Voorlopige Rekening 1999
Inleiding en samenvatting

Deze nota geeft een overzicht van de voorlopige realisatie van de begroting 1999. Het EMU-vorderingensaldo over het jaar 1999 komt naar verwachting uit op een overschot van 0,5% BBP. Dit overschot is dus nog iets hoger dan het begrotingssaldo van ¼% BBP, dat op basis van eerste inzichten per brief op 7 januari jl. aan de Tweede Kamer is gemeld.

De voorspoedige ontwikkeling van het EMU-saldo is met name het gevolg van het gunstige economisch beeld, waardoor aanzienlijke meevallers zijn opgetreden bij met name de belasting- en premieontvangsten. Daarnaast vallen door verschillende oorzaken ook de uitgaven lager uit.

In het Regeerakkoord werd uitgegaan van een economische groei van 3% voor het jaar 1999. Naar verwachting zal de groei voor 1999 uitkomen op 3½%. Ook de samenstelling van de economische groei is van invloed geweest op de ontvangstenmeevallers en het uiteindelijke overschot. In de Miljoenennota 1999 werd uitgegaan van een afzwakkende consumptiegroei en een geleidelijk aantrekken van de uitvoer. Nu blijkt echter dat de consumptiegroei niet is afgezwakt. Dit leidt tot aanzienlijke meevallers bij de indirecte belastingen (BTW). Daarnaast zijn er ook meevallers bij de directe belastingen als vennootschapsbelasting en loonbelasting. Ook de werkgelegenheid heeft zich voorspoediger ontwikkeld dan geraamd. Dit komt onder andere tot uitdrukking in de meevallers bij de loonbelasting en de premies volksverzekeringen.

Ten opzichte van de Najaarsnota 1999 zijn er geen nieuwe inzichten ontstaan in het saldo van de decentrale overheden. Het saldo van de sociale fondsen is ten opzichte van de Najaarsnota met 0,6 miljard verbeterd. De EMU-schuld als percentage van het BBP zal naar verwachting uitkomen op 63,8 procent. De Voorlopige Rekening bevat geen doorwerking naar latere jaren; een integraal beeld van de uitvoering van de begroting in het jaar 2000 zal in de Voorjaarsnota 2000 aan de orde komen.

In tabel 1 wordt de ontwikkeling van het budgettaire beeld in 1999 geschetst.

Tabel 1 De uitgavenontwikkeling in de drie budgetdisciplinesectoren, alsmede de ontwikkeling van de overheidsinkomsten en het EMU-saldo (in miljarden)

MN 99

VjN 99

VU 99

NjN 99

VR 99

Verschil

(1)

(2)

(3)

(4)

(5)

(5)-(4)

Rijksbegroting in enge zin

173,8

172,2

172,5

172,4

171,9


-0,5

Sociale Zekerheid en Arbeidsmarkt

102,8

103,1

102,3

102,0

101,8


-0,2

Zorg

55,4

55,7

55,7

55,8

55,8


-0,1

Overheidsinkomsten

316,7

315,1

321,5

324,0

326,6


+2,6

EMU-saldo (in %BBP, - is tekort)


-1,3


-1,7


-0,6


-0,2


+0,5


+0,7

Ten opzichte van de ramingen in de Najaarsnota 1999 komen de relevante uitgaven circa 0,8 miljard lager uit. Dit is het gevolg van lagere netto-uitgaven binnen de budgetdisciplinesector Rijksbegroting in enge zin van 0,5 miljard. Daarnaast zijn de netto-uitgaven binnen het begrotingsgefinancierde deel van de sector Sociale Zekerheid en Arbeidsmarkt 0,2 miljard lager. Het begrotingsgefinancierde gedeelte van de budgetdisciplinesector Zorg draagt voor een kleine 0,1 miljard bij aan de lagere netto-uitgaven. Daarnaast komen de niet-relevante netto-uitgaven ten opzichte van de Najaarsnota 0,3 miljard lager uit, zodat de totale uitgaven circa 1,1 miljard lager uitvallen.

Tabel 2 Toetsing van de netto-uitgaven van de drie budgetdisciplinesectoren aan de ijklijnen (in miljarden)

stand VR 99

Kader

Onder-/ overschrijding

Rijksbegroting in enge zin

171,9

172,5


-0,6

Sociale Zekerheid en Arbeidsmarkt

101,8

103,8


-2,0

Zorg

55,8

55,9


-0,1

In tabel 2 wordt een overzicht gegeven van de toetsing aan de ijklijnen voor elk van de drie budgetdisciplinesectoren. Hieruit blijkt een onderschrijding van 0,6 miljard voor de budgetdisciplinesector Rijksbegroting in enge zin, ten opzichte van een onderschrijding van 0,1 miljard bij Najaarsnota. Voor de budgetdisciplinesector Sociale Zekerheid en Arbeidsmarkt is de onderschrijding van 1,8 miljard bij Najaarsnota toegenomen tot 2,0 miljard. Ook bij de Zorg is sprake van een lichte onderschrijding van het kader met een kleine 0,1 miljard. Dit is een lichte verbetering ten opzichte van de Najaarsnota, aangezien er op dat moment sprake was van een precies sluitend beeld voor de Zorg.

De begrotingsgefinancierde netto-uitgaven

Zoals in de inleiding is aangegeven, laten de uitgaven en niet-belastingontvangsten ten opzichte van de Najaarsnota 1999 een overwegend meevallend beeld zien. Dit is voornamelijk het gevolg van meevallende netto-uitgaven binnen de budgetdisciplinesector Rijksbegroting in enge zin van per saldo 0,5 miljard. De uitgaven in de budgetdisciplinesector Sociale Zekerheid en Arbeidsmarkt vallen ten opzichte van de Najaarsnota 1999 0,2 miljard lager uit. Voor een nadere toelichting op de uitgavenontwikkeling in deze budgetdisciplinesector wordt verwezen naar de brief van de minister van SZW. De netto-uitgaven binnen de budgetdisciplinesector Zorg zijn ten opzichte van de Najaarsnota 1999 een kleine 0,1 miljard lager.

Ten opzichte van de Najaarsnota 1999 en de daarbij behorende suppletore wetten heeft het kabinet geen belangrijke beleidsbeslissingen genomen die nog gevolgen hebben gehad voor de begroting van 1999. Deze Voorlopige Rekening bevat derhalve voornamelijk realisatiecijfers die door niet-beleidsmatige factoren afwijken van de ramingen die waren opgenomen in de Najaarsnota. Daarnaast is het aanvullen van het balanstekort van de Rijksgebouwendienst ten laste gebracht van het uitgavenkader 1999.

Rijksbegroting in enge zin

In de onderstaande tabel zijn de begrotingen opgenomen die een grotere afwijking ten opzichte van de Najaarsnota laten zien dan 25 miljoen. De belangrijkste, en beleidsmatig meest interessante bijstellingen worden hieronder toegelicht. In de Verticale Toelichting (bijlage 4) wordt per begroting/begrotingsfonds en aanvullende post een aansluiting gemaakt ten opzichte van de stand Najaarsnota.

Tabel 3: bijstellingen binnen het kader Rijksbegroting in enge zin (saldo uitgaven en niet-belastingontvangsten in miljoenen; - = tekortverlagend en + is tekortverhogend) ten opzichte van de Najaarsnota

Begroting

Mutatie

Buitenlandse Zaken


-41

Justitie


-42

Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties


-55

Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen


-175

Nationale Schuld


-102

Financiën


-37

Defensie


+52

Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu


+442

Verkeer en Waterstaat


-82

Economische Zaken


+39

Landbouw, Natuurbeheer en Visserij


+42

Infrastructuurfonds


-180

Afdrachten EU


+68

homogene groep Internationale Samenwerking


-142

Aanvullende post Algemeen


-213

Overig


+60

Totale mutatie Rijksbegroting in enge zin


-500

Op de begroting van Buitenlandse Zaken heeft zich een meevaller voorgedaan als gevolg van een lagere afdracht aan de EU van het Vierde Eigen Middel (162 miljoen).

Daarnaast heeft het negatieve saldo van de Nederlandse Investeringsbank voor Ontwikkelingslanden op de zogenoemde rekening-courantfaciliteit van de Staat geleid tot een tegenvaller van 121 miljoen. Omdat dit saldo begin 2000 is aangezuiverd, leidt deze tegenvaller bij Voorjaarsnota tot een meevaller van dezelfde omvang.

Op de begroting van Justitie heeft zich een meevaller voorgedaan van ongeveer 40 miljoen. Dit is het saldo van een aantal kleinere mutaties waaronder een vertraging in projecten en capaciteitsinvesteringen die voortvloeien uit de Contourennota Rechterlijke Organisatie (11 miljoen) en het niet tot betaling komen van huisvestingsmiddelen (10 miljoen). Daarnaast was per saldo sprake van iets lager uitgevallen uitgaven ten behoeve van asielzoekers.

Op de begroting van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft zich eveneens een per saldo meevaller voorgedaan. Naast meevallende uitgaven voor asielzoekers (8 miljoen) vielen zowel de uitgaven als de ontvangsten van de Dienst Geneeskundige Verzorging Politie mee.

Op de begroting van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen heeft de voorgenomen uitbetaling van 69,7 miljoen ten behoeve van de aansluiting van de sector Beroeps- en Volwasseneneducatie op het Kennisnet in 1999 enige vertraging ondervonden. Daarnaast zijn op het terrein van de omroepbijdragen zowel de uitgaven als de ontvangsten in 1999 opwaarts bijgesteld. De op grond van het amendement Noorman- Den Uyl aan de begroting van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen toegevoegde 28 miljoen voor taallessen aan oudkomers is in 1999 niet meer tot besteding gekomen, maar zal via de eindejaarsmarge van OCW in 2000 tot uitbetaling leiden.

Op de begroting van Defensie zijn de uitgaven ten opzichte van de Najaarsnota per saldo met 52 miljoen hoger uitgekomen. Dit wordt met name verklaard door een budgetverhoging uit hoofde van de middelenafspraak met Financiën. Daarnaast realiseert Defensie een beperkte overschrijding van de begroting in 1999 (circa 30 miljoen) die via het instrument van de eindejaarsmarge in mindering wordt gebracht op het jaar 2000.

Uit de openingsbalans van de Rijksgebouwendienst (agentschap per 1/1/1999) blijkt dat het balanssaldo van de RGD per startdatum negatief is (meer passiva dan activa). Belangrijke oorzaken hiervan zijn de vorming van eigen vermogen (buffer) en de dekking van posten waarvoor het noodzakelijk is voor de RGD om op korte termijn te beschikken over liquide middelen (bijvoorbeeld debiteuren). Om de RGD, die werkzaam is voor alle ministeries, financieel gezond van start te laten gaan is besloten het balanstekort ten laste van het uitgavenkader 1999 met 566 miljoen aan te zuiveren. Afhankelijk van het resultaat 1999 kan dit bedrag op basis van Slotwet nog naar beneden bijgesteld worden. Diverse posten in de openingsbalans van de RGD (waaronder het totale beroep per 1 januari 1999 op de leenfaciliteit bij Financiën) zijn thans nog onderhevig aan controle door de accountantsdienst van het ministerie van VROM en zijn derhalve nog niet definitief. Dit betekent dat er naar verwachting op basis van de Slotwet nog mutaties op enkele begrotingsstanden zullen worden aangebracht.

Daarnaast vinden op de begroting van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu enkele kleinere mutaties plaats zoals meevallende ontvangsten bij Milieubeheer als gevolg van terugstorting van voorschotten.

Op de begroting van Verkeer en Waterstaat hebben zich ook enkele meevallers voorgedaan. De belangrijkste is een uitgavenmeevaller van circa 16 miljoen voor betalingen voor het Eurovignet ten opzichte van de Najaarsnota. Het betreft verrekeningen met Duitsland (over de jaren 1996-1998) op basis van het aantal verreden kilometers.

De overschrijding op de begroting van LNV hangt met name samen met het volgende. De Europese Commissie vordert bij Nederland ruim 39 miljoen aan uitbetaalde steun terug over de jaren 1992 tot en met 1995 voor de productie van caseïnaat. Nu deze terugvordering door een recente gerechtelijke uitspraak vooralsnog niet op het betrokken bedrijf kan worden verhaald, leidt deze tot een uitgaventegenvaller.

Met name door vertragingen bij (grote) projecten vallen de uitgaven op het Infrastructuurfonds ten opzichte van de Najaarsnota lager uit. Deze vertragingen worden in latere jaren weer ingelopen.

De invoerrechten- en BTW-afdrachten aan de EU vallen 68 miljoen tegen door een hogere realisatie dan bij Najaarsnota werd geraamd.

Bij de homogene groep Internationale Samenwerking doet zich een meevaller voor van per saldo 140 miljoen. De belangrijkste oorzaken hiervan zijn enerzijds vertragingen bij de identificatie en ontwikkeling van Joint Implementation-projecten (75 miljoen) en een lagere realisatie van het bedrijfslevenprogramma (70 miljoen). Anderzijds vallen de uitgaven mee als gevolg van een verhoging van de samenwerkingsmiddelen voor de Nederlandse Antillen (36 miljoen), een toename van het budget voor noodhulp voor Bosnië, Rwanda en Oost-Timor (47 miljoen) en een eerder dan geraamde betaling aan de International Development Association (102 miljoen). Verder is er een groot aantal kleinere meevallers.

Op de aanvullende post Algemeen valt een aantal middelen vrij die in 1999 niet meer tot verdeling zijn gekomen en die in latere jaren wel tot betaling zullen leiden (klimaatbeleid en CO2-reductieplan). De bij Najaarsnota 1999 getroffen reservering voor de restauratie van het Rijksmuseum Amsterdam is overgeheveld naar de begroting van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en zal via de eindejaarsmarge OCW worden meegenomen naar 2000.

Eindejaarsmarge

De eindejaarsmarge creëert de mogelijkheid binnen een begroting tot een bepaalde omvang gelden van het ene naar het andere begrotingsjaar te schuiven; dit onder meer ter voorkoming van een ondoelmatige besteding van middelen aan het einde van het jaar, de zogenoemde decemberkoorts.

De maximale eindejaarsmarge bedraagt als regel 1% van het gecorrigeerde begrotingstotaal. Specifieke afspraken zijn gemaakt voor de homogene groep Internationale Samenwerking(hgIS) en de begroting van Defensie. Voor de begrotingsfondsen FES, Infrastructuurfonds en AOW-spaarfonds geldt dat het saldo van ontvangsten boven uitgaven volledig kan worden meegenomen naar het volgende jaar. Voor het Gemeentefonds en het Provinciefonds geldt ook geen maximum voor de eindejaarsmarge. De ontvangsten zijn volgens de Financiële-verhoudingswet gelijk aan de uitgaven. De verplichtingen kunnen hiervan afwijken maar komen altijd in latere jaren tot uitbetaling.

Voor de begrotingen van VWS en SZW geldt een eindejaarsmarge voor zowel het deel Rijksbegroting in enge zin als voor de begrotingsgefinancierde uitgaven binnen de kaders van respectievelijk sociale zekerheid en zorg.

De hoogte van het feitelijk gebruik door de departementen van de eindejaarsmarge wordt bepaald bij Voorlopige Rekening (jaar t). Zie voor het gebruik van de eindejaarsmarge 1999 bijlage 3. De overgehevelde bedragen worden bij Voorjaarsnota (jaar t+1) aan de begrotingen toegevoegd. De definitieve omvang van het feitelijk gebruik wordt bepaald op basis van de Slotwet (jaar t) (hetgeen dus kan leiden tot marginale mutaties bij de Vermoedelijke Uitkomsten in de Miljoenennota (jaar t+1)).

Aangezien het toevoegen van eindejaarsmarges bij Voorjaarsnota in beginsel tot belasting van de ijklijn zou leiden (en dus noodzaakt tot het creëren van ruimte) wordt, om dit te voorkomen, de eindejaarsmarge op de Aanvullende Post Algemeen tegengeboekt . Dit in de veronderstelling dat aan het eind van het jaar wederom eenzelfde bedrag aan onderuitputting zal optreden (in=uit gedachte). Hetzelfde geldt voor de daaropvolgende jaren. De combinatie van de toevoeging aan de begrotingen en de ramingstechnische veronderstelling op de aanvullende post algemeen zorgt ervoor dat de eindejaarsmarge ex-ante geen problemen oplevert voor inpassing binnen de ijklijn.

De veronderstelling op de aanvullende post Algemeen is niet taakstellend en wordt niet toegedeeld aan de departementen. Ten aanzien van de uiteindelijke realisatie ligt het ramingsrisico bij de minister van Financiën.

Zorg

Ten behoeve van de wachtlijsten cure is bij de Algemene Politieke Beschouwingen 50 miljoen aan de VWS-begroting toegevoegd. De intentie was deze voor zover mogelijk in 1999 te besteden; het niet bestede deel zou dan worden overgeheveld naar 2000. In 1999 is 8 miljoen beschikbaar gesteld voor hogere productie-afspraken en medisch specialistische hulp. Het restant van 42 miljoen wordt, volgens afspraak, via de reguliere eindejaarsmarge overgeheveld naar 2000 en zal beschikbaar worden gesteld aan ziekenhuizen die met concrete plannen komen voor bedrijfstijdverlenging. Voorts is er sprake van een aantal kleine mutaties op een aantal artikelen, waardoor de begrotingsgefinancierde netto-uitgaven binnen de budgetdisciplinesector Zorg een kleine 0,1 miljard meevallen ten opzichte van de Najaarsnota.

Netto-uitgaven die niet tot het kader behoren

De netto-uitgaven die niet tot het kader behoren vallen ten opzichte van de Najaarsnota 1999 0,3 miljard lager uit. Deze lagere uitgaven zijn vrijwel volledig het gevolg van wel gereserveerde maar niet tot besteding gekomen middelen voor BTW-uitgaven in het openbaar vervoer. Het beroep op deze reservering is zon 0,3 miljard lager uitgekomen dan verwacht. Hier staan overigens ook lagere BTW-ontvangsten tegenover. Op het terrein van de omroepbijdragen zijn de ontvangsten 80 miljoen achtergebleven omdat de tranche december niet is geïnd. Daarnaast zijn door vertraging in een aantal projecten de uitgaven uit het FES voor 1999 bijna 0,1 miljard lager uitgevallen. Naar verwachting zal deze vertraging in latere jaren weer worden ingelopen. Voorts is sprake van diverse kleinere mutaties op een aantal niet-relevante artikelen. De totale ontvangsten

De totale overheidsinkomsten (belastingen, premies en gasbaten) laten naar huidige inzichten een meevaller zien van 5,1 miljard ten opzichte van de Vermoedelijke Uitkomsten. Het karakter van deze meevaller verschilt voor de onderdelen. De meevallers bij de belastingen en gasbaten betreffen de realisatiecijfers op kasbasis. De meevaller bij de premies betreft een raming op transactiebasis. De verwachting is dat de totale inkomstenmeevaller een structurele doorwerking kent van 4,0 miljard. Het incidentele gedeelte bedraagt 1,3 miljard. Daarnaast is er in 1999 een tijdelijke tegenvaller van -0,1 miljard die ten gunste komt van 20001.

Naar aanleiding van het debat over de Najaarsnota 1999 wordt in bijlage 2 een analyse gegeven van de ramingsafwijking voor de belasting- en premieopbrengsten ten opzichte van de Ontwerpbegroting 1999.

Tabel 4: Ontwikkeling voor de overheidsinkomsten (in miljarden guldens)

VU 99

VR 99

Verschil

(1)

(2)

(2-1)

Belastingen

189,4

193,4

4,0

Premies

129,6

130,8*

1,2*

Gasbaten

2,5

2,4


-0,0

Totaal

321,5

326,6

5,1


* Betreft een raming o.b.v. voorlopige inzichten

De belastingontvangsten

In 1999 is in totaal 193,4 miljard aan belasting ontvangen. Ten opzichte van de raming bij Najaarsnota heeft zich een meevaller voorgedaan van 2,5 miljard. Samen met de reeds in de Najaarsnota opgenomen ramingsbijstelling van 1,5 miljard komt de meevaller ten opzichte van de Vermoedelijke Uitkomsten daarmee uit op 4,0 miljard. De analyse van de belastingrealisatie zal verder geschieden ten opzichte van de stand bij Vermoedelijke Uitkomsten.

De meevaller van 4,0 miljard is met name het gevolg van meevallers bij de BPM (0,4 miljard), loonbelasting (0,8 miljard), dividendbelasting (1,6 miljard), en vennootschapsbelasting (0,7 miljard). In bijlage 2 worden de belangrijkste afwijkingen uitvoeriger besproken.

Volgens huidige inzichten in de aard van de realisatie is de verwachting dat de meevaller een structurele doorwerking kent van 2,8 miljard2. Het incidentele gedeelte van de meevaller bedraagt 1,3 miljard. Daarnaast is er een tijdelijke tegenvaller van 0,1 miljard die ten gunste komt van 2000. Hierbij wordt er van uitgegaan dat meevallers in principe structureel zijn tenzij er duidelijke aanwijzingen zijn die wijzen op een tijdelijke of incidentele aard.

Het structurele deel van de tegen- en meevallers wordt samen met nieuwe inzichten in de economische ontwikkeling en de uitvoeringspraktijk verwerkt in de belastingraming bij de Voorjaarsnota 2000.

De premieontvangsten

De premieontvangsten bij de sociale fondsen hebben zich in 1999 gunstig ontwikkeld. Naar de huidige inzichten vallen de premieontvangsten over 1999 per saldo ongeveer 1¼ miljard hoger uit dan bij Miljoenennota 2000 nog werd verwacht. In de Najaarsnota 1999 werd nog een premiemeevaller van 1 miljard geraamd. Bij de premies volksverzekeringen is sprake van een inkomstenmeevaller van 1 miljard ten opzichte van de Miljoenennota 2000, samenhangend met de meevaller bij de loon- en inkomstenbelasting. Bij de werknemerspremies is sprake van een inkomstenmeevaller van ¼ miljard. Deze inkomstenmeevallers hebben met name te maken met het gunstiger economische beeld dan verwacht. De meevaller bij de premieontvangsten is volgens huidige inzichten volledig structureel.

Voor een verdere toelichting over de uitkomsten bij de sociale zekerheidsfondsen wordt verwezen naar de Voorlopige Rekening Sociale Zekerheid en Arbeidsmarkt 1999. Voor de zorgfondsen zijn op dit moment geen nieuwe inzichten beschikbaar. Definitieve inzichten in de premieontvangsten over 1999 komen pas later dit jaar beschikbaar.

Gasbaten

De aardgasbaten3 vallen ten opzichte van de Vermoedelijke Uitkomsten tegen met 39 miljoen. Dit is vooral te wijten aan de zachte winter, terwijl de hogere olieprijs vertraagd doorwerkt in de gasbaten. Ontwikkeling EMU-saldo en EMU-schuld

De (verticale) ontwikkeling van het EMU-saldo 1999

Het EMU-tekort van 0,2% BBP uit de Najaarsnota 1999 is omgeslagen in een EMU-overschot van 0,5% BBP. Deze verbetering wordt vooral veroorzaakt door de belastingontvangsten van het Rijk; de belastingen laten over 1999 een meevaller zien van in totaal 0,5%-punt BBP. De belastingontvangsten op kasbasis komen 2,5 miljard gulden hoger uit (=0,3% BBP). Daarnaast is van belang dat in het EMU-saldo de belastingen niet op kasbasis maar op transactiebasis worden geregistreerd. Hierbij geldt, voor o.a. BTW en loonbelasting, het principe van time-adjusted-cash: de ontvangsten in de maand januari worden toegerekend aan het voorafgaande jaar. Dit leidt ertoe dat op basis van de ontvangsten in januari 2000 de belastingraming voor 1999 ten opzichte van de Najaarsnota 1999 nog eens met 1,5 miljard gulden (=0,2% BBP) opwaarts moet worden bijgesteld. Dit verklaart ook het verschil met het in de brief van 7 januari jl. gemelde overschot van ¼%. Aan de uitgavenkant laten de uitgaven onder het kader Rijksbegroting in enge zin per saldo een meevallende ontwikkeling zien van 0,5 miljard; de uitgaven onder het kader SZA laten een meevaller zien van 0,2 miljard. Tezamen leiden deze meevallers aan de uitgavenkant tot een verbetering van het EMU-saldo met 0,1% BBP.

Het positieve EMU-saldo 1999 is als volgt samengesteld naar subsectoren van de overheid. Het Rijk en de sociale fondsen vertonen tezamen een overschot van 0,2% BBP. De decentrale overheden hebben tezamen een overschot 0,3% BBP. Omdat volgens de Europese regels de ontvangsten van het AOW-spaarfonds tot de ontvangsten van de overheid worden gerekend, leiden de stortingen in het AOW-spaarfonds per saldo niet tot een belasting van het EMU-saldo. In onderstaande tabel wordt daarom ook aangegeven in welke mate het meerekenen van de ontvangsten van het AOW-spaarfonds bijdraagt aan een verbetering van het EMU-saldo.

Tabel 5 Ontwikkeling EMU-saldo 1999 (- is tekort)a

Stand Najaarsnota 1999


-0,2%

Mutatie uitgaven Rijk


+0,1%

Mutatie belastingontvangsten Rijk


+0,5%

Mutatie sociale fondsen


+0,0%

Stand Voorlopige Rekening 1999

(waarvan: Rijk en sociale fondsen)

(waarvan: lokale overheid)


+0,5%

(+0,2%)

(+0,3%)

Tekortbeperkend effect ontvangsten AOW-spaarfonds


+0,6%

EMU-saldo excl. ontvangsten AOW-spaarfonds


-0,1%

aAls gevolg van afronding kan de som der delen 0,1 afwijken van het totaal

De (horizontale) ontwikkeling van de EMU-schuld 1999

De EMU-schuld bedroeg ultimo 1999 in totaal 519 miljard gulden = 63,8% BBP. Ultimo 1998 bedroeg de EMU-schuld bijna 520 miljard gulden = 67,0% BBP. De EMU-schuld is dus niet alleen in %-BBP gedaald (-3,2%-punt), maar ook in nominale termen. In totaal daalt de EMU-schuld van ultimo 1998 naar ultimo 1999 met een kleine miljard gulden. Deze schulddaling is als volgt verdeeld over de overheid: de schuld van het Rijk en de sociale fondsen is met 1,7 miljard gulden toegenomen (bij een begrotingsoverschot van 0,2% BBP) en de schuld van de decentrale overheid is met 2,5 miljard gulden gedaald (bij een begrotingsoverschot van 0,3% BBP).

EMU-saldo en EMU-schuld

Sinds 1992 hanteren alle EU-landen het EMU-saldo als voornaamste definitie voor het financiële saldo, en de EMU-schuld als voornaamste definitie van de schuld van de overheid.

De begrippen EMU-saldo en EMU-schuld hebben betrekking op het saldo en de schuld van de gehele overheid. Zowel Rijk, sociale fondsen als decentrale overheden maken hier deel van uit.

Verder geldt dat het EMU-saldo in transactiebasis luidt. Dat wil zeggen dat uitgaven en ontvangsten in beginsel worden toegerekend aan het jaar waarop ze betrekking hebben. In de praktijk geldt voor veel uitgaven en ontvangsten dat uitgaven en ontvangsten op kasbasis ongeveer gelijk zijn aan de uitgaven en ontvangsten op transactiebasis. In deze gevallen is de kas bepalend bij de berekening bij de berekening van het EMU-saldo. Voor enkele grote posten, waaronder rente-uitgaven, sociale premies en belastingontvangsten, kan wel sprake zijn van een belangrijk verschil tussen kasbasis en transactiebasis. Voor deze posten wordt een kas-transverschil berekend en in het EMU-saldo verwerkt.

De kas-transverschillen zijn één van de oorzaken voor het feit dat het EMU-saldo niet per definitie gelijk is aan de ontwikkeling van de EMU-schuld. Een andere oorzaak van aansluitverschillen zijn de aan- en verkopen van staatsbezit. In de definitie van het EMU-saldo zijn uitgaven en ontvangsten die betrekking hebben op de aan- en verkoop van staatsbezit niet relevant. Deze aan- en verkopen leiden echter wel tot mutaties op kasbasis die van invloed zijn op de EMU-schuld. Dit geldt ook voor andere vormen van financiële transacties (zoals het verstrekken van leningen door de overheid). Voorts is van belang dat de EMU-schuld een bruto schuldbegrip is. Dit betekent onder meer dat mutaties in de vorderingen van de overheid niet van invloed zijn op de EMU-schuld. Overschotten die leiden tot hogere vorderingen hebben geen effect op de schuld.

Als gevolg van bovengenoemde factoren is in 1999 een aansluitverschil opgetreden tussen het EMU-saldo en de ontwikkeling van de EMU-schuld: er is sprake van een overschot van 4,4 miljard, terwijl de nominale schuld slechts met bijna 1 miljard daalt.

De Minister van Financiën,

BIJLAGE 1

Budgettaire kerngegevens 1999

Miljoenennota 1999

Voorjaarsnota 1999

Vermoedelijke Uitkomsten

1999

Najaarsnota 1999

Voorlopige Rekening 1999

Netto begrotingsgefinancierde uitgaven

van de collectieve sector (in mrd.)

Netto-uitgaven Rijksbegroting in enge zin


-173,8


-172,2


-172,5


-172,4


-171,9

Netto-uitgaven Sociale Zekerheid en Arbeidsmarkt


-26,4


-26,9


-26,4


-26,3


-26,0

Netto-uitgaven Zorg


-1,5


-1,9


-2,0


-1,8


-1,8

Netto-uitgaven die niet tot het kader behoren


-2,8


-3,0

5,9

6,6

7,0

Totale netto-uitgaven


-204,5


-203,9


-195,0


-193,8


-192,7

Vorderingensaldo centrale overheid (in mrd.)

Netto begrotingsgefinancierde uitgaven


-204,5


-203,9


-195,0


-193,8


-192,7

Belastingen

186,2

185,3

189,4

190,9

193,4

Uitgavenreserve


-0,3





KTV rente



-1,1


-2,6


-6,7


-6,5

Agentschapsrekeningen



-0,7


-7,5


-7,5


-7,0

Feitelijk financieringssaldo


-18,5


-20,5


-15,8


-17,2


-12,8

Financiële transacties en KTVs

0,5

1,2

2,2

5,6

7,1

Vorderingensaldo centrale overheid


-18,0


-19,3


-13,6


-11,6


-5,7

Idem in % BBP


-2,3%


-2,5%


-1,7%


-1,4%


-0,7%

EMU-saldo (in % BBP)

Vorderingensaldo centrale overheid


-2,3%


-2,5%


-1,7%


-1,4%


-0,7%

Vorderingensaldo sociale fondsen

0,8%

0,6%

0,8%

0,9%

0,9%

Vorderingensaldo lokale overheid

0,2%

0,2%

0,3%

0,3%

0,3%

EMU-saldo


-1,3%


-1,7%


-0,6%


-0,2%

0,5%

Geharmoniseerd BBP

780,4

771,6

810,4

810,4

813,2

BIJLAGE 2 Analyse ontvangsten 1999

Inleiding

De raming bij Vermoedelijke Uitkomsten is mede gebaseerd op het economisch beeld van de Macro Economische Verkenning (MEV) van het CPB. De economie heeft zich echter gunstiger ontwikkeld dan bij MEV werd verondersteld. Dit heeft tot inkomstenmeevallers geleid ten opzichte van de Vermoedelijke Uitkomsten.

Het totaal van belastingen, premies en aardgasbaten laten naar huidige inzichten een meevaller zien van 5,1 miljard ten opzichte van de Vermoedelijke Uitkomsten. Bij de belastingontvangsten en de aardgasbaten betreft het realisatiecijfers op kasbasis (over kalenderjaar 1999). Bij de premies betreft het een raming op transactiebasis (premie-ontvangsten die betrekking hebben op belastingjaar 1999).

Naar huidige inzichten in de aard van de afwijkingen is de verwachting dat de totale inkomstenmeevaller een structurele doorwerking kent van 4,0 miljard. Het incidentele gedeelte bedraagt 1,3 miljard. Daarnaast is er een tijdelijke tegenvaller van 0,1 miljard die ten gunste komt van 2000.

Tabel 1: Ontwikkeling van de overheidsinkomsten (in miljarden guldens)

VU 99

VR 99

Verschil

w.v. structurele doorwerking

(1)

(2)

(2-1)

Belastingen

189,4

193,4

4,0

2,8

Premies

129,6

130,8*

1,2*

1,2

Gasbaten

2,5

2,4


-0,0

0,0

Totaal

321,5

326,6

5,1

4,0


* betreft een raming o.b.v. voorlopige inzichten Financiën/CPB/SZW

In deze bijlage worden deze meevallers voor de verschillende ontvangsten toegelicht. De nadruk ligt daarbij op de belastingontvangsten.


1. Analyse belastingontvangsten 1999

Inleiding

De realisatie van de belastingontvangsten in 1999 is 2,5 miljard hoger uitgekomen dan geraamd bij Najaarsnota 1999. Bij de Najaarsnota is reeds een ramingsbijstelling van 1,5 miljard opgenomen ten opzichte van de Vermoedelijke Uitkomsten 1999 (Miljoenennota 2000). Ten opzichte van de Vermoedelijke Uitkomsten zoals vermeld in de jongste Miljoenennota komt de realisatie derhalve 4,0 miljard hoger uit.

Deze meevaller van 4,0 miljard is met name het gevolg van meevallers bij de BPM (0,4 miljard), loonbelasting (0,8 miljard), dividendbelasting (1,6 miljard), en vennootschapsbelasting (0,6 miljard). In tabel 1 wordt een compleet overzicht gegeven.

Tabel 1 belastingopbrengsten op kasbasis voor 1999 (in miljarden)

Mutatie na

Ontwerp-

Vermoedelijke

Voorlopige

Vermoedelijke

begroting

Voorjaarsnota

Uitkomsten

Rekening

Uitkomsten

Kostprijsverhogende belastingen

98,5

99,6

101,5

102,1

0,6

Invoerrechten

3,5

3,2

3,4

3,4

0,0

Omzetbelasting

56,7

57,5

58,0

58,0

0,0

Belasting op personenauto's en motorrijwielen

5,1

5,0

5,8

6,2

0,4

Accijnzen

16,9

16,5

16,8

16,9

0,1

Belastingen van rechtsverkeer

6,6

7,1

7,5

7,6

0,1

Motorrijtuigenbelasting

3,9

4,3

4,5

4,4


-0,1

Verbruiksbelasting op een milieugrondslag

5,2

5,3

4,9

4,9

0,0

Verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken en van enkele andere producten

0,5

0,4

0,4

0,5

0,0

Belasting op zware motorrijtuigen

0,2

0,2

0,2

0,2

0,0

Belastingen op inkomen, winst en vermogen

87,6

85,6

87,9

91,3

3,4

Inkomstenbelasting


-0,8


-2,3


-2,9


-2,6

0,3

Loonbelasting

46,4

46,2

47,1

47,9

0,8

Dividendbelasting

3,7

4,0

5,0

6,7

1,6

Kansspelbelasting

0,2

0,2

0,3

0,3

0,0

Vennootschapsbelasting

34,2

33,3

33,9

34,5

0,6

Vermogensbelasting

1,5

1,5

1,7

1,7

0,0

Successierechten

2,3

2,6

2,8

2,8

0,1

Niet nader toe te rekenen belastingontvangsten

0,1

0,1

0,1

0,1

0,0

Totaal belastingen

186,2

185,3

189,4

193,4

4,0

Voor de belastingraming 2000 is het van belang om aan te geven welk deel van de tegen- en meevallers structureel doorwerkt naar 2000. Volgens huidige inzichten in de aard van de realisatie 1999 is de verwachting dat de meevaller een structurele doorwerking kent van 2,8 miljard. Het incidentele deel van de meevaller bedraagt 1,3 miljard. Daarnaast is er sprake van een tijdelijke tegenvaller van 0,1 miljard. Tabel 2 geeft een overzicht van de aard van de afwijking per belastingsoort.

Tabel 2: Karakter van de afwijkingen per belastingsoort (in miljarden)

structureel

incidenteel

tijdelijk

Totaal

Kostprijsverhogende belastingen

0,7

0,0


-0,1

0,6

Omzetbelasting

0,0

0,0

0,0

0,0

Belasting op personenauto's en motorrijwielen

0,4

0,0

0,0

0,4

Accijnzen

0,1

0,0

0,0

0,1

Belastingen van rechtsverkeer

0,2

0,0


-0,1

0,1

Motorrijtuigenbelasting


-0,1

0,0

0,0


-0,1

Overig

0,0

0,0

0,0

0,0

Belastingen op inkomen, winst en vermogen

2,0

1,4

0,0

3,4

Inkomstenbelasting

0,1

0,2

0,0

0,3

Loonbelasting

0,8

0,0

0,0

0,8

Dividendbelasting

0,7

0,9

0,0

1,6

Vennootschapsbelasting

0,3

0,3

0,0

0,6

Overig

0,1

0,0

0,0

0,1

Totaal belastingen

2,8

1,3


-0,1

4,0

Noot: + betekent hogere belastingen dan geraamd bij Miljoenennota 2000

Bij bovenstaande verdeling van de aard van de doorwerking per belastingsoort in structureel, tijdelijk en incidenteel past de volgende kanttekening. Standaard wordt het gedeelte van een mee- of tegenvaller dat niet tijdelijk of incidenteel is, als structureel aangemerkt. De structurele doorwerking van mee- en tegenvallers betekent niet dat dit een navenante bijstelling betekent voor de totale belastingramingen in latere jaren. Het betekent slechts dat het uitgangsniveau waarop toekomstige ramingen worden gebaseerd op een structureel gewijzigd niveau komen te liggen. Afhankelijk van mutaties in het economisch beeld kan dit basiseffect in de ramingen vervolgens gaan veranderen. Voor een integraal nieuw beeld van de belastingontvangsten 2000, moet daarom gewacht worden tot het Centraal Economisch Plan 2000.

In het vervolg van deze bijlage wordt eerst ingegaan op de meevaller ten opzichte van de raming bij de Miljoenennota 2000. Gegeven de omvang wordt daarbij allereerst ingegaan op de afwijking bij de dividendbelasting en daarna op de belangrijkste tegen- en meevallers bij de andere belastingsoorten. Bij de behandeling van de Najaarsnota heeft de Tweede Kamer gevraagd om een toelichting op de bijstelling van de belastingraming voor 1999 tussen de Miljoenennota 1999 (Ontwerpbegroting) en de Miljoenennota 2000 (Vermoedelijke Uitkomsten). Aan het eind van deze bijlage wordt hieraan gevolg gegeven.


1.a. De dividendbelasting

Inleiding

De realisatie van de dividendbelasting is in 1999 1,6 miljard hoger uitgekomen dan geraamd bij Vermoedelijke Uitkomsten. De aanzienlijke stijging in 1997 en 1998, heeft zich voortgezet in 1999: in drie jaar tijd is de dividendbelasting toegenomen van 2,3 miljard in 1996 tot 6,6 miljard in 1999. In figuur 1 wordt de endogene groei van de dividendbelasting in beeld gebracht. Na een jarenlange schommelende groei loopt de dividendbelasting na 1996 ineens sterk op.

Figuur 1: Endogene groei dividendbelasting (in procenten van totale opbrengst dividendbelasting)

Verschil raming en realisatie

Er zijn drie redenen te onderscheiden waarom de groei van de dividendbelasting hoger is dan verwacht. 1) Een incidentele zeer grote dividend uitkering van een grote aan de beurs genoteerde onderneming 2) Grotere ontvangsten dividendbelasting van houders van een aanmerkelijk belang (ABers). 3) Economische groei en dividendbeleid.

Dit jaar heeft een grote beursgenoteerde onderneming incidenteel een zeer hoog dividend uitgekeerd aan de aandeelhouders. De extra belastingopbrengsten als gevolg van dit hoge dividend (een saldo van ontvangsten en teruggaven) zijn aanvankelijk ingeschat op 0,5 miljard. Uit nadere informatie is gebleken dat per saldo de extra opbrengsten circa 1,2 miljard bedragen. Ten opzichte van de verwachte opbrengst bij Miljoenennota betekent dit een incidentele meevaller van 0,7 miljard.

De ontvangen dividendbelasting van houders van een aanmerkelijk belang is met circa 0,2 miljard gestegen ten opzichte van 1998. Met deze stijging was bij de Miljoenennota geen rekening gehouden. Een mogelijke verklaring zou kunnen zijn dat directeur grootaandeelhouders (AB'ers die invloed hebben op het dividendbeleid) hebben geanticipeerd op het oorspronkelijke voornemen in de belastingherziening 2001 om het tarief in box 2 (aanmerkelijk belang) te bepalen op 30%. Uiteindelijk is het tarief in box 2 vastgesteld op 25%, maar mogelijkerwijs heeft deze groep op basis van de oorspronkelijke voornemens besloten om nog onder het huidige regime extra dividend uit te keren. Momenteel geldt voor uitgekeerd dividend uit het aanmerkelijk belang, dat de dividendbelasting met een tarief van 25% materieel eindheffing is. Uit het oogpunt van behoedzaamheid is deze meevaller daarom incidenteel verondersteld.

In 1998 was er sprake van aanzienlijke dividendbelastingontvangsten van houders van een aanmerkelijk belang. Toen is 0,3 miljard (afgerond) van deze opbrengsten incidenteel verklaard. Gezien het hoge niveau van ontvangsten in 1999 moet worden geconcludeerd dat deze ontvangsten waarschijnlijk toch structureel zijn. Hoewel dit met de nodige onzekerheid is omgeven omdat moeilijk is vast te stellen hoe groot de eerder genoemde anticipatie-effecten zijn.

Circa 0,5 miljard (afgerond) van de meevaller is het gevolg van de voorspoedige economische ontwikkeling in 1999. Conform de gebruikelijke systematiek wordt deze bijstelling structureel verondersteld.


1.b. Overige belastingsoorten

Belasting op personenautos en motorrijwielen (BPM)

De BPM komt 0,4 miljard hoger uit dan geraamd werd ten tijde van de Miljoenennota 2000. Deze ontwikkeling kan worden verklaard door de hogere autoverkopen dan geraamd. Bij de Miljoenennota werd uitgegaan van een verkoop van 592 duizend stuks in 1999, en stijging met 9,1% ten opzichte van 1998. Volgens de gegevens van de RAI zijn er in 1999 echter 612 duizend stuks verkocht, 12,7% meer dan in 1998. Voorts werd in de raming uitgegaan van een gemiddelde prijsstijging van 2%. Volgens de RAI steeg de gemiddelde prijs van autos vorig jaar met 3%. Gezamenlijk verklaren deze afwijkingen het grootste deel van de meevaller. De doorwerking van deze overschrijding is structureel verondersteld.

Accijnzen

De realisatie van de accijnzen is 0,1 miljard hoger uitgekomen dan bij Miljoenennota werd geraamd. Bij Najaarsnota werd nog uitgegaan van een lichte tegenvaller van 0,1 miljard, hetgeen in lijn was met de kasrealisaties van het laatste halfjaar. In de laatste maand van 1999 is de tegenvaller echter omgeslagen in kleine meevaller. Dit wordt hoofdzakelijk veroorzaakt door de tabaksaccijns, waarvan de ontvangsten 0,2 miljard boven de raming lagen. Gegevens over de verstrekte tabakszegels in 1999 wijzen op een tamelijk forse groei van de sigaretten- en tabaksverkopen (ca. 5%). In de raming was uitgegaan van een endogene groei van 2%. Er zijn geen aanwijzingen dat proceswijzigingen hebben bijgedragen aan de meevaller bij de Tabaksaccijns. De realisaties van de accijns op lichte olie, de accijns op minerale oliën en de alcoholaccijns zijn nagenoeg conform de raming uitgekomen. Verondersteld wordt dat de doorwerking van de meevaller bij de accijnzen volledig structureel is.

Belastingen van rechtsverkeer

De Belastingen van rechtsverkeer komen 0,1 miljard hoger uit dan geraamd bij de Miljoenennota 2000. Deze meevaller is het saldo van een meevaller bij de overdrachtsbelasting (0,2 miljard) en een tegenvaller bij de assurantiebelasting (-0,1 miljard).

Bij de Miljoenennota 2000 werd voor de huizenmarkt nog uitgegaan van een gemiddelde prijsstijging van 10,7% en een volumemutatie van 7,5% in 1999. Gezamenlijk resulteerde dit in een geraamde grondslagontwikkeling van 18,9%. Omdat de kasrealisaties in de eerste helft van 1999 lager waren dan kon worden verwacht op basis van de geraamde grondslagontwikkeling werd de jaarraming hiervoor neerwaarts gecorrigeerd. Per saldo werd bij Miljoenennota 2000 uitgegaan van een endogene groei van 14,8% ten opzichte van 1998. Inmiddels blijkt, op basis van gegevens van het Kadaster, dat de gemiddelde prijsstijging 15,7% bedraagt terwijl de volumemutatie 3,4% bedraagt. Dit resulteert in een grondslagontwikkeling van ca. 19,5%. Bovendien blijkt dat de kasontwikkeling in de tweede helft van 1999 bovengemiddeld goed was. Tezamen verklaren deze ontwikkelingen de meevallende ontvangst in 1999. De doorwerking van deze overschrijding is structureel zo is aangenomen. De samenhang tussen de ontwikkeling van de totale verkoopwaarde van particuliere woningen en de overdrachtsbelasting is geïllustreerd in figuur 1.

Figuur 1: Ontwikkeling totale verkoopwaarde particuliere woningen en overdrachtsbelasting (jaarlijkse mutatie in %)

De tegenvaller bij de assurantiebelasting is opvallend. De opbrengst in 1999 is met 8,9% afgenomen ten opzichte van 1998. De afgelopen vijf jaar liet deze belastingsoort een tamelijk stabiele groei zien van gemiddeld 5% per jaar. Gegevens van de Belastingdienst over het aanslagproces geven geen aanleiding om te veronderstellen dat de grondslagontwikkeling in 1999 minder was dan in voorgaande jaren. Ook vanuit de verzekeringswereld zijn er geen signalen die wijzen op achtergebleven omzetten. Daarom wordt vooralsnog verondersteld dat de tegenvaller bij de assurantiebelasting het gevolg van een eenmalige kasvertraging, en dus tijdelijk van karakter.

Motorrijtuigenbelasting

De realisatie van de Motorrijtuigenbelasting is 0,1 miljard lager uitgekomen dan geraamd ten tijd van de Miljoenennota 2000. In de raming was uitgegaan van een endogene groei van 5,5%, aanmerkelijk lager dan de groei van 14,0% in 1998. Ervan uitgaande dat de tegenvaller volledig endogeen van aard is zou de endogene groei in 1999 uitkomen op 2,7%. Dit is relatief weinig gezien de sterke groei van het bestand aan autos. Het MRB-wagenpark is in de periode van 30-6-98 tot 30-6-99 gegroeid met 3,8% van 6.852.000 naar 7.114.000 voertuigen. Een deel van de tegenvallende ontwikkeling kan worden verklaard door toenemend gebruik van automatische incasso (toename van 43% naar 48%). Dit levert een klein incidentele tegenvaller als gevolg van een latere betaaldatum op van ca.30 mln in 1999. Voor het overige zijn er geen aanwijzingen dat de tegenvaller bij de MRB veroorzaakt wordt door incidentele of tijdelijke factoren. Het restant van de tegenvaller is daarom structureel verondersteld.

Belasting op milieugrondslag

Bij de belastingen op een milieugrondslag zijn de totale kasrealisaties vrijwel gelijk aan de raming ten tijde van de Miljoenennota. Deze ontwikkeling is echter het saldo van een kleine meevaller bij de regulerende energiebelasting van 0,1 miljard en een tegenvaller bij de brandstoffenheffing van 0,1 miljard. Na aanvankelijk een onderschrijding in de eerste paar maanden van het jaar zijn de opbrengsten bij de regulerende energiebelasting uiteindelijk hoger uitgevallen dan de raming. De opbrengsten bij de grondwater- en afvalstoffenbelasting zijn nagenoeg conform de ramingen verlopen. De tegenvaller bij de brandstoffenheffing wordt met name veroorzaakt tegenvallers bij de verbruiksbelastingen op gas en op kolen. De tegenvaller bij de verbruiksbelasting op gas hangt mogelijk samen met een lager dan verwacht energieverbruik vanwege de relatief warme winter in 1999. De raming van de Regulerende energiebelasting was reeds bij de Miljoenennota 2000 uit hoofde hiervan neerwaarts aangepast. Bij de verbruiksbelasting op gas was dit nog niet gebeurd. Voorts zou de tegenvaller bij de verbruiksbelastingen op gas en kolen kunnen samenhangen met een toenemende import van elektriciteit. Verondersteld wordt dat de afwijkingen bij de belastingen op milieugrondslag een structureel karakter hebben.

Inkomstenbelasting

De inkomstenbelasting (IB) valt 0,3 miljard mee ten opzichte van de raming bij Vermoedelijke Uitkomsten. Deze meevaller is het saldo van minder Voorlopige teruggaven dan geraamd en een nabetaling enerzijds en van tegenvallende positieve aanslagen over 1999 en tegenvallende kasontvangsten over 1998 anderzijds.

De invoer van de Voorlopige Teruggaaf in 1999 heeft een belangrijke invloed gehad op de IB-ontvangsten in 1999. De teruggaven werden hierdoor per saldo groter dan de ontvangsten, waardoor de IB-ontvangsten in 1999 voor het eerst negatief waren (-2,6 miljard). Uiteraard stond hier een even grote plus tegenover bij de loonbelasting vanwege het vervallen van de loonbeschikking. Halverwege 1999 bleek dat het effect van de Voorlopige Teruggaaf te laag was ingeschat, waardoor IB-opbrengsten achterbleven ten opzichte van de verwachtingen. Bij Vermoedelijke Uitkomsten is de raming hiervoor met 0,6 miljard neerwaarts aangepast. Naar nu blijkt is deze correctie te fors geweest, waardoor een structurele meevaller resulteert van 0,4 miljard. Voorts was in de raming bij Vermoedelijke Uitkomsten geen rekening gehouden met een nabetaling van de Sociale Fondsen aan het Rijk vanwege de definitieve afrekening over transactiejaar 1995. Deze nabetaling bedraagt 0,2 miljard, en resulteert in een incidentele meevaller bij de IB (en een even grote tegenvaller bij de premies Volksverzekeringen).

Tegenover deze meevallers staat een tegenvallende kasontvangst uit positieve aanslagen over 1999. Deze tegenvaller is het gevolg van een minder gunstige grondslagontwikkeling bij particuliere belastingplichtigen dan in de raming werd verwacht. De tegenvaller van
-0,2 miljard die hieruit volgt is structureel van aard. Tenslotte is er sprake van tegenvallende kasontvangsten uit 1998. Deze tegenvaller (-0,1 miljard) is waarschijnlijk het gevolg van een toenemend gebruik van aftrekposten en is structureel van aard.

Per saldo resulteren bovenstaande ontwikkelingen in een structurele meevaller van 0,1 miljard en een incidentele meevaller van 0,2 miljard bij de IB.

Loonbelasting

De loonbelasting (LB) valt 0,8 miljard mee ten opzichte van de raming bij Vermoedelijke Uitkomsten. Deze meevaller is het gevolg van een meevaller van 0,5 miljard over transactiejaar 1999 en een meevaller van 0,3 miljard over oudere transactiejaren. Wat betreft de meevaller over 1999 is het opvallend dat deze meevaller niet reeds bij Miljoenennota 2000 was voorzien. Dit heeft te maken met het afschaffen van de loonbeschikking in 1999. Hierdoor week het ontvangstenpatroon af van de patronen uit voorgaande jaren. De kasmeevaller werd daardoor pas in de laatste maanden van 1999 zichtbaar. Voorts speelt een rol dat het niveau van de loonbeschikkingen in 1998 hoger was dan in de raming was verwerkt. Daardoor viel de meeropbrengst van het afschaffen van de loonbeschikking in 1999 eveneens hoger uit dan verwacht. Een andere factor die heeft bijgedragen aan de meevaller bij de loonbelasting is het lager dan geraamde gebruik van afdrachtsverminderingen. Dit gold met name voor de afdrachtsverminderingen Onderwijs en Speur- en Ontwikkelingswerk. Het resterende deel van de meevaller wordt toegeschreven aan een meevallende endogene ontwikkeling in 1999. Gegeven deze bovenstaande oorzaken is de meevaller over 1999 volledig structureel. Wat betreft de meevallers over 1998 en oudere jaren zijn er evenmin redenen om te veronderstellen dat incidentele factoren een rol spelen. Ook voor die jaren wordt dus verondersteld dat de meevaller volledig structureel is.

Vennootschapsbelasting

De vennootschapsbelasting (Vpb) laat een meevaller zien van 0,6 miljard ten opzichte van raming bij de Miljoenennota 2000. Deze kasmeevaller is het saldo van een tegenvaller van 1,2 miljard over transactiejaar 1998 (T-1) en een meevaller van 1,8 miljard over transactiejaar 1999 (T).

De tegenvaller uit 1998 leidt tot een evenredige neerwaartse aanpassing van de transactieraming voor dat jaar en tot een structurele tegenvaller. Het is onwaarschijnlijk dat de opbrengst in latere kasjaren de tegenvaller ongedaan zullen maken. Oorzaak van de tegenvaller is waarschijnlijk gelegen in een naar nu blijkt onjuiste inschatting van de relatief goede ontwikkeling in 1998. De relatief hoge kasontvangst uit 1998 (T) werd toen toegeschreven aan het gunstige economische klimaat, en werd daarom structureel doorgetrokken. Naar nu blijkt heeft het streven van de Belastingdienst om meer belastingopbrengsten te genereren in het jaar waarin de winsten worden genoten een belangrijke rol gespeeld. Door deze procesversnelling zijn inkomsten in de tijd naar voren gehaald waardoor kasjaar T meeviel en kasjaar T-1 tegenviel. Deze procesversnelling heeft slechts een incidenteel positief effect op de belastingopbrengsten, in plaats van het veronderstelde structurele effect.

De meevaller uit 1999 is ten dele het gevolg zijn van een voortgaande procesversnelling door de Belastingdienst, maar hangt ook samen met de economische ontwikkeling. De verwachting is dat de voortgaande procesversnelling bij de Belastingdienst heeft geresulteerd in incidentele meevaller van 0,3 miljard. Het resterende deel van de meevaller (1,5 miljard) kan worden toegeschreven aan een beter dan verwachte winstontwikkeling.

Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat de meevaller bij de Vpb voor 0,3 miljard incidenteel van aard is en voor 0,3 miljard structureel.

Successierechten

Bij de successierechten liggen de ontvangsten 0,1 miljard hoger dan geraamd in de Miljoenennota 2000. De successierechten maken al enige jaren een vrij forse groei door. De gemiddelde endogene groei vanaf 1996 bedraagt 14,7% (15,0% in 1999). Voor 1999 was in de Miljoenennota 2000 rekening gehouden met een groei van 11,8%. Verondersteld wordt dat het karakter van deze meevaller structureel is.


2. Premieontvangsten

De premieontvangsten bij de sociale fondsen hebben zich in 1999 gunstig ontwikkeld. Deze inkomstenmeevaller van 1¼ miljard bij de sociale premies heeft vooral te maken met het gunstiger economische beeld dan verwacht. Hierdoor vallen de premiegrondslagen groter uit.

Naar de huidige inzichten vallen de premieontvangsten over 1999 per saldo ongeveer 1¼ miljard hoger uit dan bij Miljoenennota 2000 nog werd verwacht, terwijl in de Najaarsnota 1999 nog een premiemeevaller van 1 miljard werd geraamd. Bij de volksverzekeringen is sprake van een inkomstenmeevaller van 1 miljard ten opzichte van de Miljoenennota 2000, samenhangend met de meevaller bij de loon- en inkomstenbelasting. Hiervan slaat naar verwachting ¾ miljard neer bij de sociale zekerheidsfondsen (AOW en ANW) en ¼ miljard bij de AWBZ. Bij de werknemerspremies is sprake van een inkomstenmeevaller van ¼ miljard ten opzichte van de Miljoenennota 2000.

Voor een verdere toelichting over de uitkomsten bij de sociale zekerheidsfondsen wordt verwezen naar de Voorlopige Rekening Sociale Zekerheid en Arbeidsmarkt 1999. Voor de zorgfondsen zijn op dit moment geen nieuwe inzichten beschikbaar. Definitieve inzichten in de premieontvangsten over 1999 komen pas later dit jaar beschikbaar.


3. Aardgasbaten

Ondanks de hogere olieprijs vallen de aardgasbaten (niet-belastingontvangsten excl. Common Area-baten en excl. FES) ten opzichte van de Vermoedelijke Uitkomsten tegen met 39 miljoen. Deze tegenvaller houdt nauw verband met de zachte winter.

Tabel 3 belastingopbrengsten op kasbasis voor 1999 (in miljoenen)

Mutatie na

Voorlopige

Vermoedelijke

Ontwerp-

begroting

Voorjaarsnota

Vermoedelijke

Uitkomsten

Voorlopige

Rekening

Vermoedelijke

Uitkomsten

Kostprijsverhogende belastingen

98 530

99 635

101 458

102 050

592

Invoerrechten

3 510

3 205

3 355

3 385

30

Omzetbelasting

56 655

57 515

58 000

58 010

10

Belasting op personenauto's en motorrijwielen

5 100

5 000

5 805

6 232

427

Accijnzen

16 875

16 545

16 765

16 865

100


- Accijns van lichte olie (benzine)

7 015

6 990

7 005

6 940


- 65


- Accijns van minerale oliën, andere dan lichte olie (diesel)

4 625

4 460

4 505

4 566

61


- Tabakaccijns

3 270

3 285

3 315

3 532

217


- Alcoholaccijns

965

905

890

845


- 45


- Bieraccijns

625

610

655

616


- 39


- Wijnaccijns (incl. overige accijnzen)

375

295

395

367


- 28

Belastingen van rechtsverkeer

6 640

7 145

7 505

7 637

132


- Overdrachtsbelasting

4 860

5 245

5 645

5 859

214


- Assurantiebelasting

1 200

1 235

1 195

1 083


- 112


- Kapitaalbelasting

580

665

665

696

31

Motorrijtuigenbelasting

3 860

4 320

4 470

4 359


- 111

Belasting op een milieugrondslag

5 230

5 260

4 913

4 888


- 25


- Grondwaterbelasting

335

320

344

328


- 16


- Afvalstoffenbelasting

235

205

225

211


- 14


- Regulerende energiebelasting

3 245

3 315

2 902

3 003

101


- Verbruiksbelasting op brandstoffen

1 415

1 420

1 442

1 345


- 97

Verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken en van enkele andere producten

450

435

435

460

25

Belasting op zware motorrijtuigen

210

210

210

214


Belastingen op inkomen, winst en vermogen

87 590

85 575

87 874

91 275

3 401

Inkomstenbelasting


- 780


-2 265


-2 901


-2 609

292

Loonbelasting

46 385

46 170

47 142

47 905

763

Dividendbelasting

3 725

3 960

5 030

6 660

1 630

Kansspelbelasting

240

245

255

262


Vennootschapsbelasting

34 180

33 305

33 903

34 490

587

Vermogensbelasting

1 525

1 530

1 680

1 723

43

Successierechten

2 315

2 630

2 765

2 844

79

Niet nader toe te rekenen belastingontvangsten

90

85

90

68


-22

Totaal belastingen

186 210

185 295

189 422

193 393

3 971

BIJLAGE 3 Afwijking van de Voorlopige Rekening ten opzichte van de Ontwerpbegroting

In het debat over de Najaarsnota 1999 is een analyse gevraagd van de ramingsafwijking voor de belasting- en premieontvangsten bij de Ontwerpbegroting 1999 en de realisaties over 1999. In deze bijlage zal nader worden ingegaan op de ramingsbijstellingen tussen de Ontwerpbegroting (Miljoenennota 1999) en de Vermoedelijke Uitkomsten (Miljoenennota 2000) en de aansluiting met de realisaties over 1999.

Voordat nader op de bijstellingen van de tussenliggende ramingen wordt ingegaan, wordt eerst een beeld geschetst van de informatie die op de verschillende begrotingsmomenten beschikbaar is en derhalve de basis vormt van de ramingen. Vervolgens zal worden aangegeven welk deel van de betreffende bijstellingen in de belastingramingen kan worden toegeschreven aan autonome maatregelen en endogene factoren. Onder autonome maatregelen worden alle ontwikkelingen verstaan die direct kunnen worden afgeleid uit het kabinetsbeleid. Endogene bijstellingen zijn het gevolg van mutaties in het economisch beeld of gedragseffecten van belastingplichtigen.

Informatie bij begrotingsmomenten

In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de prognoses van het Centraal Plan Bureau (CPB) inzake het bijbehorend economisch beeld die bij de verschillende ramingsmomenten beschikbaar zijn.

Tabel 1 Overzicht begrotingsmoment en bijbehorende prognoses CPB

Tijdstip

Begrotingsmoment

Economisch beeld

September 1998

Ontwerpbegroting

MEV 1999

April 1999

Voorjaarsnota

CEP 1999

September 1999

Vermoedelijke Uitkomsten

MEV 2000

Op basis van de besluitvorming over de begroting en de prognoses van het CPB over het macro-economisch beeld in de MEV 1999 wordt de ontwerpbegroting 1999 in september 1998 aan de Tweede Kamer verzonden. Lopende het jaar 1999 wordt de begroting nog tweemaal geactualiseerd, te weten bij Voorjaarsnota en daarna bij Vermoedelijke Uitkomsten. Daarnaast wordt bij de Najaarsnota een inschatting gegeven van de verwachte afwijking ten opzichte van de Vermoedelijke Uitkomsten. Het economisch beeld in het CEP en de doorwerking van de realisaties van het voorafgaand jaar (zoals vermeld in de Voorlopige Rekening) vormen de basis voor de ramingsbijstelling bij Voorjaarsnota. Bij Vermoedelijke Uitkomsten vormen de kasrealisatiecijfers over het eerste halfjaar een aanvullende belangrijke bron van informatie, naast het economisch beeld in de MEV 2000. Daarnaast verschaffen gegevens over de aanslagoplegging additionele informatie over het kaspatroon van de belastingontvangsten in de tweede helft van het jaar. Bij de Voorlopige Rekening wordt tenslotte ingegaan op de afwijkingen van de realisaties ten opzichte van de raming bij Vermoedelijke Uitkomsten.

Zoals reeds eerder vermeld, kunnen ramingsbijstellingen worden onderverdeeld in een autonome en een endogene component. In de volgende paragraaf zullen allereerst de autonome ramingsbijstellingen worden toegelicht. Vervolgens zullen de endogene ramingsbijstellingen aan bod komen.

Autonome ramingsbijstellingen

Autonome ramingsbijstellingen zijn het gevolg van wijzigingen in het (fiscaal) beleid of in het uitvoeringsproces van de Belastingdienst. In de regel zijn autonome bijstellingen lopende het begrotingsjaar relatief beperkt omdat het beleid grotendeels ongewijzigd blijft na het opstellen van de Ontwerpbegroting. In onderstaande figuur zijn de autonome ramingsbijstellingen tussen de begrotingsmomenten weergegeven. De bijstellingen zijn uitgedrukt als percentage van de meest recente raming van de totale belastingontvangsten.

Figuur 1 Autonome ramingsbijstellingen (in % van totale belastingontvangsten)

De eerste staaf heeft betrekking op de autonome ramingsbijstelling tussen de Ontwerpbegroting 1999 en de Voorjaarsnota 1999. Deze autonome bijstelling kan voornamelijk worden toegeschreven aan de doorwerking van de Voorlopig Rekening 1998. De autonome ramingsbijstelling bedroeg in totaal -0,2% (-0,5 miljard) van de totale belastingontvangsten. Deze negatieve ramingsbijstelling werd hoofdzakelijk veroorzaakt door lagere BTW als gevolg van de herzieningsbaten KPN, de compensatie als gevolg van de verhoging van de dieselaccijns en een hogere dan verwachte nabetaling aan de sociale fondsen over het jaar 1998. De autonome bijstelling bij Vermoedelijke Uitkomsten ten opzichte van de Voorjaarsnota bedroeg 0,3% (0,6 miljard) van de totale belastingontvangsten. Deze bijstelling kon hoofdzakelijk worden toegeschreven aan een lagere nabetaling in 1999 over belastingjaar 1997. Na Vermoedelijke Uitkomsten heeft bij de Voorlopige Rekening geen autonome ramingsbijstelling voor 1999 meer plaatsgevonden. Concluderend kan gesteld worden dat de totale autonome ramingsbijstellingen bij Voorlopige Rekening ten opzichte van de Ontwerpbegroting relatief klein zijn geweest in termen van de totale belastingontvangsten, namelijk 0,1%, hetgeen overeen komt met 0,2 miljard.

Endogene ramingsbijstellingen

De meeste aanpassingen in de raming gedurende het begrotingsjaar zijn het gevolg van endogene ramingsbijstellingen. Endogene ramingsbijstellingen zijn het gevolg van:

1. endogene doorwerking uit voorgaande belastingjaren;
2. nieuwe inzichten over de economische groei in het lopende jaar;
3. nieuwe inzichten betreffende de relatie tussen de economische groei en de belastingontvangst (uitgedrukt in de zogenoemde progressiefactor). Deze nieuwe inzichten kunnen voortvloeien uit nieuwe informatie over de samenstelling van de economische groei, afwijkende kasontvangsten lopende het begrotingsjaar, of afwijkende verwachtingen aangaande het proces van belastinginning.

In de onderstaande tekst wordt verder op deze oorzaken ingegaan. In figuur 2 zijn de totale endogene ramingsbijstellingen bij de verschillende de begrotingsmomenten weergegeven.

Figuur 2 Endogene bijstellingen (in % van totale belastingontvangsten)

De endogene ramingsbijstelling bij Voorjaarsnota ten opzichte van de Ontwerpbegroting bedroeg


-0,2% (-0,5 miljard) van de totale belastingontvangsten. Bij Vermoedelijke Uitkomsten bedroeg de endogene ramingsbijstelling ten opzichte van de Voorjaarsnota 1,9% van de totale belastingontvangsten (3,6 miljard). Aangezien tussen Vermoedelijke Uitkomsten en Voorlopige Rekening geen autonome ramingsbijstellingen hebben plaatsgevonden, kan de belastingmeevaller bij Voorlopige Rekening ten opzichte van de Vermoedelijke Uitkomsten volledig endogeen worden verklaard. Deze endogene groei bij Voorlopige Rekening bedroeg 2,1% (3,9 miljard) van de totale belastingontvangsten.

Oorzaken van endogene ramingsbijstellingen

Zoals eerder gesteld kunnen endogene ramingsbijstellingen in de eerste plaats het gevolg zijn van afwijkende belastingrealisaties in voorgaande jaren. De raming in de ontwerpbegroting is mede gebaseerd op de raming conform de Vermoedelijke Uitkomsten voor het voorgaande begrotingsjaar. Indien bij Voorlopige Rekening blijkt dat de realisaties van het voorgaande jaar afwijken van de Vermoedelijke Uitkomsten dan heeft dit een effect op de raming van het lopende begrotingsjaar. Dit effect wordt verwerkt in de raming ten behoeve van de Voorjaarsnota. Het endogene deel hiervan is onderdeel van de totale endogene bijstelling.

In de tweede plaats kunnen ramingsbijstellingen het gevolg zijn van gewijzigde inzichten over de economische groei. Een hogere (nominale) economische groei zal normaliter leiden tot hogere belastingontvangsten, vanwege hogere binnenlandse bestedingen, groeiende werkgelegenheid en hogere winsten. De mate waarin de belastinginkomsten procentueel zullen toenemen als gevolg van de (nominale) groei van het bruto binnenlands product (bbp), wordt aangegeven door de progressiefactor. Over de afgelopen 25 jaar bedroeg de progressiefactor gemiddeld 1,0. Dit wil zeggen dat bij een economische groei van 1% de belastingontvangsten (endogeen) eveneens met 1% zullen groeien ten opzichte van het voorgaande jaar.

De derde oorzaak voor ramingsbijstellingen vindt zijn oorzaak in het feit dat de progressiefactor niet constant is. De afgelopen jaren heeft de progressiefactor een sterk fluctuerend karakter vertoont. Gedurende de periode 1994-1999 schommelde de waarde tussen de 0,3 en 1,9. Dit betekent dat een (extra) bbp-groei van 1% resulteert in 0,3% respectievelijk 1,9% additionele belastinginkomsten. Bij het opstellen van de raming is onzeker hoe hoog de progressiefactor zal uitvallen. Indien de progressiefactor anders uitkomt dan bij het opstellen van de raming was verondersteld dan leidt dit eveneens tot endogene ramingsbijstellingen. Hoge kasontvangsten of nieuwe inzichten in de samenstelling van de economische groei (meer binnenlandse consumptie en minder export bijvoorbeeld) kunnen een opwaartse bijstelling van de progressiefactor tot gevolg hebben. In zijn algemeenheid kan worden opgemerkt dat bijstellingen van de progressiefactor met name van belang zijn als daar duidelijke aanwijzingen vanuit de kasrealisaties voor zijn. De progressiefactor zal dus vooral in de tweede helft van het begrotingsjaar (bij Vermoedelijke Uitkomsten) en bij de realisatie (Voorlopige Rekening) bijdragen aan de endogene ramingsbijstellingen.

Endogene ramingsbijstellingen bij de verschillende begrotingsmomenten

In de onderstaande tabellen wordt globaal weergegeven in welke mate de ramingsbijstellingen voor 1999 bij de verschillende begrotingsmomenten konden worden toegeschreven aan de genoemde oorzaken. In tabel 2 worden de dan geldende inzichten ten aanzien van het economisch beeld en de progressiefactor weergegeven. In tabel 3 worden de endogene effecten op de belastingraming weergegeven.

Tabel 2 Economische beeld en progressiefactor voor 1999 bij verschillende begrotingsmomenten (mutaties per jaar in %)

Begrotingsmoment

Nominale economische groei (bbp)

Reële economisch groei (bbp)

particuliere consumptie

goederen-uitvoer

Progressiefactor

Ontwerpbegroting


3


6

1

Voorjaarsnota


2



1

Vermoedelijke Uitkomsten




4


Voorlopige Rekening






Tabel 3: Endogene ramingsbijstellingen uitgesplitst naar oorzaak (in miljarden guldens)

Begrotingsmoment

Endogene doorwerking meevaller 1998

Afwijkende economische groei

Afwijkende progressiefactor

Totale endogene bijstelling

Voorjaarsnota

2


-2





Vermoedelijke Uitkomsten

0




Voorlopige Rekening

0

½


4

Totaal

2

¼


7

Uit de bovenstaande tabellen kan worden opgemerkt dat bij Voorjaarsnota de economische prognoses aanmerkelijk minder gunstig waren dan ten tijde van de ontwerpbegroting. De groei van het bruto binnenlands product (bbp) werd 1 procentpunt lager geraamd dan bij de Ontwerpbegroting. Dit werd grotendeels veroorzaakt door een forse daling van de verwachte exportgroei. Dit was in lijn met het breed gedeeld inzicht dat de gevolgen van de Azië-crisis voor Nederland zwaarder zouden zijn dan eerder werd voorzien. De groei van de particuliere consumptie werd echter hoger geraamd dan de Ontwerpbegroting.

Voor de ontvangstenramingen resulteerde dit in een negatieve aanpassing vanwege een minder gunstig economisch beeld (met name bij de vennootschapsbelasting) met 2,0 miljard. De feitelijke neerwaartse aanpassing van de raming werd echter getemperd door de positieve doorwerking van realisatie 1998. Op basis van de Voorlopige Rekening 1998 werd de raming (met name bij de omzetbelasting) opwaarts bijgesteld met 1,5 miljard (2,0 miljard endogeen). Gecombineerd met een iets lager geraamde progressiefactor resulteerde deze twee mutaties in een totale negatieve endogene ramingsbijstelling van 0,5 miljard.

Bij Vermoedelijke Uitkomsten zag het economisch beeld er rooskleuriger uit dan bij Voorjaarsnota. De verwachte economische groei werd opwaarts bijgesteld van 2% naar 2¾%, hetgeen voortkwam uit zowel een hogere consumptie- als exportgroei. In het verlengde van deze gewijzigde inzichten werd ook de belastingraming opwaarts bijgesteld. Voor de belasting op personenautos (BPM) leidde een stijging van de verwachte autoverkopen tot een opwaartse ramingsmutatie. Bij de overdrachtsbelasting had een stijging van de prijs- en volume mutatie van de huizenverkopen een opwaartse ramingsbijstelling tot gevolg. Ook een opwaartse bijstelling van de grondslag van de omzetbelasting, die grotendeels wordt bepaald door de prijs- en volume mutatie van de particuliere consumptie, leidde tot een forse endogene ramingsmutatie.

De totale endogene bijstelling was echter forser dan alleen uit hoofde van de opwaartse bijstelling van de economische groeiraming kon worden verwacht. Omdat de kasrealisaties gunstiger waren dan alleen op grond van de hogere bbp-raming kon worden verklaard, steeg de progressiefactor ook fors. Ten tijde van de Vermoedelijke Uitkomsten lieten de kasrealisaties tot en met juli voor de dividendbelasting en vermogensbelasting meevallers zien. In weerwil van de opwaarts bijgestelde prognoses voor de particuliere consumptie, gaven kascijfers inzake de omzetbelasting tot en met juli, juist aanleiding een beperkte neerwaartse endogene ramingsbijstelling. Kasrealisaties kunnen dus een tegengesteld signaal afgeven omtrent de ontvangsten van een belastingsoort dan op grond van economische prognoses alleen zou worden aangenomen. Ook bij de Belastingen op milieugrondslag was op basis van kascijfers een neerwaartse endogene bijstelling plausibel. Daarnaast heeft het afwijkend dividendbeleid van een grote beursgenoteerde onderneming aanleiding voor een positieve endogene ramingsaanpassing van de dividendbelasting bij Vermoedelijke Uitkomsten. Tenslotte zorgden de Common-Area baten tot een positieve endogene ramingsmutatie bij de vennootschapsbelasting, terwijl daarentegen de oploop van de voorlopige teruggaaf leidde tot een neerwaartse endogene ramingsbijstelling bij de inkomstenbelasting.

Bij de Voorlopige Rekening wordt de economische groei over 1999 hoger geraamd dan bij Vermoedelijke Uitkomsten (3½% in plaats van 2¾%). Deze hogere economische groei wordt hoofdzakelijk veroorzaakt door hogere goederenuitvoer. Verwachtingen omtrent de consumptiegroei, contractlonen en werkgelegenheid blijven nagenoeg conform de ramingen bij Vermoedelijke Uitkomsten. Opgemerkt moet worden dat de economische groeiramingen bij de Voorlopige Rekening anders worden gehanteerd dan bij eerdere begrotingsmomenten. Bij de Voorlopige Rekening wordt immers geen raming opgesteld maar wordt een (afwijkende) kasrealisatie verklaard.

Omdat de totale meevaller niet alleen door de hoger geraamde economische groei kan worden verklaard, stijgt de progressiefactor. Incidentele factoren, bij met name de dividendbelasting en vennootschapsbelasting zorgen voor een meevaller van 1,3 miljard. Het resterende, structurele gedeelte van de meevaller wordt in belangrijke mate veroorzaakt door een meevaller bij de loon- en dividendbelasting. Grotere ontvangsten dividendbelasting van houders van een aanmerkelijk belang en het afschaffen van de loonbeschikking spelen hierbij een rol. Voor een nadere toelichting op de individuele belastingmutaties bij Voorlopige Rekening ten opzichte van de Vermoedelijke uitkomsten wordt verwezen naar bijlage 2 van de Voorlopige Rekening.

Concluderend kan gesteld worden dat de belastingramingen bij Voorlopige Rekening met 7,2 miljard opwaarts zijn aangepast ten opzichte van de Ontwerpbegroting. Deze ramingsbijstelling kan voor (afgerond) 0,2 miljard verklaard worden uit hoofde van autonome beleidsmaatregelen en voor (afgerond) 7,0 miljard worden toegeschreven aan endogene bijstellingen. De doorwerking van de realisatie 1998 is voor -0,5 miljard autonoom en voor 2,0 miljard endogeen. Voor 5,1 miljard is de endogene bijstelling het gevolg van een gewijzigde economische groeiraming voor 1999 (¼ miljard) en van een hoger dan geraamde progressiefactor als gevolg van afwijkende kascijfers en incidentele factoren lopende het jaar (4¾ miljard). In de onderstaande tabel zijn de bijstellingen per belastingsoort uitgesplitst. Om een volledig beeld te hebben van de bijstellingen in de ramingen van de collectieve ontvangsten zal in onderstaande paragraaf kort worden stilgestaan bij de ontwikkeling van de premieontvangsten.

Tabel 4 Mutaties van raming van de belastingontvangsten 1999; Voorlopige Rekening t.o.v. de Ontwerpbegroting (in miljarden)

Totaal

Beleid (autonome bijstellingen)

Endogene bijstellingen

Doorwerking 1998

Bijstellingen 1999

Doorwerking 1998

Bijstellingen 1999

Kostprijsverhogende belastingen

3,5


-0,4

0,0

2,4

1,5
Omzetbelasting

1,4


-0,3

0,0

1,4

0,3
Accijnzen

0,0


-0,2

0,1


-0,1

0,2
Belastingen van rechtsverkeer

1,0

0,0

0,0

0,4

0,6
Motorrijtuigenbelasting

0,5

0,1

0,0

0,4

0,0
Belastingen op personenauto's en motorrijtuigen

1,1

0,0

0,0

0,4

0,7
Overig (waaronder invoerrechten)


-0,5

0,0

0,0

0,0


-0,4

Belastingen op inkomen, winst en vermogen

3,7


-0,1

0,6


-0,4

3,6
Inkomstenbelasting


-1,8

0,0

0,0


-1,5


-0,3
Loonbelasting

1,5


-0,1

0,6

0,2

0,8
Dividendbelasting

2,9

0,0

0,0

0,4

2,5
Vennootschapsbelasting

0,3

0,0

0,0

0,1

0,2
Overig (1)

0,7

0,0

0,0

0,3

0,4

Totaal belastingen

7,2


-0,5

0,6

2,0

5,1

(1) Inclusief niet nader toe te rekenen belastingontvangsten.

Premieontvangsten

In de Voorlopige Rekening komen de premie-inkomsten van de sociale fondsen 2,5 miljard hoger uit dan bij de Ontwerpbegroting (Miljoenennota 1999) nog werd gedacht. Deze inkomstenmeevaller is voor 2¼ miljard het gevolg van endogene bijstellingen. In tabel 5 zijn deze bijstellingen per ramingsmoment uitgesplitst in de doorwerking van de premietegenvaller uit 1998 (-¼ miljard), gewijzigde inzichten over het economische beeld voor 1999 (¼ miljard) en een wijzigende progressiefactor (2 miljard). De premiemeevaller over 1999 wordt zowel veroorzaakt door de iets hogere economische groei over 1999; terwijl de groei ook arbeidsintensiever is dan verwacht. Hierdoor komen de premiegrondslagen hoger uit dan geraamd.

Tabel 5: Endogene ramingsbijstellingen uitgesplitst naar oorzaak (in miljarden guldens)

Begrotingsmoment

Endogene doorwerking tegenvaller 1998

Afwijkende economische groei

Afwijkende progressiefactor

Totale endogene bijstelling

Voorjaarsnota




-1½

½


-1½

Vermoedelijke Uitkomsten

¼


¾


Voorlopige Rekening

0

½

¾


Totaal



¼

2


Bij de volksverzekeringen is sprake van een inkomstenmeevaller van 1,2 miljard, terwijl de werknemersverzekeringen een inkomstenmeevaller laten zien van 1,3 miljard (tabel 6). De inkomstenmeevaller bij de volksverzekeringen komt voor een deel tot uiting in hogere nabetalingen van de fiscus aan de sociale fondsen. Bij de ZFW is verder sprake van een inkomstenmeevaller van 0,3 miljard, doordat de nominale opslagpremies door de individuele ziekenfondsen hoger zijn vastgesteld dan bij Ontwerpbegroting nog werd gedacht.

Tabel 6 Mutaties van raming van de premieontvangsten 1999: Voorlopige Rekening t.o.v. Ontwerpbegroting (in miljarden)

Beleid

Endogene bijstellingen

Totaal

Doorwerking 1998

Bijstellingen 1999

Volksverzekeringen

1,2

0,0


-0,4

1,6
AOW

0,7

0,0


-0,2

0,9
ANW

0,1

0,0

0,0

0,1
AWBZ

0,4

0,0


-0,2

0,6

Werknemersverzekeringen

1,3

0,3

0,2

0,8
WAO/WAZ

0,4

0,0

0,2

0,2
AWF

0,1

0,0

0,0

0,1
WGF

0,1

0,0

0,0

0,1
ZFW-centraal

0,3

0,0

0,0

0,3
ZWF-individueel

0,3

0,3

0,0

0,0

Totaal premies

2,5

0,3


-0,2

2,4

Eindtotaal

In tabel 7 staat de uitsplitsing van de meevaller bij Ontwerpbegroting ten opzichte van de Voorlopige Rekening weergegeven.

Tabel 7 Uitsplitsing meevaller, in miljarden

Ontwerpbegroting 1999

Voorlopige Rekening

Verschil

Belastingontvangsten

186,2

193,4

7,2

Premies

128,3

130,8

2,5

Gas

2,2

2,4

0,2

Totaal

316,7

326,6

9,9

BIJLAGE 4 Eindejaarsmarge Voorlopige Rekening 1999

In de onderstaande tabel wordt aangegeven welke begrotingen in welke mate gebruik maken van de eindejaarsmarge 1999/2000. Daarbij wordt tevens aangegeven wat de maximale eindejaarsmarge is. Toevoegingen aan de begroting 2000 uit hoofde van de eindejaarsmarge vinden plaats bij de Voorjaarsnota 2000.

Begroting

maximale

benutte eindejaarsmarge

eindejaarsmarge

o.b.v. VR 1999

HCvS

2,8

2,8

AZ

0,5


-0,4

KABNA

n.v.t.4

n.v.t.

BuiZa



Justitie

75,6

69,9

BZK

73,7

62,7

OC&W

369,4

270,3

Financiën

50,7

50,7

Defensie

300


-29,4

VROM

74,3

74,3

V&W

43,7

15,6

EZ

31,9


-20,4

LNV

36,4

30,3

SZW (Rbgeng-deel)

4,4

4,4

SZW (begrotingsgefinancierde SZ)

249,5

249,5

VWS (Rbgeng-deel)

30,5

30,5

VWS (begrotingsgefinancierde Zorg)

65,2

64,2

Subtotaal

1408,6

747,0

HgIS5

247,5

ISF

180,2

GF/PF

39,4

Totaal

1214,1

BIJLAGE 5: Verticale Toelichting bij de Voorlopige Rekening 1999


______

I HUIS DER KONINGIN 1999


___________

UITGAVEN

Stand bij Najaarsnota 1999 (excl. IS) 14,0


1. Mee- en tegenvallers

Rijksbegroting in enge zin

diversen -0,2


-----------


-0,2

Totaal mutaties na de Najaarsnota 1999 -0,2

___________

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) 13,8

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) (EUR) 6,3

Totaal internationale samenwerking

___________

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) 13,8

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) (EUR) 6,3


______

II HOGE COLLEGES VAN STAAT EN KABINET DER KONINGIN 1999


___________

UITGAVEN

Stand bij Najaarsnota 1999 (excl. IS) 333,0


1. Mee- en tegenvallers

Rijksbegroting in enge zin

diversen -6,9


-----------


-6,9


3. Technische mutaties

Rijksbegroting in enge zin

diversen 0,0


-----------

0,0

Totaal mutaties na de Najaarsnota 1999 -6,9

___________

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) 326,1

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) (EUR) 148,0

Totaal internationale samenwerking

___________

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) 326,1

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) (EUR) 148,0


______

NIET-BELASTINGONTVANGSTEN

Stand bij Najaarsnota 1999 (excl. IS) 9,6


1. Mee- en tegenvallers

Rijksbegroting in enge zin

diversen 0,9


-----------

0,9

Totaal mutaties na de Najaarsnota 1999 0,9

___________

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) 10,5

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) (EUR) 4,8

Totaal internationale samenwerking

___________

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) 10,5

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) (EUR) 4,8


______

III ALGEMENE ZAKEN 1999


___________

UITGAVEN

Stand bij Najaarsnota 1999 (excl. IS) 66,3


1. Mee- en tegenvallers

Rijksbegroting in enge zin

diversen 0,1


-----------

0,1


2. Beleidsmatige mutaties

Rijksbegroting in enge zin

diversen -0,2


-----------


-0,2


3. Technische mutaties

Rijksbegroting in enge zin

diversen 0,2


-----------

0,2

Totaal mutaties na de Najaarsnota 1999 0,1

___________

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) 66,4

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) (EUR) 30,1

Totaal internationale samenwerking 29,1

___________

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) 95,5

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) (EUR) 43,3


___________

NIET-BELASTINGONTVANGSTEN

Stand bij Najaarsnota 1999 (excl. IS) 9,8


1. Mee- en tegenvallers

Rijksbegroting in enge zin

diversen 0,1


-----------

0,1


2. Beleidsmatige mutaties

Rijksbegroting in enge zin

diversen -0,6


-----------


-0,6


3. Technische mutaties

Rijksbegroting in enge zin

diversen 0,2


-----------

0,2

Totaal mutaties na de Najaarsnota 1999 -0,3

___________

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) 9,5

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) (EUR) 4,3

Totaal internationale samenwerking

___________

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) 9,5

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) (EUR) 4,3


______

V BUITENLANDSE ZAKEN 1999


___________

UITGAVEN

Stand bij Najaarsnota 1999 (excl. IS) 3.861,0


1. Mee- en tegenvallers

Rijksbegroting in enge zin

bnp-afdrachten:_vierde eigen middel -162,4


-----------


-162,4


2. Beleidsmatige mutaties

Rijksbegroting in enge zin

tijdelijke financiering nio 121,1


-----------

121,1

Totaal mutaties na de Najaarsnota 1999 -41,3

___________

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) 3.819,7

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) (EUR) 1.733,3

Totaal internationale samenwerking 6.901,7

___________

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) 10.721,4

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) (EUR) 4.865,2


______

NIET-BELASTINGONTVANGSTEN

Stand bij Najaarsnota 1999 (excl. IS) 133,9

Totaal mutaties na de Najaarsnota 1999 0,0

___________

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) 133,9

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) (EUR) 60,8

Totaal internationale samenwerking 145,6

___________

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) 279,5

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) (EUR) 126,8

Buitenlandse Zaken

De lagere BNP-afdrachten uit hoofde van het vierde eigen middel worden veroorzaakt door lagere nabetalingen over de voorafgaande jaren dan geraamd alsmede door het niet opvragen van onder andere de monetaire reserve.

De Nederlandse Investeringsbank voor Ontwikkelingslanden (NIO) verstrekt op verzoek en onder garantie van de Staat leningen aan ontwikkelingslanden. Per 31 december 1999 had de NIO een negatief saldo op de rekening-courantverhouding bij het Ministerie van Financiën van 121,1 miljoen als gevolg van lager dan geraamde terugbetalingen. Op grond van een overeenkomst tussen de Staat en de NIO wordt dit negatieve saldo tijdelijk gefinancierd en als uitgave verantwoord op de begroting van Buitenlandse Zaken. Bij Voorjaarsnota 2000 zal zich een spiegelbeeldige mutatie voor doen.


______

VI JUSTITIE 1999


___________

UITGAVEN

Stand bij Najaarsnota 1999 (excl. IS) 8.860,6


1. Mee- en tegenvallers

Rijksbegroting in enge zin

wetgeving en rechtspleging -37,1

diversen 19,5


-----------


-17,6


2. Beleidsmatige mutaties

Rijksbegroting in enge zin

diversen 0,0


-----------

0,0


3. Technische mutaties

Rijksbegroting in enge zin

diversen 37,3


-----------

37,3

Totaal mutaties na de Najaarsnota 1999 19,7

___________

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) 8.880,3

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) (EUR) 4.029,7

Totaal internationale samenwerking 12,1

___________

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) 8.892,4

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) (EUR) 4.035,2


___________

NIET-BELASTINGONTVANGSTEN

Stand bij Najaarsnota 1999 (excl. IS) 1.361,7


1. Mee- en tegenvallers

Rijksbegroting in enge zin

diversen 23,1


-----------

23,1


3. Technische mutaties

Rijksbegroting in enge zin

diversen 38,1


-----------

38,1

Totaal mutaties na de Najaarsnota 1999 61,3

___________

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) 1.423,0

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) (EUR) 645,7

Totaal internationale samenwerking

___________

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) 1.423,0

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) (EUR) 645,7

Justitie

De voornaamste oorzaken van de lagere uitgaven voor wetgeving en rechtspleging zijn een vertraging in de projecten en capaciteitsinversteringen die voortvloeien uit de Contourennota Rechterlijke Organisatie (11 miljoen) en het niet tot betaling komen van huisvestingsmiddelen (10 miljoen). Daarnaast zijn automatiseringsplannen van het Openbaar Ministerie vertraagd en is minder uitgegeven aan een aantal faciliteiten zoals het pc-prive project en kinderopvang.


______

VII BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES 1999


___________

UITGAVEN

Stand bij Najaarsnota 1999 (excl. IS) 7.727,7


1. Mee- en tegenvallers

Rijksbegroting in enge zin

diversen -29,3


-----------


-29,3


3. Technische mutaties

Rijksbegroting in enge zin

diversen 1,7


-----------

1,7

Totaal mutaties na de Najaarsnota 1999 -27,8

___________

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) 7.699,9

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) (EUR) 3.494,1

Totaal internationale samenwerking 3,0

___________

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) 7.702,9

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) (EUR) 3.495,4


______

NIET-BELASTINGONTVANGSTEN

Stand bij Najaarsnota 1999 (excl. IS) 786,3


1. Mee- en tegenvallers

Rijksbegroting in enge zin

diversen 23,1


-----------

23,1


3. Technische mutaties

Rijksbegroting in enge zin

diversen 4,0


-----------

4,0

Totaal mutaties na de Najaarsnota 1999 27,0

___________

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) 813,3

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) (EUR) 369,1

Totaal internationale samenwerking

___________

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) 813,3

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) (EUR) 369,1


______

VIII ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAPPEN 1999


___________

UITGAVEN

Stand bij Najaarsnota 1999 (excl. IS) 42.491,8


1. Mee- en tegenvallers

Rijksbegroting in enge zin

studievoortgangscontrole en lesgelden 34,0

diversen -46,6


-----------


-12,6


2. Beleidsmatige mutaties

Rijksbegroting in enge zin

kennisnet bve -69,7

restauratie rijksmuseum Amsterdam -100,0

diversen -64,9


-----------


-234,6


3. Technische mutaties

Rijksbegroting in enge zin

omroepbijdrage 260,0

restauratie rijksmuseum Amsterdam 100,0

diversen 1,8

Niet tot een ijklijn behorend

diversen -44,2


-----------

317,6

Totaal mutaties na de Najaarsnota 1999 70,8

___________

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) 42.562,6

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) (EUR) 19.314,1

Totaal internationale samenwerking 109,9

___________

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) 42.672,5

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) (EUR) 19.363,9


___________

NIET-BELASTINGONTVANGSTEN

Stand bij Najaarsnota 1999 (excl. IS) 3.416,4


1. Mee- en tegenvallers

Rijksbegroting in enge zin

diversen 35,6


-----------

35,6


2. Beleidsmatige mutaties

Rijksbegroting in enge zin

diversen 15,1


-----------

15,1


3. Technische mutaties

Rijksbegroting in enge zin

omroepbijdrage 238,7

diversen 0,6

Niet tot een ijklijn behorend

omroepbijdrage -58,6

diversen 8,5


-----------

189,2

Totaal mutaties na de Najaarsnota 1999 239,7

___________

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) 3.656,1

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) (EUR) 1.659,1

Totaal internationale samenwerking

___________

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) 3.656,1

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) (EUR) 1.659,1

Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen

De hoger dan geraamde uitgaven bij de studievoortgangscontrole en lesgelden worden enerzijds verklaard door de omzetting van leningen in giften, anderzijds door hogere lesgeldvoorschotten.

De voorgenomen uitbetaling van 69,7 miljoen ten behoeve van de aansluiting van de sector Beroeps- en Volwasseneneducatie (BVE) op het kennisnet heeft enige vertraging in 1999 ondervonden.

Voor de restauratie van het Rijksmuseum in Amsterdam is bij Najaarsnota een bedrag voor 1999 gereserveerd van 100 miljoen. Dit bedrag stond geparkeerd op de aanvullende post algemeen. Bij Voorlopige Rekening is dit bedrag overgeheveld naar de begroting van OCenW. Aangezien er nog geen duidelijkheid bestaat over de exacte vormgeving en verwerking is het gereserveerde bedrag in 1999 niet meer tot uitbetaling gekomen en is daarom vrijgevallen. Via het instrument van de eindejaarsmarge wordt dit bedrag meegenomen naar het jaar 2000.

Op het terrein van de omroepbijdragen zijn zowel de uitgaven als de ontvangsten opwaarts bijgesteld. De ontvangsten zijn wel achtergebleven ten opzichte van de uitgaven, omdat de tranche december, voorzover betrekking hebbend op omroepbijdragen 2001, van 80 miljoen niet is geïnd. Conform de gebruikelijke systematiek, waarin de tranche december wel volledig geïnd zou zijn en doorgesluisd zou worden naar de omroepen, leidt het niet-innen er niet toe dat de omroepen gedupeerd zijn. Dit verklaart het verschil tussen de uitgavenverhoging van 260 miljoen en de ontvangstenverhoging van 180 miljoen.

Voor het jaar 2000 is op de begroting van Financiën een reservering opgenomen van 500 miljoen die bestemd is voor terugstorting naar de burgers als gevolg van teveel betaalde omroepbijdrage in 1999 over 2000. Aangezien de niet geïnde 80 miljoen in 1999 niet meer hoeft te worden teruggestort, zal dit bedrag bij Voorjaarsnota 2000 in mindering worden gebracht op de 500 miljoen.


______

IXA NATIONALE SCHULD (TRANSACTIEBASIS) 1999


___________

UITGAVEN

Stand bij Najaarsnota 1999 (excl. IS) 29.711,7


1. Mee- en tegenvallers

Rijksbegroting in enge zin

rente vaste schuld -122,3

rente vlottende schuld 58,3

diversen -10,9


-----------


-74,9

Totaal mutaties na de Najaarsnota 1999 -74,9

___________

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) 29.636,8

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) (EUR) 13.448,6

Totaal internationale samenwerking

___________

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) 29.636,8

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) (EUR) 13.448,6

Kas-transactieverschillen

Rente AOW spaarfonds 122,9

Agio 8.623,2

Disagio 1.924,5

Overige 3.340,8

Stand Voorlopige Rekening 1999 op kasbasis 43.648,2


___________

NIET-BELASTINGONTVANGSTEN

Stand bij Najaarsnota 1999 (excl. IS) 655,8


1. Mee- en tegenvallers

Rijksbegroting in enge zin

rentevergoeding op schatkistsaldo 35,2

diversen -8,4


-----------

26,8

Totaal mutaties na de Najaarsnota 1999 26,8

___________

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) 682,6

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) (EUR) 309,8

Totaal internationale samenwerking

___________

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) 682,6

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) (EUR) 309,8

Kas-transverschillen

Agio 3.765,5

Disagio 1,7

Overige 2.638,4

Stand voorlopige Rekening op kasbasis
7.088,2

Nationale schuld

De uitgavenkant van de begroting van de Nationale Schuld (IXA) laat een rente-meevaller zien bij de vaste schuld. Deze rentelasten vallen lager uit als gevolg van een lager kapitaalmarktberoep dan geraamd. De rentelasten op vlottende schuld zijn per saldo opwaarts bijgesteld. Enerzijds zijn de uitgaven lager uitgekomen door het wegvallen van een twaalf-maanden DTC-programma. Anderzijds zijn de uitgaven hoger uitgekomen als gevolg van een hogere rentevergoeding aan de sociale fondsen die hun saldi aanhouden in de schatkist.

Aan de ontvangstenkant valt de rentevergoeding op het schatkistsaldo hoger uit omdat per saldo meer middelen zijn uitgezet, waardoor hogere rente-ontvangsten zijn gerealiseerd. Tevens is meer rente ontvangen door de vervroegde inkoop van een deel van het DTC-programma dat op 31 december zou aflossen.


______

IXB FINANCIËN 1999


___________

UITGAVEN

Stand bij Najaarsnota 1999 (excl. IS) 5.956,8


1. Mee- en tegenvallers

Rijksbegroting in enge zin

diversen -73,5


-----------


-73,5


3. Technische mutaties

Rijksbegroting in enge zin

diversen 0,0

Niet tot een ijklijn behorend

diversen -35,2


-----------


-35,2

Totaal mutaties na de Najaarsnota 1999 -108,7

___________

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) 5.848,1

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) (EUR) 2.653,8

Totaal internationale samenwerking 650,6

___________

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) 6.498,7

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) (EUR) 2.949,0


___________

NIET-BELASTINGONTVANGSTEN

Stand bij Najaarsnota 1999 (excl. IS) 15.097,7


1. Mee- en tegenvallers

Rijksbegroting in enge zin

afdracht staatsloterij -35,6

exportkredietverzekering -58,0

verkoop landbouwgronden -27,6

diversen 53,4


-----------


-67,8


2. Beleidsmatige mutaties

Rijksbegroting in enge zin

diversen 31,0


-----------

31,0


3. Technische mutaties

Niet tot een ijklijn behorend

heffingsrente -97,6

diversen 1,4


-----------


-96,2

Totaal mutaties na de Najaarsnota 1999 -133,1

___________

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) 14.964,6

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) (EUR) 6.790,6

Totaal internationale samenwerking 18,6

___________

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) 14.983,2

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) (EUR) 6.799,1

Financiën

De ontvangstenkant van de begroting van Financiën (IXB) laat een aantal tegenvallers zien ten opzichte van de Najaarsnota.

Een deel van de afdracht van de Staatsloterij over 1999 is in januari 2000 ontvangen, waardoor in 1999 een tegenvaller optreedt.

De ontvangsten uit hoofde van de exportkredietverzekering vallen tegen als gevolg van schaderestituties die de jaargrens hebben overschreden en derhalve in 2000 worden verantwoord.

De ontvangsten uit verkoop van landbouwgronden door Domeinen zijn bij Najaarsnota te optimistisch geraamd en worden daarom met 27,6 miljoen neerwaarts bijgesteld.

Tevens is sprake van een tegenvaller bij de ontvangsten heffingsrente als gevolg van een lagere productie van Vpb-aanslagen.


______

X DEFENSIE 1999


___________

UITGAVEN

Stand bij Najaarsnota 1999 (excl. IS) 14.388,2


1. Mee- en tegenvallers

Rijksbegroting in enge zin

diversen -1,8


-----------


-1,8


2. Beleidsmatige mutaties

Rijksbegroting in enge zin

verkoop overtollig materieel en ingebruikgeving 28,7

diversen 28,3


-----------

57,0


3. Technische mutaties

Rijksbegroting in enge zin

diversen 3,6


-----------

3,6

Totaal mutaties na de Najaarsnota 1999 58,8

___________

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) 14.447,0

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) (EUR) 6.555,8

Totaal internationale samenwerking 549,0

___________

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) 14.996,0

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) (EUR) 6.804,9


___________

NIET-BELASTINGONTVANGSTEN

Stand bij Najaarsnota 1999 (excl. IS) 477,5


1. Mee- en tegenvallers

Rijksbegroting in enge zin

diversen 10,2


-----------

10,2


2. Beleidsmatige mutaties

Rijksbegroting in enge zin

diversen -3,1


-----------


-3,1

Totaal mutaties na de Najaarsnota 1999 7,2

___________

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) 484,7

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) (EUR) 219,9

Totaal internationale samenwerking 18,7

___________

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) 503,4

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) (EUR) 228,4

Defensie

Door de extra verkoop van overtollig materieel en extra inkomsten uit ingebruikgevingen, wordt de begroting van Defensie met eenzelfde bedrag verhoogd.


______

XIA VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING EN MILIEUBEHEER 1999


___________

UITGAVEN

Stand bij Najaarsnota 1999 (excl. IS) 8.797,8


1. Mee- en tegenvallers

Rijksbegroting in enge zin

diversen -27,7


-----------


-27,7


2. Beleidsmatige mutaties

Rijksbegroting in enge zin

openingsbalans rijksgebouwendienst 566,0

diversen -29,6


-----------

536,4


3. Technische mutaties

Rijksbegroting in enge zin

diversen 11,0

Niet tot een ijklijn behorend

afkoopoperaties volkshuisvesting -55,0


-----------


-44,0

Totaal mutaties na de Najaarsnota 1999 464,8

___________

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) 9.262,6

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) (EUR) 4.203,2

Totaal internationale samenwerking 13,0

___________

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) 9.275,6

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) (EUR) 4.209,1


___________

NIET-BELASTINGONTVANGSTEN

Stand bij Najaarsnota 1999 (excl. IS) 490,0


1. Mee- en tegenvallers

Rijksbegroting in enge zin

diversen 25,3


-----------

25,3


2. Beleidsmatige mutaties

Rijksbegroting in enge zin

ontvangsten milieubeheer 26,8

diversen 7,5


-----------

34,3


3. Technische mutaties

Rijksbegroting in enge zin

diversen 17,8

Niet tot een ijklijn behorend

diversen 15,9


-----------

33,7

Totaal mutaties na de Najaarsnota 1999 93,2

___________

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) 583,2

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) (EUR) 264,6

Totaal internationale samenwerking

___________

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) 583,2

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) (EUR) 264,6

VROM

Het agentschap Rijksgebouwendienst (RGD) is per 1 januari 1999 van start gegaan. Inmiddels heeft de RGD een openingsbalans opgesteld. Uit dit beeld van de opbouw en samenstelling van het vermogen van de RGD per startdatum blijkt dat het balanssaldo negatief is (meer passiva dan activa). VROM is weliswaar het moederdepartement van de RGD, maar in tegenstelling tot wat het geval is bij het merendeel van de andere agentschappen niet de grootste opdrachtgever. De RGD is werkzaam voor alle ministeries. Derhalve is besloten om het balanstekort van 566 miljoen aan te zuiveren, zodat de RGD financieel gezond van start kan gaan.

Aan de uitgavenkant is de afkoopoperatie van Niet Winstbeogende Instellingen (NWIs) vertraagd waardoor bijna 47 miljoen in 1999 niet tot besteding is gekomen. Omdat het totale afkoopbedrag ongewijzigd is, leidt dit tot hogere uitgaven in latere jaren. Bij de afkoop van de sociale sector blijft in 1999 ruim 8 miljoen onbesteed. Dit bedrag is slechts gedeeltelijk (1,5 mln) in 2000 benodigd. Deze afkoopoperatie is dan afgerond.

De hogere ontvangst bij Milieubeheer heeft voornamelijk betrekking op de terugstorting van voorschotten, als gevolg van onderbesteding bij de budgethouders, van in 1998 verstrekte voorschotten voor het uitvoeren van bodemsaneringsprojecten.


______

XII VERKEER EN WATERSTAAT 1999


___________

UITGAVEN

Stand bij Najaarsnota 1999 (excl. IS) 11.883,5


1. Mee- en tegenvallers

Rijksbegroting in enge zin

diversen -7,0


-----------


-7,0


2. Beleidsmatige mutaties

Rijksbegroting in enge zin

vertraging projecten -41,7

diversen -15,0


-----------


-56,7


3. Technische mutaties

Rijksbegroting in enge zin

diversen -2,4

Niet tot een ijklijn behorend

diversen 44,8


-----------

42,4

Totaal mutaties na de Najaarsnota 1999 -21,4

___________

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) 11.862,1

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) (EUR) 5.382,8

Totaal internationale samenwerking 12,5

___________

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) 11.874,6

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) (EUR) 5.388,5


___________

NIET-BELASTINGONTVANGSTEN

Stand bij Najaarsnota 1999 (excl. IS) 1.978,8


1. Mee- en tegenvallers

Rijksbegroting in enge zin

diversen -10,1


-----------


-10,1


2. Beleidsmatige mutaties

Rijksbegroting in enge zin

diversen -11,4


-----------


-11,4


3. Technische mutaties

Rijksbegroting in enge zin

diversen 37,0

Niet tot een ijklijn behorend

omwisseling aandelen klm 60,8

diversen -6,7


-----------

91,1

Totaal mutaties na de Najaarsnota 1999 69,9

___________

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) 2.048,7

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) (EUR) 929,7

Totaal internationale samenwerking

___________

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) 2.048,7

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) (EUR) 929,7

Verkeer en Waterstaat

Door omwisseling van een aantal cumulatief preferente aandelen KLM wordt per saldo een bedrag aan de Staat overgemaakt, als gevolg van het verschil in nominale waarde. Het bedrag wordt bruto weergegeven op de begroting van V&W, door het aankoopbedrag te verantwoorden bij de uitgaven en de verkoop-opbrengst te verantwoorden bij de ontvangsten.

Daarnaast blijven door vertragingen bij de uitvoering van diverse projecten op de V&W-begroting middelen in 1999 onbesteed. De vertragingen worden in latere jaren weer ingelopen.


______

XIII ECONOMISCHE ZAKEN 1999


___________

UITGAVEN

Stand bij Najaarsnota 1999 (excl. IS) 3.723,2


1. Mee- en tegenvallers

Rijksbegroting in enge zin

nedcar -206,9

diversen 20,1


-----------


-186,8


2. Beleidsmatige mutaties

Rijksbegroting in enge zin

diversen 23,7


-----------

23,7


3. Technische mutaties

Rijksbegroting in enge zin

diversen -10,1


-----------


-10,1

Totaal mutaties na de Najaarsnota 1999 -172,9

___________

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) 3.550,3

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) (EUR) 1.611,1

Totaal internationale samenwerking 780,8

___________

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) 4.331,1

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) (EUR) 1.965,4


___________

NIET-BELASTINGONTVANGSTEN

Stand bij Najaarsnota 1999 (excl. IS) 4.558,1


1. Mee- en tegenvallers

Rijksbegroting in enge zin

nedcar -224,8

diversen 21,0


-----------


-203,8


2. Beleidsmatige mutaties

Rijksbegroting in enge zin

diversen 4,0


-----------

4,0


3. Technische mutaties

Rijksbegroting in enge zin

diversen -12,1

Niet tot een ijklijn behorend

diversen -39,1


-----------


-51,2

Totaal mutaties na de Najaarsnota 1999 -251,1

___________

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) 4.307,0

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) (EUR) 1.954,4

Totaal internationale samenwerking 418,9

___________

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) 4.725,9

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) (EUR) 2.144,5

Economische zaken

Vertraging in de besluitvorming heeft geleid tot uitstel van de versnelling van de beëindiging van de financiële relaties tussen de Staat en Nedcar. Hierdoor zijn een voorziene schuldaflossing van de Staat aan Nedcar van 206,9 miljoen aan de uitgavenkant en een eveneens voorziene aflossing van de lening van de Staat aan Nedcar van 224,8 miljoen aan de ontvangstenkant niet tot betaling gekomen. Naar verwachting zullen deze transacties in de loop van 2000 plaatsvinden.


______

XIV LANDBOUW, NATUURBEHEER EN VISSERIJ 1999


___________

UITGAVEN

Stand bij Najaarsnota 1999 (excl. IS) 4.379,5


1. Mee- en tegenvallers

Rijksbegroting in enge zin

apurement-kosten (caseine campina) 39,2

diversen -10,7


-----------

28,5


2. Beleidsmatige mutaties

Rijksbegroting in enge zin

diversen -0,1


-----------


-0,1


3. Technische mutaties

Rijksbegroting in enge zin

diversen 5,3


-----------

5,3

Totaal mutaties na de Najaarsnota 1999 33,4

___________

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) 4.412,9

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) (EUR) 2.002,5

Totaal internationale samenwerking 46,1

___________

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) 4.459,0

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) (EUR) 2.023,4


___________

NIET-BELASTINGONTVANGSTEN

Stand bij Najaarsnota 1999 (excl. IS) 785,8


1. Mee- en tegenvallers

Rijksbegroting in enge zin

diversen -8,9


-----------


-8,9


2. Beleidsmatige mutaties

Rijksbegroting in enge zin

diversen 0,3


-----------

0,3


3. Technische mutaties

Rijksbegroting in enge zin

diversen 0,3

Niet tot een ijklijn behorend

diversen -3,4


-----------


-3,1

Totaal mutaties na de Najaarsnota 1999 -11,8

___________

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) 774,0

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) (EUR) 351,2

Totaal internationale samenwerking

___________

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) 774,0

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) (EUR) 351,2

Landbouw, Natuurbeheer en Visserij

De Europese Commissie vordert bij Nederland ruim 39 miljoen aan uitbetaalde steun terug over de jaren 1992 tot en met 1995 voor de productie van caseïnaat. Nu deze terugvordering door een recente gerechtelijke uitspraak vooralsnog niet op het betrokken bedrijf kan worden verhaald, leidt dit tot een tegenvaller op de LNV-begroting.


______

XV SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID 1999


___________

UITGAVEN

Stand bij Najaarsnota 1999 (excl. IS) 32.162,8


1. Mee- en tegenvallers

Rijksbegroting in enge zin

diversen -21,9

Sociale zekerheid

abw 58,3

gemeentelijk werkfonds -93,0

i/d-banen -44,3

diversen -87,5


-----------


-188,4


3. Technische mutaties

Rijksbegroting in enge zin

diversen 0,0

Sociale zekerheid

diversen -4,2

Niet tot een ijklijn behorend

diversen -1,8


-----------


-6,0

Totaal mutaties na de Najaarsnota 1999 -194,4

___________

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) 31.968,4

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) (EUR) 14.506,6

Totaal internationale samenwerking 2,5

___________

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) 31.970,9

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) (EUR) 14.507,8


___________

NIET-BELASTINGONTVANGSTEN

Stand bij Najaarsnota 1999 (excl. IS) 1.105,3


1. Mee- en tegenvallers

Rijksbegroting in enge zin

diversen -2,4

Sociale zekerheid

abw-ontvangsten 52,5

diversen 15,7


-----------

65,8


3. Technische mutaties

Niet tot een ijklijn behorend

anticumulatie wsw -60,3


-----------


-60,3

Totaal mutaties na de Najaarsnota 1999 5,6

___________

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) 1.110,9

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) (EUR) 504,1

Totaal internationale samenwerking

___________

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) 1.110,9

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) (EUR) 504,1

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Aan de uitgavenkant vallen de bijstanduitgaven tegen met 58 miljoen. Dit wordt met name veroorzaakt door een hoger gebruik van het toeslagenbudget dan werd verwacht bij Najaarsnota. Naar nu blijkt is er ten onrechte vanuit gegaan dat een deel van het toeslagenbudget niet gedeclareerd zou worden.

De lagere uitgaven van 93 miljoen in het Gemeentelijk Werkfonds wordt veroorzaakt door de meevallende werkloosheid in 1999. Er zijn minder WIW-dienstbetrekkingen gerealiseerd dan geraamd.

De uitgaven voor de I/D-banen vallen 44 miljoen lager uit dan eerder werd voorzien. Dit wordt met name veroorzaakt door een lager dan geraamd volume (met name in de duurdere vergoedingscategorie).

De meerontvangsten in de bijstand bedragen 52,5 miljoen. Deze ontvangsten vloeien voort uit de afrekening van de jaaropgaven (slotdeclaraties) van voorgaande jaren.


______

XVI VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT 1999


___________

UITGAVEN

Stand bij Najaarsnota 1999 (excl. IS) 11.919,5


1. Mee- en tegenvallers

Rijksbegroting in enge zin

diversen -16,7

Zorg

wachtlijsten ziekenhuizen -42,0

diversen 3,9


-----------


-54,8


2. Beleidsmatige mutaties

Rijksbegroting in enge zin

diversen -17,8

Zorg

diversen 2,7


-----------


-15,1


3. Technische mutaties

Rijksbegroting in enge zin

diversen 4,2

Zorg

diversen -6,9

Niet tot een ijklijn behorend

diversen -2,0


-----------


-4,7

Totaal mutaties na de Najaarsnota 1999 -74,4

___________

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) 11.845,1

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) (EUR) 5.375,1

Totaal internationale samenwerking 0,5

___________

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) 11.845,6

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) (EUR) 5.375,3


___________

NIET-BELASTINGONTVANGSTEN

Stand bij Najaarsnota 1999 (excl. IS) 554,5


1. Mee- en tegenvallers

Rijksbegroting in enge zin

diversen 10,0

Zorg

diversen 8,4


-----------

18,4


3. Technische mutaties

Rijksbegroting in enge zin

diversen 2,2

Zorg

diversen 3,6


-----------

5,8

Totaal mutaties na de Najaarsnota 1999 24,2

___________

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) 578,7

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) (EUR) 262,6

Totaal internationale samenwerking

___________

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) 578,7

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) (EUR) 262,6

VWS

Als uitvloeisel van de bij Algemene Politieke Beschouwingen aangenomen motie is ten behoeve van de wachtlijsten cure bij de Najaarsnota een bedrag van 50 miljoen aan de VWS-begroting toegevoegd. Van deze 50 miljoen is 8 miljoen beschikbaar gesteld voor hogere productie-afspraken en medisch specialistische hulp. Het bleek niet mogelijk het restant tijdig in de productie-afspraken voor 1999 te verwerken. Daarom wordt 42 miljoen overgeheveld naar 2000 en zal beschikbaar worden gesteld aan ziekenhuizen die met concrete plannen komen voor bedrijfstijdverlenging.


______

INTERNATIONALE SAMENWERKING 1999


___________

UITGAVEN

Stand bij Najaarsnota 1999 9.645,0


1. Mee- en tegenvallers

Rijksbegroting in enge zin

joint implementation -75,0

samenwerkingsprojecten antillen 36,4

diversen -4,1


-----------


-42,7


2. Beleidsmatige mutaties

Rijksbegroting in enge zin

bedrijfslevenprogramma -69,7

international development association 101,9

macro-economische steun en schuldverlichting -26,6

noodhulp 47,0

diversen -122,5


-----------


-69,9


3. Technische mutaties

Rijksbegroting in enge zin

wederopbouw antillen 63,7

diversen -62,9


-----------

0,8

Totaal mutaties na de Najaarsnota 1999 -111,9

___________

Stand Voorlopige rekening 1999 9.533,1

Stand Voorlopige rekening 1999 (EUR) 4.325,9


___________

NIET-BELASTINGONTVANGSTEN

Stand bij Najaarsnota 1999 579,1


1. Mee- en tegenvallers

Rijksbegroting in enge zin

diversen 12,7


-----------

12,7


2. Beleidsmatige mutaties

Rijksbegroting in enge zin

diversen 17,6


-----------

17,6

Totaal mutaties na de Najaarsnota 1999 30,1

___________

Stand Voorlopige rekening 1999 609,2

Stand Voorlopige rekening 1999 (EUR) 276,4

HGIS

Er is sprake van per saldo 142,8 miljoen lagere netto-uitgaven hetgeen via de bandbreedte systematiek zal leiden tot een evengrote toevoeging van bedragen in latere jaren. De lagere uitgaven zijn het gevolg van de volgende oorzaken.

De identificatie en de ontwikkeling van Joint Implementation-projecten kost meer tijd dan bij regeeraccoord is voorzien. De voor JI voor 1999 gereserveerde middelen konden derhalve niet in 1999 worden besteed.

De hogere samenwerkingsmiddelen voor de Nederlandse Antillen met 36,8 miljoen is grotendeels het gevolg van het reeds in 1999 ter beschikking stellen van het gehele bedrag van 80 miljoen dat voor de jaren 1999 en 2000 was gereserveerd voor de bouw van de Koraal Specht gevangenis aan de Bank van de Nederlandse Antillen, overeenkomstig de afspraken die zijn gemaakt tussen de regeringen van Nederland en de Nederlandse Antillen begin december 1999. Het in 1999 voor de Koraal Specht gereserveerde budget is in dat verband verhoogd van 52 miljoen naar 80 miljoen.

Het bedrijfslevenprogramma heeft hoofdzakelijk betrekking op de Ontwikkelingsrelevante Exporttransacties (ORET). Deze transacties hebben tot doel om overheden van ontwikkelingslanden schenkingen te verstrekken voor de gedeeltelijke financiering van de aankoop van kapitaalgoederen, diensten of werken in Nederland. De onderuitputting is onder meer het gevolg van een herbezinning op investeringen door ontwikkelingslanden als gevolg van de Azië-crisis alsmede van het effect van de verscherpte eisen van het programma.

Het artikel Macro-economische steun en schuldverlichting is verlaagd omdat Moldavië en Georgië niet meer voldoen aan de criteria om in aanmerking te komen voor macrosteun. Daarnaast komt de steun aan Mali te vervallen omdat dit land geen troepen meer hoeft te sturen ter versterking van ECOMOG in Sierra Leone aangezien de VN een eigen troepenmacht stuurt.

Het budget voor noodhulp is verhoogd in verband met een extra bijdrage aan het Wereldbank Reconstructieprogramma ten behoeve van Bosnië, een extra schuldverlichting voor Rwanda en een noodhulpbijdrage aan Oost-Timor.

Binnen de HGIS is een bedrag van 101,9 miljoen betaald aan de International Development Association (IDA). Het betreft bijdragen aan de reguliere middelenaanvullingen van de IDA die oorspronkelijk gepland stonden voor begin januari 2000. De Tweede Kamer is hierover reeds geïnformeerd door middel van een brief van de minister van Financiën.

Conform de afspraken die zijn gemaakt tijdens het overleg tussen de regeringen van Nederland en van de Nederlandse Antillen begin december 1999 heeft Koninkrijksrelaties ca. 63 miljoen gestort op een geblokkeerde rekening van de Nederlandse Antillen bij de Bank van de Nederlandse Antillen ten behoeve van de wederopbouw van de Antillen na de orkanen Luis, Georges en Lenny.


______

GEMEENTEFONDS 1999


___________

UITGAVEN

Stand bij Najaarsnota 1999 (excl. IS) 23.973,0


1. Mee- en tegenvallers

Rijksbegroting in enge zin

diversen -6,9


-----------


-6,9


2. Beleidsmatige mutaties

Rijksbegroting in enge zin

diversen 0,2


-----------

0,2


3. Technische mutaties

Rijksbegroting in enge zin

diversen 1,5

Niet tot een ijklijn behorend

diversen 0,0


-----------

1,5

Totaal mutaties na de Najaarsnota 1999 -5,2

___________

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) 23.967,8

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) (EUR) 10.876,1

Totaal internationale samenwerking

___________

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) 23.967,8

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) (EUR) 10.876,1


___________

NIET-BELASTINGONTVANGSTEN

Stand bij Najaarsnota 1999 (excl. IS)


2. Beleidsmatige mutaties

Rijksbegroting in enge zin

diversen 0,2


-----------

0,2

Totaal mutaties na de Najaarsnota 1999 0,2

___________

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) 0,2

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) (EUR) 0,1

Totaal internationale samenwerking

___________

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) 0,2

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) (EUR) 0,1


______

INFRASTRUCTUURFONDS 1999


___________

UITGAVEN

Stand bij Najaarsnota 1999 (excl. IS) 10.504,3


1. Mee- en tegenvallers

Rijksbegroting in enge zin

beschikkingen railwegen -60,5

inkoopactiviteiten hsl -25,2

intermodaal vervoer -33,6

regionale/lokale infrastructuur -93,1

diversen -25,8


-----------


-238,2


3. Technische mutaties

Rijksbegroting in enge zin

betuweroute -58,0

diversen -9,8

Niet tot een ijklijn behorend

diversen 6,0


-----------


-61,8

Totaal mutaties na de Najaarsnota 1999 -299,9

___________

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) 10.204,4

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) (EUR) 4.630,6

Totaal internationale samenwerking

___________

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) 10.204,4

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) (EUR) 4.630,6


___________

NIET-BELASTINGONTVANGSTEN

Stand bij Najaarsnota 1999 (excl. IS) 10.378,5


1. Mee- en tegenvallers

Rijksbegroting in enge zin

diversen -58,0


-----------


-58,0


3. Technische mutaties

Rijksbegroting in enge zin

betuweroute -58,0

diversen -9,8

Niet tot een ijklijn behorend

diversen 6,0


-----------


-61,8

Totaal mutaties na de Najaarsnota 1999 -119,7

___________

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) 10.258,8

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) (EUR) 4.655,2

Totaal internationale samenwerking

___________

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) 10.258,8

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) (EUR) 4.655,2

Infrastructuurfonds

Naast het bevorderen van een integrale afweging van prioriteiten is de doelstelling van het Infrastructuurfonds het bevorderen van continuïteit van middelen voor infrastructuur. Op het Infrastructuurfonds worden de uitgaven en ontvangsten van de droge infrastructuur, de natte infrastructuur, de megaprojecten en enkele algemene uitgaven en ontvangsten begroot en verantwoord.

Het Infrastructuurfonds wordt gevoed door een bijdrage uit de begroting van V&W en uit een bijdrage van het Fonds Economische Structuurversterking (FES). Bij wijzigingen in de ramingen van ontvangsten en uitgaven van het Infrastructuurfonds treedt veelal ook een wijziging op in de uitgaven en ontvangsten van V&W en het FES.

Een vertraging in de afgifte van (aanvullende) beschikkingen bij Railwegen-projecten leidt tot het onbesteed blijven van middelen in 1999.

Door onder andere het uitstellen van een aantal inkoop-activiteiten dalen de uitgaven voor de HSL in 1999.

De lagere uitgaven Intermodaal Vervoer worden voornamelijk veroorzaakt door vertragingen bij de subsidieregeling rondom Regionale terminals, en het nog geen toestemming hebben gekregen van de Europese Commissie voor uitvoering bij het project RSC Waalhaven/Maasvlakte.

De lagere uitgaven Regionale/lokale infrastructuur worden verklaard door minder declaraties door gemeenten voor de projecten in het kader van Duurzaam Veilig, en door onderuitputting bij de Gebundelde Doeluitkering voor kleine infrastructuurprojecten.

De lagere ontvangsten vanuit het FES aan de Betuweroute in 1999 zijn het gevolg van een vertraging bij het verstrekken van opdrachten aan de NS. Het in 1999 verwachte bedrag wordt doorgeschoven naar latere jaren. De totaalplanning van de Betuweroute ondervindt geen vertraging.


______

FONDS ECONOMISCHE STRUCTUURVERSTERKING 1999


___________

UITGAVEN

Stand bij Najaarsnota 1999 (excl. IS) 3.013,5


3. Technische mutaties

Niet tot een ijklijn behorend

betuweroute (if) -58,0

diversen -28,3


-----------


-86,3

Totaal mutaties na de Najaarsnota 1999 -86,2

___________

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) 2.927,3

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) (EUR) 1.328,4

Totaal internationale samenwerking

___________

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) 2.927,3

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) (EUR) 1.328,4


___________

NIET-BELASTINGONTVANGSTEN

Stand bij Najaarsnota 1999 (excl. IS) 1.811,0


3. Technische mutaties

Niet tot een ijklijn behorend

diversen -27,5


-----------


-27,5

Totaal mutaties na de Najaarsnota 1999 -27,5

___________

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) 1.783,5

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) (EUR) 809,3

Totaal internationale samenwerking

___________

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) 1.783,5

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) (EUR) 809,3

FES

Het Fonds Economische Structuurversterking (FES) is een verdeelfonds. Het kasritme van de FES-uitgaven wordt bepaald door de financieringsbehoefte van goedgekeurde FES-projecten, uiteraard passend binnen de budgettaire randvoorwaarden van de FES-Wet. Het grootste deel van de uitgaven is bestemd voor Infrastructuur.

De uitdeling van de middelen voor de Betuweroute is in 1999 lager dan was gepland als gevolg van een vertraging bij het verstrekken van opdrachten aan de NS. Het voor 1999 gereserveerde bedrag wordt doorgeschoven naar latere jaren. De totaal planning van de Betuweroute ondervindt geen vertraging.


______

AOW-SPAARFONDS 1999


___________

NIET-BELASTINGONTVANGSTEN

Stand bij Najaarsnota 1999 (excl. IS) 5.035,5


3. Technische mutaties

Niet tot een ijklijn behorend

diversen -11,8


-----------


-11,8

Totaal mutaties na de Najaarsnota 1999 -11,8

___________

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) 5.023,7

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) (EUR) 2.279,7

Totaal internationale samenwerking

___________

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) 5.023,7

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) (EUR) 2.279,7


______

BELASTINGAFDRACHTEN AAN DE EUROPESE UNIE 1999


___________

UITGAVEN

Stand bij Najaarsnota 1999 (excl. IS) 7.272,0


1. Mee- en tegenvallers

Rijksbegroting in enge zin

realisatie btw-afdrachten 51,0

diversen 17,0


-----------

68,0

Totaal mutaties na de Najaarsnota 1999 68,0

___________

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) 7.340,0

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) (EUR) 3.330,7

Totaal internationale samenwerking

___________

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) 7.340,0

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) (EUR) 3.330,7

Belastingafdrachten aan de Europese Unie

De BTW-afdrachten aan de Europese Unie vallen 51 miljoen hoger uit dan geraamd bij Najaarsnota.


______

ALGEMEEN 1999


___________

UITGAVEN

Stand bij Najaarsnota 1999 (excl. IS) 552,3


2. Beleidsmatige mutaties

Rijksbegroting in enge zin

milieu-/co2-projecten -43,9

diversen -50,4


-----------


-94,3


3. Technische mutaties

Rijksbegroting in enge zin

restauratie rijksmuseum Amsterdam -100,0

Niet tot een ijklijn behorend

btw openbaar vervoer -364,9

diversen -6,0


-----------


-470,9

Totaal mutaties na de Najaarsnota 1999 -565,0

___________

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) -12,7

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) (EUR) -5,8

Totaal internationale samenwerking 12,7

___________

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) 0,0

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) (EUR) 0,0


___________

NIET-BELASTINGONTVANGSTEN

Stand bij Najaarsnota 1999 (excl. IS) -19,0


2. Beleidsmatige mutaties

Rijksbegroting in enge zin

diversen 18,9


-----------

18,9

Totaal mutaties na de Najaarsnota 1999 19,0

___________

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) 0,0

Stand Voorlopige rekening 1999 (excl. IS) (EUR) 0,0

Totaal internationale samenwerking

___________

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) 0,0

Stand Voorlopige Rekening 1999 (incl. IS) (EUR) 0,0

Algemeen

Op deze aanvullende post staan middelen gereserveerd waarvan op het moment van reservering nog niet expliciet kan worden aangegeven op welke begrotingen zij uiteindelijk zullen worden verantwoord (bijvoorbeeld de Regeerakkoordintensiveringen). Daarnaast staan op de aanvullende post taakstellingen geparkeerd die uiteindelijk door de diverse begrotingen ingevuld worden (bijvoorbeeld de ramingstechnische veronderstelling in = uit bij de eindejaarsmarge). De aanvullende post wordt bij Voorlopige Rekening volledig leeggeboekt.

De middelen die op de aanvullende post gereserveerd staan voor het klimaatbeleid en het CO2-reductieplan zijn niet volledig toegedeeld aan de betrokken ministeries.

Bij Najaarsnota is een reservering voor de restauratie van het Rijksmuseum getroffen in afwachting van het nadere overleg over de exacte vormgeving en verwerking. Bij Voorlopige Rekening is dit bedrag van 100 miljoen overgeheveld naar de begroting van OCenW.

Op de aanvullende post is een raming opgenomen voor BTW-uitgaven in het openbaar vervoer. Het betreft voornamelijk uitgaven voor lokale en regionale infrastructuur, de exploitatie van het openbaar vervoer en de projecten HSL-zuid en de Betuweroute. Verkeer en Waterstaat krijgt op declaratiebasis compensatie voor BTW-uitgaven. Voor 1999 is door dit ministerie minder beroep gedaan op deze reservering dan in de raming was voorzien.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie