Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Lijst vragen en antwoorden over exploitatiekosten onderwijs

Datum nieuwsfeit: 29-02-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

26979000.002 lijst van vr-antw inzake de voorhang van de regeling expl oitatiekosten voortgezet onderwijs
Gemaakt: 1-3-2000 tijd: 11:28

26 979 Regeling exploitatiekosten scholen VWO-HAVO-MAVO-VBO- LWOO-praktijkonderwijs schooljaar 2000-20001

nr. 2

Lijst van vragen en antwoorden

vastgesteld 29 februari 2000

De vaste Commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen1 heeft een aantal vragen voorgelegd aan de regering over de brief van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen d.d. 20 januari 2000 (Kamerstuk 26 979 nr. 1) betreffende de voorhang van de regeling exploitatiekosten voortgezet onderwijs.

De regering heeft deze vragen bij brief van 23 februari 2000.

De vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie,

Van der Hoeven

De griffier van de commissie,

Mattijssen

VRAGEN

Waarom wijkt de vergoeding per leerling in artikel 4 lid 6 van de Regeling exploitatiekosten voortgezet onderwijs voor wat betreft het vbo landbouw en natuurlijke omgeving zozeer af van de andere vergoedingen in het VBO, hetgeen ook blijkt uit de bijlage bij de algemene toelichting?

Hoe verhoudt verticale scholengemeenschap vergoeding nieuw zich tot oud?

Gelet op de motie Cornielje inzake gelijke behandeling van brede en verticale scholen-gemeenschappen is de vraag waarom de artikelen 2 en 3 van de Regeling niet van toepassing zijn op verticale scholengemeenschappen, zoals blijkt uit het de Inleiding van de algemene toelichting, paragraaf Verticale scholengemeenschappen. Hoe werkt deze wijziging uit op de bekostiging van brede èn verticale scholengemeenschappen?

Het vergoedingsbedrag voor leerlingen in leerjaar 1 en 2 VWO/AVO (en VBO) bedraagt per jaar 1012 gulden en voor leerlingen in de leerjaren 3 t/m 6 VWO/AVO 806 gulden. Dit is voor schoonmaak, de instandhouding van schoolgebouwen en voor overige exploitatiekosten. Wat is de reden voor dit grote verschil in vergoedingsbedragen, terwijl juist «dure» vakken als natuurkunde, scheikunde, biologie, handvaardigheid en tekenen in de hogere leerjaren aan de orde komen? In de leerjaren 1 en 2 staan daar slechts techniek en verzorging tegenover.

Wat is de verklaring voor het feit dat de vergoedingskosten in verband met schoonmaken en beheer voor oudere leerlingen respectievelijk 57 en 45 gulden lager zijn dan voor leerlingen in de eerste twee leerjaren?

Klopt het dat voorgaande verschillen vooral bij scholen met een kleine onderbouw en een grote bovenbouw erg negatief uitwerken? Bij hoeveel scholen voor VO is dit het geval? En om wat voor een bedragen gaat het dan?
Hoeveel scholen hebben juist een grote onderbouw en een kleine bovenbouw?
Zijn er voornemens om (op termijn) deze verschillen tussen onder- en bovenbouw te verkleinen? Zo nee, waarom niet?

ANTWOORDEN


1. Antwoord

Op 20 december 1999 heb ik op de vraag van de heer Mosterd van 29 november 1999 geantwoord dat er verwaarloosbare verschillen bestaan tussen de tarieven voor categoriaal vmbo-groen en vmbo-groen aan vo-scholengemeenschappen (zie mijn brief met als kenmerk VO/FB/1999/51836).

Eveneens kan gesteld worden dat deze tarieven niet afwijken van die voor het vmbo-groen aan AOC's. Met andere woorden: de tarieven voor de gehele sector vmbo-groen zijn nagenoeg aan elkaar gelijk, maar wijken wel af van die van de andere sectoren.

Daarnaast heb ik in eerder genoemde brief meegedeeld dat, voorafgaand aan de ingrijpende stelselwijziging van de bekostigingssystematiek van de materiële exploitatiekosten, er door een adviescommissie (genoemd naar haar voorzitter de commissie Kolthoff) onderzoek is gedaan naar de gewenste hoogte van de vergoedingen. De vergoeding per leerling varieert, in samenhang met de opbouw in het onderzoek van Kolthoff, per schoolsoort c.q. per vbo-afdeling en voor onder- en bovenbouw. Op die basis heeft de invoering van het bekostigingssysteem van de exploitatiekosten plaatsgevonden: het huidige stelsel grijpt hierop dan ook nog steeds terug.


2. Antwoord

De exploitatiekostenvergoeding van vo-leerlingen aan een verticale scholengemeenschap is voor het schooljaar 2000-2001 in principe gelijk gebleven aan de vergoeding voor het schooljaar 1999-2000.

Met dien verstande dat natuurlijk de verhoging van de vergoedingsbedragen voor alle categorieën in het voortgezet onderwijs (voor prijsbijstelling, de klachtencommissie, de overgang van vraag- naar aanbod- financiering van onderwijsondersteuning en studie- en beroepskeuzebegeleiding) ook van toepassing zijn op de vergoedingsbedragen van vo-leerlingen aan een verticale scholengemeenschap. Deze verhogingen zijn toegelicht in de Regeling exploitatiekosten schooljaar 2000-2001 en in de Regeling loon- en prijsbijstelling exploitatiekostenvergoeding 1999.

Wel is met betrekking tot de juridische grondslag iets gewijzigd.

De vergoeding voor het schooljaar 1999-2000 voor alle scholen in het voortgezet onderwijs, dus inclusief de verticale scholengemeenschappen, is geregeld in de artikelen 2 t/m 7 van de Regeling exploitatiekosten schooljaar 1999-2000.

Echter, met betrekking tot de bekostiging van de vo-leerlingen aan een verticale scholengemeenschap is in die regeling in artikel 6 opgenomen dat voor deze leerlingen de vergoeding in artikel 2 en een deel van de vergoeding in artikel 3 niet van toepassing zijn.

Deze uitsluiting van een deel van de exploitatiekostenvergoeding voor verticale scholengemeenschappen is ook op de nu voorliggende regeling van toepassing. Er is dus op dit punt geen wijziging doorgevoerd. Maar omdat de uitsluiting inmiddels is opgenomen in het Bekostigingsbesluit W.V.O. (gewijzigd door Stb. 1999, 405), is het betreffende artikel 6 van de vorige regeling komen te vervallen.


3. Antwoord

De bekostiging van brede en verticale scholengemeenschappen is alleen verschillend met betrekking tot de vergoeding voor de huisvestingskosten (zie hiervoor ook het antwoord op de vorige vraag). Een verschil in bekostiging dat overigens ook al voorgaande jaren gold.

De verschillende behandeling van brede en verticale scholengemeenschappen op het punt van de huisvesting, is als volgt te verklaren.

Het bevoegd gezag van een ROC, dus inclusief het vo-gedeelte in geval van een verticale scholengemeenschap, is zelf volledig verantwoordelijk voor de huisvesting.

Het bevoegd gezag van de brede scholengemeenschap deelt deze huisvestingsverantwoordelijkheid met de gemeente. Dit komt vanzelfsprekend in de bekostiging ook tot uitdrukking.

Voor de vo-leerlingen aan een verticale scholengemeenschap wordt weliswaar op basis van de exploitatiekostenvergoeding voor het voorgezet onderwijs geen vergoeding voor huisvesting ontvangen (zie ook het antwoord op de vorige vraag). Daar tegenover staat wel dat voor die leerlingen een vergoeding voor huisvesting wordt toegekend op basis van de Uitvoeringsregeling WEB (UWEB). Deze vergoeding op basis van de UWEB is hoger dan de vergoeding voor huisvesting in het voortgezet onderwijs, aangezien de verticale scholengemeenschap ook volledig verantwoordelijk is voor de huisvesting.


4. Antwoord

Het materiële vergoedingenstelsel (BSM) is ingevoerd in 1993. Het is aanzienlijk globaler als het voorafgaande declaratiestelsel. Evenals de personele lumpsum is de BSM-vergoeding normatief. In tegenstelling tot het voorafgaande declaratiestelsel kent het een beperkt aantal tarieven: onderbouw, bovenbouw van het vwo/havo/mavo en diverse afdelingen in het vbo. Leerlingen moeten te onderscheiden zijn. Waar dat niet het geval is, wordt één tarief gehanteerd.

Bij de invoering van de basisvorming is het onderbouwtarief gefaseerd verhoogd. Dit gebeurde omdat over de volle breedte van de onderbouw de nieuwe vakken techniek, verzorging en informatiekunde werden ingevoerd en omdat de invoering van de basisvorming gepaard ging met een toename van het aantal lesuren (de zogenaamde 30/32-maatregel).

Daarnaast is bij de vereenvoudiging van BSM, met ingang van het schooljaar 1999-2000, het onderbouwtarief voor brede scholengemeenschappen c.q. voor categoriale vbo-scholen gelijk getrokken met het onderbouwtarief voor het vwo/havo/mavo.

Dit betekende een verhoging van het onderbouwtarief voor het vwo/havo/mavo.

Over deze vereenvoudiging is uitgebreid overleg gevoerd met de besturenorganisaties, die er ook mee hebben ingestemd.

Wel is het op zich juist dat de genoemde «duurdere» vakken in de bovenbouw aan de orde komen. Deze vakken komen echter ook voor in de basisvorming, waar zij in tegenstelling tot in de bovenbouw, door alle leerlingen worden gevolgd.

Dit alles resulteert in een hoger tarief voor de onderbouw dan voor de bovenbouw vwo/havo/mavo.


5. Antwoord

Bij de beantwoording van vraag 5 ben ik ervan uitgegaan dat de vaste Commissie heeft bedoeld dat de vergoeding voor schoonmaken in de onderbouw f. 57,- hoger ligt dan in de bovenbouw vwo/havo/mavo. En dat de vergoeding voor de instandhouding van de gebouwen in de onderbouw f. 35,- hoger ligt dan in de bovenbouw vwo/havo/mavo.

Dit verschil heeft onder andere te maken met de invoering van de basisvorming (zie ook het antwoord op vraag 4). Over de volle breedte van de onderbouw van het voortgezet onderwijs wordt nu onderwijs gegeven in de vakken techniek, verzorging en informatiekunde en bovendien worden er meer uren les gegeven in de onderbouw dan voorheen. Eerder genoemde vakken kenmerken zich door veel «praktisch» werk, gebruikmakend van veelal een apart lokaal en specifieke apparatuur. Dit vertaalt zich in een grotere huisvestingsbehoefte (en daaraan gekoppeld een hogere vergoeding voor de instandhouding van de gebouwen) en hogere schoonmaakkosten.


6. Antwoord

Het is juist dat scholen met een grote boven- en een kleine onderbouw vwo/havo/mavo gemiddeld per leerling een lagere materiële exploitatiekostenvergoeding ontvangen dan andere scholen. Zoals boven aangegeven staan daar ook normatief gezien lagere kosten tegenover.

Het aantal scholen met een grote bovenbouw en kleine onderbouw vwo/havo/mavo is relatief beperkt en wisselt per jaar.

BSM is een normatief vergoedingenstelsel dat globaal van karakter is en een beperkt aantal tarieven kent. Kenmerkend voor een normatief stelsel is dat er altijd scholen zullen zijn die qua uitgaven positief dan wel negatief zullen afwijken van de normatieve vergoeding.

Bij de evaluatie van BSM (1996/1997) is uitvoerig bij het stelsel stilgestaan (met de besturenorganisaties en met de Kamer) en is de BSM-systematiek unaniem onderschreven.

Gelet op bovengenoemde aspecten ben ik niet voornemens de verschillen tussen de tarieven in de onder- en bovenbouw van het vwo/havo/mavo aan te passen.


1) Samenstelling:

Leden

Schutte (GPV)

Van der Vlies (SGP)

Van de Camp (CDA)

Van der Hoeven (CDA), voorzitter

Rabbae (GL)

Lambrechts (D66)

Dittrich (D66)

Cornielje (VVD)

De Vries (VVD)

Dijksma (PvdA)

Van Zuijlen (PvdA)

Cherribi (VVD)

Rehwinkel (PvdA), ondervoorzitter

Passtoors (VVD)

Belinfante (PvdA)

Kortram (PvdA)

Ross-van Dorp (CDA)

Hamer (PvdA)

Nicolaï (VVD)

Van Bommel (SP)

Barth (PvdA)

Halsema (GL)

Orgü (VVD)

Wijn (CDA)

Eurlings (CDA)

Plv. leden

Stellingwerf (RPF)

Schimmel (D66)

Mosterd (CDA)

Atsma (CDA)

Harrewijn (GL)

Bakker (D66)

Ravestein (D66)

E. Meijer (VVD)

Van Baalen (VVD)

Valk (PvdA)

De Cloe (PvdA)

Udo (VVD)

Van der Hoek (PvdA)

Gortzak (PvdA)

Middel (PvdA)

Schreijer-Pierik (CDA)

Spoelman (PvdA)

Brood (VVD)

Poppe (SP)

Arib (PvdA)

Blok (VVD)

Vendrik (GL)

Rijpstra (VVD)

Verhagen (CDA)

Visser-van Doorn (CDA)

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie