Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Uitspraak: 'Geen verplaatsing producten Philips naar Polen'

Datum nieuwsfeit: 16-03-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Gerechtshof Amsterdam


GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

BESCHIKKING
van 16 maart 2000 in de gevoegde zaken onder de rekestnummers 69/2000 OK en 70/2000 OK van:

DE GROEPSONDERNEMINGSRAAD VAN DE BESLOTEN VENNOOTSCHAP MET BEPERKTE AANSPRAKELIJKHEID PHILIPS LIGHTING B.V.
,
gevestigd te Eindhoven,
vertegenwoordigd door zijn voorzitter H.A.M. Geessinck, VERZOEKER,
advocaat en procureur: Mr P.L.J. Bosch,

t e g e n

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid PHILIPS LIGHTING B.V.,
gevestigd te Eindhoven,
VERWEERSTER
,

advocaat : Mr R.A.A. Duk,
procureur : Mr B.J.H. Crans,

en van:

DE ONDERNEMINGSRAAD VAN DE BESLOTEN VENNOOTSCHAP MET BEPERKTE AANSPRAKELIJKHEID PHILIPS LIGHTING B.V.
,
gevestigd te Terneuzen,
vertegenwoordigd door zijn voorzitter A. Canrinus, VERZOEKER,
advocaat en procureur: Mr P.L.J. Bosch,

t e g e n

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid PHILIPS LIGHTING B.V.,
gevestigd te Eindhoven,
VERWEERSTER,
advocaat : Mr R.A.A. Duk,
procureur : Mr B.J.H. Crans.


1. Het verloop van het geding


1.1 Bij verzoekschriften met producties, ingekomen ter griffie van de Ondernemingskamer op 26 januari 2000 onder onderscheidenlijk de nummers 69/2000 OK en 70/2000 OK, hebben de groepsondernemingsraad van Philips Lighting B.V., hierna ook de GOR te noemen, onderscheidenlijk de ondernemingsraad van Philips Lighting B.V., hierna ook de OR te noemen, de Ondernemingskamer verzocht bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren dat Philips Lighting B.V., hierna ook de ondernemer te noemen, bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet heeft kunnen komen tot het besluit van 27 december
1999 tot volledige overplaatsing van de productie van CFL-i burners van Terneuzen naar Pila in Polen en een aantal daarmee samenhangende besluiten en de ondernemer te verplichten het besluit in zijn geheel in te trekken.


1.2 Bij aanvullende verzoekschriften, ingekomen ter griffie van de Ondernemingskamer op 7 februari 2000, hebben de GOR en de OR de Ondernemingskamer voorts verzocht de ondernemer te verbieden handelingen te verrichten ter uitvoering van het besluit, zowel ten gronde als bij wege van voorlopige voorziening.

1.3 Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie van de Ondernemingskamer op 17 februari 2000, heeft de ondernemer de verzoeken van de GOR en de OR bestreden en de Ondernemingskamer verzocht de verzoeken af te wijzen.


1.4 Bij brief, ingekomen ter griffie van de Ondernemingskamer op 29 februari 2000, heeft de ondernemer het verweerschrift op een aantal punten gepreciseerd en nog een productie in het geding gebracht.

1.5 De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 2 maart 2000. De advocaten van partijen hebben de standpunten van partijen toegelicht aan de hand van aan de Ondernemingskamer overgelegde pleitnotities.


1.6 Ter terechtzitting heeft de Ondernemingskamer bij wege van ordemaatregel de ondernemer verboden over te gaan tot uitvoering van het bestreden besluit, voor de duur dat de Ondernemingskamer nog niet heeft beslist op de verzoeken van de GOR en de OR. De Ondernemingskamer heeft daarbij de uitspraak ten gronde bepaald op heden.


1.7 De stukken van het geding, waaronder de pleitnotities, gelden als hier herhaald en ingelast.


2. De vaststaande feiten


2.1 Philips Lighting B.V. is een internationale divisie van de Koninklijke Philips Electronics N.V.. De divisie bestaat in Nederland uit elf ondernemingen waarbij telkens een -in de GOR vertegenwoordigde- ondernemingsraad is ingesteld. Philips Lighting B.V. -voorzover hier van belang- produceert spaarlampen en wel twee te onderscheiden typen: de CFL-i (een lamp waarin de elektronika is geïntegreerd) en de CFL-ni (een lamp waarin de elektronika niet is geïntegreerd). In Nederland is de productie van CFL-i geconcentreerd in Terneuzen en de productie van CFL-ni in Roosendaal.

2.2 De locatie van Philips Lighting B.V. in Terneuzen is het "Global Competence Center" ("GCC") voor de CFL-i lamp. In Terneuzen worden voorts de burners geproduceerd die onderdeel vormen van de CFL-i lamp, zijn verschillende aan CFL-i gekoppelde activiteiten ondergebracht en vindt -in de Business Unit Starters- de productie plaats van starters.

2.3 In september 1998 heeft de ondernemer besloten de assemblage van CFL-i lampen van Terneuzen naar Pila in Polen over te plaatsen. Tegenover de inkrimping van de werkgelegenheid in Terneuzen die daarmee was gemoeid heeft de ondernemer toen tevens besloten om de productie van CFL-i burners in Terneuzen uit te breiden en de positie van Terneuzen als "GCC" voor CFL-i te versterken.

2.4 De bedoelde uitbreiding van de productie van CFL-i burners in Terneuzen heeft niet plaatsgevonden, omdat de in 1998 verwachte volumegroei is uitgebleven. De Europese markt voor CFL-i lampen staat onder druk door de import van goedkope spaarlampen uit China. Op de CFL-i activiteit in Nederland wordt thans verlies geleden terwijl tevens marktaandeel wordt verloren.


2.5 De zorgelijke marktontwikkelingen zijn diverse malen onderwerp van gesprek tussen de OR en de ondernemer geweest. Zowel de OR als de ondernemer is ervan doordrongen dat het noodzakelijk is maatregelen te nemen om te komen tot kostenreductie bij de CFL-i activiteiten.

2.6 Op 5 oktober 1999 heeft de ondernemer aan de OR advies gevraagd over in de nota "Herstructurering CFL-i Terneuzen" opgenomen voorgenomen besluiten. Deze voorgenomen besluiten betroffen de verplaatsing van de CFL-i productie en van de Supplygroep CFL-i van Terneuzen naar Pila in de periode tot juli 2000, de verplaatsing van de diverse "Innovation To Market" ("ITM") CFL-i activiteiten in diezelfde periode, als volgt: het "GCC" naar Shanghai, de burner-platformontwikkeling naar Roosendaal, de Bedrijfsmechanisatie naar Roosendaal, de burnerproces- en hoge segment product ontwikkeling met de productie naar Pila, de leiding van "ITM" CFL-i en de Strategische Product Managementgroep naar Eindhoven en ten slotte aanpassing in omvang en samenstelling van het locatiebeheer te Terneuzen. Na doorvoering van deze besluiten zou alleen de Productie Unit Starters als zelfstandige activiteit in Terneuzen worden gecontinueerd.


2.7 De GOR heeft op 7 oktober 1999 zijn bestuurder verzocht een extra overlegvergadering te beleggen in verband met de besluitvorming rond CFL-i. De bestuurder heeft in de groepsoverlegvergadering van 20 oktober 1999 meegedeeld dat "de groepsoverlegvergadering niet de plaats is om inhoudelijk over de reorganisatie in Terneuzen te discussiëren" en dat "dit overleg op één plaats, Terneuzen, gehouden dient te worden". De GOR is vervolgens niet in het adviestraject betrokken geweest.


2.8 Op 8 november 1999 heeft de OR het alternatieve plan "Spaarlamp Natuurlijk Terneuzen" gepresenteerd, dat voorzag in concentratie van alle CFL-activiteiten in Terneuzen.


2.9 De ondernemer heeft dit alternatieve plan op 24 november 1999 afgewezen, waarna onder het personeel van de locatie in Terneuzen een staking uitbrak. Op 1 december 1999 is tussen de vakbonden en de ondernemer een overeenkomst gesloten, op basis waarvan aan een projectgroep een opdracht is verstrekt om het alternatieve plan en de reactie van de ondernemer daarop en de uitgangspunten te bespreken en het alternatieve plan te vergelijken met een vergelijkbaar industrieel plan. De projectgroep heeft op 20 december 1999 haar rapport uitgebracht.


2.10 In zijn advies van 22 december 1999 over het voorgenomen besluit heeft de OR aangegeven dat hij "afwijzend staat tegenover het voorgenomen besluit", alleen al omdat het voorgenomen besluit "uiteindelijk vooral gedragen wordt door het Decision Document", een document gedateerd 30 november 1999, dat volgens de OR een "blauwdruk bevat van de toekomstige concentratie van de volledige productie van CFL-burners op één plaats in Europa; te weten Pila (Polen)" en welk document door de ondernemer niet is betrokken in de adviesprocedure. De OR heeft de ondernemer voorts geadviseerd om de aanbeveling van de projectgroep tot het onderzoeken van "scenario 6" over te nemen.

2.11 Het "Decision Document" waaraan de OR in zijn advies van 22 december 1999 heeft gerefereerd is de (concept)nota "Decision Document Start platform development 'One burner platform for CFL'", versie 30 november 1999, van de Business Unit Lamps van Philips Lighting B.V., welk document de status heeft van "Milestone -1".

2.12 Op 27 december 1999 heeft de ondernemer het bestreden besluit, conform het voorgenomen besluit, genomen.


2.13 Bij brief van 12 januari 2000 hebben zowel de OR als de GOR -via hun advocaat- de ondernemer gesommeerd het besluit in te trekken. Bij brief van 21 januari 2000 heeft de bestuurder van Philips Lighting B.V., J.J.M. Braat, ten antwoord op de namens de GOR verzonden brief onder meer laten weten dat het niet aan hem is een besluit van de bestuurder van de locatie te Terneuzen in te trekken. Bij brief van eveneens 21 januari 2000 heeft de "plant manager" van Philips Lighting B.V. Vestiging Terneuzen, S.M. Klawer, ten antwoord op de namens de OR verzonden brief laten weten niet tot intrekking van het besluit te zullen overgaan.


2.14 De ondernemer heeft voorbereidingen getroffen voor het verplaatsen van een productielijn naar Polen. De ondernemer heeft echter toegezegd niet vóór 3 maart 2000 een aanvang te maken met de daadwerkelijke verplaatsing.


3. De standpunten van partijen


3.1 De GOR en de OR hebben zich kort gezegd op het standpunt gesteld dat het "Decision Document" een plan inhoudt tot beëindiging van de ontwikkeling en productie van CFL (zowel -i als -ni) in Nederland en de verplaatsing van die activiteiten naar een "lage lonen land" en dat dit document daarom betrokken had moeten worden in het adviestraject.

3.2 De OR heeft zich verder primair op het standpunt gesteld dat het beroep van de GOR ontvankelijk dient te worden verklaard. Voorts heeft de OR gesteld dat de ondernemer ten onrechte heeft nagelaten "scenario
6" uit het rapport van de projectgroep nader te onderzoeken.

3.3 De ondernemer heeft zich kort gezegd op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit niet van gemeenschappelijk belang is voor de (meerderheid van de) (elf) ondernemingen waarvoor de GOR is ingesteld. Voorts heeft de ondernemer aangevoerd dat het "Decision Document" slechts de status van concept heeft en niet méér behelst dan een "eerste aanzet voor een discussie over een mogelijk onderzoek", zodat het niet in de adviesprocedure kon, of behoefde te worden, betrokken. Met betrekking tot het onderzoeken van "scenario 6", zoals aanbevolen door de projectgroep, heeft de ondernemer zich op het standpunt gesteld dat dit geen zin had, omdat "scenario 6" niet méér inhield dan een "wat aangeklede variant" op het alternatieve plan van de OR, waarvan vaststond dat het -bezien vanuit bedrijfseconomisch oogpunt- niet realistisch was.


3.4 Partijen verschillen niet met elkaar van mening over de zorgelijkheid van de marktsituatie en de daaruit volgende noodzaak van kostenreductie ten aanzien van de CFL-i activiteiten. Ook staat tussen partijen vast dat sedert geruime tijd wordt gesproken over een mogelijk "one burnerplatform", dat wil zeggen de mogelijkheid burners te produceren die geschikt zijn voor zowel CFL-i lampen als CFL-ni lampen.


4. De gronden van de beslissing


4.1 Ter staving van hun stelling dat het bestreden besluit een aangelegenheid is ten aanzien waarvan het adviesrecht als bedoeld in artikel 25 van de Wet op de ondernemingsraden (WOR) aan de GOR toekomt, hebben de OR en de GOR aangevoerd dat het bestreden besluit zeven van de hiervoren vermelde elf ondernemingen betreft. De ondernemer heeft die stelling gemotiveerd betwist. Dienaangaande heeft hij uiteengezet dat andere dan de in het besluit genoemde ondernemingen door het besluit niet worden geraakt en dat -dus- de activiteiten met betrekking tot de research in Eindhoven daar uitgeoefend blijven, dat de in Nederland gevestigde en thans aan de locatie te Terneuzen leverende leveranciers van producten na de overplaatsing van de productie van CFL-i burners naar Pila hun producten blijven leveren en dat het distributiecentrum te Acht niet in deze aangelegenheid is betrokken. Aldus is niet aannemelijk geworden dat het besluit van 27 december 1999 van gemeenschappelijk belang is voor de (meerderheid van de) elf ondernemingen waarvoor de GOR is ingesteld. De ondernemer heeft dan ook terecht niet het advies van de GOR gevraagd, zodat de GOR niet ontvankelijk is in zijn verzoeken in deze zaak.


4.2 De door de OR opgeworpen stelling dat het bestreden besluit kennelijk onredelijk is op de grond dat de ondernemer ten onrechte heeft nagelaten het in het rapport van de projectgroep genoemde "scenario 6" te onderzoeken, verwerpt de Ondernemingskamer. De ondernemer heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat op voorhand duidelijk is welke de uitkomsten van zo een onderzoek zouden zijn en dat zo een onderzoek -dus- zinledig is omdat, mede gezien de algemene termen waarin het "scenario" is geformuleerd, het geen dan wel weinig uitzicht biedt op een oplossing van de problemen waarmee de onderneming wordt geconfronteerd en het wat kosten betreft slechts een verschuiving en niet een beperking ervan suggereert.

4.3 De OR heeft verder aangevoerd dat het besluit van 27 december 1999 betreffende de locatie van Philips Lighting B.V. te Terneuzen een uitvoeringsbesluit is van het -voor hem verrassende- besluit tot concentratie van de volledige CFL-productie in "lage lonen landen" en het geheel verdwijnen van het "GCC" uit Nederland zoals dat opgesloten ligt in het "Decision Document" van 30 november 1999. Derhalve had de ondernemer naar de mening van de OR omtrent (de inhoud van) het "Decision Document" advies dienen te vragen, althans had de ondernemer (de inhoud van) het "Decision Document" in de adviesprocedure met betrekking tot de voorgenomen verplaatsing van de productie van CFL-i burners van Terneuzen naar Pila dienen te betrekken omdat niet, althans niet langer, sprake is van een op zichzelf staand besluit dat uitsluitend op deze (partiële) verplaatsing van een deel van de productie ziet.


4.4 Dat het "Decision Document" overeenkomstig deze door de OR voorgestane lezing moet worden begrepen en dat dat document dus reeds op zichzelf vanwege de erin opgesloten liggende besluitvorming als door de OR gesteld aan adviesrecht is onderworpen, acht de Ondernemingskamer echter niet aannemelijk. Gezien de daarin gebruikte bewoordingen "Draft" en de daarop vermelde status van "Milestone -1" is voldoende kenbaar dat het "Decision Document" in beginsel moet worden gekwalificeerd als een concept voor een onderzoek naar de mogelijkheden van een "one burnerplatform" voor CFL-i en CFL-ni lampen.


4.5 Evenmin kan worden gezegd dat met het bestreden besluit van 27 december 1999 door de ondernemer blijkbaar is of wordt beoogd -reeds- uitvoering te geven aan de in het "Decision Document" neergelegde of voorziene strategie op termijn en dat het bestreden besluit derhalve in redelijkheid niet genomen had kunnen worden omdat de OR niet in de gelegenheid is gesteld mede dat perspectief in zijn advisering omtrent het besluit te betrekken.


4.6 Het vorenoverwogene leidt echter niet, althans niet zonder méér, tot de conclusie dat (de inhoud van) het "Decision Document" in de onderhavige adviesprocedure buiten beschouwing mocht blijven. In de eerste plaats is van belang dat het document een neerslag bevat van meer algemene, strategische plannen van de Business Unit Lamps/Philips Lighting B.V. ten aanzien van de productie van spaarlampen in het algemeen, welke plannen -hoezeer nog niet uitgekristalliseerd- van invloed kunnen en zullen zijn op -de toekomst van- de locatie te Terneuzen. In zoverre houdt het "Decision Document" gedachtegangen in die met het oog op een adequate advisering door de ondernemingsraad over het bestreden besluit van belang kunnen zijn. In de tweede plaats heeft, zoals onder meer staat vermeld in hoofdstuk 3 (onder het hoofd "Goal of project") van het document, de ondernemer blijkbaar het voornemen zo spoedig als zulks (technisch) mogelijk is en reeds op korte termijn aan de in het document neergelegde plannen en voornemens uitvoering te geven. In de derde plaats is in dit verband van belang dat de ondernemingsleiding tijdens een bijeenkomst in de zomer van
1999 in Zuid Amerika onder ogen heeft gezien dat het tot nu gevoerde en wat de locatie Terneuzen betreft ook nog in 1998 bevestigde beleid van concentratie van "GCC's" zou moeten worden losgelaten ten faveure van een op spreiding gebaseerd beleid. Weliswaar heeft de ondernemer op naar de Ondernemingskamer voorkomt aannemelijke gronden betoogd dat terzake vooralsnog slechts sprake is van gedachtevorming dienaangaande en niet reeds van besluitvorming, maar mede tegen de achtergrond van uitlatingen van de ondernemer van de strekking dat zijn beleid in belangrijke mate wordt bepaald door de eisen van de markt moet ook worden geoordeeld dat de aan de ondernemer gelaten ruimte om anders te beslissen beperkt is.


4.7 Deze feiten en omstandigheden, deze mede bezien in onderling verband en samenhang, brengen mee dat, ook indien ervan wordt uitgegaan dat de ondernemer het bestreden besluit heeft bedoeld als een op zichzelf staand besluit waarmee niet wordt beoogd te preluderen op toekomstige ontwikkelingen en dat niet onlosmakelijk is verbonden met (nog te onderzoeken) (beleids)voornemens maar dat is ingegeven -en ook wordt gerechtvaardigd- door de noodzaak op korte termijn maatregelen te nemen teneinde financiële teloorgang te voorkomen, in dit specifieke geval het besluit niettemin niet los kan worden gezien van de ontwikkelingen ten aanzien van de bedrijfsvoering van de ondernemer in haar algemeenheid, ook al zijn die ontwikkelingen het gevolg van omstandigheden waarop de ondernemer geen of slechts weinig invloed kan uitoefenen. Wat daar immers van zij, laatstgenoemde gevolgtrekking brengt in ieder geval mee dat de Ondernemingsraad terecht -en bovendien in overeenstemming met het aan artikel 24 WOR ten grondslag liggende beginsel dat de OR op een zodanig tijdstip van voornemens van de ondernemer op de hoogte dient te worden gebracht dat wanneer eenmaal besluitvorming wordt overwogen de OR daarover kan adviseren op een wijze dat het advies nog van wezenlijke invloed op het te nemen besluit kan zijn- betoogt dat zinvolle advisering omtrent het bestreden besluit niet mogelijk is indien daarbij de strategie in meer algemene zin zoals daarvan onder meer blijkt uit meergenoemd "Decision Document" niet zou kunnen worden betrokken. Ten onrechte heeft de ondernemer zich derhalve op het standpunt gesteld dat in het kader van de onderhavige besluitvorming dat document buiten beschouwing mocht worden gelaten.


4.8 Tot deze conclusie moet temeer worden gekomen tegen de achtergrond van de omstandigheid dat -zoals hiervóór onder 2.3 is vastgesteld- de ondernemer nog in 1998 tegenover het besluit tot verplaatsing van de assemblage van CFL-i lampen van Terneuzen naar Pila heeft aangekondigd de productie van CFL-i burners in Terneuzen uit te breiden en de positie van de locatie in Terneuzen als "GCC" te versterken. Weliswaar staat het -bijvoorbeeld op grond van een onvoorzienbare verandering van omstandigheden op de relevante markt- de ondernemer vrij de daardoor bij de OR gewekte verwachtingen niet te honoreren, doch dat leidt er in een geval als het onderhavige toe dat de ondernemer de OR op een verderstrekkende wijze in de besluitvorming dient te betrekken dan daarzonder het geval is en dat de besluitvorming aan hogere maatstaven van zorgvuldigheid dient te voldoen.

4.9 Het vorenoverwogene klemt temeer nu de ondernemer heeft gesteld dat ten aanzien van de door hem gevolgde strategie (in algemene zin) geen advies wordt gevraagd, niet alleen niet aan de OR maar ook niet aan de GOR. Deze stellingname, wat daarvan overigens ook zij, brengt mee dat de OR in het kader van een advies omtrent een specifiek voorgenomen besluit te eerder aanspraak kan maken op het in de beschouwing mogen betrekken van -eventuele- onderliggende strategische uitgangspunten en van bescheiden die daarop betrekking hebben.

4.10 Voor zover het betoog van de ondernemer aldus begrepen zou moeten worden dat het "one burnerplatform" op diverse momenten in het adviestraject aan de orde is geweest en dus aan de wens van de OR dat het "Decision Document" in de adviesprocedure betrokken had moeten worden is voldaan, verwerpt de Ondernemingskamer dat betoog. Het miskent immers dat het "Decision Document" niet alleen voorstellen bevat omtrent de ontwikkeling van een "one burnerplatform", maar daarnaast ook verderstrekkende gedachten ontvouwt met betrekking tot concentratie van alle CFL-activiteiten, met inbegrip van het "GCC", in "lage lonen landen". De, aannemelijk voorkomende, stelling van de OR in verband met zijn bezwaren tegen het bestreden besluit houdt nu juist in dat voor hem niet verrassend was dat de mogelijkheid van het tot stand brengen van een "one burnerplatform" werd onderzocht maar wel de gedachte concentratie van alle CFL-activiteiten in lage lonen landen en de verdwijning van het "GCC" uit Nederland in verband daarmee. De namens de ondernemer in dit verband naar voren gebrachte stelling dat de mogelijkheid blijft bestaan dat na onderzoek besloten wordt de productie van het "one burner system" uiteindelijk (weer) in Nederland plaats te doen vinden komt in de eerste plaats weinig aannemelijk voor en laat in de tweede plaats en in ieder geval onverlet dat de inhoud van het "Decision Document" van een aard is dat de OR in dit geval er terecht aanspraak op kan maken deze in zijn uit te brengen advies te kunnen betrekken.


4.11 Ook de stelling van de ondernemer dat vanwege het bestaan van een kritieke situatie op zeer korte termijn een beslissing genomen moest worden maakt het hiervoor overwogene niet anders. Onvoldoende aannemelijk is geworden dat die omstandigheid een beletsel vormde om de OR van het "Decision Document" -en van de besluitvormingsfase waarin het zich bevond- op de hoogte te brengen en hem de gelegenheid te geven dat document in de beschouwing (mede) te betrekken.

4.12 Het hiervoor overwogene brengt de Ondernemingskamer tot het oordeel dat de ondernemer het bestreden besluit bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet had kunnen nemen. Hetgeen de OR verzoekt is -dan ook- voor toewijzing vatbaar.

5. De beslissing

De Ondernemingskamer:

verklaart de groepsondernemingsraad niet ontvankelijk in zijn verzoeken;

verklaart op het beroep van de ondernemingsraad voor recht dat de ondernemer bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet heeft kunnen komen tot het besluit van 27 december 1999 tot verplaatsing van de productie van CFL-i burners van Terneuzen naar Pila in Polen en de met dat besluit samenhangende besluiten;

verplicht de ondernemer het besluit van 27 december 1999 in zijn geheel in te trekken;

verbiedt de ondernemer handelingen te verrichten ter uitvoering van het besluit;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr Willems, voorzitter, mr Visser en mr Cornelissen, raadsheren, drs Marseille RA en Wortel RA, raden, in tegenwoordigheid van mr De Vries, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2000.

coll.:

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie