Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Brief VROM voortgangsrapportage stad en milieu

Datum nieuwsfeit: 09-03-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

Brief VROM voortgangsrapportage stad en milieu
Gemaakt: 16-3-2000 tijd: 15:26


2

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 9 maart 2000

Onderwerp:

Voortgangsrapportage Stad & Milieu

Geachte Voorzitter,

Tijdens de behandeling van de Experimentenwet Stad en Milieu in de Tweede Kamer is afgesproken om de Tweede Kamer jaarlijks te informeren over de voortgang van het project Stad & Milieu. Bijgevoegd treft u de voortgangsrapportage over 1999 en het begin van 2000 aan, waarnaar ik kortheidshalve verwijs. De voortgang van de afzonderlijke experimenten zal aan de orde komen bij de tussentijdse evaluatie van het project Stad & Milieu, die dit jaar plaatsvindt. Naar verwachting kunnen de resultaten tegen het eind van dit jaar aan de Tweede Kamer worden toegezonden.

Hoogachtend,

De minister van Volkshuisvesting,

Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J.P. Pronk

STAD & MILIEU

LEREN VAN DE PRAKTIJK

Voortgangsrapportage


1999/2000


1. Inleiding

In de onderhavige voortgangsrapportage wordt nader ingegaan op de ontwikkelingen in het kader van het project Stad & Milieu. Voor wat betreft 1999 lag het accent op de nadere invulling van de verschillende Stad & Milieu-experimenten, en de ondersteuning en begeleiding daarvan. In diverse experimenten is dan ook voortgang geboekt, waarvan onder meer gebruik kon worden gemaakt bij de organisatie van een aantal expertmeetings en de uitvoering van de verdiepingsslag. Met betrekking tot 2000, waarin vooral de tussentijdse evaluatie van Stad & Milieu aandacht zal vragen, geldt als belangrijke doelstelling om zowel intern als extern de opgedane ervaringen uit te dragen. Deze voortgangsrapportage krijgt daarom als ondertitel `leren van de praktijk' mee.

In hoofdstuk 2 wordt een overzicht gegeven van de activiteiten en ontwikkelingen in 1999 en begin 2000. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 ingegaan op de belangrijkste activiteiten die in de loop van 2000 zullen worden uitgevoerd. In deze rapportage is geen informatie opgenomen over de voortgang van de verschillende experimenten. Hieraan zal immers aandacht worden besteed in het kader van de tussentijdse evaluatie van het project Stad & Milieu, die dit jaar zal worden uitgevoerd en vervolgens aan de Staten-Generaal zal worden aangeboden.

Terugblik 1999


1999 was een jaar waarin onder meer is getracht om de ervaringen en kennis binnen de experimenten in beeld te brengen, te versterken en uit te wisselen. Daarnaast is een voorstel ontwikkeld voor de (tussentijdse) evaluatie van het project Stad & Milieu en is de internetsite van Stad & Milieu gelanceerd. Ook is een nadere analyse gemaakt van de resultaten van de nulmetingen met het oog op de invulling van het begrip leefkwaliteit en voortgang geboekt ten aanzien van de ontwikkeling van de Gezondheid Effect Screening (GES). Op deze en andere activiteiten in 1999 en begin 2000 wordt hieronder nader ingegaan.

Afwijken van niet-wettelijke milieukwaliteitsnormen

Op 16 februari is door de minister van VROM aan alle colleges van B & W van de experimentgemeenten, met afschrift aan de Tweede Kamer en de inspectiebegeleiders, een brief gezonden over de afwijking van niet-wettelijke milieukwaliteitsnormen. Deze brief was al aangekondigd in de memorie van toelichting bij de Experimentenwet Stad en Milieu. Een aantal mogelijk relevante milieukwaliteitsnormen is namelijk (nog) niet in wet- en regelgeving vastgelegd maar bijvoorbeeld in circulaires of handreikingen (bijvoorbeeld op het terrein van geluid en externe veiligheid).

In de brief wordt aanbevolen alle gevallen van afwijking van niet-wettelijke normen nader te motiveren, waarbij is verwezen naar de inhoudelijke eisen van de Experimentenwet. Dat is zeker gewenst ten aanzien van de in de praktijk als meer bindend aangemerkte normen met het oog op eventuele beroepsprocedures. Daarnaast wordt aanbevolen om een afwijking van niet-wettelijke normen zo mogelijk mee te laten lopen in de procedure op grond van de Experimentenwet voor de afwijking van wettelijke milieukwaliteitseisen. Voor zover de wettelijke procedure niet aan de orde is, ligt het voor de hand om een zorgvuldige besluitvormingsprocedure te volgen die vergelijkbaar is met die van de Experimentenwet.

Naar aanleiding van deze brief zijn verschillende vragen gerezen, met name over de werkingssfeer van de Nota risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (Nota RNVGS). In deze nota van de ministeries van V & W en VROM is het beleid inzake veiligheidsnormen ten aanzien van het vervoer van gevaarlijke stoffen vastgelegd. Bij brief van 29 oktober zijn de projectleiders en inspectiebegeleiders daarom nader geïnformeerd over de werkingssfeer van genoemde nota en de relatie ervan met het project Stad & Milieu.

In de brief wordt toegelicht dat de Nota RNVGS in bijzondere situaties de mogelijkheid biedt om op basis van een integrale belangenafweging af te wijken van de grenswaarde voor het individueel risico. Daarvoor is dan wel de instemming van de ministers van V & W en VROM nodig. Feitelijk is er dan dus sprake van stap 2 van de Stad & Milieu-benadering, namelijk het benutten van de mogelijkheden van de bestaande wet- en regelgeving. Het ligt in de rede om bij een verzoek tot afwijking zoveel mogelijk gebruik te maken van de informatie die in het kader van het Stad & Milieu-experiment is of wordt verzameld.

RIGO-onderzoek «Beleving van de leefkwaliteit»

In 1998 is een zogenaamde nulmeting uitgevoerd voor alle experimenten (met uitzondering van Utrecht), waarin naast objectieve gegevens (geluid, externe veiligheid, bodem- en luchtverontreiniging e.a.) ook subjectieve gegevens zijn verzameld ten aanzien van de beleefde leefkwaliteit. Hierbij is bewoners en gebruikers gevraagd naar hun oordeel over het gebied (naast milieuaspecten ook voorzieningen, veiligheid e.d.).

In 1999 is een nadere analyse uitgevoerd op deze nulmeting met als invalshoek de beleving van de bewoners. Doel daarvan was inzicht krijgen in de aspecten die bijdragen aan leefkwaliteit en de rol van milieufactoren daarbij, en het doen van handreikingen voor compensatie indien gemeenten overgaan tot het nemen van een stap 3-besluit (afwijking van wet- en regelgeving). In de analyse zijn de objectieve gegevens gerelateerd aan de subjectieve gegevens ofwel het belevingsonderzoek.

Globaal komen uit het onderzoek de volgende bevindingen naar voren:

van de zes categorieën die van belang zijn voor de beleving van de leefkwaliteit zijn de tevredenheid met de woning en het uiterlijk van de buurt het belangrijkst. De milieuoverlast staat op de derde plaats, vóór naaste buren, veiligheid en voorzieningen;

er is geen algemeen geldende volgorde aan te geven in de belangrijkheid van de verschillende milieuhygiënische aspecten omdat de situatie te veel uiteenloopt per gebied Hierbij gaat het om geluid, bodem- en luchtverontreiniging, geur en externe veiligheid;

niet iedereen ondervindt in dezelfde mate hinder van eenzelfde belasting. De verschillen hebben te maken met verschillen tussen huishoudens. Hierbij spelen leeftijd, samenstelling van het huishouden en de woonsituatie een rol. Hiermee kan door een gemeente rekening worden gehouden wanneer zij de leefkwaliteit in een gebied wil verhogen;

de gemeente kan de uitkomsten van deze analyse gebruiken bij het zelf vaststellen van de leefkwaliteit in een gebied. Uit het onderzoek komt naar voren dat dit voor ieder gebied maatwerk is. Daarnaast biedt de analyse de gemeente een handreiking bij het zoeken naar mogelijkheden voor compensatie.

Het RIGO-rapport is verspreid binnen de Stad & Milieu-organisatie en tevens bij brief van 12 juli 1999 aangeboden aan de voorzitter van de Tweede Kamer.

Evaluatie Stad & Milieu

In juni 1999 is aan bureau IME Consult BV een tweeledige onderzoeksopdracht verleend. Enerzijds was deze opdracht gericht op het maken van een voorstel voor de opzet en organisatie van de (tussentijdse) evaluatie van het project Stad anderzijds was de opdracht gericht op het uitvoeren van een aparte verdiepingsslag (zie hieronder).

Het voorstel dat door bureau IME voor de evaluatie is ontwikkeld impliceert onder andere de instelling van een aparte evaluatiecommissie, die wordt voorgezeten door een onafhankelijk voorzitter. Na bespreking van het voorstel in het Stad & Milieu-beraad en het gezamenlijk overleg van projectleiders en inspectiebegeleiders in september, is het voorgelegd aan de bewindslieden van VROM. Deze hebben in december ingestemd met de wijze waarop de evaluatie zal worden opgezet. Daarbij is wel afgesproken dat vertegenwoordigers van de partijen uit het Stad & Milieu-beraad zitting kunnen nemen in de commissie maar dat dit, gelet op de gewenste onafhankelijkheid, niet de leden van het beraad zelf mogen zijn. Daarnaast werd aandacht gevraagd voor de voorzitter van de evaluatiecommissie, waarvoor prof. dr. A.B. Ringeling (hoogleraar Bestuurskunde, Erasmus Universiteit Rotterdam) met succes is benaderd.

In januari 2000 is zowel door het Stad & Milieu-beraad als door de bewindslieden van VROM ingestemd met de voorgestelde samenstelling van de evaluatiecommissie. Deze zal, naast de voorzitter en de secretaris, bestaan uit vertegenwoordigers van de wetenschap, het IPO, de VNG, het ministerie van VROM, het VNO/NCW en de Stichting Natuur en Milieu. De betreffende partijen zijn inmiddels uitgenodigd om een vertegenwoordiger in de commissie aan te wijzen.

Verdiepingsslag

Zoals hierboven aangegeven had bureau IME ook tot taak om uitvoering te geven aan de verdiepingsslag. Doel daarvan was om de leerervaringen met de 25 Stad & Milieu-experimenten in beeld te brengen en inzicht te krijgen in de succes- en faalfactoren. De resultaten ervan zouden vervolgens kunnen worden gebruikt voor kwaliteitsverbetering van de experimenten en onderlinge uitwisseling van kennis en informatie, alsmede kunnen worden ingebracht in andere beleidstrajecten zoals Modernisering Instrumentarium Geluidbeleid (MIG) en Beleidsvernieuwing bodemsanering (Bever).

Het onderzoek van IME is ingevuld op basis van 75 interviews met alle projectleiders en 2 key-persons per experiment, zoals gemeentelijke bestuurders, inspectiebegeleiders en vertegenwoordigers van bewonersverenigingen, natuur- en milieuorganisaties, de GGD of het bedrijfsleven. Het onderzoek heeft, na besprekingen met de projectleiders, uiteindelijk geresulteerd in een hoofdrapport en deelrapporten van de afzonderlijke experimenten. Opvallend was overigens, aldus bureau IME, de grote tevredenheid van gemeenten en andere betrokkenen over de facilitering en kennisoverdracht door het ministerie van VROM. Bij veel beleidsevaluaties die dit bureau voor de rijksoverheid doet is dit juist vaak een negatief punt.

In het hoofdrapport zijn op basis van de informatie uit de deelrapporten observaties en leerpunten geschetst. De projectleiders konden zich inhoudelijk vinden in de hoofdlijnen van het rapport, dat tevens een goede impuls zou kunnen vormen om met een aantal aandachtspunten aan de slag te gaan. Opvallend was ook dat steeds dezelfde thema's terugkomen zoals leefkwaliteit, compensatie en het open planproces. In dat kader is onder andere geconcludeerd dat er geen behoefte is aan een standaard aanpak voor bijvoorbeeld leefkwaliteit. Iedere gemeente is namelijk op haar eigen wijze bezig met het ruimtelijk planproces en de invulling van een integrale benadering.

In januari 2000 is het hoofdrapport besproken in het Stad & Milieu-beraad. Daarbij bleek waardering voor de inhoud van het rapport, dat onder meer voor de invulling van de tussentijdse evaluatie van belang kan zijn. In dat verlengde werd dan ook aandacht gevraagd voor de leerpunten die in het rapport naar voren komen en mogelijk aanleiding geven tot vervolgacties. Afgesproken is om hier afzonderlijk op terug te komen en de resultaten van de nadere discussie onder meer aan de evaluatiecommissie te doen toekomen.

Expertmeetings

In het najaar van 1999 zijn met ondersteuning van Arcadis Heidemij Advies BV enkele expertmeetings georganiseerd rond specifieke thema's die spelen binnen de Stad & Milieu-benadering. Op die wijze is geprobeerd te komen tot een verdieping van kennis en inzicht en het aanreiken van oplossingsrichtingen. Achtereenvolgens zijn de volgende thema's besproken: leefkwaliteit, open planproces, compensatie, grondbeleid en de invulling van het stap 3-besluit. Aan de expertmeetings is deelgenomen door projectleiders en inspectiebegeleiders van de experimenten, leden van het projectbureau, vertegenwoordigers van relevante VROM-directies en vakdeskundigen buiten de directe Stad & Milieu-kring.

Op 9 december is de 6e en laatste expertmeeting gehouden. Tijdens die dag zijn de resultaten van de thema-expertmeetings besproken en is tevens de Stad & Milieu-internetsite gelanceerd. Op deze site is niet alleen algemene informatie opgenomen over het project Stad & Milieu maar tevens informatie over specifieke onderwerpen, zoals «leefkwaliteit» en «compensatie». Voorts zijn voor zover reeds beschikbaar de geactualiseerde fact sheets van de experimenten opgenomen met een verwijzing naar de gemeentelijke projectleiders. De internetsite heeft als tijdelijk adres:
«http://brattain.design.nl/minvrom/pagina.html?id=335». Het verslag van de thema-expertmeetings is inmiddels verspreid binnen de Stad & Milieu-organisatie.

Ontwikkeling Gezondheid Effect Screening (GES)

Door middel van deze actie wordt beoogd een goed beeld te krijgen van de mogelijke effecten op de volksgezondheid van specifieke ruimtelijke ingrepen. Eind 1999 is de checklist GES gereed gekomen en uitgetest bij drie Stad & Milieu-experimenten. Daarnaast is de checklist gepresenteerd aan de projectleiders Stad & Milieu. Het onderzoek is gefinancierd door het ministerie van VWS; het ministerie van VROM was nauw betrokken. Er is hiermee een goed bruikbaar instrument beschikbaar dat in eerste instantie gebruikt zal worden door de GGD's en de Medisch Milieukundigen, wanneer deze voor de Stad & Milieu-projecten een gezondheidsadvies opstellen. Daarnaast vormen de projectleiders van de experimenten een doelgroep.

Open planproces

Op verzoek van de minister van VROM is per 1 juni een apart aanspreekpunt voor bewoners(groepen) aangesteld bij het projectbureau. Deze heeft tevens tot taak om gemeenten, bewoners en eventueel andere partijen in Stad & Milieu-experimenten met raad en daad terzijde te staan ter bevordering van het open planproces.

Uit de eerste ervaringen is gebleken dat het ter beschikking stellen van deskundigheid op het gebied van open planprocessen effectief en efficiënt werkt. Bewoners en gemeenten weten zich hierdoor gesteund door de minister van VROM waar het gaat om de aandacht voor het proces (naast de inhoud), en met name de rol en positie daarbij van bewoners, omwonenden, wijkraden, buurtcomité's, actiegroepen e.d. Omdat tot nu toe betrekkelijk weinig bewoners zich hebben gemeld voor advies, is de meeste energie en tijd gestoken in kwaliteitsverbetering van de planprocessen en conflictpreventie. Verwacht wordt dat de werkzaamheden zullen opschuiven van preventief naar curatief, naarmate de plannen concreter vorm krijgen en er voor bewoners eerder aanleiding kan zijn om bezwaren te maken.

Algemene voortgang experimenten

Tot nu toe heeft geen enkele experimentgemeente formeel een stap
3-besluit in procedure gebracht. De meeste experimenten verkeren nog in de fase van planontwikkeling- en vorming en dus in de stappen 1 en
2 van de Stad & Milieu-benadering. Extra accent op die stappen heeft er overigens wel toe geleid dat in enkele experimenten de noodzaak tot stap 3 is afgenomen. Bij sommige experimenten is niettemin het voornemen tot een stap 3-besluit aan de orde en is hierover reeds oriënterend overleg gevoerd: Arnhem, Amsterdam en Den Haag.

Op verschillende momenten heeft de minister van VROM het afgelopen jaar benadrukt dat het aantal stap 3-besluiten beperkt dient te blijven, mede gelet op de mogelijkheden van de bestaande regelgeving. Het zetten van de derde stap dient dan ook een ultimum remedium te zijn. Bovendien is het project Stad & Milieu nadrukkelijk niet alleen bedoeld om ervaring op te doen met stap 3 maar zeker ook met de stappen 1 en 2. Dit is nog eens bevestigd tijdens het Stad & Milieu-beraad van februari 2000.

Aan het project Stad & Milieu ligt namelijk de veronderstelling ten grondslag dat een integrale benadering van experimenteergebieden, waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande mogelijkheden, veelal toereikend zal zijn om de gewenste leefkwaliteit te bereiken. De ervaring die wordt opgedaan met de stappen 1 en 2, alsmede de argumentatie om niet af te wijken van wet- en regelgeving, is dus waardevol voor de verdere invulling en evaluatie van het project Stad & Milieu. Het is derhalve wenselijk dat ook de experimentgemeenten, die stap 3 niet zullen zetten, actief betrokken blijven bij het project.

In mei 1999 is door de Stichting Natuur en Milieu, in samenwerking met een aantal provinciale milieufederaties en stedelijke milieucentra, een rapport opgesteld en verspreid waarin 8 van de 25 Stad & Milieu-experimenten tussentijds zijn geëvalueerd aan de hand van de criteria integratie, participatie, leefmilieukwaliteit en compensatie. Het rapport is zowel met de projectleiders, de inspectiebegeleiders als het Stad & Milieu-beraad besproken. De aanbevelingen uit het rapport voor VROM en de gemeenten, die onder meer betrekking hadden op bronmaatregelen en participatie, konden in grote lijnen worden onderschreven.

Dat gold niet voor de suggestie om een kader voor compensatie op te stellen. In de Experimentenwet Stad en Milieu is hiervoor al een kader neergelegd, met als uitgangspunt dat de experimentgemeenten verantwoordelijk zijn voor de invulling van compensatie die immers sterk afhankelijk is van de lokale omstandigheden. Ook de aanbeveling om eerst de uitkomsten van Stad & Milieu af te wachten, alvorens de decentralisatie van het milieubeleid verder vorm te geven, kon niet rekenen op steun. Zoals eerder ook met de Tweede Kamer besproken zullen de verschillende beleidstrajecten parallel worden uitgevoerd, teneinde de onderlinge afstemming zo goed mogelijk te laten plaatsvinden, waarbij tussentijdse ervaringen over en weer kunnen worden benut. Door het Stad & Milieu-beraad is voorts voorgesteld om niet te spreken van een tussentijdse evaluatie, teneinde verwarring met de formele evaluatie te voorkomen, maar eerder van bevindingen.

Bij brief van 2 november aan de minister van VROM heeft het college van B & W van Utrecht gemeld dat het Stad & Milieu-experiment Kromhoutkazerne zal worden beëindigd. Oorzaak daarvan is de impasse die al geruime tijd bestaat omtrent de eigendomsoverdracht van dit terrein door het ministerie van Defensie. Hierdoor is in de afgelopen periode in wezen geen invulling gegeven aan het experiment en speelde de gemeente Utrecht in Stad & Milieu-kader geen rol. De minister van VROM heeft ingestemd met dit besluit. De bijlage bij de Experimentenwet Stad en Milieu, waarop de experimenten zijn vermeld, zal hiervoor gelet op de aparte en tijdrovende procedure van wetswijziging niet worden aangepast.

Financiën

Ter ondersteuning van de experimentgemeenten was in 1999 op basis van een aparte Subsidieregeling Stad & Milieu een budget beschikbaar waarvoor tot 15 september aanvragen konden worden ingediend. Op basis van dit budget is aan negen gemeenten een financiële bijdrage verleend met een totaalbedrag van f 227.352,98. De aanvragen hadden onder andere betrekking op externe procesbegeleiding en specifieke onderzoeken, zoals onderzoek naar een optimale energievoorziening en cultuur- en milieuhistorisch onderzoek.

Op 23 november is een wijziging van genoemde subsidieregeling in de Staatscourant gepubliceerd. Deze betreft artikel 6 van de regeling en voorziet in de vaststelling van het subsidieplafond voor de komende jaren. Voor de jaren 1999 tot en met 2001 bedraagt dit plafond f
500.000,--; voor 2002 gaat het om een bedrag van f 300.000,--. Voor
2003, het laatste jaar waarin gelet op de looptijd van de Experimentenwet subsidie-aanvragen kunnen worden ingediend, ligt het plafond op een bedrag van f 200.000,--. Gekozen is voor een afnemend subsidieplafond omdat de behoefte aan ondersteuning naar verwachting in de loop der tijd minder zal worden.

Informatie-uitwisseling, overleg en communicatie

Binnen een samenwerkingsproject als Stad & Milieu zijn informatie en communicatie van groot belang. Dit biedt immers mogelijkheden om kennis en ervaring te delen. In aanvulling op de hiervoor vermelde acties heeft daarom in 1999 regelmatig overleg plaatsgevonden met betrokkenen, zijn nog enkele werkbezoeken aan experimentgemeenten afgelegd en is relevante informatie verspreid binnen de Stad & Milieu-organisatie. Daarnaast is, met het oog op de verspreiding van kennis in internationaal verband, de Engelstalige brochure «Area specific policy works» uitgebracht. Hierin worden de ervaringen die binnen Nederland zijn opgedaan met het gebiedenbeleid beschreven, waarbij met name wordt ingegaan op aanpak en werkwijze van de ROM-projecten en de Stad & Milieu-projecten.

Vooruitblik 2000

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de belangrijkste onderwerpen en activiteiten die in de loop van 2000 aan de orde zullen komen. De basis van dit werkprogramma ligt met name in de vergaderingen van het Stad & Milieu-beraad en het projectbureau in september, waarbij is aangegeven wat de belangrijke en minder belangrijke activiteiten in
2000 zouden moeten zijn. Als belangrijk werden onder meer genoemd: extra maatwerk bij de begeleiding van projectleiders en inspectiebegeleiders, communicatie en voorlichting omtrent de ervaringen met Stad & Milieu, afstemming met en inbreng in andere projecten en de beoordeling van eventuele stap 3-besluiten. Als minder belangrijk werd onder andere de begeleiding van niet-experimentgemeenten aangemerkt. Deze aandachtspunten zijn in dit hoofdstuk voor zover nodig nader uitgewerkt. Daarnaast wordt de inhoud van het werkprogramma natuurlijk deels gevormd door activiteiten die een vervolg zijn op acties in 1999. Voorbeelden daarvan zijn de evaluatie van Stad & Milieu en de ontwikkeling en implementatie van GES.

In dit hoofdstuk wordt niet stilgestaan bij de reguliere werkzaamheden hoewel deze een belangrijk beslag leggen op de beschikbare capaciteit en middelen. Daarbij kan worden gedacht aan de begeleiding van de experimenten, voorbereiding en verslaglegging van de diverse overleggen en specifieke acties met betrekking tot communicatie en voorlichting. Ook het beheer en financieel management van de beschikbare middelen, alsmede de secretariële en administratieve ondersteuning van het project Stad & Milieu, komen in dit hoofdstuk niet aan bod. Dat laat onverlet dat dit soort werkzaamheden essentieel zijn voor de voortgang van het project Stad & Milieu.

Invulling evaluatie Stad & Milieu

In 2000 zal, conform de Experimentenwet Stad en Milieu, de tussentijdse evaluatie van het project Stad & Milieu aan de Tweede en Eerste Kamer moeten worden aangeboden. Ter voorbereiding daarop zal de verdere organisatie en invulling van de evaluatie de nodige inzet vergen van alle betrokken partijen. Het is de bedoeling dat de evaluatiecommissie op korte termijn wordt samengesteld. Vervolgens zal aan de minister van VROM worden gevraagd om in te stemmen met de formele instelling van de commissie.

Naar verwachting zal de commissie, zodra deze is samengesteld, in eerste instantie een werkprogramma voor de evaluatie met bijbehorende middelen vaststellen. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van eerder verzamelde informatie. De opzet en invulling van het werkprogramma is uiteraard primair een verantwoordelijkheid van de commissie. Dat laat onverlet dat bij de evaluatie van Stad & Milieu de verschillende partijen zoveel mogelijk zullen worden betrokken. De evaluatie van het project Stad & Milieu is immers gebaat bij participatie van alle partijen en zal mede daarom in 2000 regelmatig worden geagendeerd voor de verschillende overleggen.

Implementatie Gezondheid Effect Screening (GES)

Eind 1999 is het GES gereed gekomen en uitgetest. In 2000 is de aandacht gericht op een aanvulling van het GES, in de vorm van risicoberekeningen, en op implementatie. Dit wordt gefinancierd door de ministeries van VROM en VWS. Ten behoeve van de implementatie zal een aantal workshops worden georganiseerd voor de GGD's en de projectleiders en bestuurders van de Stad & Milieu-projecten. Doel is de toekomstige gebruikers te enthousiasmeren en met het GES te leren werken.

Internet

Zoals eerder vermeld is in 1999 de internetsite van Stad & Milieu gelanceerd. Deze vergt natuurlijk regelmatig aanvulling en onderhoud, mede omdat de site bij aanvang nog niet volledig was. Daarnaast is het de bedoeling dat de site uitgroeit tot een interactief discussieplatform dat kan worden gebruikt voor het aan de orde stellen van relevante onderwerpen. In 2000 zal de site derhalve verder worden uitgebouwd. Zo is het de bedoeling om de verslagen van de expertmeetings en de resultaten van de verdiepingsslag op de site te zetten, alsmede meer informatie op te nemen over de verschillende experimenten. Ook zal aandacht worden besteed aan de relatie tussen het project Stad & Milieu en andere beleidstrajecten, zoals MIG, Bever en het Stimuleringsprogramma Intensief Ruimtegebruik (StIR). Eind 2000 zal het gebruik en de effectiviteit van de Stad & Milieu-site worden geëvalueerd.

Intervisie

In het rapport van NovioConsult wordt onder andere aanbevolen om intervisie-bijeenkomsten te organiseren. Daarbij gaat het, in tegenstelling tot de expertmeetings, niet om het bijeen brengen van deskundigen maar eerder om bijeenkomsten die mogelijkheden bieden voor onderlinge reflectie en het bespreken van vragen en oplossingen. Onderwerpen voor dergelijke bijeenkomsten kunnen mogelijk worden ontleend aan de expertmeetings en de rapporten van de verdiepingsslag. Denkbaar is ook dat intervisie-bijeenkomsten worden georganiseerd voor experimenten die zich in dezelfde planfase bevinden of voor experimenten die betrekking hebben op gelijksoortige gebieden, zoals bedrijfsterreinen. Voorts zouden wellicht experimenten kunnen worden gegroepeerd waarbij de NS een wezenlijke rol speelt. Tenslotte zou intervisie een geschikt instrument kunnen zijn voor het verder uitdiepen van bepaalde thema's, die eerder via onderzoek in beeld zijn gebracht zoals leefkwaliteit en gezondheid. Overigens is momenteel al sprake van intervisie in de vorm van de regionale overleggen van de inspectiebegeleiders. Een meer structurele aanpak en inbedding daarvan is evenwel gewenst. In 2000 zal nadere actie worden ondernomen met betrekking tot de organisatie van intervisie-bijeenkomsten.

Communicatie en voorlichting

De aanpak van de communicatie over en rondom het project Stad & Milieu dient te worden herzien. Het is immers reeds geruime tijd geleden dat voor het project een `overall'
communicatieplan is opgesteld. Herijking van doelstellingen, boodschappen en activiteiten is dan ook op zijn plaats, zeker omdat het project inmiddels een aantal fases verder is. De fase waarin het project thans verkeert vormt mede aanleiding om een nieuw communicatieplan op te stellen.

Tijdens de voorbereiding van het nieuwe communicatieplan wordt uiteraard niet stilgestaan. Zo zal bijvoorbeeld een aparte brochure worden opgesteld. Deze brochure brengt de kennis en inzichten uit de experimenten en verschillende onderzoeken, onder meer op het gebied van leefkwaliteit en gezondheid, op een toegankelijke en aantrekkelijke wijze samen. Doel hierbij is wat meer aan de weg te timmeren en de eerste ervaringen met Stad & Milieu breed uit te dragen. Een belangrijke doelgroep zijn de gemeenten die geen Stad & Milieu-experiment hebben. Voorts zal het rapport van de verdiepingsslag worden verspreid binnen de uitvoeringsorganisatie van Stad & Milieu en worden aangeboden aan de colleges van B & W van de experimentgemeenten.

Afstemming /inbreng andere projecten

In 2000 komen enkele cruciale nota's uit: de 5e nota over de ruimtelijke ordening, het NMP4 en de nota Wonen. Het is van belang dat het gedachtengoed van Stad & Milieu en de ervaring met deze wijze van werken doorwerkt in deze nota's. Daartoe kan onder meer gebruik worden gemaakt van de resultaten van de verdiepingsslag en de expertmeetings. Onderwerpen die hierbij aan de orde zijn gekomen, zoals leefkwaliteit, open planproces, grondbeleid en de samenwerking tussen ruimtelijk en milieubeleid, zijn tevens relevant voor de genoemde nota's.

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie