Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Tweede Kamer: evaluatieonderzoek agrarisch seizoenwerk 1999

Datum nieuwsfeit: 29-02-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

szw00000.263 brief sts szw t.g.v. evaluatieonderzoek agrarisch seizoen werk 1999

Gemaakt: 2-3-2000 tijd: 11:30


4

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer

der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 29 februari 2000

Onderwerp

Evaluatieonderzoek

Agrarisch seizoenwerk 1999

Bij brief van 25 februari 1999 heb ik u geïnformeerd over de ontwikkelingen rondom het seizoenwerk in de agrarische sector en het besluit van het Lisv om de Wet Premieregime bij marginale arbeid (PMA) niet langer van toepassing te laten zijn op huisvrouwen, scholieren en studenten. De wet PMA is nu alleen nog maar van toepassing bij de inzet van uitkerings-gerechtigden. In deze brief heb ik ook aangegeven dat de evaluatie van de wet PMA zich nu in brede zin zou richten op de personeelsvoorziening bij seizoenwerk in 1999. Deze evaluatie werd in februari 2000 afgerond. Hierbij bied ik u het betreffende onderzoeks-rapport aan.

De resultaten van het onderzoek

Het onderzoek richt zich op de vraag in hoeverre er in 1999 sprake was van personeels-voorzieningsproblemen bij agrarisch seizoenwerk en wat de omvang en de achtergronden van deze problemen waren. Daarnaast is onderzocht in hoeverre de beschikbare regelingen (CAO-afspraken over de toepassing van minimumloonschalen, vrijstelling bedrijfstak-premies en de wet PMA voor uitkeringsgerechtigden) toegepast zijn en in welke mate zij effectief waren. De evaluatie was gericht op de teelt en oogst van asperges, aardbeien, fruit en bloembollen.

Studies in het verleden wezen uit dat slechts een klein gedeelte van de bedrijven moeite had om vacatures te vervullen. De onderhavige studie wijst uit dat een substantieel deel van de bedrijven aangeeft meer dan voorheen knelpunten te ervaren bij de personeelsvoorziening. Circa 40% tot 45% van de bedrijven in de aspergeteelt, de bollenteelt en de aardbeienteelt heeft problemen om seizoenvacatures te vervullen. In de fruitsector ligt het aandeel bedrijven met problemen lager, namelijk op 28%. In totaal konden naar schatting 3300 tot 3900 vacatures niet vervuld worden, wat overeenkomt met circa 5% van de totale vraag. De personeelsvoorzieningsproblemen worden in een brede kring van tuinders ervaren en beperken zich niet tot een kleine groep van bedrijven. Veel tuinders verwachten dat de knelpunten in de personeelsvoorziening in 2000 verder zullen toenemen.

De door werkgevers ervaren vacatureproblemen kunnen volgens de onderzoekers vooral verklaard worden door een afname van het aanbod van «de traditionele» seizoenwerkers (huisvrouwen/-mannen, studenten/scholieren). In de enquêtes is door werkgevers vrij unaniem aangegeven dat huisvrouwen en scholieren (de belangrijkste groep werknemers om seizoenwerk te vervullen) zich minder beschikbaar stellen. In de bollensector is daarnaast ook nog sprake geweest van een structurele uitbreiding van het areaal en van de vraag naar seizoenkrachten. De reden waarom huisvrouwen en scholieren zich minder beschikbaar stellen voor agrarisch seizoenwerk wordt door de tuinders verklaard door de schaarste op de arbeidsmarkt en door de toegenomen welvaart: zij kunnen elders (aantrekkelijker) werk vinden, of zij hebben de verdiensten niet meer nodig.

De onderzoekers concluderen dat de toegenomen problemen om vacatures te vervullen, zich niet beperken tot de agrarische sector. De krapte op de arbeidsmarkt manifesteert zich in praktisch alle branches. De agrarische sector moet nu meer dan voorheen concurreren met andere branches op de kwaliteit van de vacatures (arbeidsomstandigheden, beloning en arbeidsvoorwaarden).

Op zich verwondert het mij dat de tuinders grotere vacatureproblemen ervaren, omdat de sector in tegenstelling tot andere branches gebruik heeft kunnen maken van de inzet van asielzoekers. Tot op heden is het aanbod van asielzoekers steevast groter geweest dan de vraag naar deze werknemers. Dit aanbod lijkt evenwel, gelet op de in het onderzoek naar voren gekomen voorkeuren van de tuinders, het afnemend aanbod van huisvrouwen en scholieren onvoldoende te kunnen compenseren.

De onderzoekers bevelen dan ook aan dat bij wervingsinspanningen de aandacht mede gericht is op noodzakelijke integrale benadering van technologische innovatie, arbeids-omstandigheden, - voorwaarden en beloning en de organisatorische rol en verant-woordelijkheid van de sector.

In 1999 zijn door Arbeidsvoorziening geen tewerkstellingsvergunningen verleend voor Oost-Europees aanbod. Zou, al dan niet via Eures, geen prioriteitgenietend aanbod kunnen worden gegenereerd, dan kunnen (indien ook overigens aan de Wet arbeid vreemdelingen wordt voldaan) tewerkstellingsvergunningen worden verleend.

De vraag of voldoende prioriteitgenietend aanbod aanwezig is, kan volgens de onderzoekers op grond van de onderzoeksresultaten en binnen de onderzochte kaders niet eenduidig worden beantwoord. Door de concurrentie van andere branches, is prijs een variabele geworden bij de beschikbaarheid van aanbod. Bij een hoger loon kunnen sommige inter-mediairs meer werknemers werven. Een knelpunt is dat veel agrarische bedrijven negatieve bedrijfsresultaten laten zien, waardoor de ruimte om lonen te verhogen volgens werkgevers onder druk staat. Prioriteitgenietend aanbod lijkt in het algemeen, afhankelijk te zijn van de periode in het jaar, van de plaats, van de aard van de werkzaamheden en de teelt, van de loonhoogte en de aantrekkelijkheid van de werkzaamheden.

Voor wat betreft de illegale tewerkstelling had men de afgelopen jaren de indruk dat deze vooral beperkt was tot een kleine groep notoire overtreders. Op basis van de bevindingen in het huidige onderzoek lijkt de conclusie gerechtvaardigd dat illegale tewerkstelling zich nadrukkelijk heeft uitgebreid. Het aantal illegaal tewerkgestelde seizoenkrachten (voor de vier onderzochte vormen van seizoenwerk) wordt voorzichtig geschat op 7000 tot 8000.

Voldoende gegevens ontbreken echter om over de omvang van het verschijnsel illegale arbeid oorzakelijke conclusies te trekken.

De CAO-regelingen gelegenheidswerk zijn in 1999 in dezelfde mate toegepast als de PMA-regeling in 1998. In 1999 zijn de nieuwe CAO-regelingen bij circa bij 98.000 dienst-verbanden (85.000 personen) toegepast. Dit lijkt min of meer vergelijkbaar met het aantal PMA-beschikkingen in 1998. De toepassing van de CAO-regelingen leidt tot een reductie van de loonkosten met circa 25% omdat de bedrijfstakpremies niet behoeven te worden afgedragen en er een lager wachtgeldpremiepercentage wordt toegepast. Indien de PMA-regeling wordt toegepast, leidt dit zelfs tot een afname van de loonkosten met
35%. Alhoewel de loonkosten voor seizoenkrachten nu hoger uitvallen dan onder de oude PMA-regeling wordt de regeling per saldo positief beoordeeld door de werkgevers omdat de werknemer flexibeler (3 maal per jaar) en langer (8 in plaats van 6 weken) ingezet kan worden. De door de sector ingevoerde maatregelen (bedrijfstakregeling) lijken voor wat betreft het arbeidskostenvoordeel voor de werkgevers op de Wet PMA dan ook een goed alternatief. Hoewel de oude PMA-regeling wel deze mogelijkheid bood, verdisconteren werkgevers de voordelen van beide regelingen nauwelijks in het netto loon, waardoor geen van beide regelingen in de praktijk de werknemers stimuleren om in deze sector seizoen-werk te gaan verrichten.

De wet PMA geldt sinds maart 1999 alleen nog voor uitkeringsgerechtigden. In 1997 en 1998 werd voor respectievelijk 1600 en 1300 uitkeringsgerechtigden premievrijstelling op grond van de wet PMA aangevraagd. Uit het onderzoek komt op basis van de enquête-gegevens naar voren dat in 1999 tussen de 1300 en 1500 uitkeringsgerechtigden zijn ingezet bij seizoenwerk. Voor circa 400 van deze uitkeringsgerechtigden is premievrijstelling op grond van de wet PMA aangevraagd en voor het overige is premievrijstelling op grond van de CAO-regelingen verstrekt. Het GUO heeft in de voorlichting niet meer gewezen op de mogelijkheid om voor uitkeringsgerechtigden de hogere premievrijstelling op grond van de wet PMA aan te vragen.

Beleidsconclusies

Gezien de krapte op de arbeidsmarkt en het feit dat het aanbod van «traditionele» seizoen-werkers lijkt te zijn afgenomen zal de aandacht van sociale partners en overheid zich moeten richten op aanbod verruimende maatregelen. Het kunnen verrichten van arbeid door asiel-zoekers en de recent in overleg met de LTO -Nederland en Arbeidsvoorziening ontworpen brochure over de wervingsmogelijkheden van seizoenswerkers, spelen hierop in. In het kader van de primaire verantwoordelijkheid van de sector kan, blijkens het onderzoek, nog het nodige ontwikkeld worden. Ik zal daarom de LTO het onderzoeksrapport doen toe-komen.

Overigens acht ik het thans te vroeg om een eventuele intrekking van de Wet PMA (voor uitkeringsgerechtigden) te overwegen. Alhoewel de nieuwe CAO-regelingen in dezelfde mate zijn toegepast als voorheen de wet PMA, moet tevens geconstateerd worden dat de personeelsvoorzieningsproblematiek bij agrarisch seizoenwerk in de beleving van de tuinders is toegenomen.

Naar ik heb begrepen zal de Sectorraad Agrarisch de CAO-regelingen binnenkort evalueren en zullen de CAO-partners tijdens de komende CAO-onderhandelingen opnieuw overeen moeten komen of ze de regelingen in deze of een andere vorm zullen continueren. Ik wil deze onderhandelingen afwachten en vervolgens bezien of de CAO-regelingen ook op de lange termijn nog voldoende aanbod kunnen blijven genereren. Daarnaast kan gesteld worden dat de sector geen enkel financieel nadeel ondervindt van handhaving van de regeling omdat deze bekostigd wordt vanuit het AWF en de kosten ervan volledig gecompenseerd worden door besparingen op de uitkeringen. Indien door het GUO bij de uitvoering van de CAO-regelingen tevens bekeken wordt of de uitkeringsgerechtigde aan de voorwaarden van de wet PMA voldoet, zal het in een aantal gevallen ook aantrekkelijk blijven om de wet PMA te toe te passen. Het hogere loonkostenvoordeel van de wet PMA kan in dat geval voor werkgevers een extra stimulans zijn om ook uitkeringsgerechtigden in te schakelen.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken

en Werkgelegenheid,

(J.F. Hoogervorst)

Bijlage(n) niet elektronisch beschikbaar

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie