Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Brief Van der Ploeg (OCW) over programma's cultuurbereik

Datum nieuwsfeit: 01-03-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

ocw00000.308 brief sts ocw inzake stedelijke en provinciale programmas cultuurbereik

Gemaakt: 8-3-2000 tijd: 9:33

Voorzitter en Leden van de

Tweede Kamer der Staten Generaal

Zoetermeer, 1 maart 2000

Onderwerp

Stedelijke en Provinciale Programma's Cultuurbereik

Bijgaand ontvangt u ter kennisname de bestuurlijke afspraken die zijn gemaakt tussen IPO, VNG en OCenW over de werkstructuur en het beleidskader van het decentrale deel van het actieplan cultuurbereik (Stedelijke en Provinciale Programma's Cultuurbereik). Overigens zal dit document op 16 maart a.s. nog door het IPO worden bekrachtigd.

De in de notitie geschetste gemeenschappelijke inzet is nodig om tijdig helderheid te scheppen voor gemeenten, provincies, instellingen en de Raad voor Cultuur over de mogelijkheden en onmogelijkheden van het actieplan.

Het aangaan van financiële verplichtingen ten opzichte van OCenW is voorbehouden aan betrokken gemeenten en provincies. De financiële inzet van OCenW wordt gedaan onder voorbehoud dat de wetgever de middelen ter beschikking stelt.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

Dr. F. van der Ploeg

Bestuurlijke afspraken IPO/VNG/OCenW

Stedelijke en Provinciale Programma's Cultuurbereik 2001-2004


1. Het Actieplan Cultuurbereik in een notendop
Het Actieplan Cultuurbereik is opgezet om zoveel mogelijk mensen te betrekken bij cultuur. Het sluit daarbij aan op de vijf doelstellingen van het cultuurbeleid van het rijk die binnen het kader van dit Actieplan worden onderschreven door gemeenten en provincies:

? Versterking van de programmering van culturele accommodaties.

? Ruim baan maken voor culturele diversiteit.

? Investeren in jeugd.

? Beter zichtbaar maken van cultureel vermogen.

? Culturele planologie op de agenda zetten.

Het Actieplan bestaat uit twee delen: een centraal deel onder de hoede van het rijk, en een decentraal deel onder de gezamenlijke regie van gemeenten, provincies en rijk. De gemeenschappelijke aanpak van het decentrale gedeelte krijgt vorm in de wijze van financiering van Stedelijke en Provinciale Programma's Cultuurbereik, waarbij een
1:1-verhouding in acht wordt genomen tussen de bijdragen van het rijk en die van de provincies respectievelijk gemeenten. Een Stedelijk of Provinciaal Programma Cultuurbereik wortelt in de plaatselijke of provinciale cultuurgemeenschap en is gericht op publieksverbreding door middel van kwalitatieve, innovatieve en cultureel gedifferentieerde programmering. Het gaat zowel om een kwaliteitsimpuls als om een impuls voor het cultuurbereik. Daarbij worden nieuwe verbindingen gelegd en bestaande banden verstevigd. Vooral die tussen:

? Culturele programmeurs en nieuwe publieksgroepen.

? Verschillende soorten culturele accommodaties onderling;

? Culturele accommodaties en andere plekken die geschikt zijn om een breed publiek met cultuuruitingen te confronteren.

? Gevestigde culturele instellingen (musea, toneelgezelschappen, orkesten) en de nieuwe generatie cultuurmakers.


2. Inleiding

Zelfde doelstellingen

In zijn uitgangspuntenbrief Cultuur als Confrontatie heeft de Staatssecretaris van Cultuur het Actieplan Cultuurbereik aangekondigd. Kernpunt is de verbreding van een kwalitatief gewaarborgd cultuuraanbod, zodat er meer mensen door worden aangesproken. Dit sluit bijna naadloos aan op ideeën die bij provincies en gemeenten leven, en bijvoorbeeld zijn verwoord in de VNG-brief met aandachtspunten voor de cultuurnota 2001-2004 van maart 1999. Aldus hebben de Staatssecretaris van Cultuur (hierna: OCenW), het Interprovinciaal Overleg (IPO) en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) besloten tot een gezamenlijke aanpak gedurende de periode 2001-2004. Zij zijn een bondgenootschap aangegaan dat onder meer zijn beslag krijgt in een bijzondere vorm van gemeenschappelijke financiering.

Over de gezamenlijke aanpak zoals in deze notitie uiteen wordt gezet, hebben OCenW, IPO en VNG overeenstemming bereikt tijdens hun bestuurlijk overleg op 16 februari 2000 in Enschede. De afspraken hebben betrekking op doelstellingen, constructie en fasering bij de decentrale uitwerking van het Actieplan cultuurbereik.

Het aangaan van financiële verplichtingen ten opzichte van OCenW met inachtneming van de gemaakte afspraken, is voorbehouden aan de provincies en de betrokken gemeenten. De financiële inzet van OCenW wordt gedaan onder voorbehoud dat de wetgever de middelen ter beschikking stelt.

Organisatie

De provincies en 30 grotere gemeenten stellen elk eerst een plan van aanpak op en op basis daarvan hun eigen programma. Dit geschiedt in nauwe samenspraak met de culturele instellingen ter plaatse en eventuele andere lokale of regionale instituties die voor culturele samenwerking in aanmerking komen. Deelnemende provincies en gemeenten ontvangen rechtstreeks een specifieke uitkering van OCenW met de daaraan verbonden verplichtingen, waaronder matching met eenzelfde bedrag. Gemeenten die niet rechtstreeks deelnemen, kunnen bij het Actieplan worden betrokken via een provinciaal programma, waarbij als voorwaarde kan worden gesteld dat ook zij matchen. Als onderdeel van hun eigen programma kunnen provincies ook bijdragen aan de programma's van de rechtstreeks deelnemende gemeenten. De programma's hebben een op de cultuursector afgestemde looptijd van vier jaar, waarbij 2001 als opbouwjaar kan gelden. Samen zijn de deelnemende overheden verantwoordelijk voor de organisatie van evaluatie en monitoring.

Kenmerken van Stedelijke en Provinciale Programma's

Het plan van aanpak geeft onder meer duidelijkheid over de wijze waarop een programma wordt ontwikkeld, de doelstellingen en de samenwerkingsverbanden. Het programma is de schakel die beleidsdoelstellingen en activiteiten met elkaar verbindt. In het programma wordt de provinciale of lokale visie op cultuurbereik nader uitgewerkt. Het beschrijft de huidige situatie, bevat een sterkte-zwakte analyse en geeft aan hoe de beleidsdoelstellingen zich in de actuele lokale of provinciale situatie laten vertalen. Het programma gaat in op de inhoudelijke ontwikkeling, de waarborgen voor culturele kwaliteit van het programma, de te bereiken resultaten en de benodigde middelen. Een programma is geen uitputtende opsomming van concrete activiteiten en projecten. Het is vooral gericht op het verschaffen van inzicht in de werkwijze, het beoogde proces en de uitvoering. Het bevat bovendien een aantal meetbare doelstellingen en prestaties. Gelet op het karakter van het Actieplan is er voor grote investeringen en voor de reguliere exploitatie van cultuurinstellingen geen plaats in de programma's.

Fasering

? Vóór 15 april laten provincies en in aanmerking komende gemeenten schriftelijk aan OCenW weten of zij zullen meedoen met het Actieplan.

? Vóór 1 juni zenden deelnemende provincies en gemeenten hun plan van aanpak aan OCenW zodat nader overleg mogelijk is.

? Vóór 1 juli laat OCenW weten of overleg nodig is en/of er bezwaar bestaat tegen (onderdelen van) het plan van aanpak.

? Tussen 1 oktober en 15 december zenden de deelnemende provincies en gemeenten een vierjarig (ontwerp-)programma naar OCenW voor een geobjectiveerde toets.

? Binnen 6 weken reageert OCenW op het ingediende programma.


3. Beleidskader voor Stedelijke en Provinciale Programma's
Algemeen

Om publieksgroepen te bereiken die thans niet, of slechts mondjesmaat, deelnemen aan de cultuur - vooral jongeren en leden van culturele minderheden - is een nieuwe strategie nodig; een aanpak die de conventies in de cultuursector doorbreekt. De gebruikelijke benadering is immers vooral afgestemd op publiek dat al komt. Het nieuwe van de strategie komt op verschillende manieren tot uiting: in de manier waarop deze andere publieksgroepen worden aangesproken, in de bijzondere en onverwachte plekken waar men met cultuur wordt geconfronteerd, in de ambiance, in het type aanbod, in samenwerking tussen instellingen van zeer verschillende pluimage en in het doorkruisen van scheidslijnen tussen disciplines. Deze impuls voor het bereik van cultuur gaat samen met een kwaliteitsimpuls. Tegen deze achtergrond zijn enkele algemene aandachtspunten aan te geven als leidraad bij het opstellen van de programma's.

Vijf doelstellingen

De Stedelijke en Provinciale Programma's Cultuurbereik worden in nauwe samenwerking met het culturele veld in steden en provincies opgesteld met de volgende doelstellingen van het Actieplan die door gemeenten, provincies en rijk worden gedeeld:


1. Versterking van de programmering van culturele accommodaties.

2. Ruim baan maken voor culturele diversiteit.

3. Investeren in jeugd.


4. Beter zichtbaar maken van cultureel vermogen.

5. Culturele planologie op de agenda zetten.
Gemeenten en provincies leggen daarbij hun eigen accenten, gelet op de sociale en culturele infrastructuur in hun gebied.

Analyse van lokale of regionale infrastructuur

Om snel zicht te krijgen op de bijzondere aspecten van een situatie waarbinnen deze doelstellingen van het Actieplan hun beslag zullen krijgen, beginnen de stedelijke en provinciale programma's met een analyse van de lokale en provinciale culturele infrastructuur. Hoe ziet die er uit? Wat zijn sterke en zwakke onderdelen? Waar is het nodig om te investeren en waarom? Hoeveel kunnen instellingen zelf bijdragen aan de plannen? Welke interessante dwarsverbindingen zijn er mogelijk? Waarheen komen de publieksgroepen waar het Actieplan zich op richt en waar komen ze juist niet naar toe?

Gericht op samenwerking

Het uitgangspunt is samenwerking. De sterk disciplinaire structurering van het culturele leven kan voor het bereiken van nieuw publiek een hinderpaal zijn. Nieuwe inspirerende activiteiten komen vooral voort uit interessante verbindingen tussen verschillende disciplines, accommodaties, cultuurmakers en uit dwarsverbanden met andere maatschappelijke sectoren, zoals het onderwijs of het sociaal-cultureel werk.

De kwaliteit van de activiteiten binnen een programma is gegarandeerd

De programma's beogen een kwalitatieve verbetering van het geprogrammeerde aanbod en de marketing daarvan. Ze vormen zo een impuls voor de culturele missie van accommodaties.

Alle accommodaties komen in aanmerking

Allerlei soorten accommodaties liggen in het bereik van het programma
- ook die thans geen subsidie ontvangen. Of het nu gaat om een filmhuis, galerie, archief, muziekschool, bibliotheek, museum, buurtcentrum, poppodium, centrum voor kunstzinnige vorming, schouwburg, school, concertzaal, een virtueel podium, een omroep, een podium in een digitale stad, of een podium in de open lucht: geen accommodatie is op voorhand uitgesloten.

Een ander en diverser aanbod voor een breder en diverser publiek

De programma's beogen onder meer bij de accommodaties meer ruimte te scheppen voor cultureel divers aanbod dat tegemoet komt aan de belangstelling van een meer heterogeen samengesteld publiek. Bij het zoeken naar wegen om dat nieuwe publiek te benaderen, zullen de betrokken doelgroepen en/of hun eventuele organisaties worden ingeschakeld. Nieuw aanbod is niet exclusief afkomstig van professionele cultuurmakers. Het omvat zeker ook de uitingen van talent onder jongeren en culturele minderheden, dat via scouting en begeleiding verder kan worden ontwikkeld. In een actieve en vraaggerichte benadering van de lokale en regionale circuits voor amateurkunst en in de samenwerking tussen deze circuits en het professionele cultuurcircuit ligt een goede mogelijkheid om het bereik onder jongeren en culturele minderheden te vergroten.

Gericht op activiteiten en de verankering van succesvolle activiteiten

Het Actieplan is gericht op activiteiten, niet op instituties. Belangrijk is ook dat activiteiten die zich bewezen hebben zodanig worden verankerd dat de effecten ervan een meer dan incidenteel karakter hebben.

Samenvattend bevat een programma cultuurbereik van gemeente of provincie in ieder geval de volgende elementen:

Bijzondere aandachtspunten

Ieder programma is gericht op cultuurbereik (a), waarbij enkele bijzondere punten van aandacht gelden. Gemeenten en provincies kunnen daarbij hun eigen accenten leggen. Daarnaast wordt er specifiek aandacht besteed aan de onderdelen Cultuur en School (b) en de Geldstroom Beeldende Kunst en Vormgeving (c). Voor deze twee onderdelen zijn aanvullende beleidskaders opgenomen.

a. CULTUURBEREIK

Op basis van de lokale of regionale analyse wordt een gemotiveerde keuze gemaakt welke doelstellingen in een concrete situatie meer of minder gewicht krijgen. Bovendien kunnen er ook per discipline goede redenen bestaan om in de zwaarte van een bepaalde doelstelling te variëren.

Podiumkunsten

? Het programma gaat expliciet in op de programmering door podia van hoogwaardig en divers aanbod van podiumkunstvoorstellingen, met bijzondere aandacht voor grootschalig toneel en de kleinschalige podiumkunsten. Het programma is erop gericht meer publiek voor dit type aanbod te creëren.

? In het programma wordt een intensievere samenwerking tussen gezelschappen en podia gezocht.

Bibliotheken

? Bibliotheken vervullen verschillende functies:


- Podiumfunctie, dat wil zeggen een presentatieplaats (niet alleen voor letterenmanifestaties, maar ook voor theater, beeldende kunst, erfgoed of bijvoorbeeld nieuwe media).


- Cultuureducatieve functie (zowel als zelfstandige bibliotheek als dienstverlenend naar andersoortige instellingen)
? Jongeren die de school hebben verlaten vormen een bijzondere doelgroep: juist zij haken vaak af als bibliotheekbezoeker. Na het `verplichte' lezen op school, volgt vaak geen `vrijwillig' leesgedrag.

Regionale en lokale omroepen

? Door de versterking van de culturele programmering van lokale en regionale radio en televisie wordt een ander en breder publiek bereikt. In dit verband moet worden opgemerkt dat minderhedenprogramma's, zoals deze bijvoorbeeld worden verzorgd door lokale en regionale migrantenomroepen, worden bekostigd uit een andere geldstroom en ook een primaire doelstelling hebben die afwijkt van die van het Actieplan. De culturele programmering van migrantenomroepen kan uiteraard wel onderdeel uitmaken van een Stedelijk of Provinciaal Programma Cultuurbereik.

Zichtbaar maken cultureel vermogen

? Om meer mensen te laten profiteren van ons culturele vermogen wordt samenwerking gezocht tussen musea, archieven,
archeologie-instellingen, monumenten, beeldende kunstinstellingen en bibliotheken, met speciale aandacht voor collectiemobiliteit en voor de presentatie van het werk van jonge beeldend kunstenaars.
? Dwars door bestaande collecties van archieven, musea en bibliotheken worden nieuwe verzamelingen geformeerd van beeldende kunst, volkenkunde en natuurhistorie die buiten de gebruikelijke instituten worden getoond.

? Collecties van musea, archieven en bibliotheken worden vanuit het perspectief van culturele minderheden en jongeren in kaart gebracht, verzameld, toegankelijk gemaakt en gepresenteerd.

? Speciale aandacht gaat uit naar nieuwe presentatietechnieken, bijvoorbeeld door toepassing van digitale media.

Culturele planologie

? In de initiatieven die erop zijn gericht de culturele planologie meer in het centrum van de belangstelling te plaatsen, worden verbindingen gelegd tussen architectuur, archeologie, kunst in de openbare ruimte, gebouwde monumenten en landschappelijke elementen (historisch-geografisch). Op die manier wordt de onderlinge samenhang tussen die elementen zichtbaar en worden de kansen vergroot op inspiratie over en weer.

? De activiteiten zijn publieksgericht en prikkelen het openbare debat. Waar mogelijk wordt samengewerkt met bijvoorbeeld amateurverenigingen en scholen.

? Er worden mogelijkheden verkend om vooral een jonger publiek te interesseren voor culturele planologie.

b. CULTUUR EN SCHOOL

Dit gedeelte van het Actieplan is gericht op het leggen en onderhouden van duurzame relaties tussen scholen en culturele instellingen en versterking van de aandacht voor cultuur in het onderwijsprogramma. Centrale doelstelling is om via het onderwijs leerlingen in aanraking te brengen met cultuur. Dat is wat anders dan het streven jongeren in het algemeen meer bij cultuur te betrekken.

Kenmerkend voor de projecten binnen dit onderdeel van het Actieplan zijn de volgende elementen waarbij gemeenten en provincies hun eigen accenten leggen gelet op de lokale of regionale infrastructuur:

? Versterking van de samenwerking tussen scholen en culturele instellingen in het kader van het onderwijsprogramma.

? Aanvullend op reeds bestaande voorzieningen komen leerlingen via het reguliere onderwijs in de loop van hun schoolcarrière in aanraking met het aanbod van culturele instellingen.

? Versterking van de vraagimpuls die van de scholen en scholieren uitgaat naar de culturele instellingen.

? Informatie over het aanbod van culturele instellingen is op eenvoudige wijze toegankelijk voor leerkrachten en leerlingen.

? Steunfunctie-instellingen voor de kunsteducatie bedienen waar nodig ook het voortgezet onderwijs. Het hoofdaccent ligt hier op het ordenen en makelen van informatie en het organiseren van netwerken tussen onderwijs en culturele instellingen.

? Er wordt gebruik gemaakt van een adequate infrastructuur voor erfgoededucatie (zowel op lokaal als op provinciaal niveau) als aanspreekpunt voor bemiddeling en deskundigheidsbevordering.

? In de programma's komen de drie inhoudelijk prioriteiten van Cultuur en School aan de orde:


1. Blijvend beter gebruik maken van het culturele erfgoed in het onderwijs.


2. Bijvend meer samenwerking tussen het vmbo en culturele instellingen.


3. Blijvend meer aandacht voor het thema culturele diversiteit in het onderwijs. .


-- Na overleg tussen alle betrokken partners wordt in een later stadium nog een uitgewerkt Beleidskader Cultuur en School toegevoegd
--

c. GELDSTROOM BEELDENDE KUNST EN VORMGEVING

Meer dan voorheen wordt de geldstroom (voorheen Geldstroom Lagere Overheden, nu: Geldstroom BKV) aangewend ter vergroting van het cultuurbereik en ter stimulering van cultureel ondernemerschap. Daarnaast is dit geld ook bedoeld voor onder meer de exploitatie van (infrastructurele) instellingen,zoals de kunstuitlenen en centra voor beeldende kunst. En voor presentaties, ateliers, werkplaatsen, alsmede voor ad hoc-subsidies ten behoeve van kunstenaars en manifestaties.

De vergroting van het cultuurbereik heeft betrekking op alle doelstellingen van het Actieplan, waaronder versterking van de programmering en culturele planologie, met als overkoepelend doel het bereik van nieuwe publieksgroepen.

De stimulering van het cultureel ondernemerschap is gericht op kunstenaars, vormgevers en instellingen, bijvoorbeeld door aankopen en opdrachten (zoals voor kunst in de openbare ruimte).

Aan alle doelstellingen van de Geldstroom BKV wordt in het programma aandacht gegeven, maar afhankelijk van de lokale of regionale situatie kunnen accenten gelegd worden.

Het toetsingskader wordt aangevuld met de twee nieuwe doelstellingen:

Cultuurbereik

? In de lokale/regionale analyse van het programma wordt als volgt een stand van zaken geschetst:

Inventarisatie van activiteiten, met behulp van de Geldstroom BKV gerealiseerd, die zijn gericht op het bereiken van nieuwe publieksgroepen, het deel van het budget dat hiermee -globaal- is gemoeid en - indien kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn- aangeven in hoeverre instellingen er nu in slagen om nieuwe publieksgroepen te bereiken.

? Het programma geeft een beeld van toekomstige activiteiten om nieuwe publieksgroepen te bereiken:

Daarbij wordt aangegeven in hoeverre het gaat om regulier aanbod van instellingen waarvoor men nieuw publiek wil interesseren of om speciale activiteiten buiten het reguliere aanbod en worden - indien mogelijk - streefcijfers gegeven voor het bereik van publieksgroepen.

? Het programma geeft aan welke verschuiving van middelen voor dit doel ten opzichte van de huidige besteding wordt doorgevoerd.

Cultureel ondernemerschap

? In de lokale/regionale analyse van het programma wordt als volgt een stand van zaken geschetst:

Inventarisatie van activiteiten, met behulp van de Geldstroom BKV gerealiseerd, die zijn gericht op het versterken van het cultureel ondernemerschap van beeldend kunstenaars, vormgevers en instellingen en het deel van het budget dat hiermee -globaal- is gemoeid.

? Het programma geeft een beeld van toekomstige activiteiten om cultureel ondernemerschap te stimuleren, waaronder kunst in de openbare ruimte.

? Het programma geeft aan welke verschuiving van middelen voor dit doel ten opzichte van de huidige besteding wordt doorgevoerd.


-- Na overleg tussen alle betrokken partners wordt in een later stadium nog een uitgewerkt Beleidskader Geldstroom BKV toegevoegd --

4. Structuur van provinciale en lokale programma's
Plan van aanpak en programma

Voordat een provincie of gemeente een programma opstelt, wordt een plan van aanpak geformuleerd dat vóór 1 juni 2000 aan OCenW wordt verzonden, zodat er ruimte is voor nader overleg. In het plan van aanpak zijn op hoofdlijnen opgenomen: doelstellingen, organisatie-opzet en -kosten, artistiek-inhoudelijke kwaliteit, samenwerkingsverbanden, financiering. Wat betreft de financiën is het stuk een commitment van de colleges om de te matchen bijdrage bij de begrotingsbehandeling door Raad of Staten geaccordeerd te krijgen (zie verder onder financiering).

Artistiek-inhoudelijke kwaliteit en onafhankelijkheid oordeel

In het plan van aanpak wordt aangegeven op welke wijze de artistiek-inhoudelijke kwaliteit en de onafhankelijkheid van het oordeel daarover in het verdere proces wordt bewaakt, bijvoorbeeld door middel van een adviescommissie, of een extern deskundige c.q. projectleider. Afhankelijk van de voorgestelde werkwijze geeft OCenW in dit stadium dan wel in een later stadium een verklaring van geen bezwaar af ten aanzien van de voorgestelde voorzitter/projectleider.

Overleg

Het plan van aanpak is onderwerp van overleg, dat er toe leidt dat provincies en gemeenten hun definitieve programma formuleren.

Na vaststelling door provincie- of gemeentebestuur wordt het programma bij wijze van aanvraag voor een specifieke uitkering aan OCenW voorgelegd. Toetsing van de aanvraag geschiedt aan de hand van de bij ministeriële regeling vastgestelde regels en op hoofdlijnen aan de hand van het gezamenlijke beleidskader.

Deelnemende gemeenten

Rechtstreeks deelnemende gemeenten zijn de huidige cultuurconvenant-gemeenten, aangevuld met de gemeenten met meer dan
90.000 inwoners (zie bijlage). Die laatste worden immers geacht een alomvattend cultuurbeleid te voeren. Aldus komt het aantal deelnemende gemeenten uit op 30. De overige gemeenten kunnen - niet rechtstreeks - deelnemen via de provincies.

Programma-verantwoordelijkheid en de rol van provincies

De deelnemende provincies en rechtstreeks deelnemende gemeenten zijn zelf verantwoordelijk voor de vaststelling van hun programma.

Provincies kunnen in hun programma beleidsmatig aansluiten en financieel bijdragen aan activiteiten binnen de rechtstreeks deelnemende gemeenten, of het ter beschikking staande bedrag elders in hun provincie tot besteding laten komen. Gemeenten die niet rechtstreeks deelnemen kunnen plannen aandragen bij de provincie; de provincie maakt een beleidsmatige afweging. Dat heeft voor deze gemeenten het voordeel dat naast het rijk ook de provincie medefinanciert. Provincies kunnen overigens aan deze gemeenten vergelijkbare matchingsvoorwaarden stellen. De betalingen die daaruit voortvloeien, kunnen echter niet worden opgevoerd als matchingsbijdrage richting OCenW.

Provincies kunnen een coördinerende taak vervullen ten aanzien van de programma's van rechtstreeks deelnemende gemeenten in hun gebied. Waar nodig en zinvol zorgen de provincies voor afstemming en informatie-uitwisseling. De coördinerende rol kan verder worden ingevuld door een regionale visie als beleidsmatige `kop' op het totaal van de betrokken programma's te zetten. Betrokken partijen binnen hetzelfde convenantgebied kunnen er ook voor kiezen de coördinatie op het niveau van een landsdeel te brengen. Gemeenten zorgen dat uiterlijk op 15 december het definitieve programma bij OCenW is ingediend. De provincie zorgt ervoor dat een eventuele `provinciale kop' op het programma ook op die datum bij OCenW is. De drie grote steden zijn hiervan uitgezonderd.

Deelnemende provincies en gemeenten dienen overigens in alle gevallen hun Stedelijk of Provinciaal Programma elk rechtstreeks in bij OCenW. Op basis van een positieve beslissing over het programma ontvangen zij rechtstreeks een specifieke uitkering. Ook bij een gezamenlijk programma van provincie en rechtstreeks deelnemende gemeenten dienen de partijen elk een programma in, waarbij duidelijk is wie waarvoor uitvoeringsverantwoordelijkheid draagt.

Financiering

Zoals uiteengezet, worden de programma's van gemeenten en provincies bekostigd op basis van matching tussen rijk, provincies en gemeenten. OCenW stelt daartoe per provincie en deelnemende gemeente een nominaal bedrag beschikbaar dat in een 1:1 verhouding dient te worden `gematched'. Voor de vier grote steden wordt een hoger bedrag ter beschikking gesteld, omdat de bevolkingssamenstelling in deze gemeenten laat zien dat het aandeel van culturele minderheden substantieel groter is dan in andere gemeenten. Voor het opbouwjaar
2001 is een lager bedrag beschikbaar dan voor de daaropvolgende jaren. Een uitzondering wordt gemaakt voor steden waar in 2000 een pilot loopt in het kader van het Actieplan. Voor deze gemeenten ligt het opstartjaar immers een jaar vroeger.

De berekening van het jaarlijkse bedrag geschiedt als volgt:

? voor de rechtstreeks deelnemende gemeenten (uitgezonderd de vier grote steden):


2001: aantal inwoners x f 1,-- per inwoner

vanaf 2002 : aantal inwoners x f 1,50 per inwoner

? voor de vier grote steden:


2001: aantal inwoners x f 1,50 per inwoner

vanaf 2002: aantal inwoners x f 2,-- per inwoner

? voor de provincies:


2001: aantal inwoners minus het aantal inwoners van de deelnemende gemeenten in die provincie x f 1,-- per inwoner
vanaf 2002: aantal inwoners minus het aantal inwoners van de deelnemende gemeenten in die provincie x f 1,50 per inwoner

Matching dient te gebeuren met `nieuw' geld, dan wel bestaand geld dat nog niet tot uitgave gekomen is. Hierin worden geen bestaande activiteiten opgenomen of ondergebracht. Evenmin worden bestaande activiteiten stopgezet en vervolgens weer in het programma opgenomen. De plausibiliteitstoets op de als matching opgevoerde bijdragen is een verantwoordelijkheid van OCenW en wordt naar redelijkheid uitgevoerd. Bij twijfel of aan die voorwaarden wordt voldaan, zal OCenW dit gemotiveerd uitspreken. In het geval van matching van middelen voor de programmering van kleinschalige podiumkunsten zullen eventuele gemeentelijke `ombuigingen' in de match worden geaccepteerd, voorzover deze niet ten koste gaan van de structurele basisfinanciering van de accommodaties waar dit aanbod wordt geprogrammeerd.

Cultuur en School, Geldstroom Beeldende kunst en Vormgeving

De middelen die thans voor Cultuur en School beschikbaar worden gesteld en de Geldstroom BKV worden betrokken bij de decentrale uitvoering van het Actieplan Cultuurbereik. Daarbij geldt voor de bijdrage uit hoofde van Cultuur en School onverkort de matchingsvoorwaarde. Dat is niet het geval ten aanzien van de middelen van de geldstroom BKV.

De decentrale beschikbaarstelling van middelen ten behoeve van Cultuur en School zal worden opgenomen in de zojuist beschreven procedure. De overheden die in de periode 1997-2000 in het kader van Cultuur en School projectengeld hebben ingezet, kunnen een voortzetting daarvan beschouwen als onderdeel van hun matchingsbijdrage voor Cultuur en School. Voor de drie convenantsteden Rotterdam, Amsterdam en Den Haag wordt een hoger bedrag per inwoner beschikbaar gesteld, vanwege de aard van hun educatieve taak (provinciale en gemeentelijke taak).

De berekening van het bedrag voor Cultuur en School geschiedt als volgt:

? voor de rechtstreeks deelnemende gemeenten (uitgezonderd de drie convenantssteden):


2001-2004: aantal inwoners x f 0,30 per inwoner
? voor Rotterdam, Amsterdam en Den Haag:


2001-2004: aantal inwoners x f 0,60 per inwoner
? voor de provincies:


2001-2004: aantal inwoners minus het aantal inwoners van de deelnemende gemeenten in die provincie x f 0,30 per inwoner
Voor de geldstroom BKV wordt de systematiek in zoverre gewijzigd dat de 30 gemeenten die rechtstreeks aan het Actieplan deelnemen voortaan de geldstroom BKV-uitkering niet via de provincie ontvangen, maar rechtstreeks van het rijk. Met andere woorden:
administratief-technisch gaat voor de geldstroom BKV en het Actieplan hetzelfde regime gelden. Gezien de tot nu toe gevolgde systematiek moet 2001 voor de geldstroom BKV als een overgangsjaar gezien worden; IPO en VNG maken daartoe aansluitend op het `IPO-VNG convenant beeldende kunst' een formele afspraak. Verder zal OCenW nog een voorstel doen voor een nader uitgewerkte financiële paragraaf, waarbij de inzet is om de peildatum 1 januari 2000 voor het aantal inwoners ook van toepassing te laten zijn op de Geldstroom BKV, mits dit binnen het beschikbare budget voor de geldstroom mogelijk is.
Indien steden en/of provincies een andere verhouding in de verdeling van middelen tussen provincies en 30 grote gemeenten zouden willen zien in verband met het aantal kunstenaars in een gemeente, dan kunnen IPO en VNG, dan wel individuele provincies en de betreffende steden zelf andere afspraken maken. OCenW zal deze overnemen. Er wordt daarbij uitgegaan van het beschikbaar budget voor de Geldstroom BKV. Verder zal OCenW onderzoeken welke mogelijkheden het flankerend beleid biedt.

Kleinschalige podiumkunsten

Ook voor de programmering van kleinschalige podiumkunsten betaalt OCenW mee voor gemeentelijke activiteiten, onder andere vanuit het Fonds voor de Podiumkunsten. Daarnaast zijn door OCenW gesubsidieerde instellingen zoals het Nederlands Impresariaat, Muziek en Theater Netwerk, Gaudeamus, en het Nederlands Pop Instituut actief als bemiddelaar en adviseur, maar ook als subsidiënt van talloze vooral kleinere theater- en concertzalen. De subsidierol van deze instellingen is niet onomstreden. Selectie van het aanbod en de podia vindt plaats op niet al te duidelijke en soms wisselende criteria. Zij hanteren bovendien onderling uiteenlopende voorwaarden. Dat is lastig voor het groeiend aantal podia dat met enkele van de instellingen tegelijk te maken heeft. Ook is niet altijd duidelijk in hoeverre de rijkssteun echt aanvullend is op de reguliere programmeringstaak van podia, of dat er sprake is van substitutie van gemeentelijke programmeringsgelden.

De indruk bestaat dat de podia het extra geld inmiddels beschouwen als een noodzakelijk vast inkomensbestanddeel voor hun reguliere programmering in plaats van als een extra stimulans om bijzonder aanbod op een bijzondere wijze aan de man te brengen. En dat verwijst naar een veel belangrijker probleem. Namelijk dat de groei van het aanbod in de kleinschalige podiumkunsten vele malen groter is dan die van het publiek. De doelstellingen van het Actieplan cultuurbereik zijn voor de kleinschalige podiumkunsten dan ook bij uitstek van toepassing. Tezamen met de andere hierboven genoemde overwegingen leidt dit tot de conclusie dat de diverse middelen die de verschillende overheden tot dusverre inzetten voor distributie gezamenlijk onder het regime moeten worden gebracht van het Actieplan. De reguliere programmeringsbudgetten als onderdeel van de exploitatiesubsidie van zowel gezelschappen als accommodaties zijn hier overigens van uitgezonderd.

Evenals bij Cultuur en School zal er een `geoormerkt' budget worden verstrekt dat binnen de matchingsformule valt. Het streven is erop gericht hier een extra impuls te geven, waardoor uiteindelijk de optelsom van alle instrumenten op dit gebied, zowel landelijk als decentraal, tot een grotere financiële inspanning zal leiden dan nu het geval is. Bij het oormerken zal worden uitgegaan van de precieze omvang en besteding van de huidige bedragen die de drie betrokken overheden voor distributie uitgeven. Dit wordt bepaald op basis van een gezamenlijk uit te zetten onderzoek door externe deskundigen. In verband met de afstemming met het centrale deel van het actieplan zal de omvang van het geoormerkte budget door OCenW op 1 juli worden vastgesteld.

Schotten

Om herkenbaarheid en continuïteit te waarborgen, hebben de bijdragen voor Cultuur en School , de geldstroom BKV en de kleinschalige podiumkunsten in elk geval voorlopig het karakter van `geoormerkte' budgetten. Dat betekent dat in de programma's en bij de uitvoering ten minste deze bedragen aan cultuureducatie, geldstroom BKV respectievelijk kleinschalige podiumkunsten besteed moeten worden. Halverwege de cultuurnota-periode zal bezien worden of de `schotten' tussen de samenstellende delen van de specifieke uitkering gehandhaafd dienen te blijven. Het eerder genoemde onderzoek naar de kleinschalige podiumkunsten zal daarbij betrokken worden.

Juridische basis rijksbijdrage

De bijdrage van OCenW wordt rechtstreeks verstrekt in de vorm van een specifieke uitkering. OCenW zal de doelstellingen en de criteria van de specifieke uitkering zoals met IPO en VNG in het beleidskader zijn overeengekomen, opnemen in een ministeriële regeling.

OCenW stelt geld beschikbaar op basis van een positieve beslissing op een aanvraag voor een specifieke uitkering. Het vierjarige programma vormt de basis voor deze aanvraag. In de ministeriële regeling worden de regels met betrekking tot de fasering en bevoorschotting van de jaarlijkse specifieke uitkeringen opgenomen.

Verantwoording over de besteding vindt plaats door middel van een accountantsverklaring met inachtneming van wat hierover is bepaald in hoofdstuk VI van het Bekostigingsbesluit cultuuruitingen (Bbcu). Bezien wordt of volstaan kan worden met de huidige bepalingen in hoofdstuk VI van het Bbcu. Als dat bijvoorbeeld met het oog op de juridische status van het beleidskader niet het geval is, zullen (aanvullende) regels worden gesteld.

Evaluatie

Planverantwoordelijke overheden dienen bij de verantwoording een inhoudelijk verslag in waarin wordt geëvalueerd. Het jaarlijks dan wel tweejaarlijks indienen van zo'n verslag is nog onderwerp van overleg. Per gemeente of provincie zullen criteria worden afgesproken voor evaluatie. De provincie respectievelijk de gemeente doet daarvoor een voorstel als onderdeel van het programma. De criteria kunnen zowel kwantitatief zijn als kwalitatief.

Tussenbalans

Na twee jaar zal een gezamenlijke tussenbalans worden opgemaakt. Ten behoeve van deze tussenbalans wordt in de eerste helft van 2003 een vorm van visitatie toegepast waarbij onder meer wordt beoordeeld in hoeverre de culturele kwaliteit van de activiteiten is gerealiseerd. Zo kunnen knelpunten worden gesignaleerd, maar ook goede voorbeelden. Zo'n visitatie kan worden uitgevoerd door een ad hoc-commissie, bijvoorbeeld bestaande uit een extern voorzitter, een deelnemer van de Raad voor Cultuur, aangevuld met andere inhoudelijk deskundigen en personen die hun achtergrond hebben in het lokaal en provinciaal bestuur. De Raad voor Cultuur zal om een advies worden gevraagd mede op basis van de visitatierapporten.

De tussenbalans kan leiden tot het wijzigen van afspraken tussen planverantwoordelijke gemeenten of provincies en OCenW en tot een tussentijdse tripartiete bijstelling van het door OCenW, IPO en VNG overeengekomen beleidskader en/of werkwijze. Verder vindt een heroverweging plaats van de schotten in het Actieplan voor Cultuur en School, de Geldstroom BKV en de kleinschalige podiumkunsten. De overheden bekijken aan de hand van het visitatierapport en de jaarlijkse evaluaties of aanpassing en/of bijstelling van een programma noodzakelijk is. De overheid die verantwoordelijk is voor het programma legt daartoe een voorstel voor aan OCenW. Dit betekent overigens niet dat het onmogelijk is om in het kader van het Actieplan langlopender projecten of activiteiten te entameren.

Na vier jaar

Aan het eind van het vierjarige programma zal aan de hand van de jaarlijkse dan wel tweejaarlijkse evaluaties en de tussenbalans een eindevaluatie worden opgesteld.

Over de dekking van de kosten van evaluatie en visitatie zal nader worden overlegd.

Uitwisseling

Naast evaluatie en visitatie zal gedurende de komende cultuurnota-periode energie worden gestoken in de uitwisseling van informatie tussen gemeenten, provincies en OCenW, waarbij de instellingen zullen worden betrokken die een rol vervullen binnen het Actieplan. Te denken valt aan expert-meetings en het uitwisselen van best practices in de zoektocht naar een breder en gevarieerder publiek.

Centraal deel van het Actieplan

Met de betrokken overheden, IPO en VNG, zal gesproken worden over de plannen van OCenW voor de invulling van het centraal deel van het Actieplan. Centraal en decentraal gedeelte horen goed op elkaar te zijn afgestemd en elkaar te versterken.

Bijlage

Rechtstreeks deelnemende gemeenten Actieplan Cultuurbereik

Gemeente


1 Alkmaar


2 Almere


3 Amersfoort


4 Amsterdam


5 Apeldoorn


6 Arnhem


7 Breda


8 Delft


9 Den Bosch


10 Den Haag


11 Dordrecht


12 Ede


13 Eindhoven


14 Emmen


15 Enschede


16 Groningen


17 Haarlem


18 Haarlemmermeer


19 Heerlen


20 Hengelo


21 Leeuwarden


22 Leiden


23 Maastricht


24 Nijmegen


25 Rotterdam


26 Tilburg


27 Utrecht


28 Zaanstad


29 Zoetermeer


30 Zwolle

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie