Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

CDA over Kaderverdrag bescherming nationale minderheden

Datum nieuwsfeit: 15-03-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
CDA

: Tweede Kamer : Kaderverdrag inzake bescherming van nationale minderheden(150300)

Kaderverdrag inzake bescherming van nationale minderheden(150300)

Betreft: Goedkeuring van het op 1 februari 1995 te Straatsburg tot stand gekomen Kaderverdrag inzake de bescherming van nationale minderheden (26389)

Inbreng:

Als de wereld een dorp aan het worden is, dan vormen de landen van de Raad van Europa daar een buurt in. En in deze buurt moeten minderheden tot hun recht kunnen komen. Dit Kaderverdrag beoogt dat te bevorderen. Toch houden wij onze gemengde gevoelens over de werking van dit verdrag in de praktijk. Hoewel de vragen van de CDA-fractie zijn beantwoord, blijft de indruk bestaan dat het verdrag voornamelijk een uiting is van goede bedoelingen. Hoewel tegen goede bedoelingen en het neerleggen van dergelijke intenties inzake minderheden in een apart verdrag eigenlijk geen bezwaar kan worden gemaakt, blijft vooral de vraag wat de werkelijke praktische betekenis van het verdrag is. Het CDA vindt dat aan meerwaarde gewerkt moet worden.

Er bestaat tussen landen geen eensgezindheid over de definitie van het begrip minderheden. Elk land bepaalt zelf op welke minderheden het verdrag van toepassing is en de omvang van de bescherming van het verdrag wordt eveneens door de landen zelf bepaald. Met de regering betreuren wij het dat sommige landen een meer restrictieve interpretatie hanteren dan andere en dat derhalve een hoger beschermingsniveau in internationaal verband niet mogelijk is gebleken. Wat zijn in dit verband de vooruitzichten op de wat langere termijn? Richt de inzet van de Nederlandse regering zich op een in breder verband geaccepteerd krijgen van de ruimere definitie en op handhaving daarvan op langere termijn?

De naleving van het verdrag kan niet echt worden afgedwongen. Veelzeggend is in dit verband de passage dat het Kaderverdrag is opgesteld naar aanleiding van etnische spanningen in Midden- en Oost-Europa en niet zozeer een verwachting inhouden omtrent de naleving ervan. Het oordeel over de naleving wordt overgelaten aan het Comité van Ministers van de Raad van Europa en het Adviescomité dat die Raad bijstaat. Het toezicht op de uitvoering van het Kaderverdrag heeft niet meer dan het karakter van een dialoog tussen landen, met name op basis van (verplichte) landenrapportages. Langs deze weg zou, zowel nationaal als internationaal, politieke druk op landen kunnen worden uitgeoefend indien rechten van bepaalde minderheidsgroepen niet of onvoldoende door een regering worden gewaarborgd. Veel meer is eigenlijk niet mogelijk. Deelt de regering de zorg van de CDA-fractie dat het verdrag vooral een symbolische waarde en minder een praktische betekenis heeft? Wat zal de Nederlandse inzet zijn in het kader van het uitoefenen van politieke druk om de naleving van het verdrag te waarborgen, alsook de verruiming van de toepassing van de definities in het verdrag na te streven? Daarbij benadruk ik dat Europa een gemeenschap van waarden wil zijn. Dat zal ook in de toepassing van dit verdrag moeten blijken en is nooit vrijblijvend.

Inmiddels zijn 11 landenrapportages voorhanden. Wat is naar aanleiding daarvan gebeurd? Wat is het standpunt van de regering over deze rapportages? Hoe moeten in dit verband de opmerkingen worden begrepen dat de eerste landenrapportages hadden moeten zijn ingediend op 1 februari 1999 en dat in dit stadium nog geen afgewogen oordeel valt te geven over de doeltreffendheid van het mechanisme? Wat wordt gedaan naar aanleiding van de aanbevelingen in de landenrapportages?

De regering stelt dat het toezicht op de uitvoering en handhaving van het Kaderverdrag voor alle staten die partij zijn bij het verdrag, gelijk zijn. Ook stelt de regering dat de politieke en juridische implicaties voor staten die (nog) geen lid zijn van de Raad van Europa in beginsel gelijk zijn aan die van de staten die wel lid zijn van de Raad.

Deze landen mogen wel aanwezig zijn bij de besprekingen, maar niet deelnemen aan de besluitvorming over het rapport betreffende dat land. Wat politieke druk betreft, stelt de regering dat die voor niet-lidstaten een andere kan zijn dan voor lid-staten (maar werkt dat andere niet uit). Wij vragen ons af waarom niet-lidstaten die het Kaderverdrag hebben ondertekend niet zouden kunnen deelnemen aan de besluitvorming over rapportages die hen aangaan en waarom het recht op besluitvorming en het doen van aanbevelingen, uitsluitend is voorbehouden aan lidstaten van de Raad van Europa. Bovendien kan worden opgemerkt dat zorgvuldige toepassing van het Kaderverdrag tevens kan worden meegewogen bij de beoordeling van toetreding van staten tot de Europese Unie. De CDA-fractie kan zich zelfs voorstellen dat volledige participatie in bespreking en besluitvorming van (nog) niet lidstaten het aansluitingsproces bij de Raad van Europa zou kunnen bevorderen. Deelt de regering deze opvatting? Welke inzet mogen wij in dit opzicht van de regering verwachten?

Voor minderheden die onder het verdrag vallen vindt monitoring plaats op grond van artikel 25. Voor minderheden die niet onder het verdrag vallen is het, zo stelt de regering, denkbaar dat vanuit diverse Europese instanties (Comité van Ministers, ECRI, OVSE) aanbevelingen worden gedaan om de werking van het verdrag uit te breiden naar deze minderheden. Dit is ons inziens wat passief geformuleerd. Welke initiatieven zijn van Nederlandse zijde in dit opzicht te verwachten? Kan de regering aangeven in hoeverre er in de praktijk sprake zal zijn van het actief volgen en beoordelen van de situatie in de verschillende landen?

Wat verbaast, is dat de regering het antwoord schuldig moet blijven op de vraag hoe de in het tweede lid van artikel 10 gegeven omschrijving inzake het in groten getale voorkomen van minderheden in een land precies moet worden verstaan en hoe de nadere uitwerking hiervan zal plaatshebben. Wat betreft dit laatste ziet de regering een taak weggelegd voor het Comité van Ministers en het Adviescomité. Wij blijven van mening dat het tweede lid van artikel 10 zodanig is geformuleerd dat dit begrip niet alleen multi-interpretabel is, maar zelfs verwarrend. Deelt de regering deze meningen en hoe gaat zij daarmee om?

De slotsom inzake dit Kaderverdrag. Het kan een stimulans betekenen, of, zoals de regering het formuleert, een nuttige juridische steun in de rug bij het ontwikkelen en uitvoeren van het integratiebeleid (zoals neergelegd in de Nota Kansen krijgen, kansen pakken). De CDA-fractie vindt dat het voorstel niet alleen mag blijven steken in goede bedoelingen. Het zal in de praktijk moeten worden waargemaakt. Daar is meer inzet en ambitie van deze regering voor nodig. Om samen met andere staten dit verdrag hart, ziel en body te geven. Nu de wereld steeds meer een dorp wordt mag niemand zich van het dorpsplein uitgesloten of uitgestoten weten. Waarbij zowel meerderheden als minderheden binnen de rechtstatelijke en maatschappelijke kaders de meerwaarde van hun eigen identiteit ervaren.

Kamerlid: Gerda Verburg

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie