Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Weekoverzicht Hof van Justitie en Gerecht Eerste Aanleg EU

Datum nieuwsfeit: 20-03-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten

WEEKOVERZICHT VAN HET HOF VAN JUSTITIE EN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN

Week van 20 tot 24 maart 2000

nr. 10/00



I. ARRESTEN

Bij het Hof van Justitie aanhangige zaken

Gevoegde zaken C-110/98 t/m C-147/98

Gabalfrisa SL e.a./Agencia Estatal de Administración Tributaria (AEAT)

Fiscale bepalingen

Zaak C-6/99

Association Greenpeace France e.a./Ministère de l'Agriculture et de la Pêche e.a.

Milieu en consumenten

Zaak C-217/98

Hauptzollamt Hamburg-Jonas/LFZ Nordfleisch AG

Landbouw

Zaak C-246/98

Berendse-Koenen M. G. en Berendse H. D. Maatschap

Vrij verkeer van goederen

Zaak C-208/98

Berliner Kindl Brauerei AG/A. Siepert

Harmonisatie van wetgevingen

Gevoegde zaken C-310/98 en C-406/98

Hauptzollamt Neubrandenburg/L. Labis, Sagpol SC Transport Miedzynarodowy i Spedycja

Vrij verkeer van goederen

Zaak C-327/98

Commissie van de Europese Gemeenschappen/Franse Republiek

Harmonisatie van wetgevingen

Zaak C-373/97

D. Diamantis/Elliniko Dimosio, Organismos Oikonomikis Anasygkrotisis Epicheiriseon AE (OAE)

Vennootschapsrecht

Bij het Gerecht van eerste aanleg aanhangige zaken

Gevoegde zaken T-125/97 en T-127/97

The Coca-Cola Company, Coca-Cola Enterprises Inc./Commissie van de Europese Gemeenschappen

Mededinging

Zaak T-95/98

C. Gogos/Commissie van de Europese Gemeenschappen

Ambtenarenstatuut

Zaak T-197/98

C. Rudolph/Commissie van de Europese Gemeenschappen

Ambtenarenstatuut

II. CONCLUSIES

Zaak C-473/98

Kemikalieinspektionen/Toolex Alpha AB

Zaak C-193/99

Vehicle Inspectorate/Graeme Edgar Hume

Gevoegde zaken C-180/98 t/m C-184/98

P. Pavlov e.a./Stichting Pensioenfonds Medische Specialisten

Zaak C-337/98

Commissie van de Europese Gemeenschappen/Franse Republiek

Zaak C-455/98

Tullihallitus/K. Salumets e.a.

Zaak C-387/98

Coreck Maritime GmbH/1. Handelsveem BV, 2. V. Berg and Sons Ltd., 3. Man Producten Rotterdam BV, 4. The Peoples Insurance Company of China

Gevoegde zaken C-177/99 en C-181/99

Ampafrance SA/Directeur des services fiscaux de Maine-et-Loire

Sanofi Winthrop SA/Directeur des services fiscaux du Val-de-Marne

Zaak C-423/98

A. Albore

Zaak C-3/99

Cidrerie Ruwet SA/Cidre Stassen SA en Société de droit anglais H.P. Bulmer Ltd

Zaak C-73/99

V. Movrin/Landesversicherungsanstalt Westfalen

III. MEDEDELING

Nieuwe citeerwijze van de verdragsartikelen


1. ARRESTEN

Bij het Hof van Justitie aanhangige zaken

Gevoegde zaken C-110/98 t/m C-147/98

Gabalfrisa SL e.a./Agencia Estatal de Administración Tributaria (AEAT)

Fiscale bepalingen

21 maart 2000

Prejudiciële zaak

"Begrip nationale rechterlijke instantie in de zin van artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) · Ontvankelijkheid · Belasting over toegevoegde waarde · Uitlegging van artikel 17 van Zesde richtlijn (77/388/EEG) · Aftrek van voorbelasting · Activiteiten voorafgaand aan normale verrichting van economische handelingen"

(Voltallig Hof)

Bij beschikkingen van 19 december 1997 (C-110/98 t/m C-115/98, C-117/98, C-120/98 en C-125/98 t/m C-146/98, 30 januari 1998 (C-121/98 t/m C-124/98 en C-147/98) en 25 februari 1998 (C-116/98, C-118/98 en C-119/98), heeft het Tribunal Económico-Administrativo Regional de Cataluña het Hof een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 17 van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting · Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1; hierna: "Zesde richtlijn").

Die vraag is gerezen in een geding tussen een aantal ondernemers of zelfstandigen en verschillende dienstonderdelen van de Agencia Estatal de Administración Tributaria (Rijksbelastingdienst, hierna: "AEAT") over de aftrek van belasting over de toegevoegde waarde (hierna: "BTW") op vóór de aanvang van hun activiteiten verrichte handelingen.

Verschillende dienstonderdelen van de AEAT weigerden BTW-aftrek te verlenen aan verzoekers in de hoofdgedingen met betrekking tot vóór de aanvang van hun activiteit verrichte handelingen · veelal bouwwerkzaamheden ·, op grond dat zij niet aan de voorwaarden van artikel 111 van wet nr. 37/1992, zoals gewijzigd bij artikel 10, lid 7, van wet nr. 13/1996 van 30 december 1996 inzake fiscale, bestuursrechtelijke en sociale maatregelen (hierna: "wet nr. 37/1992"), of van artikel 28 van Koninklijk Besluit nr. 1624/1992 van 29 december 1992 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de BTW hadden voldaan.

Verzoekers in de hoofdgedingen dienden tegen de beschikkingen van de betrokken dienstonderdelen van de AEAT een klacht in bij het Tribunal Económico-Administrativo Regional de Cataluña.

Aangezien het twijfelde aan de verenigbaarheid van wet nr. 37/1992 met artikel 17 van de Zesde richtlijn, besloot het Tribunal Económico-Administrativo Regional de Cataluña de behandeling van de zaken te schorsen en in elk van de zaken het Hof de navolgende prejudiciële vraag te stellen:

"Mag, gelet op de wijze waarop het aftrekrecht is geregeld in artikel 17 van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977, de uitoefening van dit recht ten aanzien van de BTW die door een belastingplichtige vóór de aanvang van de normale verrichting van de belaste handelingen is voldaan, ter voorkoming van fraude afhankelijk worden gesteld van de vervulling van bepaalde voorwaarden · zoals de indiening van een uitdrukkelijk verzoek vóór het tijdstip waarop de betrokken belasting verschuldigd wordt, en het regelmatig gaan verrichten van de belaste handelingen binnen een bepaalde termijn te rekenen vanaf de datum van dat verzoek ·, bij gebreke waarvan het recht op aftrek komt te vervallen, of althans pas kan worden uitgeoefend vanaf het tijdstip van aanvang van de normale verrichting van de belaste handelingen?"

Bij beschikking van 8 mei 1998 heeft de president van het Hof de zaken C-110/98 tot en met C-147/98 voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling en voor het arrest gevoegd.

Het Tribunal Económico-Administrativo Regional de Cataluña moet als rechterlijke instantie in de zin van artikel 177 van het Verdrag worden aangemerkt, zodat de prejudiciële vraag ontvankelijk is.

Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of artikel 17 van de Zesde richtlijn zich verzet tegen een nationale regeling die de uitoefening van het recht op aftrek van de BTW die een belastingplichtige vóór de aanvang van de normale verrichting van de belaste handelingen heeft voldaan, afhankelijk stelt van de vervulling van bepaalde voorwaarden, zoals de indiening van een uitdrukkelijk verzoek daartoe alvorens de betrokken belasting verschuldigd wordt en de inachtneming van een termijn van een jaar tussen de indiening van dat verzoek en de daadwerkelijke aanvang van de belaste handelingen, bij gebreke waarvan het recht op aftrek komt te vervallen, of althans pas kan worden uitgeoefend vanaf de daadwerkelijke aanvang van de normale verrichting van de belaste handelingen.

Het recht op aftrek waarin de artikelen 17 e.v. van de Zesde richtlijn voorzien, vormt een integrerend deel van de BTW-regeling en kan het in beginsel niet worden beperkt. Dit recht wordt onmiddellijk uitgeoefend voor alle belasting die op de in de eerdere stadia verrichte handelingen heeft gedrukt.

De aftrekregeling heeft tot doel, de ondernemer geheel te ontlasten van de in het kader van al zijn economische activiteiten verschuldigde of betaalde BTW. Het gemeenschappelijk BTW-stelsel waarborgt derhalve een volstrekt neutrale fiscale belasting van alle economische activiteiten, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die activiteiten, mits die activiteiten op zich aan de heffing van BTW zijn onderworpen.

Het beginsel van neutraliteit van de BTW ten aanzien van de fiscale belasting van de ondernemer vereist, dat de eerste investeringsuitgaven die worden gedaan ten behoeve en ter verwezenlijking van een onderneming, als economische activiteiten worden aangemerkt, en zou het in strijd zijn met dat beginsel, indien die activiteiten werden geacht eerst een aanvang te nemen op het tijdstip waarop een onderneming daadwerkelijk wordt geëxploiteerd, dat wil zeggen wanneer de belastbare inkomsten ontstaan. Iedere andere uitlegging van artikel 4 van de Zesde richtlijn zou de ondernemer bij het verrichten van zijn economische activiteit belasten met de kosten van BTW, zonder dat hij die overeenkomstig artikel 17 zou kunnen aftrekken, en zou neerkomen op een willekeurig onderscheid tussen investeringsuitgaven vóór en tijdens de daadwerkelijke exploitatie van een onderneming.

Artikel 4 van de Zesde richtlijn verzet zich er evenwel niet tegen, dat de belastingdienst verlangt dat het kenbaar gemaakte voornemen om een aanvang te maken met economische activiteiten die aanleiding geven tot belastbare handelingen, door objectieve gegevens wordt ondersteund. In dit verband moet worden beklemtoond, dat de hoedanigheid van belastingplichtige slechts definitief wordt verworven, indien de verklaring van het voornemen om een aanvang te maken met de beoogde economische activiteiten, door de belanghebbende te goeder trouw is afgelegd. In geval van fraude of misbruik, bijvoorbeeld wanneer de betrokkene heeft voorgewend een bepaalde economische activiteit te willen verrichten, doch in werkelijkheid goederen ten aanzien waarvan aftrek mogelijk is, in zijn privé-vermogen heeft pogen op te nemen, kan de belastingdienst met terugwerkende kracht terugbetaling van de afgetrokken bedragen vorderen, omdat deze aftrek op basis van valse verklaringen is verleend.

Degene die het door objectieve gegevens ondersteunde voornemen heeft, zelfstandig een economische activiteit in de zin van artikel 4 van de Zesde richtlijn aan te vangen en hiertoe eerste investeringsuitgaven doet, moet als belastingplichtige worden beschouwd. Als zodanig is hij overeenkomstig de artikelen 17 e.v. van de Zesde richtlijn dus gerechtigd de verschuldigde of voldane BTW ter zake van investeringsuitgaven ten behoeve van de handelingen die hij voornemens is te gaan verrichten en die recht geven op aftrek, onmiddellijk af te trekken, zonder de aanvang van de daadwerkelijke exploitatie van zijn onderneming te hoeven afwachten.

Artikel 22, lid 1, van de Zesde richtlijn schrijft enkel voor, dat de belastingplichtige opgave moet doen van het begin, de wijziging en de beëindiging van zijn activiteit; het geeft de lidstaten echter niet de bevoegdheid om, zolang geen opgave wordt gedaan, de uitoefening van het recht op aftrek op te schorten tot de daadwerkelijke aanvang van de normale verrichting van de belaste handelingen, dan wel de belastingplichtige de uitoefening van dat recht te ontzeggen.

De maatregelen die de lidstaten krachtens artikel 22, lid 8, van de Zesde richtlijn nemen ter waarborging van de juiste heffing van de belasting en ter voorkoming van fraude, mogen niet verder gaan dan ter bereiking van die doelstellingen noodzakelijk is. Zij mogen dus niet op zodanige wijze worden aangewend, dat zij een systematische belemmering voor het recht op BTW-aftrek opleveren, welk recht een basisbeginsel is van het bij de desbetreffende gemeenschapsregeling ingevoerde gemeenschappelijke BTW-stelsel.

De in de hoofdgedingen betwiste nationale regeling stelt de uitoefening van het recht op aftrek van de BTW die een belastingplichtige vóór de aanvang van de normale verrichting van de belaste handelingen heeft voldaan, echter niet alleen afhankelijk van de indiening van een uitdrukkelijk verzoek en de inachtneming van een termijn van een jaar tussen dat verzoek en de daadwerkelijke aanvang van de belaste handelingen. Daarenboven wordt bij niet-nakoming van deze voorwaarden de uitoefening van het recht op aftrek systematisch geschorst tot de daadwerkelijke aanvang van de normale verrichting van de belaste handelingen. Het recht op aftrek kan zelfs vervallen, indien geen begin wordt gemaakt met die handelingen of indien het niet wordt uitgeoefend binnen vijf jaar nadat het is ontstaan.

Een dergelijke regeling gaat derhalve verder dan noodzakelijk is ter waarborging van de juiste heffing van de belasting en ter voorkoming van fraude.

Het Hof verklaart voor recht:

"Artikel 17 van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting · Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, verzet zich tegen een nationale regeling die de uitoefening van het recht op aftrek van de BTW die een belastingplichtige vóór de aanvang van de normale verrichting van de belaste handelingen heeft voldaan, afhankelijk stelt van de vervulling van bepaalde voorwaarden, zoals de indiening van een uitdrukkelijk verzoek daartoe alvorens de betrokken belasting verschuldigd wordt en de inachtneming van een termijn van een jaar tussen de indiening van dat verzoek en de daadwerkelijke aanvang van de belaste handelingen, bij gebreke waarvan het recht op aftrek komt te vervallen, of althans pas kan worden uitgeoefend vanaf de daadwerkelijke aanvang van de normale verrichting van de belaste handelingen."

Advocaat-generaal A. Saggio heeft ter terechtzitting van het Hof van 7 oktober 1999 conclusie genomen.

Hij gaf het Hof in overweging de vraag niet-ontvankelijk te verklaren, voor zover zij afkomstig is van een orgaan dat geen "nationale rechterlijke instantie" is in de zin van artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG).

Subsidiair, gaf hij het Hof in overweging de vraag te beantwoorden als volgt:

"Artikel 17 van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting · Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, moet aldus worden uitgelegd, dat het in de weg staat aan

een nationale bepaling


· die de uitoefening van het recht op aftrek van de BTW die door een belastingplichtige is voldaan voordat de belaste handelingen regelmatig gingen plaatsvinden, afhankelijk stelt van de tweeledige voorwaarde dat

a) een uitdrukkelijk verzoek wordt ingediend vóór het tijdstip waarop de betrokken belasting verschuldigd wordt;

b) de termijn van een jaar in acht wordt genomen tussen de indiening van dit verzoek en het het daadwerkelijke begin van de belastbare handelingen;


· volgens welke bij niet-naleving van voornoemde voorwaarden het recht op aftrek komt te vervallen of pas kan worden uitgeoefend vanaf het daadwerkelijk moment waarop de belastbare handelingen, waarop de activiteit betrekking heeft, regelmatig gaan plaatsvinden."



Zaak C-6/99

Association Greenpeace France e.a./Ministère de l'Agriculture et de la Pêche e.a.

Milieu en consumenten

21 maart 2000

Prejudiciële zaak

"Richtlijn 90/220/EEG · Biotechnologie · Genetisch gemodificeerde organismen · Beschikking 97/98/EG · Zaaimaïs"

(Voltallig Hof)

Bij beschikking van 11 december 1998 heeft de Conseil d'État twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van richtlijn 90/220/EEG van de Raad van 23 april 1990 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/35/EG van de Commissie van 18 juni 1997 houdende tweede aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van richtlijn 90/220 (hierna: "richtlijn 90/220").

Die vragen zijn gerezen in het kader van een door de Association Greenpeace France (hierna: "Greenpeace") ingesteld beroep tot nietigverklaring van het besluit van de minister van Landbouw en Visserij van 5 februari 1998 houdende wijziging van de officiële lijst van de in Frankrijk geteelde plantensoorten en -variëteiten, om daarin een door Ciba-Geigy Ltd, thans Novartis Seeds SA, geproduceerde genetisch gemodificeerde maïssoort op te nemen.

Richtlijn 90/220 heeft volgens artikel 1, lid 1, ervan tot doel de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten en de bescherming van de volksgezondheid en het milieu bij, enerzijds, de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen (hierna: "GGO's") in het milieu, en anderzijds, het in de handel brengen van producten die uit genetisch gemodificeerde organismen bestaan of deze bevatten, en die bestemd zijn om daarna doelbewust in het milieu te worden geïntroduceerd.

Deel C van richtlijn 90/220 (artikelen 10-18) bevat specifieke bepalingen betreffende het in de handel brengen van producten die GGO's bevatten. Volgens artikel 11, lid 5, juncto lid 1, van deze richtlijn mag geen enkel product dat GGO's bevat, in het milieu worden geïntroduceerd, alvorens de bevoegde instantie van de lidstaat waar het product voor de eerste keer in de handel zal worden gebracht, schriftelijk toestemming heeft verleend ten vervolge op de kennisgeving door de fabrikant of de importeur in de Gemeenschap. Artikel 11, leden 1 tot en met 3, van deze richtlijn specificeert de verplichte inhoud van deze kennisgeving, die de nationale instantie onder meer in staat moet stellen de bij artikel 10, lid 1, opgelegde risicoanalyse te verrichten. Deze risicoanalyse moet aan elke toestemming voorafgaan.

Artikel 12 van richtlijn 90/220 bepaalt:

"1. Na ontvangst en na bevestiging van ontvangst van de in artikel 11 bedoelde kennisgeving gaat de bevoegde instantie na of de kennisgeving in overeenstemming is met deze richtlijn, waarbij vooral aandacht wordt geschonken aan de milieurisicobeoordeling en de aanbevolen voorzorgsmaatregelen in verband met de veiligheid bij gebruik van het product.


2. Uiterlijk 90 dagen na ontvangst van de kennisgeving wordt door de bevoegde instantie:

hetzij

a) het dossier met een gunstig advies toegezonden aan de Commissie,

hetzij

b) mededeling gedaan aan de kennisgever dat de voorgestelde introductie niet voldoet aan de voorwaarden van de richtlijn en dat de kennisgeving derhalve is afgewezen.


3. In het in lid 2, onder a, bedoelde geval dient het aan de Commissie toegezonden dossier een samenvatting van de kennisgeving te bevatten alsmede een uiteenzetting van de door de bevoegde instantie voorgestelde voorwaarden om toestemming te verlenen voor het in de handel brengen van het product.

..."

Artikel 13 van richtlijn 90/220 bepaalt:

"1. Na ontvangst van het in artikel 12, lid 3, bedoelde dossier zendt de Commissie dit onmiddellijk, samen met eventuele andere informatie die zij krachtens deze richtlijn heeft verzameld, aan alle lidstaten toe en stelt zij de voor de toezending van het document verantwoordelijke bevoegde instantie op de hoogte van de verspreidingsdatum.


2. Indien de overige lidstaten binnen een termijn van 60 dagen na de in lid 1 bedoelde verspreidingsdatum geen bezwaren hebben gemaakt, verleent de bevoegde instantie schriftelijk toestemming op basis van de kennisgeving, zodat het product in de handel kan worden gebracht, en stelt zij de overige lidstaten en de Commissie daarvan in kennis.

3. Ingeval de bevoegde instantie van een andere lidstaat bezwaar maakt · hetgeen met redenen moet worden omkleed · en de betrokken bevoegde instanties binnen de in lid 2 vermelde termijn niet tot overeenstemming kunnen komen, neemt de Commissie een besluit volgens de procedure van artikel 21.


4. Als de Commissie een gunstig besluit heeft genomen, verleent de bevoegde instantie die de oorspronkelijke kennisgeving heeft ontvangen, schriftelijk toestemming op basis van de kennisgeving, zodat het product in de handel kan worden gebracht, en stelt zij de overige lidstaten en de Commissie daarvan in kennis.
..."

Op 23 januari 1997 gaf de Commissie beschikking 97/98/EG betreffende het overeenkomstig richtlijn 90/220 in de handel brengen van genetisch gemodificeerde maïs (Zea mays L.) met de gecombineerde modificatie voor insectendodende eigenschappen door het Bt-endotoxinegen en voor verhoogde tolerantie voor het herbicide glufosinaatammonium.

De artikelen 15 en 16 van wet nr. 92-654 van 13 juli 1992 betreffende de controle op het gebruik en de introductie van genetisch gemodificeerde organismen en houdende wijziging van wet nr. 76-663 van 19 juli 1976 betreffende de indeling van inrichtingen met het oog op de milieubescherming, voorzien in de procedure die in Frankrijk moet worden gevolgd voor verkrijging van een vergunning voor het in de handel brengen van een geheel of gedeeltelijk uit GGO's bestaand product.

Volgens artikel 4-1 van decreet nr. 81-605, dat de toepasselijke regeling voor vergunningen voor het in de handel brengen van planten, zaaizaad en plantgoed bepaalt, geeft de minister van Landbouw, na advies van de minister van Milieubeheer, de vergunningen af die vereist zijn voor elke introductie bestemd om zaaizaad of plantgoed te produceren die in de handel zullen worden gebracht. Wanneer het zaaizaad of het plantgoed zijn opgenomen in een lijst of in een toegevoegd register, geldt volgens de laatste alinea van deze bepaling het inschrijvingsbesluit als vergunning. Is het genetisch gemodificeerd zaaizaad of plantgoed niet ingeschreven, dan wordt de vereiste vergunning volgens artikel 15-1 van decreet nr. 81-605 afgegeven bij besluit van de minister van Milieubeheer.

Ten vervolge op beschikking 97/98 verleende de Franse minister van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening bij besluit van 4 februari 1997 vergunning voor het in de handel brengen van genetisch gemodificeerde maïslijnen (ZEA mays L.) die zijn beschermd tegen maïsboorders en een verhoogde tolerantie hebben voor het herbicide glufosinaatammonium (hierna: "besluit van 4 februari 1997"). Dat besluit vormt de in artikel 13 van richtlijn 90/220 bedoelde "schriftelijke toestemming". Bij besluit van 5 februari 1998 wijzigde deze minister de officiële lijst van de in Frankrijk geteelde plantensoorten en -variëteiten (zaaimaïs) (hierna: "besluit van 5 februari 1998"). Dat besluit staat verkoop van zaaizaad uit bepaalde genetisch gemodificeerde maïsvariëteiten toe.

Greenpeace verzocht de Conseil d'État om opschorting van de tenuitvoerlegging van het besluit van 5 februari 1998 en stelde tevens een beroep tot nietigverklaring van dat besluit in.

Bij beschikking van 25 september 1998 schortte de Conseil d'État de tenuitvoerlegging van het besluit van 5 februari 1998 op, omdat enerzijds een middel van Greenpeace ernstig leek en de nietigverklaring van dit besluit leek te kunnen rechtvaardigen en anderzijds de gevolgen van tenuitvoerlegging van het besluit opschorting konden rechtvaardigen. Het door Greenpeace aangevoerde middel, dat door de Conseil d'État in het stadium van de opschorting van de tenuitvoerlegging als ernstig is aangemerkt, houdt in dat het besluit van 5 februari 1998 is vastgesteld na een onregelmatige procedure en het voorzorgsbeginsel schendt.

Het door Greenpeace ingestelde beroep tot nietigverklaring van het besluit van 5 februari 1998 is door de Conseil d'État gevoegd met vier andere verzoeken tot nietigverklaring van dit besluit, die zijn ingediend door drie andere verenigingen en het laatste door drie particulieren.

Verzoeksters in het hoofdgeding hebben een groot aantal middelen inzake de externe en de interne wettigheid van het besluit van 5 februari 1998 aangevoerd. Zij voeren met name aan, dat het besluit van 5 februari 1998 onwettig is wegens de als exceptie opgeworpen onwettigheid van het besluit van 4 februari 1997 ten vervolge waarop het is vastgesteld. Het besluit van 4 februari 1997 houdende vergunning voor het in de handel brengen van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde maïslijnen zou met name onwettig zijn wegens de onregelmatigheden in de procedure die de Franse autoriteiten hebben gevolgd alvorens zij het dossier aan de Commissie hebben toegezonden.

In deze omstandigheden heeft de Conseil d'État de behandeling van de zaak geschorst en het Hof twee prejudiciële vragen gesteld.

Met zijn eerste vraag wenst de nationale rechter van het Hof te vernemen, of de lidstaat die een kennisgeving omtrent het in de handel brengen van een GGO heeft ontvangen en het dossier met een gunstig advies aan de Commissie heeft toegezonden, bij het uitblijven van bezwaren van andere lidstaten of bij een gunstig besluit van de Commissie, over beoordelingsvrijheid beschikt, zodat hij toestemming kan weigeren.

De gemeenschapswetgever heeft voor de toepassing van een communautaire procedure voor het verlenen van vergunning voor het in de handel brengen van producten die GGO's bevatten, in de artikelen 10 tot en met 18 van richtlijn 90/220 voorzien in nauwe samenwerking tussen de Commissie en de bevoegde instantie van de lidstaat waar dit product voor de eerste keer in de handel zal worden gebracht.

Volgens de artikelen 12 en 13 van deze richtlijn bestaat de procedure voor het verlenen van vergunning voor het in de handel brengen van producten die GGO's bevatten, namelijk uit twee fasen.

De nationale fase van de procedure voor het in de handel brengen van producten die GGO's bevatten, heeft volgens de zeventiende overweging van de considerans van richtlijn 90/220 tot doel, het de bevoegde instantie mogelijk te maken pas een gunstig advies uit te brengen en vervolgens in voorkomend geval schriftelijk toestemming te verlenen, nadat zij ervan overtuigd is dat introductie veilig voor het milieu en de menselijke gezondheid is.

Wat de Commissie betreft, volgens artikel 13, lid 1, van richtlijn 90/220 zendt deze het dossier samen met eventuele andere informatie die zij krachtens deze richtlijn heeft verzameld, aan de bevoegde instanties van alle lidstaten toe. De bevoegde nationale instantie verleent toestemming wanneer geen andere lidstaat bezwaar maakt, zoals in lid 2 van dat artikel is bepaald, of, in het in lid 4 bedoelde geval, wanneer de Commissie volgens de procedure van artikel 21 van richtlijn 90/220, waarnaar artikel 13, lid 3, van deze richtlijn verwijst, een gunstig besluit heeft genomen.

De in richtlijn 90/220 bedoelde procedure voor het verlenen van vergunning voor het in de handel brengen van een product dat GGO's bevat, begint pas na beëindiging van een procedure waarin de nationale instanties op basis van het in artikel 12, lid 1, van deze richtlijn bedoelde onderzoek een gunstig advies hebben uitgebracht en hun eigen beoordelingsbevoegdheid dus volledig hebben kunnen uitoefenen bij de analyse van de risico's voor de menselijke gezondheid en het milieu van de introductie van producten die GGO's bevatten.

Het voorzorgsbeginsel komt tot uiting in de krachtens artikel 11, lid 6, van richtlijn 90/220 op de kennisgever rustende verplichting om de bevoegde instantie onmiddellijk in te lichten over nieuwe gegevens ten aanzien van de risico's van het product voor de menselijke gezondheid of het milieu, in de krachtens artikel 12, lid 4, op de bevoegde instantie rustende verplichting om de Commissie en de overige lidstaten daarvan onmiddellijk in kennis te stellen, en in de mogelijkheid die elke lidstaat krachtens artikel 16 van

deze richtlijn heeft om het gebruik en/of de verkoop van een product waarvoor toestemming is verleend, op zijn grondgebied tijdelijk te beperken of te verbieden, indien hij gegronde redenen heeft om te oordelen, dat het product gevaar oplevert voor de menselijke gezondheid of het milieu.

Het beschermingssysteem van richtlijn 90/220, met name de artikelen 4, 12, lid 4, en 16 ervan, houdt noodzakelijkerwijs in, dat de betrokken lidstaat niet verplicht kan worden geacht zijn schriftelijke toestemming te verlenen wanneer hij inmiddels beschikt over nieuwe gegevens die hem tot de slotsom brengen, dat het product waarop de kennisgeving betrekking had, gevaar kan opleveren voor de menselijke gezondheid en het milieu.

In dat geval dient hij de Commissie en de andere lidstaten daarvan onverwijld in kennis te stellen, zodat binnen de in artikel 16, lid 2, van richtlijn 90/220 voorgeschreven termijn een besluit wordt genomen volgens de procedure van artikel 21 van deze richtlijn.

De nationale rechter wenst met zijn tweede vraag in wezen te vernemen, of de bevoegde nationale instantie bij een "gunstig besluit" van de Commissie verplicht is "schriftelijk toestemming" te verlenen, ook al heeft een rechter onregelmatigheden in het verloop van het onderzoek van de kennisgeving door deze instantie vastgesteld die de wettigheid kunnen aantasten van het besluit om het dossier met een gunstig advies aan de Commissie toe te zenden.

Het besluit van de bevoegde instantie om het verzoek met een gunstig advies aan de Commissie toe te zenden is dus van beslissend belang voor de communautaire procedure en kan zelfs, bij het uitblijven van bezwaren van een andere lidstaat binnen de termijn van artikel 13, lid 2, van de richtlijn, de uitkomst ervan bepalen.

Aangezien het gunstige advies van de bevoegde nationale instantie is gebaseerd op de resultaten van het onderzoek van de kennisgeving bedoeld in artikel 12, lid 1, van richtlijn 90/220, dient te worden nagegaan, welke gevolgen eventuele onregelmatigheden in het verloop van dit onderzoek die de wettigheid kunnen aantasten van het besluit om het dossier met een gunstig advies aan de Commissie toe te zenden, voor de geldigheid van het gunstige besluit van de Commissie kunnen hebben.

Aangezien het gaat om een handeling van een nationale instantie, staat het aan de nationale rechter uitspraak te doen over de regelmatigheid van het in artikel 12, lid 1, van richtlijn 90/220 bedoelde onderzoek van de kennisgeving, alsook over de mogelijke gevolgen van eventuele onregelmatigheden in het verloop van dit onderzoek voor de wettigheid van het besluit van de bevoegde instantie om het dossier krachtens artikel 12, lid 2, sub a, met een gunstig advies aan de Commissie toe te zenden.

De door het gemeenschapsrecht gegarandeerde rechtsbescherming voor de justitiabelen omvat het recht de wettigheid van dit besluit incidenteel te betwisten voor de nationale rechter en deze te verzoeken het Hof prejudiciële vragen te stellen over de geldigheid van dat besluit. In dat geval is alleen het Hof bevoegd om de ongeldigheid van handelingen van de gemeenschapsinstellingen vast te stellen.

Wanneer de nationale rechter vaststelt, dat de bevoegde nationale instantie wegens onregelmatigheden in het verloop van haar in artikel 12, lid 1, van richtlijn 90/220 bedoelde onderzoek van de kennisgeving, het dossier niet op goede gronden met een gunstig advies aan de Commissie heeft kunnen toezenden in de zin van lid 2 van dit artikel, moet hij, wanneer hij van oordeel is, dat deze onregelmatigheden de geldigheid van het gunstige besluit van de Commissie kunnen aantasten, het Hof om een prejudiciële beslissing verzoeken onder opgave van de zijns inziens in aanmerking te nemen redenen van ongeldigheid, en in voorkomend geval de tenuitvoerlegging van de maatregelen tot toepassing van dit besluit opschorten totdat het Hof de geldigheidsvraag heeft beantwoord.

Indien het Hof vaststelt, dat het gunstige besluit van de Commissie onwettig is, is niet voldaan aan de in artikel 13, leden 2 en 4, van richtlijn 90/220 gestelde voorwaarden voor het verlenen van schriftelijke

toestemming door de bevoegde instantie, zodat de schriftelijke toestemming niet geldig is verleend of kan worden verleend.

Het Hof verklaart voor recht:

"1) Richtlijn 90/220/EEG van de Raad van 23 april 1990 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/35/EG van de Commissie van 18 juni 1997 houdende tweede aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van richtlijn 90/220, moet aldus worden uitgelegd, dat wanneer na toezending aan de Commissie van een verzoek tot het in de handel brengen van een genetisch gemodificeerd organisme geen enkele lidstaat bezwaar heeft gemaakt in de zin van artikel 13, lid 2, van deze richtlijn, of wanneer de Commissie overeenkomstig lid 4 van dit artikel een .gunstig besluit' heeft genomen, de bevoegde instantie die het verzoek met een gunstig advies aan de Commissie heeft toegezonden, verplicht is .schriftelijk toestemming' te verlenen, zodat het product in de handel kan worden gebracht. Wanneer de betrokken lidstaat inmiddels beschikt over nieuwe gegevens die hem tot de slotsom brengen, dat het product waarop de kennisgeving betrekking had, gevaar kan opleveren voor de menselijke gezondheid en het milieu, is hij evenwel niet verplicht toestemming te verlenen, mits hij de Commissie en de andere lidstaten onverwijld daarvan in kennis stelt, zodat binnen de in artikel 16, lid 2, van richtlijn 90/220 gestelde termijn ter zake een besluit wordt genomen volgens de procedure van artikel 21 van deze richtlijn.

2) Wanneer de nationale rechter vaststelt, dat de bevoegde nationale instantie wegens onregelmatigheden in het verloop van haar in artikel 12, lid 1, van richtlijn 90/220 bedoelde onderzoek van de kennisgeving, het dossier niet op goede gronden met een gunstig advies aan de Commissie heeft kunnen toezenden in de zin van lid 2 van dit artikel, moet hij het Hof om een prejudiciële beslissing verzoeken wanneer hij van oordeel is dat deze onregelmatigheden de geldigheid van het gunstige besluit van de Commissie kunnen aantasten, en in voorkomend geval de tenuitvoerlegging van de maatregelen tot toepassing van dit besluit opschorten totdat het Hof de geldigheidsvraag heeft beantwoord."

Advocaat-generaal J. Mischo heeft ter terechtzitting van het Hof van 25 november 1999 conclusie genomen.

Hij gaf het Hof in overweging voor recht te verklaren als volgt:

"1) Behoudens dat te goeder trouw gebruik wordt gemaakt van de vrijwaringsclausule van artikel 16 van richtlijn 90/220/EEG van de Raad van 23 april 1990 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu, heeft de lidstaat die aan de Commissie een verzoek om een vergunning voor het in de handel brengen van een genetisch gemodificeerd organisme, geen beoordelingsvrijheid op grond waarvan hij zijn schriftelijke toestemming kan weigeren. Hij moet deze derhalve geven wanneer geen enkele andere lidstaat hiertegen bezwaar heeft gemaakt of wanneer de Commissie een gunstig besluit heeft genomen overeenkomstig artikel 13, lid 4, van deze richtlijn.

2) Beschikking 97/98/EG van de Commissie van 23 januari 1997 betreffende het overeenkomstig richtlijn 90/220/EEG van de Raad in de handel brengen van genetisch gemodificeerde maïs (Zea mays L.) met

de gecombineerde modificatie voor insectendodende eigenschappen door het Bt-endotoxinegen en voor verhoogde tolerantie voor het herbicide glufosinaatammonium, moet aldus worden uitgelegd, dat daarbij de Franse regering wordt verplicht haar schriftelijke toestemming te geven, behalve wanneer zij gebruik maakt van de in artikel 16 van richltijn 90/220 geboden mogelijkheid, indien volgens haar aan de voorwaarden voor toepassing van deze bepaling is voldaan."



Zaak C-217/98

Hauptzollamt Hamburg-Jonas/LFZ Nordfleisch AG

Landbouw

21 maart 2000

Prejudiciële zaak

"Landbouw · Gemeenschappelijke ordening der markten · Rundvlees · Restitutie bij uitvoer · Intrekking van aanvraag tot vooruitbetaling · Gevolgen voor waarborg"

(Eerste kamer)

Bij beschikking van 7 april 1998 heeft het Bundesfinanzhof een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 33, lid 1, tweede alinea, van verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1615/90 van de Commissie van 15 juni 1990, juncto artikel 29, eerste alinea, van verordening (EEG) nr. 2220/85 van de Commissie van 22 juli 1985 tot vaststelling van gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake de regeling voor het stellen van zekerheden voor landbouwproducten.

Die vraag is gerezen in een geding tussen Hauptzollamt Hamburg-Jonas (hierna: "Hauptzollamt") en LFZ Nordfleisch AG, rechtsopvolgster van Nordfleish GmbH (hierna: "Nordfleisch"), over de betaling door laatstgenoemde van een extra bedrag van 20 % krachtens artikel 33, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 3665/87.

Volgens artikel 18, lid 1, van verordening (EEG) nr. 805/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 425/77 van de Raad van 14 februari 1977, kan in de mate nodig om de uitvoer van rundvleesproducten op basis van de noteringen of de prijzen van deze producten op de wereldmarkt mogelijk te maken, het verschil tussen deze noteringen of prijzen en de prijzen in de Gemeenschap overbrugd worden door een restitutie bij de uitvoer.

De algemene voorschriften betreffende de toekenning van restituties bij de uitvoer in de sector rundvlees en de criteria voor het bepalen van het bedrag ervan zijn vastgesteld bij verordening (EEG) nr. 885/68 van de Raad van 28 juni 1968, zoals aangevuld bij verordening (EEG) nr. 1504/76 van de Raad van 21 juni 1976.

De uitvoeringsbepalingen van artikel 15 van verordening nr. 805/68 en van artikel 5 bis van verordening nr. 885/68 zijn vastgesteld bij verordening (EEG) nr. 3719/88 van de Commissie van 16 november 1988

houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer-, uitvoer- en voorfixatiecertificaten voor landbouwproducten.

Artikel 39 van deze verordening bepaalt de gevolgen van de regeling "terugkerende goederen", als bedoeld in verordening (EEG) nr. 754/76 van de Raad van 25 maart 1976 betreffende de tariefbehandeling die van toepassing is op naar het douanegebied van de Gemeenschap terugkerende goederen en in verordening (EEG) nr. 2945/76 van de Commissie van 26 november 1976 houdende vaststelling van enige bepalingen voor de toepassing van verordening nr. 754/76.

Artikel 5, lid 1, van verordening (EEG) nr. 565/80 van de Raad van 4 maart 1980 betreffende de vooruitbetaling van de uitvoerrestituties voor landbouwproducten, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2026/83 van de Raad van 18 juli 1983, bepaalt:

"Op verzoek van de belanghebbende wordt een bedrag dat gelijk is aan de uitvoerrestitutie uitbetaald zodra de producten of goederen onder het stelsel van douane-entrepots of vrije zones zijn gebracht met het oog op uitvoer binnen een bepaalde termijn."

Op 24, 25 en 27 juli 1990 diende Nordfleisch een verzoek in om ongeveer 70 ton rundvlees onder het stelsel van douane-entrepots te plaatsen met het oog op vooruitbetaling van een uitvoerrestitutie, alsmede een betalingsaangifte in de zin van artikel 25 van verordening nr. 3665/87. De douane willigde deze verzoeken in, stelde de hoeveelheid en de hoedanigheid van de goederen vast, stelde certificaten op voor de in deze verzoeken genoemde hoeveelheden, en stelde de restitutievoet vast.

Op 1 augustus 1990 verzocht Nordfleisch om vooruitbetaling van de uitvoerrestitutie tegen de overeenkomstig artikel 29, lid 2, van verordening nr. 3665/87 vooraf vastgestelde restitutievoet.

Tussen 2 en 6 augustus 1990 trok Nordfleisch haar verzoeken om betaling van de restitutie in, daar zij voornemens was de onder het stelsel van douane-entrepots geplaatste goederen weer binnen te brengen in het douanegebied van de Gemeenschap.

Op 24 augustus 1990 stelde het Hauptzollamt, ondanks de intrekking van de betalingsverzoeken, vier beschikkingen tot betaling van de restitutie vast en betaalde het aan Nordfleisch in totaal 237 150,02 DEM uit, wat overeenkwam met de uitvoerrestitutie voor de onder het stelsel van douane-entrepots geplaatste goederen.

Bij beschikking van 6 november 1990 vorderde het Hauptzollamt de vooruitbetaalde restitutie terug, vermeerderd met een extra bedrag van 20 %, gelijk aan 47 370 DEM, overeenkomstig artikel 33, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 3665/87.

Het Hauptzollamt wees het bezwaar van Nordfleisch tegen de toepassing van het extra bedrag van 20 % af.

Het door Nordfleisch bij het Finanzgericht Hamburg daartegen ingestelde beroep werd evenwel toegewezen.

Het Hauptzollamt stelde tegen deze uitspraak beroep tot "Revision" in.

Het Bundesfinanzhof achtte het nodig het Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen:

"Moet artikel 33, lid 1, tweede alinea, van verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1997 juncto artikel 29, eerste alinea, van verordening (EEG) nr. 2220/85 van de Commissie van 22 juli 1985, aldus worden uitgelegd, dat het bedrag van de uitvoerrestitutie ook dan met 20 % moet worden verhoogd, wanneer de overeenkomstig artikel 5 van verordening (EEG) nr. 565/80 van de Raad van 4 maart 1980 juncto de artikelen 25 en 26 van verordening (EEG) nr. 3665/87 met het oog op

uitvoerrestitutie onder het stelsel van douane-entrepots geplaatste goederen · anders dan oorspronkelijk was voorzien · niet zijn uitgevoerd, doch onmiddellijk na opslag onder het stelsel van douane-entrepots en na intrekking van het betalingsverzoek [artikel 29, lid 2, van verordening (EEG) nr. 3665/87] in de Gemeenschap weer in het vrije verkeer zijn gebracht?"

Uit artikel 6 van verordening nr. 565/80 blijkt, dat om voor vooruitbetaling van de uitvoerrestitutie in aanmerking te komen een waarborg moet worden gesteld teneinde de terugbetaling te garanderen van een bedrag dat gelijk is aan het uitbetaalde bedrag, verhoogd met een extra bedrag.

Deze zekerheid strekt er dus toe te verzekeren, dat het vooruitbetaalde bedrag bij niet-naleving van de gemeenschapsregeling inzake vooruitbetaling volledig wordt terugbetaald, alsook dat de uit de ongerechtvaardigde toekenning van de vooruitbetaling verkregen voordelen die forfaitair worden geraamd op het bij artikel 31, lid 1, van verordening nr. 3665/87 vastgestelde percentage, worden opgeheven.

Bij gebrek aan andersluidende gemeenschapsbepalingen kan de exporteur zijn verzoek om vooruitbetaling van de restitutie intrekken zolang de douane daarover nog geen beslissing heeft genomen. In dat geval kan de douane de door de exporteur gestelde zekerheid niet verbeuren, doch moet zij die volledig vrijgeven.

Indien ondanks de intrekking van het betalingsverzoek de nationale autoriteiten het restitutiebedrag toch vooruitbetalen, blijft deze betaling na intrekking van het verzoek zonder gevolgen voor de zekerheid.

De zekerheid kan niet worden ingehouden als sanctie voor de niet-naleving van de andere verplichtingen van de uitvoerrestitutieregeling. Op onregelmatige uitvoering van de plaatsing onder het stelsel van douane-entrepots of op niet-inachtneming van de bij de regeling gestelde termijnen worden namelijk elders, met name in de artikelen 39 en 43 van verordening nr. 3719/88, sancties gesteld.

Het Hof verklaart voor recht:

"Artikel 33, lid 1, tweede alinea, van verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1615/90 van de Commissie van 15 juni 1990, juncto artikel 29, eerste alinea, van verordening (EEG) nr. 2220/85 van de Commissie van 22 juli 1985 tot vaststelling van gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake de regeling voor het stellen van zekerheden voor landbouwproducten, zijn niet van toepassing op de situatie van de exporteur die na de bevoegde nationale instanties overeenkomstig artikel 29, lid 2, van verordening nr. 3665/87 te hebben verzocht om vooruitbetaling van de uitvoerrestitutie voor onder het stelsel van douane-entrepots geplaatste goederen, zijn verzoek intrekt om deze goederen weer in het douanegebied van de Gemeenschap binnen te brengen, en toch de aanvankelijk aangevraagde vooruitbetaling van de uitvoerrestitutie ontvangt.

In die omstandigheden moet de in artikel 31, lid 1, van verordening nr. 3665/87 bedoelde zekerheid worden vrijgegeven en moet alleen het als vooruitbetaling van de uitvoerrestitutie betaalde bedrag door de exporteur worden terugbetaald overeenkomstig de nationale bepalingen inzake onverschuldigde betaling."

Advocaat-generaal A. La Pergola heeft ter terechtzitting van de Eerste kamer van 11 november 1999 conclusie genomen.

Hij gaf het Hof in overweging te antwoorden als volgt:

"Artikel 33, lid 1, van verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten · zoals gewijzigd bij artikel 1, punt 2, van verordening (EEG) nr. 1615/90 van de Commissie van 15 juni 1990 · juncto artikel 29, eerste alinea, van verordening (EEG) nr. 2220/85 van de Commissie van 22 juli 1985 tot vaststelling van gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake de regeling voor het stellen van zekerheden voor landbouwproducten, is niet van toepassing op het geval van een marktdeelnemer die bij de bevoegde nationale autoriteiten ingevolge artikel 29, lid 2, van verordening (EEG) nr. 3665/87 een verzoek om vooruitbetaling van een uitvoerrestitutie voor onder het stelsel van douane-entrepots gebrachte goederen heeft ingediend en zijn verzoek nog vóór de beslissing van deze autoriteiten intrekt, om deze goederen weer in het vrije verkeer van de Gemeenschap te brengen, maar toch het oorspronkelijk gevraagde bedrag ontvangt. In voormelde omstandigheden is de nationale douaneadministratie verplicht, de door de exporteur krachtens artikel 31 van verordening (EEG) nr. 3665/87 gestelde zekerheid in haar geheel vrij te geven en mag zij niet de in voormeld artikel 33, lid 1, bedoelde verhoging toepassen. Het aan de exporteur als vooruitbetaling van de uitvoerrestitutie uitbetaalde bedrag moet door hem worden terugbetaald overeenkomstig de nationale bepalingen inzake terugvordering van het onverschuldigd betaalde."



Zaak C-246/98

Berendse-Koenen M. G. en Berendse H. D. Maatschap

Vrij verkeer van goederen

23 maart 2000

Prejudiciële zaak

"Richtlijn 83/189/EEG · Verbod van stoffen met groeibevorderende werking · Maatregelen van gelijke werking"

(Derde kamer)

Bij tussenvonnis van 2 april 1998 heeft de Arrondissementsrechtbank te Arnhem twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van richtlijn 83/189/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften, zoals gewijzigd bij richtlijn 88/182/EEG van de Raad van 22 maart 1988 (hierna "richtlijn 83/189"), en van de artikelen 30 en 36 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikelen 28 EG en 30 EG).

Die vragen zijn gerezen in een strafzaak tegen Berendse-Koenen M. G. en Berendse H. D. Maatschap wegens het voorhanden hebben van runderen waaraan clenbuterol bevattende stoffen met sympathico-mimetische werking waren toegediend.

Artikel 2 van de Verordening bepaalt: "Het is verboden diergeneesmiddelen met sympathico-mimetische werking die clenbuterol bevatten, toe te dienen aan mestrunderen van ouder dan 14 weken, dan wel de toediening van zulke diergeneesmiddelen aan bedoelde mestrunderen toe te laten."

Artikel 3, lid 1, van de Verordening luidt: "Het is verboden mestrunderen waaraan in strijd met artikel 2 aldaar bedoelde stoffen met sympathico-mimetische werking zijn toegediend, voorhanden of in voorraad te hebben, te kopen of te verkopen."

In urinemonsters van runderen op het bedrijf van verdachten in het hoofdgeding werd clenbuterol aangetroffen. Het Openbaar Ministerie stelde daarop strafvervolging tegen hen in wegens overtreding van de Verordening.

De Arrondissementsrechtbank te Arnhem heeft derhalve besloten, de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de navolgende prejudiciële vragen te stellen:

"1) Bevat de Verordening stoffen met sympathico-mimetische werking (PVV) 1991, en meer in het bijzonder de artikelen 2 en 3 van die verordening, technische voorschriften, die ingevolge artikel 8 van richtlijn 83/189/EEG, zoals die richtlijn luidde ten tijde van het in werking treden van de verordening, vooraf aan de Commissie moesten worden meegedeeld?

2) Bevat de Verordening stoffen met sympathico-mimetische werking (PVV) 1991, en meer in het bijzonder de artikelen 2 en 3 van die verordening, bepalingen die belemmeringen opleveren voor het vrije handelsverkeer, zoals bedoeld in artikel 30 van het EG-Verdrag?"

Er dient aan te worden herinnerd, dat richtlijn 86/469 blijkens de derde en de vierde overweging van de considerans tot doel heeft de controles op residuen te harmoniseren en gemeenschappelijke maximumwaarden voor de residuen in vers vlees vast te stellen, waarvan de overschrijding rechtstreeks het verbod meebrengt om het betrokken vlees in de handel te brengen. Met de richtlijn wordt dus een tweeledig doel nagestreefd, te weten bescherming van de gezondheid van de mens en vergemakkelijking van het vrij verkeer van goederen.

De Nederlandse autoriteiten hebben met de vaststelling van het verbod om clenbuterol toe te dienen aan mestrunderen van ouder dan 14 weken, en mestrunderen van ouder dan 14 weken waaraan deze stof is toegediend, voorhanden of in voorraad te hebben, te kopen of te verkopen, aan de uit deze richtlijn voortvloeiende verplichtingen voldaan.

Een nationaal voorschrift als dat van artikel 3, lid 1, juncto artikel 2 van de Verordening is dus geen eenzijdige maatregel ter bescherming van nationale belangen van de betrokken lidstaat, maar is vastgesteld om te voldoen aan een richtlijn van de Raad in het algemeen belang van de Gemeenschap.

Een voorschrift als in het hoofdgeding aan de orde is, waarmee de lidstaat zijn uit richtlijn 86/469 voortvloeiende verplichtingen nakomt, kan niet als maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking in de zin van artikel 30 van het Verdrag worden aangemerkt.

Het Hof verklaart voor recht:

"Artikel 30 EG-Verdrag (thans artikel 28 EG) verzet zich niet tegen een nationaal voorschrift als dat van artikel 3, lid 1, juncto artikel 2 van de Verordening stoffen met sympathico-mimetische werking (PVV) 1991."

Advocaat-generaal P. Léger heeft ter terechtzitting van de Derde kamer van 13 januari 2000 conclusie genomen.

Hij gaf het Hof in overweging uitspraak te doen als volgt:

"Een voorschrift als in artikel 3, lid 1, van de Verordening stoffen met sympathico-mimetische werking (PVV) 1991, juncto artikel 2 van die verordening, waarmee de lidstaat die het heeft vastgesteld, heeft voldaan aan zijn verplichtingen ingevolge richtlijn 86/469/EEG van de Raad van 16 september 1986 inzake het onderzoek van dieren en vers vlees op de aanwezigheid van residuen, inzonderheid artikel 9, is geen bij artikel 30 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 28 EG) verboden eenzijdige nationale maatregel die het handelsverkeer tussen de lidstaten belemmert."



Zaak C-208/98

Berliner Kindl Brauerei AG/A. Siepert

Harmonisatie van wetgevingen

23 maart 2000

Prejudiciële zaak

"Harmonisatie van wetgevingen · Consumentenkrediet · Richtlijn 87/102
· Werkingssfeer · Borgtochtovereenkomst · Daarvan uitgesloten"
(Vijfde kamer)

Bij beschikking van 27 april 1998 heeft het Landgericht Potsdam een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van richtlijn 87/102/EEG van de Raad van 22 december 1986 betreffende de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake het consumentenkrediet (hierna: "richtlijn").

Die vraag is gerezen in een geschil tussen de Berliner Kindl Brauerei AG (hierna: "brouwerij") en A. Siepert over de uitvoering van een door laatstgenoemde ten voordele van de brouwerij gesloten borgtochtovereenkomst.

De richtlijn is in de Bondsrepubliek Duitsland in nationaal recht omgezet bij het Verbraucherkreditgesetz van 17 december 1990 (hierna: "VerbrKrG"). Gelet op artikel 15 van de richtlijn, is de werkingssfeer van het VerbrKrG overeenkomstig de §§ 1 en 3, lid 1, punt 2, daarvan uitgebreid tot aan een natuurlijke persoon verstrekte kredieten, ook wanneer die kredieten bestemd zijn voor de financiering van een beroepsactiviteit; in dit laatste geval mag het bedrag van het krediet echter niet groter zijn dan 100 000 DEM.

Siepert heeft zich tot een bedrag van 90 000 DEM tegenover de brouwerij borg gesteld voor de terugbetaling van leningen die deze laatste aan een derde had verstrekt met het oog op de inrichting van een restaurant. Deze borgstelling hield geen verband met Sieperts beroepsactiviteit. Het Landgericht merkt voorts op, dat Siepert niet conform § 7 VerbrKrG over zijn recht van intrekking was ingelicht, doch dat hij tijdens een onderhoud in juni 1994 met een medewerker van de brouwerij deze laatste heeft meegedeeld, dat hij de borgtochtverklaring introk.

Toen de hoofdschuldenaar zijn verplichtingen niet nakwam, zegde de brouwerij de leningen op en wendde zij zich tot het Landgericht Rostock; bij vonnis van 25 juli 1997 werd de hoofdschuldenaar veroordeeld tot

betaling van 28 952,43 DEM, inclusief interessen. Bij verstekvonnis van 8 december 1997 werd Siepert als borg tot betaling van hetzelfde bedrag veroordeeld.

Siepert ging van dat vonnis in verzet, waarop het Landgericht Potsdam heeft besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof een prejudiciële vraag te stellen.

Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of de richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat een tot zekerheid van terugbetaling van een krediet gesloten borgtochtovereenkomst binnen haar werkingssfeer valt, wanneer de borg noch de kredietnemer in het kader van zijn beroepsactiviteit heeft gehandeld.

De werkingssfeer van de richtlijn is ingevolge artikel 1, lid 2, sub c, beperkt tot kredietovereenkomsten waarbij "een kredietgever aan een consument in de vorm van uitstel van betaling, van een lening of van een andere soortgelijke financieringsregeling, krediet verleent of toezegt".

Het staat vast, dat de borgtochtovereenkomst geen kredietovereenkomst in de zin van die bepaling is.

Wat de doelstellingen van de richtlijn betreft, blijkt uit de overwegingen van de considerans, dat zij met een tweevoudig doel is vastgesteld: in de eerste plaats de totstandbrenging van een gemeenschappelijke markt voor kredieten (derde tot en met vijfde overweging), en in de tweede plaats de bescherming van de consumenten die dergelijke overeenkomsten sluiten (zesde, zevende en negende overweging).

De dubbele omstandigheid dat de richtlijn zekerheden vermeldt in de lijst van de contractvoorwaarden die voor de kredietnemer van wezenlijk belang worden geacht, en dat zij geen uitdrukkelijke bepaling bevat betreffende de regeling van de borgstelling of van een andere vorm van zekerheid, wijst erop dat de richtlijn, waarin de zekerheden tot terugbetaling van het krediet enkel vanuit het oogpunt van de consumentenbescherming worden bezien, de borgtochtovereenkomst van haar werkingssfeer heeft willen uitsluiten.

De richtlijn heeft dus een andere structuur en een ander doel dan richtlijn 85/577/EEG van de Raad van 20 december 1985 betreffende de bescherming van de consument bij buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten. Deze richtlijn, waarvan de werkingssfeer niet op enigerlei wijze beperkt is naar gelang van het type van de betrokken overeenkomsten, doch die alle overeenkomsten betreffende de levering van goederen dan wel het verrichten van diensten betreft, zolang de consument maar handelt met het oog op een doel dat niet tot zijn beroepsactiviteit kan worden gerekend, wil een dergelijke consument namelijk beschermen door hem een algemeen recht te verlenen om zich terug te trekken uit een overeenkomst die niet op initiatief van de klant, maar van de handelaar is gesloten, wanneer het voor de klant onmogelijk was, alle implicaties van zijn handeling te overzien. Juist met dit doel van die richtlijn voor ogen heeft het Hof geoordeeld, dat een overeenkomst die ten voordele van een derde strekt, en meer in het bijzonder een na colportage gesloten borgtochtovereenkomst, niet van meet af aan van de werkingssfeer van de richtlijn kan worden uitgesloten.

Het Hof verklaart voor recht:

"Richtlijn 87/102/EEG van de Raad van 22 december 1986 betreffende de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake het consumentenkrediet moet aldus worden uitgelegd, dat een tot zekerheid van de terugbetaling van een krediet gesloten borgtochtovereenkomst niet binnen de werkingssfeer van deze richtlijn valt, wanneer de borg noch de kredietnemer in het kader van zijn beroepsactiviteit heeft gehandeld."

Advocaat-generaal P. Léger heeft ter terechtzitting van de Vijfde kamer van 28 oktober 1999 conclusie genomen.

Hij gaf het Hof in overweging voor recht te verklaren:

"Een door een natuurlijke persoon buiten het kader van zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit gesloten borgtochtovereenkomst, die dient ter verzekering van de terugbetaling van een krediet dat door een kredietgever aan een derde is verleend, valt niet binnen de werkingssfeer van richtlijn 87/102/EEG van de Raad van 22 december 1986 betreffende de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake het consumentenkrediet."



Gevoegde zaken C-310/98 en C-406/98

Hauptzollamt Neubrandenburg/L. Labis, Sagpol SC Transport Miedzynarodowy i Spedycja

Vrij verkeer van goederen

23 maart 2000

Prejudiciële zaak

"Vrij verkeer van goederen · Extern douanevervoer · Vervoer onder geleide van carnet TIR · Overtredingen of onregelmatigheden · Bewijs van plaats waar overtreding of onregelmatigheid is begaan · Termijn voor bewijs · Toelaatbare bewijsmiddelen · Compensatieregeling"

(Vijfde kamer)

Bij beschikkingen van 7 juli 1998 (C-310/98) en 6 oktober 1998 (C-406/98) heeft het Bundesfinanzhof vijf prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 454 en 455 van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek.

Die prejudiciële vragen zijn gerezen in twee geschillen tussen de Duitse douanedienst, het Hauptzollamt Neubrandenburg (hierna: "Hauptzollamt") en twee Poolse vervoersondernemingen, enerzijds L. Labis, werkend onder de handelsnaam "Przedsiebiorstwo Transportowo-Handlowe .Met-Trans'" (hierna: "Met-Trans") (C-310/98), en anderzijds Sagpol SC Transport Miedzynarodowy i Spedycja (hierna: "Sagpol") (C-406/98) over de invordering van douanerechten bij invoer, verschuldigd wegens overtredingen begaan tijdens internationaal vervoer onder geleide van carnets TIR van goederen die onder de regeling extern communautair douanevervoer waren geplaatst.

Op 9 augustus 1994 liet Met-Trans als houdster van een carnet TIR bij een Duits douanekantoor, het kantoor van vertrek, een zending witte suiker afkomstig uit Polen en met bestemming Portugal onder de regeling extern communautair douanevervoer plaatsen. De uiterste datum waarop de goederen bij het douanekantoor te Porto, het kantoor van bestemming, moesten worden aangebracht, was vastgesteld op 16 augustus 1994.

Bij een latere controle van het haar teruggezonden carnet TIR, dat door een Portugees douanekantoor was ondertekend en afgestempeld op 16 augustus 1994, stelde het Hauptzollamt vast, dat het stempel evenals de ondertekening kennelijk waren vervalst. Volgens de door de Portugese douaneautoriteiten verstrekte inlichtingen waren de goederen hun in werkelijkheid nooit aangeboden.

Bijgevolg deelde het Hauptzollamt Met-Trans mede, dat de goederen niet bij het kantoor van bestemming waren aangebracht en dat met toepassing van artikel 454, leden 2 en 3, van verordening nr. 2454/93 werd aangenomen, dat de overtreding, aangezien de plaats ervan niet kon worden vastgesteld, in Duitsland was begaan, tenzij binnen drie maanden de regelmatigheid van de doorvoer, of de daadwerkelijke plaats van de overtreding konden worden bewezen.

Daarop betoogde Met-Trans, dat de overtreding in Portugal was begaan.

Van mening, dat die aanwijzingen onvoldoende waren om ten genoegen van de douaneautoriteiten het bewijs van de daadwerkelijke plaats van de overtreding te leveren en het vermoeden te weerleggen, dat de overtreding was begaan in Duitsland, de lidstaat waar zij was vastgesteld, achtte het Hauptzollamt zich bevoegd om tot invordering van de invoerrechten en andere heffingen over te gaan. Bijgevolg vorderde het van Met-Trans, in haar hoedanigheid van debiteur van de douaneschuld, betaling van het bedrag van 24 724,11 DEM. Het door Met-Trans tegen die aanslag ingediende bezwaarschrift werd afgewezen.

In de door Met-Trans ingeleide beroepsprocedure was het Finanzgericht Mecklenburg-Vorpommern van oordeel, dat het Hauptzollamt niet bevoegd was om tot invordering van de rechten en heffingen over te gaan, en werd de aanslag ingetrokken. Tegen die beslissing stelde het Hauptzollamt beroep tot "Revision" in bij het Bundesfinanzhof.

Op 2 juni 1994 liet Sagpol als houdster van een carnet TIR bij het Duitse douanekantoor van Pomellen, het kantoor van vertrek, een uit Polen afkomstige en voor Spanje bestemde partij boter onder de regeling extern communautair douanevervoer plaatsen. De uiterste datum waarop de goederen bij het douanekantoor te Madrid, het kantoor van bestemming, moesten worden aangebracht, was vastgesteld op 9 juni 1994.

Omdat het van het kantoor van bestemming geen enkele informatie had ontvangen, verzocht het Hauptzollamt dat kantoor om inlichtingen over de plaats waar de goederen zich bevonden. Dat verzoek bleef onbeantwoord.

Bij brief van 23 december 1994, deelde het Hauptzollamt Sagpol mee, dat de goederen niet op het kantoor van bestemming waren aangebracht en dat de plaats waar de overtreding was begaan niet kon worden vastgesteld. Het gaf Sagpol een termijn van drie maanden om de regelmatigheid van het douanevervoer dan wel de daadwerkelijke plaats van de overtreding te bewijzen, bij gebreke waarvan na het verstrijken van die termijn de overtreding zou worden geacht in Duitsland te zijn begaan.

Omdat het het vereiste bewijs niet binnen de gestelde termijn had ontvangen, zond het Hauptzollamt Sagpol op 18 mei 1995 een aanslag tot betaling van invoerrechten en andere heffingen ten bedrage van 162 251,69 DEM.

In de door Sagpol ingeleide beroepsprocedure was het Finanzgericht Mecklenburg-Vorpommern van oordeel, dat het Hauptzollamt niet bevoegd was om tot invordering van de betrokken rechten en heffingen over te gaan, omdat Sagpol binnen de gestelde termijn ten genoegen van de douaneautoriteiten had bewezen, dat de overtreding in feite te Madrid was begaan. Op die grond werd de aanslag ingetrokken. Tegen die beslissing stelde het Hauptzollamt beroep tot "Revision" in bij het Bundesfinanzhof.

Het Bundesfinanzhof besloot de behandeling in de twee zaken te schorsen en het Hof prejudiciële vragen te stellen.

De eerste vraag in zaak C-310/98 en de tweede vraag in zaak C-406/98

Met zijn eerste vraag in zaak C-310/98 en zijn tweede vraag in zaak C-406/98, die hetzelfde voorwerp hebben, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of artikel 454, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 2454/93 aldus moet worden uitgelegd, dat het bewijs van de plaats waar de overtreding of de onregelmatigheid is begaan, dat wordt verlangd door de douaneautoriteiten van de lidstaat waar die overtreding of onregelmatigheid is vastgesteld, enkel kan worden geleverd door overlegging van schriftelijke documenten, waaruit blijkt dat de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat hebben vastgesteld dat de overtreding of de onregelmatigheid daadwerkelijk op hun grondgebied is begaan.

Bij gebreke van een communautaire regeling van het begrip bewijs, zijn alle bewijsmiddelen die het procesrecht van de lidstaten in soortgelijke procedures kennen in beginsel ontvankelijk.

Het staat aan de nationale autoriteiten om aan de hand van de geldende beginselen van hun nationale bewijsrecht te bepalen, of in het concrete geval dat hun is voorgelegd, en in het licht van alle omstandigheden, het bewijs van de plaats waar de overtreding of de onregelmatigheid is begaan naar hun oordeel is geleverd, bijvoorbeeld of een getuigenverklaring al dan niet toelaatbaar is en of de bewijskracht daarvan moet worden erkend. In het bijzonder dienen zij de geloofwaardigheid te beoordelen van een getuige die betrokken was bij het vervoer waarvan de onregelmatigheid aan de orde is.

Waar de gemeenschapswetgever vanaf 1997 de toelaatbare bewijsmiddelen met betrekking tot vaststelling van de regelmatigheid van het douanevervoer heeft beperkt, mag daaruit niet worden afgeleid, dat hij dat stilzwijgend eveneens heeft willen doen met betrekking tot de vaststelling van de plaats van de overtreding of de onregelmatigheid.

Het staat niet aan het Hof om zich in de plaats van de gemeenschapswetgever te stellen en van een bepaling een uitlegging te geven die in tegenspraak is met de uitdrukkelijke inhoud ervan. Het staat aan de Commissie om voorstellen tot wijziging van de regeling in de gewenste zin te doen.

De tweede vraag in zaak C-310/98 en de derde vraag in zaak C-406/98

Met zijn tweede vraag in zaak C-310/98 en zijn derde vraag in zaak C-406/98 wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of artikel 454, lid 3, derde en vierde alinea, van verordening nr. 2454/93 aldus moet worden uitgelegd, dat de daarin vastgestelde compensatieregeling eveneens van toepassing is ingeval de rechten en andere heffingen zijn ingevorderd door de lidstaat waar de overtreding is vastgesteld, terwijl ten genoegen van de douaneautoriteiten was bewezen, dat de daadwerkelijke plaats van de overtreding in een andere lidstaat lag.

Wanneer niet met zekerheid kan worden vastgesteld op het grondgebied van welke lidstaat de overtreding is begaan, wordt voorlopig uitgegaan van het vermoeden dat de lidstaat op wiens grondgebied de overtreding of de onregelmatigheid is vastgesteld, bevoegd is. Wanneer later komt vast te staan dat de eerste lidstaat bevoegd is, verdwijnt het vermoeden ten gunste van de tweede staat en geschiedt tussen beide lidstaten een compensatie waardoor wordt vermeden, dat de eerste lidstaat wegens verjaring de rechten en andere heffingen niet meer zou kunnen invorderen.

Indien de compensatieregeling van toepassing is wanneer een lidstaat tot invordering is overgegaan, terwijl hij in het licht van het beginsel van artikel 454, lid 2, van verordening nr. 2454/93 niet bevoegd was, omdat hij niet de staat was waarin de nadien vastgestelde plaats van de overtreding ligt, dient die regeling eveneens te gelden in de hiervan niet fundamenteel verschillende situatie waarin de lidstaat die tot invordering is overgegaan daartoe op grond van hetzelfde beginsel niet bevoegd was, doch ten onrechte de ter vaststelling van de plaats van de overtreding overgelegde bewijselementen aanvankelijk ontoereikend achtte.

De eerste vraag in zaak C-406/98

Met zijn eerste vraag in zaak C-406/98 wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of de artikelen 454, lid 3, eerste alinea, en 455, lid 1, van verordening nr. 2454/93 aldus moeten worden uitgelegd, dat de douaneautoriteiten van de lidstaat waar de overtreding of de onregelmatigheid is geconstateerd het recht hebben om de houder van het carnet TIR een termijn van drie maanden te geven om ten genoegen van bedoelde autoriteiten het bewijs van de daadwerkelijke plaats van de overtreding te leveren, zodat de na het verstrijken van die termijn verschafte bewijselementen niet meer kunnen afdoen aan de bevoegdheid van die lidstaat tot invordering van de rechten en heffingen. In geval van een ontkennend antwoord vraagt de verwijzende rechter zich af welke de duur is van de bij artikel 454, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 2454/93 gestelde termijn voor het bepalen van de plaats waar de overtreding of de onregelmatigheid is begaan.

Artikel 454, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 2454/93, verwijst wat de duur van de betrokken termijn betreft, ondubbelzinnig naar artikel 455, lid 1, van dezelfde verordening. En laatstgenoemde bepaling verwijst, wat de duur van de gestelde termijn betreft, naar artikel 11, lid 1, van de TIR-overeenkomst. De enige termijn die in artikel 11, lid 1, van de TIR-overeenkomst wordt genoemd, is een termijn van één jaar.

In die omstandigheden kan niet worden gesproken van een leemte in het recht. In het bijzonder blijkt uit de genoemde bepalingen duidelijk, dat de verwijzing enkel betrekking heeft op de duur van de termijn, zonder dat rekening wordt gehouden met de in de verschillende bepalingen bedoelde omstandigheden.

Een termijn van drie maanden is wellicht gunstiger voor de douanediensten, wat niet wegneemt dat een dergelijke uitlegging te zeer afwijkt van de bewoordingen van de betrokken bepaling, die door uitdrukkelijke en duidelijke verwijzingen aan de justitiabelen een termijn van één jaar toekent om de plaats van de overtreding of de onregelmatigheid aan te tonen.

Voor zover blijkt dat de wettelijke regeling ter zake weinig coherent is en ongeschikt voor controlebehoeften en fraudebestrijding, staat het aan de gemeenschapswetgever om daaraan iets te doen en passende maatregelen te nemen.

Nu de tekst van de wet voorziet in een termijn van één jaar, kan die regeling bovendien niet terzijde worden gesteld door een administratieve overeenkomst tussen lidstaten die voorziet in een kortere termijn en die geen kracht van wet heeft.

Het Hof verklaart voor recht:

"1) Artikel 454, lid 3, eerste alinea, van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek, moet aldus worden uitgelegd, dat het bewijs van de plaats waar de overtreding of de onregelmatigheid is begaan, dat wordt verlangd door de douaneautoriteiten van de lidstaat waar die overtreding of onregelmatigheid is vastgesteld, niet bij uitsluiting moet worden geleverd door de overlegging van schriftelijke documenten waaruit blijkt dat de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat hebben vastgesteld dat de overtreding of de onregelmatigheid op hun grondgebied is begaan.

2) Artikel 454, lid 3, derde en vierde alinea, van verordening nr. 2454/93 moet aldus worden uitgelegd, dat de daarin vastgestelde compensatieregeling eveneens van toepassing is ingeval de rechten en andere heffingen zijn ingevorderd door de lidstaat waar de overtreding is vastgesteld, terwijl ten genoegen van de douaneautoriteiten was bewezen, dat de daadwerkelijke plaats van de overtreding in een andere lidstaat lag.

3) De artikelen 454, lid 3, eerste alinea, en 455, lid 1, van verordening nr. 2454/93 moeten aldus worden uitgelegd, dat de douaneautoriteiten van de lidstaat waar de overtreding of de onregelmatigheid is vastgesteld, de houder van het carnet TIR geen vervaltermijn van drie maanden kunnen opleggen om ten genoegen van bedoelde autoriteiten het bewijs te leveren van de werkelijke plaats van de overtreding of de onregelmatigheid. De bij artikel 454, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 2454/93 gestelde termijn om het bewijs te leveren van de plaats waar de overtreding of de onregelmatigheid is begaan, bedraagt één jaar."

Advocaat-generaal J. Mischo heeft ter terechtzitting van de Vijfde kamer van 9 december 1999 conclusie genomen.

Hij gaf het Hof de volgende antwoorden in overweging:

"1) Het is verenigbaar met artikel 454, lid 3, eerste alinea, en met artikel 455, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek, dat wanneer een onder de regeling extern communautair douanevervoer geplaatste zending onder geleide van het carnet TIR niet bij het kantoor van bestemming wordt aangeboden, de douaneautoriteiten een vervaltermijn vaststellen van drie maanden, waarbinnen de carnethouder ten genoegen van de douaneautoriteiten het bewijs moet leveren van de werkelijke plaats van de overtreding of onregelmatigheid, zodat nadien overgelegde bewijzen niet meer kunnen afdoen aan de bevoegdheid van de lidstaat van binnenkomst tot invordering van de heffing.

2) Het ten genoegen van de douaneautoriteiten van een lidstaat in de zin van artikel 454, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 2454/93 (reeds aangehaald) te leveren bewijs van de plaats waar de overtreding of de onregelmatigheid gedurende het vervoer van een lading onder geleide van een carnet TIR daadwerkelijk is begaan, behoeft niet noodzakelijkerwijs te worden geleverd door middel van documenten waaruit duidelijk blijkt, dat de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaat hebben vastgesteld, dat de overtreding of de onregelmatigheid op hun gebied is begaan.

3) De derde en de vierde alinea van artikel 454 van verordening nr. 2454/93, reeds aangehaald, moeten aldus worden uitgelegd, dat zij niet van toepassing zijn in het geval waarin de heffingen werden ingevorderd in de lidstaat waar de overtreding of onregelmatigheid werd vastgesteld, en pas na het verstrijken van de aan de vervoerder voor het bewijs gestelde termijn wordt erkend, dat de daadwerkelijke plaats van de overtreding of onregelmatigheid aan de hand van de binnen de gestelde termijn overgelegde bewijzen ten genoegen van de douaneautoriteiten is bewezen."



Zaak C-327/98

Commissie van de Europese Gemeenschappen/Franse Republiek

Harmonisatie van wetgevingen

23 maart 2000

"Niet-nakoming · Richtlijn 93/15/EEG"

(Vijfde kamer)

Bij op 4 september 1998 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof verzocht vast te stellen dat de Franse Republiek, door niet binnen de gestelde termijn de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te treffen om te voldoen aan de artikelen 9 tot en met 12 en 14 van richtlijn 93/15/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende de harmonisatie van de bepalingen inzake het in de handel brengen van en de controle op explosieven voor civiel gebruik (hierna: "richtlijn"), de krachtens het EG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.

Artikel 9 van de richtlijn, betreffende de overbrenging van explosieven, bepaalt onder meer, dat degene voor wie de explosieven bestemd zijn, van de bevoegde autoriteit van de plaats van bestemming een overbrengingsvergunning moet krijgen. Deze overbrengingsvergunning moet de explosieven tot aan de beoogde plaats van bestemming vergezellen en moet op verzoek van de bevoegde autoriteiten worden overgelegd.

Artikel 10 van de richtlijn, dat de overbrenging van munitie regelt, bepaalt, dat voor de overbrenging van munitie een vergunning is vereist van de lidstaat waarin de munitie zich bevindt. Voor de overbrenging van munitie tussen wapenhandelaars gelden echter bijzondere voorwaarden.

Artikel 11 van de richtlijn bepaalt onder meer, dat een lidstaat, in afwijking van de artikelen 9 en 10, indien de veiligheid ernstig in gevaar wordt gebracht of dreigt te worden gebracht door het ongeoorloofd in bezit hebben of gebruik van onder de richtlijn vallende explosieven of munitie, alle noodzakelijke maatregelen inzake het in bezit hebben of gebruik van explosieven of munitie kan treffen om dit ongeoorloofd in bezit hebben of gebruik te voorkomen.

Artikel 12, lid 1, van de richtlijn luidt:

"De lidstaten zetten gegevensuitwisselingsnetten voor de toepassing van de artikelen 9 en 10 op. Zij delen de andere lidstaten en de Commissie mee welke nationale autoriteiten met het verstrekken en in ontvangst nemen van deze gegevens en met het vervullen van de in de artikelen 9 en 10 genoemde formaliteiten zijn belast."

Artikel 13 van de richtlijn bepaalt, dat vraagstukken met betrekking tot de toepassing van de richtlijn worden onderzocht door een uit vertegenwoordigers van de lidstaten bestaand comité, dat de Commissie bijstaat en wordt voorgezeten door de vertegenwoordiger van de Commissie.

Ten slotte bevat artikel 14 van de richtlijn bepalingen betreffende de uitwisseling van gegevens over ondernemingen uit de sector explosieven en over de invoering van een systeem van trajectcontrole.

Op grond van artikel 19, leden 1 en 5, van de richtlijn dienden de lidstaten de nodige bepalingen in werking te doen treden om vóór 30 september 1993 aan voormelde artikelen te voldoen en dienden zij de Commissie de tekst van de hiertoe vastgestelde bepalingen mee te delen.

Daar zij van de Franse regering geen mededeling had ontvangen over de uitvoering van de artikelen 9 tot en met 12 en 14 van de richtlijn en zij over geen enkele andere informatie ter zake beschikte, verzocht de Commissie de Franse Republiek bij aanmaningsbrief van 13 april 1994, binnen twee maanden haar opmerkingen kenbaar te maken.

De Commissie zond de Franse Republiek bij schrijven van 30 april 1997 een met redenen omkleed advies betreffende de artikelen 9 tot en met 12 en 14 van de richtlijn en verzocht zij haar, zich naar dit advies te voegen binnen twee maanden na de betekening ervan.

Toen dit met redenen omkleed advies niet werd beantwoord, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld. In repliek heeft zij de grief betreffende de niet-uitvoering van artikel 14 van de richtlijn ingetrokken.

Wat, in de eerste plaats, explosieven betreft, betwist de Franse regering de niet-uitvoering niet. Zij stelt echter, dat zij, evenals andere lidstaten overigens, moeilijkheden heeft ondervonden bij de uitvoering van de artikelen 9 en 11 van de richtlijn, met name omdat een gemeenschappelijk overbrengingsdocument ontbreekt. Zij meent haar verplichtingen echter niet te hebben verzuimd, aangezien de bepalingen onvoldoende nauwkeurig waren om in nationaal recht te worden omgezet.

Zij stelt, dat, zo er sprake is van niet-uitvoering, deze met name wordt verklaard door de nalatigheid van de Commissie, die niet de juiste maatregelen voor de toepassing van de richtlijn heeft getroffen.

Wat, in de tweede plaats, munitie betreft, stelt de Franse regering, dat artikel 10 van de richtlijn is uitgevoerd bij afdeling 2 van hoofdstuk V van decreet nr. 95-589 van 6 mei 1995 betreffende de toepassing van het decreet van 18 april 1939 tot vaststelling van de regeling van oorlogsmateriaal, wapens en munitie.

Volgens vaste rechtspraak geven de bij de uitvoering van een communautaire handeling aan de dag getreden moeilijkheden een lidstaat niet het recht, zich eenzijdig van de nakoming van zijn verplichtingen ontslagen te achten.

Wat vervolgens de verplichting betreft, een gemeenschappelijk model voor de overbrengingsvergunning vast te stellen, moet worden opgemerkt, dat, gelijk de Commissie terecht heeft aangevoerd, een dergelijke verplichting niet uit de richtlijn voortvloeit.

Het ontbreken van communautaire maatregelen ter zake kan een lidstaat niet beletten de voor de uitvoering van de richtlijn noodzakelijke wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen.

Met betrekking tot de voorstellen die de Franse Republiek in het kader van het in artikel 13 van de richtlijn bedoelde comité met het oog op de vaststelling van een gemeenschappelijk overbrengingsdocument heeft gedaan, moet worden opgemerkt, dat dergelijke initiatieven geen invloed hebben op het verzuim om uitvoering te geven aan de betrokken handeling.

Aangezien het verwijst naar een regeling die de bepalingen ter uitvoering van artikel 10 van de richtlijn later moet vaststellen, kan het decreet van 6 mei 1995 niet worden geacht de richtlijn volledig en nauwkeurig om te zetten.

De uitvoering van de artikelen 11 en 12 van de richtlijn wordt door de artikelen 80 en 81 van dit decreet weliswaar niet afhankelijk gesteld van de vaststelling van andere handelingen, doch dit neemt niet weg dat zolang artikel 10, dat de algemene regel bevat, bij gebreke van het uitvoeringsbesluit niet is uitgevoerd, de artikelen van dit decreet geen enkel rechtsgevolg hebben. De uitvoeringshandelingen van die bepalingen, die slechts afwijken van het nog niet uitgevoerde artikel 10 of dit slechts aanvullen, hebben derhalve geen enkele relevantie.

Wat ten slotte het op 25 mei 1999 vastgestelde toepassingbesluit betreft, moet eraan worden herinnerd, dat in het kader van een beroep krachtens artikel 169 van het Verdrag, het bestaan van een niet-nakoming moet worden beoordeeld op basis van de situatie waarin de lidstaat zich bevond aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn, en dat het Hof met sedertdien opgetreden wijzigingen geen rekening kan houden.

Het Hof, rechtdoende, verstaat:

"1) Door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan de artikelen 9 tot en met 12 van richtlijn 93/15/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende de harmonisatie van de bepalingen inzake het in de handel brengen van en de controle op explosieven voor civiel gebruik, is de Franse Republiek de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.

2) De Franse Republiek wordt in de kosten verwezen."

Advocaat-generaal A. Saggio heeft ter terechtzitting van de Vijfde kamer van 30 september 1999 conclusie genomen.

Hij gaf het Hof in overweging:

"· vast te stellen dat de Franse Republiek, door niet binnen de gestelde termijn de nodige wettelijke en bestuurlijke maatregelen te treffen om te voldoen aan de artikelen 9, 10, 11, 12 en 14 van richtlijn 93/15/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende de harmonisatie van de bepalingen inzake het in de handel brengen van en de controle op explosieven voor civiel gebruik, de ingevolge het EG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;


· de Franse Republiek in de kosten te verwijzen."



Zaak C-373/97

D. Diamantis/Elliniko Dimosio, Organismos Oikonomikis Anasygkrotisis Epicheiriseon AE (OAE)

Vennootschapsrecht

23 maart 2000

Prejudiciële zaak

"Vennootschapsrecht · Tweede richtlijn 77/91/EEG · Naamloze vennootschap in financiële moeilijkheden · Verhoging van maatschappelijk kapitaal langs bestuursrechtelijke weg · Misbruik van een uit een gemeenschapsbepaling voortvloeiend recht"

(Zesde kamer)

Bij beschikking van 24 juni 1997 heeft het Polymeles Protodikeio Athinon (rechtbank van eerste aanleg van Athene) twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 25 en 29 van de Tweede richtlijn 77/91/EEG van de Raad van 13 december 1976 strekkende tot het coördineren van de waarborgen welke in de lidstaten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van artikel 58, tweede alinea, van

het Verdrag, om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden met betrekking tot de oprichting van de naamloze vennootschap, alsook de instandhouding en wijziging van haar kapitaal, zulks teneinde die waarborgen gelijkwaardig te maken (hierna: de "Tweede richtlijn"), en over misbruik van een uit een gemeenschapsbepaling voortvloeiend recht.

Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen D. Diamantis enerzijds en de Griekse staat en de Organismos Anasygkrotisis Epicheiriseon AE (organisatie voor bedrijfsreorganisatie, hierna: "OAE") anderzijds.

Artikel 25, lid 1, van de Tweede richtlijn bepaalt:

"Elke kapitaalverhoging vindt plaats krachtens een besluit van de algemene vergadering. Dit besluit alsmede de uitvoering van de verhoging van het geplaatste kapitaal moeten op de in de wetgeving van elke lidstaat voorgeschreven wijze openbaar worden gemaakt overeenkomstig artikel 3 van richtlijn 68/151/EEG."

Bij wet nr. 1386/1983 van 5 augustus 1983, die van toepassing is op vennootschappen die in ernstige moeilijkheden verkeren, is de OAE opgericht, die tot doel heeft bij te dragen aan de economische en sociale ontwikkeling van het land. Daartoe kan de OAE onder meer het bestuur en het dagelijks beheer overnemen van ondernemingen die worden gesaneerd of zijn genationaliseerd, deelnemen in het kapitaal van ondernemingen, leningen verstrekken en bepaalde leningen uitschrijven of opnemen, obligaties verwerven, alsmede aandelen overdragen aan met name werknemers of de hen vertegenwoordigende organisaties, aan lagere overheden of andere publiekrechtelijke rechtspersonen, aan liefdadigheidsinstellingen, maatschappelijke groeperingen of particulieren.

D. Diamantis was aandeelhouder van de naamloze vennootschap Plastika Kavalas AE (hierna: "Plastika Kavalas") en bezat 1 000 aandelen met een nominale waarde van ieder 1 000 GRD in het oorspronkelijke maatschappelijke kapitaal van 87 000 000 GRD, dat in 87 000 aandelen was verdeeld (dus een deelneming van 1,15 %).

Aan het begin van de jaren 80 raakte deze in 1973 opgerichte vennootschap in ernstige financiële moeilijkheden. In september 1982 werd de fabriek tijdelijk stilgelegd en in 1983 bevond zij zich door een te hoge schuldenlast aan de rand van een faillissement. Op 24 augustus 1983 hebben 32 aandeelhouders van Plastika Kavalas erop aangedrongen, dat de vennootschap onder de regeling van wet nr. 1386/1983 zou worden gebracht. Op 20 december 1983 werd hierom nogmaals gevraagd.

Naar aanleiding van dat verzoek adviseerde de in artikel 11 van wet nr. 1386/1983 bedoelde adviescommissie op 22 december 1983, na te hebben geconstateerd in welke moeilijke situatie Plastika Kavalas verkeerde, om de vennootschap onder de bijzondere liquidatieregeling te brengen als geregeld in de artikelen 7 en 9 van genoemde wet.

Die regeling zou hebben geleid tot onmiddellijke liquidatie van de activa van Plastika Kavalas en voldoening van haar schulden, zoals bij een aantal andere in moeilijkheden verkerende en met een te hoge schuldenlast kampende ondernemingen.

De aanbeveling tot liquidatie ten spijt besloot de minister van Economische zaken bij beschikking nr. 212 van 3 februari 1984 Plastika Kavalas onder het tijdelijk bestuur van de OAE te stellen overeenkomstig artikel 7 van wet nr. 1386/1983. Zij bleef onder haar bestuur tot begin januari 1987.

Op 28 mei 1986 besloot de OAE het kapitaal van Plastika Kavalas met 177 000 000 GRD te verhogen door de uitgifte van 1 770 000 nieuwe aandelen met een nominale waarde van 100 GRD.

Op 11 december 1986 werd het maatschappelijk kapitaal bij besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders, waarin de OAE de meerderheid bezat, verlaagd tot het wettelijk toegestane minimum van 5 000 000 GRD.

Bij beschikking nr. 14 van 9 januari 1987 gaf de vice-minister van Industrie, Energie en Technologie zijn goedkeuring aan een nieuwe verhoging van het maatschappelijk kapitaal. Deze verhoging bedroeg 1 262 200 000 GRD, die haar beslag kreeg door enerzijds een gedwongen omzetting van schulden in aandelen tot een beloop van 972 000 000 GRD, en anderzijds een inbreng in geld door de OAE ten bedrage van 290 000 000 GRD ter voldoening van de schuldeisers.

In 1991 werd de meerderheid van de aandelen in Plastika Kavalas overgedragen aan de vennootschap Plastika Makedonias AE, voor de prijs van 860 000 000 GRD. In februari 1994 tenslotte ging Plastika Kavalas op in de groep Petzetakis.

Op 22 februari 1991 stelde Diamantis bij de verwijzende rechter een vordering in, strekkende tot vaststelling van de ongeldigheid van de wijzigingen van het maatschappelijk kapitaal (twee verhogingen en een verlaging) wegens strijd met artikel 25 van de Tweede richtlijn. De Griekse regering en de OAE hebben een exceptie van misbruik van recht opgeworpen en ontzegging van de eis gevorderd.

In zijn beschikking herinnert de verwijzende rechter in de eerste plaats aan de eerdere rechtspraak van het Hof inzake de rechtstreekse werking van artikel 25 van de Tweede richtlijn, waaruit hij afleidt, dat de artikelen 8 en 10 van wet nr. 1386/1983 in strijd zijn met de bepalingen van de Tweede richtlijn.

Naar zijn oordeel is de vordering derhalve weliswaar juridisch gegrond, doch moet de exceptie van misbruik van recht ingevolge artikel 281 van het Burgerlijk Wetboek eveneens zowel juridisch als feitelijk gegrond worden geacht.

Naar zijn oordeel kan artikel 281 van het Burgerlijk Wetboek daarom ook worden ingeroepen tegenover rechten voortvloeiend uit het gemeenschapsrecht, indien de uitoefening daarvan misbruik oplevert in de zin van genoemde bepaling. Gezien echter de uitspraak van het Hof in het arrest van 12 maart 1996, Pafitis e.a. (C-441/93), over diezelfde exceptie van artikel 281 Burgerlijk Wetboek, vraagt de verwijzende rechter zich af, hoe de artikelen 25, lid 1, en 29, lid 1, van de Tweede richtlijn in verband met de exceptie van misbruik van recht moeten worden uitgelegd.

Het Polymeles Protodikeio Athinon heeft de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

"1) Is er in de feitelijke omstandigheden als beschreven in de verwijzingsbeschikking, formeel- en materieelrechtelijk plaats voor toepassing van artikel 281 van het Griekse Burgerlijk Wetboek wegens misbruik van recht door de verzoeker in het kader van de artikelen 25, lid 1, en 29, lid 1, van de Tweede richtlijn?

2) Ingeval het Hof deze exceptie juridisch en feitelijk gegrond acht, wat zal dan het gevolg zijn voor de geldigheid van de ministeriële beschikkingen inzake de verhoging en de verlaging van het kapitaal van de betrokken vennootschap, waarvan verzoeker aandeelhouder is, en, bij uitbreiding, is wet nr. 1386/1993 verenigbaar met het gemeenschapsrecht, gelet op het feit dat die wet · zoals boven uiteengezet · zonder verwijzing naar artikel 281 van het Griekse Burgerlijk Wetboek in strijd met richtlijn 77/91/EEG is bevonden?"

De eerste vraag

De eerste vraag van de verwijzende rechter luidt in wezen, of een nationale bepaling die rechtsmisbruik verbiedt, in omstandigheden als die van het hoofdgeding geldig kan worden ingeroepen tegen een vordering

van een aandeelhouder tot vernietiging van handelingen van een vennootschap wegens schending van een door artikel 25 van de Tweede richtlijn toegekend recht.

Artikel 25, lid 1, van de Tweede richtlijn beoogt de aandeelhouders de waarborg te bieden, dat een besluit waarbij het maatschappelijk kapitaal wordt verhoogd en dat derhalve van invloed is op de verdeling van de aandelen onder de aandeelhouders, niet wordt genomen zonder hun deelneming aan de uitoefening van de beslissingsbevoegdheid in de vennootschap. Deze doelstelling zou ernstig in gevaar komen, indien de lidstaten van de bepalingen van de Tweede richtlijn zouden kunnen afwijken door regelingen in stand te houden, zelfs wanneer zij als bijzonder of uitzonderlijk worden gekwalificeerd, op grond waarvan bij bestuursrechtelijke maatregel en zonder dat daartoe een besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders nodig is, tot een verhoging van het maatschappelijk kapitaal kan worden besloten.

De justitiabelen kunnen in geval van misbruik of bedrog geen beroep op het gemeenschapsrecht doen. Dat zou het geval zijn, indien de aandeelhouder met een beroep op artikel 25, lid 1, van de Tweede richtlijn een vordering instelt met het doel, ten koste van de vennootschap onrechtmatige voordelen te verkrijgen die kennelijk niets van doen hebben met de doelstelling van genoemde bepaling.

De toepassing van een nationale bepaling als artikel 281 Burgerlijk Wetboek mag daarom geen afbreuk doen aan de volle werking en de eenvormige toepassing van de gemeenschapsbepalingen in de Lid-Staten.

Het staat aan de verwijzende rechter om uit te maken, of in de voor hem dienende zaak de toepassing van artikel 281 Burgerlijk Wetboek met dit vereiste verenigbaar is. Het Hof kan de nationale rechter wel alle uitleggingsgegevens verschaffen die hem in staat stellen te beoordelen, of dit het geval is.

Een aandeelhouder die zich beroept op artikel 25, lid 1, van de Tweede richtlijn, mag niet worden geacht zijn recht te misbruiken op de enkele grond dat hij minderheidsaandeelhouder is van een vennootschap die onder een saneringsregeling valt, of dat de sanering van de vennootschap hem ten goede is gekomen dan wel dat hij geen gebruik heeft gemaakt van zijn voorkeurrecht. Het feit dat verzoeker in het hoofdgeding zelf heeft verzocht om Plastika Kavalas onder de regeling van wet nr. 1386/1983 te brengen, kan evenmin als rechtsmisbruik worden aangemerkt.

De onderwerping van een vennootschap aan de regeling van genoemde wet biedt een breed scala aan oplossingen voor haar verdere toekomst, zodat een verzoek om toepassing van die wet niet gelijk te stellen is met instemming met de overdracht van de beslissingsbevoegdheid inzake kapitaalverhogingen aan een andere instantie dan de algemene vergadering. Derhalve kan een aandeelhouder die zich op artikel 25, lid 1, van de Tweede richtlijn beroept, geen misbruik van het uit die bepaling voortvloeiende recht worden tegengeworpen wegens het feit dat hij tot de aandeelhouders behoort die om onderwerping van de vennootschap aan de regeling van wet nr. 1386/1983 hebben gevraagd.

Zou de door verzoeker in het hoofdgeding ingestelde vordering tot vernietiging van de gedurende het tijdelijk bestuur doorgevoerde wijzigingen van het maatschappelijk kapitaal van Plastika Kavalas worden toegewezen, dan zouden verschillende gebeurtenissen die in de loop van die periode hebben plaatsgevonden, op losse schroeven komen te staan, zoals koop- en verkoopovereenkomsten, gedwongen executies, de overneming van bedrijfsonderdelen en de fusie van Plastika Kavalas met een andere vennootschap. Bij ongeldigheid van die wijzigingen zouden bovendien onvermijdelijk de rechten van derden te goeder trouw worden aangetast.

De Tweede richtlijn stelt geen specifieke sanctie op overtreding van haar bepalingen, zodat de gewone privaatrechtelijke sancties toepassing kunnen vinden. Verzoeker in het hoofdgeding had dus bij het instellen van zijn vordering het recht om, zoals hij ook heeft gedaan, uit de rechtsmiddelen die het nationale recht biedt om tegen een schending van artikel 25 van de Tweede richtlijn op te treden, te kiezen voor een vordering tot vernietiging van de wijzigingen van het maatschappelijk kapitaal.

Het blijkt niet, dat de uniforme toepassing van het gemeenschapsrecht en de volledige werking daarvan in gevaar zouden komen, wanneer een aandeelhouder die zich op artikel 25, lid 1, van de Tweede richtlijn beroept, misbruik van recht werd tegengeworpen omdat hij uit de rechtsmiddelen die open stonden om een als gevolg van een inbreuk op die bepaling ontstane situatie ongedaan te maken, dat middel heeft gekozen, dat zo ernstig nadeel toebrengt aan de legitieme belangen van derden, dat het klaarblijkelijk onevenredig is. Een dergelijke beoordeling zou immers geen wijziging brengen in de strekking van genoemde bepaling en evenmin de doelstellingen ervan doorkruisen.

Gelet op het voorgaande behoeft de tweede vraag geen beantwoording meer.

Het Hof verklaart voor recht:

"Het gemeenschapsrecht verzet zich er niet tegen, dat de nationale rechter een nationaalrechtelijke bepaling toepast op grond waarvan hij kan beoordelen, of de wijze van uitoefening van een uit een gemeenschapsbepaling voortvloeiend recht rechtsmisbruik oplevert. Een aandeelhouder die zich op artikel 25, lid 1, van de Tweede richtlijn (77/91/EEG) van de Raad van 13 december 1976 strekkende tot het coördineren van de waarborgen welke in de lidstaten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van artikel 58, tweede alinea, van het Verdrag, om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden met betrekking tot de oprichting van de naamloze vennootschap, alsook de instandhouding en wijziging van haar kapitaal, zulks teneinde die waarborgen gelijkwaardig te maken (PB 1977, L 26, blz. 1), en over misbruik van een uit een gemeenschapsbepaling voortvloeiend recht, beroept, mag evenwel niet worden geacht het uit die bepaling voortvloeiende recht te misbruiken op grond dat hij minderheidsaandeelhouder is, dat de sanering van de onder een saneringsregeling gebrachte vennootschap hem ten goede is gekomen, dat hij geen gebruik heeft gemaakt van zijn voorkeurrecht, dat hij tot de aandeelhouders behoort die om onderwerping van de vennootschap aan de regeling voor vennootschappen in ernstige moeilijkheden hebben gevraagd, of dat hij zekere tijd heeft laten verstrijken alvorens zijn vordering in te stellen. Daarentegen verzet het gemeenschapsrecht zich niet tegen de toepassing van de bedoelde nationaalrechtelijke bepaling door de nationale rechter, ingeval een aandeelhouder uit de ter beschikking staande rechtsmiddelen om een als gevolg van een inbreuk op de richtlijn ontstane situatie ongedaan te maken, dat middel heeft gekozen, dat zo ernstig nadeel toebrengt aan de legitieme belangen van derden, dat het klaarblijkelijk onevenredig is."

Advocaat-generaal A. Saggio heeft ter terechtzitting van de Zesde kamer van 28 oktober 1999 conclusie genomen.

Hij gaf het Hof in overweging te antwoorden als volgt:

"Artikel 25 van de Tweede richtlijn (77/91/EEG) van de Raad van 13 december 1976 strekkende tot het coördineren van de waarborgen welke in de lidstaten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van artikel 58, tweede alinea, EG-Verdrag, om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden met betrekking tot de oprichting van de naamloze vennootschap, alsook de instandhouding en wijziging van haar kapitaal, zulks ten einde die waarborgen gelijkwaardig te maken, moet aldus worden uitgelegd, dat een nationale rechterlijke instantie de handelwijze van een aandeelhouder die verzoekt een volgens de door de richtlijn verboden wijze uitgevoerde kapitaalverhoging ongeldig te verklaren, niet als misbruik van recht kan aanmerken, op grond dat die aandeelhouder het voorkeurrecht

op de als gevolg van de kapitaalverhoging uitgegeven aandelen niet heeft uitgeoefend, of op grond dat op de vennootschap waarvan hij aandeelhouder is, een met de richtlijn strijdige nationale wet van toepassing is op een tijdstip waarop door het verzuim van de lidstaat, die zich beroept op de strijdige uitoefening van het recht, niet met zekerheid blijkt, dat de aandeelhouder bekend was met het recht dat hem door de niet uitgevoerde richtlijn was verleend."



Bij het Gerecht van eerste aanleg aanhangige zaken

Gevoegde zaken T-125/97 en T-127/97

The Coca-Cola Company, Coca-Cola Enterprises Inc./Commissie van de Europese Gemeenschappen

Mededinging

22 maart 2000

"Mededinging · Verordening (EEG) nr. 4064/89 · Beschikking waarin concentratie verenigbaar met gemeenschappelijke markt wordt verklaard
· Beroep tot nietigverklaring · Motivering · Ontvankelijkheid"
(Eerste kamer · uitgebreid)

Verzoekster, The Coca-Cola Company (hierna: "TCCC"), en de vennootschap naar Engels recht Cadbury Schweppes plc (hierna: "CS") zijn houdster van verschillende merken voor alcoholvrije koolzuurhoudende dranken die in Groot-Brittannië en andere landen worden verkocht. Zij leveren aan onafhankelijke bottelbedrijven de concentraten en ingrediënten die voor de bereiding van de onder deze merken verkochte dranken worden gebruikt, en verlenen hun het recht, hun dranken binnen een bepaald grondgebied te distribueren en af te zetten.

Amalgamated Beverages Great Britain (hierna: "ABGB"), een dochteronderneming van TCCC en van CS, werd belast met het bottelen, de distributie, de marketing en de verkoop van de dranken van deze vennootschappen, en liet deze werkzaamheden uitvoeren door haar dochtermaatschappij, Coca-Cola & Schweppes Beverages Ltd (hierna: "CCSB").

Coca-Cola Enterprises Inc. (hierna: "CCE") is het grootste bottelbedrijf van de producten van TCCC ter wereld. Zij is opgericht in 1986, toen TCCC haar bottelwerkzaamheden in de Verenigde Staten begon te consolideren en 51 % van haar aandelen aan het publiek aanbood. Buiten haar activiteiten in de Verenigde Staten werd CCE na een aantal verwervingen vanaf 1993 het bottelbedrijf van TCCC in België, Nederland en Frankrijk.

De onderhavige beroepen moeten worden bezien in het ruimere kader van de door de Commissie krachtens de artikelen 85 en 86 EG-Verdrag (thans de artikelen 81 EG en 82 EG) ingeleide mededingingsprocedures waarbij TCCC en/of haar bottelbedrijven in Europa zijn betrokken. De eerste procedure werd in september 1987 krachtens artikel 86 van het Verdrag ingeleid tegen een Italiaanse dochtermaatschappij van TCCC,

The Coca-Cola Export Corporation (hierna: "TCCEC"); in de loop van deze procedure stelde de Commissie zich op het standpunt, dat TCCEC een machtspositie innam op de markt van de alcoholvrije koolzuurhoudende coladranken (hierna: "cola's"). In deze procedure verbond TCCEC, die een voorbehoud formuleerde omtrent het bestaan van een relevante markt van cola's en haar beweerde machtspositie op die markt, zich ertoe, bepaalde specifieke verplichtingen na te leven inzake de met de distributeurs in de lidstaten gesloten overeenkomsten. Dezelfde verbintenis ging CCE aan in de beschikking waartegen de onderhavige beroepen zijn ingesteld.

Op 9 augustus 1996 ontving de Commissie van CCE een aanmelding krachtens verordening (EEG) nr. 4064/89 van de Raad van 21 december 1989 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen.

De aangemelde operatie betrof de overeenkomst van CS en TCCC om ABGB te liquideren door hun respectieve participaties daarin te verkopen aan CCE, die toentertijd niet actief was in Groot-Brittannië.

Bij beschikking 97/540/EG van 22 januari 1997 verklaarde de Commissie de aangemelde operatie verenigbaar met de gemeenschappelijke markt overeenkomstig artikel 8, lid 2, van verordening nr. 4064/89, en met de werking van de EER-overeenkomst (hierna: "beschikking" of "bestreden beschikking").

In de overwegingen van deze beschikking stelde de Commissie onder meer vast: in de eerste plaats kan TCCC een beslissende invloed op CCE uitoefenen, zodat zij zeggenschap heeft over deze onderneming in de zin van artikel 3, lid 3, van verordening nr. 4064/89; in de tweede plaats vormen de in Groot-Brittannië verkochte cola's de relevante markt voor de beoordeling van de aangemelde concentratie en in de derde plaats neemt CCSB op de Britse colamarkt een machtspositie in. Zij kwam evenwel tot de volgende conclusie (punt 214):

"Hoewel de voorgenomen operatie tot een structurele verandering leidt die ook aanleiding zou kunnen geven tot een gewijzigd gedrag van CCSB op de markt (...) de mogelijkheden die rechtstreeks voortvloeien uit de voorgenomen operatie niet voldoende (...) van die welke binnen de huidige structuur van CCSB reeds bestonden om tot de conclusie te komen dat de voorgenomen operatie zou leiden tot een versterking van de machtspositie van CCSB op de colamarkt in Groot-Brittannië in de zin van artikel 2 van [verordening nr. 4064/89]."

In haar beschikking merkte de Commissie bovendien op, dat CCE zich ertoe had verbonden dat zolang zij zeggenschap zou hebben over CCSB, deze laatste dezelfde verbintenissen zou naleven als die welke TCCEC in 1989 had aangegaan, namelijk af te zien van bepaalde handelspraktijken die als onwettig worden beschouwd wanneer zij worden toegepast door een onderneming in een machtspositie.

TCCC en CCE hebben bij op 22 april 1997 ter griffie van het Gerecht neergelegde verzoekschriften twee beroepen tot nietigverklaring van de beschikking ingesteld (zaken T-125/97 en T-127/97).

Bij beschikkingen van 18 maart 1999 heeft de president van de Eerste kamer van het Gerecht de verzoeken tot tussenkomst van Virgin en de Bondsrepubliek Duitsland in de twee zaken ingewilligd.

Volgens vaste rechtspraak zijn als handelingen of besluiten die vatbaar zijn voor beroep tot nietigverklaring in de zin van artikel 173 van het Verdrag te beschouwen maatregelen die bindende rechtsgevolgen in het leven roepen, welke de belangen van de verzoeker kunnen aantasten doordat zij diens rechtspositie aanmerkelijk wijzigen (arrest IBM, punt 9, arrest Hof van 31 maart 1998, Frankrijk e.a/Commissie, C-68/94 en C-30/95).

Om uit te maken of een handeling of besluit dergelijke gevolgen sorteert, moet te rade worden gegaan met de wezenlijke inhoud ervan.

Het feit alleen dat de bestreden beschikking de aangemelde operatie verenigbaar met de gemeenschappelijke markt verklaart en verzoeksters in beginsel dus niet bezwaart, ontslaat het Gerecht niet van het onderzoek, of de betwiste bepalingen bindende rechtsgevolgen teweegbrengen die hun belangen nadelig kunnen beïnvloeden.

De vaststelling van het bestaan van een machtspositie

De bij artikel 86 van het Verdrag aan de ondernemingen opgelegde verplichtingen veronderstellen niet dat de machtspositie van deze ondernemingen in een beschikking van de Commissie is geconstateerd, doch rechtstreeks uit deze bepalingen voortvloeien. Zodra een onderneming een machtspositie inneemt, moet zij in voorkomend geval haar gedrag dienovereenkomstig aanpassen, zodat zij geen afbreuk doet aan een werkzame mededinging op de markt, ongeacht de eventuele vaststelling van een beschikking door de Commissie.

De vaststelling door de Commissie van het bestaan van een machtspositie heeft, ook al kan zij het beleid en de toekomstige commerciële strategie van de betrokken onderneming beïnvloeden, geen bindende rechtsgevolgen in de zin van het arrest IBM. Een dergelijke vaststelling is een uitvloeisel van de analyse van de structuur van de markt en van de daarop op het tijdstip van de vaststelling door de Commissie van een beschikking heersende mededinging. Het gedrag dat de onderneming waarvan wordt aangenomen dat zij een machtspositie inneemt, vervolgens zal moeten aannemen om geen inbreuk te maken op artikel 86 van het Verdrag, wordt dus bepaald door een aantal criteria die op elk moment de mededingingsomstandigheden op de markt weerspiegelen.

In het kader van een eventuele beschikking tot toepassing van artikel 86 van het Verdrag zal de Commissie de relevante markt opnieuw moeten afbakenen en de mededingingsomstandigheden opnieuw moeten analyseren, waarbij zij niet noodzakelijkerwijs zal uitgaan van dezelfde overwegingen als die welke aan de eerdere vaststelling van het bestaan van een machtspositie ten grondslag lagen.

Het feit dat de Commissie in het geval van een beschikking tot toepassing van artikel 86 van het Verdrag, zoals zij zelf ter terechtzitting heeft verklaard, door de litigieuze vaststelling kan worden beïnvloed, betekent niet, dat deze vaststelling om deze reden alleen reeds bindende rechtsgevolgen teweegbrengt in de zin van het arrest IBM. Anders dan TCCC stelt, verliest zij niet haar recht een beroep tot nietigverklaring bij het Gerecht in te stellen om op te komen tegen een eventuele beschikking van de Commissie waarbij een misbruik door CCSB wordt vastgesteld.

Aangaande de mogelijke gevolgen van de vaststelling van het bestaan van een machtspositie voor de toepassing van de mededingingsregels door de nationale rechter zij eraan herinnerd, dat de bestreden beschikking niet is vastgesteld op basis van artikel 86 van het Verdrag, maar op basis van verordening nr. 4064/89, en de bevoegdheid van de nationale rechters om artikel 86 toe te passen onverlet laat.

De mogelijkheid dat een nationale rechter bij rechtstreekse toepassing van artikel 86 van het Verdrag met inachtneming van de beschikkingspraktijk van de Commissie tot dezelfde vaststelling van het bestaan van een machtspositie van CCSB komt, betekent evenmin, dat de litigieuze vaststelling bindende rechtsgevolgen in het leven roept. Een nationale rechter die in het kader van een geschil tussen CCSB en een derde gedragingen van CCSB van na de bestreden beschikking moet beoordelen, is niet gebonden door eerdere vaststellingen van de Commissie. Niets belet hem immers te concluderen dat, anders dan de Commissie ten tijde van de vaststelling van de bestreden beschikking vaststelde, CCSB geen machtspositie meer inneemt.

Wanneer de Commissie overweegt een aangemelde operatie verenigbaar met de gemeenschappelijke markt te verklaren, moet zij haar beschikking met inachtneming van de bijzondere kenmerken van elke operatie toereikend motiveren, zodat derden de gegrondheid van haar analyse in voorkomend geval voor de gemeenschapsrechter kunnen betwisten. Weliswaar blijkt uit de beschikkingspraktijk van de Commissie, dat zij, zoals TCCC opmerkte, in het algemeen de afbakening van de relevante markt en van de daarop aanwezige marktdeelnemers slechts in detail onderzoekt, wanneer zij van plan is een beschikking tot

onverenigbaarverklaring te geven, doch niets belet haar, gelet op voormelde motiveringsplicht, een dergelijke analyse te verrichten wanneer zij een beschikking tot verenigbaarverklaring geeft, in het bijzonder bij een beschikking krachtens artikel 8, lid 2, van verordening nr. 4064/89.

Wat het door verzoeksters aangevoerde risico betreft, dat zij eventueel tot een geldboete kunnen worden veroordeeld wegens schending van de mededingingsregels, zij eraan herinnerd, dat niet de vaststelling van het bestaan van een machtspositie van CCSB op een gegeven tijdstip als zodanig hen eventueel kan blootstellen aan dit risico, doch een misbruik door verzoeksters van deze positie.

De vaststelling van het bestaan van een machtspositie van CCSB in de bestreden beschikking als zodanig heeft geen dwingende rechtsgevolgen, zodat een betwisting van de gegrondheid ervan door verzoeksters niet-ontvankelijk is.

De vaststelling betreffende de afbakening van de relevante markt

Aangezien verzoeksters niet de vaststelling van het bestaan van een machtspositie van CCSB kunnen betwisten, kunnen zij zeker niet de voorafgaande vaststelling van het bestaan van een colamarkt betwisten.

De litigieuze toezegging

Om te beginnen dient het standpunt van de Commissie te worden afgewezen, dat verzoeksters niet kunnen worden ontvangen, wanneer zij de wettigheid van de litigieuze toezegging betwisten, omdat deze toezegging geen formele voorwaarde in de zin van artikel 8, lid 2, van verordening nr. 4064/89 vormde. Uit de desbetreffende rechtspraak volgt namelijk, dat een dergelijke toezegging vatbaar is voor beroep tot nietigverklaring, indien uit de analyse van de wezenlijke inhoud ervan blijkt, dat zij ertoe strekt rechtsgevolgen in de zin van het arrest IBM teweeg te brengen.

Teneinde te bepalen of de litigieuze toezegging bindende rechtsgevolgen heeft, moet worden onderzocht, of de toezegging een voorwaarde voor de verenigbaarverklaring van de aangemelde operatie was, in die zin dat de Commissie bij niet-nakoming van de voorwaarde haar beschikking zou kunnen intrekken, zoals zij in haar schriftelijke antwoorden op de vragen van het Gerecht verklaarde te kunnen doen voor bepaalde krachtens artikel 6, lid 1, sub b, van verordening nr. 4064/89 vastgestelde beschikkingen tot verenigbaarverklaring.

De Commissie heeft, zoals zij in haar correspondentie met CCE had verklaard, bij de vaststelling van de bestreden beschikking de verleende goedkeuring niet afhankelijk willen stellen van de litigieuze toezegging.

De litigieuze toezegging heeft dus geen bindende rechtsgevolgen, in die zin dat een schending van de voorwaarden daarvan in geen enkel opzicht afdoet aan de wettigheid van de bestreden beschikking en evenmin zal leiden tot haar intrekking. Zij is dus geen voor beroep vatbare handeling in de zin van artikel 173 van het Verdrag, zodat het beroep van TCCC, voor zover het de wettigheid van deze toezegging betreft, niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

De vaststelling betreffende de zeggenschap van TCCC over CCE

Evenals de vaststelling betreffende het bestaan van een machtspositie hangt de vaststelling betreffende de uitoefening van een beslissende invloed door TCCC op CCE in de zin van artikel 3, lid 3, van verordening nr. 4064/89 af van een aantal zich voortdurend wijzigende factoren, zoals de deelneming van de aandeelhouders aan de jaarlijkse algemene vergaderingen van CCE. De bestreden beschikking heeft dus niet tot gevolg, dat de aard van de commerciële relaties of structurele of andere banden tussen TCCC en CCE voor de toekomst onherroepelijk worden gefixeerd. Zij kan dus niet als grondslag dienen om verzoeksters in eventuele procedures inzake de toepassing van de mededingingsregels te betrekken wegens de zeggenschap die TCCC volgens de Commissie ten tijde van de vaststelling van de bestreden beschikking over CCE uitoefende.

Bijgevolg zijn de beroepen niet-ontvankelijk voor zover zij strekken tot nietigverklaring van de vaststelling van de Commissie dat TCCC zeggenschap heeft over CCE.

TCCC's subsidiaire conclusies tot nietigverklaring

Aangezien de betwiste vaststellingen van de Commissie betreffende de afbakening van de relevante markt, het bestaan van een machtspositie van CCSB en de zeggenschap van TCCC over CCE geen bindende rechtsgevolgen in het leven roepen die verzoekster in haar belangen raken, en dus geen voor beroep vatbare handelingen vormen in de zin van artikel 173 van het Verdrag, moeten de subsidiaire conclusies van TCCC tot nietigverklaring van de bestreden beschikking in haar geheel, voor zover deze nietigverklaring nodig is om deze vaststellingen nietig te verklaren, ook niet-ontvankelijk worden verklaard.

Het Gerecht, rechtdoende:

"1) Verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.

2) Verwijst The Coca-Cola Company en Coca-Cola Enterprises Inc. in zaak T-125/97, respectievelijk in zaak T-127/97 in de kosten.

3) Verstaat dat The Virgin Trading Company Ltd en de Bondsrepubliek Duitsland hun eigen kosten zullen dragen."



Zaak T-95/98

C. Gogos/Commissie van de Europese Gemeenschappen

Ambtenarenstatuut

23 maart 2000

"Ambtenaren · Intern vergelijkend onderzoek · Niet-slagen voor mondeling examen · Samenstelling van jury · Gelijke behandeling"

(Tweede kamer)



Zaak T-197/98

C. Rudolph/Commissie van de Europese Gemeenschappen

Ambtenarenstatuut

23 maart 2000

"Ambtenaren · Klachttermijn · Kennisgeving van besluit · Talen · Annulering, wegens valse verklaring, van aan aanstelling voorafgaand medisch onderzoek"

(Vierde kamer)




2. CONCLUSIES

Zaak C-473/98

Kemikalieinspektionen/Toolex Alpha AB

Prejudiciële verwijzing van Kammarrätten i Stockholm · Uitlegging van de art. 30 en 36 EG-Verdrag (thans art. 28 en 30 EG) · Nationale wettelijke regeling houdende verbod op gebruik van trichloorethyleen

Advocaat-generaal J. Mischo heeft ter terechtzitting van het Hof van 21 maart 2000 conclusie genomen.

Hij heeft het Hof in overweging gegeven op de vraag van de nationale rechter te antwoorden, dat de artikelen 30 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 28 EG) en 36 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 30 EG) aldus moeten worden uitgelegd, dat zij er niet aan in de weg staan, dat een lidstaat het beroepsmatig gebruik van trichloorethyleen op zijn grondgebied verbiedt en de afgifte van individuele ontheffingsvergunningen aan drie cumulatieve voorwaarden onderwerpt: er wordt gezocht naar een alternatief oplosmiddel dat minder schadelijk voor het milieu en de volksgezondheid is, er is voorshands geen alternatief oplosmiddel beschikbaar en er is geen sprake van onaanvaardbare risico's, mits deze ontheffingsvergunning via een gemakkelijk toegankelijke procedure kan worden verkregen, niet afhangt van de betaling van buitensporige administratieve kosten en dat tegen elke beslissing tot weigering van een vergunning een beroep in rechte kan worden ingesteld.



Zaak C-193/99

Vehicle Inspectorate/Graeme Edgar Hume

Prejudiciële verwijzing van Sedgefield Magistrates' Court · Uitlegging van de art. 6 en 8 van verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad van 20 december 1985 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer · Verschuiving van wekelijkse rusttijd

Advocaat-generaal S. Alber heeft ter terechtzitting van de Eerste kamer van 21 maart 2000 conclusie genomen.

Hij heeft het Hof in overweging gegeven te antwoorden als volgt:

"Een chauffeur die krachtens artikel 8, lid 5, van verordening (EEG) nr. 3820/85 ervoor kiest, zijn wekelijkse rusttijd te verschuiven naar de daaropvolgende week, moet in die volgende week dan twee aaneensluitende wekelijkse rusttijden nemen zonder onderbreking daartussen."



Gevoegde zaken C-180/98 t/m C-184/98

P. Pavlov e.a./Stichting Pensioenfonds Medische Specialisten

Prejudiciële verwijzing van het Kantongerecht te Nijmegen · Uitlegging van de art. 85, 86 en 90 EG-Verdrag (thans art. 81, 82 en 86 EG) · Nationale wettelijke regeling die ondernemingen van een bepaalde bedrijfstak tot deelneming in een aanvullende beroepspensioenregeling verplicht · Regeling voor medische specialisten

Advocaat-generaal F. G. Jacobs heeft ter terechtzitting van het Hof van 23 maart 2000 conclusie genomen.

Hij heeft het Hof in overweging gegeven te antwoorden als volgt:

"1) Het is niet in strijd met de artikelen 5 en 85 EG-Verdrag (thans artikelen 10 EG en 81 EG), wanneer een lidstaat op verzoek van een organisatie van beroepsgenoten de deelneming in een beroepspensioenregeling verplicht stelt voor alle beroepsgenoten.

2) Een beroepspensioenregeling als het Nederlandse Pensioenfonds Medische Specialisten treedt ten aanzien van de verzekering van het normpensioen en het tweede onderdeel van de pensioenregeling voor medisch specialisten op als onderneming in de zin van de mededingingsregels van het EG-Verdrag.

3) Een lidstaat handelt niet in strijd met de artikelen 90, lid 1, en 86 EG-Verdrag (thans artikelen 86, lid 1, EG en 82 EG), wanneer hij een stelsel van verplichte deelneming in beroepspensioenregelingen zoals het Nederlandse in het leven roept en in het kader van dit stelsel de deelneming in een pensioenregeling, zoals de Nederlandse pensioenregeling voor medisch specialisten, verplicht stelt."



Zaak C-337/98

Commissie van de Europese Gemeenschappen/Franse Republiek

Niet-nakoming · Niet-nakoming van de verplichtingen die voortvloeien uit richtlijn 93/38/EEG van de Raad van 14 juni 1993 houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie · Sneltram voor de agglomeratie van Rennes

Advocaat-generaal F. G. Jacobs heeft ter terechtzitting van het Hof van 23 maart 2000 conclusie genomen.

Hij heeft het Hof in overweging gegeven het beroep te verwerpen en de Commissie in de kosten te verwijzen.



Zaak C-455/98

Tullihallitus/K. Salumets e.a.

Prejudiciële verwijzing van Tampereen Käräjäoikeus · Uitlegging van inzonderheid art. 202 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, art. 6 van richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop, de art. 19 en 27 van richtlijn 92/83/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 betreffende de harmonisatie van de structuur van de accijns op alcohol en alcoholhoudende dranken en de art. 5 en 10 van richtlijn 77/388/EEG: Zesde richtlijn van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag · Douanerechten, accijns en BTW op als smokkelgoed ingevoerde ethylalcohol

Advocaat-generaal A. Saggio heeft ter terechtzitting van de Eerste kamer van 23 maart 2000 conclusie genomen.

Hij heeft het Hof in overweging gegeven te antwoorden als volgt:

"Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsprodukten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop, richtlijn 92/83/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 betreffende de harmonisatie van de structuur van de accijns op alcohol en alcoholhoudende dranken, alsmede Zesde richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, moeten aldus worden uitgelegd, dat bij het binnenbrengen op het communautair douanegebied van uit een derde land gesmokkelde ethylalcohol douanerechten, accijnzen en BTW moeten worden betaald volgens de op het tijdstip van illegale invoer geldende bepalingen."



Zaak C-387/98

Coreck Maritime GmbH/1. Handelsveem BV, 2. V. Berg and Sons Ltd., 3. Man Producten Rotterdam BV, 4. The Peoples Insurance Company of China

Prejudiciële verwijzing van de Hoge Raad der Nederlanden · Uitlegging van art. 17 Executieverdrag · Forumkeuzebeding in cognossement · Aan duidelijkheid van beding te stellen eisen voor de geldigheid ervan jegens een latere cognossementhouder

Advocaat-generaal S. Alber heeft ter terechtzitting van de Vijfde kamer van 23 maart 2000 conclusie genomen.

Hij heeft het Hof in overweging gegeven te antwoorden als volgt:

"1) Artikel 17, eerste alinea, van het Executieverdrag moet aldus worden uitgelegd, dat het voor de geldigheid van een forumkeuzebeding niet noodzakelijk is, dat het aangewezen bevoegde gerecht reeds met name uit de bewoordingen valt uit te lezen. Veeleer is voldoende, dat dat op grond van objectieve, uit het forumkeuzebeding blijkende criteria zowel door partijen zelf, alsook door de aangezochte rechter kan worden vastgesteld.

2) Aan de vereisten van artikel 17 van het Executieverdrag is voldaan, wanneer minstens één van de oorspronkelijke partijen die het forumkeuzebeding hebben gesloten zijn plaats van vestiging in een verdragsluitende staat heeft. De nationale rechter dient te beslissen wie de oorspronkelijke contractpartijen zijn en waar hun plaats van vestiging zich bevindt. In dat verband is het niet

noodzakelijk, dat het centrum van voornaamste belangen van de onderneming zich in een verdragsluitende staat bevindt.

Wanneer het centrum van voornaamste belangen als plaats van het bevoegde gerecht werd aangewezen en wanneer dat centrum niet in een verdragsluitende staat ligt, is niet voldaan aan het tweede vereiste van artikel 17 Executieverdrag volgens hetwelk een gerecht van een verdragsluitende staat de geschillen moet beslechten.

3) Een derde-cognossementshouder is aan een daarin opgenomen forumkeuzebeding gebonden, wanneer hij volgens het toepasselijke nationale recht in de rechten en verplichtingen van de verlader is opgevolgd.

Is hij geen rechtsopvolger van de verlader geworden, kan hem het forumkeuzebeding niet worden tegengeworpen, tenzij hij daarmee heeft ingestemd. Bijzondere kennis of langdurige handelsbetrekkingen met de vervoerder zijn niet voldoende om een (stilzwijgende) instemming te vermoeden.

4) De vraag naar welk nationaal recht moet worden beoordeeld, of de derde-cognossementshouder rechtsopvolger is geworden, moet door de nationale rechter worden beslist. Dat zelfde geldt voor de vraag welk recht van toepassing is, wanneer in het nationale recht niet is geregeld, of de derde-houder rechtsopvolger van de verlader wordt."



Gevoegde zaken C-177/99 en C-181/99

Ampafrance SA/Directeur des services fiscaux de Maine-et-Loire

Sanofi Winthrop SA/Directeur des services fiscaux du Val-de-Marne

Prejudiciële verwijzing van het Tribunal administratif de Nantes · Geldigheid van beschikking 89/487/EEG van de Raad van 28 juli 1989 waarbij de Franse Republiek wordt gemachtigd een van art. 17, lid 6, tweede alinea, van de Zesde richtlijn 77/388/EEG betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting afwijkende maatregel toe te passen · Machtiging om uitsluiting van belastingaftrek voor uitgaven "wegens representatie" uit te breiden tot derden · Rechtsgrondslag (art. 27 van de Zesde richtlijn: "belastingheffing vereenvoudigen", "bepaalde vormen van belastingfraude of -ontwijking te voorkomen") · Evenredigheidsbeginsel

Advocaat-generaal G. Cosmas heeft ter terechtzitting van de Vijfde kamer van 23 maart 2000 conclusie genomen.

Hij heeft het Hof in overweging gegeven te antwoorden als volgt:

"Beschikking 89/487/EEG van de Raad van 28 juli 1989, waarbij de Franse regering toestemming wordt verleend af te wijken van artikel 17, lid 6, tweede alinea, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting, is ongeldig."



Zaak C-423/98

A. Albore

Prejudiciële verwijzing van de Corte di appello di Napoli · Uitlegging van de art. 6, 52 (thans art. 12, 43 EG) en 67 EG-Verdrag (ingetrokken) · Nationale wet die toestemming van prefect vereist voor aankoop van onroerend goed in zogenoemde zone van militair belang · Voorwaarde niet van toepassing op natuurlijke of rechtspersonen van Italiaanse nationaliteit

Advocaat-generaal G. Cosmas heeft ter terechtzitting van de Zesde kamer van 23 maart 2000 conclusie genomen.

Hij heeft het Hof in overweging gegeven te antwoorden als volgt:

"Het gemeenschapsrecht, inzonderheid het beginsel van het vrij verkeer van kapitaal, verzet zich tegen een nationale wettelijke regeling die de aankoop door niet-onderdanen van zakelijke rechten op onroerende goederen in zones van militair belang van een toestemming afhankelijk stelt, wanneer geen bevredigende verklaringen worden gegeven voor de criteria op grond waarvan een zone als zone van militair belang wordt aangewezen, en voor de noodzaak van de uitoefening van deze voorafgaande controle op grond van de bescherming van nationale militaire belangen."



Zaak C-3/99

Cidrerie Ruwet SA/Cidre Stassen SA en Société de droit anglais H.P. Bulmer Ltd

Prejudiciële verwijzing van de Handelsrechtbank te Brussel · Uitlegging van art. 30 EG-Verdrag (thans art. 28 EG) en van richtlijn 75/106/EEG van de Raad van 19 december 1974 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake het voorverpakken naar volume van bepaalde vloeistoffen in voorverpakkingen met bepaalde inhoud, zoals gewijzigd bij richtlijn 79/1005/EEG van de Raad van 23 november 1979 · Nationale regeling houdende verbod van verkoop van houders met niet in bijlage III bij richtlijn genoemde hoeveelheid

Advocaat-generaal N. Fennelly heeft ter terechtzitting van de Zesde kamer van 23 maart 2000 conclusie genomen.

Hij heeft het Hof in overweging gegeven te antwoorden als volgt:

"1) Richtlijn 75/106/EEG van de Raad van 19 december 1974 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake het voorverpakken naar volume van bepaalde vloeistoffen in voorverpakkingen met bepaalde inhoud, zoals gewijzigd bij richtlijn 79/1005/EEG van de Raad van 23 november 1979, vereist niet van de lidstaten dat zij de verkoop op hun grondgebied weigeren van cider in verpakkingen met een niet in bijlage III bij deze richtlijn genoemde hoeveelheid.

2) Een dergelijke weigering is een bij artikel 30 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 28 EG) verboden maatregel en onverenigbaar met het gemeenschapsrecht, tenzij zij noodzakelijk is om te voldoen aan een dwingende reden van algemeen belang, in casu de bescherming van de consument, indien wordt aangetoond, dat de gemiddelde, normaal geïnformeerde, omzichtig handelende en oplettende consument wordt misleid doordat hij ertoe wordt gebracht de vloeistoffen in voorverpakkingen wegens hun zeer dicht bij elkaar liggend formaat te verwarren."



Zaak C-73/99

V. Movrin/Landesversicherungsanstalt Westfalen

Prejudiciële verwijzing van het Sozialgericht Münster · Uitlegging van het gemeenschapsrecht, in het bijzonder van de art. 48-51 EG-Verdrag (thans art. 39-42 EG) en van de art. 1, 10 en 27 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkende en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 · Nationale wettelijke regeling inzake het ouderdomspensioen op grond waarvan een bijdrage aan de financiering van een vrijwillige ziekteverzekering wordt betaald, welke echter niet wordt betaald aan personen die verplicht zijn aangesloten bij een stelsel van ziekteverzekering van een andere lidstaat

Advocaat-generaal F. G. Jacobs heeft ter terechtzitting van de Zesde kamer van 23 maart 2000 conclusie genomen.

Hij heeft het Hof in overweging gegeven te antwoorden als volgt:

"Een bijdrage in de kosten van de zieketeverzekering, zoals die welk ingevolge § 249 a Sozialgesetzbuch V en § 106 Sozialgesetzbuch VI moet worden betaald, is een .prestatie' in de zin van artikel 1, sub t, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkende en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, en een uitkering bij ouderdom in de zin van artikel 10, lid 1, van deze verordening. Zij moet derhalve worden uitbetaald aan de rechthebbende op een Duits pensioen die in een andere lidstaat woont waar hij verplicht is aangesloten bij de wettelijke ziekteverzekering van die staat."




3. MEDEDELING

Nieuwe citeerwijze van de verdragsartikelen

Wij herhalen nogmaals ons bericht, dat in de weekoverzichten nrs. 21/99 en 22/99 een mededeling is opgenomen over de nieuwe citeerwijze van de verdragsartikelen in teksten van het Hof en van het Gerecht.



(1)


1: Dit overzicht, opgesteld door de Afdeling Pers en Voorlichting van het Hof van Justitie (L-2925 Luxemburg), heeft tot doel snelle informatie te verschaffen over de werkzaamheden van het Hof en het Gerecht. Alleen de tekst van de arresten en conclusies, die later wordt gepubliceerd in de "Jurisprudentie van het Hof van Justitie en het Gerecht van eerste aanleg", is echter officieel. De inhoud van dit weekoverzicht kan zonder toestemming, doch met vermelding van de bron, worden overgenomen.

Vertaald uit het Frans.

Kopij afgesloten op 27 maart 2000

Catalogusnummer: QD-AC-00-010-NL-C

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie