Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Brief OCW uitvoering werkplan LGF 1999-2001

Datum nieuwsfeit: 17-03-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

Brief OCW uitvoering van het werkplan lgf 1999-2001
Gemaakt: 21-3-2000 tijd: 14:52


6


26629 Leerlinggebonden financiering

Nr. 6 Brief van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Zoetermeer, 17 maart 2000

In mijn brief van 17 januari 2000 (kamerstuk 26629, nr. 5) po/BB/2000/2070) heb ik u geïnformeerd over de voortgang in de uitvoering van het werkplan LGF 1999-2001. In die brief heb ik aangekondigd dat het onderzoeksinstituut GION in de tweede helft van februari een tussenrapportage zou opleveren over de praktijktoetsing indicatiestelling. Inmiddels heb ik de rapportage van het GION, getiteld «Beslissen over toelaten», ontvangen. Bijgaand stuur ik u deze rapportage toe. 1) Begin maart is deze rapportage voor het eerst besproken in het uitwerkingsoverleg LGF met de vertegenwoordigers van het georganiseerde onderwijsveld. Over de inhoud van deze bespreking informeer ik u hierna. Onlangs is ook de leerlingentelling voor het (voortgezet) speciaal onderwijs dat onder de wet op de expertisecentra valt, afgerond. Daarbij zijn ook de gegevens over in- en uitstroom van leerlingen verwerkt. Bij deze brief treft u de resultaten van deze telling aan. 1) Hierna zal ik de telgegevens van een toelichting voorzien. Tot slot geef ik in deze brief een overzicht van de REC vorming en van de verdere werkzaamheden in het LGF- project.


1. Evaluatie praktijktoetsing indicatiestelling

1.1

Uitgangspunt in het LGF-traject vanaf het begin is geweest om via onafhankelijke indicatiestelling leerlinggebonden financiering toe te kennen. De criteria bij de indicatiestelling zouden moeten leiden tot een consolidatie van de huidige leerlingengroep in het (v)so. De criteria zouden voldoende ruim moeten zijn voor de zittende leerlingen; en voldoende strikt om aanzuigende werking te voorkomen (beheersbaarheid). In een ontwikkeltraject is door het bureau Smets & Hover in overleg met het veld gezocht naar een procedure en criteria die tot dit resultaat zouden kunnen leiden. In de praktijktoetsing zijn het protocol en de criteria die de uitkomst zijn van het ontwikkeltraject beproefd. Een groot aantal scholen heeft toelatingsbeslissingen genomen met inachtneming van protocol en criteria. De opgestelde leerlingdossiers zijn ook beoordeeld door een onafhankelijke Landelijke commissie.


1.2

Recent is de eerste rapportage over de evaluatie van praktijktoetsing beschikbaar gekomen. In het evaluatie-onderzoek zijn de oordelen van schoolcommissies geanalyseerd en vergeleken met die van de onafhankelijke commissie. De evaluatie van de praktijktoetsing leidt tot de volgende waarnemingen:

a) Er is een substantiële overeenstemming tussen de schoolcommissies en de onafhankelijk commissie over de toelaatbaarheid van leerlingen tot het (v)so (en dus tot leerlinggebonden financiering). Deze overeenstemming verschilt niet wezenlijk tussen de clusters (Hoofdstuk
6 van het rapport).

b) Een flink aantal leerlingen dat door de scholen toegelaten wordt, wordt niet door de onafhankelijke commissie toegelaten. Redenen zijn vooral: niet beoordeelbaarheid vanwege ontbrekende gegevens en noodzaak tot aanvullend onderzoek en daarnaast het werken met verschillende criteria (Hoofdstuk 7 van het rapport).

c) In de analyse van de besluitvorming bij de scholen voor ernstige spraakmoeilijkheden (esm) en cluster 4 (gedragsproblematiek) blijkt dat de toepassing van het protocol en de criteria Smets & Hover problematisch is (Hoofdstuk 8). Ook het opgestelde instrument om de onderwijsbeperking vast te stellen voor de toelaatbaarheid functioneert problematisch (Hoofdstuk 9).

d) Wat betreft de aanzuigende werking die uit kan gaan van het toekennen van «rugzak» financiering, ligt er alleen nog een deelonderzoek bij basisscholen. Daaruit blijkt dat er structureel sprake zal kunnen zijn van een verlenging van de «draagtijd» van extra rugzakfinanciering met zo'n 7%.

De aanzuigende werking voor het speciaal basisonderwijs wordt nog onderzocht.

Volgens de onderzoekers vormt het werk van Smets & Hover een goede basis voor de verdere ontwikkeling van richtlijnen voor de indicatiestelling.


1.3

Het evaluatie-onderzoek is nog niet afgerond. Het GION is nog bezig met de detailanalyse van de leerlingdossiers voor de verschillende onderwijssoorten. Verder loopt nog het onderzoek naar de mogelijke aanzuigende werking in het speciale basisonderwijs. Tot slot zal het GION nog een internationale vergelijking afronden. Het eindrapport van deze evaluatie wordt in juni 2000 opgeleverd.


2. Betekenis evaluatieresultaten


2.1

Ik constateer dat over het merendeel van de leerlingdossiers overeenstemming bestaat tussen de schoolcommissie en de landelijke commissie. Dat is een gunstige uitkomst. Blijkbaar kan van de meeste leerlingen redelijk goed de toelaatbaarheid vastgesteld worden. Dat is een goede basis voor een systeem van indicatiestelling. De criteria en het protocol hebben aan deze uitkomst bijgedragen. De precieze aard van deze bijdrage is echter niet zo gemakkelijk vast te stellen. Uit het gedetaileerde dossieronderzoek kan de werking van criteria en protocol niet gemakkelijk vastgesteld worden. Op onderdelen blijken criteria en protocol niet goed te functioneren. Dat betreft met name de vaststelling van de onderwijsbeperking. Tegenover de meerderheid van de leerlingdossiers waarover overeenstemming bestaat, staat een toch nog behoorlijk aantal dossiers waarover de schoolcommissie en de landelijke commissie van oordeel verschillen. De omvang van deze groep is groot. Bij deze groep zal in de regel de handicap, stoornis of beperking minder duidelijk zijn, terwijl er toch een onderwijsbeperking aanwezig wordt geacht die tot verwijzing naar het (v)so leidt. Waarschijnlijk is er een geleidelijke overgang met de leerlinggroepen die in het speciale basisonderwijs, het praktijkonderwijs en het leerwegondersteunend onderwijs worden opgevangen. De indicatiestelling voor het (v)so moet goed aansluiten op de ontwikkelingen in de genoemde onderwijssoorten, zodat er geen leerlingen tussen wal en schip vallen.


2.2

Wat betekenen deze resultaten voor de verdere invulling van het LGF- traject? Is het daadwerkelijk mogelijk om tot criteria te komen die tegelijk voldoende ruim zijn, en leiden tot beheersing van de aantallen te indiceren leerlingen? Beantwoording van deze vragen is niet gemakkelijk. Het ziet ernaar uit dat voor het merendeel van de kinderen die nu instromen in het (v)so, indicatiestelling op een beheersbare manier met behulp van objectiveerbare criteria mogelijk is. Dat kunnen niet zonder meer de criteria zijn zoals die in de praktijktoetsing zijn beproefd. Op basis van de dossieranalyses zal bijstelling van de criteria moeten plaatsvinden. Zo blijkt het indicatiemodel dat voor het esm- onderwijs is opgesteld, nauwelijks te zijn gebruikt in de praktijk, terwijl van vrijwel alle leerlingen concrete testresultaten, zowel logopedisch als ontwikkelings psychologisch, beschikbaar zijn. Het is mogelijk het indicatiemodel te vervangen door indicatiecriteria die aansluiten op de in de praktijk gebruikte testen. Daarmee worden criteria concreter geformuleerd. Ook voor de andere onderwijssoorten kan waar nodig bijstelling van criteria plaatsvinden op basis van de gedetailleerde dossieranalyses die het GION nog verricht. Daarbij zal ook afstemming plaatsvinden met de zorgsector. Aldus kan voor het merendeel van de kinderen een stelsel criteria geformuleerd worden, dat ook aan te stellen eisen van beheersbaarheid voldoet, en dat de kern kan vormen voor een systeem van leerlinggebonden financiering.


2.3

Voor de kleinere, maar toch nog omvangrijke, groep kinderen wordt de situatie minder duidelijk. Er is verschil van opvatting over de toelaatbaarheid van deze kinderen tussen schoolcommissie en landelijke commissie. De conclusie zou kunnen zijn dat de kinderen blijkbaar niet eenduidig voldoen aan de gestelde criteria, en dat daarmee (v)so- indicatie dus niet aan de orde is. Deze kinderen dienen te worden opgevangen binnen de WSNS- zorgstructuur of in het VMBO. De vraag is of er voldoende grond is om nu deze conclusie te trekken. Is de problematiek bij deze kinderen zodanig dat opvang binnen WSNS en VMBO reëel is? Zijn de gestelde criteria wel voldoende in staat om goed te differentiëren tussen LGF enerzijds en WSNS of VMBO anderzijds. Omdat het hier hoe dan ook gaat om een groep leerlingen in een kwetsbare positie is er alle aanleiding om zorgvuldig te werk te gaan bij de beantwoording van deze vragen. Ik zou dan ook ruimte willen bieden om aanvullende criteria verder te ontwikkelen met het oog op de positie van deze groep kinderen waarover geen eenduidige indicatiestelling bestaat.


2.4

Hierbij stel ik wel een nadrukkelijke voorwaarde, namelijk dat de verdere ontwikkeling van aanvullende indicatiecriteria moet blijven leiden tot een beheersbare systematiek van indicatiestelling. De kans is groot dat juist bij deze groep leerlingen de aard van de zintuiglijke, lichamelijke of verstandelijke handicap of stoornis veel minder duidelijk is, en dat het accent van de problemen ligt binnen de onderwijsbeperking. Juist bij de vaststelling van de onderwijsbeperking blijken wij nog niet te beschikken over een goed instrumentarium. Dat zal ook verder ontwikkeld moeten worden. Of het lukt een effectief instrumentarium te realiseren valt niet met zekerheid te zeggen. Het is zeker de moeite waard om het te proberen, en daarvoor ook voldoende tijd te nemen. Er is echter een reële kans dat het resultaat van het verdere ontwikkelwerk inzake criteria (inclusief onderwijsbeperking) onvoldoende is om tot een beheersbare indicatiestelling te komen. In dat geval zal voor deze groep een andere oplossing gevonden moeten worden, wellicht binnen de kaders van WSNS en VMBO. In die situatie kan een beheersbare vorm van leerlinggebonden financiering in stand blijven voor de grote groep wel eenduidige indiceerbare leerlingen.


2.5

In het uitwerkingsoverleg van 9 maart j.l. is een eerste bespreking gewijd aan het GION- rapport. Tijdens dit gesprek is ook de wenselijkheid geformuleerd om bij de invoering van een systeem van leerlinggebonden financiering op basis van objectiveerbare indicatiestelling, in de eerste jaren ruimte te laten voor ontwikkeling en bijstelling van criteria. In het overleg zijn eerste suggesties besproken hoe een systematiek van indicatiestelling eruit zou kunnen zien, die ruimte biedt voor verdere ontwikkeling van criteria.

In het uitwerkingsoverleg is afgesproken om de gedane suggesties en eventuele nieuwe suggesties de komende weken verder te verkennen op voor- en nadelen. Waar mogelijk zal hierbij gebruik gemaakt worden van verdere uitkomsten van het evaluatie-onderzoek. De bedoeling is om het overleg hierover in april af te ronden.


3 REC vorming


3.1

In alle discussies rond LGF blijkt dat de wenselijkheid van REC vorming inmiddels breed ervaren wordt, ook al zal de bestuurlijke vormgeving nog de nodige voeten in de aarde hebben. Ook wordt steeds vanzelfsprekender dat het REC een belangrijke rol zal vervullen in het proces van indicatiestelling door de inrichting van onderzoeks- en adviescentra bij de REC.

Er zijn dit jaar beperkte middelen gereserveerd om de REC vorming te stimuleren. De facilitering ten behoeve van de REC's voor dit jaar zal erop gericht zijn de samenstelling van de REC's te consolideren. Wat betreft de samenstelling van de REC's zal er hier en daar nog aanpassing nodig zijn. Op enkele plaatsen doen zich nog vragen voor die voornamelijk te maken hebben met het uitgangspunt dat ieder REC over een VSO voorziening beschikt. In de faciliteringsregeling voor dit jaar wordt een procedure opgenomen om deze problemen op te lossen. De uitgangspunten hierbij zijn besproken in het uitwerkingsoverleg van
9 maart j.l.

In het uitwerkingsoverleg is tevens gesproken over het Experimenteerkader. Het Experimenteerkader kan mogelijkheden bieden voor de breed levende wens van speciale scholen om tot regionale spreiding van de onderwijs locaties te komen en om verbreed toe te kunnen laten. Een groter aantal lesplaatsen zal echter ook een aanzuigende werking kunnen hebben op de leerlingaantallen. Het experimenteerkader zal dan ook in samenhang met de onafhankelijke indicatiestelling ontwikkeld moeten worden met het oog op beheersbaarheid van de leerlingaantallen.


3.2

Inmiddels heeft een groot deel van de scholen de vragenlijsten in het kader van het taken en functieonderzoek voor de REC`s teruggezonden. Gezien de uitgebreidheid van de vragenlijsten is de inzendtermijn enige tijd verlengd. De uitkomsten worden door daartoe aangetrokken externe deskundigen verwerkt. Daarnaast zullen nog interviews gehouden worden, enerzijds om uitkomsten van de vragenlijsten te verhelderen en anderzijds om meer achtergrond informatie bij deze uitkomsten boven water te krijgen. De resultaten van deze activiteiten zullen de komende maanden in de verschillende clusteroverleggen besproken worden.

In mijn brief van 17 januari jl heb ik u bericht dat er een `overlegtafel regulier onderwijs' ingericht zal worden om vraagstukken rond de opvang van leerlingen met een rugzak in het regulier onderwijs te bespreken. De eerste bijeenkomst van dit overleg zal binnenkort plaatsvinden.


4. Leerlingtelling (V)SO 1999


4.1

In de bijlage bij deze brief zijn de gegevens opgenomen van de leerlingtelling op de teldatum 1 oktober 1999. Vermeld staan de volgende gegevens:

a. De aantallen leerlingen zowel in het so als (v)so die staan ingeschreven op de (v)so -scholen die vallen onder de WEC. Ter vergelijking zijn de telgegevens opgenomen vanaf 1 oktober 1991.

b. De aantallen leerlingen die ambulant begeleid worden in het basisonderwijs en in het voortgezet onderwijs. Ook hier zijn de gegevens opgenomen vanaf 1 oktober 1991.

c. De totale aantallen geïndiceerde leerlingen. Dit is voor elk van de onderwijssoorten de som van so en (v)so -leerlingen in de scholen (onder a), en de ambulant begeleide leerlingen in basis- en voortgezet onderwijs (onder b). De ontwikkeling van de aantallen geïndiceerde leerlingen sinds 1991 is apart zichtbaar gemaakt als percentage van de aantallen voor 1991, die op 100 zijn gesteld.

d. Voor elk van de onderwijssoorten, geordend naar clusters, zijn ook de gegevens opgenomen over de instroom van nieuwe leerlingen naar herkomst en de uitstroom van leerlingen naar bestemming. Ter vergelijking zijn de gegevens opgenomen vanaf 1992.


4.2

Uit de cijfers blijkt dat de leerlingenaantallen in het (v)so sterk groeien. Het totale aantal leerlingen in de (v)so- scholen komt in
1999 op 43.504; het aantal ambulant begeleide leerlingen in basis- en voortgezet onderwijs bedraagt 6332. De oorzaken van deze groei zijn uiteenlopend. Er is sprake van langere verblijfsduur, instroom van nieuwe leerlingen die eerder geen onderwijs volgden, meer ambulant begeleide leerlingen, e.d.

In hoeverre er ook kwalitatieve veranderingen in de leerlingenpopulatie zijn opgetreden, kan uit de cijfers niet opgemaakt worden.

Tegenover de groei van het (v)so staat een dalend leerlingenaantal in het speciaal basisonderwijs. In hoeverre er een verschuiving van leerlinggroepen van het speciaal basisonderwijs naar het so optreedt, kan niet vastgesteld worden. De leerlingendaling kan immers ook (deels) zijn opgevangen door de basisscholen zelf conform de bedoelingen van het WSNS-beleid. In het voortgezet onderwijs staat tegenover de groei van het (v)so ook een groei van de leerlingenaantallen in het praktijkonderwijs en leerwegondersteunend onderwijs. Van een verschuiving van leerlingengroepen lijkt geen sprake te zijn. Gelet op de complexiteit van de achtergronden van de groei, is er reden om in de indicatiestelling tot zorgvuldige keuzes te komen, die een beheersbare ontwikkeling in de leerlingenaantallen mogelijk maakt.

De ontwikkeling in het onderwijs staat overigens niet op zichzelf. In de zorgsector, in de jeugdhulpverlening en in de justitiële sector, nemen ook de aantallen voor hulp, behandeling en plaatsing geïndiceerde kinderen toe.

Om meer inzicht te krijgen in de achtergronden van de groei voert het ITS onderzoek uit. Een eerste rapport is in de december 1999 verschenen.

Op dit moment loopt nog het onderzoek naar de databestanden in andere sectoren die betrekking hebben op het voorkomen van handicaps, stoornissen en beperkingen.


5. Verdere planning


5.1

De komende maanden zullen vooral in het teken staan van de afronding van de evaluatie van de praktijktoetsing. Gelijktijdig zal gewerkt worden aan een systematiek van indicatiestelling die ruimte biedt voor ontwikkeling van criteria rekening houdend met de noodzaak om de aantallen geïndiceerde leerlingen beheersbaar te houden. Ook de uitkomsten van het taken- en functie onderzoeken komen beschikbaar. Streven is de indicatiesystematiek in de maanden tot de zomer te concretiseren.


5.2

In de brief van 17 januari is ook de voortgang besproken inzake de totstandkoming van het experimenteerkader voor de REC's en de wetgeving LGF. De systematiek van indicatiestelling vormt een cruciaal onderdeel voor experimenteerkader en wetgeving. Zolang de indicatiesystematiek nog niet op de hoofdlijnen uitgekristalliseerd is, kunnen experimenteerkader en wetgeving niet afgerond worden. Daarmee schuift de eerdere planning op naar mei/juni.


5.3

Ik blijf ernaar streven om de uitgangspunten van het LGF-beleid zoveel mogelijk per 01-08-2001 in te voeren. Wat betreft de REC- vorming biedt het Experimenteerkader daartoe de mogelijkheid.

Daarnaast worden nu de mogelijkheden verkend om de huidige regelingen voor ambulante begeleiding en aanvullende formatie in het basisonderwijs met ingang van het schooljaar 2001-2002 te herzien, zodat deze aansluiten bij de genoemde uitgangspunten. Concreet zou dit betekenen dat de toekenning van aanvullende formatie voor basisscholen met gehandicapte leerlingen gebaseerd wordt op een advies van een onafhankelijke indicatiecommissie.Deze verkenning wordt voor de zomer afgerond in verband met publicatie van herziene regelingen in het najaar.

De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

K.Y.I.J. Adelmund

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie