Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Verslag algemeen overleg Energierapport 1999

Datum nieuwsfeit: 17-03-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

Verslag algemeen overleg energierapport 1999

Gemaakt: 22-3-2000 tijd: 12:45


26898 Energierapport 1999

nr. 7 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 17 maart 2000

De vaste commissie voor Economische Zaken<1> heeft op 24 februari 2000 overleg gevoerd met minister Jorritsma-Lebbink van Economische Zaken over:


- de brief van de minister van Economische Zaken d.d. 9 november 1999 inzake de resultaten 1998 van de meerjarenafspraken over energie-efficiency (EZ-99-718);


- de brief van de minister van Economische Zaken d.d. 15 november 1999 inzake het Energierapport 1999 (26898, nr. 1);


- de brief van de minister van Economische Zaken d.d. 17 november 1999 inzake milieu en economie (25405, nr. 29);


- de studie WarmteKrachtKoppeling (stuk 26898, nr. 2);

- de brief van de minister van Economische Zaken d.d. 16 december 1999 over vragen en antwoorden over de voortgangsrapportage 1999 "Duurzame energie in uitvoering" (26800-XIII, nr. 40);


- de brief van de minister van Economische Zaken d.d. 16 december 1999 inzake elektriciteitstarieven (EZ-99-816);


- de brief van de minister van Economische Zaken d.d. 16 december 1999 over berichtgeving NRC-Handelsblad over verkopen van elektriciteit onder kostprijs (EZ-99-815);


- de brief van de minister van Economische Zaken d.d. 11 februari 2000 inzake het energierapport; aanvullende studie WarmteKrachtKoppeling (26898, nr. 3);


- de brief van de minister van Economische Zaken d.d. 16 februari 2000 inzake het AER-advies naar aanleiding van het Energierapport 1999 (EZ-00-95);


- de brief van de minister van Economische Zaken d.d. 18 februari 2000 inzake windenergie.

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissie

Mevrouw De Boer (PvdA) stelde dat het energierapport haar niet vrolijk stemt. Hoewel duidelijk was dat de duurzaamheidsdoelstellingen voor
2000 niet gehaald worden, had zij toch gehoopt dat in het energierapport aangegeven zou worden met welke concrete maatregelen een start kan worden gemaakt om een inhaalslag te maken. Er worden echter geen concrete maatregelen aangedragen. Dat betekent dat het energierapport een "sense of urgency" mist.

Het kabinet ziet voor de overheid een rol als regisseur op de energiemarkt weggelegd. Dan zal dan wel een handelende regisseur moeten zijn, een regisseur die de spelers op een andere plaats zet om het totale resultaat te verbeteren. Het niet halen van de doelstellingen betekent dat de overheid zou moeten ingrijpen om de doelstelling wel te halen. Dat betekent dat het beleid geïntensiveerd zou moeten worden. Er is in de maatschappij nog onvoldoende besef van de noodzaak tot het implementeren van meer duurzame energie, energie-efficiency en het brandstofvermijdende energiegebruik. In de meeste studies bouwkunde ontbreekt de aandacht voor duurzame energie en energiebesparing. Zij verzocht de minister haar collega's van VROM en van OCW te verzoeken er bij de onderwijsinstellingen op aan te dringen vooral aan dat aspect aandacht te besteden.

Mevrouw De Boer pleitte voor het introduceren van tussendoelen, uitgesplitst naar energiesoort, waarbij monitoring plaatsvindt van de mate waarin energie bespaard wordt. Aan de hand van de resultaten daarvan kan ingegrepen worden wanneer blijkt dat de inhaalslag niet gemaakt wordt. Door het stellen van doelstellingen op de korte termijn, worden de doelstellingen op de lange termijn dichterbij gehaald. Het leek haar zinvol om het energierapport, dat tot nu toe eens in de vier jaar verschijnt, elke twee jaar uit te brengen.

Vervolgens stelde mevrouw De Boer dat het energierapport ook een visie op de energievoorziening voor de zeer lange termijn, dus na 2020, zou moeten bevatten. Zij pleitte tevens voor het stimuleren van alle vormen van energiebesparing, voor het gebruik van duurzame energie en voor het zo efficiënt mogelijk gebruik maken van fossiele brandstoffen en dan ook in die volgorde van milieubelang. Is het zinvol om gradaties in duurzaamheid aan te brengen? Dit zou bijvoorbeeld betekenen dat een instrument als de WKK ook tot de duurzame instrumenten behoort. Het gaat erom dat men zich realiseert dat er meer wegen zijn die naar Rome leiden en dat van alle mogelijkheden die leiden tot CO2-winst gebruik moet worden gemaakt.

Het verheugde mevrouw De Boer dat in het energierapport de nodige aandacht wordt besteed aan het gebruik van warmte als energiebron. Warmte wordt nog steeds verspild. In Nederland is de vraag naar warmte het grootst. Het gaat daarbij om 82% van de totale energiemarkt tegenover 18% vraag naar elektriciteit. Die warmtebehoefte zou voor een deel gedekt kunnen worden uit restwarmte en verwarmd afvalwater. Zij stelde voor over de verspilde warmte belasting te heffen. Zij overwoog op dit punt een motie in te dienen in het debat over het verslag van dit algemeen overleg, afhankelijk van de reactie van de minister.

Het kabinet gaat uit van een vraaggerichte aanpak. Uit het energierapport blijkt dat het kabinet de vraag afzet tegen het aanbod. Dat is echter een verkeerd uitgangspunt, want de vraag moet worden afgezet tegen de te behalen doelstellingen. Als het behalen van die doelstellingen achterblijft, zoals nu het geval is, zal ook gestuurd moeten worden op een aanbodgerichte aanpak. Dat is in onvoldoende mate gebeurd. In dit verband leek het haar niet meer dan logisch dat alle ministeries en ook de Tweede Kamer verplicht worden groene stroom af te nemen, zoals het ministerie van EZ nu al doet. Ook op dit punt overwoog zij het indienen van een motie in het debat over het verslag van dit algemeen overleg.

Mevrouw De Boer sprak vervolgens over de vraagbevordering door middel van de verplichting tot het afnemen van een percentage duurzame energie. Uit het energierapport blijkt dat de minister daar niet veel voor voelt. De minister beroept zich daarbij onder andere op het standpunt van EnergieNed. Maar partijen als de Algemene energieraad en het NUON zijn grote voorstanders van een verplichting. EnergieNed stelt in haar commentaar op het energierapport dat het openen van de markt voor groene energie op korte termijn mogelijk is, maar alleen als het aangekondigde certificatensysteem geïmplementeerd is. Verder wordt in een KPMG-rapport van oktober 1999 geconstateerd dat een vrijwillig systeem van groencertificaten alleen zinvol is wanneer er voldoende spontane vraag is naar duurzame energie en de bereidheid bestaat daarvoor extra te betalen. Mevrouw De Boer vond beide stellingen niet overtuigend. Zij was van mening dat aan een verplichting tot afname van een percentage duurzame energie niet te ontkomen valt. Overigens was zij ook van mening dat de boetes die opgelegd moeten worden ingeval niet de afgesproken hoeveelheid duurzame energie wordt afgenomen, dermate hoog moeten zijn dat daarvan een sterke incentive uitgaat om aan de afspraken te voldoen.

De energiebedrijven die de afgelopen jaren actief in duurzame energie hebben geïnvesteerd vragen zich af hoe de minister zich voorstelt de eind 2000 bereikte resultaten te behouden en, liever nog, te zien groeien. Bedrijven die pas voor het jaar 2000 labels hebben aangekocht of de nieuwe toetreders kunnen als die verplichtingen niet worden geïntroduceerd probleemloos een "free ridersgedrag" manifesteren. Daarmee worden de lasten van de CO2-besparing geheel op de schouders van de goedwillenden gelegd. Dat is niet alleen onrechtvaardig, maar daarmee wordt ook geen draagvlak gecreëerd voor het overheidsbeleid voor duurzame energie.

De MAP-afspraken hebben geleid tot een bij de distributiebedrijven onderling afdwingbare afspraak om in 2000 3,2% van de afzet elektriciteit in 1995 aan MAP-plichtige klanten om te zetten in duurzame energie. Dat heeft bij de energiebedrijven geleid tot langjarige en jaarlijkse verplichtingen. Voor een deel zijn het voorfinancieringen. Het niet invoeren van verplichte afname in 2001 betekent dat deze voorgefinancierde maar nog niet afgenomen groene energieproducten gewoon worden "vermarkt". De vraag die anders zou ontstaan naar meer groene producten, wordt nu ingevuld door het wegvallen van die MAP-verplichting. Dat is ongewenst, omdat het rijk daarmee een situatie schept, waarin geen gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid om die vrijwillige afspraken als uitgangspunt te hanteren voor het verplichtingenbeleid. Dat zou jammer zijn, temeer daar er bij de sector zo'n groot draagvlak voor is en er zelfs een roep is om wettelijke verplichtingen. Een basisverplichting op grond van artikel
53 van de Elektriciteitswet is de beste manier om de voortgang die een aantal bedrijven al geboekt hebben vast te houden en uit te bouwen. Zo wordt tevens voorkomen dat anderen zich aan hun verantwoordelijkheid kunnen onttrekken. Is met de uitwerking van een dergelijk systeem al een start gemaakt? Mevrouw De Boer stond een verplichtingensysteem voor ogen waarbij een lijn getrokken wordt tussen het bereikte resultaat in 2000 en het beoogde doel in 2020 en daarop jaarlijks het verplichte percentage te bepalen. Deze jaarlijkse doelstellingen op de korte termijn zijn meer hanteerbaar en zullen het eindresultaat in
2020 meer bereikbaar maken. Zij refereerde hierbij aan de motie-Crone die vorig jaar is ingediend. Afhankelijk van het antwoord van de minister zal de motie nader worden aangescherpt.
Vervolgens ging zij in op de rol van de markt. Geconstateerd kan worden dat de markt zeker bereid is om initiatief te nemen. Onlangs was zij op de hoogte gebracht van het initiatief om een groen stopcontact te ontwikkelen. Zo'n systeem, mits grootschalig ingevoerd, zou een uitstekend instrument zijn om de consumenten nog meer te stimuleren tot het afnemen van groene stroom. Dit is nu typisch een kans voor de overheid om als regisseur op te treden door een dergelijk initiatief te ondersteunen.

In de gebouwde omgeving, zeker als het om nieuwbouw gaat, is het mogelijk op relatief eenvoudige en goedkope wijze veel energie te besparen. Dat geldt ook voor de grote herstructureringsopgave waar onlangs ISP-middelen voor ter beschikking zijn gesteld. Door middel van zonneboilers, warmtepompen zijn geweldige besparingen te behalen. In dat kader was zij voorstander van een versnelde verlaging van de EPN. Hoe staat de minister tegenover de voorstellen van de PvdA om de EPN tot 0,8 aan te scherpen? Of vindt de minister dit nog te weinig ambitieus?

Mevrouw De Boer wees op de doelstelling om 80.000 zonneboilers in 2000 op te stellen. Die doelstelling is bij lange na nog niet gehaald. Er zullen in dit kader meer stimuleringsmaatregelen genomen moeten worden. Zij dacht onder andere aan een vrijstelling van REB voor eigenaren van huizen met zonneboilers. Zij was ook voorstander van het voeren van een gericht warmtebeleid en drong aan op het stimuleren van een groter gebruik van warmtepompen.

Zij complimenteerde de minister met de plannen om een proefpark voor wind op zee voor de kust van Egmond te realiseren. Voor het overige vond zij echter dat de regering niet veel voortgang maakt met de plannen voor het gebruik van windenergie. Ook hier geldt een absoluut gebrek aan "sense of urgency" in het energierapport. De brief van de minister van 18 februari stelde teleur. De voorstellen die naar voren gebracht worden betreffen zaken die alleen maar effect sorteren op de lange termijn. Er wordt bijvoorbeeld gesteld dat er een groot nationaal windpark moet komen voor 1500 MW. Zij drong er bij de minister op aan uitvoering te geven aan het PvdA-plan "Energie voor de wind", omdat hierin plannen staan die op de korte termijn uitgevoerd kunnen worden, en kondigde aan hierover een motie in te zullen dienen.

Mevrouw De Boer deelde de zorg van de minister over de WKK-ontwikkeling. Zij was benieuwd of alle maatregelen die in het energierapport genoemd worden per 1 juli van kracht worden. Aangezien WKK voor Nederland buitengewoon belangrijk is, drong zij aan op extra maatregelen voor de lange termijn. Zo'n visie voor de lange termijn zou opgenomen moeten worden in het energierapport. WKK-elektriciteit die aan het openbare net wordt geleverd geldt niet als duurzaam, maar het is wel brandstofbesparend. Met het oog hierop leek haar een stimulans in de zin van een brandstofbesparende premie voor aan het openbaar net geleverde WKK-elektriciteit een goede gedachte. De tariefsystemen bij zowel de elektriciteits- als de gassector zijn niet bepaald stimulerend voor decentraal opgewekte energie, waartoe de meeste duurzame energie behoort. Het is ook onbegrijpelijk waarom een producent van WKK-elektriciteit, die niet op het hoogste spanningsniveau aan het net levert, daar toch voor moet betalen. Zij vond dat de WKK-installaties van een keurmerk moeten worden voorzien. Tevens was zij voorstander van een heffing op verspilde warmte.

Mevrouw de Boer pleitte ervoor een groter deel van het beschikbare afval om te zetten in elektriciteit. Ook niet 100% schone, maar uit een oogpunt van energiebesparing wel degelijk milieusparende biomassa of afval, zou in aanmerking moeten komen voor een financiële ondersteuning. Een en ander kan genuanceerd worden naar de mate van effectiviteit en rendement.

Zij was er niet van overtuigd of het op grote schaal opstoken van daartoe aangeplante productiebossen zich verhoudt tot het behoud van de schaarse open ruimte. Ook was zij beducht voor te enthousiast reageren op de invoer van hout uit bijvoorbeeld de Baltische staten om in Nederland te verbranden. Welke wetenschappelijke gegevens liggen ten grondslag aan dat beleid. Is er een "life cycle analysis" gemaakt? Kan de minister alle twijfels over dit aspect wegnemen door meer gegevens ter beschikking te stellen?

Mevrouw De Boer vond het een buitengewoon slechte zaak dat groene stroom uiteindelijk duurder is dan het gebruik van fossiele stroom. Het blijkt niet mogelijk te zijn om groene stroom goedkoper te maken dan fossiele stroom, maar het zou misschien wel goedkoper kunnen dan nu het geval is. Kan de minister daar duidelijkheid over geven? Zij bracht nog naar voren dat NUON zijn verbruikers in Nijmegen die groene stroom wilden afnemen moest meedelen dat de voorraad helaas op was. NUON stelde de verbruikers voor te kiezen uit stroom die opgewekt is uit kernenergie of fossiele energie. Vindt de minister dat dit voorbeeld navolging verdient?

De eerste generatie meerjarenafspraken loopt af in 2000. Daarna komt er een tweede generatie voor de bedrijven die niet aan benchmarking doen. Vindt er een evaluatie plaats van die eerste generatie? Op basis daarvan zou een oordeel geveld kunnen worden over de tweede generatie.

Mevrouw De Boer stelde tot slot dat het de minister nooit ontbroken heeft aan ambitie en daadkracht. Zij hoopte dat dit ook zal blijken bij het beleid ten aanzien van duurzame energie.

De heer Crone (PvdA) begreep niet dat met liberalisering van de energievoorziening gewacht moet worden tot 2004, temeer daar het in alle omringende landen sneller zal gaan. In Duitsland is het nu al vrij. Hij verzocht om een overzicht van de gang van zaken in Duitsland voordat over de liberalisering uitvoerig met de Kamer zal worden gedebatteerd in maart.

Er wordt een onderscheid gemaakt tussen de middelgrote en de kleine verbruikers. De grote verbruikers zijn al vrij. Uit gegevens over de versnelling van de liberalisering in andere landen blijkt dat er geen reden is om dat onderscheid aan te brengen. Is die marktsegmentering tussen kleine en middelgrote verbruikers wel wenselijk?

De heer Crone wees op een amendement van zijn hand om de service aan consumenten goed te regelen, niet alleen via een gedragscode, maar ook via toezicht van de dienst toezicht en eventueel sancties toe te passen. Daarop is de minister in haar brief niet ingegaan. Hij vroeg om een uitwerking voor het debat in maart.

Met betrekking tot de NUON-affaire merkte de heer Crone op dat in de wet is geregeld dat de prijs voor de verbruikers wordt vastgesteld op basis van de enkele jaren geleden vastgestelde prijs, met daarin verdisconteerd een jaarlijkse productiviteitsdaling. Alle NUON-gebruikers hebben en houden dus recht op een prijsdaling. Hij nam aan dat de minister dat kan bevestigen. Voor het overige is het aan de aandeelhouders om te bepalen hoe zij omgaan met wat er is gebeurd.

De heer Van den Akker (CDA) constateerde dat de meerjarenafspraken en de convenanten succesvol zijn gebleken. De doelstelling van 20% energie-efficiencybesparing in de periode van 1989 tot 2000 zal zeker worden gehaald. Hiermee is het bewijs geleverd dat het instrument goed heeft gewerkt, ondanks de kritiek die er oorspronkelijk op werd geuit. Met de energie-intensieve bedrijven zijn nieuwe afspraken gemaakt in de vorm van het benchmarkingconvenant. Hij hoopte dat dergelijke afspraken in de toekomst ook voor andere milieucompartimenten perspectief bieden. Hoe staat het met de meerjarenafspraken voor de komende tien jaar? De meeste meerjarenafspraken lopen dit jaar of op 1 januari 2001 af. Ook de meerjarenafspraak voor de glastuinbouw loopt af op 1 januari 2001. Is er al zicht op een nieuwe afspraak? Hij pleitte voor terughoudendheid met het invoeren van nieuwe wet- en regelgeving die de meerjarenafspraken kunnen beïnvloeden. Als voorbeeld noemde hij de REB -- de regulerende energiebelasting -- andere regels met betrekking tot WKK in de Elektriciteitswet of in de Gaswet. Om bij het bedrijfsleven draagvlak te behouden voor de meerjarenafspraken en om tussentijdse opzeggingen te vermijden, is het buitengewoon belangrijk om terughoudend te zijn met tussentijdse veranderingen van de afspraken.

Hij deelde in hoge mate de kritiek op het energierapport die de Algemene energieraad heeft geuit waar het gaat om het ontbreken van een kritische analyse van de resultaten van het tot nu toe gevoerde beleid. Bovendien is het rapport onvolledig, omdat belangrijke onderwerpen als infrastructuur, kolencentrales en dergelijke, niet aan de orde komen. De AER vindt de informatievoorziening te kort schieten en vindt dat een betere cijfermatige onderbouwing van het beleid gewenst is.

De rol van de overheid wijzigt van speler naar regisseur. Er mag echter absoluut geen twijfel over bestaan dat overheidsingrijpen op enkele punten gerechtvaardigd is en wel wanneer het erom gaat een eerlijke concurrentie te waarborgen, wanneer kleinverbruikers moeten worden beschermd -- niet alleen particulieren, maar ook het midden- en kleinbedrijf -- en wanneer het gaat om duurzame energie. Liberalisering betekent niet dat de overheid zich helemaal nergens meer mee mag bemoeien en dat zij alles aan de sector kan overlaten. Kortom, de overheid heeft wel degelijk een belangrijke nutsfunctie. Die nutsfunctie bestaat erin dat zij te allen tijde aan burgers en bedrijven een betrouwbare en leveringszekere elektriciteitsvoorziening moet kunnen garanderen, geproduceerd onder milieuverantwoorde voorwaarden. Dat moet het uitgangspunt zijn bij liberalisering en privatisering.

De AER gaat in zijn advies uitvoerig in op de thema's die aan de orde zijn, namelijk een betrouwbare, betaalbare en schone energievoorziening. Betrouwbaarheid is afhankelijk van een goed functionerende infrastructuur. Voor elektriciteit is voor een andere opzet gekozen dan voor gas. Bij het eerste geldt een regulerende toegang en voor gas geldt een vorm van onderhandelde toegang. Ook is er sprake van een scheiding tussen levering en netbeheer. In het rapport van de AER wordt gevraagd of en zo ja, waarom het verschil tussen gas en elektriciteit in de toegang tot de infrastructuur en de scheiding van netbeheer en levering gehandhaafd moet blijven in het licht van de beleidsdoelstellingen van het liberalisatieproces.

Hij vond dat het voorbeeld dat de minister in het energierapport gaf met betrekking tot het Verenigd Koninkrijk enige nuancering verdient. Het Verenigd Koninkrijk had ten opzichte van Nederland een grote inhaalslag te maken. De vergelijking loopt mank. Wat de liberalisering van de energievoorziening betreft moet Engeland dus zeker niet als het grote voorbeeld worden gezien.

De AER heeft terecht gesteld dat de overheid de consument geen rad voor ogen mag draaien. De raad stelt terecht dat onvoldoende onder de aandacht van de consument wordt gebracht dat, hoewel liberalisatie tot lagere kosten kan leiden, de overheid de beleidskeuze heeft gemaakt voor hogere consumentenprijzen in de veronderstelling dat daarmee het verbruik af zal nemen. Een en ander zou duidelijker onder de aandacht van de consument gebracht moeten worden, anders worden er valse verwachtingen gewekt.

De heer Van den Akker vroeg zich af of Nederland klaar is voor de versnelde liberalisering. De minister stelt in het energierapport dat uiterlijk 2003 alle afnemers toegestaan moeten worden de eigen energieleverancier te kiezen en dat de middengroep dat in 2001 kan. De minister stelt in haar brief van 17 februari dat liberalisering voor de middengroep per 1 januari 2002 en voor de kleinverbruikers per 1 januari 2004 mogelijk is, met de mogelijkheid middels een wettelijke regeling deze groep reeds in 2003 te liberaliseren. De chaos in de elektriciteitswereld stemde hem uitermate sceptisch op dit punt. Van versnelde liberalisering kan alleen sprake zijn als een grondige evaluatie van de wet heeft plaatsgevonden en de conclusie kan worden getrokken dat alles perfect functioneert. Vastgehouden moet worden aan de cruciale voorwaarde dat de overheid in haar nutsfunctie een betrouwbare en leveringszekere elektriciteitsvoorziening moet kunnen blijven garanderen aan alle burgers en bedrijven, tegen een redelijke prijs en onder milieuvriendelijke voorwaarden geproduceerd. Daarbij staat de kleinverbruiker centraal. Nu is het goed geregeld. De kleinverbruiker is in ieder geval tot 2007 beschermd en hij kan meeprofiteren van de voordelen van de liberalisering. Hoe kan de overheid haar nutsfunctie waarmaken in een geliberaliseerde en geprivatiseerde markt? Tenzij de minister alsnog met overtuigende argumenten komt, zag hij er niets in om nu bij wet te regelen dat versnelde liberalisering op de genoemde data zou moeten ingaan. Dat neemt echter niet weg dat in de tussentijd heel wat maatregelen genomen kunnen worden om naar die data toe te werken. Kan de minister aangeven welke maatregelen er sowieso genomen kunnen worden, zonder dat de data van de versnelde liberalisering bij wet geregeld worden? Tot nu toe heeft de minister niet bewezen het proces van liberalisering goed in de hand te hebben. Een conclusie is duidelijk: er is chaos. Een duidelijke regie ontbreekt. Liberalisering is niet hetzelfde als achterover leunen en alles aan de markt overlaten. Er is een duidelijke management- en regiefunctie nodig. De minister moet eerst maar eens bewijzen dat zij het goed kan organiseren, dat alles perfect loopt via evaluatie van de wet en een stevige discussie in de Kamer en niet op de laatste plaats met alle betrokkenen. Dan pas is een wettelijke regeling zinvol.

In de brief van 17 februari van de minister staat dat met belangenorganisaties is gesproken, onder andere met de Vereniging voor energie en water en dat de organisaties bereid zijn om gezamenlijk initiatieven te nemen ten aanzien van het aanbod en de leveringszekerheid, transparantie en evenwichtige contracten. Uit een recent ontvangen brief van de Vereniging voor energie en water blijkt echter dat het gestelde van de minister in de brief van 17 februari volstrekt onjuist is. De minister schrijft in haar brief dat de land- en tuinbouworganisatie het initiatief heeft genomen met de Gasunie te overleggen over de gevolgen van de geliberaliseerde markt. Uit gesprekken met het LTO en met andere partijen in het kader van warmtekrachtkoppeling is de heer Van den Akker gebleken dat van overleg geen sprake is. Erger nog, de Gasunie verwijst naar het ministerie en het ministerie verwijst naar de Gasunie. Zoals bekend is de land- en tuinbouwsector tegen versneld liberaliseren. Deze sector vraagt om meer tijd en pleit voor invoering per 2005, zodat zij zich op een goede manier op die ingrijpende wijzigingen en de gevolgen daarvan kan voorbereiden. Tenzij de minister met overtuigende argumenten komt, geldt voor de fractie van het CDA als het gaat om versneld liberaliseren "neen, tenzij...".

Het rapport van Anderson Consulting van 25 januari "Quick scan kritieke pad voor een verantwoorde liberalisering in Nederland" heeft het liberaliseringsproces van een aantal landen op een rijtje gezet. De conclusie is: bezint eer gij begint, maar houdt wel druk op de ketel.

De doelstelling van 3% duurzame energie in 2000 wordt niet gehaald. Het energierapport geeft geen analyse en gaat niet in op de redenen waarom dit niet wordt gehaald. Het rapport schiet te kort op het punt van duurzame energie. Bovendien is de definitie van duurzame energie ingeperkt, terwijl de doelstelling hetzelfde is gebleven. Ook spreekt uit het energierapport überhaupt geen sense of urgency. In het SER-advies over de uitvoeringsnota Klimaatbeleid wordt aangestuurd op een deltaplan. Daarvan is niets terug te vinden in het energierapport.

De heer Van den Akker wees in dit verband op een door hem ingediende en onlangs aangenomen motie om de helft van de woningen in nieuw te bouwen Vinex-locaties van zonnepanelen te voorzien en een en ander te financieren uit de nog openstaande MAP-gelden. De bedoeling van de motie was om de vraag naar zonnepanelen open te breken. Er schijnt een brief in voorbereiding te zijn aan de Kamer, waarin gesteld wordt dat de kosten te hoog zijn ten opzichte van het milieurendement dat dit oplevert. Is dit waar?

Hij stelde vervolgens dat de doelstelling voor windenergie van 1000 MW niet gehaald wordt in 2000. Nederland was tien à vijftien jaar geleden op het gebied van windenergie leidend en had ook een bloeiende windmolenindustrie. Die leidende positie heeft Nederland helemaal niet meer. Landen als Denemarken en Duitsland hebben ons wat dat betreft volstrekt overvleugeld.

Warmtekrachtkoppeling mag dan geen vorm van duurzame energie zijn; het is wel een spaarzame vorm van energievoorziening. Tot voor kort was ook deze vorm van energievoorziening buitengewoon succesvol en droeg bij tot een substantiële reductie van de CO2-uitstoot. Ook wat dit betreft zijn wij hard op weg een succesverhaal op een vakkundige manier om zeep te helpen. Bij de behandeling van de Elektriciteitswet is de positie van warmtekrachtkoppeling in een geliberaliseerde markt verschillende keren aan de orde gekomen. De minister heeft daarbij benadrukt dat warmtekrachtkoppeling in een vrije markt niet in de problemen zou komen. Voorstellen tot versterking van de positie van warmtekrachtkoppeling, onder meer afkomstig van de CDA-fractie, werden door de minister terzijde geschoven. Op instigatie van de heer Loudon, tijdens de behandeling van de Elektriciteitswet, is evenwel besloten tot het uitvoeren van een studie: de ECN-studie. De conclusies daarin zijn duidelijk. Bij het uitblijven van een krachtig beleid zal de in het verleden door de overheid zo krachtig gestimuleerde warmtekrachtkoppeling het loodje leggen. Deze uitkomst is voor de CDA-fractie volstrekt onaanvaardbaar. Met warmtekrachtkoppeling wordt een belangrijke bijdrage geleverd aan een duurzame en milieuhygiënische energievoorziening. Eén van de uitgangspunten van de Elektriciteitswet. Er moeten zowel op de korte als op de lange termijn maatregelen genomen worden om te voorkomen dat warmtekrachtkoppeling in de geliberaliseerde markt zal worden afgebouwd. De heer Van den Akker had het voornemen, afhankelijk van de antwoorden van de minister, op dit punt moties in te dienen.

Op grond van de in de Elektriciteitswet vastgestelde tariefstructuren mag de ontwikkeling van warmtekrachtkoppeling niet onnodig worden belemmerd. In artikel 26e van de Elektriciteitswet is immers uitdrukkelijk bepaald dat bij het vaststellen van de infrastructuren rekening moet worden gehouden met een duurzame en milieuhygiënische energievoorziening. Er ontbreekt in de tarievencode een duidelijke regeling, waarbij netbeheerders de door de decentrale opwekkers bespaarde netkosten teruggeven. De huidige regeling, waarbij decentrale opwekkers moeten aantonen dat zij netkosten besparen, voordat zij de financiële voordelen van deze besparing ook daadwerkelijk krijgen uitgekeerd, doet geen recht aan artikel 26e van de Elektriciteitswet. Kosten kunnen op verschillende manieren worden toegerekend. Zo kan een verbruiker worden afgerekend op capaciteit of op energieverbruik. De door de minister vastgestelde tariefdrager is sterk nadelig voor warmtekrachtkoppeling. Deze keuze impliceert namelijk dat, zelfs wanneer warmtekrachtkoppeling geen elektriciteit onttrekt van het openbare net, toch het volledige transporttarief moet worden betaald. Dit is zeer nadelig voor warmtekrachtkoppeling en verdraagt zich niet met het uitgangspunt van duurzame en milieuhygiënische energievoorziening. De tariefdrager moet daarom worden gewijzigd in kW en/of KWh. Met deze keuze wordt de mogelijkheid gegeven rekening te houden met het in de Elektriciteitswet verankerde uitgangspunt dat de tariefstructuren een duurzame en milieuhygiënische energievoorziening moeten bevorderen.

Een derde maatregel in dit verband betreft een voorziening in het kader van de regulerende energiebelasting, waarbij de meerwaarde voor warmtekrachtkoppeling -- energiebesparing -- wordt vertaald in een fiscaal voordeel. De heer Van den Akker pleitte voor een grondige evaluatie van de tariefstructuur medio 2000 en niet pas in 2002. Daarbij zal dan met name naar de transport- en de systeemdiensten gekeken moeten worden. Is verbetering mogelijk door een juiste toepassing van het kostenveroorzakingsprincipe, kostentoerekening en prikkels tot doelmatig handelen?

De heer Van Walsem (D66) constateerde dat, hoewel een aantal sectoren de beoogde efficiencybesparing niet gehaald hebben, grosso modo geconcludeerd kan worden dat de meerjarenafspraken tot goede resultaten hebben geleid.

Naar aanleiding van de brief van de minister van 17 november 1999 inzake milieu en economie stelde hij dat op verzoek van de fractie van D66 een onderzoek is gedaan naar een groen nationaal inkomen. De minister schrijft dat de afrondingsfase tot medio 2000 zal duren. De heer Van Walsem vreesde dat het onderzoek hierdoor zal stagneren en vroeg naar de stand van zaken op dit punt.

Hij was voorstander van het zo spoedig mogelijk doorvoeren van een versnelling van de liberalisering van de energievoorziening, waarover in maart uitvoerig gedebatteerd wordt en wees op de ontwikkelingen in buurlanden die bijzonder snel gaan. Het staat buiten kijf dat bij zo'n proces zorgvuldigheid in acht moet worden genomen.

Ook de heer Van Walsem was er voorstander van tweejaarlijks een energierapport te laten verschijnen om de vinger aan de pols te houden en ging vervolgens in op de inhoud van het rapport.

De betrouwbaarheid van de energievoorziening is van groot belang. Met het oog hierop ging hij akkoord met het beleid van het uitputtingstempo, waarbij inbegrepen een specifieke beperking voor het gasveld Groningen ten gunste van een exploitatie van de kleine gasvelden.

Het energierapport rept niet over de internationale transportverbindingen, die toch voor marktpartijen van groot belang zijn. Meer transparantie op dit punt is zeker gewenst. Wie is bijvoorbeeld verantwoordelijk voor de uitbreiding van de capaciteit?

Het sluiten van kolencentrales heeft een positieve uitwerking op het terugdringen van de CO2-uitstoot. Deze mogelijkheid wordt in het energierapport niet besproken en ook niet over het eventuele opslaan van CO2 in lege aardgasvelden, tevens een probaat middel tegen verzakkingen. Wordt daar onderzoek naar gedaan?

De Europese markt is zeker nog geen volkomen open markt. Wat te denken van de subsidies op de Duitse kolenstromen en de Franse kernenergiestromen? Is de minister bereid om deze subsidies aan de orde te stellen in de Energieraad van de Europese Unie? Is het denkbaar en uitvoerbaar dat Nederland op grond van het mededingingsrecht en op grond van de milieukwaliteit deze importen verbiedt? Is het ter wille van een bewuste keuze door de afnemers niet noodzakelijk energieproducenten te laten rapporteren waar, door wie en op welke wijze de door hen geleverde energie wordt geproduceerd? Wellicht zou eenzelfde verplichting moeten gelden als voor grootverbruikers geldt. Is de minister het eens met de stelling dat vraagstimulering een noodzakelijke voorwaarde is om voldoende duurzame energie op te wekken in het kader van de post-Kyotoafspraken?

Het beleid ten aanzien van zonne-energie is te passief. Stimulering van de vraag zal de prijs doen dalen en dus meer bereikbaar maken. Te denken valt hierbij aan het opleggen van verplichtingen bij nieuwbouw en het neerzetten van een megazonnefabriek.

In het energierapport wordt te veel uitgegaan van de beschikbare fossiele brandstofvoorraden en wordt te weinig naar de nadelige effecten van deze brandstoffen gekeken. Uitfasering van de kolencentrales dient dichterbij gehaald te worden en nog beter is het als daarvoor in de plaats warmte-krachtcentrales zouden komen. Uit een oogpunt van kosteneffectiviteit zou dit een heel goede investering kunnen zijn.

De heer Van Walsem proefde uit de Energienota een pleidooi voor het in stand houden van kerncentrales. Hij vond dat misplaatst, gezien de resultaten van de jarenlange discussie hierover. Het resultaat van die discussie was dat er geen kernenergie in Nederland moet worden opgewekt en hij vond dat het daarbij moet blijven.

Hij was tevreden over de initiatieven om een offshorewindmolenpark te realiseren. Hij sloot zich kortheidshalve aan bij de opmerkingen van mevrouw De Boer over de installatie van windmolens op het land.

Het plan van aanpak voor een overgangsbeleid van het Productschap tuinbouw en LTO-Nederland sprak de heer Van Walsem aan. Op grond van hun bevindingen over de gevolgen van de liberalisering van de energievoorziening en de samenhang met andere aspecten waarmee de tuinbouw geconfronteerd wordt, pleitte hij ervoor om het overgangsregime te verlengen, wellicht tot 2005.

Voor duurzame energie zouden tussentijdse doelstellingen tussen 2010 en 2020 gesteld moeten worden. Op die manier zal duidelijker zijn of de doelstellingen haalbaar zijn. Een verplichte afname van duurzame energie leek hem onontbeerlijk. De vraag moet gestimuleerd worden om voldoende aanbod te genereren, conform het advies van de AER. Hij was voor een vrije rechtstreekse levering van duurzame energie door producenten aan eindgebruikers, met eenzelfde fiscale behandeling als nu geldt. Handel in certificaten die niet gebonden is aan fysieke levering van energie betekent pas een echte vrije markt voor de groencertificaten. Hij stelde voor een experiment met groencertificaten in Beneluxverband te starten. Verder vond hij dat de REB meer gericht moet worden op duurzame bronnen.

Door inzet van WKK-vermogen kan een energiebesparing van zo'n 20% gerealiseerd worden. In het energierapport gaat veel aandacht uit naar de elektriciteitsleveranties en weinig naar warmteleveranties, terwijl
80% van de Nederlandse energievraag warmte betreft. Decentrale opwekking is de methode om geproduceerde warmte optimaal te benutten. Een opwekker van duurzame energie die deze zelf consumeert, krijgt geen REB teruggesluisd. De heer Van Walsem vond dat gemeten moet worden aan de productiebron. Ook was hij voor een financiële waardering van de hogere energie-efficiency van WKK bijvoorbeeld via een REB-vergoeding voor WKK-stroom of WKK-warmte die evenredig is aan de uitgespaarde hoeveelheid brandstof. Deze uitgespaarde hoeveelheid zou op dezelfde manier gewaardeerd moeten worden als duurzaam opgewekte energie. Ook valt te denken aan REB in de vorm van een CO2-heffing. Stimulering van duurzame energie kan bijvoorbeeld ook door het geven van prioritaire toegang tot het distributienet of gratis transport voor groene stroom over het distributienet. Ook is het noodzakelijk dat er binnen Europa een gelijke definitie van duurzame energie komt.

Het energierapport besteedt weinig aandacht aan de biomassa. Het is belangrijk dat er duidelijke en haalbare emissienormen worden vastgesteld, ook voor de kleine installaties. Het gebruik van bio-energie is van groot belang voor het halen van de energie-effieciencydoelstellingen. Hij pleitte voor het gebruik van niet 100% schone maar uit een oogpunt van energiebesparing wel degelijk milieusparende biomassa of afval en dit onder de REB te brengen, ook bij niet-netlevering.

Het kost ongeveer 3 mld. om van 1,5% naar 2% energiebesparing te gaan. Dat wordt niet nader uitgewerkt in het energierapport. Kan de minister dit nader toelichten?

De heer Klein Molekamp (VVD) onderschreef het energierapport op hoofdlijnen. Dat houdt in dat er een versnelde liberalisering van de elektriciteitsmarkt moet komen en een ondersteuning van het beleid voor duurzame energie.

Het energierapport stelt bij de duurzaamheidsdiscussie dat vraaggericht beleid voorop moet staan, omdat het speelveld steeds internationaler en complexer zal worden. Op de internationale component wordt in het rapport niet uitvoerig ingegaan. Bij de WKK-ontwikkeling wordt erop gewezen dat de doelstellingen vermoedelijk niet gehaald zullen worden. Als oorzaak wordt onder andere een wijziging van de kostprijs aangegeven, waardoor vraaguitval ontstaat. Dit betekent in de praktijk meer import van energie uit de buurlanden. Indien die veel hogere import blijvend is, herstelt de vraaguitval zich als er in Europa tijdelijke overcapaciteit is. De vraaguitval zal blijvend zijn als er blijvende overcapaciteit is. In dat geval betekent dat dat Nederland structureel importeert. Bekeken van uit de CO2-doelstelling is dat positief, want bij het gebruik van WKK is er altijd nog meer CO2-uitstoot dan wanneer niet geproduceerd wordt. Hij vroeg de minister naar haar mening op dit punt. In dit verband vroeg hij zich tevens af hoe bedrijven, bij uitval van WKK, moeten voldoen aan de meerjarenafspraken en aan de benchmarking. Hij wilde ook graag meer informatie over hoe het staat met de onderhandelingen van de elektriciteitssector in het kader van de Klimaatnota om de reductiedoelstelling te halen. Hoe staat het met de uitvoering van de motie van de VVD die met meerderheid van stemmen is aangenomen over het BSB-tarief? Mocht toch besloten worden tot een extra impuls voor de WKK, zou dat dan moeten gebeuren door een verbetering van de terugleververgoeding? Zo ja, zit daar ruimte in en aan wie wordt de rekening gepresenteerd?

In het energierapport staat dat een eigenstandig nationaal beleid steeds moeilijker wordt. Tegen deze achtergrond lijkt het zinvol om aan de verhandelbaarheid van groencertificaten een internationale component te geven. Heeft hierover overleg plaatsgevonden met andere EU-lidstaten? Zijn andere landen ook bezig met een systeem van verhandelbare groencertificaten?

Ooit was er sprake van een kabel naar Noorwegen voor de levering van duurzame energie, waar 600 MW mee bespaard kan worden. Dit project komt echter niet goed van de grond, omdat er geen groen etiket op geplakt kan worden. Het is alleen mogelijk als de Noren garanderen dat zij zelf geen kolen gaan importeren. Kan de minister daar nader op ingaan?

De heer Klein Molekamp was positief over de resultaten van de meerjarenafspraken. Ook was hij positief over de brief van het kabinet over de mestverbranding.

De elektriciteitsbedrijven blijven wat de duurzaamheidsdoelstellingen betreft achter bij de prognoses. Waarom is de doelstelling dan indirect toch aangescherpt? Een aantal zaken die vroeger onder de noemer "duurzaamheid" vielen, worden daar nu niet meer toe gerekend. Bijvoorbeeld ten aanzien van het gebruik van warmtepompen is de REB-systematiek veranderd. Wordt overwogen om dit terug te draaien?

Uit het energierapport blijkt dat er wel voldoende vraag is naar duurzame energie, maar dat er onvoldoende aanbod is. Ondanks dit gegeven worden er door het kabinet nog steeds besluiten genomen die haaks staan op de duurzaamheidsontwikkeling. Er worden bijvoorbeeld AMvB's door het ministerie van VROM voorbereid, waardoor de kleinschalige biomassaopwekking minder aantrekkelijk wordt. Hij vond dat een buitengewoon te betreuren ontwikkeling. Ook als het gaat om het opwekken van windenergie zijn er haken en ogen. In hoeverre wordt de opwekking van windenergie geschaad door de vogelrichtlijn. Vervolgens noemde hij de windenergieconvenanten met de provincies. De ene provincie is meer geschikt voor het opwekken van windenergie dan de andere. Om die reden zouden de plannen per provincie aangepast kunnen worden. Zouden de convenanten zodanig gewijzigd kunnen worden dat provincies die liever geen windenergie opwekken dat kunnen vervangen door het inzetten van biomassa, zonne-energie etc.

Hij had uit persberichten begrepen dat voor de plannen voor windparken rondom Egmond 60 mln. aan overheidsgeld wordt uitgetrokken. Is dat juist? Zo ja, wordt hiermee dan voldaan aan de criteria van de CO2-gelden in vergelijking met andere bestemmingen? Op deze wijze lijkt windenergie nog ver weg van het break even point. Is dit een eenmalige zaak? Is het een proefproject?

Wat vindt de minister van de gedachte dat het monopolie van de energiebedrijven voor de levering van groene stroom als een belemmerende factor wordt gezien?

Hij onderschreef de stelling van het kabinet dat bij de implementatie van duurzame energie de kosteneffectiviteit centraal moet staan. Ook wat dat betreft geldt dat er een groot verschil is tussen theorie en praktijk. Hij meende dat energiebesparing en opwekking van duurzame energie veel meer als één punt behandeld moeten worden en gelijkelijk gestimuleerd moeten worden. Uiteindelijk gaat het erom dat de Nederlandse energiehuishouding zo zuinig mogelijk is.

In het energierapport wordt aandacht besteed aan de voordelen van het langer open houden van de kerncentrale Borssele. De analyse in het rapport is volstrekt correct, maar de conclusie die daaruit getrokken wordt, staat daar haaks op, zeker nu de Covra binnen afzienbare tijd gerealiseerd wordt. De heer Klein Molekamp kon zich derhalve niet in de conclusie vinden. Hij meende dat Borssele langer open moet blijven.

Mevrouw Voûte-Droste (VVD) ging nader in op de rol van de overheid van speler naar regisseur in het kader van de versnelde liberalisering van de elektriciteitsvoorziening. Zij onderschreef de stelling van de regering dat zowel de consument als het bedrijfsleven zo snel mogelijk moet kunnen profiteren van die liberalisering. In dit eerste energierapport wordt zelfs uitgegaan van een liberalisering van het midden- en kleinbedrijf in 2001 en voor de consument in 2003. Zij sloot aan bij het verzoek van de heer Crone om inzicht te krijgen in de effectieve prijsverlagingen die voor de consument, het midden- en kleinbedrijf en het grote bedrijfsleven zijn gerealiseerd in andere landen.

Nederland bevindt zich in een overgangsfase. Het is dan ook zaak dat die versnelling zo snel mogelijk plaatsvindt. Op dit moment moeten de energiebedrijven gedeeltelijk een gebonden klant bedienen en tegelijkertijd bedrijven bedienen alsof er al sprake is van een open markt. Het midden- en kleinbedrijf en de consument zijn nog gebonden aan de energiebedrijven. Liberalisering van de energiebedrijven mag niet betekenen dat de consumenten hogere prijzen moeten betalen. Om dat tegen te gaan zal de DTE, de toezichthouder, de prijzen vaststellen en de minister moet daar uiteindelijk mee akkoord gaan. Daarbij moet rekening gehouden worden met een effectief beleid van energiebedrijven. Het gaat erom dat de consument niet de dupe wordt. Het is dan ook van belang dat de consument zo snel mogelijk kan kiezen voor bedrijven die een lage prijs bieden met een goed product en een goede dienstverlening of voor bedrijven die kiezen voor bijvoorbeeld sponsoring. Kan de minister in haar contact met de energiebedrijven erop aandringen dat zij een gedragscode ontwikkelen op het gebied van sponsoring of andere zaken. Hiermee wordt zelfregulering gestimuleerd en wordt ook de klant inzicht geboden in de bedrijfsvoering. Dat past in een geliberaliseerde markt.

Zij ondersteunde de regering in haar voornemen zo snel mogelijk de markt voor groene energie te openen. De regering stelt voor om daar in
2001 mee te starten.

De heer Van Middelkoop (GPV) merkte op dat hij mede namens de SGP en de RPF spreekt. Hij vond dat er met de meerjarenafspraken globaal gezien een mooi resultaat is bereikt. Toch vond hij het lastig om onder woorden te brengen wat dit nu werkelijk inhoudt voor het verbeteren van de energie-efficiency. De bedrijven zelf profiteren er natuurlijk ook van. Het is een bedrijfseconomisch eigenbelang om te werken aan energie-efficiency. Het zal dus nooit duidelijk zijn of de overheid de bedrijven zwaar genoeg onder druk heeft gezet om de efficiencydoelstellingen te bereiken. De resultaten van de meerjarenafspraken verdienen ook enige relativering, omdat zij los staan van de economische groei. Dat wordt ook met zoveel woorden in het rapport over de meerjarenafspraken gesteld. Het gaat bij die afspraken om energiegebruik per fysieke eenheid product. In het rapport staat dat dit betekent dat een hoger energiegebruik ten gevolge van economische groei of een verschuiving van de productie naar energie-intensievere bedrijfstakken en producten geen invloed hebben op de energie-efficiency. Dat betekent dat de winst die uit energie-efficiency komt weer verloren kan gaan vanwege economische groei. Energie-efficiency is een relatief begrip, maar de verplichtingen op het gebied van het terugdringen van emissies zijn absoluut. Hij vroeg de minister na te denken over een vorm van indexering van de afspraken over energie-efficiency.

De heer Van Middelkoop vond het energierapport een goed geschreven en zeer inzichtelijk rapport. Hij vond wel dat het in hoge mate het karakter heeft van een energiejaarverslag. Er is dan ook zeker iets voor te zeggen om het vaker dan één keer in de vier jaar uit te brengen. De noodzaak om meer tussendoelen te formuleren, moest naar zijn mening los van het energierapport worden gezien.

Inmiddels zijn ook de eerste ervaringen opgedaan met de Elektriciteitswet. In dit verband noemde hij een interview in het blad Stroom met de directeur van de Consumentenbond over de dienst toezicht en uitvoering. Laatstgenoemde vond het jammer dat deze dienst nog erg aan de wet gebonden is en daardoor niet in staat is grotere tariefsverlagingen door te voeren. Hoe denkt de minister hierover?

De heer Van Middelkoop merkte op dat versnelde liberalisering wetswijziging vergt, zodat de Kamer hierbij als medewetgevend orgaan altijd zal worden betrokken. Belangrijk is dat de consument goed zal worden voorgelicht. De consument heeft er namelijk geen idee van wat liberalisering inhoudt.

Hij verwees naar de openstaande rekening na het debat over de uitvoeringsnota Klimaatbeleid. Hoe staat het met het overleg met de energiesector op dit punt? Er wordt in het energierapport zeer wervend gesproken over het in stand houden van kerncentrales. Is dat onderwerp ook geagendeerd in het overleg met de sector?

Hij vond het energierapport op bepaalde punten achterhaald. Er staat bijvoorbeeld dat de wereld over enorme voorraden fossiele energie beschikt. Dat is waar, maar in een rapport als dit moet doorklinken dat een deel van die voorraden beter niet benut kan worden, omdat het afval ervan moeilijk te verwerken is. In de tabellen staat bijvoorbeeld dat een deel van die voorraad om commerciële of technische redenen niet winbaar is. Daaraan zou toegevoegd moeten worden dat een deel ervan om redenen van duurzaamheid beter niet kan worden benut. Alleen dan zal de prikkel om zonne-energie te gaan gebruiken groter worden.

De heer Van Middelkoop had begrepen dat de Wet energiedistributie zal worden ingetrokken. Wat betekent dit voor de deelnemersraden? Het is verstandig om deelnemersraden niet te snel op te heffen. Zij kunnen nog een belangrijke functie hebben, zoals ook in de pensioenwereld het geval is.

Het totaalbeeld van het gebruik van duurzame energie is nog altijd niet optimistisch. Het tempo lijkt hier omgekeerd evenredig aan dat van de liberalisering van de energiesector. In het energierapport is uitvoerig ingegaan op de motie van de heer Crone om een verplicht aandeel duurzame energie en groencertificaten voor te schrijven. Als argument wordt hierbij aangevoerd dat Europese richtlijnen bepalingen bevatten die de mogelijkheden verminderen om steun te verlenen aan duurzame energie. Dat verbaasde hem. Als duurzame energie vanwege Europese regelgeving slecht kan worden gestimuleerd, zou de minister het initiatief moeten nemen om Europa op een beter spoor te zetten. Hij verzocht de minister om een voorstel te doen om de knelpunten waarop in het rapport wordt gedoeld weg te nemen.

Uit de brief van 18 februari van de minister met betrekking tot windenergie had de heer Van Middelkoop begrepen dat er een nationaal project wordt opgestart. Wat is de status van dat project en wat is de bestuurlijke inbedding daarvan? In dit verband wees hij op het plan van de PvdA "Energie voor de wind". Hij vond dat dit plan interessante opties bevat en dat het een leereffect kan hebben als het gaat om verhandelbare emissierechten etc. Hij verzocht de minister snel een beslissing te nemen over dit plan.

Mevrouw Vos (GroenLinks) uitte haar bezorgdheid over de plannen voor een versnelde liberalisering van de energiesector. Zij vreesde dat de opwekking van duurzame energie of het gebruik van WKK in het gedrang kunnen komen.

Zij vergeleek de situatie in de energiesector met een soapserie en verwees naar de kwestie die speelt bij het NUON met betrekking tot sponsoring van voetballers. Hoe oordeelt de minister hierover? Zij vond het een zorgwekkende ontwikkeling dat de Europese markt zonder milieurandvoorwaarden liberaliseert. Er moeten Europese richtlijnen komen, waarin minimumkwaliteitseisen aan stroom worden gesteld. Ook in Europees verband moet aangestuurd worden op een verplicht aandeel groene stroom. Is de minister bereid om in Europees verband eisen te stellen als het gaat om de milieukwaliteit van stroom?

De stimulering van het opwekken van duurzame energie verloopt niet goed. Onder andere uit rapporten van het ECN blijkt dat de voortgang achterblijft bij wat nodig is om aan de doelstellingen te voldoen. Zij was er voorstander van om tussendoelen te stellen en te monitoren. Een en ander zou kunnen leiden tot aanscherping van de maatregelen. Is de minister daartoe bereid? De minister wil, ondanks aandringen van de Kamer, niet overgaan tot een verplicht aandeel duurzame energie, omdat het hier niet om een vraagprobleem, maar om een aanbodprobleem gaat. Een verplichting zal dan volgens de minister alleen maar leiden tot hogere prijzen en dat vindt zij een ongewenste situatie. Mevrouw Vos meende echter dat verplichtstelling de enige manier is om het aandeel duurzame energie fors op te voeren, waarbij alle marktpartijen die deze stroom leveren een bijdrage moeten leveren. Het verheugde haar dat ook het NUON vindt dat er een collectief beleid moet zijn voor een verplicht aandeel duurzame energie. Mevrouw Vos drong in dit verband aan op het creëren van een "level playing field" om "free riding" tegen te gaan. Daarmee bedoelde zij dat partijen ervan uitgaan dat anderen dat aandeel duurzame energie wel realiseren. Het stemde haar tevreden dat de minister bereid is de markt voor groene stroom versneld vrij te maken. Dit houdt ook in dat er op korte termijn groencertificaten zullen komen.

Zij had vernomen dat er in Europees-rechtelijk verband problemen zijn met een verplicht aandeel in de markt voor duurzame stroom. Is dit waar? Overigens kon zij zich voorstellen dat het zinvol is, juist bij het ontwikkelen van duurdere opties zoals zonne-energie, om een heffing in te voeren waaraan alle gebruikers van het net een bijdrage moeten leveren. Daaruit zouden de duurdere opties op het gebied van duurzame stroom gefinancierd kunnen worden. Hoe denkt de minister hierover?

Mevrouw Vos had begrepen dat een aantal windmolenproducenten die leveren aan een distributiebedrijf voortdurend een probleem hebben om REB terug te ontvangen. Zij verzocht de minister hierop te reageren.

De doelstellingen ten aanzien van windenergie worden bij lange na niet gehaald. Er zullen verplichtingen moeten komen, planologische problemen moeten worden opgelost. Ook zij drong aan op uitvoering van het plan van de PvdA "Energie voor de wind". De minister heeft daar te terughoudend op gereageerd. Zij steunde het plan voor een offshorewindmolenpark. Op dat punt vroeg zij om een daadkrachtiger opstelling van het kabinet. Wel moet heel zorgvuldig naar locaties worden gezocht, waarbij rekening gehouden wordt met bijvoorbeeld de vogelrichtlijn.

Mevrouw Vos merkte op dat voorzichtig moet worden omgegaan met versoepeling van emissie-eisen als het gaat om het verbranden of vergassen van biomassa. Vervolgens meende zij dat het REB-systeem en een groen labelsysteem ook van toepassing moet zijn op warmte geproduceerd uit biomassa die niet aan het net wordt geleverd. Dat geldt ook voor andere warmtesystemen, bijvoorbeeld grootschalige opwekking van warmte door een ziekenhuis dat aan het eigen systeem levert. Ziet de minister iets in het voorstel om Demkolec geschikt te maken voor verbranding van biomassa? Extra investeringen zijn nodig om een doorbraak te maken ten aanzien van zon-PV. De EPC -- energieprestatiecoëfficient -- moet op korte termijn worden aangescherpt. In 2002 zou de EPC 0,8 of 0,75 moeten zijn. Zij vond dat een energieprestatiekeur verplicht moet worden gesteld voor alle woningen. Alleen dan kan dit instrument goed werken. Ook moeten woningen die nu gebouwd worden geschikt gemaakt worden voor lagetemperatuursystemen, zoals bij toepassing van warmtepompen. Daartoe zou het bouwbesluit aangepast dienen te worden.

Zij noemde de ontwikkelingen in het kader van WKK dramatisch en vond de voorstellen in het energierapport op dit punt uitermate teleurstellend. Het is duidelijk waar de pijn zit en er zijn voldoende mogelijkheden om oplossingen te vinden. Die moeten dan ook op korte termijn gezocht worden. De tarievencode pakt onrechtvaardig uit. Overigens geldt dit ook voor duurzame energie. Dus op dat punt moet er voor alle vormen van decentrale opwekking het een en ander veranderen. De systeemdiensten worden ook betaald voor levering achter de meter en degenen die niet van het hoogspanningsnet gebruik maken moeten voor systeemdiensten betalen. Dat klopt niet. Dat geldt ook voor de nettarieven. Men betaalt niet naar rato van het daadwerkelijk gebruik van het net. Iemand die warmtekracht op het laagspanningsnet levert, betaalt ook voor het hoogspanningsnet. Ook dat klopt niet. Zij meende dat het bij wet mogelijk is dat men niet hoeft te betalen voor uitgespaarde netkosten. Zo werkt het echter nog niet in de praktijk. Er zou dit jaar nog een evaluatie moeten komen van de werking van de tarievencode bij decentrale opwekking. Op basis daarvan zouden er per
1 januari 2001 aanpassingen op dit terrein moeten komen. Daar moet veel meer vaart achter worden gezet dan de minister nu doet.
Mevrouw Vos merkte op dat de producenten te weinig betalen aan het transporttarief. Dat is nu 25%. Het is volstrekt onjuist dat degenen die spanning leveren op het hoogspanningsnet volledig voor de kosten daarvan opdraaien. Zij meende dat decentraal vermogen momenteel op een niet-marktconforme wijze voor haar reservestelling moet betalen. Dat zou ook anders georganiseerd moeten worden.

Zij vond het een slechte zaak dat de consument niet weet op welke wijze de stroom die hij koopt wordt opgewekt. In dit verband stelde zij voor dat er een milieukeurmerk komt voor stroom, om te beginnen met kernenergie. Dat ligt namelijk bij veel consumenten gevoelig. Zij worden min of meer gedwongen, tenzij zij groene stroom afnemen, dat type stroom in te kopen. Kan de minister een start maken met de opzet van een milieukeurmerksysteem met een verplichte etikettering van kernstroom.

Een aantal distributiebedrijven dreigt de prijs voor groene stroom omhoog te schroeven, omdat men bang is dat men de vraag niet aan kan. Is het waar dat de prijs van groene stroom moeilijk omlaag kan en dat de tarieven ook niet lager kunnen worden dan de tarieven voor fossiele brandstoffen? In België heeft men het nettarief voor groene stroom bijvoorbeeld op nul gezet. Is dat in Nederland ook mogelijk? De positie van de DTE is in dit verband niet duidelijk. Ziet de DTE toe op het realiseren van milieudoelen die in de wet zijn gesteld? Kan de DTE bijvoorbeeld ingrijpen als bepaalde doelen niet worden gerealiseerd? Zou de DTE een toezichtstaak kunnen hebben als het gaat om toezicht op energiebesparing?

Mevrouw Vos was groot voorstander voor het vrij maken van de markt voor groene stroom. Zij had aarzelingen bij de liberalisering bij overige delen van de sector. Er is nog heel wat mis op het gebied van milieu en er wordt op grote schaal vuile stroom uit het buitenland geïmporteerd. Dat moet eerst worden opgelost voordat tot versnelling van de liberalisering wordt overgegaan. Ook maakte zij zich zorgen over de positie van de kleinverbruiker. Is die leveringszekerheid wel voldoende geregeld? Bedrijven kunnen immers niet verplicht worden gesteld om te leveren aan elke consument. De minister stelt in haar brief dat er door alle bedrijven gezamenlijk een basisvoorziening moet worden opgezet, maar dat moet dan wel door zelfregulering gebeuren. Hiermee wordt de leveringszekerheid voor alle kleinverbruikers in onvoldoende mate veilig gesteld.

Zij stelde tot slot dat kernenergie geen duurzame oplossing is. Het grote probleem van de verwerking van kernafval is nog lang niet opgelost. Dat is dus voorlopig geen begaanbare weg.

Het antwoord van de regering

De minister van Economische Zaken merkte op dat het energierapport voor alles een strategische nota is. In de nota wordt, juist nu er veel verandert in de energiewereld, vooral gekeken naar de trends en de ontwikkelingen op de lange termijn. Op een aantal onderwerpen is in het energierapport niet ingegaan, omdat die al eerder uitvoerig aan de orde zijn geweest. Zij verwees onder andere naar de voortgangsrapportage "Duurzame energie in uitvoering", naar het actieprogramma Energiebesparing en de uitvoeringsnota Klimaatbeleid. In het energierapport wordt wel aandacht aan die onderwerpen besteed, maar het moet geen herhaling van zetten zijn. In het energierapport is het beleid kort en krachtig uiteengezet. Het energierapport gaat met name over veranderingen in het beleid, de beleidsdelta's. Met deze aanpak kan gesproken worden van een breuk met het verleden. Dat is wat wennen. De minister vermoedde dat de AER om die reden enigszins teleurgesteld gereageerd heeft op het energierapport.

De overheid wordt regelmatig verweten dat zij terugtreedt en een passieve houding aanneemt als het gaat om de energievoorziening in Nederland. Dat is een onjuist beeld. Natuurlijk staat de overheid in steeds mindere mate als speler op het toneel. Zij wordt steeds meer regisseur. Daar is overigens niets mis mee, want regisseurs bepalen het spel. Met andere woorden: de overheid houdt een heel actieve rol, namelijk als regelgever en als toezichthouder. Tot nu toe was de overheid (gemeentes en provincies) bestuurder en eigenaar van energiebedrijven en daarmee verantwoordelijk voor een goed netwerk en voor de aansluiting van alle burgers en bedrijven. Straks is de overheid geen bestuurder of eigenaar meer, maar is zij onverkort verantwoordelijk voor de wetgeving en voor het toezicht, heeft een aanwijzingsbevoegdheid en een zorgplicht, zodat er ook in de toekomst kwalitatief goede netten zijn die voor iedereen toegankelijk zijn. In de nabije toekomst gaat Europa een grote rol spelen en dan is het nationale beleid op het punt van voorzieningenzekerheid niet meer aan de orde. De overheid blijft bij de bepaling van de hoeveelheid te winnen gas wel het depletietempo vaststellen, maar dan vanwege een zorgvuldig beheer van de bodemschatten in Nederland. Ook werden tot nu toe door de overheid de maximumprijzen vastgesteld om de afnemers te beschermen tegen monopolisten. Straks is er concurrentie die zorgt voor goede prijsvorming en dus voor zo laag mogelijke prijzen. De minister benadrukte dat de overheid de prijsvorming moet bewaken zolang er sprake is van gebonden afnemers. Ook in een vrije markt heeft de overheid nog een belangrijke taak met het waken over eerlijke concurrentie en over de belangen van gebonden klanten. Wanneer geen sprake meer is van gebonden klanten heeft de NMA de belangrijke taak om daar scherp op toe te zien.

De overheid staat voor de uitdaging om de duurzame energievoorziening goed vorm te geven. Het belangrijkste instrument dat de overheid hierbij tot haar beschikking heeft is de REB. De energierekening bestaat inmiddels al ongeveer voor eenderde uit energiebelasting. Die maatregel is gericht op het zuinig omgaan met energie. Volgend jaar komt er nog een verhoging van de REB. Die belasting hoeft niet te worden betaald voor groene energie. Hiermee wordt bevorderd dat men zuinig omgaat met energie en ook dat men groene energie gaat gebruiken.

De minister sprak in dit verband ook over de MJA's, het convenant voor benchmarking en de programma's van NOVEM, ECN en TNO. Langs al die wegen wordt gewerkt aan duurzame energievoorziening. Uiteraard worden de vorderingen op dit terrein door de overheid goed gevolgd.

Vervolgens ging de minister in op de inhoud van het energierapport. Het zal niemand verbazen dat het rapport in deze tijd voornamelijk gaat over de liberalisering en de duurzame energievoorziening. Het is de bedoeling het tempo van de liberalisering te versnellen. Dat kan alleen maar als de nodige zorgvuldigheid betracht wordt wat de technische aspecten betreft en ook als het gaat om de positie van de consument. De AER onderschrijft het belang daarvan ook. Om die reden is er na het uitkomen van het energierapport een aantal onderzoeken gedaan, waarvan de uitkomsten zijn voorgelegd aan de relevante marktpartijen. Natuurlijk is niet iedereen daar blij mee. Bedrijven opereren het liefst op een monopolistische markt en niet op een vrije markt. Maar de tijd is zeker rijp om de markt voor de middengroep voor gas en elektriciteit vrij te maken per 1 januari 2002. Het is van belang te proberen dat op dezelfde datum te doen. Naar aanleiding van de vraag waarom met het vrij maken van de markt voor kleinverbruikers van gas en elektriciteit gewacht wordt tot 2004 legde de minister uit dat het streven is om zo snel mogelijk tot volledige liberalisering over te gaan. De sector moet wel voldoende tijd hebben om te kunnen anticiperen op de nieuwe situatie. Ook is het van belang dat er een gelijktijdige marktopening is voor gas en elektriciteit. De minister was er wel voor om de liberalisering eerder in te voeren als dat mogelijk is. Zij zegde toe de Kamer periodiek te informeren over de stand van zaken op dit punt. Het lag in haar bedoeling de Kamer een brief te sturen met daarin de situatie in andere landen, waarin de effecten op de prijzen duidelijk naar voren komen.

Het verheugde de minister dat men enthousiast is over liberalisering voor de markt voor groene energie. Zij was er groot voorstander van om die sector zo spoedig mogelijk te liberaliseren. Helaas kan niet met zekerheid gesteld worden dat dit per 1 januari 2001 gebeurt. Een conditio sine qua non voor de liberalisering van de groene energie is namelijk een goed werkend certificatensysteem.

De minister vond het van groot belang dat op korte termijn nader met de Kamer over de versnelde liberalisering overleg gevoerd wordt. Daarmee wordt ook de markt zelf duidelijk wat de uiteindelijke keuze van de overheid zal zijn.

De consument is in een volledig geliberaliseerde markt beschermd door bestaande wet- en regelgeving. Vergaande aanvullende maatregelen zullen niet noodzakelijk zijn. Wel moet geregeld worden dat op leveringscontracten voor kleinverbruikers altijd Nederlands recht van toepassing is. Voor de overige aandachtspunten hebben de marktpartijen aangegeven een gezamenlijke verantwoordelijkheid te onderkennen en te nemen. De minister deelde mede dat zij ter voorbereiding van de implementatie aan een gezamenlijk traject met de marktpartijen zal werken, ook aan de technische voorbereiding en aan de bescherming van de positie van de consument. Het stemde haar tot grote tevredenheid dat zij hierover een akkoord heeft bereikt met EnergieNed. Dat geeft een extra garantie dat de liberalisering op uiterst verantwoorde wijze zal plaatsvinden. De Kamer zal van de voortgang in dezen regelmatig op de hoogte worden gehouden.

In dit verband meldde de minister dat op zeer korte termijn een nota van wijziging aan de Kamer wordt gestuurd die bij de behandeling van de Gaswet afgehandeld kan worden. Dat betekent dat de finale behandeling daarvan in de week van 20 maart afgerond kan worden.

Vervolgens ging de minister in op de duurzame energiehuishouding. Voor energiebesparing geldt het beleid dat in het actieprogramma Energiebesparing uitvoerig uiteengezet is. Zij stelde dat zij veel belang hecht aan WKK. Het is immers een van de belangrijkste energiebesparingsopties voor de overheid. Met dit instrument kan de ambitie gehaald worden om het besparingsniveau van 2% te realiseren op korte termijn. Zij verwees naar het ECN-onderzoek dat recent geactualiseerd is. Uit dit onderzoek blijkt dat de situatie iets minder slecht is dan oorspronkelijk het geval leek, maar de situatie is nog steeds niet goed. Dat betekent dat er voor WKK wellicht extra maatregelen genomen moeten worden, maar het zal lastig zijn daar vorm aan te geven.

Het beleid in het kader van duurzame energie staat hoog op de agenda van het kabinet. Dat is ook nodig, omdat het niet goed gaat. De doelstelling wordt niet gehaald en de groei stagneert, met name de groei van het aanbod. De groei van de vraag is redelijk groot. Door allerlei maatregelen, onder andere de REB-vrijstelling, is groene stroom concurrerend en is er een aanzienlijke vraag naar ontstaan. Dat is een reden om niet voor het invoeren van een verplicht aandeel duurzame energie te zijn. Op dit moment ligt immers niet de grootste zorg bij de vraag, maar bij de verhoging van het aanbod. Daar moet krachtig beleid op ingezet worden, met name op extra aanbod van windenergie. Over de voortgang op dat punt is de Kamer apart per brief van 18 februari geïnformeerd. De reacties van de Kamer op die brief stelden de minister teleur. Het beleid dat wordt uiteengezet komt sterk overeen met de lijnen die in het rapport van de PvdA getrokken worden. Het is echter onmogelijk beleid te bepalen zonder steun van de provincies en gemeenten. Daarom is met het IPO en de VNG overleg gestart. Het is de bedoeling binnen vier maanden een afgerond beleidsvoorstel aan de Kamer voor te leggen.

De minister deelde mede dat hard gewerkt wordt aan de voorbereiding van een systeem voor groencertificaten. Een goed systeem van groencertificaten maakt het mogelijk dat iedereen in Nederland bij elk bedrijf groene energie kan kopen. Zij had echter aarzelingen bij het steunen van het initiatief om een groen stopcontact te ontwikkelen, omdat zij vreesde dat dit een vrij kostbare manier is om groene stroom te leveren.

Op de vraag of er een visie moet komen voor de lange termijn voor duurzame energie antwoordde de minister dat het energierapport een visie bevat op de middellange termijn; dat is de periode tot 2020. In dit energierapport is ervoor gekozen om de veranderingen die met name veroorzaakt worden door de liberalisering prioritair op te nemen. Binnen EZ is een projectgroep gestart die een visie voor de langetermijnenergievoorziening (2050) ontwikkelt. Overwogen wordt hierover in de loop van dit jaar een grote conferentie te organiseren. In het kader van het NMP4 speelt dit ook. Deze EZ-visie kan wellicht als input hiervoor dienen.

De minister stelde dat zij zich kon vinden in het advies van de SER dat stevig moet worden ingezet om het gebruik van duurzame energie te bevorderen. Zij vond de plannen die de SER opperde echter van een grote vaagheid getuigen. In elk geval is het van belang dat de ontwikkelingen in het kader van duurzame energie goed gevolgd worden.

Zij vond het lastig om gradaties aan te brengen in de mate van duurzaamheid. Is het bijvoorbeeld zinvol om WKK tot de duurzame instrumenten te rekenen. Dat is sterk afhankelijk van de situatie. WKK kan namelijk niet toegepast worden op plaatsen waar geen warmtevraag is. Zij vreesde ook dat het laten "verwateren" van de REB-faciliteiten slechte effecten zal hebben voor echte duurzame energie. Dat risico wilde zij liever niet nemen. Het is ook niet onwaarschijnlijk dat hierover in Europees verband problemen ontstaan.

Naar aanleiding van de vraag of zowel op vraag als op aanbod gestuurd moet worden, stelde de minister dat men zich moet realiseren dat in de energiemarkt steeds meer op vraag gestuurd gaat worden dankzij de liberalisering. Er is op dit moment meer vraag dan aanbod. In het energierapport zijn met name voor de stimulering van de vraag heel wat instrumenten opgesomd. Zij noemde de REB-faciliteiten, de energie-investeringsaftrek, de vrije afschrijving van milieu-instrumenten. Daarmee zal zeker worden doorgegaan. Het is geenszins de bedoeling om te stoppen met vraagstimulering, maar er moet ook gestuurd worden op het aanbod en wel via het oplossen van de knelpunten. Zij meende dan ook dat het niet zinvol is nu maatregelen te nemen in de sfeer van de verplichtstelling. Dat zal tot verkeerde effecten leiden. Door een verplichtstelling zal de vraag groter worden, terwijl het aanbod niet stijgt. Dan kan de situatie ontstaan, waarin de prijs van duurzame energie moet worden verhoogd omdat er onvoldoende aanbod is. Dat is niet de bedoeling.

Aangezien de ontwikkelingen op het energiegebied snel gaan, is het de vraag of er vaker dan één keer in de vier jaar een strategische nota moet verschijnen, zoals de AER heeft gesuggereerd. De komende tijd zal niet uitsluitend aan de hand van het energierapport worden gediscussieerd over het energiebeleid. Er zal zeer intensief regelmatig overleg gevoerd worden met de Kamer over de voortgang van het energiebeleid. Ook in het kader van de begrotingsbehandeling wordt dit beleid natuurlijk uitvoerig aan de orde gesteld. De minister is bereid om vaker dan een keer in de vier jaar met een energierapport te komen, maar alleen als dat echt nodig is. Zij stelde voor om over anderhalf jaar te bekijken of die noodzaak er is.

De minister was het ermee eens dat alle ministeries over zouden moeten schakelen op groene stroom. Alle ministeries hebben hierover enige tijd geleden een brief ontvangen met het verzoek dit te doen. Een aantal ministeries heeft in positieve zin gereageerd. Overigens houdt dit forse verhogingen van de energierekeningen in.

Vervolgens merkte de minister op dat de Europese Commissie waarschijnlijk niet toestaat dat groene stroom als gevolg van steunmaatregelen goedkoper wordt dan normale stroom. Wel mag groene stroom even duur zijn als normale stroom. Dat is niet zo vreemd, want duurzame energie is duurder. De overheid kan de meerprijs tot nul reduceren, onder andere via de REB-heffing. Overigens is de consument tot nu toe graag bereid om iets meer te betalen voor groene stroom. Het zou natuurlijk mooi zijn als groene stroom goedkoper geleverd kan worden dan normale stroom. Dit is echter een punt dat in het overleg met de Europese Commissie aan de orde moet worden gesteld. Daartoe zouden dan toch de regels ten aanzien van steunmaatregelen moeten worden gewijzigd.

De minister was graag bereid met haar collega's van OCW en van VROM te bespreken wat gedaan kan worden aan het gebrek aan aandacht voor energiebesparing bij bouwkundeopleidingen en andere onderwijssoorten.

Gevraagd is naar een manier om de MAP-resultaten met betrekking tot duurzame energie te handhaven. Bestaand vermogen is al "vermarkt", dus dat geeft geen stimulans voor verdere groei. De MAP-resultaten zijn geboekt en gedekt met MAP-gelden. Wat dat betreft is er dus geen probleem. De minister kon zich niet voorstellen dat klanten die groene stroom afnemen extra zouden willen betalen voor al bestaand vermogen. Overigens wordt overleg gepleegd met de energiedistributiebedrijven over de overgangsproblematiek MAP. De minister zegde toe de Kamer hierover te informeren.

Een verdere aanscherping van de EPN of EPC is afhankelijk van de uitkomsten van een onderzoek dat is ingesteld. De resultaten van dat onderzoek zijn er nog niet, maar de minister verwachtte dat aanscherping wel mogelijk is. Zij zegde toe opmerkingen die hierover zijn gemaakt onder de aandacht van de staatssecretaris van VROM te brengen, die hiervoor de primaire verantwoordelijkheid heeft.

Zij deelde verder mede dat het project Groene markt van start is gegaan. Uitgangspunt daarbij is dat het systeem van groencertificaten per 1 januari 2001 operationeel moet zijn. Het is niet zo dat zo'n systeem verplicht moet zijn. Het is juist een mooi instrument voor de geliberaliseerde markt. Er vindt regelmatig overleg plaats met de belanghebbenden. Ook worden de ontwikkelingen in het buitenland goed in de gaten gehouden. Zij vond het een interessante gedachte om te onderzoeken of samenwerking met België mogelijk is. Ook de Denen zijn een groen certificatensysteem aan het ontwikkelen. Het is natuurlijk van belang om, samen met Brussel, een systeem te ontwikkelen dat inpasbaar is op Europees niveau.

Gesuggereerd is om groene stroom gratis te laten transporteren. Dit klinkt sympathiek, maar het is beter om één instrument te houden in de sfeer van de financiële stimulansen en dat is de REB. Het leek haar verstandig het nettarief zuiver te houden. Bovendien wordt dit in Europees verband als een steunmaatregel gezien en dat kan dan weer tot problemen leiden voor de handhaving van de REB.

Het leek de minister ingewikkeld om van overheidszijde een keurmerksysteem te verplichten bij levering van andere vormen van stroom dan groene stroom. Dat is zeker niet de taak van de overheid; daar is de milieuwetgeving voor. Zolang bedrijven voldoen aan de milieuwetten is het vreemd om ze te verplichten te vermelden wat voor stroom zij geproduceerd hebben. Zij sloot overigens niet uit dat na de liberalisering marktpartijen in Nederland alleen kernvrije stroom zullen aanbieden, zoals momenteel in Duitsland al gebeurt. Zo is er meer differentiatie in het aanbod denkbaar.

Voor zonneboilers is er een subsidieregeling. Daarnaast werkt de REB stimulerend voor zonneboilers, want met het gebruik van zonneboilers wordt fossiele energie bespaard. Vooralsnog voelde de minister niet veel voor REB-vrijstellingen voor leveringen achter de meter. Daar wordt het systeem buitengewoon ingewikkeld door. Elke verhoging van de REB leidt ertoe dat besparing interessanter is. Het is dus ook een stimulans voor het gebruik van duurzame energie achter de meter. De minister zegde toe de Kamer schriftelijk te informeren over de resultaten van het overleg met de convenantspartners over de vraag hoe het gebruik van zonneboilers nog meer kan worden gestimuleerd. Daarin zal zij ook ingaan op de vraag waarom zij het niet zinvol acht leveringen achter de meter mee te tellen voor REB-vrijstelling.

Met betrekking tot zon-PV merkte de minister op dat door verschillende bedrijven initiatieven worden voorbereid. Zodra er concrete initiatieven zijn, zal beoordeeld worden of de overheid deze wil steunen. Zon-PV is nog een erg dure methode om energie op te wekken. Er wordt heel wat overheidsgeld geïnvesteerd in R&D om de productiekosten van zonne-energie sterk te verlagen. Dat is veel verstandiger dan het nu verplicht stellen van toepassing. Shell is bezig met een plan voor een zon-PV-fabriek. Onderzocht zal worden of en zo ja, welke faciliëring uit het generiek instrumentarium hiervoor mogelijk is.

De minister stelde dat er bij het zoeken van locaties voor windparken problemen kunnen ontstaan vanwege de vogelrichtlijn. De minister hield vast aan de doelstelling op het land van 1500 MW. Misschien is het niet te vermijden dat een aantal parken geplaatst wordt in of nabij beschermde gebieden in het kader van de vogelrichtlijn. Dat moet dan conform de vogelrichtlijn aangepakt worden.

Zij merkte op dat de Vijfde nota ruimtelijke ordening de bestuurlijke inbedding kan zijn voor een nationaal plan voor windenergie. Ook is het mogelijk dat er een apart rijksproject wordt opgestart. Op dit punt wordt overleg gevoerd met de minister van VROM. Overigens zijn hier ook andere bewindslieden bij betrokken, te weten die van LNV, van VW en van Defensie.

De teelt van producten voor biomassa verkeert nog in een proeffase. Het is waarschijnlijk alleen maar interessant in combinatie met een ander gebruik van de grond, zoals in Flevoland gebeurt. Zij zag geen problemen met import, als het maar gaat om teelt die direct opnieuw geplant wordt. Daar zijn overigens wel transportkosten aan verbonden.

Met het ministerie van VROM vindt overleg plaats over de emissienormen voor biomassaverbranding. Ook vindt er contact met marktpartijen plaats, onder meer over de vraag of de wijziging van die normen kleinschalige biomassaopwekking minder aantrekkelijk maakt. Binnenkort wordt hierover een besluit genomen.

Op de vraag of de REB meer onder de aandacht van de consument moet worden gebracht, antwoordde de minister dat zij niet het gevoel heeft dat de consument er niet van op de hoogte is dat in Nederland een regulerende energiebelasting geldt. In de folders van distributiebedrijven over groene energie wordt de consument uitvoerig over dit instrument voorgelicht. Ook wanneer het REB-tarief omhoog gaat, zal de consument daarover worden geïnformeerd.

Op de vraag over de subsidies op de Duitse kolenstromen en Franse kernenergiestromen antwoordde de minister dat niet zeker is of er op kernenergie subsidie gegeven wordt. Voor bruinkool is dat wel het geval. Er wordt in samenwerking met het Verenigd Koninkrijk een studie gedaan naar het "level playing field" in Europa.

Wat het BSB-tarief betreft merkte de minister op dat de eigenaren van de kolencentrales op korte termijn voorstellen zullen doen voor emissiebeperkingen. Het voorbereidende werk aan de ombouw van de BSB is al gestart, zodat, als er een afspraak over die emissiebeperking totstandkomt, die ombouw zo snel mogelijk kan worden gerealiseerd.

Gevraagd is of een blijvende overcapaciteit goed is voor de CO2-reductie. Gek genoeg is het waar dat met import van stroom de Nederlandse CO2-reductie bevorderd wordt. Overcapaciteit is niet alleen een internationale kwestie. Ook nationaal is er sprake van. Overigens wordt door stimulering van WKK de overcapaciteit vergroot. Er komt wel een einde aan die overcapaciteit, alleen is niet bekend wanneer dat gaat gebeuren. Dat hangt ook af van de ontwikkeling van de prijzen.

Met betrekking tot de kabelverbinding met Noorwegen antwoordde de minister dat het contract inhoudelijk mooi is, maar dat de prijs erg hoog is. De contractspartijen voeren momenteel overleg over die prijs. Daarnaast speelt toetsing aan het Europese mededingingsrecht een rol. Noorse waterkracht komt overigens nu al via Zweden en Denemarken op de Europese markt. Uiteraard kan een extra REB-vrijstelling voor deze energie niet gelden, omdat de prijs via concurrentie bepaald wordt.

Zij was er niet voor dat de overheid een gedragscode ontwikkelt op het gebied van sponsoring of andere zaken voor energiebedrijven. De tarieven worden door de minister en de DTE samen vastgesteld. Dat betekent dat er jaarlijks een efficiencykorting komt. Als dat op een goede wijze gebeurt, zullen de tarieven zo scherp mogelijk zijn. Als men dan toch nog voor sponsoring kiest, gaat dat ten koste van de winst en dan draaien de aandeelhouders daarvoor op. Zij vond het zeer wel voorstelbaar dat de energiebedrijven onderling besluiten een gedragscode overeen te komen.

Moeten er Europese milieueisen gesteld worden aan stroom? De kern van de internationale afspraken is gelegen in de Kyotoafspraken. Die afspraken moeten doorwerken in het nationaal milieubeleid van alle landen, ook ten aanzien van andere milieuaspecten is er op vele gebieden sprake van internationale samenwerking. Er wordt op dit moment binnen de Unie aan een duurzame richtlijn gewerkt.

Het verheugde de minister dat de directeur van de DTE zeer grote ambities heeft om de tarieven snel omlaag te krijgen. Het toezichtssysteem, dat in overleg met de Kamer tot stand is gekomen, is zeer zorgvuldig. Per 1 januari 2000 is het startniveau vastgesteld met de directeur DTE. Dat niveau is 2% lager dan in 1999. Dan gaat het wel om 225 mln. Het zou mooi zijn als een verdergaande daling mogelijk is, maar daar moet dan wel de nodige zorgvuldigheid bij betracht worden. Zij had begrepen dat de DTE hard werkt aan de tarieven voor volgend jaar. Later dit jaar zullen de bevindingen van de DTE besproken worden.

De minister was niet tegen het geschikt maken van Demkolec voor vergassing van biomassa, zoals rioolslib, kippenmest en kunststoffracties. Het is echter aan Demkolec en haar aandeelhouders om daarover te beslissen. Het verbranden en vergassen van biomassa blijft natuurlijk een interessante optie, omdat het bijdraagt aan het realiseren van de Kyotodoelstelling tot het beperken van de CO2-uitstoot.

Zij ging in op de klacht dat bepaalde producenten van windenergie de REB niet terugontvangen. Energiebedrijven zijn verplicht om de REB door te sluizen naar de producenten, anders moeten zij de REB afdragen. Dat geldt ook voor alle nieuwe projecten. Het probleem dat is aangekaart heeft betrekking op de projecten waarvoor eerder met de producenten een vaste prijs was afgesproken.

Op de vraag welke WKK-instrumenten nu al van kracht zijn, antwoordde de minister dat er al bepaalde subsidies van kracht zijn. Ook geldt de regelgeving op basis van de Wet milieubeheer al. Een fiscaal instrument is de REB, die overigens volgend jaar wederom wordt verhoogd. De aanpak op basis van convenanten wordt voortgezet. Ook de REB-vrijstelling voor het eigen gebruik is al van kracht.

Gevraagd is hoe de verspilling van warmte tegen kan worden gegaan. Het probleem is dat hergebruik in nogal wat gevallen helemaal niet rendabel is. Er zijn subsidies voor via het CO2-reductieplan. Voor duurzame warmte is met ingang van 2000 in de REB een doorsluisfaciliteit gecreëerd vergelijkbaar met die voor elektriciteit en gas.

De minister was geen voorstander van een heffing op verspilde warmte of restwarmte. Zij zag wat dat betreft problemen met de controle en de handhaving. Zo'n heffing kan ook niet worden opgelegd als een bedrijf de warmte zelf niet kan gebruiken of in de buurt van een bedrijf geen mogelijkheden tot levering zijn. De grote bedrijven zijn gehouden aan de convenantsafspraken. Daarin zit wel een incentive om te besparen en zo min mogelijk te verspillen.

Met betrekking tot de netwerktarieven voor WKK merkte de minister op dat in het kader van de behandeling van de Elektriciteitswet is afgesproken dat in het tarief geen subsidie verstopt kan worden, maar dat het tarief in overeenstemming moet zijn met de veroorzaakte kosten. Dus als er door WKK netkosten worden uitgespaard, bijvoorbeeld omdat er minder beslag gelegd wordt op het hoogspanningsnet, dan moet dat ook aan WKK ten goede komen. De DTE onderzoekt dit. De minister zegde toe er bij de DTE op aan te dringen haar zo snel mogelijk te melden of het al goed geregeld is of dat er nog verbeteringen moeten worden aangebracht.

Naar aanleiding van de opmerking dat het moeilijk wordt de MJA's na te komen zonder WKK, stelde zij dat zij er van uitging dat de WKK niet wegvalt. Het is alleen momenteel weinig aantrekkelijk om nieuwe capaciteit te bouwen. Overigens blijven er nog steeds rendabele installaties mogelijk. Het afgelopen jaar zijn er wel degelijk projecten gerealiseerd.

De ontwikkelingen rondom het gebruik van warmtepompen zijn nog niet ver genoeg om over te gaan tot grootscheepse marktintroductie. De overheid trekt extra geld uit voor demonstratieprojecten. Binnenkort verschijnt er een meerjarenprogramma warmtepompen. Onderhandelingen zijn gaande met de marktpartijen om een convenant te sluiten. Gehoopt wordt dat daarmee een stimulans voor grootschaliger toepassing mogelijk is. Met ingang van 2001 wordt de REB-systematiek gewijzigd. De heffingvrije voet wordt vervangen door een forfaitaire vrijstelling. Dat betekent dat de vrije voet van gas niet meer kan worden overgeheveld naar elektriciteit. Onderzocht wordt of het gebruik van warmtepompinstallaties ook gestimuleerd kan worden met inzet van het REB-instrumentarium.

De minister merkte vervolgens op dat het MJA-instrumentarium in 1997 is geëvalueerd. In het algemeen was het oordeel positief. Energiebesparing is hoger op de agenda van de industrie gekomen. Doelstellingen zijn binnen bereik gekomen. De autonome energiebesparing is ongeveer verdubbeld door de MJA-aanpak. De aanbevelingen die de evaluatie heeft opgeleverd, te weten steviger energiebesparingsplannen en een meer uniforme monitoring, zijn opgepakt. Inmiddels werkt NOVEM voor beide thema's met standaardkwaliteitsboeken. De nieuwe MJA's worden alleen afgesloten als de sectoren bereid zijn tot een reële inspanning. Het is nu zaak om aan de slag te gaan met de aanbevelingen die uit de evaluatie naar voren zijn gekomen.

Zij stelde dat benchmarking een goed instrument is om milieuproblemen aan te pakken. Wel moet per geval beoordeeld worden wat het beste instrument is voor een bepaald probleem. Ook is het van belang dat met dit instrument ervaring wordt opgedaan.

Bij sommige MJA's zijn de afgesproken doelstellingen niet bereikt. Daar moet actie op ondernomen worden. In de rapportage zijn de doelstellingen per sector gemeld. Gemiddeld wordt de doelstelling van
20% in 2000 ten opzichte van 1989 gehaald. In sommige gevallen wordt meer en in sommige gevallen minder gepresteerd dan het gemiddelde. Sectoren die het naar verwachting niet halen zijn per brief opgeroepen tot een nadere inspanning.

In 1997 is een nieuw milieuconvenant getekend voor de glastuinbouw, waarin een energie-efficiencyverbetering was opgenomen van 65% in 2010 ten opzichte van 1980. Er is een grote inspanning zowel van de overheid als van de sector nodig om die besparing te realiseren. Liberalisering van de energiemarkt kan ook het maatregelenpakket van de glastuinbouw veranderen. De minister was er voorstander van dat de energiebesparingsdoelstellingen uit het convenant uitgangspunt blijven. Dat convenant wordt binnenkort geëvalueerd op verzoek van de sector, mede in het licht van de liberalisering. Vervolgens deelde de minister in dit verband mede dat een eerste gesprek heeft plaatsgevonden tussen de glastuinbouw en de Gasunie. Er wordt dus wel degelijk onderhandeld over de overgangssituatie rond het CDS-systeem.

De minister stelde dat de convenantenaanpak succesvol is gebleken. Het is niet verstandig om een succesformule te veranderen. Dat betekent een voortzetting van die aanpak met het daarbij behorende flankerende beleid. Dat houdt in: benchmarking voor de grote bedrijven en MJA's voor de middelgrote bedrijven. In de MJA's moeten wel een aantal verbeteringen worden aangebracht. Ook moet er meer sprake zijn van individuele binding. Daarom maken bedrijven nu eerst een energiebesparingsplan en treden dan vervolgens op basis daarvan toe. De terugverdientijd is verlengd van drie naar vijf jaar. Ook dat is een verscherping. Verder is er een algemene implementatie van de energiezorg en een gestandaardiseerde monitoring.

De vrees is geuit dat economische groei de CO2-winst teniet kan doen. Economische groei is een belangrijke doelstelling van het kabinet. Die is ook nodig, al was het maar om de milieumaatregelen te kunnen betalen. Het kabinet heeft dan ook de ambitie om economische groei te realiseren en tevens een reductie van de CO2-uitstoot te bevorderen. Het maatregelenpakket dat in de uitvoeringsnota Klimaatbeleid is opgenomen, is zodanig dat dit mogelijk is. Als veronderstellingen tegenvallen, moet het beleid extra worden aangescherpt. Daartoe is in de klimaatnota ook een reservepakket aan maatregelen opgenomen.

Op de vraag of in de MJA's afspraken moeten worden opgenomen over duurzame energie antwoordde de minister dat sommige sectoren dat niet willen. Het hangt af van de economische haalbaarheid ervan. In elk geval geldt dat een convenant vrijwillig wordt gesloten. Dus beide partijen moeten het willen.

De minister vertelde hoe het staat met het onderzoek naar een groen nationaal inkomen. De wetenschappelijke begeleidingscommissie heeft vastgesteld dat het rapport nog niet publicabel is. Afgelopen najaar is de opdracht aan het IVM gegeven voor een afrondend onderzoek. De onderzoekers hebben gesteld dat zij voor een deugdelijk onderzoek, gezien de omvang en de bij hen beschikbare capaciteit, uiterlijk eind oktober van dit jaar de onderzoeksresultaten zullen presenteren. De Kamer zal hierover uiteraard geïnformeerd worden.

De voorzitter van de commissie,

Biesheuvel

De griffier van de commissie,

Tielens-Tripels


1 Samenstelling:

Leden: Blaauw (VVD), Biesheuvel (CDA), voorzitter, Witteveen-Hevinga (PvdA), Leers (CDA), Voûte-Droste (VVD), ondervoorzitter, Van Zuijlen (PvdA), M.B. Vos (GroenLinks), Rabbae (GroenLinks), Marijnissen (SP), Hessing (VVD), Giskes (D66), Crone (PvdA), Van Dijke (RPF), Van Walsem (D66), Hofstra (VVD), Wagenaar (PvdA), Verburg (CDA), Stroeken (CDA), Ravestein (D66), Geluk (VVD), Bos (PvdA), Van den Akker (CDA), Blok (VVD), De Boer (PvdA), Hindriks (PvdA)

Plv. leden: Snijder-Hazelhoff (VVD), Atsma (CDA), Kalsbeek (PvdA), Wijn (CDA), Klein Molekamp (VVD), Schoenmakers (PvdA), Van der Steenhoven (GroenLinks), Vendrik (GroenLinks), Poppe (SP), Kamp (VVD), Van den Berg (SGP), Kuijper (PvdA), Van Middelkoop (GPV), Schimmel (D66), Van Baalen (VVD), Herrebrugh (PvdA), Schreijer-Pierik (CDA), Van der Hoeven (CDA), Bakker (D66), Van Beek (VVD), Koenders (PvdA), De Haan (CDA), Udo (VVD), Smits (PvdA), Hamer (PvdA)

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie