Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Verslag overleg commissie over de Europese raad van Lissabon

Datum nieuwsfeit: 01-03-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal


21501020.112 vao inzake de europese raad van lissabon
Gemaakt: 6-3-2000 tijd: 10:44


21501-20 Europese Raad

nr. 112 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 1 maart 2000

De algemene commissie voor Europese Zaken<1>, de vaste commissie voor Economische Zaken<2> en de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid<3> hebben op 16 februari 2000 overleg gevoerd met minister Jorritsma-Lebbink van Economische Zaken, minister De Vries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en staatssecretaris Benschop van Buitenlandse Zaken over:


- de brief en de notitie van de staatssecretaris van Buitenlandse Zaken van 17 december 1999 inzake de voorbereiding van de bijzondere Europese Raad van Lissabon (23 en 24 maart 2000) (21501-20, nr. 110);

- de brief van de staatssecretaris van Buitenlandse Zaken van 11 februari 2000 inzake het Nederlandse standpunt voor de Europese Raad van Lissabon (21501-20, nr. 111).

Van dit overleg brengen de commissies bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissies

Mevrouw Voûte-Droste (VVD) onderschreef op zich het belang van bevordering van innovatie en kennis, maar benadrukte dat de daarop betrekking hebbende plannen aan vier criteria dienen te voldoen:


1. het subsidiariteitsbeginsel moet vooropstaan;

2. de plannen mogen niet leiden tot het rondpompen van geld;

3. er mag geen sprake zijn van papieren werkgelegenheidsplannen;

4. er mag geen sprake zijn van nieuwe bevoegdheden of extra geld voor de EU.

De Europese Commissie kan richtlijnen en criteria vaststellen, maar daarbij moet het gaan om een zeer lichte vorm van coördinatie, die zich met name richt op het regelen van het grensoverschrijdend verkeer.

Ter verbetering van het ondernemingsklimaat en de concurrentiepositie van Europa en ter stimulering van innovatie verzocht mevrouw Voûte de regering om zich in te zetten voor een marktwerking-, deregulering en wetgevingsoperatie (MDW-operatie) op Europees niveau. Op het punt van de terugdringing van de administratieve lasten worden naar haar mening te weinig activiteiten ontplooid in het kader van het project Simplification legislation internal market (SLIM). In dit verband vroeg zij een inventarisatie van de door Europese regels veroorzaakte administratieve lasten.

Mede ter bevordering van de deelname aan de arbeidsmarkt en de elektronische handel pleitte mevrouw Voûte voor vaststelling van een "ICT-aanvalsplan". Zal zo'n plan aan de orde komen bij de door Nederland en Portugal georganiseerde conferentie in Noordwijk op 10 en
11 maart 2000 en zal de Kamer worden geïnformeerd over de conclusies van die conferentie?

Daarnaast achtte mevrouw Voûte het van belang om ook op Europees niveau over te gaan tot een activerend en dynamiserend socialezekerheidsbeleid, dat deuren naar werk opent en mensen die nu nog uitgesloten zijn van de arbeidsmarkt daardoor in staat stelt tot deelname aan de samenleving. In dit verband stelde zij voor om de in haar ogen betuttelende term "sociale insluiting" te vervangen door "sociale participatie".

Het belang van levenslang leren en verbetering van het onderwijs werd door mevrouw Voûte onderschreven, maar met het oog op het belang van het subsidiariteitsbeginsel, vroeg zij wat met "één Europese onderwijsruimte" wordt bedoeld. De lidstaten van de EU zijn immers zelf verantwoordelijk voor doelmatige investeringen in het onderwijs. Netwerken van kennis zijn nuttig, maar het mag niet zo zijn dat de Europese Commissie extra geld krijgt voor onderwijs en onderzoek.

In dit verband benadrukte mevrouw Voûte het belang van wederzijdse erkenning van diploma's. Zij drong erop aan om de belemmeringen op dat punt met name via "benchmarking", maar ook via wederzijdse stimulering door "peer pressure" en het overnemen van "best practices" te identificeren en weg te nemen.

Mevrouw Voûte betreurde dat in de voorliggende stukken geen aandacht wordt besteed aan het regelen van BTW op aankopen via internet en aan de belangrijke doelmatigheidsbevorderende rol die de overheid als veeleisende klant kan spelen.

Mevrouw Bussemaker (PvdA) constateerde dat de Europese Raad van Lissabon een goede kans biedt voor verdere coördinatie en stimulering van het Europese economische en sociale beleid en het werkgelegenheidsbeleid. Er moet inderdaad worden gewaakt voor bureaucratisch papierwerk, maar tot nu toe heeft bijvoorbeeld het werkgelegenheidsbeleid wel degelijk een goede bijdrage geleverd aan benchmarking en peer pressure, waardoor op dit terrein een duidelijke Europese visie in ontwikkeling is. Het gaat niet om de vorming van een nieuw Europees fonds, want het voeren van een goed sociaal beleid blijft de verantwoordelijkheid van de nationale overheden; door op Europees niveau over sociaal beleid te discussiëren worden lidstaten er echter wel toe uitgedaagd om ook op dat terrein de noodzakelijke verbeteringen door te voeren.

Naar aanleiding van de brief van 12 februari sprak mevrouw Bussemaker haar tevredenheid uit over de daarin vormgegeven concretisering van de eerste brief en vroeg zij een toelichting op de coördinatie tussen de betrokken ministeries en de afstemming met andere lidstaten. Zij pleitte ervoor om prioriteit te geven aan de sociale samenhang en om daarbij niet alleen uit te gaan van een activerend arbeidsmarktbeleid, maar ook aandacht te besteden aan de bestrijding van armoede en de bescherming van mensen die wellicht niet op de arbeidsmarkt actief zijn. Waarop willen de andere lidstaten de nadruk leggen en welke onderwerpen zijn besproken op de recente informele Sociale Raad?

Gelet op het belang van de sociale dialoog voor een breed draagvlak voor de nieuwe Europese agenda, pleitte mevrouw Bussemaker voor een nauwe betrokkenheid van de sociale partners en andere NGO's bij de Europese Raad van Lissabon.

Mevrouw Bussemaker sprak haar steun uit voor de voornemens inzake investeringen in het onderwijs, de kennissamenleving en levenslang leren. Ten behoeve van de economische innovatie en de sociale samenhang achtte zij het van belang dat lidstaten de bereidheid uitspreken om op basis van benchmarking, bijvoorbeeld aan de hand van de reeds bestaande OESO-norm, te investeren in het onderwijs.

Tot slot vroeg mevrouw Bussemaker welk land op het punt van de sociale samenhang de externe benchmark kan zijn. Als er geen externe benchmark is, wat zijn dan de kwaliteitskenmerken van het Europese sociaal model?

De heer Eurlings (CDA) meende dat de voorliggende stukken vol open deuren staan en had liever een inventarisatie gekregen van de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van de in Luxemburg en Cardiff gemaakte afspraken en de op dat punt bestaande knelpunten. Hij wees erop dat voor economische en sociale activering maatwerk steeds belangrijker wordt, zodat juist een verschuiving in de richting van de regio's noodzakelijk is. Ten behoeve van een effectief, breed gedragen Europa dient daarom te worden vastgehouden aan het subsidiariteitsbeginsel. Op Europees niveau zou men zich moeten beperken tot onderlinge afstemming, het uitwisselen van ideeën en het scheppen van de noodzakelijke voorwaarden. Hoe verhouden de in de stukken genoemde nieuwe Europese procedures en implementatieteams zich overigens tot de eerdere opmerking van de minister van Economische Zaken dat de Europese Raad zich niet zou bezighouden met het creëren van nieuwe procedures, maar met het uitwisselen van ideeën?

In dit verband sprak de heer Eurlings zijn bezorgdheid uit over het feit dat de Europese Commissie blijkens recente perspublicaties meent dat de EU op het terrein van zorg, pensioen en sociale verzekering eigen initiatieven moet nemen. Zijn die berichten juist en zo ja, wat is daarover het standpunt van de regering?

De noodzaak van de oprichting van een competitiveness council werd door de heer Eurlings onderschreven. Wat is de stand van zaken op dit punt?

Met betrekking tot het arbeidsmarktbeleid vroeg de heer Eurlings welke rol de regering op dat punt voor Europa ziet weggelegd. Moet via afstemming tot één arbeidsmarktbeleid worden gekomen en zo ja, op basis van welke criteria zal die afstemming dan plaatsvinden?

Mede gelet op het feit dat de Kamer de regering heeft gevraagd om voor
1 mei een plan van aanpak op het punt van levenslang leren te presenteren, vroeg de heer Eurlings welke rol de sociale partners en de verschillende ministeries op dat punt spelen. Daarnaast vroeg hij welke knelpunten er zijn bij de Europese onderzoek- en onderwijsprogramma's en wat wordt bedoeld met "één Europese onderwijsruimte".

Omdat de aansluiting van het beroepsonderwijs op de arbeidsmarkt verbetering behoeft, drong de heer Eurlings erop aan om uitvoering te geven aan de bij de begrotingsbehandeling ingediende motie-Van den Akker (stuk nr. 13), die ertoe oproept om het beroepsonderwijs alsnog toe te voegen aan de Europese toetsingscriteria voor concurrentiekracht.

Gelet op de noodzaak van bevordering van ondernemerschap, vroeg de heer Eurlings hoe dit doel concreet te bereiken is. Hij betreurde de afschaffing van de Vestigingswet, omdat het wegvallen van de toch al beperkte scholingsverplichting ertoe kan leiden dat ondernemers onvoorbereid op de markt verschijnen.

Omdat de Europese Raad van Lissabon een unieke kans biedt om de kenniseconomie te bevorderen, vroeg de heer Eurlings waarom de daarvoor verantwoordelijke minister niet bij dit overleg aanwezig is. Betekent de opmerking dat het onderzoeksklimaat moet worden verbeterd, overigens geen ommezwaai voor de regering, gelet op de eerdere karige financiële ondersteuning van research en development?

Tot slot vroeg de heer Eurlings, mede gelet op het feit dat de stukken van het Portugees voorzitterschap al sinds 26 en 28 januari beschikbaar waren, waarom de Kamer de stukken en het SER-advies zo laat heeft ontvangen en waarom zij het eveneens reeds verkrijgbare stuk over e-commerce niet heeft ontvangen. Wat houdt dit laatstgenoemde stuk overigens in?

De heer Van Middelkoop (GPV) sloot zich aan bij de opmerking van de heer Prodi, voorzitter van de Europese Commissie dat het subsidiariteitsbeginsel concreter moet worden uitgewerkt; het gaat immers vooral om het in Europees verband bespreken en coördineren van nationaal beleid. Ten behoeve van de controlerende functie van de Kamer pleitte hij ervoor om voortaan duidelijker aan te geven wie waarvoor verantwoordelijk is, op grond van welke bevoegdheden bepaalde taken worden uitgevoerd en budgetten worden gebruikt en welke verifieerbare doelstellingen worden nagestreefd. Welke taken en bevoegdheden krijgen bijvoorbeeld de implementatieteams en de "groep op hoog niveau", die zich zal bezighouden met de modernisering van de sociale bescherming?

Mede in dit verband drong de heer Van Middelkoop aan op verbetering van het taalgebruik in de stukken door niet overbodig Engelse woorden te gebruiken.

Naar aanleiding van de agenda van de Europese Raad pleitte de heer Van Middelkoop ervoor om in het kader van het ondernemersklimaat niet alleen over liberaal-economische aspecten, maar ook over het duurzaam en ecologisch verantwoord ondernemen te spreken.

Omdat bij verdrag is bepaald dat onderwijs een nationale aangelegenheid moet blijven, vroeg ook de heer Van Middelkoop wat precies met de Europese onderwijsruimte wordt bedoeld. Ook de sociale bescherming dient primair een nationale aangelegenheid te blijven. Wat vindt de regering overigens van het standpunt van de SER dat een permanente status voor de "groep op hoog niveau" in strijd is met het streven naar stroomlijning van het bestaande coördinatieraamwerk?

Over het door het Portugese voorzitterschap aangekondigde forum, dat de balans zal opmaken van de relevante processen en verantwoordelijkheden, en over de suggestie om jaarlijks een dergelijk forum te organiseren, vroeg de heer Van Middelkoop nadere informatie. Is dit forum iets anders dan de in Keulen overeengekomen macro-economische dialoog?

Tot slot vroeg de heer Van Middelkoop of Oostenrijk in Lissabon vertegenwoordigd zal zijn.

Mevrouw Karimi (GroenLinks) pleitte ervoor dat de minister-president in het kader van de aan de Europese Raad voorafgaande bilaterale contacten geen overleg zal voeren in of met Oostenrijk.

Het document van het Portugese voorzitterschap is naar de mening van mevrouw Karimi onder invloed van de Derde weg en de Nieuwe economie zeer conjunctuurgevoelig en vrijblijvend: er wordt veel aandacht besteed aan concurrentie, economische groei, employability, benchmarking en Europese netwerken en er is een eenzijdig geloof in ICT, maar er is weinig aandacht voor concrete maatregelen, buitengesloten groepen en de rol van de overheid. Benchmarking ontaardt in de praktijk steeds meer in een negatieve spiraal van beleidsconcurrentie. Kan een voorbeeld worden gegeven van benchmarking waaraan Nederland in de afgelopen jaren iets heeft gehad?

Op basis van het SER-advies wees ook mevrouw Karimi erop dat te weinig verifieerbare doelstellingen worden genoemd en dat steeds meer coördinatieprocedures op elkaar worden gestapeld. Zij vroeg hoe de nieuwe, open coördinatiemethode zich verhoudt tot reeds bestaande coördinatiemethoden en of het grote aantal coördinatieprocedures niet vooral tot meer bureaucratie zal leiden.

Mevrouw Karimi was het met de SER eens dat geen prioriteitsstelling plaatsvindt, terwijl de uitbreiding van de EU en de invoering van de euro op middellange termijn juist een sterk Europees fiscaal en sociaal beleid vergen. De Europese Raad van Lissabon moet daarom benut worden om de agenda van de IGC uit te breiden, zodat bijvoorbeeld het vetorecht op fiscaal en sociaal terrein kan worden opgeheven.

Met betrekking tot de high level group vroeg mevrouw Karimi wie daarin zitting zullen hebben, welke opdracht die groep zal krijgen en of ook de oprichting daarvan stroomlijning van de coördinatieprocedures belemmert. Kan de Kamer zo snel mogelijk worden geïnformeerd over de werkzaamheden van de groep en is de regering bereid om in dat kader naast het pensioenstelsel ook enkele andere concrete punten aan de orde te stellen, bijvoorbeeld de invoering van een minimumloon en voorschriften inzake arbeidsvoorwaarden?

Desgevraagd wees mevrouw Karimi erop dat vaststelling in elke lidstaat van een aan de specifieke economische en sociale situatie gerelateerd wettelijk minimumloon een goed middel kan zijn om angst voor de uitbreiding van de EU te voorkomen.

Gelet op de verwachte snelle economische groei, vroeg mevrouw Karimi welke inzet de regering heeft op het punt van de ecologie.

Tot slot vroeg mevrouw Karimi hoe sociale partners en andere betrokken organisaties bij de Europese Raad worden betrokken.

De heer Hoekema (D66) benadrukte dat ten opzichte van Oostenrijk door de andere EU-lidstaten één lijn moet worden getrokken en dat ook in het kader van de voorbereiding van de Europese Raad geen bilaterale bezoeken aan Oostenrijk moeten worden gebracht. Daarnaast deed hij de suggestie om bij de Europese Raad een verklaring af te leggen over de gemeenschappelijke waarden van de EU.

Vrees voor bureaucratische rompslomp zonder concrete resultaten achtte de heer Hoekema ongegrond, ervan uitgaande dat de beleidsmaatregelen aan de volgende vijf randvoorwaarden voldoen:


1. in de komende tijd moet fiscale coördinatie aan de orde komen;

2. er moet niet alleen aandacht zijn voor economische groei, maar ook voor ecologische duurzaamheid;


3. er mag geen sprake zijn van sociale uitsluiting;

4. via een activerend beleid op het terrein van onderwijs en arbeidsmarkt moet het "menselijk kapitaal" kansen krijgen;

5. er moet geen sprake zijn van opgelegd beleid, maar ook niet van totale vrijblijvendheid: het gaat vooral om nationaal beleid, gekoppeld aan stimulering en een lichte coördinatie door de EU. Dat neemt niet weg dat er sprake dient te zijn van solidariteit met andere en met name de toekomstige lidstaten.

Het voornemen tot versterking van het innovatief vermogen van de markt via ICT en onderwijs werd door de heer Hoekema gesteund, evenals het voorstel om tot één Europese onderwijsruimte te komen. Dit voorstel kan heel concreet worden ingevuld, bijvoorbeeld door uitwisseling van studenten en docenten, vrije vestiging en erkenning van diploma's.

Mede gelet op het feit dat Nederland enigszins achterloopt met de implementatie van ICT in het onderwijs, achtte de heer Hoekema een stimulerende rol van de EU op dit punt essentieel.

Omdat de arbeidsmobiliteit moet worden bevorderd, sprak de heer Hoekema zijn steun uit voor de voorstellen die erop gericht zijn om de keuze van grensarbeiders voor het gunstigste land van vestiging te vergemakkelijken.

Ten behoeve van kostenreductie pleitte de heer Hoekema voor de uitwisseling van "best practices" bij bijvoorbeeld onderzoeksinstituten en ziekenhuizen.

Het belang van e-commerce werd door de heer Hoekema onderschreven, maar hij benadrukte dat de privacy van persoonsgegevens gegarandeerd moet zijn. Hoe staat het overigens met de uitwerking door de Europese Commissie en de Europese Raad van een actieplan om Europa te veranderen in een informatiemaatschappij?

De heer Hoekema wees erop dat het ondernemerschap wordt belemmerd door vestigingseisen en bureaucratische procedures. In dit verband pleitte hij met name voor verbetering van de faillissementswetten, zodat mensen sneller opnieuw een bedrijf kunnen starten.

Tot slot sprak de heer Hoekema zijn waardering uit voor de kwaliteit van de voorliggende stukken en voor het initiatief om met Portugal een conferentie over kennis, innovatie en concurrentievermogen te organiseren.

Het antwoord van de regering

De minister van Economische Zaken benadrukte dat er geen tegenstelling is tussen economische ontwikkeling en sociale insluiting: enerzijds is economische ontwikkeling noodzakelijk voor het bij de arbeidsmarkt betrekken van de mensen die nu nog aan de kant staan en anderzijds zijn die mensen hard nodig om de concurrentiepositie van de EU te verbeteren. De Europese Raad zal, mede gelet op het thema ervan, dan ook vooral gericht zijn op enkele steeds belangrijker wordende punten waarop de EU een achterstand op andere landen of werelddelen heeft opgelopen, bijvoorbeeld ICT, innovatie door het bedrijfsleven en biotechnologie; omdat het gaat om duurzame groei, wordt daarbij ook aandacht besteed aan de ecologische component. Hoewel de Nederlandse economische groei het Europese gemiddelde overtreft, heeft de concurrentietoets aangetoond dat ook Nederland op een aantal punten problemen heeft.

Gelet op de hoge kwaliteit van de Europese beroepsbevolking en onderzoeksinfrastructuur, achtte de minister een achterstand op de VS niet vanzelfsprekend. Om de productiviteit te verhogen en het ondernemerschap te bevorderen, dienen zowel op Europees niveau als op nationaal niveau echter allerlei belemmeringen voor het ontstaan van een Europese markt op het terrein van de nieuwe technologieën te verdwijnen. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om de vaststelling van juridische kaders ter beveiliging van e-commerce, het wegnemen van fiscale belemmeringen voor arbeidsmobiliteit en van juridische belemmeringen voor grensoverschrijdend elektronisch verkeer, het versoepelen van de faillissementswetgeving en het schrappen van verouderde vestigingseisen. Er is overigens nooit gebleken dat de Vestigingswet voor betere ondernemers zorgt.

De minister zegde toe dat de Kamer voor de Europese Raad het verslag zal ontvangen van de ministeriële conferentie in Noordwijk. Ten behoeve van die conferentie is een update gemaakt van de in het kader van het Nederlandse voorzitterschap in 1997 uitgevoerde benchmarkanalyse ten opzichte van de VS en Japan. Het is de bedoeling dat het beleidsperspectief en de organisatie van het beleidsproces beter worden geformuleerd. Het internationale bedrijfsleven kan op de conferentie aangeven welke maatregelen nodig worden geacht om de interne markt verder te integreren, investeringen in nieuwe technologie te stimuleren en de aansluiting van het publieke onderzoek op de kennisbehoefte van bedrijven te verbeteren. Daarbij zal ook e-commerce aan de orde komen; het desbetreffende actieplan is in een eerste ronde van bespreking, maar mist nog enkele belangrijke aspecten en zal in een later stadium met de Kamer worden besproken. Het Portugese voorzitterschap zal de bevindingen van de conferentie gebruiken als input voor de Europese Raad en op 10 en 11 april zal in Lissabon een ministeriële vergadering over onderzoek en wetenschap plaatsvinden.

Naar aanleiding van de afwezigheid van de minister van OCW wees de minister erop dat zij samen met hem verantwoordelijk is voor de kenniseconomie en dat daarbij geen sprake is van competentiestrijd; in het kader van het activeringsbeleid is ook de minister van SZW daarbij betrokken. De minister van OCW is inderdaad coördinator op het punt van levenslang leren, maar dat is op zich niet het onderwerp van dit overleg; bovendien was hij niet voor dit overleg uitgenodigd. Er is overigens geen benchmark op het punt van de output van het onderwijs, maar waarschijnlijk is de gemiddelde output van het onderwijs in de OESO-landen lager dan in Nederland.

Met betrekking tot onderzoek en technologie sprak de minister haar tevredenheid uit over het feit dat, mede aan de hand van de snelle economische en maatschappelijke ontwikkelingen, in Europees kader goed wordt nagedacht over de invulling van het zesde kaderprogramma, dat het Europese onderzoeksklimaat sterk moet verbeteren; aandacht voor jonge en vrouwelijke onderzoekers, vernieuwend en fundamenteel onderzoek en structurele internationale samenwerking tussen onderzoekers is daarbij heel belangrijk. Wel betreurde zij dat het plan zich vooral richt op de academische wereld en te weinig op de rol van het bedrijfsleven, maar het gaat nog slechts om een eerste aanzet voor de discussie. Er is in ieder geval geen sprake van het overhevelen van middelen naar de EU, maar van het verbeteren van de koppeling van de in Europa aanwezige kennis. In de nota die bij het Wetenschapsbudget 2000 hoort, zijn de ideeën van de Nederlandse regering over het Europees onderzoeksbeleid weergegeven.

De minister wees erop dat voor de Europese onderwijsruimte in feite hetzelfde geldt: het gaat om het wegnemen van allerlei barrières voor uitwisseling van studenten, zodat hun capaciteiten beter tot hun recht komen; hiermee vervult de EU een zeer belangrijke rol, maar zij bepaalt het nationale onderwijsbeleid niet.

Het belang van deregulering op Europees niveau werd door de minister onderschreven. Op dat punt zijn mede op initiatief van Nederland al enkele activiteiten ontplooid, zoals de SLIM-operatie. Wel zou zij het toejuichen als deze operatie niet alleen op de bestaande wetgeving, maar ook op nieuwe wetgeving wordt toegepast. Daarnaast zijn deregulering en vermindering van de administratieve lasten belangrijke onderwerpen in de jaarlijkse rapporten over de economische hervormingen en de horizontale thema's, waar een vorm van "peer pressure" van uitgaat. Een vergelijking met bijvoorbeeld de VS en Japan zou op dit punt overigens zeer nuttig kunnen zijn.

Nederland en het Verenigd Koninkrijk zullen op de Europese Raad aandringen op de oprichting van een competitiveness council om regelmatige contacten tussen de ministers van Economische Zaken te bevorderen. De minister beschouwde de huidige versnippering van het overleg, die mede samenhangt met competentiestrijd tussen ministers, als een mogelijke belangrijke reden waarom op bepaalde punten geen vooruitgang wordt geboekt.

Omdat de voorgestelde implementatieteams geen Europese teams zijn, achtte de minister dit voorstel niet in strijd met het doel om geen nieuwe Europese procedures te starten. Het gaat om een onconventionele poging om met het bedrijfsleven en het maatschappelijk middenveld de uit de Europese Raad voortgekomen actiepunten zo snel mogelijk te implementeren, ook op nationaal niveau.

De minister deelde mee dat het forum een eenmalig forum is met een breder karakter dan de macro-economische dialoog; ook het Europees Parlement neemt bijvoorbeeld aan het forum deel.

Met betrekking tot de motie-Van den Akker wees de minister erop dat het beroepsonderwijs onder het Luxemburgproces valt en dat het daarom vreemd zou zijn als het beroepsonderwijs ook in het Cardiffproces wordt meegenomen; bovendien zijn er geen Cardiffrichtsnoeren.

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid sprak zijn tevredenheid uit over de aan de themakeuze voor de Europese Raad ten grondslag liggende tweezijdige doelstelling: de EU moet via een dynamische economische ontwikkeling doordringen tot de mondiale economische kopgroep en moet er tegelijkertijd via een sterk activerend en dynamiserend sociaal beleid naar streven dat geen mensen of bevolkingsgroepen, bijvoorbeeld allochtonen, buiten de actieve samenleving blijven staan; daarbij gaat het niet alleen om de arbeidsmarkt. Nederland is al enkele jaren met deze ontwikkelingen bezig, maar de recente Sociale Raad, waarvan het verslag vandaag naar de Kamer zal worden gezonden, heeft aangetoond dat voor deze tweezijdige doelstelling ook bij de andere lidstaten een breed draagvlak bestaat.

Op het punt van de sociale bescherming is besloten tot de vorming van een high level group, die alleen uit hoge ambtenaren bestaat en die zich met veel onderwerpen zal bezigheden: het gaat niet alleen om de toekomst van pensioenstelsels, waarover in Europa grote bezorgdheid bestaat, maar bijvoorbeeld ook om de armoedeval, het armoedebeleid en de sociale integratie. De minister gaf te kennen dat hij in dat kader prioriteit geeft aan onderwerpen op het punt van sociale activering. De bedoeling is dat de high level group een praktische agenda voorbereidt, allereerst voor de uitwisseling van informatie en best practices. Het in EU-verband uitwisselen van best practices werkt overigens ook voor Nederland zeer stimulerend, bijvoorbeeld op het punt van het activerend arbeidsmarktbeleid.

In dit verband verzekerde de minister dat niemand behoefte heeft aan nog meer coördinatieprocessen en dat alle nieuwe onderwerpen moeten worden ingebed in bestaande processen.

Op het punt van benchmarking wees de minister erop dat de socialezekerheidssystemen van verschillende landen in de vorige kabinetsperiode zijn getoetst aan het Nederlandse systeem; er wordt aan een nieuwe toets gewerkt. Ook in het vorig jaar door de minister van Economische Zaken gepubliceerde document over concurrentievermogen is sprake van benchmarking. Wellicht kunnen die twee elementen in de toekomst beter worden geïntegreerd. Gelet op de gevoeligheid van sommige lidstaten voor toetsing van hun beleid, dient bij benchmarking enige voorzichtigheid te worden betracht, maar op punten waar actie geboden is, bijvoorbeeld de sociale integratie en de armoedevalproblematiek, is het heel leerzaam om bij vergelijkingen van beleidsinstrumenten ook een competitie-element te hanteren.

Voor de opmerkingen over subsidiariteit had de minister begrip, maar hij wees op het grote motiverende en agendabepalende belang van het op Europees niveau agenderen van invalshoeken. Solidariteit tussen de lidstaten is bovendien zeer belangrijk voor het stimuleren van de ontwikkeling van geheel Europa.

Het grote belang van permanente scholing voor betrokkenheid bij de samenleving, ook van oudere werknemers, werd door de minister onderstreept.

Omdat de SER de bespreking van het op dit terrein uit te brengen advies nog niet heeft afgerond, wenste de minister daar nog niet op te reageren.

De minister wees erop dat sinds twee jaar geleden veel aandacht wordt besteed aan de betrokkenheid van de sociale partners. De deelname van betrokken NGO's aan de recente informele Sociale Raad is goed bevallen en ook in de toekomst zullen relevante groepen en NGO's in gepaste mate bij informele gedachtewisselingen worden betrokken, maar men moet niet de illusie hebben dat zij volstrekt nieuwe invalshoeken of inzichten naar voren brengen.

De staatssecretaris van Buitenlandse Zaken constateerde verheugd dat tussen de lidstaten een vrij grote mate van overeenstemming bestaat over de onderwerpen van de Europese Raad van Lissabon, de behandeling daarvan en datgene wat na de Europese Raad moet gebeuren. Dat komt mede doordat alle lidstaten belang hebben bij betere prestaties van de gehele EU op het punt van de economie, werkgelegenheid, kennisontwikkeling en sociale samenhang, met behoud van de positieve Europese "eigenaardigheden", bijvoorbeeld in sociaal opzicht.

Op basis van de voorbereiding van de Europese Raad verwachtte de staatssecretaris een breed draagvlak voor een eigentijdse, heldere uitwerking van de conclusies die in Lissabon zullen worden getrokken: er wordt heel precies nagegaan welke zaken via een gezamenlijke aanpak geregeld moeten worden; daarnaast worden de nationale beleidsagenda's in het gezamenlijk belang via benchmarking beïnvloed. Er is dus sprake van een samenspel tussen coördinatie en concurrentie. In het verdere vervolg, bijvoorbeeld in die vergelijking van nationale aanpakken, zullen in de verschillende Raden verifieerbare, concrete doelstellingen ontwikkeld worden. Er wordt aangesloten bij bestaande processen en er worden geen nieuwe bevoegdheden, geldstromen of een nieuw coördinerend proces gecreëerd. In die aanpak is het subsidiariteitsbeginsel verdisconteerd.

Tot slot deelde de staatssecretaris mee dat de minister-president in het kader van de voorbereiding van de Europese Raad geen bezoek zal brengen aan Oostenrijk; op dat punt wordt vastgehouden aan de afgesproken gedragslijn: er zullen over en weer geen bezoeken plaatsvinden, maar overige contacten blijven mogelijk, ook in EU-verband. Hij erkende dat hij door een verspreking tijdens een persgesprek enige verwarring heeft veroorzaakt op het punt van telefonische contacten met Oostenrijkse bewindslieden; dergelijke contacten zijn wel degelijk mogelijk. Er is geen enkele sprake van onenigheid binnen het kabinet over de te volgen lijn.

De voorzitter van de algemene commissie voor Europese Zaken,

Patijn

De voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken,

Biesheuvel

De voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Terpstra

De griffier van de algemene commissie voor Europese Zaken,

Van Overbeeke


1 Samenstelling:

Leden: Weisglas (VVD), Scheltema-de Nie (D66), Van Middelkoop (GPV), Voûte-Droste (VVD), Verhagen (CDA), Rouvoet (RPF), Van Oven (PvdA), ondervoorzitter, Marijnissen (SP), Hessing (VVD), Hoekema (D66), De Haan (CDA), Koenders (PvdA), Weekers (VVD), Vendrik (GroenLinks), Timmermans (PvdA), Ross-van Dorp (CDA), Patijn (VVD), voorzitter, Karimi (GroenLinks), Eurlings (CDA), Bussemaker (PvdA), Bos (PvdA), Van den Akker (CDA), Albayrak (PvdA), Van Baalen (VVD)

Plv. leden: Blaauw (VVD), Dittrich (D66), Van den Berg (SGP), Wilders (VVD), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), De Graaf (D66), Valk (PvdA), Van Bommel (SP), Remak (VVD), Ter Veer (D66), Van der Knaap (CDA), Waalkens (PvdA), Geluk (VVD), Harrewijn (GroenLinks), Zijlstra (PvdA), Mosterd (CDA), Verbugt (VVD), M.B. Vos (GroenLinks), Visser-van Doorn (CDA), Feenstra (PvdA), Crone (PvdA), Balkenende (CDA), Örgü (VVD), Gortzak (PvdA)


2 Samenstelling:

Leden: Blaauw (VVD), Biesheuvel (CDA), voorzitter, Witteveen-Hevinga (PvdA), Leers (CDA), Van Zuijlen (PvdA), Voûte-Droste (VVD), ondervoorzitter, M.B. Vos (GroenLinks), Rabbae (GroenLinks), Marijnissen (SP), Hessing (VVD), Giskes (D66), Crone (PvdA), Van Dijke (RPF), Van Walsem (D66), Hofstra (VVD), Wagenaar (PvdA), Verburg (CDA), Stroeken (CDA), Ravestein (D66), Geluk (VVD), Bos (PvdA), Van den Akker (CDA), Blok (VVD), De Boer (PvdA), Hindriks (PvdA)

Plv. leden: Snijder-Hazelhoff (VVD), Atsma (CDA), Kalsbeek (PvdA), Wijn (CDA), Schoenmakers (PvdA), Klein Molekamp (VVD), Van der Steenhoven (GroenLinks), Vendrik (GroenLinks), Poppe (SP), Kamp (VVD), Van den Berg (SGP), Kuijper (PvdA), Van Middelkoop (GPV), Schimmel (D66), Van Baalen (VVD), Herrebrugh (PvdA), Schreijer-Pierik (CDA), Van der Hoeven (CDA), Bakker (D66), Van Beek (VVD), Koenders (PvdA), De Haan (CDA), Udo (VVD), Smits (PvdA), Hamer (PvdA)


3 Samenstelling:

Leden: Terpstra (VVD), voorzitter, Biesheuvel (CDA), Schimmel (D66), Van Zijl (PvdA), Bijleveld-Schouten (CDA), Kalsbeek (PvdA), Noorman-den Uyl (PvdA), ondervoorzitter, Kamp (VVD), Essers (VVD), Van Dijke (RPF), Bakker (D66), Visser-van Doorn (CDA), De Wit (SP), Verburg (CDA), Smits (PvdA), Spoelman (PvdA), Van der Staaij (SGP), Örgü (VVD), Harrewijn (GroenLinks), Van Gent (GroenLinks), Bussemaker (PvdA), Balkenende (CDA), Wilders (VVD), Santi (PvdA), Snijder-Hazelhoff (VVD)

Plv. leden: Meijer (VVD), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Giskes (D66), Van der Hoek (PvdA), Dankers (CDA), Hamer (PvdA), Kortram (PvdA), Blok (VVD), Van Blerck-Woerdman (VVD), Van Middelkoop (GPV), Van Vliet (D66), Stroeken (CDA), Marijnissen (SP), Eisses-Timmerman (CDA), Schoenmakers (PvdA), Middel (PvdA), Van Walsem (D66), Weekers (VVD), Vendrik (GroenLinks), Rosenmöller (GroenLinks), Wagenaar (PvdA), Mosterd (CDA), De Vries (VVD), Oudkerk (PvdA), Klein Molekamp (VVD)

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie