Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Weekoverzicht Hof van Justitie en Gerecht Eerste Aanleg EU

Datum nieuwsfeit: 13-03-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten

WEEKOVERZICHT VAN HET HOF VAN JUSTITIE EN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN

Week van 13 tot 17 maart 2000

nr. 09/00



I. ARRESTEN

Bij het Hof van Justitie aanhangige zaken

Gevoegde zaken C-102/98 en C-211/98

I. Kocak/Landesversicherungsanstalt Oberfranken und Mittelfranken

R. Örs/Bundesknappschaft

Externe betrekkingen

Zaak C-54/99

Association Église de scientologie de Paris, Scientology International Reserves Trust/Premier ministre

Vrij verkeer van kapitaal

Zaak C-284/98 P

Europees Parlement/R. Bieber

Ambtenarenstatuut

Zaak C-439/98

Commissie van de Europese Gemeenschappen/Italiaanse Republiek

Sociale politiek

Gevoegde zaken C-395/96 P en C-396/96 P

Compagnie maritime belge transports SA, Compagnie maritime belge SA en Dafra-Lines A/S/Commissie van de Europese Gemeenschappen

Mededinging

Zaak C-329/97

S. Ergat/Stadt Ulm

Externe betrekkingen

Bij het Gerecht van eerste aanleg aanhangige zaken

Gevoegde zaken T-25/95, T-26/95, T-30/95, T-31/95, T-32/95, T-34/95, T-35/95, T-36/95, T-37/95, T-38/95, T-39/95, T-42/95, T-43/95, T-44/95, T-45/95, T-46/95, T-48/95, T-50/95, T-51/95, T-52/95, T-53/95, T-54/95, T-55/95, T-56/95, T-57/95, T-58/95, T-59/95, T-60/95, T-61/95, T-62/95, T-63/95, T-64/95, T-65/95, T-68/95, T-69/95, T-70/95, T-71/95, T-87/95, T-88/95, T-103/95 en T-104/95

Cimenteries CBR SA, Cembureau - Association européenne du ciment, Fédération de l'industrie cimentière belge ASBL, Eerste Nederlandse Cementindustrie NV (ENCI), Vereniging Nederlandse Cementindustrie (VNC), Ciments luxembourgeois SA, Dyckerhoff AG, Syndicat national de l'industrie cimentière (FIC), Vicat SA, Groupe Origny SA, Ciments français SA, Heidelberger Zement AG, Lafarge Coppée SA, Aalborg Portland A/S, Alsen AG, Alsen AG, Bundesverband der Deutschen Zementindustrie eV, Unicem SpA, Fratelli Buzzi SpA, Compañía Valenciana de Cementos Portland SA, The Rugby Group plc, British Cement Association, Asland SA, Castle Cement Ltd, Heracles General Cement Company SA, Corporación Uniland SA, Agrupación de Fabricantes de Cemento de España (Oficemen), Irish Cement Ltd, Cimpor - Cimentos de Portugal SA, Secil - Companhia Geral de Cal e Cimento SA, Associação Técnica da Indústria de Cimento (ATIC), Titan Cement Company SA, Italcementi - Fabbriche Riunite Cemento SpA, Holderbank Financière Glarus AG, Hornos Ibéricos Alba SA (Hisalba), Aker RGI ASA, Scancem (publ) AB, Cementir - Cementerie del Tirreno SpA, Blue Circle Industries plc, Enosi Tsimentoviomichanion Ellados, Tsimenta Chalkidos AE / Commissie van de Europese Gemeenschappen

Mededinging

Zaak T-72/98

Astilleros Zamacona SA/Commissie van de Europese Gemeenschappen

Steunmaatregelen van de Staten

II. CONCLUSIES

Zaak C-225/98

Commissie van de Europese Gemeenschappen/Franse Republiek

Zaak C-91/99

Commissie van de Europese Gemeenschappen/Portugese Republiek

Zaak C-168/99

Commissie van de Europese Gemeenschappen/Koninkrijk Spanje

Zaak C-190/99

Commissie van de Europese Gemeenschappen/Ierland

Zaak C-322/98

B. Kachelmann/Bankhaus Hermann Lampe KG

Zaak C-15/99

Hans Sommer GmbH & Co. KG/Hauptzollamt Bremen

Zaak C-456/98

Centrosteel Srl/Adipol GmbH

Zaak C-108/96

D. MacQuen e.a.

Gevoegde zaken C-441/98 en C-442/98

Kapniki Michaïlidis AE/Idryma Koinonikon Asfalisseon (IKA)

Zaak C-458/98 P

Industrie des puodres sphériques/Raad van de Europese Unie

Zaak C-166/99

M. Defreyn/SABENA

Zaak C-174/99 P

Europees Parlement/P. Richard

Zaak C-236/99

Commissie van de Europese Gemeenschappen/Koninkrijk België

III. MEDEDELING

Nieuwe citeerwijze van de verdragsartikelen


1. ARRESTEN

Bij het Hof van Justitie aanhangige zaken

Gevoegde zaken C-102/98 en C-211/98

I. Kocak/Landesversicherungsanstalt Oberfranken und Mittelfranken

R. Örs/Bundesknappschaft

Externe betrekkingen

14 maart 2000

Prejudiciële zaak

"Associatieovereenkomst EEG-Turkije · Besluiten van Associatieraad · Sociale zekerheid · Verbod van discriminatie op grond van nationaliteit · Rechtstreekse werking · Draagwijdte · Wetgeving van lidstaat inzake vaststelling van geboortedatum in verband met toekenning van socialeverzekeringsnummer en verlening van ouderdomspensioen"

(Voltallig Hof)

Bij twee beschikkingen van 17 februari en 31 maart 1998 heeft het Bundessozialgericht enkele prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 9 van de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije (hierna: "Overeenkomst"), het aanvullend protocol, besluit nr. 1/80 van de Associatieraad betreffende de ontwikkeling van de associatie, en besluit nr. 3/80 van de Associatieraad betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen van de lidstaten der Europese Gemeenschappen op Turkse werknemers en hun gezinsleden.

Deze vragen zijn gerezen in een geschil tussen I. Kocak, Turks onderdaan, en de Landesversicherungsanstalt Oberfranken und Mittelfranken (pensioenfonds; hierna: "LVA") (C-102/98) en een geschil tussen R. Örs, Turks onderdaan, en de Bundesknappschaft (federaal socialezekerheidsfonds voor mijnwerkers) (C-211/98) ter zake van de weigering van deze organen om bij de toekenning van ouderdomspensioen aan Kocak en Örs rekening te houden met de door een Turkse rechter uitgesproken rectificatie van de geboortedatum die betrokkenen bij hun aansluiting bij het Duitse stelsel van sociale zekerheid hadden opgegeven.

De hoofdgedingen

Van april 1962 tot december 1966 was Kocak in Duitsland in de mijnindustrie werkzaam en uit dien hoofde verplicht verzekerd voor de sociale zekerheid. Sinds mei 1970 heeft hij zijn vaste woonplaats in deze lidstaat; tot zijn vervroegde pensionering op 1 oktober 1986 werkte hij er als arbeider. Sinds 1 oktober 1991, de datum waarop zijn uitkering wegens vervroegde pensionering eindigde, ontvangt hij een bijstandsuitkering.

De geboortedatum van Kocak, opgenomen in de hem toegekende verzekeringsnummers, is 20 oktober 1933. Na een vonnis van de Turkse civiele rechtbank te Düzce werd zijn geboortejaar in het Turkse register van de burgerlijke stand gewijzigd in 1926. De Landesversicherungsanstalt Schleswig-Holstein kende hem

daarop bij beschikking van 14 augustus 1986 een nieuw verzekeringsnummer toe, waarin het aldus gerectificeerde geboortejaar in aanmerking was genomen.

In augustus 1991 vroeg Kocak bij de LVA ouderdomspensioen aan op grond dat hij de leeftijd van 65 jaar had bereikt. De LVA stelde vast, dat het vonnis tot rectificatie van de geboortedatum van betrokkene in het Turkse register van de burgerlijke stand, niet kon worden erkend, en dat 20 oktober 1933 voor de Duitse pensioenverzekering de enige relevante datum was. In 1993 wees zij de pensioenaanvraag van Kocak af op grond dat hij geboren was in 1933 en dus eerst in oktober 1998 de leeftijd van 65 jaar zou bereiken.

Örs woont sinds 1972 in Duitsland, waar hij is aangesloten bij de pensioenregeling van de Bundesknappschaft. Bij zijn aansluiting verklaarde Örs, dat hij op 1 mei 1950 geboren was, waarop de Bundesknappschaft hem een verzekeringsnummer toekende waarin deze geboortedatum was opgenomen.

Na een vonnis van de rechtbank te Balikesir werd de geboortedatum van Örs in het Turkse register van de burgerlijke stand gerectificeerd en vastgesteld op 1 mei 1946. Dit vonnis is gebaseerd op door verzoeker overgelegde, onder ede afgelegde getuigenverklaringen en op onderzoek van een stukje huidweefsel van Örs' rechterarm.

De Bundesknappschaft wees het verzoek van Örs, zijn geboortedatum en verzekeringsnummer op basis van dit vonnis te wijzigen, en het tegen deze afwijzing ingediende bezwaar, af.

Met zijn vragen wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit, neergelegd in een van bovenvermelde bepalingen van de regeling betreffende de associatie EEG-Turkije, aldus moet worden uitgelegd, dat het eraan in de weg staat dat een lidstaat op Turkse werknemers een wettelijke regeling toepast volgens welke voor de toekenning van een ouderdomspensioen en de samenstelling van een daartoe toegekend verzekeringsnummer, als geboortedatum bepalend wordt geacht de datum die blijkt uit de eerste opgave door de betrokkene aan een socialezekerheidsorgaan van die lidstaat, en slechts een andere geboortedatum in aanmerking kan worden genomen indien een document wordt overgelegd waarvan het origineel is afgegeven vóór de datum van die opgave.

Ingevolge artikel 3, lid 1, van besluit nr. 3/80 hebben Turkse onderdanen die op het grondgebied van een van de lidstaten wonen en op wie de bepalingen van dit besluit van toepassing zijn, het recht om in de lidstaat waar zij wonen onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat uitkeringen van sociale zekerheid te ontvangen. Deze bepaling is daarmee de uitvoering en concretisering, op het bijzondere gebied van de sociale zekerheid, van het algemene verbod van discriminatie op grond van nationaliteit zoals neergelegd in artikel 9 van de Overeenkomst.

Een wettelijke regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, geldt onafhankelijk van de nationaliteit van de betrokken werknemers.

Voorts kent deze wettelijke regeling aan de documenten die moeten worden overgelegd om de in de eerste opgave aan een orgaan van sociale zekerheid vermelde geboortedatum te wijzigen, gelijke bewijskracht toe, ongeacht hun herkomst. Zij maakt geen onderscheid naargelang de lidstaat waar een document is opgesteld, noch naargelang het soort document dat wordt overgelegd en er wordt niet alleen bewijskracht toegekend aan documenten van de burgerlijke stand, maar ook aan andere stukken, zoals die welke worden afgegeven in verband met leerplicht of militaire dienst, waaruit de geboortedatum van de betrokkene valt af te leiden.

Bovendien blijkt uit de verwijzingsbeschikkingen van het Bundessozialgericht, dat ook naar Turks recht de voor de sociale verzekering relevante geboortedatum in beginsel de datum blijft die bij de eerste aansluiting is opgegeven en dat een latere rectificatie van die datum op dit gebied geen gevolgen heeft.

In die omstandigheden moet worden geconcludeerd, dat een wettelijke regeling als in het hoofdgeding aan de orde is, volgens welke alleen dan een andere geboortedatum in aanmerking kan worden genomen dan die welke is genoemd in de eerste opgave aan een orgaan van sociale zekerheid, indien een document wordt overgelegd waarvan het origineel is afgegeven vóór de datum van die opgave, Turkse onderdanen niet in een andere rechtspositie plaatst dan de onderdanen van de lidstaat waar zij wonen.

Volgens de nationale rechter gaat het bij het bijhouden van de registers van de burgerlijke stand in Turkije duidelijk anders aan toe dan in Duitsland. Weliswaar moet een geboorte ingevolge het Turkse burgerlijk wetboek binnen een maand worden aangegeven bij de voor het bijhouden van het register van de burgerlijke stand bevoegde autoriteit, maar deze verplichting wordt, met name op het platteland, kennelijk niet altijd tijdig en betrouwbaar nageleefd. Bovendien kan het register van de burgerlijke stand op basis van een rechterlijke beschikking worden gecorrigeerd, en wordt het door Turkse rechters daarbij veelal gehanteerde toetsingscriterium door beheersdeskundigen van de socialeverzekeringsinstellingen als buitengewoon ruim aangemerkt. Overigens zou door Duitse rechters herhaaldelijk zijn gewezen op het ontbreken van een grondig, ambtshalve verricht feitenonderzoek in Turkije.

Er moet worden beklemtoond, dat de bijzondere problemen die de in geding zijnde wettelijke regeling voor Turkse migrerende werknemers kan opleveren, worden veroorzaakt door de Turkse wetgeving inzake het voeren van de registers van de burgerlijke stand en de wijze waarop deze in de praktijk wordt toegepast.

Op basis van het in besluit nr. 3/80 neergelegde verbod van discriminatie op grond van nationaliteit kan echter niet worden geëist, dat een lidstaat die regels stelt voor de bepaling van de geboortedatum in verband met de vaststelling van een verzekeringsnummer en de toekenning van een ouderdomspensioen, rekening houdt met de bijzondere situatie die het gevolg is van de inhoud en de toepassing in de praktijk van de Turkse wetgeving op het gebied van de burgerlijke stand.

Het Hof verklaart voor recht:

"Artikel 3, lid 1, van besluit nr. 3/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen van de lidstaten der Europese Gemeenschappen op Turkse werknemers en hun gezinsleden, moet aldus worden uitgelegd, dat het er niet aan in de weg staat dat een lidstaat op Turkse werknemers een wettelijke regeling toepast volgens welke voor de toekenning van een ouderdomspensioen en de samenstelling van een daartoe toegekend verzekeringsnummer, als geboortedatum bepalend wordt geacht de datum die blijkt uit de eerste opgave van de betrokkene aan een socialezekerheidsorgaan van die lidstaat, en slechts een andere geboortedatum in aanmerking kan worden genomen indien een document wordt overgelegd waarvan het origineel is afgegeven vóór de datum van die opgave."

Advocaat-generaal D. Ruiz-Jarabo Colomer heeft ter terechtzitting van het Hof van 7 oktober 1999 conclusie genomen.

Hij gaf het Hof in overweging te antwoorden als volgt:

"1) Artikel 3, lid 1, van besluit nr. 3/80 van de Associatieraad van 19 september 1980, betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen van de lidstaten der Europese Gemeenschappen op Turkse werknemers en hun gezinsleden, waarin het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit is neergelegd, heeft rechtstreekse werking; de werking daarvan in de tijd is door het Hof van Justitie in zijn arrest van 4 mei 1999, Sürül, aangegeven.

2) Artikel 3, lid 1, van besluit nr. 3/80 verzet zich er niet tegen, dat een lidstaat voor de aanspraak van een verzekerde op socialezekerheidsuitkeringen vaststelt, dat diens geboortedatum de datum is die bij aansluiting bij de socialezekerheid van die staat is opgegeven en dat die datum slechts kan worden gecorrigeerd in geval van een schrijffout of indien uit een document waarvan het origineel vóór de datum van aansluiting is afgegeven, een andere geboortedatum blijkt.

3) Gelet op de temporele werkingssfeer van het beginsel van gelijke behandeling van de Turkse werknemers in de lidstaten, waren de autoriteiten en de rechterlijke instanties van een lidstaat vóór de inwerkingtreding van een nationale wettelijke regeling met de hiervoor beschreven kenmerken verplicht, de door de bevoegde Turkse autoriteiten opgemaakte akten en soortgelijke documenten met betrekking tot de burgerlijke stand van personen in acht te nemen, tenzij concrete aanwijzingen betreffende dit bepaalde geval aanleiding gaven om ernstig aan de juistheid daarvan te twijfelen."



Zaak C-54/99

Association Église de scientologie de Paris, Scientology International Reserves Trust/Premier ministre

Vrij verkeer van kapitaal

14 maart 2000

Prejudiciële zaak

"Vrij verkeer van kapitaal · Directe buitenlandse investeringen · Voorafgaande vergunning · Openbare orde en openbare veiligheid"

(Voltallig Hof)

Bij beslissing van 6 januari 1999 heeft de Conseil d'État een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 73 D, lid 1, sub b, EG-Verdrag (thans artikel 58, lid 1, sub b, EG).

Die vraag is gerezen in een geding tussen enerzijds de vereniging naar Frans recht Église de scientologie de Paris en de trustmaatschappij naar Engels recht Scientology International Reserves Trust, en anderzijds de Franse eerste minister, betreffende diens stilzwijgende afwijzing van hun verzoek om intrekking van de bepalingen inzake de voorafgaande vergunning waarin de Franse regeling voor bepaalde categorieën van directe buitenlandse investeringen voorziet.

Op 1 februari 1996 verzochten verzoekers de eerste minister, sommige van de bepalingen inzake de voorafgaande vergunning voor directe buitenlandse investeringen in te trekken. Toen zij vervolgens vaststelden, dat na de op 14 februari 1996 aangebrachte wijzigingen een systeem van voorafgaande vergunning bleef bestaan, waren zij van mening, dat het ging om een besluit van de eerste minister, dat gelijkstond met een afwijzing van hun verzoek; zij betwistten dat besluit wegens misbruik van bevoegdheid voor de Conseil d'État, waarbij zij zich beriepen op schending van de gemeenschapsbepalingen betreffende het vrije verkeer van kapitaal.

Een nationale bepaling die een directe buitenlandse investering aan een voorafgaande vergunning onderwerpt, vormt een beperking van het kapitaalverkeer in de zin van artikel 73 B, lid 1, van het Verdrag.

Een dergelijke bepaling blijft een beperking, ook indien de vergunning, zoals in het hoofdgeding, wordt geacht één maand na ontvangst van de aanvraag te zijn verleend, ingeval de betrokken verrichting niet binnen die termijn door de bevoegde autoriteit is geschorst. Evenzo is niet van belang, dat geen sanctie is verbonden aan de niet-nakoming van de verplichting een voorafgaande vergunning aan te vragen.

Derhalve rijst de vraag, of artikel 73 D, lid 1, sub b, van het Verdrag, volgens hetwelk artikel 73 B van het Verdrag niets afdoet aan het recht van de lidstaten om maatregelen te nemen die op grond van de openbare orde of de openbare veiligheid gerechtvaardigd zijn, een nationale regeling als de onderhavige toelaat, die een voorafgaande vergunning enkel voorschrijft voor directe buitenlandse investeringen die de openbare orde of de openbare veiligheid in gevaar kunnen brengen.

Dienaangaande moet in de eerste plaats worden opgemerkt, dat de lidstaten weliswaar vrij blijven de eisen van openbare orde en openbare veiligheid op hun nationale behoeften af te stemmen, maar dat die redenen in communautair verband, met name omdat het een afwijking van het grondbeginsel van het vrije verkeer van kapitaal betreft, strikt moeten worden opgevat, zodat hun inhoud niet zonder controle van de instellingen van de Gemeenschap eenzijdig door de onderscheiden lidstaten kan worden bepaald. Zo kan de openbare orde en de openbare veiligheid slechts worden aangevoerd in geval van een werkelijke en genoegzaam ernstige bedreiging, die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Voorts mogen die redenen niet van hun eigenlijke functie worden losgemaakt en in feite voor zuiver economische doeleinden worden aangevoerd. Bovendien moet een ieder die door een op een dergelijke afwijking gebaseerde beperkende maatregel wordt geraakt, over een rechtsmiddel beschikken.

In de tweede plaats kunnen maatregelen die het vrije verkeer van kapitaal beperken, slechts op grond van de openbare orde of de openbare veiligheid gerechtvaardigd zijn, indien zij noodzakelijk zijn ter bescherming van de belangen die zij moeten waarborgen, en slechts voor zover die doelstellingen niet met minder beperkende maatregelen kunnen worden bereikt.

Het Hof heeft vastgesteld, dat in bepaalde gevallen de eis van een voorafgaande vergunning niet noodzakelijk was om de nationale autoriteiten in staat te stellen, een controle uit te oefenen ter voorkoming van overtredingen van hun wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, en dat een dergelijk vereiste dus een met artikel 73 B van het Verdrag strijdige beperking opleverde, maar het heeft niet geoordeeld, dat een stelsel van voorafgaande vergunning nooit gerechtvaardigd zou kunnen zijn, met name indien een dergelijke vergunning daadwerkelijk noodzakelijk zou zijn voor de bescherming van de openbare orde of de openbare veiligheid.

Bij directe buitenlandse investeringen kan immers de moeilijkheid om eenmaal in een lidstaat binnengekomen kapitaal te identificeren en te blokkeren, het noodzakelijk maken, verrichtingen die de openbare orde of de openbare veiligheid in gevaar zouden kunnen brengen, van meet af aan te verhinderen. In het geval van directe buitenlandse investeringen die een werkelijke en genoegzaam ernstige bedreiging voor de openbare orde of de openbare veiligheid vormen, kan derhalve een stelsel van voorafgaande melding onvoldoende blijken om een dergelijke bedreiging het hoofd te bieden.

In het hoofdgeding wordt het betrokken stelsel echter gekenmerkt door het feit, dat een voorafgaande vergunning wordt vereist voor iedere directe buitenlandse investering "die de openbare orde en de openbare veiligheid in gevaar kan brengen", zonder nadere precisering. De betrokken investeerders wordt dus geenszins duidelijk gemaakt, in welke specifieke omstandigheden een voorafgaande vergunning noodzakelijk is.

Een dergelijke vaagheid maakt het de particulieren niet mogelijk, de omvang van hun uit artikel 73 B van het Verdrag voortvloeiende rechten en verplichtingen te kennen. In die omstandigheden is het ingevoerde stelsel in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

Het Hof verklaart voor recht:

"Artikel 73 D, lid 1, sub b, EG-Verdrag (thans artikel 58, lid 1, sub b, EG) moet aldus worden uitgelegd, dat het geen stelsel van voorafgaande vergunning voor directe buitenlandse investeringen toelaat, waarbij de betrokken investeringen slechts op algemene wijze worden omschreven als investeringen die de openbare orde en de openbare veiligheid in gevaar kunnen brengen, zodat de belanghebbenden niet in staat zijn de specifieke omstandigheden te kennen, waarin een voorafgaande vergunning noodzakelijk is."

Advocaat-generaal A. Saggio heeft ter terechtzitting van het Hof van 21 oktober 1999 conclusie genomen.

Hij gaf het Hof in overweging te antwoorden als volgt:

"Artikel 73 D, lid 1, sub b, EG-Verdrag (thans artikel 58, lid 1, sub B, EG) moet aldus worden uitgelegd, dat het een lidstaat niet toestaat een stelsel van voorafgaande vergunning in te voeren of te handhaven voor rechtstreekse uit het buitenland afkomstige investeringen wanneer zij de openbare orde, de volksgezondheid of de openbare veiligheid in gevaar kunnen brengen, zonder te definiëren voor welke soorten investeringen een vergunning bij de nationale autoriteiten moet worden aangevraagd."



Zaak C-284/98 P

Europees Parlement/R. Bieber

Ambtenarenstatuut

16 maart 2000

"Hogere voorziening · Ambtenaren · Verlof om redenen van persoonlijke aard · Herplaatsing · Niet-contractuele aansprakelijkheid van Gemeenschap · Vaststelling van voor berekening van geleden schade in aanmerking te nemen periode"

(Tweede kamer)



Zaak C-439/98

Commissie van de Europese Gemeenschappen/Italiaanse Republiek

Sociale politiek

16 maart 2000

"Niet-nakoming · Richtlijn 95/30/EG · Bescherming van werknemers tegen risico's van blootstelling aan biologische agentia op het werk"

(Derde kamer)

Bij op 3 december 1998 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof verzocht vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen of aan haar mee te delen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 95/30/EG van de Commissie van 30 juni 1995, de krachtens die richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.

De Italiaanse Republiek erkent, dat zij de richtlijn niet binnen de gestelde termijn heeft uitgevoerd, doch merkt op, dat zij het om procedurele redenen opportuun heeft geacht niet alleen richtlijn 95/30, maar ook de richtlijnen 97/59 en 97/65 eveneens met betrekking tot de aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van richtlijn 90/679, door middel van één decreet uit te voeren.

Aangezien richtlijn 95/30 niet binnen de door artikel 2, lid 1, eerste alinea, voorgeschreven termijn is uitgevoerd, moet het beroep van de Commissie gegrond worden geacht.

Het Hof, rechtdoende, verstaat:

"1) Door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 95/30/EG van de Commissie van 30 juni 1995 tot aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van richtlijn 90/679/EEG van de Raad betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan biologische agentia op het werk (zevende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van richtlijn 89/391/EEG), is de Italiaanse Republiek de krachtens die richtlijn op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.

2) De Italiaanse Republiek wordt in de kosten verwezen."

Advocaat-generaal S. Alber heeft ter terechtzitting van de Derde kamer van 16 december 1999 conclusie genomen.

Hij gaf het Hof in overweging te beslissen als volgt:

"1) Door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 95/30/EG van de Commissie van 30 juni 1995 tot aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van richtlijn 90/679/EEG van de Raad betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan biologische agentia op het werk (zevende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van richtlijn 89/391/EEG), is de Italiaanse Republiek de krachtens die richtlijn op haar rustende verplichtingen niet nagekomen;

2) De Italiaanse Republiek wordt in de kosten verwezen."



Gevoegde zaken C-395/96 P en C-396/96 P

Compagnie maritime belge transports SA, Compagnie maritime belge SA en Dafra-Lines A/S/Commissie van de Europese Gemeenschappen

Mededinging

16 maart 2000

"Mededinging · Internationaal zeevervoer · Lijnvaartconferences · Verordening (EEG) nr. 4056/86 · Artikel 86 EG-Verdrag (thans artikel 82 EG) · Collectieve machtspositie · Overeenkomst tussen nationale overheden en lijnvaartconferences houdende verlening van exclusief recht · Aandringen lijnvaartconference op toepassing van de overeenkomst · Fighting Ships · Getrouwheidskortingen · Rechten van verdediging · Geldboeten · Beoordelingscriteria"

(Vijfde kamer)

Bij verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het Hof op 10 december 1996, hebben Compagnie maritime belge SA (hierna: "CMB") en Compagnie maritime belge transports SA (hierna: "CMBT") in zaak C-395/96 P, en Dafra-Lines A/S (hierna: "Dafra") in zaak C-395/96 P, hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 8 oktober 1996, Compagnie maritime belge transports e.a./Commissie (T-24/93 tot en met T-26/93 en T-28/93), houdende verwerping van hun beroep strekkende tot nietigverklaring van beschikking 93/82/EEG van de Commissie van 23 december 1992 inzake een procedure op grond van de artikelen 85 en 86 van het EEG-Verdrag.

CMB is een holdingmaatschappij van de CMB-groep, die onder meer actief is in de rederij en in het beheer en de exploitatie van scheepvaartlijnen. De lijndiensten en de multi-modale vervoerdiensten werden samengevoegd in een afzonderlijke rechtspersoon, CMBT.

CMB is lid van de lijnvaartconference Associated Central West Africa Lines (hierna: "Cewal"). In Cewal zijn scheepvaartmaatschappijen verenigd die een regelmatige lijndienst onderhouden tussen havens in Zaïre en Angola en de Noordzeehavens, met uitzondering van die in het Verenigd Koninkrijk.

Dafra is lid van Cewal en maakt eveneens deel uit van de CMB-groep.

Het Gerecht verlaagde weliswaar het bedrag van de door de Commissie opgelegde geldboeten, doch verwierp de beroepen tot nietigverklaring van de litigieuze beschikking.

Tot staving van hun hogere voorziening voeren Dafra, CMB en CMBT drie middelen tegen het bestreden arrest aan:


· zij betwisten de gestelde collectieve machtspositie van de leden van Cewal;


· zij betwisten elk van de drie conclusies van het Gerecht ter zake van misbruik van machtspositie, betreffende respectievelijk de overeenkomst met het Zaïrese Office de gestion de fret maritime (hierna: "Ogefrem"), de "fighting ships" en de getrouwheidsregelingen;

· zij komen op tegen de opgelegde geldboeten.
Ten aanzien van de grief dat de redenering van het Gerecht op gronden steunt die niet in de litigieuze beschikking staan vermeld

De eerste grief berust op een onjuiste uitlegging van de punten 64 tot en met 67 van het bestreden arrest en moet ongegrond worden verklaard.

Ten aanzien van de grieven betreffende de gestelde "recyclage" van onderling afgestemde feitelijke gedragingen, de mogelijkheid dat onderling afgestemde feitelijke gedragingen misbruik van een collectieve machtspositie opleveren, en de motivering van het bestreden arrest dienaangaande

De tweede en de derde grief hebben betrekking op de vraag, of de Commissie de vaststelling van misbruik van een collectieve machtspositie uitsluitend kan baseren op feiten of omstandigheden die een overeenkomst, besluit, of onderling afgestemde feitelijke gedraging in de zin van artikel 85, lid 1, opleveren en dus van rechtswege nietig zijn, tenzij vrijstelling krachtens artikel 85, lid 3, van het Verdrag is verleend.

Een en dezelfde praktijk kan tot een inbreuk op de twee bepalingen leiden. Gelijktijdige toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag kan dus niet a priori worden uitgesloten. De respectieve doelstellingen van beide bepalingen moeten evenwel van elkaar worden onderscheiden.

Volgens verordening (EEG) nr. 4056/86 tot vaststelling van de wijze van toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag op het zeevervoer, is een lijnvaartconference "een groep van twee of meer vervoerders die schepen exploiteren, die internationale lijndiensten onderhoudt voor het vervoer van lading op een bepaalde route of routes binnen omschreven geografische grenzen en die een overeenkomst of regeling, van welke aard ook, heeft getroffen binnen het kader waarvan zij opereren op basis van eenvormige of gemeenschappelijke vervoertarieven en enigerlei andere overeengekomen voorwaarden met betrekking tot het aanbieden van lijndiensten".

Deze conferences hebben "een stabiliserende werking welke een waarborg vormt voor betrouwbare dienstverlening aan verladers."

Een lijnvaartconference kan naar haar aard en gelet op haar doelstellingen worden gekwalificeerd als een collectieve eenheid die als zodanig op de markt optreedt, ten opzichte van zowel de gebruikers als de concurrenten.

Dit laat de vraag onverlet, of een lijnvaartconference in een bepaalde situatie een machtspositie op een bepaalde markt inneemt en, a fortiori, of zij misbruik van deze positie heeft gemaakt.

Het is juist, dat het Gerecht heeft verwezen naar gegevens die weliswaar in de litigieuze beschikking voorkomen, doch die niet uitdrukkelijk in de punten 49 en 50 van de litigieuze beschikking staan vermeld.

De gegrondheid van een juridische beoordeling van de Commissie, zoals die welke is uiteengezet in de punten 49 en 50 van de litigieuze beschikking, moet echter niet alleen worden onderzocht in het licht van de feiten en omstandigheden die uitdrukkelijk zijn vermeld in het aan die beoordeling gewijde onderdeel van een beschikking, doch ook in het licht van alle andere onbetwiste gegevens die in die beschikking voorkomen.

Uit het voorgaande volgt, dat het Gerecht geen rechtsdwaling heeft begaan door vast te stellen, dat de Commissie in casu rechtens genoegzaam had aangetoond, dat de Cewal-overeenkomst, zoals deze ten

uitvoer was gelegd, een collectieve beoordeling van het gedrag van de leden van de aldus opgerichte conference rechtvaardigde.

Het middel betreffende het gestelde misbruik van een machtspositie door Cewal

Het misbruik betreffende de samenwerkingsovereenkomst (hierna: "Ogefrem-overeenkomst")

Blijkens de litigieuze beschikking heeft de Commissie geoordeeld, dat de ondernemingen die lid van de lijnvaartconference Cewal zijn, misbruik hadden gemaakt van hun gezamenlijke machtspositie door deel te nemen aan de uitvoering van de Ogefrem-overeenkomst en herhaaldelijk langs verschillende wegen om strikte naleving ervan te verzoeken.

Het Gerecht heeft geoordeeld, dat de Commissie zich terecht op het standpunt heeft gesteld, dat de leden van Cewal inbreuk hadden gemaakt op artikel 86 van het Verdrag.

Het Gerecht en de Commissie hebben geoordeeld, dat het misbruik erin bestond, dat Cewal met klem bij de Zaïrese autoriteiten had aangedrongen op strikte eerbiediging van haar exclusieve recht.

Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat het bestaan van een machtspositie betekent, dat op de onderneming of ondernemingen met een machtspositie, los van de oorzaken van die positie, een bijzondere verantwoordelijkheid rust in dier voege, dat hun gedrag geen afbreuk doet aan een daadwerkelijke en onvervalste mededinging op de gemeenschappelijke markt.

In casu staat vast, dat Cewal heeft getracht zich op een in de Ogefrem-overeenkomst voorziene contractuele exclusiviteit te beroepen, teneinde de enige concurrent van de markt te verdrijven. Een dergelijk gedrag werd door die overeenkomst geenszins voorgeschreven, aangezien uitdrukkelijk wordt voorzien in de mogelijkheid om in te stemmen met afwijkingen, teneinde aan het bepaalde in artikel 86 van het Verdrag te voldoen.

Het misbruik betreffende de zogeheten praktijk van "fighting ships" [wijziging van de vrachttarieven, in afwijking van de geldende tarieven, tot hetzelfde tarief of een lager tarief dan dat van de belangrijkste onafhankelijke concurrent voor schepen met dezelfde of nagenoeg dezelfde afvaartdatum als de schepen van deze concurrent (de zogenoemde "fighting ships" of vechtschepen)]

Aangaande de grief, volgens welke het Gerecht niet zou zijn ingegaan op het in repliek voorgedragen middel, mogen nieuwe middelen niet in de loop van het geding worden voorgedragen, tenzij zij steunen op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken.

Het door rekwiranten voor het Gerecht aangevoerde middel was slechts ontvankelijk, indien het gestelde verschil tussen de mededeling van de punten van bezwaar en de litigieuze beschikking in de loop van de voor die rechterlijke instantie ingeleide procedure aan het licht was getreden.

Er bestaat een verschil tussen de definitie van een misbruik-opleverende exploitatie, zoals opgenomen in de mededeling van de punten van bezwaar, en die in de litigieuze beschikking.

Dit verschil blijkt echter uit een eenvoudige vergelijking van de bewoordingen van beide documenten en had moeten opvallen bij de kennisgeving van de litigieuze beschikking. Niet kan worden gesteld, dat het hier gaat om een feitelijk of juridisch element, waarvan eerst tijdens de procedure voor het Gerecht is gebleken.

Vastgesteld moet dus worden, of het Gerecht zich over dit middel, dat voor het eerst in repliek is voorgedragen, had moeten uitspreken.

Van het Gerecht kan niet worden verlangd dat het, wanneer een partij in de loop van de behandeling een nieuw middel voordraagt, hetzij in zijn arrest de redenen uiteenzet waarom dat middel niet-ontvankelijk is, hetzij dit middel ten gronde onderzoekt.

Hoe dan ook heeft de omstandigheid dat het Gerecht zich niet uitdrukkelijk over de ontvankelijkheid van dit middel heeft uitgesproken, de situatie van rekwiranten niet beïnvloed, omdat het voor de hand lag, dat het middel niet-ontvankelijk was.

De derde grief van rekwiranten betreft de vraag, of het gestelde misbruik, zoals omschreven in de litigieuze beschikking en in het verweerschrift, als zodanig kan worden gekwalificeerd.

Het is vaste rechtspraak, dat artikel 86 van het Verdrag geen uitputtende opsomming geeft van de ingevolge het Verdrag verboden wijzen van misbruik van een machtspositie.

Overigens kan in bepaalde omstandigheden, wanneer een onderneming met een machtspositie deze positie dermate versterkt, dat de aldus bereikte mate van overheersing de mededinging wezenlijk belemmert, sprake zijn van misbruik.

Bovendien moet de vraag, hoever de bijzondere verantwoordelijkheid die op een onderneming met een machtspositie rust, zich materieel uitstrekt, worden beoordeeld met inachtneming van de specifieke omstandigheden van iedere zaak, waarin een verflauwde mededingingssituatie tot uiting komt.

De markt van het zeevervoer is een zeer gespecialiseerde sector. Juist vanwege dit specifieke karakter van de markt heeft de Raad bij verordening nr. 4056/86 een mededingingsregeling in het leven geroepen die afwijkt van die welke voor andere economische sectoren geldt. De aan lijnvaartconferences voor onbepaalde tijd verleende toestemming om onderling afspraken te maken over de vaststelling van de prijzen voor het zeevervoer, is immers een uitzonderingsregeling ten opzichte van de toepasselijke regelingen en het mededingingsbeleid.

Wanneer een lijnvaartconference met een machtspositie een selectieve prijsverlaging doorvoert teneinde haar prijzen bewust af te stemmen op die van een concurrent, zij daar dubbel profijt van trekt. In de eerste plaats slaat zij de concurrerende onderneming het voornaamste zo niet het enige middel tot concurrentie uit handen, en in de tweede plaats kan zij bij de gebruikers hogere prijzen blijven bedingen voor de diensten die niet door deze concurrentie worden bedreigd.

Het gaat in casu om het gedrag van een conference die meer dan 90 % van de aandelen op de betrokken markt in handen heeft en slechts één enkele concurrent heeft. Overigens is door rekwiranten nimmer serieus bestreden en ter terechtzitting voor het overige erkend, dat het verweten gedrag tot doel had, G & C van de markt te verdrijven.

Het Gerecht heeft dus niet in rechte gedwaald door vast te stellen, dat de grieven van de Commissie volgens welke de zogeheten praktijk van "fightings ships", zoals toegepast jegens G & C, misbruik van machtspositie opleverde.

Het misbruik betreffende de getrouwheidsregelingen

Cewal wordt verweten, dat zij 100 % getrouwheidsregelingen (ook voor op fob-basis verkochte goederen) heeft opgelegd, die verder gaan dan ingevolge artikel 5, lid 2, van verordening nr. 4056/86 is toegestaan, met het gebruik van "zwarte lijsten" van niet-trouwe verladers. Dienaangaande voeren rekwiranten vier argumenten aan.

Rekwiranten betogen in de eerste plaats, dat de stelling van een inbreuk op artikel 86 van het Verdrag niet kan worden gebaseerd op een praktijk die het voorwerp uitmaakt van een specifieke vrijstelling. In de tweede plaats, zo betogen rekwiranten, dient de Commissie hoe dan ook over te gaan tot intrekking van

de aan de betrokken ondernemingen verleende groepsvrijstelling, alvorens een inbreuk op artikel 86 van het Verdrag te kunnen vaststellen.

Dit betoog gaat uit van een onjuiste lezing van de in geding zijnde bepalingen en miskent de opzet daarvan. De verlening van een vrijstelling krachtens artikel 85, lid 3, staat namelijk niet in de weg aan toepassing van artikel 86 van het Verdrag.

Het feit dat marktdeelnemers die aan een daadwerkelijke mededinging blootstaan, een toegestane praktijk hanteren, betekent dus niet, dat diezelfde praktijk, indien toegepast door een onderneming met een machtspositie, nooit misbruik van die positie kan opleveren.

De onderneming die gedurende langere tijd in het bezit is van een zeer groot marktaandeel, bevindt zich namelijk in een positie van macht, die anderen op haar aangewezen doet zijn.

Wat meer in het bijzonder de "oplegging" van getrouwheidsregelingen betreft, kan een dominante onderneming de gebruiker van haar diensten in de praktijk een getrouwheidsovereenkomst "opleggen", zonder dat zij uitdrukkelijk op het sluiten van een dergelijke overeenkomst hoeft aan te dringen als voorwaarde voor toegang tot haar diensten.

Mitsdien zou het niet van belang zijn geweest, uit te maken onder welke voorwaarden in het geval van een aan normale mededinging blootgestelde conference getrouwheidsregelingen kunnen worden aangemerkt als "opgelegd" in de zin van verordening nr. 4056/86.

Ten slotte is ingevolge verordening nr. 4056/86 misbruik van een machtspositie uitdrukkelijk verboden is, zonder dat daarvoor een voorafgaand besluit is vereist. Het is immers vaste rechtspraak, dat voor misbruik van een machtspositie hoe dan ook geen vrijstelling kan worden verleend.

Het middel betreffende de geldboeten

Rekwiranten betogen, dat het Gerecht een rechtsdwaling heeft begaan door te oordelen, dat de Commissie gerechtigd was hun individuele geldboeten op te leggen, ofschoon zij in de mededeling van de punten van bezwaar had gedreigd geldboeten aan Cewal te zullen opleggen en niet aan een van haar leden.

De Commissie moet in de mededeling van de punten van bezwaar op ondubbelzinnige wijze de personen vermelden waaraan eventueel een geldboete zal worden opgelegd.

Een mededeling van punten van bezwaar waarin enkel een collectieve eenheid, zoals Cewal, als pleger van een inbreuk wordt aangewezen, stelt de ondernemingen die deel uitmaken van die collectieve eenheid er niet voldoende van in kennis, dat hun individuele geldboeten zullen worden opgelegd indien de inbreuk daadwerkelijk blijkt te zijn gepleegd.

Een aldus geformuleerde mededeling van punten van bezwaar volstaat evenmin om de betrokken ondernemingen te waarschuwen, dat het bedrag van de op te leggen geldboeten zal worden bepaald aan de hand van de mate van betrokkenheid van elke onderneming bij de gedraging die tot de gestelde inbreuk heeft geleid.

Mitsdien heeft het Gerecht gedwaald ten aanzien van het recht door te oordelen, dat de Commissie gerechtigd was, aan de leden van Cewal individuele geldboeten op te leggen waarvan het bedrag was bepaald aan de hand van de mate van hun betrokkenheid bij de litigieuze gedraging, terwijl de mededeling van de punten van bezwaar enkel tot Cewal was gericht.

Daar het dossier voldoende volledig is om het Hof in staat te stellen de zaak zelf af te doen, hoeft de zaak niet naar het Gerecht te worden terugverwezen.

Het Hof, rechtdoende:

"1) Vernietigt het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 8 oktober 1996, Compagnie maritime belge transports e.a./Commissie (T-24/93 tot en met T-26/93 en T-28/93), voorzover daarin de aan Compagnie maritime belge transports SA, Compagnie maritime belge SA en Dafra-Lines A/S opgelegde geldboeten zijn bevestigd.

2) Verklaart nietig de artikelen 6 en 7 van beschikking 93/82/EEG van de Commissie van 23 december 1992 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/32.448 en IV/32.450: Cewal, Cowac, Ukwal) en artikel 86 van het EEG-Verdrag (IV/32.448 en IV/32.450: Cewal), voorzover betrekking hebbend op Compagnie maritime belge transports SA, Compagnie maritime belge SA en Dafra-Lines A/S.

3) Verwerpt de hogere voorziening voor het overige.

4) Verwijst Compagnie maritime belge transports SA, Compagnie maritime belge SA en Dafra-Lines A/S in hun eigen kosten, drievierde van de kosten van de Commissie van de Europese Gemeenschappen en alle kosten van Grimaldi en Cobelfret."

Advocaat-generaal N. Fennelly heeft ter terechtzitting van de Vijfde kamer van 29 oktober 1998 conclusie genomen.

Hij gaf het Hof in overweging:

"· het arrest van het Gerecht van eerste aanleg te vernietigen, voor zover daarin de aan rekwirantes opgelegde geldboetes en de daarmee gepaard gaande vertragingsrente zijn bevestigd;


· nietig te verklaren de artikelen 6 en 7 van beschikking 93/82/EEG van de Commissie van 23 december 1992 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/32.448 en IV/32.450: Cewal, Cowac, Ukwal) en artikel 86 van het EEG-Verdrag (IV/32.448 en IV/32.450: Cewal), voor zover zij rekwirantes betreffen."
Voor het overige heeft hij het Hof in overweging gegeven:

"· de hogere voorzieningen in hun geheel af te wijzen;


· rekwirantes te verwijzen in de kosten van verweerster en van Grimaldi & Cobelfret, interveniënte."



Zaak C-329/97

S. Ergat/Stadt Ulm

Externe betrekkingen

16 maart 2000

Prejudiciële zaak

"Associatieovereenkomst EEG-Turkije · Vrij verkeer van werknemers · Artikel 7, eerste alinea, van besluit nr. 1/80 van Associatieraad · Gezinslid van Turkse werknemer · Verlenging van verblijfsvergunning · Begrip legaal wonen · Aanvraag om verlenging van tijdelijke verblijfsvergunning, ingediend na verstrijken van geldigheid"

(Zesde kamer)

Bij beschikking van 15 juli 1997 heeft het Bundesverwaltungsgericht een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 7, eerste alinea, van besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de associatie (hierna: "besluit nr. 1/80").

De vraag is gerezen in een geding tussen S. Ergat, Turks onderdaan, geboren in 1967, en de Stadt Ulm, ter zake van de weigering om de vergunning tot verblijf van Ergat in Duitsland te verlengen.

De prejudiciële vraag heeft betrekking op de situatie van een Turks onderdaan die, als kind van tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behorende Turkse migrerende werknemers, voor gezinshereniging met zijn ouders op het grondgebied van die staat is toegelaten en die aldaar verlenging van zijn verblijfsvergunning aanvraagt met een beroep op artikel 7, eerste alinea, van besluit nr. 1/80.

Naar vaststaat, is Ergat op de leeftijd van acht jaar in Duitsland toegelaten om zich te voegen bij zijn ouders, die daar destijds legale arbeid in loondienst verrichtten, zodat hij te beschouwen is als gezinslid van een Turkse werknemer in de zin van voormelde bepaling.

Bovendien had Ergat, die in Duitsland een verblijfsrecht had gehad voor gezinshereniging, bij het verstrijken van de geldigheid van zijn laatste verblijfsvergunning, in juni 1991, meer dan vijftien jaar lang legaal op het grondgebied van deze lidstaat verbleven en had hij aldaar een stabiele en niet slechts tijdelijke rechtspositie.

In die omstandigheden moet de prejudiciële vraag aldus worden opgevat, dat de verwijzende rechter in wezen wenst te vernemen, of een Turks onderdaan die tot een lidstaat is toegelaten in het kader van gezinshereniging met een tot de legale arbeidsmarkt van die lidstaat behorende Turkse werknemer, aldaar gedurende meer dan vijf jaar legaal heeft gewoond en er, met enkele onderbrekingen, verschillende legale dienstbetrekkingen heeft vervuld, het recht op verlenging van zijn vergunning tot verblijf in de lidstaat van ontvangst verliest, wanneer zijn verblijfstitel op de datum van indiening van een aanvraag om verlenging daarvan verlopen was en die verlenging door de bevoegde nationale autoriteiten is geweigerd.

Turkse onderdanen hebben ingevolge het eerste streepje van artikel 7, eerste alinea, van besluit nr. 1/80, het recht om, onder voorbehoud van de aan werknemers uit de lidstaten te verlenen voorrang, te reageren op ieder arbeidsaanbod, wanneer zij sedert ten minste drie jaar legaal in de lidstaat van ontvangst wonen, en ingevolge het tweede streepje het recht op vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst van hun keuze, na in de betrokken lidstaat ten minste vijf jaar legaal te hebben gewoond.

De gezinshereniging, die de reden was voor de binnenkomst van het gezinslid op het grondgebied van de lidstaat van ontvangst, komt gedurende een bepaalde tijd tot uiting door een werkelijk samenwonen in gezinsverband met de werknemer.

Derhalve verzet besluit nr. 1/80 zich er in beginsel niet tegen, dat de autoriteiten van een lidstaat de verlenging van de verblijfsvergunning van een gezinslid van een Turkse werknemer afhankelijk stellen van

de voorwaarde, dat de betrokkene gedurende de periode van drie jaar daadwerkelijk met die werknemer samenleeft.

De lidstaten mogen echter na die periode van drie jaar aan het verblijf van een gezinslid van een Turkse werknemer geen voorwaarden meer verbinden.

Vanaf het tijdstip waarop de Turkse onderdaan na vijf jaar legaal wonen in het kader van gezinshereniging met de werknemer, over het recht van vrije toegang tot de arbeidsmarkt in de lidstaat van ontvangst beschikt, brengt de rechtstreekse werking van deze bepaling mee, dat de betrokkene aan besluit nr. 1/80 rechtstreeks een individueel recht op toegang tot de arbeidsmarkt ontleent. Bovendien echter impliceert het nuttig effect van dit recht noodzakelijkerwijs, dat de betrokkene een daarmee samenhangend recht van verblijf heeft dat eveneens op het gemeenschapsrecht berust en onafhankelijk is van de voorwaarden voor de verkrijging van die rechten.

Het onvoorwaardelijke recht op toegang tot iedere arbeid naar vrije keuze van de betrokkene, bovendien zonder dat hem voorrang van gemeenschapswerknemers kan worden tegengeworpen, zou immers elke inhoud verliezen, indien de bevoegde nationale autoriteiten de mogelijkheid hadden, de uitoefening van de nauwkeurig bepaalde rechten die Turkse migranten bij voormeld besluit rechtstreeks zijn toegekend, op enigerlei wijze aan voorwaarden te binden of te beperken.

Bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht hebben de lidstaten nog steeds de bevoegdheid, zowel regels te stellen voor de toegang tot hun grondgebied van een gezinslid van een Turkse werknemer, als de voorwaarden vast te leggen voor zijn verblijf, maar zij mogen geen maatregelen inzake het verblijf meer vaststellen die een belemmering vormen voor de uitoefening van de rechten die besluit nr. 1/80 uitdrukkelijk toekent aan de belanghebbende die reeds legaal in de lidstaat van ontvangst is gevestigd, aangezien het recht van verblijf onmisbaar is voor de toegang tot en de uitoefening van elke werkzaamheid in loondienst.

Dit recht van verblijf, als uitvloeisel van het recht van toegang tot de arbeidsmarkt en het recht om daadwerkelijk arbeid te verrichten, is stellig niet onbeperkt.

De lidstaten mogen in individuele gevallen om gegronde redenen altijd beperkingen stellen aan de aanwezigheid van de Turkse migrant op het grondgebied van de lidstaat van ontvangst, wanneer de betrokkene door zijn persoonlijk gedrag een reële en ernstige bedreiging oplevert voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid.

Deze bepaling staat echter niet in de weg aan verlenging van Ergats verblijfsvergunning.

In de tweede plaats verliest het gezinslid dat toestemming heeft gekregen zich bij een Turkse werknemer in een lidstaat te voegen, maar het grondgebied van de lidstaat van ontvangst gedurende langere tijd zonder gegronde redenen verlaat, in beginsel de rechtspositie die het op grond van artikel 7, eerste alinea, had verworven.

Wat de omstandigheid betreft dat Ergat in augustus 1992 voor een periode van ongeveer een jaar naar Turkije is teruggekeerd, hebben de bevoegde Duitse autoriteiten voor zijn nieuwe toelating tot Duitsland geen nieuwe vergunning geëist, zodat Ergat een nieuwe werkkring heeft kunnen aanvaarden op basis van de arbeidsvergunning voor onbepaalde tijd die hij in 1989 had gekregen.

Wat meer in het bijzonder een situatie als die van het hoofdgeding betreft, waarin de lidstaat van ontvangst de verlenging van de tijdelijke verblijfstitel van een Turks onderdaan weigert op grond dat betrokkene gedurende enige tijd geen houder was geweest van een geldige verblijfsvergunning, kan niet worden ontkend, dat de lidstaten de bevoegdheid hebben, te verlangen dat op hun grondgebied aanwezige vreemdelingen over een geldige verblijfstitel beschikken en, ingeval die titel slechts voor bepaalde tijd wordt verstrekt, tijdig een aanvraag om verlenging daarvan indienen.

Deze op vreemdelingen rustende verplichtingen berusten grotendeels op vereisten verband houdend met administratief beheer.

De lidstaten mogen op de niet-naleving van dergelijke verplichtingen sancties stellen die vergelijkbaar zijn met die bij lichte overtredingen door eigen onderdanen, maar mogen zij daarop geen onevenredige sanctie stellen, die tot een belemmering van dit verblijfsrecht zou leiden.

Dit is met name het geval bij gevangenisstraf en, a fortiori, bij uitzetting.

De lidstaten hebben niet de bevoegdheid, beperkingen te stellen aan het door het gemeenschapsrecht aan Turkse onderdanen rechtstreeks verleende recht van vrije toegang tot elke beroepsactiviteit en, als uitvloeisel daarvan, het recht om met dat doel op het grondgebied van de lidstaat van ontvangst te verblijven, door te weigeren de verblijfsvergunning van de betrokkene te verlengen op grond dat deze zijn aanvraag te laat had ingediend.

Niet wordt betwist dat Ergat voldoet aan alle voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in artikel 7, eerste alinea, tweede streepje, van besluit nr. 1/80 verleende rechten.

De rechtspositie van betrokkene op de datum van verstrijken van de geldigheid van zijn laatste verblijfsvergunning was stabiel en niet slechts tijdelijk, en hij zou probleemloos verlenging van zijn vergunning hebben verkregen, indien hij zijn aanvraag tijdig had ingediend.

Ten slotte ontstaat het recht van verblijf hoe dan ook niet door de afgifte van een verblijfsvergunning. Het wordt rechtstreeks verleend door besluit nr. 1/80, onafhankelijk van de afgifte door de autoriteiten van de lidstaat van ontvangst van dit specifieke document, dat slechts het bestaan van dit recht bevestigt.

De verblijfstitel heeft voor de erkenning van het recht van verblijf slechts declaratoire en bewijstechnische waarde.

Voor vreemdelingen die rechten aan besluit nr. 1/80 ontlenen, kan een dergelijk document derhalve niet worden gelijkgesteld met een verblijfsvergunning zoals die voor vreemdelingen in het algemeen is voorzien, voor welker afgifte de nationale autoriteiten over een beoordelingsbevoegdheid beschikken.

De tijd gedurende welke Ergats verblijfsvergunning niet meer geldig was, mag dan ook door de autoriteiten van de lidstaat van ontvangst in geen geval worden beschouwd als een periode van illegaal verblijf, waardoor hij het verblijfsrecht zou kunnen verliezen dat hem rechtstreeks door besluit nr. 1/80 is verleend teneinde hem in staat te stellen, zijn recht van vrije toegang tot elke arbeid in loondienst van zijn keuze te blijven uitoefenen overeenkomstig artikel 7, eerste alinea, tweede streepje, van dat besluit.

Het Hof verklaart voor recht:

"Een Turks onderdaan die tot een lidstaat is toegelaten in het kader van gezinshereniging met een tot de legale arbeidsmarkt van die lidstaat behorende Turkse werknemer, aldaar gedurende meer dan vijf jaar legaal heeft gewoond en er, met enkele onderbrekingen, verschillende legale dienstbetrekkingen heeft vervuld, verliest niet de rechten die hem bij artikel 7, eerste alinea, tweede streepje, van besluit nr. 1/80 van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de associatie, vastgesteld door de Associatieraad die is ingesteld bij de Associatieovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije zijn toegekend, in het bijzonder het recht op verlenging van zijn vergunning tot verblijf in de lidstaat van ontvangst, ook al was zijn verblijfstitel op de datum van indiening van een

aanvraag om verlenging daarvan verlopen en is die verlenging door de bevoegde nationale autoriteiten geweigerd."

Advocaat-generaal J. Mischo heeft ter terechtzitting van de Zesde kamer van 3 juni 1999 conclusie genomen.

Hij gaf het Hof in overweging te antwoorden als volgt:

"Een Turks onderdaan die als gezinslid van een tot de legale arbeidsmarkt behorend Turks werknemer de door artikel 7, eerste alinea, van besluit nr. 1/80 van de associatieraad EEG-Turkije van 19 september 1980 verleende rechten heeft verworven en die de aanvraag om verlenging van zijn laatste verblijfsvergunning na het verlopen ervan heeft ingediend, verliest die rechten niet op grond van het verstrijken van de termijn en de afwijzing van een verlenging, voor zover hij nog steeds aan de materiële voorwaarden voor zijn verblijfsrecht voldoet."



Bij het Gerecht van eerste aanleg aanhangige zaken

Gevoegde zaken T-25/95, T-26/95, T-30/95, T-31/95, T-32/95, T-34/95, T-35/95, T-36/95, T-37/95, T-38/95, T-39/95, T-42/95, T-43/95, T-44/95, T-45/95, T-46/95, T-48/95, T-50/95, T-51/95, T-52/95, T-53/95, T-54/95, T-55/95, T-56/95, T-57/95, T-58/95, T-59/95, T-60/95, T-61/95, T-62/95, T-63/95, T-64/95, T-65/95, T-68/95, T-69/95, T-70/95, T-71/95, T-87/95, T-88/95, T-103/95 en T-104/95

Cimenteries CBR SA, Cembureau - Association européenne du ciment, Fédération de l'industrie cimentière belge ASBL, Eerste Nederlandse Cementindustrie NV (ENCI), Vereniging Nederlandse Cementindustrie (VNC), Ciments luxembourgeois SA, Dyckerhoff AG, Syndicat national de l'industrie cimentière (FIC), Vicat SA, Groupe Origny SA, Ciments français SA, Heidelberger Zement AG, Lafarge Coppée SA, Aalborg Portland A/S, Alsen AG, Alsen AG, Bundesverband der Deutschen Zementindustrie eV, Unicem SpA, Fratelli Buzzi SpA, Compañía Valenciana de Cementos Portland SA, The Rugby Group plc, British Cement Association, Asland SA, Castle Cement Ltd, Heracles General Cement Company SA, Corporación Uniland SA, Agrupación de Fabricantes de Cemento de España (Oficemen), Irish Cement Ltd, Cimpor - Cimentos de Portugal SA, Secil - Companhia Geral de Cal e Cimento SA, Associação Técnica da Indústria de Cimento (ATIC), Titan Cement Company SA, Italcementi - Fabbriche Riunite Cemento SpA, Holderbank Financière Glarus AG, Hornos Ibéricos Alba SA (Hisalba), Aker RGI ASA, Scancem (publ) AB, Cementir - Cementerie del Tirreno SpA, Blue Circle Industries plc, Enosi Tsimentoviomichanion Ellados, Tsimenta Chalkidos AE / Commissie van de Europese Gemeenschappen

Mededinging

15 maart 2000

"Mededinging · Artikel 85, lid 1, EG-Verdrag (thans artikel 81, lid 1, EG) · Cementmarkt · Rechten van verdediging · Toegang tot dossier · Eén enkele voortdurende inbreuk · Algemene overeenkomst en uitvoeringsmaatregelen · Toerekening van inbreuk · Bewijs van deelneming aan algemene overeenkomst en uitvoeringsmaatregelen · Objectief en subjectief verband tussen algemene overeenkomst en uitvoeringsmaatregelen · Geldboete · Vaststelling van bedrag"

(Vierde kamer · uitgebreid)

DEZE VERSIE VAN HET ARREST "CEMENT" OMVAT ENKEL DE SAMENVATTING DIE IN DE JURISPRUDENTIE ZAL WORDEN GEPUBLICEERD, ALSMEDE HET DICTUM.

VOOR DE VOLLEDIGE TEKST VAN HET ARREST RAADPLEGE MEN DE INTERNET-SITE VAN HET HOF " www.curia.eu.int
".

EEN FOTOKOPIE VAN HET VOLLEDIGE ARREST IS TEGEN BETALING VERKRIJGBAAR BIJ MEVR. GONZALEZ OTERO (tel. 4303 3316).


1. De toegang tot het dossier in mededingingszaken is bedoeld om degenen tot wie de mededeling van punten van bezwaar is gericht, in staat te stellen kennis te nemen van de bewijselementen waarover de Commissie beschikt, opdat zij op basis van deze elementen een dienstig antwoord kunnen geven op de conclusies waartoe de Commissie is gekomen. De toegang tot het dossier is dus één van de procedurele waarborgen ter bescherming van de rechten van de verdediging, in het bijzonder ter verzekering van de daadwerkelijke uitoefening van het recht te worden gehoord, bedoeld in artikel 19, leden 1 en 2, van verordening nr. 17 en artikel 2 van verordening nr. 99/63. In iedere procedure die tot de oplegging van sancties kan leiden, is de eerbiediging van die rechten te beschouwen als een grondbeginsel van het gemeenschapsrecht, dat onder alle omstandigheden, ook in een administratieve procedure, in acht moet worden genomen.
In het kader van de in verordening nr. 17 geregelde procedure op tegenspraak en gezien het algemene beginsel van de gelijkwaardigheid van de procedurele rechten, is het derhalve niet alleen aan de Commissie om uit te maken, welke documenten dienstig zijn voor de verdediging van de betrokken partijen, en is het onaanvaardbaar, dat zij in haar eentje zou kunnen beslissen documenten al dan niet tegen de betrokken partijen te gebruiken, terwijl zij daartoe geen toegang hebben gehad en dus niet hebben kunnen beslissen om deze al dan niet voor hun verdediging te gebruiken.

Daaruit volgt, dat de Commissie partijen toegang moet verschaffen tot het gehele onderzoeksdossier, met uitzondering van documenten die zakengeheimen van andere ondernemingen of andere vertrouwelijke informatie bevatten en interne documenten van de Commissie, teneinde hen in staat te stellen zich doeltreffend te verdedigen. Zo zij van mening is, dat bepaalde stukken zakengeheimen of andere vertrouwelijke informatie bevatten, moet zij daarvan niet-vertrouwelijke versies vervaardigen of laten vervaardigen door de partijen van wie die stukken afkomstig zijn. Indien de vervaardiging van niet-vertrouwelijke versies van alle documenten moeilijkheden oplevert, moet zij de betrokkenen een voldoende nauwkeurige lijst toezenden van de documenten die moeilijkheden opleveren, om hen in staat te stellen met kennis van zaken te beoordelen, of de beschreven documenten voor hun verdediging relevant kunnen zijn. In dat opzicht is een lijst van documenten waarin de inhoud van de erin opgenomen documenten niet wordt beschreven en die daardoor de betrokken partijen niet in staat stelt te beoordelen, of een verzoek om inzage in bepaalde documenten opportuun is, niet nauwkeurig genoeg.

(punten 142-144, 147 en 148)


2. De vaststelling dat de Commissie een verzoeker tijdens de administratieve procedure in mededingingszaken niet naar behoren toegang tot het onderzoeksdossier heeft verleend, kan als zodanig niet tot nietigverklaring van de bestreden beschikking leiden. Toegang tot het dossier is namelijk geen doel op zich, maar strekt tot bescherming van de rechten van de verdediging. Het recht op toegang tot het dossier is onlosmakelijk verbonden met en ontleent zijn bestaansreden aan het beginsel dat de rechten van de verdediging moeten worden geëerbiedigd.

De bestreden beschikking kan dus slechts nietig worden verklaard, indien is vastgesteld dat de onregelmatige toegang tot het dossier partijen heeft belet kennis te nemen van documenten die voor hun verweer dienstig konden zijn, en dat daardoor hun rechten van de verdediging zijn geschonden. De omvang van het deel van het onderzoeksdossier waartoe een verzoeker geen toegang had tijdens de administratieve procedure, volstaat als zodanig niet als grondslag voor die vaststelling.

Wanneer een partij in het kader van een beroep tot nietigverklaring van een definitieve beschikking van de Commissie bezwaar maakt tegen de weigering van de Commissie om één of meer stukken van het dossier over te leggen, dient het Gerecht overlegging van de betrokken stukken te verlangen en deze te onderzoeken. Zonder dat het Gerecht zich daarbij in de plaats van de Commissie kan stellen, moet daarbij eerst worden onderzocht, of de stukken die tijdens de administratieve procedure niet toegankelijk waren, objectief verband houden met een in de bestreden beschikking tegen de betrokken verzoeker in aanmerking genomen punt van bezwaar. Als dat verband ontbreekt, zijn de betrokken stukken niet dienstig voor het verweer van de verzoeker die zich daarop beroept. Als dat verband er echter wel is, moet vervolgens worden onderzocht, of de niet-overlegging van die stukken het verweer van die partij in de administratieve procedure nadelig kon beïnvloeden. Daartoe moeten de door de Commissie tot staving van dat punt van bezwaar aangevoerde bewijsmiddelen worden onderzocht en moet worden beoordeeld, of de niet-overgelegde stukken · gelet op die bewijzen · mogelijk een belang hadden dat niet had mogen worden verwaarloosd. De rechten van de verdediging zijn geschonden indien er een · zelfs kleine · kans bestond, dat de administratieve procedure een andere afloop had gehad als een verzoeker zich in die procedure op het betrokken document had kunnen beroepen.

(punten 156, 240 en 241)


3. In het kader van een administratieve procedure in mededingingszaken kunnen de rechten van de verdediging van een verzoeker niet zijn geschonden doordat een document dat ontlastend materiaal kan bevatten, hem door de Commissie niet is meegedeeld, indien dat document van hemzelf afkomstig is of indien het tijdens de administratieve procedure kennelijk in zijn bezit was. Indien een adressaat van de mededeling van punten van bezwaar beschikt over een document met ontlastend materiaal, is er immers niets dat hem belet om zich tijdens de administratieve procedure op dat document te beroepen. Voor de organisatie van haar verweer behoeft een partij zich niet te beperken tot de voor haar toegankelijke stukken van het dossier van de Commissie. Zij kan elk dienstig lijkend stuk gebruiken om de beweringen van de Commissie te weerleggen.

(punt 248)


4. Een document kan slechts als een belastend stuk voor een bij een mededingingsprocedure betrokken onderneming worden beschouwd, wanneer het door de Commissie is gebruikt tot staving van de vaststelling van een inbreuk waaraan die onderneming zou hebben deelgenomen. Voor de vaststelling van een schending van haar rechten van de verdediging volstaat het niet, dat die onderneming aantoont, dat zij zich tijdens de administratieve procedure niet heeft kunnen uitspreken over een document dat ergens in de bestreden beschikking wordt gebruikt. Zij dient aan te tonen, dat de Commissie in de bestreden beschikking een nieuw bewijs heeft gebruikt voor een inbreuk waaraan zij zou hebben deelgenomen.

Overigens zijn niet alle documenten die in de bestreden beschikking worden gebruikt in het kader van een aan een onderneming toegerekende inbreuk, noodzakelijkerwijs stukken die tegen haar in aanmerking worden genomen en waarover zij in de administratieve procedure haar standpunt kenbaar had moeten kunnen maken. Haar rechten van de verdediging zijn immers niet geschonden, indien een document waartoe zij geen toegang had, in de bestreden beschikking enkel is gebruikt om de deelneming van een andere onderneming aan die inbreuk te staven, of indien het is gebruikt om een specifiek argument dat een dergelijke andere onderneming in de administratieve procedure heeft aangevoerd, te weerleggen.

(punten 284 en 318)


5. Documenten die in de bestreden beschikking tegen partijen zijn gebruikt, zonder dat deze daarover in de administratieve procedure konden beschikken of zonder dat die partijen in redelijkheid konden voorzien welke conclusies de Commissie daaruit zou trekken, moeten als bewijs van inbreuken op de mededingingsregels worden uitgesloten.
Deze uitsluiting, die niet tot nietigverklaring van de gehele beschikking zou leiden, zou slechts van belang zijn voor zover het door de Commissie op basis daarvan geformuleerde punt van bezwaar alleen met deze documenten zou kunnen worden bewezen.

(punten 323 en 364)


6. In een administratieve procedure in mededingingszaken is de Commissie niet verplicht, op eigen initiatief toegang te verlenen tot documenten die zich niet in haar onderzoeksdossier bevinden en die zij niet voornemens is in de eindbeschikking tegen de betrokkenen te gebruiken. Derhalve moet een onderneming die in de loop van de administratieve procedure verneemt, dat de Commissie over documenten beschikt die dienstig zouden kunnen zijn voor haar verweer, en die daarvan kennis wil nemen, de instelling uitdrukkelijk om toegang tot die documenten verzoeken. Indien zij dat niet doet tijdens de administratieve procedure, vervalt haar recht om op deze grond beroep tot nietigverklaring van de eindbeschikking in te stellen.
Indien de Commissie in de administratieve procedure een vraag van een verzoeker om toegang tot documenten die zich niet in het onderzoeksdossier bevinden heeft afgewezen, kan een schending van de rechten van de verdediging slechts worden vastgesteld, als vaststaat dat de administratieve procedure een andere afloop had kunnen hebben indien de verzoeker in die procedure toegang tot de documenten in kwestie had gehad.

(punt 383)


7. De Commissie is niet verplicht, tijdens de administratieve procedure in mededingingszaken interne documenten toegankelijk te maken. Bovendien worden die documenten in de procedure voor de gemeenschapsrechter alleen dan aan de verzoekende partijen ter inzage gegeven, indien zij met serieuze aanwijzingen zijn gekomen, dat de bijzondere omstandigheden van het geval zulks vereisen. Deze beperking van het recht van inzage in interne documenten is gerechtvaardigd door de noodzaak, de goede werking van de betrokken instelling op het gebied van de bestrijding van inbreuken op de mededingingsregels van het Verdrag te verzekeren.

(punt 420)


8. De mededeling van punten van bezwaar moet worden gesteld in bewoordingen die, hoe bondig ook, voor de betrokkenen voldoende duidelijk zijn om te weten, welke gedragingen de Commissie hun verwijt. Enkel dan immers kan de mededeling van punten van bezwaar de haar door de gemeenschapsverordeningen toegedachte functie vervullen, te weten de ondernemingen en

ondernemersverenigingen alle informatie te verschaffen die zij nodig hebben om zich te verdedigen alvorens de Commissie een definitieve beschikking geeft.

(punt 476)


9. De Commissie mag een onderneming of ondernemersvereniging geen geldboete opleggen indien zij de betrokkene niet vooraf tijdens de administratieve procedure in kennis heeft gesteld van haar desbetreffende voornemen. De mededeling van punten van bezwaar moet de adressaat ervan dus aanwijzingen verstrekken over de vraag, of hij de gestelde inbreuk opzettelijk of uit onachtzaamheid heeft begaan, en over de zwaarte en de duur van de inbreuk die voor de bepaling van de hoogte van de geldboete in aanmerking worden genomen, zodat hij kan voorzien, dat hem een geldboete kan worden opgelegd. De mededeling van punten van bezwaar moet de betrokken onderneming of ondernemersvereniging immers in staat stellen, zich niet alleen tegen de vaststelling van een inbreuk, maar ook tegen de oplegging van een geldboete te verdedigen.

Inzonderheid moet de Commissie, indien zij om bijzondere redenen van plan is voor eenzelfde inbreuk geldboeten op te leggen aan zowel een ondernemersvereniging als de ondernemingen die lid van die vereniging zijn, dat voornemen duidelijk in de mededeling van punten van bezwaar of in een aanvulling daarop vermelden. Een dergelijk voornemen blijkt niet uit een mededeling van punten van bezwaar waarin de enige paragraaf betreffende de geldboeten geen enkele andere verwijzing naar die verenigingen bevat dan een nagenoeg letterlijk citaat van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, volgens hetwelk de Commissie aan ondernemingen en ondernemersverenigingen geldboeten kan opleggen, en waarin de Commissie in haar verklaringen betreffende de voorwaarden voor de oplegging van een geldboete en over de vaststelling van het bedrag daarvan, geen melding maakt van haar voornemen om ook aan de ondernemersverenigingen geldboeten op te leggen.

(punten 480, 481 en 483-485)

10. In een administratieve procedure in mededingingszaken is de Commissie niet verplicht ondernemingen een vertaling te verstrekken van de bijlagen bij de mededeling van punten van bezwaar, wanneer het niet gaat om "stukken" in de zin van artikel 3 van verordening nr. 1 van de Raad van 15 april 1958 tot regeling van het taalgebruik in de Europese Economische Gemeenschap. Die documenten zijn immers niet van de Commissie afkomstig, maar zijn bewijsstukken waarop de Commissie zich baseert.

De van ondernemingen of bedrijfstakverenigingen afkomstige documenten die de Commissie in de mededeling van punten van bezwaar letterlijk aanhaalt tot staving van die punten van bezwaar, kunnen evenmin worden geacht van deze instelling afkomstig te zijn, ofschoon de mededeling van punten van bezwaar een "stuk" van de Commissie is in de zin van bovengenoemde bepaling. Het feit dat de mededeling van punten van bezwaar verschillende niet vertaalde citaten uit dergelijke documenten bevat, kan dus niet als een schending van artikel 3 van verordening nr. 1 worden beschouwd.

De processen-verbaal van de hoorzittingen, bedoeld in artikel 9, lid 4, van verordening nr. 99/63, beogen enkel de mondelinge verklaringen van de verschillende partijen weer te geven in de door hen gebruikte taal, zodat die partijen kunnen nagaan of hun verklaringen juist zijn opgenomen. Het zijn dus geen van de Commissie afkomstige stukken in de zin van artikel 3 van verordening nr. 1 en zij behoeven dus niet te worden vertaald.

Voorts is voor de beoordeling van de bewijskracht van de door de Commissie tot staving van de mededeling van punten van bezwaar aangevoerde bewijsstukken en derhalve voor de voorbereiding van het verweer, de toegang tot de bewijsstukken zelf nodig, veeleer dan tot een niet-officiële vertaling daarvan. De eerbiediging van de rechten van de verdediging vereist dus, dat de adressaten van de mededeling van punten van bezwaar in de administratieve procedure toegang hebben tot de originele versie van alle belastende stukken. Dit beginsel van de rechten van de verdediging verplicht de

Commissie evenwel niet, de in de mededeling van punten van bezwaar aangehaalde of tot staving daarvan gebruikte documenten te vertalen in de taal van de lidstaat waar de adressaten van de mededeling van punten van bezwaar zijn gevestigd. Een argument van een verzoeker, dat zijn rechten van de verdediging zijn geschonden doordat de Commissie geen vertaling heeft verstrekt van bepaalde bewijsstukken die zij in de mededeling van punten van bezwaar aanhaalt of tot staving daarvan gebruikt, moet dus worden afgewezen.

(punten 631 en 633-636)

11. Wanneer een instelling aan een persoon ressorterende onder de jurisdictie van een lidstaat een stuk zendt dat niet in de taal van die staat is gesteld, maakt die onregelmatigheid, hoe betreurenswaardig ook, de procedure slechts ongeldig indien dat voor die persoon in de administratieve procedure nadelige gevolgen heeft.

(punt 643)

12. De raadpleging van het Adviescomité, voorzien in artikel 10, leden 3 tot en met 6, van verordening nr. 17, is een wezenlijk vormvoorschrift waarvan de schending de wettigheid van de eindbeschikking van de Commissie aantast, wanneer vaststaat, dat het feit dat bepaalde wezenlijke elementen niet aan het comité zijn toegezonden, het comité niet in staat heeft gesteld zijn advies met volledige kennis van zaken uit te brengen, dat wil zeggen zonder op een essentieel punt door onjuistheden of lacunes in dwaling te worden gebracht.

Wanneer de Commissie de precieze bedragen van de voorgestelde geldboeten niet ter kennis van het Adviescomité heeft gebracht, doch hem een globaal totaalbedrag in ECU voor alle geldboeten heeft verstrekt en hem heeft meegedeeld, dat zij aan bepaalde in de beschikking genoemde ondernemingen die een zware verantwoordelijkheid droegen, een geldboete zou opleggen van 5 % van hun omzet, en aan andere eveneens genoemde ondernemingen die een geringere verantwoordelijkheid droegen, een geldboete van 3,5 % van hun omzet, wordt dit vormvoorschrift niet geschonden. Aldus heeft de Commissie het Adviescomité immers alle essentiële elementen doen toekomen die nodig waren om een advies uit te brengen over de geldboeten.

(punten 742, 744 en 748)

13. Voor de toepasselijkheid van artikel 85, lid 1, van het Verdrag (thans artikel 81, lid 1, EG) is het niet noodzakelijk, dat de bedrijfstakverenigingen zelf een commerciële of productieve activiteit uitoefenen. Artikel 85, lid 1, van het Verdrag is immers van toepassing op verenigingen, voor zover hun activiteiten of die van de aangesloten ondernemingen ertoe strekken de gevolgen teweeg te brengen die deze bepaling beoogt tegen te gaan. Elke andere uitlegging zou aan deze bepaling een reële betekenis ontnemen.

(punt 1320)

14. De tekst van artikel 85, lid 1, van het Verdrag (thans artikel 81, lid 1, EG) sluit de overeenkomsten tussen ondernemersverenigingen en ondernemingen niet uit van de werkingssfeer van de daarin neergelegde verboden. Om tegelijkertijd de deelneming van een vereniging en van haar leden aan één en dezelfde inbreuk in aanmerking te nemen, moet de Commissie aantonen, dat het gedrag van de vereniging zich onderscheidt van dat van haar leden.

(punt 1325)

15. Wanneer een onderneming of ondernemersvereniging, zelfs zonder daarin een actieve rol te spelen, heeft deelgenomen aan een of meer vergaderingen tijdens welke het tot een wilsovereenstemming met betrekking tot het beginsel van mededingingsverstorende gedragingen is gekomen of deze is bevestigd,

en zij door haar aanwezigheid heeft ingestemd met of althans bij de overige deelnemers de indruk heeft gewekt dat zij instemde met de inhoud van de tijdens die vergaderingen gesloten en vervolgens bevestigde mededingingsverstorende overeenkomst, moet zij worden geacht aan die overeenkomst te hebben deelgenomen, tenzij zij aantoont dat zij zich openlijk van de ongeoorloofde afstemming heeft gedistantieerd, of de overige deelnemers heeft laten weten dat zij voornemens was vanuit een andere optiek dan de hunne aan die vergaderingen deel te nemen.

Wanneer het bewijs van een dergelijke distantiëring ontbreekt, kan het feit dat die onderneming of ondernemersvereniging zich niet houdt aan de resultaten van die vergaderingen, haar niet van de volle aansprakelijkheid voor haar deelneming aan de mededingingsregeling ontslaan.

(punten 1353, 1389 en 3199)

16. Voor de toepassing van artikel 85, lid 1, van het Verdrag (thans artikel 81, lid 1, EG) behoeven niet de concrete gevolgen van een overeenkomst in aanmerking te worden genomen, wanneer blijkt, dat zij ertoe strekt dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst. In een dergelijk geval levert het feit dat in de bestreden beschikking niet de gevolgen van de overeenkomst voor de mededinging zijn onderzocht, geen gebrek op dat tot nietigverklaring van die beschikking kan leiden. Wanneer de Commissie het mededingingsverstorende doel van de overeenkomst heeft aangetoond, behoeft zij derhalve niet ook nog aan te tonen, dat die overeenkomst een beperking van de mededinging in de gemeenschappelijke markt tot gevolg heeft gehad.

(punt 1531)

17. Geen enkel beginsel van gemeenschapsrecht verzet zich ertegen, dat de Commissie haar conclusie betreffende het bestaan van een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag (thans artikel 81, lid 1, EG) baseert op één enkel stuk, mits de bewijskracht van dat stuk buiten kijf staat en dat stuk als zodanig het bestaan van de betrokken inbreuk duidelijk aantoont. Bij de beoordeling van de bewijskracht van een stuk moet eerst en vooral worden gekeken naar de mate van waarschijnlijkheid van de in het document vervatte informatie. Hierbij moet met name in aanmerking worden genomen van wie het stuk afkomstig is, onder welke omstandigheden het tot stand is gekomen, tot wie het is gericht en of het, gelet op zijn inhoud, redelijk en geloofwaardig overkomt.

(punt 1838)

18. Het begrip onderling afgestemde feitelijke gedraging onderstelt het bestaan van wederkerige contacten. Aan deze voorwaarde van wederkerigheid wordt voldaan, wanneer een concurrent is verzocht om zijn voornemens of toekomstig marktgedrag aan een andere concurrent mee te delen, of wanneer deze laatste dat heeft aanvaard. Dit is het geval wanneer het initiatief voor het onderhoud tijdens hetwelk een partij door haar concurrent is geïnformeerd omtrent diens voornemens of toekomstig gedrag, door die partij is genomen en uit het door haar van dat onderhoud opgestelde verslag blijkt, dat zij geen enkel voorbehoud heeft gemaakt of zich geenszins heeft verzet toen haar concurrent haar zijn voornemens meedeelde. Derhalve kan de houding van die partij tijdens het onderhoud niet worden gereduceerd tot een louter passieve rol van ontvanger van informatie die haar concurrent, zonder daarom te zijn verzocht, eenzijdig had besloten aan haar mee te delen.

(punt 1849)

19. Enigerlei al dan niet rechtstreeks contact tussen marktdeelnemers waardoor een concurrent op de hoogte wordt gebracht van het aangenomen of voorgenomen marktgedrag, levert een bij artikel 85, lid 1, van het Verdrag (thans artikel 81, lid 1, EG) verboden onderling afgestemde feitelijke gedraging op, wanneer dat contact tot doel of ten gevolge heeft dat mededingingsvoorwaarden ontstaan die niet met de normaal te achten voorwaarden van die markt overeenkomen. Om een onderling afgestemde feitelijke gedraging aan te tonen, behoeft dus niet te worden bewezen, dat een marktdeelnemer zich

jegens één of meer anderen formeel heeft verbonden om een bepaalde gedragslijn te volgen of dat de concurrenten gezamenlijk hun toekomstig marktgedrag hebben vastgelegd. Het volstaat, dat de marktdeelnemer door zijn intentieverklaring de onzekerheid over zijn toekomstig marktgedrag heeft uitgesloten of althans wezenlijk heeft verkleind.

(punt 1852)

20. Zoals uit de bewoordingen van artikel 85, lid 1, van het Verdrag (thans artikel 81, lid 1, EG) blijkt, houdt het begrip onderling afgestemde feitelijke gedraging behalve de afstemming tussen de ondernemingen een daaropvolgend marktgedrag en een oorzakelijk verband tussen beide in. Behoudens door de betrokken partijen te leveren tegenbewijs, dient te worden aangenomen dat de afstemming waarmee die partijen een markt onderling wilden verdelen, hun gedrag op die markt heeft beïnvloed.

(punten 1855 en 1865)

21. Ondernemingen kunnen een inbreuk op de mededingingsregels niet rechtvaardigen met het voorwendsel dat zij daartoe zijn aangezet door het gedrag van andere marktdeelnemers. Het feit dat laatstgenoemden overheidssteun hebben ontvangen, kan evenmin een rechtvaardiging vormen voor de vaststelling van particuliere mededingingsverstorende initiatieven, ook al was de betrokken steun onwettig. De ondernemingen hebben weliswaar niet alleen het recht om de bevoegde overheden · met inbegrip van de Commissie zelf · op eventuele schendingen van de nationale of communautaire bepalingen attent te maken, maar ook om in een dergelijk geval zich gezamenlijk te doen kennen, hetgeen noodzakelijkerwijs de mogelijkheid van voorbereidend onderling overleg veronderstelt, doch zij mogen zichzelf geen recht verschaffen door zich in de plaats te stellen van de bevoegde autoriteiten om sancties op te leggen voor eventuele schendingen van het nationale en/of gemeenschapsrecht en door met behulp van op eigen initiatief getroffen maatregelen het goederenverkeer in de interne markt te belemmeren.

Een eventueel laks optreden van de Commissie in het geval van deze overheidssteun, waardoor zij mogelijk bepaalde, voor haar uit artikel 155 van het Verdrag (thans artikel 211 EG) voortvloeiende verplichtingen niet is nagekomen, kan eventuele inbreuken op het communautaire recht niet rechtvaardigen.

(punten 2557-2559)

22. Een onderling afgestemde feitelijke gedraging is een vorm van coördinatie tussen ondernemingen, die, zonder dat het tot een eigenlijke overeenkomst komt, de risico's van de onderlinge concurrentie welbewust vervangt door een feitelijke samenwerking. De criteria coördinatie en samenwerking moeten worden verstaan in het licht van de in de verdragsvoorschriften inzake de mededinging besloten voorstelling, dat iedere ondernemer zelfstandig moet bepalen welk beleid hij op de gemeenschappelijke markt zal voeren. Deze eis van zelfstandigheid staat onverbiddelijk in de weg aan enigerlei al dan niet rechtstreeks contact tussen ondernemers, dat tot doel of ten gevolge heeft dat mededingingsvoorwaarden ontstaan die niet met de normaal te achten voorwaarden van de markt overeenkomen.

(punt 3150)

23. Een producent van een lidstaat kan niet op grond van het enkele feit dat hij wist, dat andere Europese producenten door middel van aankopen bij hem zijn rechtstreekse verkoop op de Europese markten wilden doen stoppen of doen verminderen, als partij bij een met artikel 85, lid 1, van het Verdrag (thans artikel 81, lid 1, EG) strijdige mededingingsregeling worden beschouwd. Een dergelijke wetenschap kan enkel als een aanwijzing voor een onrechtmatig gedrag worden beschouwd, wanneer wordt aangetoond dat die producent daarnaast heeft ingestemd met de doelstelling die door

bovenbedoelde Europese producenten door middel van de betrokken aankopen is nagestreefd. Aangezien die doelstelling in strijd is met de belangen van de betrokken producent, zou enkel het bewijs van een toezegging van die producent om als tegenprestatie voor de betrokken aankopen zijn rechtstreekse verkoop op de Europese markten te staken of te verminderen, als een instemming van zijn kant met dat doel kunnen worden beschouwd.

(punten 3443 en 3444)

24. Samenwerking tussen ondernemingen op de exportmarkten van derde landen kan slechts een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag (thans artikel 81, lid 1, EG) opleveren, indien die samenwerking ertoe strekt of ten gevolge heeft, dat de mededinging binnen de Gemeenschap wordt verhinderd, beperkt of vervalst, en zij de handel tussen lidstaten ongunstig kan beïnvloeden. Hiervan zou sprake zijn in geval van samenwerking tussen ondernemingen die ertoe strekt het binnendringen van concurrenten op de respectieve nationale markten van die ondernemingen in de Gemeenschap te voorkomen.

(punten 3868 en 3869)

25. Uit de letter van artikel 85, lid 1, van het Verdrag (thans artikel 81, lid 1, EG) blijkt, dat onderling afgestemde feitelijke gedragingen, ongeacht hun gevolgen, verboden zijn, wanneer zij een mededingingsverstorend doel hebben. Het begrip onderling afgestemde feitelijke gedraging veronderstelt weliswaar een gedrag op de markt, maar dat impliceert niet noodzakelijkerwijs, dat dat gedrag concreet tot gevolg heeft, dat de mededinging wordt beperkt, verhinderd of vervalst.

Artikel 85, lid 1, van het Verdrag, dat mededingingsregelingen verbiedt die ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging wordt beperkt en die de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden, verlangt voorts niet het bewijs dat dergelijke mededingingsregelingen het intracommunautaire handelsverkeer inderdaad merkbaar hebben beïnvloed, welk bewijs trouwens in de meeste gevallen slechts moeilijk rechtens genoegzaam zou kunnen worden geleverd, doch wel het bewijs dat de mededingingsregeling een dergelijk gevolg kan hebben. Aan de voorwaarde van ongunstige beïnvloeding van de handel tussen lidstaten is voldaan, wanneer op basis van een geheel van juridische en feitelijke elementen met een voldoende mate van waarschijnlijkheid kan worden verwacht, dat de vastgestelde mededingingsregeling al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel, de handelsstromen tussen lidstaten kan beïnvloeden.

Derhalve mag de Commissie een samenwerking in het kader van een comité van marktdeelnemers, die ertoe strekt het binnendringen van concurrenten op de respectieve nationale markten in de Gemeenschap te voorkomen, als een onderling afgestemde feitelijke gedraging in de zin van artikel 85, lid 1, van het Verdrag aanmerken. In dat kader hebben de leden van dat comité, of althans enige van hen, namelijk de risico's van de concurrentie vervangen door een feitelijke onderlinge samenwerking met een duidelijk mededingingsverstorend doel, die, gelet op het doel van het comité en het economisch gewicht van zijn leden, de handel tussen lidstaten merkbaar ongunstig kan beïnvloeden.

(punten 3921, 3924, 3927, 3928, 3930 en 3932)

26. Bi- of multilaterale regelingen kunnen slechts als bestanddelen van één enkele mededingingsverstorende overeenkomst worden beschouwd, indien is aangetoond, dat zij deel uitmaken van een algemeen plan dat een gemeenschappelijk doel nastreeft.

Het feit dat dergelijke regelingen hetzelfde doel hebben als een dergelijke mededingingsverstorende overeenkomst, volstaat evenwel niet om aan een onderneming die partij is bij die regelingen, de deelneming aan die overeenkomst toe te rekenen.

Enkel indien de onderneming, toen zij aan die mededingingsregelingen deelnam, wist of had moeten weten, dat zij aldus in de ene enkele overeenkomst werd opgenomen, kan haar deelneming aan de betrokken mededingingsregelingen namelijk als een uiting van haar aansluiting bij die overeenkomst worden aangemerkt.

(punten 4027, 4109 en 4112)

27. De Commissie moet niet alleen het bestaan van een mededingingsverstorende overeenkomst bewijzen, doch ook de duur ervan.

Gelet op het in de bestreden beschikking gehanteerde stelsel van vaststelling van de inbreuk, volgens hetwelk de deelneming van een partij aan een maatregel tot uitvoering van de overeenkomst het bewijs van haar aansluiting bij die overeenkomst opleverde, en op het feit dat de Commissie had besloten, voor de vaststelling van de overeenkomst en de uitvoeringsmaatregelen, alsmede van de deelneming van elke partij daaraan enkel uit te gaan van directe schriftelijke bewijzen, kon de Commissie bij gebreke van dergelijke directe schriftelijke bewijzen niet aannemen, dat een partij bij de overeenkomst ook na haar laatste bewezen deelneming aan een maatregel tot uitvoering van die overeenkomst daarbij aangesloten bleef.

(punten 4270 en 4281-4283)

28. De door artikel 190 van het Verdrag (thans artikel 253 EG) vereiste motivering, een wezenlijk vormvoorschrift in de zin van artikel 173 van het Verdrag (thans, na wijziging, artikel 230 EG), moet beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling en moet de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking doen komen, opdat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen.

Met betrekking tot een beschikking waarbij aan verschillende ondernemingen of verenigingen geldboeten worden opgelegd wegens een inbreuk op de communautaire mededingingsregels, moet de draagwijdte van de motiveringsplicht met name worden beoordeeld tegen de achtergrond van het feit dat de zwaarte van de inbreuken moet worden bepaald met inachtneming van een groot aantal factoren, zoals onder meer de bijzondere omstandigheden van de zaak, de context ervan en de afschrikkende werking van de geldboeten, zonder dat een dwingende of uitputtende lijst van verplicht in aanmerking te nemen criteria is opgesteld. Bovendien beschikt de Commissie bij de vaststelling van het bedrag van elke geldboete over een beoordelingsvrijheid en kan niet worden aangenomen, dat zij verplicht is daarvoor een bepaalde wiskundige formule toe te passen.

Het is wenselijk, dat de ondernemingen · teneinde met volledige kennis van zaken hun standpunt te kunnen bepalen · op een door de Commissie opportuun geachte wijze gedetailleerd kennis kunnen nemen van de wijze van berekening van de geldboete die hun is opgelegd, zonder daarvoor de beschikking van de Commissie in rechte te moeten aanvechten. Dit geldt te meer, wanneer de Commissie voor de berekening van de geldboeten precieze wiskundige formules gebruikt. In een dergelijk geval is het wenselijk, dat de ondernemingen en in voorkomend geval het Gerecht kunnen nagaan, of de door de Commissie toegepaste methode en de daaraan gegeven uitwerking geen onjuistheden bevatten en verenigbaar zijn met de regels en beginselen die voor geldboeten gelden, in het bijzonder met het discriminatieverbod. In dit verband is het Gerecht bevoegd om, wanneer het dit voor het onderzoek van de door een verzoeker aangevoerde middelen nodig acht, de Commissie om concrete toelichtingen te verzoeken over de verschillende criteria die zij heeft gehanteerd en in de bestreden beschikking heeft uiteengezet. Dergelijke toelichtingen vormen evenwel geen aanvullende en achteraf verstrekte motivering van de bestreden beschikking, maar de uitdrukking in cijfers van de daarin genoemde criteria wanneer deze zelf kunnen worden gekwantificeerd.

(punten 4725, 4726 en 4734-4737)

29. Het feit dat een onderneming uit een inbreuk op de mededingingsregels geen profijt heeft getrokken, kan de oplegging van een geldboete niet beletten, omdat deze anders haar preventieve werking zou verliezen. Derhalve is de Commissie niet verplicht bij de vaststelling van de geldboeten aan te tonen, dat de inbreuk de betrokken ondernemingen een onrechtmatig voordeel heeft opgeleverd, noch om in voorkomend geval rekening te houden met het feit dat uit die inbreuk geen profijt is getrokken. Stellig kan het relevant zijn om te beoordelen welk onrechtmatig voordeel een inbreuk heeft opgeleverd, indien de Commissie specifiek op basis van een dergelijk voordeel de zwaarte van die inbreuk waardeert en/of de geldboeten berekent.

In dat verband heeft de Commissie zich met haar verklaring in haar XXIe Verslag over het mededingingsbeleid ("Bij het vaststellen van de geldboete betrekt de Commissie alle relevante feiten van de zaak in haar overwegingen. In toenemende mate zal rekening worden gehouden met het financiële voordeel dat de betrokken ondernemingen uit de inbreuken op de mededingingsregels hebben behaald. In alle gevallen waar de Commissie de grootte van deze onrechtmatig verkregen winst · zij het niet steeds met volledige nauwkeurigheid · kan vaststellen, kan dit bedrag als uitgangspunt dienen voor het berekenen van de geldboete") niet verplicht om voor de bepaling van de geldboete in alle omstandigheden het financiële voordeel in verband met de vastgesteld inbreuk aan te tonen. Hiermee geeft zij enkel haar voornemen te kennen om deze factor zwaarder te laten wegen en als basis voor de berekening van de geldboeten te gebruiken, voor zover zij dit voordeel · al was het maar bij benadering · heeft kunnen bepalen.

(punten 4881, 4882, 4884 en 4885)

30. In een procedure in mededingingszaken moet de Commissie bij de vaststelling van de hoogte van de geldboeten rekening houden met alle factoren die van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de ernst van de inbreuken, zoals met name de rol die elk der partijen bij die inbreuken heeft gespeeld en het gevaar dat dergelijke inbreuken opleveren voor de doelstellingen van de Gemeenschap. Ingeval een inbreuk door meerdere ondernemingen is gepleegd, moet het relatieve gewicht van de deelneming van elk van hen worden onderzocht.

(punten 4949 en 4994)

31. Wat de vaststelling van de hoogte van de geldboeten in mededingingszaken betreft, moet de in artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 bedoelde "omzet in het voorafgaande boekjaar" worden begrepen als de totale omzet van elk van de betrokken ondernemingen gedurende het laatste volledige boekjaar van elk van die ondernemingen op de datum van de vaststelling van de bestreden beschikking. De verwijzingen naar die omzet en naar dat boekjaar hebben enkel betrekking op de bovengrens van de geldboete · 10 % · die kan worden opgelegd.

Overigens bevat die bepaling van verordening nr. 17 geen enkele territoriale beperking met betrekking tot de omzet die door de Commissie bij de berekening van de geldboete in aanmerking kan worden genomen.

De Commissie kan de geldboete dus vaststellen op basis van een door haar gekozen omzet, zowel wat het geografische gebied als de producten betreft, en, in voorkomend geval, van een omzet van een eerder boekjaar, zolang de aldus berekende geldboete die grens niet overschrijdt.

(punten 5009, 5022 en 5023)

32. Wanneer een onderneming die een inbreuk op de mededingingsregels pleegt, aan het hoofd staat van een groep die een economische eenheid vormt, moet voor de berekening van haar geldboete worden uitgegaan van de omzet van geheel die groep. Deze laatste omzet vormt immers de beste aanwijzing van haar economisch gewicht op de markt.

Een dergelijke onderneming kan niet stellen, dat aan haar niet in de bestreden beschikking genoemde dochterondernemingen een geldboete is opgelegd doordat hun omzet voor de berekening van de aan de moedermaatschappij opgelegde geldboete in de omzet van die vennootschap is opgenomen. Aangezien de geldboete aan die onderneming in eigen naam is opgelegd en de bestreden beschikking tot die onderneming in eigen naam is gericht, is immers enkel zij die geldboete verschuldigd. Het feit dat de last van die geldboete kan worden verdeeld binnen de groep aan het hoofd waarvan die onderneming staat, is een omstandigheid die, gelet op de regels inzake de vaststelling van geldboeten, niet relevant is.

(punten 5040 en 5049)

33. De Commissie heeft het recht in een beschikking waarbij in een mededingingszaak een geldboete wordt opgelegd, het bedrag van de geldboete uit te drukken in ECU, een in nationale valuta converteerbare monetaire eenheid.

Wanneer de Commissie heeft besloten om de geldboete op basis van de in nationale valuta uitgedrukte omzet in een bepaald referentiejaar te berekenen, mag zij die omzet in ECU omrekenen op basis van de gemiddelde wisselkoers van dat referentiejaar in plaats van op basis van de koers op de datum van vaststelling of betekening van de bestreden beschikking.

Zo dat kan betekenen, dat een onderneming een bedrag moet betalen dat nominaal hoger of lager is dan het bedrag dat zij had moeten betalen bij toepassing van de wisselkoers op de datum van vaststelling of betekening van de bestreden beschikking, is dat slechts het logische gevolg van de schommelingen van de reële waarde van de verschillende nationale valuta.

(punten 5054 en 5056)

34. De kosten voor een onderneming die door het stellen en handhaven van een bankgarantie worden gemaakt om de gedwongen tenuitvoerlegging van een beschikking van de Commissie te harer aanzien te voorkomen, kunnen niet worden aangemerkt als in verband met de procedure gemaakte kosten in de zin van artikel 91, sub b, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht. Ook de vordering van een onderneming tot veroordeling van de Commissie tot vergoeding van de kosten die aan haar tijdens de administratieve procedure in een mededingingszaak zijn opgekomen, moet worden afgewezen. Weliswaar worden luidens artikel 91 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht "als invorderbare kosten aangemerkt (...) de door partijen in verband met de procedure gemaakte noodzakelijke kosten", doch waar in deze bepaling van "procedure" wordt gesproken, is alleen de procedure voor het Gerecht · en niet de precontentieuze fase · bedoeld.

(punten 5133 en 5134)

Het Gerecht, rechtdoende:

"1) Voegt de zaken T-25/95, T-26/95, T-30/95, T-31/95, T-32/95, T-34/95, T-35/95, T-36/95, T-37/95, T-38/95, T-39/95, T-42/95, T-43/95, T-44/95, T-45/95, T-46/95, T-48/95, T-50/95, T-51/95, T-52/95, T-53/95, T-54/95, T-55/95, T-56/95, T-57/95, T-58/95, T-59/95, T-60/95, T-61/95, T-62/95, T-63/95, T-64/95, T-65/95, T-68/95, T-69/95, T-70/95, T-71/95, T-87/95, T-88/95, T-103/95 en T-104/95 voor het arrest.

2) In zaak T-25/95, Cimenteries CBR/Commissie:


· verklaart artikel 1 van beschikking 94/815/EG van de Commissie van 30 november 1994 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EG-Verdrag (Zaak IV/33.126 en 33.322 · Cement) nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk vóór 9 juni 1986 en na 7 november 1988 in aanmerking wordt genomen;

· verklaart artikel 4, lid 1, van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk vóór 9 juni 1986 en na 31 mei 1987 in aanmerking wordt genomen;


· verklaart artikel 4, lid 2, van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk na 7 november 1988 in aanmerking wordt genomen;

· verklaart artikel 4, lid 3, sub a, van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk vóór 9 september 1986 in aanmerking wordt genomen;

· verklaart artikel 4, lid 4, sub g, van beschikking 94/815 nietig ten aanzien van verzoekster;


· bepaalt het bedrag van de bij artikel 9 van beschikking 94/815 aan verzoekster opgelegde geldboete op 1 711 000 euro;

· verwerpt het beroep voor het overige;


· verstaat dat verzoekster haar eigen kosten zal dragen alsmede een derde van de kosten van de Commissie;


· verstaat dat de Commissie twee derde van haar eigen kosten zal dragen.

3) In zaak T-26/95, Cembureau · Association européenne du ciment/Commissie:


· verklaart artikel 1 van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk na 31 december 1988 in aanmerking wordt genomen;

· verklaart artikel 2, lid 1, van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin wordt vastgesteld, dat tijdens de vergaderingen van het uitvoerend comité van Cembureau · Association européenne du ciment overeenkomsten tot uitwisseling van informatie over de prijzen tot stand zijn gekomen, en voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk na 19 maart 1984 in aanmerking wordt genomen;


· verklaart artikel 2, lid 2, van beschikking 94/815 nietig ten aanzien van verzoekster, voor zover daarin wordt vastgesteld, dat de periodieke uitwisseling van informatie tussen verzoekster en haar leden, wat de Belgische en de Nederlandse prijzen betreft, betrekking had op de minimumprijzen voor cementleveringen per vrachtwagen van de producenten

uit die twee landen en, wat Luxemburg betreft, op de prijzen, kortingen inbegrepen, van de producent uit dat land;


· verklaart artikel 4, lid 1, van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk na 31 mei 1987 in aanmerking wordt genomen;

· verklaart artikel 9 van beschikking 94/815 nietig ten aanzien van verzoekster;


· verwerpt het beroep voor het overige;


· verstaat dat elk der partijen haar eigen kosten zal dragen.
4) In zaak T-30/95, Fédération de l'industrie cimentière belge/Commissie:


· verklaart artikel 1 van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk na 31 december 1988 in aanmerking wordt genomen;

· verklaart artikel 2, lid 1, van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin wordt vastgesteld, dat tijdens de vergaderingen van het uitvoerend comité van Cembureau · Association européenne du ciment overeenkomsten tot uitwisseling van informatie over de prijzen tot stand zijn gekomen, en voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk na 19 maart 1984 in aanmerking wordt genomen;


· verklaart artikel 2, lid 2, van beschikking 94/815 nietig ten aanzien van verzoekster, voor zover daarin wordt vastgesteld, dat de periodieke uitwisseling van informatie tussen Cembureau · Association européenne du ciment en haar leden, wat de Belgische en de Nederlandse prijzen betreft, betrekking had op de minimumprijzen voor cementleveringen per vrachtwagen van de producenten uit die twee landen en, wat Luxemburg betreft, op de prijzen, kortingen inbegrepen, van de producent uit dat land;


· verklaart artikel 5 van beschikking 94/815 nietig ten aanzien van verzoekster;


· verklaart artikel 9 van beschikking 94/815 nietig ten aanzien van verzoekster;


· verwerpt het beroep voor het overige;


· verstaat dat elk der partijen haar eigen kosten zal dragen.
5) In zaak T-31/95, Eerste Nederlandse Cementindustrie (ENCI)/Commissie:


· verklaart de artikelen 1, 5 en 9 van beschikking 94/815 nietig ten aanzien van verzoekster;


· verwijst de Commissie in de kosten.

6) In zaak T-32/95, Vereniging Nederlandse Cementindustrie (VNC)/Commissie:


· verklaart artikel 1 van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk na 31 december 1988 in aanmerking wordt genomen;

· verklaart artikel 2, lid 1, van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin wordt vastgesteld, dat tijdens de vergaderingen van het uitvoerend comité van Cembureau · Association européenne du ciment overeenkomsten tot uitwisseling van informatie over de prijzen tot stand zijn gekomen, en voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk na 19 maart 1984 in aanmerking wordt genomen;


· verklaart artikel 2, lid 2, van beschikking 94/815 nietig ten aanzien van verzoekster, voor zover daarin wordt vastgesteld, dat de periodieke uitwisseling van informatie tussen Cembureau · Association européenne du ciment en haar leden, wat de Belgische en de Nederlandse prijzen betreft, betrekking had op de minimumprijzen voor cementleveringen per vrachtwagen van de producenten uit die twee landen en, wat Luxemburg betreft, op de prijzen, kortingen inbegrepen, van de producent uit dat land;


· verklaart artikel 9 van beschikking 94/815 nietig ten aanzien van verzoekster;


· verwerpt het beroep voor het overige;


· verstaat dat elk der partijen haar eigen kosten zal dragen.
7) In zaak T-34/95, Ciments luxembourgeois/Commissie:


· verklaart artikel 1 van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk na 31 december 1988 in aanmerking wordt genomen;

· verklaart artikel 2, lid 1, van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin wordt vastgesteld, dat tijdens de vergaderingen van het uitvoerend comité van Cembureau · Association européenne du ciment overeenkomsten tot uitwisseling van informatie over de prijzen tot stand zijn gekomen, en voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk na 19 maart 1984 in aanmerking wordt genomen;


· verklaart artikel 2, lid 2, van beschikking 94/815 nietig ten aanzien van verzoekster, voor zover daarin wordt vastgesteld, dat de periodieke uitwisseling van informatie tussen Cembureau · Association européenne du ciment en haar leden, wat de Belgische en de Nederlandse prijzen betreft, betrekking had op de minimumprijzen voor cementleveringen per vrachtwagen van de producenten uit die twee landen en, wat Luxemburg betreft, op de prijzen, kortingen inbegrepen, van de producent uit dat land;


· bepaalt het bedrag van de bij artikel 9 van beschikking 94/815 aan verzoekster opgelegde geldboete op 617 000 euro;

· verwerpt het beroep voor het overige;


· verstaat dat verzoekster haar eigen kosten zal dragen alsmede een derde van de kosten van de Commissie;


· verstaat dat de Commissie twee derde van haar eigen kosten zal dragen.

8) In zaak T-35/95, Dyckerhoff/Commissie:


· verklaart artikel 1 van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk na 7 november 1988 in aanmerking wordt genomen;

· verklaart artikel 3, lid 3, sub a, van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan een overeenkomst tot verdeling van de markt van Saarland in aanmerking wordt genomen, en voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan een inbreuk op artikel 85, lid 1, EG-Verdrag (thans artikel 81, lid 1, EG) na 12 augustus 1987 wordt vastgesteld;


· verklaart artikel 4, lid 1, van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk na 31 mei 1987 in aanmerking wordt genomen;

· verklaart artikel 4, lid 2, van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk na 7 november 1988 in aanmerking wordt genomen;

· verklaart artikel 4, lid 3, sub a, van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk vóór 9 september 1986 in aanmerking wordt genomen;

· verklaart artikel 5 van beschikking 94/815 nietig ten aanzien van verzoekster;


· bepaalt het bedrag van de bij artikel 9 van beschikking 94/815 aan verzoekster opgelegde geldboete op 7 055 000 euro;

· verwerpt het beroep voor het overige;


· verstaat dat verzoekster haar eigen kosten zal dragen alsmede een derde van de kosten van de Commissie;


· verstaat dat de Commissie twee derde van haar eigen kosten zal dragen.

9) In zaak T-36/95, Syndicat national de l'industrie cimentière (SFIC)/Commissie:


· verklaart artikel 1 van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk na 31 december 1988 in aanmerking wordt genomen;

· verklaart artikel 2, lid 1, van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin wordt vastgesteld, dat tijdens de vergaderingen van het uitvoerend comité van Cembureau · Association européenne du ciment overeenkomsten tot uitwisseling van informatie over de prijzen tot stand zijn gekomen, en voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk na 19 maart 1984 in aanmerking wordt genomen;


· verklaart artikel 2, lid 2, van beschikking 94/815 nietig ten aanzien van verzoekster, voor zover daarin wordt vastgesteld, dat de periodieke uitwisseling van informatie tussen Cembureau · Association européenne du ciment en haar leden, wat de Belgische en de Nederlandse prijzen betreft, betrekking had op de minimumprijzen voor cementleveringen per vrachtwagen van de producenten uit die twee landen en, wat Luxemburg betreft, op de prijzen, kortingen inbegrepen, van de producent uit dat land;


· verklaart artikel 3, lid 3, sub a, van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan een overeenkomst tot verdeling van de markt van Saarland, aan een onderling afgestemde feitelijke gedraging met Bundesverband der Deutschen Zementindustrie eV vóór 1984 en aan een onderling afgestemde feitelijke gedraging om druk uit te oefenen op Cedest SA in aanmerking wordt genomen, en voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag na 12 augustus 1987 wordt vastgesteld;

· verklaart artikel 3, lid 3, sub b, van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een onderling afgestemde feitelijke gedraging van verzoekster met Bundesverband der Deutschen Zementindustrie eV, met als oogmerk controle op de bestemming per deelstaat van de Franse uitvoer naar Duitsland, en een deelneming van verzoekster aan een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag na 12 augustus 1987 worden vastgesteld;


· verklaart artikel 4, lid 1, van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk na 31 mei 1987 in aanmerking wordt genomen;

· verklaart artikel 4, lid 2, van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk na 7 november 1988 in aanmerking wordt genomen;

· verklaart artikel 5 van beschikking 94/815 nietig ten aanzien van verzoekster;


· verklaart artikel 9 van beschikking 94/815 nietig ten aanzien van verzoekster;


· verwerpt het beroep voor het overige;


· verstaat dat elk der partijen haar eigen kosten zal dragen.
10) In zaak T-37/95, Vicat/Commissie:


· verklaart artikel 1 van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk vóór 11 mei 1983 en na 23 april 1986 in aanmerking wordt genomen;

· verklaart artikel 3, lid 1, sub c, van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk na 23 april 1986 in aanmerking wordt genomen;

· bepaalt het bedrag van de bij artikel 9 van beschikking 94/815 aan verzoekster opgelegde geldboete op 2 407 000 euro;

· verwerpt het beroep voor het overige;


· verstaat dat verzoekster haar eigen kosten zal dragen alsmede een derde van de kosten van de Commissie;


· verstaat dat de Commissie twee derde van haar eigen kosten zal dragen.

11) In zaak T-38/95, Groupe Origny/Commissie:


· verklaart de artikelen 1, 3, lid 3, sub a, en 9 van beschikking 94/815 nietig ten aanzien van verzoekster;


· verwijst de Commissie in de kosten.

12) In zaak T-39/95, Ciments français/Commissie:


· verklaart artikel 1 van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk na 17 februari 1989 in aanmerking wordt genomen en voor zover daarin wordt vastgesteld dat verzoekster de overeenkomst Cembureau · Association européenne du ciment heeft uitgevoerd door deel te nemen aan de in artikel 3, lid 1, sub b, bedoelde inbreuk;

· verklaart artikel 3, lid 3, sub a, van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan een overeenkomst tot verdeling van de markt van Saarland in aanmerking wordt genomen, en voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag na 12 augustus 1987 wordt vastgesteld;


· verklaart artikel 4, lid 1, van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk na 31 mei 1987 in aanmerking wordt genomen;

· verklaart artikel 4, lid 2, van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk na 7 november 1988 in aanmerking wordt genomen;

· verklaart artikel 4, lid 3, sub a, van beschikking 94/815 nietig ten aanzien van verzoekster;


· verklaart artikel 6 van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk vóór 18 november 1983 in aanmerking wordt genomen;

· bepaalt het bedrag van de bij artikel 9 van beschikking 94/815 aan verzoekster opgelegde geldboete op 12 519 000 euro;

· bepaalt het bedrag van de bij artikel 10 van beschikking 94/815 aan verzoekster opgelegde geldboete op 1 051 000 euro;

· verwerpt het beroep voor het overige;


· verstaat dat verzoekster haar eigen kosten zal dragen alsmede een derde van de kosten van de Commissie;


· verstaat dat de Commissie twee derde van haar eigen kosten zal dragen.

13) In zaak T-42/95, Heidelberger Zement/Commissie:


· verklaart artikel 1 van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk na 12 augustus 1987 in aanmerking wordt genomen;

· verklaart artikel 3, lid 3, sub a, van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan een overeenkomst tot verdeling van de markt van Saarland in aanmerking wordt genomen, en voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag vóór 17 november 1982 en na 12 augustus 1987 wordt vastgesteld;


· verklaart artikel 4, lid 1, van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk na 31 mei 1987 in aanmerking wordt genomen;

· verklaart artikel 4, leden 2 en 3, sub a, van beschikking 94/815 nietig ten aanzien van verzoekster;


· bepaalt het bedrag van de bij artikel 9 van beschikking 94/815 aan verzoekster opgelegde geldboete op 7 056 000 euro;

· verwerpt het beroep voor het overige;


· verstaat dat verzoekster haar eigen kosten zal dragen alsmede een derde van de kosten van de Commissie;


· verstaat dat de Commissie twee derde van haar eigen kosten zal dragen.

14) In zaak T-43/95, Lafarge Coppée/Commissie:


· verklaart artikel 1 van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk na 19 mei 1989 in aanmerking wordt genomen;


· verklaart artikel 3, lid 1, sub a, van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster, met Fratelli Buzzi SpA, aan een onderling afgestemde feitelijke gedraging inzake de beperking van hun handelingsvrijheid ten aanzien van de productiebronnen wordt vastgesteld;


· verklaart artikel 3, lid 3, sub a, van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan een overeenkomst tot verdeling van de markt van Saarland in aanmerking wordt genomen, en voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag na 12 augustus 1987 wordt vastgesteld;


· verklaart artikel 4, lid 1, van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk na 31 mei 1987 in aanmerking wordt genomen;

· verklaart artikel 4, lid 2, van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk na 7 november 1988 in aanmerking wordt genomen;

· verklaart artikel 4, lid 4, sub e en f, van beschikking 94/815 nietig ten aanzien van verzoekster;


· verklaart artikel 6 van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk vóór 18 november 1983 in aanmerking wordt genomen;

· bepaalt het bedrag van de bij artikel 9 van beschikking 94/815 aan verzoekster opgelegde geldboete op 14 248 000 euro;

· verwerpt het beroep voor het overige;


· verstaat dat verzoekster haar eigen kosten zal dragen alsmede een derde van de kosten van de Commissie;


· verstaat dat de Commissie twee derde van haar eigen kosten zal dragen.

15) In zaak T-44/95, Aalborg Portland/Commissie:


· verklaart artikel 1 van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk na 31 december 1988 in aanmerking wordt genomen;

· verklaart artikel 2, lid 1, van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin wordt vastgesteld, dat tijdens de vergaderingen van het uitvoerend comité van Cembureau · Association européenne du ciment overeenkomsten tot uitwisseling van informatie over de prijzen tot stand zijn gekomen, en voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk na 19 maart 1984 in aanmerking wordt genomen;


· verklaart artikel 2, lid 2, van beschikking 94/815 nietig ten aanzien van verzoekster, voor zover daarin wordt vastgesteld, dat de periodieke uitwisseling van informatie tussen Cembureau · Association européenne du ciment en haar leden, wat de Belgische en de Nederlandse prijzen betreft, betrekking had op de minimumprijzen voor cementleveringen per vrachtwagen van de producenten uit die twee landen en, wat Luxemburg betreft, op de prijzen, kortingen inbegrepen, van de producent uit dat land;


· verklaart artikel 4, lid 1, van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk vóór 9 september 1986 en na 31 mei 1987 in aanmerking wordt genomen;


· verklaart artikel 4, lid 3, sub a, van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk vóór 9 september 1986 in aanmerking wordt genomen;

· verklaart artikel 5 van beschikking 94/815 nietig ten aanzien van verzoekster;


· bepaalt het bedrag van de bij artikel 9 van beschikking 94/815 aan verzoekster opgelegde geldboete op 2 349 000 euro;

· verwerpt het beroep voor het overige;


· verstaat dat verzoekster haar eigen kosten zal dragen alsmede een derde van de kosten van de Commissie;


· verstaat dat de Commissie twee derde van haar eigen kosten zal dragen.

16) In zaak T-45/95, Alsen/Commissie:


· verklaart de artikelen 1, 5 en 9 van beschikking 94/815 nietig ten aanzien van verzoekster;


· verwijst de Commissie in de kosten.

17) In zaak T-46/95, Alsen/Commissie:


· verklaart de artikelen 1, 5 en 9 van beschikking 94/815 nietig ten aanzien van verzoekster;


· verwijst de Commissie in de kosten.

18) In zaak T-48/95, Bundesverband der Deutschen Zementindustrie/Commissie:


· verklaart artikel 1 van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk na 31 december 1988 in aanmerking wordt genomen;

· verklaart artikel 2, lid 1, van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin wordt vastgesteld, dat tijdens de vergaderingen van het uitvoerend comité van Cembureau · Association européenne du ciment overeenkomsten tot uitwisseling van informatie over de prijzen tot stand zijn gekomen, en voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk na 19 maart 1984 in aanmerking wordt genomen;


· verklaart artikel 2, lid 2, van beschikking 94/815 nietig ten aanzien van verzoekster, voor zover daarin wordt vastgesteld, dat de periodieke uitwisseling van informatie tussen Cembureau · Association européenne du ciment en haar leden, wat de Belgische en de Nederlandse prijzen betreft, betrekking had op de minimumprijzen voor cementleveringen per vrachtwagen van de producenten uit die twee landen en, wat Luxemburg betreft, op de prijzen, kortingen inbegrepen, van de producent uit dat land;


· verklaart artikel 3, lid 3, sub a, van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan een overeenkomst tot verdeling van de markt van Saarland en aan een onderling afgestemde feitelijke gedraging met Syndicat national de l'industrie cimentière (SFIC) vóór 1984 in aanmerking wordt genomen, en voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag na 12 augustus 1987 wordt vastgesteld;

· verklaart artikel 3, lid 3, sub b, van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een tussen verzoekster en Syndicat national de l'industrie cimentière (SFIC) afgestemde feitelijke gedraging, met als oogmerk controle op de bestemming per deelstaat van de Franse uitvoer naar Duitsland, en een deelneming van verzoekster aan een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag na 12 augustus 1987 worden vastgesteld;


· verklaart artikel 4, lid 1, van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk vóór 9 juni 1986 en na 31 mei 1987 in aanmerking wordt genomen;


· verklaart artikel 4, lid 2, van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk na 7 november 1988 in aanmerking wordt genomen;

· verklaart artikel 4, lid 3, sub a, van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk vóór 9 september 1986 in aanmerking wordt genomen;

· verklaart artikel 9 van beschikking 94/815 nietig ten aanzien van verzoekster;


· verwerpt het beroep voor het overige;


· verstaat dat elk der partijen haar eigen kosten zal dragen.
19) In zaak T-50/95, Unicem/Commissie:


· verklaart artikel 1 van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk vóór 9 september 1986 en na 3 april 1992 in aanmerking wordt genomen;

· verklaart artikel 2, lid 1, van beschikking 94/815 nietig ten aanzien van verzoekster;


· verklaart artikel 2, lid 2, van beschikking 94/815 nietig ten aanzien van verzoekster, voor zover daarin wordt vastgesteld, dat de periodieke uitwisseling van informatie tussen Cembureau · Association européenne du ciment en haar leden, wat de Belgische en de Nederlandse prijzen betreft, betrekking had op de minimumprijzen voor cementleveringen per vrachtwagen van de producenten uit die twee landen en, wat Luxemburg betreft, op de prijzen, kortingen inbegrepen, van de producent uit dat land, en voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk vóór 9 september 1986 in aanmerking wordt genomen;


· verklaart artikel 4, lid 1, van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk vóór 9 september 1986 en na 31 mei 1987 in aanmerking wordt genomen;


· verklaart artikel 4, lid 2, van beschikking 94/815 nietig ten aanzien van verzoekster;


· verklaart artikel 4, lid 3, sub a, van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk vóór 9 september 1986 in aanmerking wordt genomen;

· verklaart artikel 5 van beschikking 94/815 nietig ten aanzien van verzoekster;


· bepaalt het bedrag van de bij artikel 9 van beschikking 94/815 aan verzoekster opgelegde geldboete op 6 399 000 euro;

· verwerpt het beroep voor het overige;


· verstaat dat verzoekster haar eigen kosten zal dragen alsmede een derde van de kosten van de Commissie;


· verstaat dat de Commissie twee derde van haar eigen kosten zal dragen.

20) In zaak T-51/95, Fratelli Buzzi/Commissie:


· verklaart artikel 1 van beschikking 94/815 nietig ten aanzien van verzoekster;


· verklaart artikel 3, lid 1, sub a, van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster, met Lafarge Coppée SA, aan een onderling afgestemde feitelijke gedraging inzake de beperking van hun handelingsvrijheid ten aanzien van de productiebronnen wordt vastgesteld;


· verklaart artikel 3, lid 1, sub c, van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk na 23 april 1986 in aanmerking wordt genomen;

· verklaart artikel 9 van beschikking 94/815 nietig ten aanzien van verzoekster;


· verwerpt het beroep voor het overige;


· verstaat dat verzoekster een derde van haar eigen kosten zal dragen;


· verstaat dat de Commissie haar eigen kosten zal dragen alsmede twee derde van de kosten van verzoekster.

21) In zaak T-52/95, Compañia Valenciana de Cementos Portland/Commissie:


· verklaart artikel 1 van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk na 13 mei 1987 in aanmerking wordt genomen;


· verklaart artikel 6 van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk na 13 mei 1987 in aanmerking wordt genomen;


· bepaalt het bedrag van de bij artikel 9 van beschikking 94/815 aan verzoekster opgelegde geldboete op 250 000 euro;

· bepaalt het bedrag van de bij artikel 10 van beschikking 94/815 aan verzoekster opgelegde geldboete op 388 000 euro;

· verwerpt het beroep voor het overige;


· verstaat dat verzoekster haar eigen kosten zal dragen alsmede een derde van de kosten van de Commissie;


· verstaat dat de Commissie twee derde van haar eigen kosten zal dragen.

22) In zaak T-53/95, The Rugby Group/Commissie:


· verklaart de artikelen 1, 4, lid 4, sub a, en 9 van beschikking 94/815 nietig ten aanzien van verzoekster;


· verwijst de Commissie in de kosten.

23) In zaak T-54/95, British Cement Association/Commissie:


· verklaart artikel 1 van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk na 31 december 1988 in aanmerking wordt genomen;

· verklaart artikel 2, lid 1, van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin wordt vastgesteld, dat tijdens de vergaderingen van het uitvoerend comité van Cembureau · Association européenne du ciment overeenkomsten tot uitwisseling van informatie over de prijzen tot stand zijn gekomen, en voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk na 19 maart 1984 in aanmerking wordt genomen;


· verklaart artikel 2, lid 2, van beschikking 94/815 nietig ten aanzien van verzoekster, voor zover daarin wordt vastgesteld, dat de periodieke uitwisseling van informatie tussen Cembureau · Association européenne du ciment en haar leden, wat de Belgische en de Nederlandse prijzen betreft, betrekking had op de minimumprijzen voor cementleveringen per vrachtwagen van de producenten uit die twee landen en, wat Luxemburg betreft, op de prijzen, kortingen inbegrepen, van de producent uit dat land;


· verklaart artikel 9 van beschikking 94/815 nietig ten aanzien van verzoekster;


· verwerpt het beroep voor het overige;


· verstaat dat verzoekster haar eigen kosten zal dragen alsmede een vierde van de kosten van de Commissie;


· verstaat dat de Commissie drie vierde van haar eigen kosten zal dragen.

24) In zaak T-55/95, Asland/Commissie:


· verklaart artikel 1 van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk vóór 28 mei 1986 en na 31 mei 1987 in aanmerking wordt genomen;

· verklaart artikel 4, lid 1, van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk na 31 mei 1987 in aanmerking wordt genomen;

· verklaart artikel 4, leden 2 en 3, sub a, van beschikking 94/815 nietig ten aanzien van verzoekster;


· bepaalt het bedrag van de bij artikel 9 van beschikking 94/815 aan verzoekster opgelegde geldboete op 740 000 euro;

· verwerpt het beroep voor het overige;


· verstaat dat verzoekster haar eigen kosten zal dragen alsmede een vierde van de kosten van de Commissie;


· verstaat dat de Commissie drie vierde van haar eigen kosten zal dragen.

25) In zaak T-56/95, Castle Cement/Commissie:


· verklaart de artikelen 1, 4, lid 4, sub a, 5 en 9 van beschikking 94/815 nietig ten aanzien van verzoekster;


· verwijst de Commissie in de kosten.

26) In zaak T-57/95, Heracles General Cement Company/Commissie:


· verklaart de artikelen 1, 4, lid 4, sub d, f en g, 6 en 9 van beschikking 94/815 nietig ten aanzien van verzoekster;

· verwijst de Commissie in de kosten.

27) In zaak T-58/95, Corporación Uniland/Commissie:


· verklaart artikel 1 van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk vóór 9 september 1986 en na 7 november 1988 in aanmerking wordt genomen;


· verklaart artikel 4, lid 1, van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk vóór 9 september 1986 en na 31 mei 1987 in aanmerking wordt genomen;


· verklaart artikel 4, lid 2, van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk vóór 9 september 1986 en na 7 november 1988 in aanmerking wordt genomen;


· verklaart artikel 4, lid 3, sub a, van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk vóór 9 september 1986 in aanmerking wordt genomen;

· bepaalt het bedrag van de bij artikel 9 van beschikking 94/815 aan verzoekster opgelegde geldboete op 592 000 euro;

· verwerpt het beroep voor het overige;


· verstaat dat verzoekster haar eigen kosten zal dragen alsmede een derde van de kosten van de Commissie;


· verstaat dat de Commissie twee derde van haar eigen kosten zal dragen.

28) In zaak T-59/95, Agrupación de Fabricantes de Cemento de España (Oficemen)/Commissie:


· verklaart artikel 1 van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk na 24 april 1989 in aanmerking wordt genomen;


· verklaart artikel 2, lid 1, van beschikking 94/815 nietig ten aanzien van verzoekster;


· verklaart artikel 2, lid 2, van beschikking 94/815 nietig ten aanzien van verzoekster, voor zover daarin wordt vastgesteld, dat de periodieke uitwisseling van informatie tussen Cembureau · Association européenne du ciment en haar leden, wat de Belgische en de Nederlandse prijzen betreft, betrekking had op de minimumprijzen voor cementleveringen per vrachtwagen van de producenten uit die twee landen en, wat Luxemburg betreft, op de prijzen, kortingen inbegrepen, van de producent uit dat land;


· verklaart artikel 4, lid 1, van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk vóór 9 juni 1986 en na 31 mei 1987 in aanmerking wordt genomen;


· verklaart artikel 4, lid 2, van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk na 7 november 1988 in aanmerking wordt genomen;

· verklaart artikel 4, lid 3, sub a, van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk vóór 9 september 1986 in aanmerking wordt genomen;

· verklaart artikel 5 van beschikking 94/815 nietig ten aanzien van verzoekster;


· verklaart artikel 9 van beschikking 94/815 nietig ten aanzien van verzoekster;


· verwerpt het beroep voor het overige;


· verstaat dat elk der partijen haar eigen kosten zal dragen.
29) In zaak T-60/95, Irish Cement/Commissie:


· verklaart artikel 1 van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk na 31 december 1988 in aanmerking wordt genomen;

· verklaart artikel 2, lid 1, van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin wordt vastgesteld, dat tijdens de vergaderingen van het uitvoerend comité van Cembureau · Association européenne du ciment overeenkomsten tot uitwisseling van informatie over de prijzen tot stand zijn gekomen, en voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk na 19 maart 1984 in aanmerking wordt genomen;


· verklaart artikel 2, lid 2, van beschikking 94/815 nietig ten aanzien van verzoekster, voor zover daarin wordt vastgesteld, dat de periodieke uitwisseling van informatie tussen Cembureau · Association européenne du ciment en haar leden, wat de Belgische en de Nederlandse prijzen betreft, betrekking had op de minimumprijzen voor cementleveringen per vrachtwagen van de producenten uit die twee landen en, wat Luxemburg betreft, op de prijzen, kortingen inbegrepen, van de producent uit dat land;


· verklaart artikel 4, lid 1, van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk vóór 9 september 1986 en na 31 mei 1987 in aanmerking wordt genomen;


· verklaart artikel 4, lid 3, sub a, van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk vóór 9 september 1986 in aanmerking wordt genomen;

· verklaart artikel 5 van beschikking 94/815 nietig ten aanzien van verzoekster;


· bepaalt het bedrag van de bij artikel 9 van beschikking 94/815 aan verzoekster opgelegde geldboete op 2 065 000 euro;

· verwerpt het beroep voor het overige;


· verstaat dat verzoekster haar eigen kosten zal dragen alsmede een derde van de kosten van de Commissie;


· verstaat dat de Commissie twee derde van haar eigen kosten zal dragen.

30) In zaak T-61/95, Cimpor · Cimentos de Portugal/Commissie:


· verklaart artikel 1 van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk na 24 april 1989 in aanmerking wordt genomen;


· bepaalt het bedrag van de bij artikel 9 van beschikking 94/815 aan verzoekster opgelegde geldboete op 4 312 000 euro;

· verwerpt het beroep voor het overige;


· verstaat dat verzoekster haar eigen kosten zal dragen alsmede een derde van de kosten van de Commissie;


· verstaat dat de Commissie twee derde van haar eigen kosten zal dragen.

31) In zaak T-62/95, Secil · Companhia Geral de Cal e Cimento/Commissie:


· verklaart artikel 1 van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk na 24 april 1989 in aanmerking wordt genomen;


· bepaalt het bedrag van de bij artikel 9 van beschikking 94/815 aan verzoekster opgelegde geldboete op 1 395 000 euro;

· verwerpt het beroep voor het overige;


· verstaat dat verzoekster haar eigen kosten zal dragen alsmede een derde van de kosten van de Commissie;


· verstaat dat de Commissie twee derde van haar eigen kosten zal dragen.

32) In zaak T-63/95, Associação Técnica da Indústria de Cimento (ATIC)/Commissie:


· verklaart artikel 1 van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk na 31 december 1988 in aanmerking wordt genomen;

· verklaart artikel 2, lid 1, van beschikking 94/815 nietig ten aanzien van verzoekster;


· verklaart artikel 2, lid 2, van beschikking 94/815 nietig ten aanzien van verzoekster, voor zover daarin wordt vastgesteld, dat de periodieke uitwisseling van informatie tussen Cembureau · Association européenne du ciment en haar leden, wat de Belgische en de Nederlandse prijzen betreft, betrekking had op de minimumprijzen voor cementleveringen per vrachtwagen van de producenten uit die twee landen en, wat Luxemburg betreft, op de prijzen, kortingen inbegrepen, van de producent uit dat land;


· verklaart artikel 5 van beschikking 94/815 nietig ten aanzien van verzoekster;


· verklaart artikel 9 van beschikking 94/815 nietig ten aanzien van verzoekster;


· verwerpt het beroep voor het overige;


· verstaat dat elk der partijen haar eigen kosten zal dragen.
33) In zaak T-64/95, Titan Cement Company/Commissie:


· verklaart de artikelen 1, 4, lid 4, sub b, c, e, g en h, 6 en 9 van beschikking 94/815 nietig ten aanzien van verzoekster;

· verwijst de Commissie in de kosten.

34) In zaak T-65/95, Italcementi · Fabbriche Riunite Cemento/Commissie:


· verklaart artikel 1 van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk vóór 19 maart 1984 en na 3 april 1992 in aanmerking wordt genomen;

· verklaart artikel 2, lid 1, van beschikking 94/815 nietig ten aanzien van verzoekster, voor zover daarin wordt vastgesteld, dat tijdens de vergaderingen van het uitvoerend comité van Cembureau · Association européenne du ciment overeenkomsten tot uitwisseling van informatie over de prijzen tot stand zijn gekomen, en voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk vóór 19 maart 1984 en na die datum in aanmerking wordt genomen;

· verklaart artikel 2, lid 2, van beschikking 94/815 nietig ten aanzien van verzoekster, voor zover daarin wordt vastgesteld, dat de periodieke uitwisseling van informatie tussen Cembureau · Association européenne du ciment en haar leden, wat de Belgische en de Nederlandse prijzen betreft, betrekking had op de minimumprijzen voor cementleveringen per vrachtwagen van de producenten uit die twee landen en, wat Luxemburg betreft, op de prijzen, kortingen inbegrepen, van de producent uit dat land, en voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk vóór 19 maart 1984 in aanmerking wordt genomen;


· verklaart artikel 4, lid 1, van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk na 31 mei 1987 in aanmerking wordt genomen;

· verklaart artikel 4, lid 2, van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk na 7 november 1988 in aanmerking wordt genomen;

· verklaart artikel 5 van beschikking 94/815 nietig ten aanzien van verzoekster;


· bepaalt het bedrag van de bij artikel 9 van beschikking 94/815 aan verzoekster opgelegde geldboete op 25 701 000 euro;

· verwerpt het beroep voor het overige;


· verstaat dat verzoekster haar eigen kosten zal dragen alsmede een derde van de kosten van de Commissie;


· verstaat dat de Commissie twee derde van haar eigen kosten zal dragen.

35) In zaak T-68/95, Holderbank Financière Glarus/Commissie:


· verklaart artikel 1 van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk na 7 november 1988 in aanmerking wordt genomen;

· verklaart artikel 4, lid 1, van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk na 31 mei 1987 in aanmerking wordt genomen;

· verklaart artikel 4, lid 2, van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk na 7 november 1988 in aanmerking wordt genomen;

· verklaart artikel 4, lid 4, sub c en d, van beschikking 94/815 nietig ten aanzien van verzoekster;


· bepaalt het bedrag van de bij artikel 9 van beschikking 94/815 aan verzoekster opgelegde geldboete op 1 918 000 euro;

· verwerpt het beroep voor het overige;


· verstaat dat verzoekster haar eigen kosten zal dragen alsmede een derde van de kosten van de Commissie;


· verstaat dat de Commissie twee derde van haar eigen kosten zal dragen.

36) In zaak T-69/95, Hornos Ibéricos Alba (Hisalba)/Commissie:


· verklaart artikel 1 van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk na 19 mei 1989 in aanmerking wordt genomen;


· bepaalt het bedrag van de bij artikel 9 van beschikking 94/815 aan verzoekster opgelegde geldboete op 836 000 euro;

· verwerpt het beroep voor het overige;


· verstaat dat verzoekster haar eigen kosten zal dragen alsmede een derde van de kosten van de Commissie;


· verstaat dat de Commissie twee derde van haar eigen kosten zal dragen.

37) In zaak T-70/95, Aker RGI ASA/Commissie:


· verklaart artikel 1 van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk na 7 november 1988 in aanmerking wordt genomen;

· verklaart artikel 4, lid 1, van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk vóór 9 juni 1986 en na 31 mei 1987 in aanmerking wordt genomen;


· verklaart artikel 4, lid 2, van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk na 7 november 1988 in aanmerking wordt genomen;

· verklaart artikel 4, lid 3, sub a, van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk vóór 9 september 1986 in aanmerking wordt genomen;

· verklaart artikel 4, lid 4, sub h, van beschikking 94/815 nietig ten aanzien van verzoekster;


· bepaalt het bedrag van de bij artikel 9 van beschikking 94/815 aan verzoekster opgelegde geldboete op 14 000 euro;

· verwerpt het beroep voor het overige;


· verstaat dat verzoekster haar eigen kosten zal dragen alsmede een derde van de kosten van de Commissie;


· verstaat dat de Commissie twee derde van haar eigen kosten zal dragen.

38) In zaak T-71/95, Scancem (publ)/Commissie:


· verklaart artikel 1 van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk na 7 november 1988 in aanmerking wordt genomen;

· verklaart artikel 4, lid 1, van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk vóór 9 juni 1986 en na 31 mei 1987 in aanmerking wordt genomen;


· verklaart artikel 4, lid 2, van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk na 7 november 1988 in aanmerking wordt genomen;

· verklaart artikel 4, lid 3, sub a, van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk vóór 9 september 1986 in aanmerking wordt genomen;

· verklaart artikel 4, lid 4, sub h, van beschikking 94/815 nietig ten aanzien van verzoekster;


· bepaalt het bedrag van de bij artikel 9 van beschikking 94/815 aan verzoekster opgelegde geldboete op 14 000 euro;

· verwerpt het beroep voor het overige;


· verstaat dat verzoekster haar eigen kosten zal dragen alsmede een derde van de kosten van de Commissie;


· verstaat dat de Commissie twee derde van haar eigen kosten zal dragen.

39) In zaak T-87/95, Cementir · Cementerie del Tirreno/Commissie:


· verklaart artikel 1 van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk na 3 april 1992 in aanmerking wordt genomen;


· verklaart artikel 2, lid 1, van beschikking 94/815 nietig ten aanzien van verzoekster, voor zover daarin wordt vastgesteld, dat tijdens de vergaderingen van het uitvoerend comité van Cembureau · Association européenne du ciment overeenkomsten tot uitwisseling van informatie over de prijzen tot stand zijn gekomen, en voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk na 14 januari 1983 in aanmerking wordt genomen;

· verklaart artikel 2, lid 2, van beschikking 94/815 nietig ten aanzien van verzoekster, voor zover daarin wordt vastgesteld, dat de periodieke uitwisseling van informatie tussen Cembureau · Association européenne du ciment en haar leden, wat de Belgische en de Nederlandse prijzen betreft, betrekking had op de minimumprijzen voor cementleveringen per vrachtwagen van de producenten uit die twee landen en, wat Luxemburg betreft, op de prijzen, kortingen inbegrepen, van de producent uit dat land;


· verklaart artikel 4, leden 1 en 2, van beschikking 94/815 nietig ten aanzien van verzoekster;


· verklaart artikel 4, lid 3, sub a, van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk vóór 9 september 1986 in aanmerking wordt genomen;

· verklaart artikel 5 van beschikking 94/815 nietig ten aanzien van verzoekster;


· bepaalt het bedrag van de bij artikel 9 van beschikking 94/815 aan verzoekster opgelegde geldboete op 7 471 000 euro;

· verwerpt het beroep voor het overige;


· verstaat dat verzoekster haar eigen kosten zal dragen alsmede een derde van de kosten van de Commissie;


· verstaat dat de Commissie twee derde van haar eigen kosten zal dragen.

40) In zaak T-88/95, Blue Circle Industries/Commissie:


· verklaart artikel 1 van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk vóór 18 november 1983 en na 7 november 1988 in aanmerking wordt genomen;


· verklaart artikel 4, lid 1, van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk na 31 mei 1987 in aanmerking wordt genomen;

· verklaart artikel 4, lid 2, van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk na 7 november 1988 in aanmerking wordt genomen;

· verklaart artikel 4, lid 4, sub a en b, van beschikking 94/815 nietig ten aanzien van verzoekster;


· verklaart artikel 6 van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk vóór 18 november 1983 in aanmerking wordt genomen;

· bepaalt het bedrag van de bij artikel 9 van beschikking 94/815 aan verzoekster opgelegde geldboete op 7 717 000 euro;

· verwerpt het beroep voor het overige;


· verstaat dat verzoekster haar eigen kosten zal dragen alsmede een derde van de kosten van de Commissie;


· verstaat dat de Commissie twee derde van haar eigen kosten zal dragen.

41) In zaak T-103/95, Enosi Tsimentoviomichanion Ellados/Commissie:


· verklaart artikel 1 van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk na 31 december 1988 in aanmerking wordt genomen;

· verklaart artikel 2, lid 1, van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin wordt vastgesteld, dat tijdens de vergaderingen van het uitvoerend comité van Cembureau · Association européenne du ciment overeenkomsten tot uitwisseling van informatie over de prijzen tot stand zijn gekomen, en voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk na 19 maart 1984 in aanmerking wordt genomen;


· verklaart artikel 2, lid 2, van beschikking 94/815 nietig ten aanzien van verzoekster, voor zover daarin wordt vastgesteld, dat de periodieke uitwisseling van informatie tussen Cembureau · Association européenne du ciment en haar leden, wat de Belgische en de Nederlandse prijzen betreft, betrekking had op de minimumprijzen voor cementleveringen per vrachtwagen van de producenten uit die twee landen en, wat Luxemburg betreft, op de prijzen, kortingen inbegrepen, van de producent uit dat land;


· verklaart artikel 5 van beschikking 94/815 nietig ten aanzien van verzoekster;


· verklaart artikel 9 van beschikking 94/815 nietig ten aanzien van verzoekster;


· verwerpt het beroep voor het overige;


· verstaat dat elk der partijen haar eigen kosten zal dragen.
42) In zaak T-104/95, Tsimenta Chalkidos/Commissie:


· verklaart artikel 1 van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk vóór 18 november 1983 en na 1 september 1986 in aanmerking wordt genomen;


· verklaart artikel 6 van beschikking 94/815 nietig, voor zover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk vóór 18 november 1983 en na 1 september 1986 in aanmerking wordt genomen;


· bepaalt het bedrag van de bij artikel 9 van beschikking 94/815 aan verzoekster opgelegde geldboete op 510 000 euro;

· verwerpt het beroep voor het overige;


· verstaat dat verzoekster haar eigen kosten zal dragen alsmede de helft van de kosten van de Commissie;


· verstaat dat de Commissie de helft van haar eigen kosten zal dragen."



Zaak T-72/98

Astilleros Zamacona SA/Commissie van de Europese Gemeenschappen

Steunmaatregelen van de Staten

16 maart 2000

"Steunmaatregelen van de staten · Scheepsbouw · Artikel 4, lid 3, van richtlijn 90/684/EEG van de Raad · Vaststelling van bovengrens voor productiesteun"

(Tweede kamer · uitgebreid)

(Nederlandse vertaling van het arrest nog niet beschikbaar)

Het Gerecht, rechtdoende:

"1) Verwerpt het beroep.

2) Verwijst verzoekster in de kosten."




2. CONCLUSIES

Zaak C-225/98

Commissie van de Europese Gemeenschappen/Franse Republiek

Niet-nakoming · Niet-inachtneming van de art. 12, 26 en 29 van richtlijn 75/305/EEG van de Raad van 26 juli 1971 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken, zoals gewijzigd bij richtlijn 89/440/EEG van de Raad van 18 juli 1989, en van de art. 8, 11, 22 en 30 van richtlijn 93/37/EEG van de Raad van 14 juni 1993 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken · Bouw en onderhoud van schoolgebouwen aanbesteed door de regio Nord-Pas de Calais en het département du Nord

Advocaat-generaal S. Alber heeft ter terechtzitting van het Hof van 14 maart 2000 conclusie genomen.

Hij heeft het Hof in overweging gegeven te beslissen als volgt:

"1) vast te stellen dat de Franse Republiek over een periode van drie jaar met betrekking tot de verschillende door de regio Nord-Pas de Calais en het département du Nord gevoerde procedures van plaatsing van overheidsopdrachten voor de bouw en het onderhoud van schoolgebouwen de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 59 EG-Verdrag (thans na wijziging artikel 49 EG), richtlijn 71/305/EEG, zoals gewijzigd bij richtlijn 89/440/EEG, inzonderheid de artikelen 12, 26 en 29 daarvan, en richtlijn 93/37/EEG, inzonderheid de artikelen 8, 11, 22 en 30 daarvan.

2) de Franse Republiek in de kosten te verwijzen"



Zaak C-91/99

Commissie van de Europese Gemeenschappen/Portugese Republiek

Niet-nakoming · Niet tijdige omzetting van richtlijn 96/43/EG van de Raad van 26 juni 1996 tot wijziging en codificering van richtlijn 85/73/EEG om de financiering van de keuringen en veterinaire controles van levende dieren en bepaalde dierlijke produkten te garanderen en tot wijziging van de richtlijnen 90/675/EEG en 91/496/EEG · Financiering van keuringen en veterinaire controles van vers vlees · Organisatie van veterinaire controles voor producten uit derde landen
· Organisatie van veterinaire controles van dieren uit derde landen
Advocaat-generaal J. Mischo heeft ter terechtzitting van de Eerste kamer van 14 maart 2000 conclusie genomen.

Hij heeft het Hof in overweging gegeven:

"1) vast te stellen dat de Portugese Republiek, door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan artikel 4, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 96/43/EG van de Raad van 26 juni 1996 tot wijziging en codificering van richtlijn 85/73/EEG om de financiering van de keuringen en veterinaire controles van levende dieren en bepaalde dierlijke producten te garanderen, en tot wijziging van de richtlijnen 90/675/EEG en 91/496/EEG, niet heeft voldaan aan de krachtens dit artikel op haar rustende verplichtingen;

2) het beroep voor het overige te verwerpen.

3) de Portugese Republiek in de kosten te verwijzen."



Zaak C-168/99

Commissie van de Europese Gemeenschappen/Koninkrijk Spanje

Niet-nakoming · Niet-omzetting binnen de voorgeschreven termijn van richtlijn 96/43/EG van de Raad van 26 juni 1996 tot wijziging en codificering van richtlijn 85/73/EEG om de financiering van de keuringen en veterinaire controles van levende dieren en bepaalde dierlijke producten te garanderen en tot wijziging van de richtlijnen 90/675/EEG en 91/496/EEG

Advocaat-generaal J. Mischo heeft ter terechtzitting van de Eerste kamer van 14 maart 2000 conclusie genomen.

Hij heeft het Hof in overweging gegeven:

"1) vast te stellen dat het Koninkrijk Spanje, door niet alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en ter kennis van de Commissie te brengen die nodig zijn om te voldoen aan artikel 4, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 96/43/EEG van de Raad van 26 juni 1996 tot wijziging en codificering van richtlijn 85/73/EEG om de financiering van de keuringen en veterinaire controles van levende dieren en bepaalde dierlijke producten te garanderen en tot wijziging van de richtlijnen 90/675/EEG en 91/496/EEG, de krachtens dit artikel op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;

2) het Koninkrijk Spanje in de kosten te verwijzen."



Zaak C-190/99

Commissie van de Europese Gemeenschappen/Ierland

Niet-nakoming · Niet-omzetting binnen de voorgeschreven termijn van richtlijn 96/43/EG van de Raad van 26 juni 1996 tot wijziging en codificering van richtlijn 85/73/EEG om de financiering van de keuringen en veterinaire controles van levende dieren en bepaalde dierlijke producten te garanderen en tot wijziging van de richtlijnen 90/675/EEG en 91/496/EEG

Advocaat-generaal J. Mischo heeft ter terechtzitting van de Eerste kamer van 14 maart 2000 conclusie genomen.

Hij heeft het Hof in overweging gegeven:

"1) vast te stellen dat Ierland, door niet binnen de gestelde termijn de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen om te voldoen aan artikel 4, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 96/43/EG van de Raad tot wijziging en codificering van richtlijn 85/73/EEG om de financiering van de keuringen en veterinaire controles van levende dieren en bepaalde dierlijke producten te garanderen en tot wijziging van de richtlijnen 90/675/EEG en 91/496/EEG, en/of door de Commissie daarvan niet op de hoogte te brengen, de krachtens dit artikel op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen;

2) het beroep voor het overige te verwerpen.

3) Ierland in de kosten te verwijzen."



Zaak C-322/98

B. Kachelmann/Bankhaus Hermann Lampe KG

Prejudiciële verwijzing van het Landesarbeitsgericht Hamburg · Uitlegging van art. 5, lid 1, van richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden · Nationale wetgeving inzake ontslag om bedrijfseconomische redenen op grond waarvan de sociale situatie van werknemers die moeten worden ontslagen niet kan worden vergeleken wanneer het gaat om werknemers in deeltijd en voltijds werkzame werknemers · Indirecte discriminatie wegens het feit dat deeltijdfuncties in meerderheid door vrouwen worden vervuld

Advocaat-generaal A. Saggio heeft ter terechtzitting van de Vijfde kamer van 14 maart 2000 conclusie genomen.

Hij heeft het Hof in overweging gegeven te antwoorden als volgt:

"De artikelen 2 en 5, lid 1, van richtlijn 76/207/EEG betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, moeten aldus worden uitgelegd, dat zij zich verzetten tegen een bepaling als § 1, lid 3, Kündigungsschutzgesetz (wet inzake de ontslagbescherming) volgens welke · overeenkomstig de uitlegging van de Duitse rechtspraak · in deeltijd en voltijds werkzame werknemers in het kader van de sociale selectie die de werkgever bij het opheffen van een deeltijdfunctie moet maken, niet vergelijkbaar zijn, mits in de productiesector waartoe de betrokken onderneming behoort, beduidend meer vrouwen dan mannen in deeltijd werkzaam zijn en die toepassing niet wordt gerechtvaardigd door objectieve criteria die met discriminatie op grond van geslacht niets van doen hebben."



Zaak C-15/99

Hans Sommer GmbH & Co. KG/Hauptzollamt Bremen

Prejudiciële verwijzing van het Finanzgericht Bremen · Uitlegging van art. 3, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1224/80 van de Raad van 28 mei 1980 inzake de douanewaarde van de goederen (PB L 134, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 3193/80 van de Raad van 8 december 1980 (PB L 333, blz. 1) · Kosten verband houdend met ingevolge nationale regeling na de invoer te verrichten onderzoeken · Uitlegging van art. 5, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide (PB L 197, blz. 1) · Gevolgen van een eerdere handelwijze van de autoriteiten voor de goede trouw van de belastingschuldige · Uitlegging van art. 13 van verordening (EEG) nr. 1430/79 van de Raad van 2 juli 1979 betreffende terugbetaling of kwijtschelding van in- of uitvoerrechten (PB L 175, blz. 1) · Begrip uitzonderlijke omstandigheden die grond opleveren voor kwijtschelding van rechten

Advocaat-generaal J. Mischo heeft ter terechtzitting van de Vijfde kamer van 14 maart 2000 conclusie genomen.

Hij heeft het Hof in overweging gegeven te antwoorden als volgt:

De eerste prejudiciële vraag:

"De transactiewaarde in de zin van artikel 3, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1224/80 van de Raad van 28 mei 1980 inzake de douanewaarde van de goederen, gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 3193/80 van de Raad van 8 december 1980, van in de jaren 1989 tot 1991 uit de USSR ingevoerde honing, omvat 'onkosten' resp. 'afwikkelingskosten', die de Duitse importeur de koper op grond van een afzonderlijke overeenkomst aanrekent, wanneer de importerende onderneming na de invoer het bewijs van de kwaliteit van het product moet leveren en daartoe overeenkomstig de Duitse regeling terzake monsters moet nemen en de resultaten van chemische analyses dient voor te leggen."

De tweede prejudiciële vraag:

"Beschikking C(95) 2325 van de Commissie van 28 september 1995 is ongeldig."

De derde prejudiciële vraag:

"De douaneautoriteiten moeten van navordering van de rechten afzien overeenkomstig artikel 5, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide, wanneer zij bij een controle ter plaatse betreffende importen in een vroegere periode, tegen het niet-meetellen van de forfaitaire onkosten in de douanewaarde bij gelijkaardige koopcontracten door dezelfde douaneïnstantie geen bezwaar hebben gemaakt, en niet duidelijk is dat de marktdeelnemer twijfels kon hebben over de juistheid van de resultaten van de controle."

De vierde prejudiciële vraag:

"De vierde prejudiciële vraag behoeft niet te worden beantwoord."



Zaak C-456/98

Centrosteel Srl/Adipol GmbH

Prejudiciële verwijzing van de Pretura circondariale di Brescia · Uitlegging van de art. 52-66 EG-Verdrag (hans art. 43-55 EG) · Nationale wet waarbij voor geldigheid van agentuurovereenkomsten vereiste van inschrijving van handelsagent in een daartoe bestemd register wordt gesteld

Advocaat-generaal F. G. Jacobs heeft ter terechtzitting van de Eerste kamer van 16 maart 2000 conclusie genomen.

Hij heeft het Hof de volgende beslissing in overweging gegeven:

"1) Richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake zelfstandige handelsagenten, verzet zich tegen een nationale wettelijke regeling die de geldigheid van een agentuurovereenkomst afhankelijk stelt van de inschrijving van de handelsagent in een daartoe bestemd register.

2) De nationale rechter die het nationale recht moet uitleggen, moet dit zoveel mogelijk in het licht van de bewoordingen en het doel van de richtlijn toepassen om het daarmee nagestreefde resultaat te bereiken."



Zaak C-108/96

D. MacQuen e.a.

Prejudiciële verwijzing van de Rechtbank van eerste aanleg van Brussel
· Uitlegging van de art. 5, 52 en 59 EG-Verdrag (thans art. 10, 43 en 49 EG) · Nationale wettelijke regeling die in andere lidstaten gevestigde opticiens het verrichten van bepaalde oogonderzoeken verbiedt · Uitlegging van art. 30 EG-Verdrag (thans art. 28 EG) · Nationale regeling die verkoop van apparaten beperkt waarmee bepaalde oogonderzoeken kunnen worden verricht die enkel door artsen mogen worden verricht

Advocaat-generaal J. Mischo heeft ter terechtzitting van de Vijfde kamer van 16 maart 2000 conclusie genomen.

Hij heeft het Hof in overweging gegeven te antwoorden als volgt:

"1) Artikel 52 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 43 EG) verzet zich niet tegen een wettelijke regeling van een lidstaat die gezien haar uitlegging of haar toepassing de in deze lidstaat gevestigde opticiens verbiedt, in het kader van de correctie van zuiver optische gebreken van het gezichtsvermogen objectieve onderzoeken van het gezichtsvermogen te verrichten, dat wil zeggen anders dan door gebruik te maken van een methode waarbij de klant zelf de optische gebreken waaraan hij lijdt, vaststelt en zelf de nodige correctie bepaalt.

2) Artikel 30 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 28 EG) moet aldus worden uitgelegd, dat het zich niet verzet tegen een wettelijke regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is."



Gevoegde zaken C-441/98 en C-442/98

Kapniki Michaïlidis AE/Idryma Koinonikon Asfalisseon (IKA)

Prejudiciële verwijzing van het Dioikitiko Protodikeio Thessalonikis · Uitlegging van art. 9, 12 (thans art. 23, 25 EG), 16 (ingetrokken) en 95 EG-Verdrag (thans art. 90 EG) · Heffingen van gelijke werking · Verplichte bijdrage ten laste van tabaksexporteurs ten gunste van een socialezekerheidsfonds · Heffing die alleen op uitgevoerde nationale producten drukt

Advocaat-generaal N. Fennelly heeft ter terechtzitting van de Vijfde kamer van 16 maart 2000 conclusie genomen.

Hij heeft het Hof in overweging gegeven te antwoorden als volgt:

"1) De door een lidstaat op de uitvoer van ruwe tabak naar andere lidstaten geïnde heffing is een heffing van gelijke werking als een uitvoerrecht, dat als zodanig onverenigbaar is met de artikelen 9 en 12 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikelen 23 en 25 EG), alsmede met artikel 16 EG-Verdrag (ingetrokken bij het Verdrag van Amsterdam), tenzij zij volgens objectieve criteria en het kader van een algemeen belastingstelsel wordt toegepast ter compensatie van een vergelijkbare nationale last die drukt op op de ruwe tabak en in dezelfde verkoopfase wordt toegepast met dezelfde belastinggrondslag, hetzelfde tarief en op basis van hetzelfde belastbare feit als de heffing op de uitvoer. Het feit dat de opbrengst van de heffing op de uitvoer wordt bestemd voor de financiering van de sociale zekerheid van de werknemers van de betrokken sector, kan geen wijziging brengen in haar kwalificatie als heffing van gelijke werking als een uitvoerrecht.

2) Een belastingplichtige die gedwongen werd een heffing van gelijke werking als een uitvoerrecht te betalen, kan met zijn vordering tot terugbetaling van de geïnde bedragen enkel niet slagen, indien de belastingadministratie in staat is aan te tonen, dat hij de heffing in haar geheel op derden heeft afgewenteld en daardoor geen nadeel of aanzienlijk financieel verlies heeft geleden in de vorm van een verminderde afzet of lagere winst."



Zaak C-458/98 P

Industrie des puodres sphériques/Raad van de Europese Unie

Hogere voorziening tegen arrest van Gerecht (Vijfde kamer · uitgebreid) van 15 oktober 1998 in zaak T-2/95 tussen Industrie des Poudres Sphériques en Raad · Verwerping van beroep tot nietigverklaring van verordening (EG) nr. 2557/94 van de Raad van 19 oktober 1994 tot instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van metallisch calcium van oorsprong uit de Volksrepubliek China en uit Rusland

Advocaat-generaal G. Cosmas heeft ter terechtzitting van de Vijfde kamer van 16 maart 2000 conclusie genomen.

Hij heeft het Hof in overweging gegeven:

"· de hogere voorziening van Industrie des poudres sphériques (IPS);


· de incidentele hogere voorziening van de Commissie af te wijzen;

· IPS zowel haar eigen kosten als die van de Raad te laten dragen;

· de Commissie in haar eigen kosten te verwijzen;

· de Chambre syndicale de l'électrométallurgie et de l'électrochimie alsmede Péchiney électrométallurgie in hun eigen kosten te verwijzen."



Zaak C-166/99

M. Defreyn/SABENA

Prejudiciële verwijzing van het Arbeidshof te Brussel · Uitlegging van protocol nr. 2 ad art. 119 EG-Verdrag (de art. 117-120 EG-Verdrag zijn vervangen door de art. 136 EG-143 EG) (Barber-protocol) · Werkingssfeer · Aanvullende vergoeding bij vervroegde uittreding voorzien in algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst · Uitlegging van art. 5 van richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden · Samenloop van "Barber-protocol" en art. 5 van richtlijn 76/207/EEG

Advocaat-generaal D. Ruiz-Jarabo Colomer heeft ter terechtzitting van de Vijfde kamer van 16 maart 2000 conclusie genomen.

Hij heeft het Hof in overweging gegeven te antwoorden als volgt:

"1) De aanvullende vergoeding bij vervroegde uittreding, die is voorzien in de bij koninklijk besluit van 16 januari 1975 algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17 en die is ingevoerd bij de collectieve arbeidsovereenkomst van 23 mei 1984, gesloten binnen het paritair subcomité nr. 315.1, is een uitkering die verschuldigd is uit hoofde van een ondernemings- of sectoriële regeling inzake sociale zekerheid waarop artikel 119 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap van toepassing is.

2) Aangezien de litigieuze aanvullende vergoeding is aan te merken als een beloning in de zin van artikel 119 van het Verdrag, behoeven de tweede en de derde prejudiciële vraag niet te worden beantwoord."



Zaak C-174/99 P

Europees Parlement/P. Richard

Hogere voorziening tegen arrest van het Gerecht (Vijfde kamer) van 9 maart 1999 in zaak T-273/97 tussen P. Richard en Parlement · Nietigverklaring van (i) de procedure van aanstelling in een ambt van afdelingshoofd (uitrusting en interne dienst) en (ii) het besluit tot afwijzing van verzoekers sollicitatie

Advocaat-generaal J. Mischo heeft ter terechtzitting van de Vijfde kamer van 16 maart 2000 conclusie genomen.

Hij heeft het Hof in overweging gegeven de hogere voorziening af te wijzen en het Europees Parlement in de kosten te veroordelen.



Zaak C-236/99

Commissie van de Europese Gemeenschappen/Koninkrijk België

Niet-nakoming · Richtlijn 91/271/EEG van de Raad van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater · Mededeling van een programma voor uitvoering van richtlijn dat daarmee niet in overeenstemming is wat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreft

Advocaat-generaal F. G. Jacobs heeft ter terechtzitting van de Zesde kamer van 16 maart 2000 conclusie genomen.

Hij heeft het Hof in overweging gegeven:

"1) vast te stellen dat het Koninkrijk België de ingevolge richtlijn 91/271/EEG op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen door de Commissie mededeling te doen van een programma voor de uitvoering van deze richtlijn, met name artikel 17 ervan, dat daarmee niet in overeenstemming is wat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreft; en

2) het Koninkrijk België te verwijzen in de kosten."




3. MEDEDELING

Nieuwe citeerwijze van de verdragsartikelen

Wij herhalen nogmaals ons bericht, dat in de weekoverzichten nrs. 21/99 en 22/99 een mededeling is opgenomen over de nieuwe citeerwijze van de verdragsartikelen in teksten van het Hof en van het Gerecht.



(1)


1: Dit overzicht, opgesteld door de Afdeling Pers en Voorlichting van het Hof van Justitie (L-2925 Luxemburg), heeft tot doel snelle informatie te verschaffen over de werkzaamheden van het Hof en het Gerecht. Alleen de tekst van de arresten en conclusies, die later wordt gepubliceerd in de "Jurisprudentie van het Hof van Justitie en het Gerecht van eerste aanleg", is echter officieel. De inhoud van dit weekoverzicht kan zonder toestemming, doch met vermelding van de bron, worden overgenomen.

Vertaald uit het Frans.

Kopij afgesloten op 20 maart 2000

Catalogusnummer: QD-AC-00-009-NL-C

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie