Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Antwoord Kamervragen over project het zuivbere ei

Datum nieuwsfeit: 15-03-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

Antwoord Kamervragen over project het zuivbere ei
Gemaakt: 20-3-2000 tijd: 16:21


2

Aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 15 maart 2000

Onderwerp;

Voortgang project het zuivere ei

Geachte Voorzitter,

Hierbij doe ik u de antwoorden toekomen op vragen gesteld door de leden Snijder-Hazelhoff en Oplaat (beiden VVD) inzake de voortgang van het beleidsexperiment «het Zuivere Ei».


1

Ja.


2

Nee. De voorschriften verbonden aan de namens de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij verleende ontheffing, op basis waarvan de deelnemende pluimveehouders extra kippen boven het op hun bedrijf rustende mestproductierecht kunnen houden, zijn niet aangescherpt. De voorschriften zijn neergelegd in de sinds eind februari 1998 van kracht zijnde Kaderregeling ontheffingen experiment «het Zuivere Ei» (Stcrt. 1998, 38).

De problematiek van stankoverlast, waarop het artikel in de Pluimveehouderij doelt, houdt niet verband met de ontheffing als zodanig, maar met de verlening van de milieuvergun-ning, die in de meeste gevallen naast de ontheffing benodigd is voor de uitbreiding van kippenstapel in verband met de deelname aan het experiment. Een ontheffing van het in de Meststoffenwet opgenomen uitbreidingsverbod vrijwaart de pluimveehouder immers niet van de verplichtingen, voortvloeiend uit de Wet milieubeheer.

Bij de verlening van de milieuvergunning dient het bevoegd gezag, zijnde het College van Burgemeester en Wethouders, rekening te houden met de lokale gevolgen die de uitbreiding van de veestapel met zich brengt voor het milieu. Daartoe behoren ook stankgevolgen.


3

Een goede verstandhouding tussen sector en overheid vind ik van groot belang.

Wat betreft de eerdergenoemde problematiek van stankoverlast komt de centrale overheid in deze situatie evenwel geen rol toe. Deze problematiek speelt zich af bij de verlening van de milieuvergunning, op welk vlak het desbetreffende gemeentebestuur verantwoordelijk is.


4

Het kan niet zo zijn dat deelnemers aan het project, waaraan ontheffing van het in de Meststoffenwet neergelegde uitbreidingsverbod is verleend, bij de verlening van de milieuvergunning worden gevrijwaard van milieu-eisen die wèl gelden voor andere, niet aan het project deelnemende veehouders. Wat de lokale milieubelasting betreft onder-scheiden de aan het project deelnemende pluimveehouders zich immers niet van overige veehouders.

Dat er geen sprake is van begrip voor de situatie waarin het project zich thans bevindt, moet worden ontkend. Juist omdat gebleken is dat deelnemers aan het project problemen ondervonden bij de verlening van de aangevraagde milieuvergunning, waardoor zij niet tijdig, dat wil zeggen vóór 1 januari 2000, konden aanvangen met het experiment, heb ik in het najaar van 1999 besloten om voor deze deelnemers een voorziening te treffen (rege-ling van 18 oktober 1999, houdende wijziging van onder meer de Kaderregeling onthef-fingen experiment «het Zuivere Ei», Stcrt. 201). Voor deze pluimveehouders geldt dat zij binnen acht maanden nadat de verleende milieuvergunning in werking is getreden, aan de voorschriften dienen te voldoen, en in ieder geval vóór 1 januari 2002.

Van de zijde van het ministerie zijn dus geen eisen gesteld die ertoe leiden dat het project geen reële kans van slagen zou hebben.


5

Vooropgesteld moet worden dat er geen inconsequente maatregelen zijn getroffen. Zoals ik heb aangegeven in mijn brief van 17 augustus 1999, kenmerk trcjz/1999/7921, gericht aan de raadsman van het project «het Zuivere Ei», van welke brief ik de Kamer een afschrift heb doen toekomen bij brief 14 september 1999, kenmerk trcjz/1999/9239, eis ik van de deelnemers die inmiddels op basis van de aan hen verleende ontheffing extra kippen zijn gaan houden, onvoorwaardelijke nakoming van de aan de ontheffing ver-bonden voorschriften zoals die destijds tot stand zijn gekomen. Over deze eenduidige, heldere voorschriften heeft destijds uitvoerig afstemming plaatsgevonden met vertegen-woordigers van het project.

Dit betekent niet dat de voorschriften tot het einde van het experiment ongewijzigd zullen blijven. Zoals ik in de toelichting bij voornoemde wijzigingsregeling van 18 oktober 1999 heb gemeld moeten deelnemers aan het project er rekening mee houden dat de voorschriften betreffende de export van de bewerkte kippenmest te zijner tijd zullen worden bijgesteld.

Dit om deze voorschriften te laten sporen met de bepalingen over de export van kippenmest die zullen komen te gelden als het in de brief van 10 september 1999 (Kamerstukken II 1998/99, 26 729, nr. 1) aangekondigde stelsel van mestafzet-overeenkomsten van kracht wordt.

DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUURBEHEER

EN VISSERIJ,

mr. L.J. Brinkhorst

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie