Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Heffing van belasting van personenautos en motorrijwielen

Datum nieuwsfeit: 06-03-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Financien

Titel: Heffing van belasting van personenautos en motorrijwielen



Heffing van belasting van personenautos en motorrijwielen, alsmede van motorrijtuigenbelasting met betrekking tot multifunctioneel ingerichte motorrijtuigen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg.

DIRECTIE VERBRUIKSBELASTINGEN

AFDELING ACCIJNZEN

Besluit van 6 maart 2000, nr. VB 1999/01600

De plv. Directeur-Generaal der Belastingen heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.

1. In de praktijk blijkt behoefte te bestaan aan multifunctioneel ingerichte motorrijtuigen die naast de mogelijkheid tot het vervoeren van lading tevens voorzieningen bevatten voor het verblijf, de verzorging en de overnachting van personen. Het Hof Amsterdam heeft geoordeeld dat een dergelijk motorrijtuig met een toegestane maximum massa van meer dan 3.500 kg dat (deels) was ingericht voor de accommodatie en het vervoer van paarden niet was ingericht voor het vervoer van personen. Afgezien van de bestuurderscabine was het motorrijtuig als volgt ingedeeld: een tussenruimte bevattende een keukenblok en een bank (2,6 meter), een hal met douche en toilet (1,4 meter) en accommodatie voor vier paarden (3,9 meter). Uitspraak van het Hof Amsterdam van 5 november 1999, nr. 98/03578.
2. Ingevolge het bepaalde in artikel 3, lid 1, onderdeel c, van de Wet op de belasting van personenautos en motorrijwielen 1992 (wet BPM) worden motorrijtuigen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg van het begrip personenauto uitgezonderd mits zij niet zijn ingericht voor het vervoer van personen. Op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad moet het criterium niet ingericht voor het vervoer van personen als volgt worden opgevat: Indien een motorrijtuig (ook) is ingericht voor het vervoer van personen, dient dat motorrijtuig te worden aangemerkt als een personenauto, ook indien het tevens geschikt is voor andere doeleinden, tenzij moet worden aangenomen dat, zoals bijvoorbeeld het geval is bij vrachtwagens, de mogelijkheid tot personenvervoer ondergeschikt is aan het vervoer waarvoor het motorrijtuig overigens is ingericht en aldus geen zelfstandige betekenis heeft (H.R. 1-7-1987, nr. 24 351; H.R. 15-9-1993, nr. 29 113). Hierbij is tevens van belang dat de Hoge Raad in laatstgenoemd arrest heeft geoordeeld dat de mogelijkheid tot personenvervoer en niet het gebruik beslissend is voor de vraag of er sprake is van een personenauto.
3. Het Hof Amsterdam heeft in zijn uitspraak van 5 november 1999 kennelijk bedoeld invulling te geven aan de jurisprudentie van de Hoge Raad ten aanzien van het criterium niet ingericht voor het vervoer van personen. Gelet op de door het Hof gebezigde overwegingen heeft het zijn oordeel mede gebaseerd op de verklaring van belanghebbende dat de voorzieningen ten behoeve van het verblijf en de verzorging van personen uitsluitend worden gebruikt tijdens stilstand van het motorrijtuig. Gezien het feit dat, gerelateerd aan de beschikbare lengte, slechts iets minder dan de helft van de laadruimte was ingericht voor accommodatie van paarden, kan ik niet anders concluderen dan dat het feitelijk gebruik doorslaggevend is geweest in het oordeel dat de betreffende auto niet was ingericht voor personenvervoer. Nog daargelaten dat het baseren van een kwalificatie van het desbetreffende voertuig enkel of in overwegende mate op het gestelde feitelijke gebruik, in plaats van op de inrichtingskenmerken, in de praktische uitvoering tot problemen aanleiding geeft, geeft de beslissing van het Hof in het onderhavige geval naar mijn oordeel geen uitsluitsel op de vraag waarom, gelet op de inrichting, het vervoer van personen als ondergeschikt en het vervoer van paarden als overwegend kan worden geoordeeld. Gelet op de omstandigheid dat de laadruimte van het betreffende voertuig slechts voor iets minder dan de helft van de lengte was ingericht voor de accommodatie van paarden en de overige ruimte gezien de inrichting bestemd was voor de verzorging en het verblijf van personen, biedt naar mijn mening de beslissing van het Hof in het licht van de eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad, waarin tot uitdrukking is gebracht dat de mogelijkheid van personenvervoer ondergeschikt dient te zijn aan het vervoer waarvoor het motorrijtuig overigens dient, onvoldoende duidelijkheid voor een dergelijke beoordeling. Derhalve is beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van het Hof Amsterdam
4. Teneinde duidelijkheid te geven wanneer een motorrijtuig met een dergelijke inrichting niet wordt aangemerkt als personenauto heb ik aanleiding gevonden het volgende goed te keuren. Bovengenoemde multifunctioneel ingerichte motorrijtuigen worden voor de heffing van de BPM en voor de motorrijtuigenbelasting niet als personenauto aangemerkt indien en voor zolang wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:


a. het gedeelte van de laadruimte dat is ingericht voor vervoer van personen bedraagt niet meer dan 1/3 van de lengte die de laadruimte zou hebben zonder voorzieningen voor het verblijf en/of de overnachting van personen. Indien tussen de bestuurderscabine en het gedeelte van de laadruimte dat is ingericht voor het vervoer van personen geen vaste wand bestaat, wordt voor het bepalen van de lengte van de laadruimte in verband met de verhouding 1/3 - 2/3 ervan uitgegaan dat de laadruimte van de cabine is gescheiden door middel van een 115 cm achter het achterste punt van het stuurwiel geplaatste fictieve vaste wand;
b. het gedeelte van de laadruimte dat is ingericht voor het vervoer van goederen/dieren mag uitsluitend voorzieningen bevatten die gerelateerd zijn aan dat vervoer. Indien het desbetreffende gedeelte van de laadruimte tevens wordt gebruikt voor het onderhoud van de te vervoeren lading, mogen tevens de daarvoor benodigde voorzieningen zijn aangebracht;

c. de onder b bedoelde ruimte dient te zijn afgescheiden door een vaste wand en er mag geen sprake zijn van enige doorgang;
d. er mogen geen personen worden vervoerd in het gedeelte bestemd voor het vervoer van goederen/dieren;

e. het motorrijtuig heeft een toegestane maximum massa van meer dan
3.500 kg.

Notificatie
Het ontwerp-besluit is op 10 februari 2000 gemeld aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen ter voldoening aan artikel 8, eerste lid, van Richtlijn 98/34 EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEG L 204, zoals gewijzigd bij Richtlijn 98/48/EG van 20 juli 1998, (PbEG L 217), notificatienummer 2000/0053/NL.

De Staatssecretaris van Financiën,
namens deze,
De plv. Directeur-Generaal der Belastingen

Mw. Mr. J. Thunnissen

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie