Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Vragen CDA over invoering nieuwe vreemdelingenwet

Datum nieuwsfeit: 23-03-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
CDA

: Tweede Kamer : Invoeringswet nieuwe vreemdelingenwet (Vreemdelingenwet 2000) (230300)

Archief Schriftelijke Vragen Archief Schriftelijke Vragen

Invoeringswet nieuwe vreemdelingenwet (Vreemdelingenwet 2000) (230300)

Den Haag, 23 maart 2000

Algemeen
De leden van de CDA-fractie hebben kennis genomen van het wetsvoorstel. Het oordeel van deze leden over het wetsvoorstel hangt nauw samen met hun oordeel over de nieuwe Vreemdelingenwet zelf.
In de memorie van toelichting wordt gesteld dat het niveau van de rechten en voorzieningen die zullen zijn verbonden aan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden bepaald door volkenrechtelijk verbindende afspraken terzake en door beleid van de Nederlandse regering binnen het kader van deze internationale afspraken. Tevens wordt gesteld dat aan al degenen die in het bezit zijn van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel een voorzieningenpakket moet worden geboden van het niveau waarop een verdragsvluchteling recht zou hebben.

Uit diverse internationale verdragen vloeien verplichtingen voort met betrekking tot het te bieden voorzieningenniveau aan vluchtelingen in de zin van het Vluchtelingenverdrag en aan anderen. Kan de regering van de navolgende internationale verdragen en regelingen aangeven welke voorzieningen, vanaf welk moment en aan welke statushouders voor bepaalde tijd asiel, onderverdeeld naar de respectievelijke verleningsgronden van artikel 27 van de Vreemdelingenwet 2000, moeten worden geboden ? En kan de regering aangeven welke voorzieningen aan welke statushouders voor bepaalde tijd asiel, onderverdeeld naar de verleningsgrond, worden verstrekt, zonder dat daaraan een verplichting uit een van onderstaande verdragen of regelingen ten grondslag ligt? De volgende internationale verdragen en regelingen worden bedoeld:

Het Verdrag van Genève incl. protocol

Europees Sociaal Handvest incl. appendix + appendix to the additional Protocol;

EVSMB + Protocol;

ILO-verdragen;

Verdrag inzake de overname van verantwoordelijkheid voor vluchtelingen;
Geneva Convention relative to the protection of civilians in time of war (1949) + Protocol 1 to the Geneva Convention relating to the Protection of Victims of war;

Convention concerning international cooperation regarding administrative assistance tot refugees (3 september 1985);

Convention on the Right of the Child (oa. Art. 22);

Recommendation nr. 86 concerning migration for employment (1949) and additional annex on temporary migration for employment, incl. migration of refugees and displaced persons;

Convention on copyright + protocol nr. 1 (1971);

Convention nr. 118 concerning equality of treatment of nationals and non-nationals in social security (met name art.1 sub g) (28 juni 1962);

European agreement on the abolition of visas for refugees (20 april 1959);

European Convention of Social Security (14 december 1972);

Protocol to the European Convention of Consular functions concerning the Protection of Refugees (11 december 1967);

EC regulation 1408/71 inzake sociale zekerheid.

Kan de regering zo gedetaileerd mogelijk aangeven wat het niveau is van het voorzieningenpakket waarop een verdragsvluchteling recht heeft? Kan daarbij worden aangeven in welke opzichten Nederland thans méér, dan wel minder doet dan andere landen? Is het streven van de regering erop gericht het niveau van de voorzieningen zoveel mogelijk in de pas te laten lopen met dat in de andere landen? Wordt wellicht gedacht een een neerwaartse bijstelling van het huidige voor A-statushouders geldende voorzieningenpakket? Zo ja, in welke zin zullen in de nieuwe situatie voor A-statushouders afwijkingen bestaan ten opzichte van de huidige situatie? Deze vragen worden bij de leden van de CDA-fractie met name ingegeven door de in de vorige alinea geciteerde passage uit de memorie van toelichting waarin wordt gesproken van: de verdragsvluchteling indien als zodanig gedetermineerd. Hoe moet deze laatste toevoeging worden verstaan? Betekent dit dat, gezien het voornemen om bij het toekennen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd de toekenningsgrond niet bekend te maken, de desbetreffende vreemdeling (vooralsnog) niet als verdragsvluchteling zou (hoeven) worden erkend, maar pas na drie jaren? En zo ja, zou dit dan inhouden dat hem derhalve gedurende drie jaren niet een voorzieningenpakket op het niveau van de verdragsvluchteling zou hoeven worden aangeboden? Kortom, kan de regering helderheid verschaffen over de verhouding tussen de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, die niet uitsluitend maar ook aan verdragsvluchtelingen wordt toegekend, en tal van internationale bepalingen die slechts rechten toekennen aan vluchtelingen in de zin van het Vluchtelingenverdrag?

Degenen die onder de huidige Vreemdelingenwet een A-, een VTV-humanitaire, dan wel een VVTV status hebben, krijgen onder de Vreemdelingenwet 2000 allen dezelfde voorzieningen op basis van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel. Dit om doorprocederen te voorkomen. Indien nu, in tegenstelling tot de verwachting van de regering, de rechter wel degelijk onderscheid maakt tussen de onderliggende gronden van de verlening van de vergunning bepaalde tijd asiel, is de regering dan bereid om de huidige verschillen in voorzieningenniveau opnieuw te introduceren?

Kan de regering systematisch in kaart brengen welke voorzieningen houders van een VVTV-status formeel en materieel genieten, en welke voorzieningen houders van een vergunning bepaalde tijd asiel ? Welke veranderingen betekent dit voor mensen die momenteel een VVTV-status zouden krijgen en onder de nieuwe wet een vergunning bepaalde tijd asiel?

De Raad van State heeft aangegeven dat het wetsvoorstel Nieuwe Vreemdelingenwet een forse distorsie betekent ten opzichte van het in andere Europese landen geldende recht. Dit betreft onder andere het geboden voorzieningenniveau. Hierdoor wordt aanzuigende werking gevreesd, waardoor een meer dan evenredig deel van de asielzoekers naar Nederland zal (blijven) komen. Deze vrees leeft bij het CDA. Welke argumentatie kan de regering aanvoeren om deze weg te nemen ?

In april 2000 zal in het kader van de Intergouvernementele Consultaties (IGC) een vergelijkende analyse worden afgerond van wet-, regelgeving en beleid op het gehele vreemdelingenbeleid in de aangesloten landen. Waarom heeft de regering, mede in het licht van de forse kritiek van de Raad van State, dit rapport niet afgewacht ? De regering heeft toegezegd het rapport vertrouwelijk aan de Kamer ter beschikking te zullen stellen. Wij verzoeken de regering het rapport van een formele reactie te voorzien.

Gesteld wordt dat de aanspraken op studiefinanciering en tegemoetkoming studiekosten van houders van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel te zijner tijd wordt geregeld bij de wijziging van het Besluit studiefinanciering en het besluit tegemoetkoming studiekosten. Kan worden aangegeven of daarbij zal worden aangesloten bij de huidige systematiek voor erkende vluchtelingen (die direct na statusverlening aanspraak kunnen maken op deze voorzieningen) of bij de systematiek die geldt voor houders van een vergunning tot verblijf-humanitair?

In de memorie van toelichting wordt gesteld dat houders van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de werking van de van de Wet inburgering nieuwkomers (WIN) komen te vallen en dat de inburgeringsprogrammas en -modules, alsook het maatwerk gericht op toeleiding naar de arbeidsmarkt, door uitvoeringsorganisaties en gemeenten samen moet worden uitgewerkt. De leden van de CDA-fractie hebben hierover enkele vragen. Hoe verloopt dit traject momenteel? Kan worden aangegeven hoeveel méér personen er ten gevolge van de nieuwe Vreemdelingenwet, in vergelijking met de huidige Vreemdelingenwet, onder de werking van de WIN zullen vallen en wat de gevolgen zijn voor het totale WIN-budget? Op welke manier zal aan het verplichtende karakter dat de Wet inburgering nieuwkomers ook voor houders van een tijdelijke status zal hebben de hand worden gehouden, ook bezien naar de mogelijkheid van het opleggen van sancties bij het niet voldoen aan die verplichting? Zal toetreding tot de arbeidsmarkt pas mogelijk zijn na succesvolle afronding van het WIN-traject? Welke situatie zal ontstaan als iemands verblijfsvergunning wordt ingetrokken, terwijl hij nog deelneemt aan het inburgeringstraject? Heeft hij dan nog de plicht, dan wel het recht, om het WIN-traject te voltooien?

Op welke manier zal in de programmas/modules aandacht worden geschonken aan terugkeer? Wat is de stand van zaken betreffende de daadwerkelijke ontwikkeling van dergelijke modules? Is het, gezien de grote diversiteit van herkomstlanden, naar de mening van de regering eigenlijk wel goed mogelijk om dergelijk terugkeermodules te ontwikkelen?

Wat is de visie van de regering op het gegeven dat uit onderzoek zou zijn gebleken dat wie ooit goed integreerde in het asielland, ook weer makkelijker aardt in het land van herkomst? Welke wetenschappelijke gegevens, eventueel ook uit andere landen, zijn er op dit punt voorhanden? De leden van de CDA-fractie achten het antwoord inzake dit vraagstuk van belang mede tegen de achtergrond van de kritische opmerkingen van de Raad van State. De Raad merkt op dat het opleggen van een plicht tot inburgering aan vreemdelingen slechts is aangewezen indien uitzicht bestaat op bestendig verblijf hier te lande en dat het opleggen van een dergelijke plicht in andere gevallen ongewenste verwachtingen op toelating voor zulk verblijf wekt. De regering stelt daar in het nader rapport tegenover dat in feite slechts weinig personen die voor bepaalde tijd asiel zijn toegelaten uiteindelijk niet voor toelating voor onbepaalde tijd in aanmerking komen. Dit zou impliceren dat dit ook geldt voor de meeste gevallen waarin aanvankelijk een negatieve beslissing is gegeven en waarin men niet (langer) een op inburgering, maar een op terugkeer gericht programma zou moeten volgen. Een en ander overziende vragen de leden van de CDA-fractie zich af of het aanbieden van specifieke terugkeermodules wenselijk is. Kan, uit oogpunt van zowel integratie als mogelijke terugkeer, wellicht niet beter worden volstaan met het aanbieden van voldoende beroepsgerichte opleidingen aansluitend op het inburgeringstraject en het behalen van een voldoende hoog niveau van beheersing van de Nederlands taal om deze opleiding te kunen volgen? Graag vernemen zij de visie van de regering inzake het hier geschetste dilemma.

Zien de leden van de CDA-fractie het goed dat de cijfers inzake verleende statussen in het op blz. 3 vermelde overzicht in het nader rapport betrekking hebben op de jaren 1994 tot en met 1998? Zo ja, zouden de voor deze periode geldende totaalcijfers betreffende verleende A-staussen, vtvs en vvtvs niet respectievelijk 32.426, 31.589 en 29.508 moeten zijn? Hoeveel vvtvs zijn in 1999 ingetrokken en hoeveel zullen dat er naar verwachting in 2000 zijn? In hoeveel gevallen werd in 1999 de vvtv-status omgezet in een meer permanente status op grond van het driejarenbeleid? En wat zijn de verwachtingen voor 2000? Waarop is de verwachting gebaseerd dat bij voortzetting van het huidige vvtv-beleid het percentage intrekkingen na 2000 weer zal dalen? Geven de opmerking op blz. 4 van het nader rapport, nl. dat in feite slechts weinig personen die voor bepaalde tijd zijn toegelaten uiteindelijk niet voor toelating voor onbepaalde tijd in aanmerking komen, alsmede het uit het voornoemde overzicht blijkende gegeven dat uiteindelijk bijna 80% van het aantal vvtv-ers uiteindelijk een meer premanente status krijgt, de regering aanleiding het driejarenbeleid in dit opzicht te herzien? Kan worden aangegeven of en zo ja in hoeveel gevallen houders van een vvtv-status in de afgelopen vijf jaren op vrijwilige basis zijn teruggekeerd naar hun land van herkomst? Kan worden aangeven welke nationaliteiten het betrof en in hoeveel gevallen gebruik is gemaakt van de mogelijkheden van de Internationale Organisatie voor Migratie?

De VNG heeft gewezen op een aantal uitvoeringsconsequenties van de Invoeringswet op lokaal niveau. De regering stelt dat zij de door de VNG geuite vrees van een ongelijkmatige spreiding van statushouders over de Nederlandse gemeenten niet deelt. De leden van de CDA-fractie menen echter uit de vervolgens door de regering gegeven motivering niet te kunnen afleiden dat daarvan geen sprake zou kúnnen zijn. In dit verband vragen zij hoe de regering uitwerking denkt te geven aan de opmerking dat de vestiging van vreemdelingen in Nederland moet worden bekeken in het kader van het totale minderheden- en grote steden- en integratiebeleid (en niet moet worden beperkt tot de gevolgen van de nieuwe Vreemdelingenwet).

De leden van de CDA-fractie vragen wat de reactie van de regering is op de door de VNG geuite vrees dat ten gevolge van de (toenemende) verhuisbewegingen van statushouders naar met name de grote(re) gemeenten het voor deze gemeenten moeilijk zo niet onmogelijk zal zijn te voldoen aan hun wettelijk opgelegde taakstelling? Deelt de regering de vrees van de VNG dat ook met betrekking tot de verplichte inburgering problemen voor gemeenten kunnen ontstaan in die zin dat het plannen en maken van financiële afspraken met samenwerkingspartners op lokaal niveau (bijvoorbeeld de regionale opleidingscentra) wordt bemoeilijkt, indien niet helder is hoeveel houders van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd zich in de desbetreffende gemeente zullen vestigen?

De leden van de CDA-fractie vragen of de regering een reactie kan geven op de door de VNG aangegeven noodzaak van financiële compensatie van gemeenten in verband met de behoefte aan extra financiële middelen betreffende onder andere de volgende aangelegenheden: de extra begeleiding op het gebied van het afsluiten van huurcontracten en het aanvragen van huursubsidie door houders van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd; de financiële garantstelling richting corporaties; de extra bijstandsuitkeringen die gemeenten moeten gaan verstrekken aan voormalige houders van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (zal in dit verband conform artike 2 van de nieuwe Financiële-verhoudingswet 1997 compensatie plaats hebben via een extra storting in het Gemeentefonds?); de omzetting van GBA-coderingen en het vullen van het VAS-register.

Financiële gevolgen
Wat betreft een nadere uiteenzetting van de structurele financiële consequenties en verschuivingen tussen de begrotingen van de verschillende betrokken departementen, zien de leden van de CDA-fractie met belangstelling uit naar de Voorjaarsnota 2000.
Artikelsgewijs

Hoofdstuk 2

Artikel 3
De leden van de CDA-fractie vragen of het gegeven dat de thans bestaande verblijfstitels op het tijdstip van inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000 van rechtswege worden aangemerkt als verblijfstitels op grond van de nieuwe wet, gevolgen zal hebben voor de registratie en afstemming van de gegevens in het VAS ten opzichte van die in de GBA, dit mede gezien in relatie tot een doelmatige uitvoering van de Koppelingswet.

Is het waar dat het verstrekken van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd die telkens moet worden verlengd, betekent dat de grond voor rechtmatig verblijf in Nederland telkens verandert en dus ook de GBA-code? Brengt dit vervolgens extra verificatiewerkzaamheden met zich mee voor sociale zekerheidsinstellingen?

Artikel 5
De leden van de CDA-fractie vragen waarom aan de Raad van State is verzocht met name aandacht te besteden aan dit artikel.
Gesteld wordt dat door een combinatie van werk en inburgering de doelstelling van de Wet inburgering nieuwkomers, namelijk nieuwkomers zo snel mogelijk in staat te stellen een zelfstandig bestaan op te bouwen, wordt versterkt. Het vinden van werk blijkt in de praktijk een belemmering voor het voldoen aan de inburgeringsplicht en het voltooien van het WIN-traject. Hoe denkt de regering met dit gegeven om te gaan na invoering van de Vreemdelingenwet 2000, met name wat betreft het aspect van voldoende beheersing van de Nederlandse taal? Hoe hard zal aan handhaving van de WIN en de in verband daarmee het eventueel opleggen van sancties de hand worden gehouden?

De leden van de CDA-fractie vragen voorts of houders van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf die na de inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000 van rechtswege een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd krijgen, maar die niet behoren tot de huidige doelgroep van de Wet inburgering nieuwkomers, aanspraak kunnen maken op, dan wel verplicht zullen zijn tot het volgen van een WIN-traject, voorzover zij nog geen volledig WIN-traject hebben gevolgd? Noopt een en ander tot aanpassing van de financieringssystematiek in het kader van de Wet inburgering nieuwkomers?

De leden van de CDA-fractie vragen ook of een combinatie van inburgering en arbeid haalbaar is binnen de termijn die er nu in de Wet inburgering nieuwkomers staat voor het inburgeringstraject. Kan een combinatie van inburgering en arbeid in veel gevallen niet een te zware belasting voor de betrokken vreemdeling opleveren? Hoe zal in dit verband het door gemeenten te leveren individuele maatwerk kunnen worden gewaarborgd? Kan een en ander wellicht betekenen dat de periode van het inburgeringstraject moet worden verlengd?

Artikel 6
De leden van de CDA-fractie vragen wat het oordeel is van de Raad van State over de voorgestelde verdubbeling van het aantal staatsraden in buitengewone dienst en de daaraan gekopelde verhoging van de maximale omvang van hun vaste deeltaak? Wat zijn de verwachtingen en ontwikkelingen met betrekking tot het werven van deze staatsraden?
Artikel 7
De leden van de CDA-fractie vragen in hoeverre er in de afgelopen vijf jaren en door welke nationaliteiten gebruik is gemaakt van de mogelijkheden van de Remigratiewet?

Hoofdstuk 5

Artikel 6
In onderdeel A4 van artikel 6 wordt voorgesteld om de verwijzing naar de Welzijnswet in artikel 3, tweede lid van de Wet COA, te laten vervallen. In de memorie van toelichting wordt verwezen naar de Regeling verstrekkingen bepaalde categorieën vreemdelingen (Rvb). Niet verwezen wordt naar de regeling ingesteld bij de Koppelingswet, waardoor rechtmatig verblijvenden met uitstel van vertrek op grond van artikel 25 van de huidige Vreemdelingenwet (artikel 8, onderdeel j, Vreemdelingenwet 2000) aanspraak kunnen maken op verstrekkingen in het kader van de Regeling verstrekkingen asielzoekers (Rva). Voor deze groep is bepaald dat zij niet verplicht worden om ook daadwerkelijk in een opvangcentrum te gaan wonen. Verdient het wellicht aanbeveling, zo vragen de leden van de CDA-fractie, om deze groep bijstandgerechtigd te maken, aangezien het hier ook mensen kan betreffen die voorheen een vergunning voor bepaalde tijd asiel hadden, maar die ondanks de intrekking van die vergunning hier tijdelijk langer mogen blijven vanwege gezondheidsredenen? Zou het niet wenselijk zijn dat deze mensen in hun woning kunnen blijven totdat zij uit Nederland moeten vertrekken? Zo ja, zou dit dan een wijziging van de grond van rechtmatig verblijf vereisen, dan wel een aanpassing van de Algemene bijstandswet? Sluit de voorgestelde tekst van de Algemene bijstandswet niet uit dat personen die rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8 onder j hebben aanspraak kunnen maken op bijstand? Als vastgehouden wordt aan de regeling dat zij aanspraak kunnen maken op de voorzieningen van de Rva, zal deze groep dan na invoering van de Vreemdelingenwet 2000 aanspraak kunnen blijven maken op de Regeling verstrekkingen asielzoekers, zonder dat zij verplicht worden in een opvangcentrum te gaan wonen?

In het voorgestelde artikel 3a, eerste lid van de Wet COA, zijn de afdelingen 1, 3 en 4 van hoofdstuk 7 van de Vreemdelingenwet 2000 van toepassing op besluiten in het kader van het onthouden dan wel de beëindiging van verstrekkingen bij of krachtens de Wet COA. In het tweede lid worden vervolgens handelingen van het COA ten aanzien van een vreemdeling als zodanig, die worden verricht in het kader van de beëindiging van verstrekkingen bij of krachtens de Wet COA, gelijkgesteld met een beschikking. En vervolgens wordt in het derde lid schorsende werking onthouden aan het instellen van beroep. De leden van de CDA-fractie vragen of ter compensatie van het wegvallen van de bezwaarfase een voornemenprocedure zal worden gevolgd, zodat de vreemdeling zijn zienswijze naar voren kan brengen. Als dit niet het geval zal zijn, kan dit dan niet leiden tot onduidelijkheid over het feitencomplex bij de rechter? Is het niet raadzaam om dit, vooral in die gevallen waarin medische of humanitaire aspecten een rol spelen, in een vroegtijdig stadium van het geschil te onderkennen, zodat eventueel noodzakelijk deskundig advies kan worden ingewonnen?

Uit de memorie van toelichting blijkt dat artikel 3a van de Wet COA is toegevoegd met de bedoeling te voorkomen dat verschillende rechters over geschillen met betrekking tot het onthouden, dan wel het beëindigen van opvang oordelen. Door afdelingen 1, 3 en 4 van de Vreemdelingenwet 2000 van toepassing te verklaren zal de vreemdelingenrechter bevoegd zijn bovengenoemde zaken te behandelen. Hoe beoordeelt de regering de stelling dat inzake besluiten tot beëindiging van verstrekkingen in verband met de inwilligende beschikking (artikel 42 van de Vreemdelingenwet 2000) de bestuursrechter bevoegd zou moeten zijn om daarover te oordelen, omdat kennis van het algemene bestuursrecht in dat type geschillen het belangrijkste lijkt, terwijl kennis van de asielproblematiek daarbij in veel mindere mate een rol speelt. Is het niet zo dat geschillen omtrent de beëindiging van de opvang na een inwilligende beschikking onder andere betrekking zullen hebben op de invulling van het begrip beschikbaarheid van passende huisvesting, wat in artikel 8 Wet COA een grond is voor de beëindiging van de opvangvoorzieningen? In de memorie van toelichting wordt gesteld dat de bestuursrechter zich ook in de toekomst zal moeten blijven buigen over geschillen tussen het COA en asielzoekers. Zou dit kunnen betekenen dat de bestuursrechter in geschillen over besluiten tot beëindiging van de opvang na een inwilligende beschikking de aangewezen instantie is?

In de memorie van toelichting staat dat geen nieuwe titel tot ontruiming noodzakelijk is als ten aanzien van de beëindiging van verstrekkingen een nieuw besluit of een nieuwe handeling moet worden aangenomen. Gezien het feit dat uitdrukkelijk gesteld wordt dat schorsende werking wordt onthouden aan het instellen van beroep, zal aan de rechter een voorlopige voorziening moeten worden gevraagd om de behandeling van het beroep in de opvang af te mogen wachten. De leden van de CDA-fractie vragen of, zolang het verzoek tot een voorlopige voorziening loopt bij de rechter, de verstrekkingen zullen blijven doorlopen en niet tot ontruiming wordt overgegaan.

Hoofdstuk 7

De leden van de CDA-fractie vragen of nader kan worden gemotiveerd waarom onder verwijzing naar internationaalrechtelijke verplichtingen inzake de positie van vluchtelingen (met een beroep op de artikelen 23 en 24 van het Vluchtelingenverdrag) de totale groep van houders van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd
onder dezelfde regelingen inzake sociale bijstand en volksverzekeringen worden gebracht? Hoe gaan de andere EU-landen met deze artikelen van het Vluchtelingenverdrag om in relatie tot het voorzieningenpakket dat aan statushouders wordt aangeboden?
De leden van de CDA-fractie menen uit dit hoofdstuk af te leiden dat het koppelingsbeginsel zoals ingevoerd met de Koppelingswet gehandhaafd blijft en dat zijn slechts verzekerd zijn die vreemdelingen die arbeid verrichten die niet in strijd is met de Wet arbeid vreemdelingen en die in het bezit zijn van een verblijfsvergunning. Op dit moment ontbreekt nog een concepttekst van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden werknemersverzekeringen. Daardoor kan nog niet in volle omvang bezien worden wat de positie wordt van houders van een vergunning voor bepaalde tijd die verlenging moeten aanvragen, dan wel in beroep zijn tegen de intrekking, van hun vergunning. Klopt het dat uit de redactie van het voorgestelde artikel 3, zesde lid, volgt dat ze als werknemer verzekerd blijven, maar dat dit beginsel bij algemene maatregel van bestuur kan worden doorkruist?

Deelt de regering de mening van deze leden dat het wenselijk is dat in een vroegtijdig stadium de conceptteksten van de diverse algemene maatregelen van bestuur bekend zijn, opdat uitvoeringsinstellingen zich tijdig kunnen voorbereiden en dat wordt voorkomen dat in de verschillende algemene maatregelen van bestuur van verschillende ministeries een andere redactie gekozen wordt om bepaalde groepen rechten te geven?

Kan de regering aangeven welke voorziening wordt getroffen voor de groep die uitstel van vertrek krijgt op grond van artikel 43, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 en rechtmatig verblijft op grond van artikel 8 onder j? Is de indruk juist dat de huidige redactie van de diverse bepalingen in de genoemde werknemersverzekeringen lijken uit te sluiten dat zij verzekerd kunnen worden via de algemene maatregel van bestuur waarin de kring van verzekerden wordt uitgebreid?

Zal aan werknemers die rechtmatig verblijf hebben op grond van artikel 8 onder f, g, h en j en rechtmatig arbeid verrichten, in genoemde werknemerswetten rechtstreeks een verzekeringsrecht worden geboden en zo ja, zal dit worden geregeld via de algemene maatregel van bestuur, daarbij in aanmerking genomen dat het vreemdelingen kan betreffen die daarvoor in het bezit waren van vergunning voor bepaalde tijd en die wonen en werken en hun sociale en contractuele verplichtingen hebben, die nagekomen moeten kunnen worden totdat de intrekking van hun vergunning rechtens onaantastbaar is geworden en zij Nederland moeten verlaten?

Artikelen 6 t/m 8
De leden van de CDA-fractie vragen of het geen aanleiding tot verwarring kan geven dat daar waar in de memorie van toelichting wordt gesteld dat de Sociale verzekeringsbank te kennen heeft gegeven er van uit te gaan dat vreemdelingen met een tijdelijke verblijfsvergunning (asiel) na verloop van één jaar na de verlening van de verblijfsvergunning, als ingezeten van Nederland kunnen worden aangemerkt. Moet uit deze formulering worden afgeleid dat er onduidelijkheid bestaat over de juistheid van dit uitgangspunt? Waarom geldt overigens deze wachtperiode van een jaar voordat men aanspraken op kinderbijslag kan doen gelden? Zou het uitgangspunt om ingezetenschap van Nederland pas na één jaar na statusverlening aan te nemen niet een breuk betekenen met de huidige praktijk en jurisprudentie, waarin erkende vluchtelingen en houders van een VTVhumanitair direct na verlening van de status aanspraken kunnen maken? Zou, gegeven het feit dat zich onder de houders van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd ook personen bevinden die thans een A- of VTV-humanitair-status krijgen, niet dezelfde lijn moeten gelden als in de huidige situatie het geval is, temeer daar het de bedoeling van de Vreemdelingenwet 2000 is om aan alle houders van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd eenzelfde voorzieningenpakket toe te kennen? Is het denkbaar dat procedures zouden worden aangespannen in verband met de weigering om ingezetenschap toe te kennen aan houders van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd die in de huidige situatie de status van vluchteling zouden hebben gekregen? Kan worden aangegeven welke individuele omstandigheden aanleiding kunnen geven incidenteel eerder of later ingezetenschap aanwezig te achten? Onder welke omstandigheden kan een beroep op bijzondere bijstand worden gedaan? Zal het moeten toekennen van bijzondere bijstand voor gemeenten een extra financiële belasting kunnen betekenen? Zo ja, worden zij dan gecompenseerd indien de gelden vanuit het Gemeentefonds onvoldoende zouden blijken?
Artikelen 10 t/m 13
De leden van de CDA-fractie vragen of verleende bijstand met inachtneming van de termijnen van de Algemene wet bestuursrecht zal worden beëindigd als onherroepelijk negatief op de aanvraag, het bezwaar of beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning is beslist?

Nu het mvv-vereiste niet meer tegengeworpen zal worden bij niet tijdige verlenging van het verblijfsrecht, moet dan worden aangenomen dat het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw en Ioaz aangepast zal worden in die zin dat het recht op bijstand herleeft zodra een, weliswaar te laat ingediende, aanvraag tot verlenging van de verblijfsvergunning, is gedaan?

De leden van de CDA-fractie constateren dat in de memorie van toelichting wordt opgemerkt dat vreemdelingen met een voorwaardelijke vergunning tot verblijf met ingang van de datum van inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000 en de thans voorliggende Invoeringswet in beginsel onder het toepassingsgebied van de Algemene bijstandswet vallen, doch hieraan - in verband met het bepaalde in artikel 17 van die wet - geen aanspraken kunnen ontlenen zolang nog aanspraken op voorzieningen kunnen worden ontleend aan de Wet gemeentelijke zorg voor houders van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf. Het tijdstip van overgang van laatstgenoemde wet naar het regime van de Algemene bijstandswet is gesteld op uiterlijk zes maanden. Zal, zo vragen de leden van de CDA-fractie, gedurende deze periode een ongunstig verschil in materiële positie kunnen optreden voor degenen die vooralsnog blijven vallen onder het regime van de Zorgwet, ten opzichte van degenen die meteen onder het regime van de Algemene bijstandswet vallen? Zo ja, zal deze categorie met terugwerkende kracht worden gecompenseerd? Zo niet, is het dan mogelijk dat daartegen gerechtelijke procedures worden aangespannen?

Artikelen 16 en 17
De leden van de CDA-fractie vragen hoe lang de periode zal zijn gedurende welke houders van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd arbeid mogen verrichten. Is deze periode onbeperkt, of gebonden aan een maximum van bijvoorbeeld de huidige 12 weken, dan wel de thans in discussie zijnde periode van 25 weken?

Welke rechten op een uitkering op basis van welke wettelijke regelingen heeft een houder van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd die tijdens het verrichten van arbeid ziek, werkloos, of arbeidsongeschikt wordt?

De regering stelt dat door het van toepassing te doen zijn van een tewerkstellingsvergunningplicht van de Wet arbeid vreemdelingen zeker wordt gesteld dat beëindiging van de werkzaamheden plaatsvindt in geval de tijdelijke verblijfsvergunning wordt ingetrokken of niet gecontinueerd, en de vreemdeling Nederland dient te verlaten. De leden van de CDA-fractie vragen of de regering het denkbaar acht dat de bedoelde beëindiging van de werkzaamheden en het vertrek uit Nederland kan worden gefrustreerd doordat werkgevers procedures zouden kunnen aanspannen op grond van de onmisbaarheid van de betrokken vergunninghouder met het oog op de continuïteit van het bedrijf. Op welke wijze en hoe snel worden werkgevers geïnformeerd dat de tewerkstellingsvergunning wordt ingetrokken en dat de dienstbetrekking met de desbetreffende vreemdeling moet worden beëindigd? Hoe lang krijgen werkgevers respijt? Met andere woorden hoeveel tijd kan er zitten tussen het intrekken of niet verlengen van de tijdelijke verblijfsvergunning en het intrekken van de tewerkstellingsvergunning?

Wat zijn, zo vragen de leden van de CDA-fractie, de mogelijkheden tot verkrijging van een tewerkstellingsvergunning voor vreemdelingen van wie de tijdelijke verblijfsvergunning is ingetroken dan wel niet verlengd, maar aan wie vervolgens uitstel van vertrek is verleend?

De leden van de CDA-fractie vragen of de regering inzicht heeft in de kansen van houders van een tijdelijke verblijfsvergunning op een (tijdelijke) baan. Hoe reëel moet het uitzicht op het kunnen verrichten van arbeid worden geacht, tegen de achtergrond van het hoge werkloosheidspercentage onder erkende vluchtelingen en overige allochtonen? Wat betekent een en ander voor het regeringsbeleid inzake de achterstandspositie van allochtonen en autochtonen op de arbeidsmarkt? Kunnen enkele indicaties worden gegeven van het opleidingsniveau van asielzoekers?

Kan de regering verduidelijken, zo vragen deze leden, waarom op basis van een te treffen regeling op grond van artikel 8, tweede lid van de Wet arbeid vreemdelingen, een tewerkstellingsvergunning zal kunnen worden verleend zonder toetsing of voor de desbetreffende arbeidsplaats aanbod op de Nederlandse arbeidsmarkt aanwezig is? Hoe verhoudt het achterwege laten van een dergelijke toets zich tot het beleid inzake het bevorderen van de werkgelegenheid voor degenen die al langere tijd werkloos zijn?

Voorts vragen deze leden of de regering van mening is dat de mogelijkheden om arbeid te verrichten en een beroep te doen op arbeidsbemiddeling en andere faciliteiten ter bevordering van de inschakeling in de arbeid aanzuigende werking tot gevolg kan hebben en dat deze kans groter wordt naarmate de asielprocedure langer duurt.

Ook vragen de leden van de CDA-fractie hoe het beleid in de andere EU-landen is inzake de mogelijkheden van asielzoekers met een tijdelijke verblijfsvergunning tot het verrichten van arbeid.

De leden van de CDA-fractie constateren dat de Raad van State niet inziet wat, zonder de toetsing op prioriteitgenietend aanbod, de meerwaarde is van de voorgestelde tewerkstellingsvergunningsplicht. Daarbij stelt de Raad dat een dergelijke verplichting bovendien voor zowel de vreemdeling als voor de potentiële werkgever drempelverhogend kan werken en dat evenmin duidelijk is waarop de vrees voor niet-marktconforme beloning is gebaseerd. De Raad van State adviseert om, net als Arbeidsvoorziening, Forum en VluchtelingenWerk dat ook al deden in hun preadviezen, de tewerkstellingsvergunningsplicht te heroverwegen. In de memorie van toelichting worden door de regering twee gronden aangevoerd om te kiezen voor een
tewerkstellingsvergunningsplicht gedurende de eerste drie jaren dat een vreemdeling hier te lande verblijft met een vergunning als bedoeld in artikel 26 van de Vreemdelingenwet 2000.

De regering wil met het invoeren van een
tewerkstellingsvergunningsplicht zeker stellen dat deze vreemdelingen slechts tegen marktconforme beloning in het Nederlandse arbeidsbestel worden ingeschakeld. De leden van de CDA-fractie vragen of de regering op grond van de ervaring met vrije toegang tot de arbeidsmarkt voor A-statushouders, houders van een vtv-humanitair en houders van een vvtv in het derde jaar (F3), die allen in het bezit zijn van een document waarop een aantekening als bedoeld in artikel 4 Wet arbeid vreemdelingen is geplaatst (vrije toegang tot de arbeidsmarkt) redenen heeft om aan te nemen dat het gevaar bestaat dat houders van een vergunning voor bepaalde tijd niet marktconform zouden worden betaald. Wat zijn de mogelijkheden van Arbeidsvoorziening dan wel de Arbeidsinspectie om in individuele gevallen te toetsen of de werkgever die stelt marktconform te gaan betalen, dat ook daadwerkelijk doet?
Het tweede argument van de regering om een
tewerkstellingsvergunningsplicht in te voeren voor het doen verrichten van arbeid door houders van een vergunning op grond van artikel 26 van de Vreemdelingenwet 2000 is: zeker stellen dat bij intrekking van de verblijfsvergunning het verblijf ook daadwerkelijk wordt beëindigd en dat de werkzaamheden die voortzetting van dit verblijf ondersteunen worden gestaakt. De toepasselijkheid van de Wet arbeid vreemdelingen impliceert aldus de regering dat door intrekking van de tewerkstellingsvergunning, als uitvloeisel van de beëindiging van de toelating, aan de werkgever kenbaar gemaakt kan worden dat de dienstbetrekking met de vreemdeling dient te worden beëindigd. De leden van de CDA-fractie vragen of het waarschuwen van de werkgever, als reden voor het invoeren van een tewerkstellingsvergunningsplicht, niet een een achterhaald argument is. Is het informeren van de werkgever over het al dan niet hebben van rechtmatig verblijf van de werknemer wel nodig, zo vragen deze leden, aangezien met de invoering van de Koppelingswet in de werknemersverzekeringen is geregeld, dat slechts de houder van een geldige verblijfstitel, dan wel degene die in bezwaar dan wel beroep is tegen de intrekking van de vergunning, verzekerd is? Is het immers niet zo, dat de uitvoeringsinstelling via de GBA een melding krijgt als de verblijfscode gewijzigd is in de GBA, bijvoorbeeld door intrekking van de vergunning, en dat aan de werkgever thans ook al wordt gemeld dat een werknemer, waarvoor hij premies afdraagt, niet langer verzekerd is en dat hij dus in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen handelt als de arbeidsovereenkomst niet wordt beëindigd?

Kan de regering aangeven wat de arbeidsmarktpositie is van de aanvrager van een vergunning voor onbepaalde tijd (artikel 8, onder g), zeker als hij inmiddels drie jaar arbeid heeft verricht? Moet, indien wordt vastgehouden aan een tewerkstellingvergunningsplicht voor houders van een vergunning voor bepaalde tijd asiel, in de Wet arbeid vreemdelingen daarvoor geen voorziening worden getroffen?

Kan worden aangegeven wat de arbeidsmarktpositie is van de aanvrager van verlenging van een vergunning? Op grond van artikel 26, tweede lid Vreemdelingenwet 2000 kan de vergunning voor bepaalde tijd voor korter dan drie jaar verleend worden. Gedurende de aanvraag tot verlenging bevindt de vreemdeling zich rechtmatig in Nederland in de zin van artikel 8, onder g. Moet, indien wordt gekozen voor een tewerkstellingsvergunningplicht, in artikel 12, tweede lid Wet arbeid vreemdelingen dan niet tevens geregeld worden dat de tewerkstellingsvergunning niet wordt ingetrokken?

In hoeverre heeft introductie van de tewerkstellingsvergunningsplicht een remmende werking op het in dienst nemen van houders van een vergunning voor bepaalde tijd, aangezien de werkgever een vergunning zal moeten aanvragen, wat een extra administratieve last met zich brengt? Zal het, gezien de lange duur van de behandeling van de aanvraag voor een tewerkstellingsvergunning, het voor een werkgever wellicht minder aantrekkelijk zijn om een werknemer aan te trekken voor wie hij eerst een vergunning moet aanvragen? Zal de vergunningsplicht een psychologische drempel vormen, zelfs als de procedure voor het verstrekken van een tewerkstellingsvergunning sterk wordt bekort? Kan dit, samen met het gegeven dat de vergunning wordt afgegeven voor bepaalde tijd, een belemmering vormen voor de toegang tot de arbeidsmarkt?

Degenen die onder de huidige Vreemdelingenwet een A-, vtv-humanitair-, dan wel vvtv-status krijgen, zullen onder de nieuwe Vreemdelingenwet gedurende de eerste drie jaar van hun verblijf een vergunning voor bepaalde tijd asiel krijgen. Betekent de invoering van de tewerkstellingsvergunningsplicht een verslechtering van de rechtspositie van erkende vluchtelingen en houders van een VTV-humanitair en houders van een vvtv derde jaar, die nu vrije toegang tot de arbeidsmarkt hebben?

Hoe beoordeelt de regering de tewerkstellingsvergunningsplicht voor houders van een vergunning voor bepaalde tijd asiel, tegen de achtergrond van het voorgaande en van de huidige praktijkervaringen van vvtv-houders met een F1 en F2 die kortdurend arbeid mogen verrichten met een tewerkstellingsvergunning, maar, doordat de werkgever eerst een vergunning moet aanvragen, nauwelijks aan het werk komen? Klopt het dat in de praktijk blijkt dat uitzendorganisaties geen werk aanbieden als eerst een tewerkstellingsvergunning moet worden aangevraagd?

Kan de regering aangeven waarom houders van een vergunning voor bepaalde tijd regulier (artikel 8, onder a, Vreemdelingenwet 2000), waaronder zich gezinsleden van vluchtelingen kunnen bevinden, uitgesloten zijn van de voorzieningen van de Arbeidsvoorzieningenwet 1996?

Hoofdstuk 8

In de gewijzigde tekst van artikel 111, derde lid wordt bepaald dat slechts vreemdelingen die in het bezit zijn van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met d en m van de Vreemdelingenwet 2000, een rijbewijs uitgereikt kunnen krijgen. Kan de regering aangeven waarom niet tevens aanvragers van verlenging ex art. 26, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, de aanvragers van een vergunning voor onbepaalde tijd en degenen die in beroep zijn tegen de intrekking van een vergunning (artikel 8, respectievelijk onder g en h) een rijbewijs verstrekt kunnen krijgen?

Hoofdstuk 9

Artikelen 1 t/m 3
De leden van de CDA-fractie hebben enkele vragen naar aanleiding van de toelichting op deze artikelen. Wat betreft de verzekering ingevolge de AWBZ geldt dat de groep vreemdelingen (de huidige groep vreemdelingen met een voorwaardelijke vergunning tot verblijf), voor zover zij niet in loondienst werkzaam zijn, als Nederlandse ingezetene moeten worden beschouwd, d.w.z. in Nederland woonachtig zijn, om aanspraken aan deze verzekering te kunnen ontlenen. Vervolgens wordt gesteld dat een deel van de desbetreffende categorie niet als ingezetene zal kunnen worden beschouwd en derhalve niet verzekerd zal zijn ingevolge de volksverzekeringen, waaronder de AWBZ. Kan worden verduidelijkt in welke gevallen men wel en in welke men niet als ingezetene wordt beschouwd (en daardoor wel of niet is verzekerd)? Kan ook een verduidelijking worden gegeven van de opmerking dat indien door een zodanige niet-verzekerde persoon AWBZ-zorg wordt ingeroepen, onder omstandigheden bij ontbreken van de benodigde eigen middelen, voor noodzakelijkerwijs te maken kosten een beroep op bijzondere bijstand kan worden gedaan? Aan welke omstandigheden moet hier worden gedacht?

Kan ook worden aangegeven aan welke voorwaarden voor medeverzekering moet worden voldaan door de personen die op grond van het aan artikel 4 toegevoegde lid 18 als medeverzekerde worden aangemerkt?

De leden van de CDA-fractie vragen of ook het voornemen bestaat om in het kader van de Algemene bijstandswet een voorziening te treffen conform het oude artikel 12 Abw, zodat de Rvb kan komen te vervallen. Is de Rvb immers destijds niet in het leven geroepen om in bijzondere gevallen een inkomensvoorziening en een ziektekostenregeling te kunnen bieden? Als dit niet in de bedoeling ligt, hoe zal dan een samenloop tussen de ziektekostenregeling in de Rvb en Ziekenfondsverzekering kunnen worden voorkomen?

Artikel 4
De leden van de CDA-fractie vragen of een uiteenzetting kan worden gegeven van de criteria die in het beleid inzake subsidiëring van welzijnsorganisaties op het terrein van etnische minderheden en aanverwante groepen worden gehanteerd. Zijn er voor wat betreft de toekomstige situatie veranderingen te verwachten inzake de criteria, de in aanmerking komende groepen en de subsidiebedragen?
Hoofdstuk 10

In artikel 2 wordt voorgesteld in de Huisvestingswet te regelen dat houders van een vergunning voor bepaalde tijd en houders van een vergunning voor onbepaalde tijd in aanmerking kunnen komen voor een huisvestingsvergunning. Voorts wordt gesteld dat rechtmatig verblijvenden in de zin van artikel 8 f tot en met l niet in aanmerking kunnen komen voor een vergunning omdat dit ondoelmatig zou zijn. De leden van de CDA-fractie vragen of het uitsluiten van de mogelijkheid om gedurende de behandeling van zijn aanvraag te verhuizen, voor de aanvrager van een vergunning voor onbepaalde tijd (art. 8 onder g) die mogelijk vluchteling is, een verslechtering betekent ten opzichte van zijn huidige rechtspositie?

Hoofdstuk 11

Artikel 5
In dit artikel wordt bepaald dat de Wet gemeentelijke zorg voor houders van een vvtv gedurende ten hoogste zes maanden kan worden voortgezet ten aanzien van de vreemdelingen die eerder een vvtv hadden, die van rechtswege wordt omgezet in een vergunning voor bepaalde tijd op het moment van inwerking treden van de Vreemdelingenwet 2000. In de memorie van toelichting wordt aangegeven dat het uitgangspunt is, dat gemeenten tot omzetting overgaan zodra zulks praktisch mogelijk is en dat met de voorbereidende werkzaamheden al een aanvang wordt gemaakt voordat de nieuwe wet in werking treedt. De leden van de CDA-fractie vragen of, zodra de ex-vvtver/houder van een vergunning voor bepaalde tijd asiel woonruimte heeft gevonden, er voor hem ook aanspraak op bijstand ontstaat.

De leden van de CDA-fractie vragen waarom is gekozen voor een periode van ten hoogste zes maanden gedurende welke de Wet gemeentelijke zorg voor houders van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf nog kan worden toegepast door gemeenten? In de toelichting op dit artikel wordt gesteld dat als uitgangspunt wordt gehanteerd dat gemeenten tot omzetting van aanspraken zullen overgaan zodra zulks praktisch gezien mogelijk is. Genoemde periode van zes maanden stelt gemeenten in staat de omzetting van de verstrekkingen van de Wet gemeentelijke zorg voor houders van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf naar een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet in een uitvoerbaar tempo te doen plaatsvinden. Hoe verlopen de noodzakelijke voorbereidende werkzaamheden, waarvan wordt gesteld dat een deel daarvan ook reeds voor de inwerkingtreding van de nieuwe wet kan worden verricht? Wat zijn de gevolgen van het niet halen van de termijn van zes maanden?

De leden van de CDA-fractie vragen ook wat de consequenties zijn van de intrekking van de Zorgwet Vvtv op datum inwerking treden van de Vreemdelingenwet 2000 voor diegenen die nog voorzieningen ontvangen in het kader van de Zorgwet omdat zij nog in procedure zijn over de intrekking van de vvtv. Moet voor dat doel, zolang zich nog mensen in Nederland bevinden die van deze voorziening afhankelijk zijn, de Zorgwet vvtv niet in stand blijven?

Naar aanleiding van de adviezen van de diverse organisaties (punten 15 t/m 27 van het nader rapport)

De leden van de CDA-fractie hebben over de volgende punten enkele vragen.

Punt 10
Naar aanleiding van het gegeven dat aan houders van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel desgevraagd een vluchtelingenpaspoort zal worden verstrekt, hebben de leden van de CDA-fractie een aantal vragen. Wanneer zal de in verband daarmee noodzakelijke nota van wijziging bij het onlangs ingediende wetsvoorstel tot wijziging van de Paspoortwet (26 977) aan de Kamer worden aangeboden? Welke rechten heeft de houder van een vluchtelingenpaspoort? Kan het feit dat een vluchtelingenpaspoort wordt verstrekt aan een houder van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel, met betrekking tot wie vooralsnog niet bekend is gemaakt of hij vluchteling is in de zin ven het Vluchtelingenverdrag, wellicht aanleiding geven tot misverstanden? Zou namelijk uit het feit dat iemand in het bezit is van een vluchtelingenpaspoort niet kunnen worden geconcludeerd dat hij derhalve per definitie vluchteling is? Zou dit in het internationale rechtsverkeer wellicht aanleiding kunnen geven tot complicaties? Kan de regering aangeven hoe andere EU-landen reageren op het voornemen om ook aan anderen dan erkende vluchtelingen een vluchtelingenpaspoort te verstrekken? Zijn die landen ervan op de hoogte wat dit voor hen zou kunnen betekenen wat betreft toelating en doorreis? Hoe verhoudt een en ander zich tot EU-regelgeving?
Is het waar dat het voorgestelde volgtijdelijke vergunningenstelsel asiel een verslechtering kan betekenen van de rechtspositie van verdragsvluchtelingen en derhalve op gespannen voet staat met artikel 34 van het Vluchtelingenverdrag, in verband met de mogelijke verlenging van de termijn waarna vluchtelingen kunnen naturaliseren? Klopt het dat alleen als de ingangsdatum van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd altijd op de datum van aanvraag wordt gsteld, een verslechtering van de naturalisatiemogelijkheden voor vluchtelingen kan worden voorkomen?

Punt 15
Gesteld wordt dat in de Invoeringswet geen bepalingen zijn opgenomen over de materiële rechtspositie van asielzoekers op wie het besluitmoratorium van artikel 41 van het voorstel Vreemdelingenwet 2000 van toepassing is, omdat de materiële rechtspositie van deze asielzoekers, gelijk aan andere asielzoekers, wordt geregeld in de Regeling verstrekkingen asielzoekers. Hoe moet de zinsnede gelijk aan andere asielzoekers worden verstaan? Wordt hier bedoeld dat de materiële rechtspositie van asielzoekers op wie het besluitmoratorium van toepassing is, gelijk is aan die van andere asielzoekers of wordt hier bedoeld dat de materiële rechtspositie van beide categorieën wordt geregeld in de Regeling verstrekkingen asielzoekers?
Kan de regering aangeven welke rechtvaardigingsgrond zij hanteert voor de latere ingangsdatum (dat wil zeggen niet de datum van de vergunningaanvraag, maar die van de vergunningtoekenning) van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd die wordt toegekend aan vreemdelingen die onder het besluitmoratorium vallen? Is hier geen sprake van rechtsongelijkheid tussen asielzoekers die onder het besluitmoratorium vallen (waaronder mogelijk vreemdelingen die zich terecht kunnen beroepen op erkenning als vluchteling op grond van het Vluchtelingenverdrag) en asielzoekers die niet door een besluitmoratorium worden getroffen, hierbij in aanmerking genomen dat de laatstgenoemde groep een jaar later dan de eerstgenoemde in staat wordt gesteld tot de opbouw van bepaalde rechten?

Waarom kunnen degenen op wie een besluit- of vertrekmoratorium van toepassing is een nieuwe asielaanvraag doen? En waarom kunnen zij - in afwijking van de hoofdregel met betrekking tot tweede en volgende asielaanvragen - in aanmerking komen voor opvangvoorzieningen? Kunnen zij pas in aanmerking komen voor opvangvoorzieningen nadat zij een nieuwe asielaanvraag hebben ingediend? Wat zijn de gevolgen voor degenen die onder het moratorium vallen, maar die geen nieuwe asielaanvraag indienen? Als het per sé noodzakelijk is eerst een nieuwe asielaanvraag in te dienen alvorens men in aanmerking komt voor opvangvoorzieningen, betekent dit dat niet een aanzienlijke extra belasting voor het administratieve apparaat? Kan worden aangegeven welk verschil er is met betrekking tot de relatie tussen uitstel van vertrekbeleid en opvangvoorzieningen in de de huidige ten opzichte van de nieuwe situatie?

Is het waar dat, hoewel artikel 43, vijfde lid, stelt dat de vreemdeling op wie een uitstel van vertrekbeleid van toepassing is, rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder j, de materiewetten uitsluiten dat deze vreemdeling aanspraak kan maken op voorzieningen?

Wanneer zal de Kamer kennis kunnen nemen van de inhoud van de gewijzigde Regeling verstrekkingen asielzoekers?

Kan een overzicht worden gegeven van de verschillen in materiële rechtspositie tussen de onder punt 15 genoemde categorieën asielzoekers?

De leden van de CDA-fractie vragen of met betrekking tot statushouders van wie de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is ingetrokken en aan wie een vertrektermijn van vier weken wordt gegund, er problemen kunnen ontstaan in verband met opzegtermijnen inzake het huren van woonruimte en het aangaan van een arbeidsovereenkomst. Is het denkbaar dat bij verhuurders respectievelijk werkgevers de bereidheid zal afnemen om aan houders van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd woonruimte te verhuren respectievelijk een arbeidsovereenkomst aan te gaan als niet van meet af aan vaststaat dat de normale opzegtermijnen in acht genomen kunnen worden?

Punt 17
Kan een verduidelijking worden gegeven van de opmerking dat het de bedoeling is dat daar waar nodig inburgeringscursussen worden gecombineerd met arbeid? Wat wordt bedoeld met daar waar nodig?
Hoe moet men zich het verloop van een gecombineerd traject van arbeid en inburgering concreet voorstellen?

Wat is de stand van zaken betreffende de mogelijkheden van de ROCs om faciliteiten te bieden en betreffende de afspraken tussen gemeenten en ROCs?

Punt 18
Wat is de huidige omvang van het gebruik van de mogelijkheden van de Remigratiewet door A- en C-statushouders?

Kan en schatting worden gegeven van de omvang van de verwachte toename van het aantal potentiële Remigratiewetgerechtigden?

Waarom kunnen houders van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wel gebruik maken van de remigratiefaciliteiten zolang hun vergunning niet is ingetrokken, maar niet daarna?

Wat is het verschil in faciliteiten op grond van de Remigratiewet en die op grond van de terugkeerregeling van de Internationale Organisatie voor Migratie?

Punt 25
Wat is de stand van zaken betreffende het in samenwerking met de VNG proberen te komen tot een uniforme landelijke richtlijn voor het omzetten van de bruikleenovereenkomsten met houders van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf in reguliere overeenkomsten?
Tweede Kamerlid: Joop Wijn

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie