Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

SCP rapport: Het bereik van de kunsten

Datum nieuwsfeit: 16-03-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Sociaal en Cultureel Planbureau



Persbericht Cahier 166, uitgekomen op donderdag 16 maart 2000

Het bereik van de kunsten


* * Het bezoek aan culturele instellingen is sinds het eind van de jaren '70 gestegen. Dit gold vooral de kunstmusea en het aanbod van zowel klassieke als populaire muziekuitvoeringen.
* Niettemin blijft het bereik van de kunsten beperkt. Slechts voor een kleine minderheid van de bevolking speelt kunst een belangrijke rol in het leven. Wat groter is de groep die incidenteel een culturele instelling bezoekt. Onder de belangstellenden zijn ouderen, hoger opgeleiden en inwoners van grote steden oververtegenwoordigd.

* Veel groter is de participatie via de amateurkunst. Bijna de helft van de bevolking vanaf 6 jaar beoefent één of meer activiteiten. Schilderen, tekenen en het bespelen van een muziekinstrument zijn daarbij het meest populair. Van de beoefenaren heeft ongeveer een derde les en is een kwart lid van een vereniging.
* Hoewel jongeren in de leerplichtige leeftijd nog altijd in contact worden gebracht met klassieke kunstuitingen en daaraan ook vaak participeren, neemt onder jonge mensen van 16-40 jaar de belangstelling voor dit soort kunstuitingen af. Ondanks alle pogingen om het bereik van de kunsten te vergroten, is het de vraag of in deze dalende tendens spoedig een verandering zal komen.

* Daar staat tegenover dat onder ouderen de belangstelling voor kunst toeneemt.

* De participatie van allochtonen aan de traditionele kunstuitingen is relatief gering. Dit geldt in het bijzonder voor Turken en Marokkanen.

Dit zijn de belangrijkste conclusies uit het SCP-rapport Het bereik van de kunsten. Een onderzoek naar veranderingen in de belangstelling voor beeldende kunst en podiumkunst sinds de jaren zeventig van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Het rapport wordt vandaag door prof.dr. Paul Schnabel, directeur van het SCP, aangeboden aan staatssecretaris Van der Ploeg van OCW tijdens een conferentie over 'Cultuurbereik' te Utrecht.

Ook de beide auteurs zullen daarbij aanwezig zijn. Voor meer informatie over de conferentie kan contact worden opgenomen met de Directie Kunsten van het ministerie van OCW, tel. 079-323 23 23.

In het rapport behandelen de auteurs dr. Jos de Haan (SCP) en prof.dr. Wim Knulst (KUB) diverse vormen van participatie op het gebied van podiumkunst en beeldende kunst in de periode tussen 1975 en 1995, waaronder het bezoek aan uitvoeringen, voorstellingen en tentoonstellingen, het beoefenen van kunstzinnige activiteiten, het zelf verzamelen van kunstvoorwerpen en het volgen van (informatie over) kunst via televisie, radio en eigen afspeelapparatuur.

Een beperkt bereik

In 1995 ging 17% van de bevolking één keer per jaar of vaker naar een kunstmuseum, 15% naar klassieke muziek, 12% naar beroepstoneel, 10% naar cabaret en 3% naar ballet.

Het populaire podiumaanbod heeft overigens een groter bereik: 22% gaat naar popmuziek, jazz of musical.

De groep die met enige regelmaat culturele instellingen bezoekt (een keer per kwartaal of vaker) is echter beduidend kleiner: kunstmuseum
3%, klassieke muziek 4%, beroepstoneel 2%, cabaret 1%. Het kunstpubliek bestaat dus vooral uit incidentele bezoekers.
Kunstvakken worden wél op brede schaal door amateurs beoefend. Bijna de helft van de bevolking vanaf 6 jaar beoefent één of meer activiteiten. Beeldende vakken en het bespelen van een muziekinstrument zijn daarbij het meest populair. Zang, dans, toneel e.d. worden door minder mensen beoefend. Onder de beoefenaren heeft ongeveer een derde les en is een kwart lid van een vereniging. Een vereniging of ensemble werkt evenals een cursusinstantie motiverend, want de georganiseerde beoefenaars zijn wekelijks vaker actief dan degenen die op eigen houtje bezig zijn.

In 1995 was 2% van de bevolking lid van een kunstuitleencentrum en kocht 5% wel eens beeldende kunst.


4% gaf er minder dan fl. 1000,-- aan uit; 1% meer.
Veranderingen in participatie

Het aantal beoefenaren van amateurkunst is sinds de jaren zeventig constant gebleven. Sindsdien zijn echter meer amateurs les gaan volgen en hebben meer amateurs zich bij verenigingen of ensembles aangesloten. Van de toenemende vraag naar individuele of groepscursussen profiteerde vooral de particuliere sector, terwijl het bezoek aan kunsteducatieve instellingen (muziekscholen, creativiteitscentra e.d.) daalde. De groep amateurs die wekelijks het vak bijhoudt is tussen 1980 en 1995 geslonken. Dit betrof vooral de beoefening van beeldende vakken, want bij de podiumvakken bleef het aantal amateurs dat wekelijks repeteert nagenoeg constant.

Over het algemeen werden culturele instellingen in 1995 vaker bezocht dan in 1979. Deze grotere toeloop richtte zich overwegend op het populaire aanbod van popmuziek, jazz en musical: dit steeg in deze periode van 12 naar liefst 22%. Niettemin steeg ook de belangstelling voor muziekuitvoeringen van het klassieke repertoire en met inbegrip van opera en operette: van 11% in 1979 naar 15% in 1995. Het bezoekpercentage voor toneel en ballet bleef nagenoeg hetzelfde. Tussen 1979 en 1995 steeg het bezoek aan kunstmusea van 12% naar 17%.

Het aantal personen dat kunstvoorwerpen leent bij een kunstuitleen verdubbelde in de periode 1979-1995 van 1 naar 2%. Het bevolkingsdeel dat wel eens beeldende kunst koopt, bleef in dezelfde periode met bijna 5% vrijwel gelijk. Tussen 1983 en 1995 is de belangstelling voor klassieke muziek (vooral via radio en cd) en voor programma's over kunst - vooral via televisie - enigszins teruggelopen.

Afnemende belangstelling van jong publiek, toename onder ouderen

De telkens nieuw aantredende jeugd in de leerplichtige leeftijd laat het niet afweten bij het bezoek aan theater en musea, en evenmin bij de serieuze beoefening van kunstvakken. Hoewel de in die kinderjaren opgedane ervaring een positieve invloed blijft hebben op de participatie in het latere leven, is het opmerkelijk dat onder jongeren tussen de 16 en 40 jaar de belangstelling voor klassieke kunstuitingen afneemt.

Tegenover die dalende belangstelling onder jonge mensen staat een stijgende interesse van de ouderen.

De verschillen tussen deze leeftijdsgroepen kunnen herleid worden tot een uiteenlopende socialisatie. Sociaal-economische omstandigheden en opvattingen die dominant waren tijdens de vormingsjaren van personen - zo tussen 15 tot 25 jaar - , drukken een stempel op hun mentaliteit in het verdere leven. Vooral de verandering van het opvoedings- en onderwijsregime sinds de jaren zestig is van invloed geweest op de veranderde belangstelling voor kunst. Vóór de jaren zestig werd bij middelbare scholieren en zeker bij studenten in het hoger onderwijs nog bewondering voor de klassieke cultuur gestimuleerd, alsmede het besef dat zij blijk dienden te geven van een ontwikkelde smaak. Door de massale toeloop naar het voortgezet onderwijs, de opkomst van een eigen jeugdcultuur en de verzwakte aandacht voor klassieke cultuur in het nieuwe curriculum, heeft het gedemocratiseerde middelbaar en hoger onderwijs een dergelijke vorm van cultuuroverdracht laten vallen. Met als gevolg: een beperktere culturele competentie, een afnemende belangstelling voor klassieke en intellectuele cultuuruitingen en een groeiende populariteit van kunstuitingen die voorheen tot de 'lagere' cultuur werden gerekend.

Allochtonen participeren minder dan autochtonen

Het bereik van de kunsten is onder allochtonen kleiner dan onder autochtonen. Dat geldt met name voor Turken en Marokkanen. Surinamers en Antillianen blijven bij de (traditionele, westerse) cultuurparticipatie ook achter, maar in mindere mate. In veel gevallen kan een uitzondering gemaakt worden voor Nederlands-Indische mensen. Deze groep komt zelfs relatief vaak in kunstmusea en galeries en heeft ook meer dan gemiddeld belangstelling voor kunstuitleen en kunstaankoop.

De achterstand in de participatie onder allochtonen hangt in belangrijke mate samen met bepaalde achtergrondkenmerken, zoals het opleidingsniveau. Ook lager opgeleide autochtonen participeren immers minder in de wereld van de klassieke cultuur. Ondanks veel overheidsbeleid is hierin weinig veranderd.

De cultuurparticipatie van allochtonen is in feite onderdeel van een breder emancipatieproces, dat nog geruime tijd in beslag zal nemen.

Grote steden als cultuurcentra

In verhouding tot het inwonerstal is het podium- en museale aanbod sterk geconcentreerd in de vier grote steden. Zo'n volle en gedifferentieerde cultuuragenda moedigt stedelingen aan tot consumeren en trekt veel bezoekers van buiten. Stedelingen - met name mensen uit de Amsterdamse agglomeratie - gaan meer naar musea en podia dan de rest van de bevolking. Scholieren profiteren evenzeer van het royale aanbod in de grotere steden, met name als het gaat om musea en toneel gaat.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie