Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Antwoord Peper (BZK) op kamervragen over invoering USZO

Datum nieuwsfeit: 01-03-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

bzk00000.271 brief min bzk t.g.v. antwoorden op door de cie gestelde v ragen inzake uszo
Gemaakt: 6-3-2000 tijd: 9:44

Aan

de voorzitter en de leden van de Vaste Commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 1 maart 2000

Onderwerp

Vragen over rapportage OOW/USZO (verantwoording invoering OOW/USZO tot en met 1998)

Bij brief van 20 januari 2000 heeft u mij een aantal vragen gesteld over de verantwoording inzake de invoering van OOW/USZO tot en met
1998 (Kamerstukken II 1999/2000, 24 706, nr. 25). Hierbij doe ik u mijn antwoorden op de vragen toekomen. De antwoorden zijn tot stand gekomen in overleg met de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.


1. Wie had de verantwoordelijkheid tot het onderkennen en oplossen van het knelpunt van het gelijktijdig verbeteren van het primaire proces en het voorbereiden van de OOW? (blz. 4)

Dat was de verantwoordelijkheid van de minister van Binnenlandse Zaken. Die was verantwoordelijk voor het OOW-wetgevingsproces en de voorbereiding door USZO op een adequate uitvoering van de OOW. Ervan uitgaande dat een verantwoorde uitvoering van het primaire proces voorop staat, was het aan de minister van Binnenlandse Zaken om voor een oplossing te zorgen in geval van een knelpunt bij het gelijktijdig verbeteren van het primaire proces en het voorbereiden van de OOW. Die oplossing is gevonden in de beslissing in 1997 om de invoering van de WW en ZW uit te stellen en voorrang te geven aan de verbetering van het primaire proces.


2. In welke processen die binnen twee jaar zouden worden vervangen door OOW zijn geen grote investeringen gedaan en heeft dit geleid tot extra problemen in de uitvoering waar cliënten de dupe van zijn geworden? (blz. 4)

Het gaat hier om de uitvoering van de bestaande wachtgeldregelingen.

Dit punt is een belangrijke overweging geweest om, zoals hiervoor is aangegeven, in 1997 te besluiten de invoering van de WW en ZW uit te stellen. Hierdoor kon USZO zich richten op de bestaande wachtgeld-processen.


3. Is het verbeterde traject van het primaire proces op de meest snelle wijze doorlopen? (blz. 5)

Gezien de bevindingen in het aan u verstrekte rapport van PriceWaterhouseCoopers inzake het invoeringsproces, kan in ieder geval worden gesteld dat de verbetering van het primaire proces in voldoende mate en in een voldoende tempo heeft plaatsgevonden. Het gegeven dat in 1996 sprake was van een aantal slecht functionerende organisaties en dat nu de vergelijking met de performance van andere uvi's goed kan worden doorstaan, is in dit verband veelzeggend.


4. Waarom zijn de problemen in het primaire proces ontstaan en hadden die problemen door een andere werkwijze voorkomen kunnen worden? (blz.
5)

De problemen in het primaire proces zijn ontstaan in de periode vóór de oprichting van USZO. Van de vier onderdelen die per 1-1-1996 werden samengevoegd tot één organisatie, waren er drie met problemen in de uitvoering van het primaire proces. Door mij is niet exact per organisatie-onderdeel aan te geven waar die problemen vandaan kwamen. Feit is dat er, met uitzondering van het onderdeel DSZM, in 1996 geen goedkeurde accountantsverklaringen waren voor de samenstellende delen van USZO. Eind 1995 is (in overleg met de Tweede Kamer) vastgesteld dat een uitstel van de oprichting van USZO waarschijnlijk niet zou leiden tot een versnelling in de kwaliteitsverbetering van het primaire proces bij de onderdelen en is besloten tot de oprichting van de stichting USZO per 1-1-1996, waarbij in de startbrief aan USZO o.a. de opdracht is meegegeven om de processen te verbeteren. Achteraf kan worden worden geconstateerd dat dit een juiste keuze is geweest. Ik verwijs hiervoor ook naar het rapport van PriceWaterhouseCoopers.


5. Waarom voelt BZK zich gedwongen om de vordering op de debiteur NWO over te nemen? (blz. 6)

Zoals in mijn eerdere brief aan u is aangegeven, was het de bedoeling dat de invoeringsuitgaven werden betaald door de verschillende opdrachtgevers van USZO. BZK was in de periode tot en met 1998 verantwoordelijk voor de wijze van besteding van het invoeringsbudget. USZO was in opdracht van de minister van BZK belast met de incasso van de door de opdrachtgevers verschuldigde rekeningen.

In mijn brief aan u staat ook aangegeven dat er eind 1999 alle reden was om te komen tot een definitieve afronding en afrekening van het invoeringstraject tot en met 1998. Hierbij kon het niet zo zijn dat USZO, die `slechts' belast was met de incasso, bij de afrekening zou blijven zitten met een rekening van een debiteur. Om die reden heeft BZK met USZO afgerekend en de vordering op NWO overgenomen.


6. Heeft de toezegging van BZK aan OCenW om het project tot verbetering van de uitvoeringspraktijk bij USZO Groningen materieel te steunen de bedoeling gehad om OCenW te weerhouden te breken met USZO? (blz. 7)

Dat was niet de achterliggende bedoeling van de toezegging van BZK. Wel bestond de overtuiging dat, mede vanwege de toegenomen zakelijkheid tussen OCenW en USZO, het verbeteringsproject bij USZO Groningen van groot belang was voor de toekomst van USZO. Hetgeen met het verbeteringsproject werd beoogd, viel binnen de doelstellingen van het invoeringstraject inzake USZO. Vandaar de toezegging van BZK om dit project, zo mogelijk, materieel te steunen.


7. Er zijn zeer veel klachten geweest van mensen die vanuit een werknemerschap bij OCenW betrokken waren bij USZO. Is er voldoende gedaan om deze klachten te voorkomen en wie is de uiteindelijk verantwoordelijke voor de opgetreden problemen? (blz. 7)
Uiteindelijk is de minister van OCenW verantwoordelijk voor de uitvoering van de gevallen die zijn sector betreffen. Vandaar ook zijn inzet om met voortvarendheid te werken aan het verbeteren van de ontstane situatie. Zoals ook blijkt uit het rapport van PriceWaterhouseCoopers, hebben de inspanningen van OCenW resultaat gehad. Er kan dan ook worden gesteld dat er voldoende aan is gedaan om verdere klachten te voorkomen.


8. Kan de garantie worden gegeven dat de huidige USZO-organisatie de uitvoering van de Ziektewet en WW per 1-1-2001 volledig aankan, zodat er geen problemen voor burgers zullen ontstaan die met deze uitvoeringsorganisatie te maken krijgen en zal de invoeringsdatum van
1-1-2001 worden opgeschort wanneer deze garantie niet kan worden gegeven? (blz.1)

Op dit moment is nog geen garantie te geven. Wel is duidelijk dat, wanneer later dit jaar blijkt dat de invoering uitvoeringstechnisch niet verantwoord is, niet zal worden overgegaan tot invoering per
1-1-2001. Er is in het voorbereidingstraject vanuit de uitvoering reeds een aantal knelpunten geconstateerd. Om de invoeringsrisico's te beperken, dient een gelijktijdige invoering van de WW voor nieuwe werklozen en omzetting van de lopende wachtgelduitkeringen te worden voorkomen. Vandaar dat de gedachten uitgaan naar een gefaseerde invoering van de WW: voor de nieuwe gevallen per 1-1-2001 en voor de lopende gevallen op een later moment. Zodra de besluitvorming over een gefaseerde invoering is afgerond, zal ik de Tweede Kamer hierover informeren.

DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES,

A. Peper

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie